Afgeschreven - Angelique Haak - E-Book

Afgeschreven E-Book

Angelique Haak

0,0

Beschreibung

Nooit meer, had Sasja zich voorgenomen. Maar wat als er levens van afhangen? De populaire Maasstadmoorden-reeks van thrillerschrijfster Sasja Winters is in de vergetelheid geraakt, net als zijzelf. Nadat Sasja een aantal jaren eerder in opspraak kwam door een incident met haar uitgever, brak ze met de schrijfwereld en alles wat daarmee samenhing. Maar dan klopt de politie op haar deur. Er is een jonge vrouw vermoord en de manier waarop is Sasja maar al te bekend. De moordenaar heeft een boodschap voor haar: Voltooi de serie, of er zullen meer slachtoffers vallen!

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 521

Veröffentlichungsjahr: 2024

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.


Ähnliche


 

Nooit meer, had Sasja besloten. Maar wat als er levens van afhangen?

Een heftig incident met haar uitgever was voor thrillerschrijfster Sasja Winters de druppel: nooit meer wilde ze nog iets met de schrijfwereld te maken hebben. Haar populaire Maasstadmoorden-reeks raakte in de vergetelheid, net als zijzelf.

Vier jaar later klopt de politie op haar deur. Er is een jonge vrouw vermoord op exact dezelfde wijze als in Sasja’s debuut. En de moordenaar heeft een boodschap voor Sasja: Voltooi de serie, of er zullen meer slachtoffers vallen!

Angelique Haak debuteerde in 2017 met Een nieuw begin, en behaalde sindsdien meerdere nominaties met haar boeken. Het verkeerde meisje, haar laatste thriller uit 2022, belandde op de shortlist van de Hebban Thrillerprijs en werd verkozen tot Beste Nederlandse Vrouwenthriller.

..

..

..

..

..

‘Een meesterwerk!’

[5 sterren] Moon Kager, Mustreads or Not

..

‘Deze thriller heeft alles. Spanning, mooie personages, wat gruwelijkheid, een vleugje humor en een goed verhaal.’

Wendy Wenning, Vrouwenthrillers

 

ANGELIQUE HAAK

Afgeschreven

..

..

..

..

..

..

..

..

 

© 2023 Angelique Haak

Omslagontwerp: Margo Togni

Foto omslag: © Nilufer Barin, Arcangel Images

Boekverzorging: Michiel Niesen, ZetProducties, Haarlem

..

isbn 9789461097613

..

Meer informatie over De Crime Compagnie op www.crimecompagnie.nl

 

The mind of a writer can be a truly terrifying thing. Isolated, neurotic, caffeine-addled, crippled by procrastination, consumed by feelings of panic, self-loathing, and soul-crushing inadequacy. And that’s on a good day.

..

Robert De Niro

Copycat

Enucleatie.

Volgens medici is het een vrij eenvoudige operatie, ik zet er echter mijn vraagtekens bij. Ik vraag me af of, wanneer je die scalpel eenmaal vasthebt en de adrenaline door je lichaam raast, er werkelijk sprake is van een ‘eenvoudige’ operatie. Is de geest dan koelbloedig genoeg en de hand stabiel? Vindt het vlijmscherpe metaal makkelijk zijn weg door huid en spieren, of hapert het?

Eén millimeter te veel naar links of rechts maakt al het verschil. Zorgt ervoor dat stugge aanhechtingsspieren weerstand bieden en er ruimte voor twijfel ontstaat. En bij deze ‘operatie’ is geen ruimte voor haperingen of twijfel. Het moet snel gebeuren. Snel én daadkrachtig.

Ik breng mijn hand in beweging en voer de opdracht uit.

Het apparaat komt zoemend tot leven en de schematische afbeelding op het scherm verschijnt nu stukje bij beet­je op het vel papier dat de printer uitspuugt. Het gezoem stopt en de stilte lijkt nog stiller. Ik neem het blaadje op en bestudeer de afbeelding nog eens. Vier rechte oogspieren en twee schuine. Met een rode pen omcirkel ik de plaatsen van aanhechting en dan neem ik mijn besluit.

Het is tijd. Ik heb lang genoeg onderzocht, voorbereid en geduld gehad.

Deze operatie zal plaatsvinden, eenvoudig of niet.

Mijn eindspel begint!

Proloog – Vier jaar eerder

Sasja

‘Sasja, schat, come in!’

Ingmar werpt me drie snelle luchtkussen toe en neemt plaats achter zijn smetteloos witte en overgeorganiseerde bureau. Ik ga op de designstoel tegenover hem zitten, waarbij het leer kraakt en klinkt als iets anders. In een poging nog enigszins relaxed over te komen, leun ik achterover en sla mijn benen over elkaar. Nieuw gekraak. Het brengt een blos naar mijn wangen.

‘Je weet dat ik gek op je ben en dat ik je alle ruimte heb gegeven om iets nieuws te proberen, maar ik ga er geen doekjes om winden: It’s bad. De verkoopcijfers van Nachtvlinder zijn dramatisch.’

Hé, hallo Sasja. Wat fijn dat je er bent! Hoe is het met je?

Ik zak verder weg in de stoel, de schaamte voorbij.

‘Hemel en aarde heb ik moeten bewegen voor dat interview met LINDA. En dan zeg je tegen zo’n journaliste dat je stopt met De Maasstadmoorden?Eerlijk waar, darling, ik kreeg zowat een ­stroke!’ Ingmar wappert theatraal met zijn handen. Iets wat hij, naast het overmatig gebruik van Engelse woorden, regelmatig doet als hij praat. Theatraal is zo’n beet­je zijn middle name. Het werkt ook nu weer enorm op mijn zwaar overbelaste zenuwen.

‘Ingmar, je weet toch hoe…’ begin ik met een zwak klinkende stem. Ik ga rechtop zitten, negeer het gekraak, en begin opnieuw. ‘Je weet toch hoe ik erin sta? Ik heb je méérdere keren laten weten dat ik niet meer verder wil met De Maasstadmoorden en dat ik…’

‘En dat je een break nam!’ roept hij. ‘Dát is wat we hadden afgesproken, niet dat je tegen de pers zou zeggen dat er helemaal nóóit meer een vervolg komt!’

Zijn snerpende stemgeluid snijdt door me heen en ik haal zo ongemerkt mogelijk diep adem om mijn kalmte te bewaren. Ingmars versie van onze afspraak wijkt ver af van de mijne. Ik bekijk hem aandachtig terwijl hij verder snerpt en wappert. ­Hij draagt een hemelsblauw maatpak dat er duur uitziet, om zijn hals is een truttig paarsblauw sjaaltje gedrapeerd, en op zijn neus staat een oversized pilotenbril met lichtgetinte glazen en een goudkleurig montuur. ­Zijn nieuwste vriend, die iets in de mode doet, heeft duidelijk veel invloed op hem. ­Of dat positief is of juist niet, daar ben ik nog niet over uit.

‘Echt, ­Sasja. ­Ik begrijp dat alle ophef rondom ­Eindspel een beet­je, nou ja…’

(wapper, wapper)

‘… overwhelming voor je was. ­Het was ook een gewaagde zet, dat einde, dat wisten we allebei. ­Ento be honest? ­Ik was het er vanaf het begin af aan al niet mee eens. ­Weet je dat er nog altijd boze mails van lezers binnenkomen?’

Nog stééds? ­De mij zo bekende druk op mijn borst komt op.

‘Maar dat is juist goed, liefje. ­Dat geeft aan dat het nog leeft. ­Mensen willen nog altijd weten hoe het verdergaat met ­Jonna. ­Om dan nu out of the blue te zeggen dat er geen vervolg meer komt in de reeks, dat is commerciële zelfmoord! ­Ik denk dat we het nog kunnen redden als je het snel weer oppakt.’

Wát?

De spanning die ik al voelde toen ­Ingmar me uitnodigde op het kantoor van ­Crimewriters ­United, vlamt nu in alle hevigheid op. ­Mijn vermoeden dat ­Cas vreemdgaat, de zorgen om mijn moeder, alle ballen in de lucht houden voor de kinderen én de paniekaanvallen als gevolg van het schrijven van die kloteboeken: het is te veel! ­De vulkaanvrouw die ik al tijden ben dreigt tot eruptie te komen als gevolg van de endogene krachten die mijn egoïstische uitgever op me uitoefent!

Ergens hoopte ik dat hij me wilde zien om simpelweg eens te vragen hoe het nu met me gaat. ­Om aan te geven dat hij begrijpt dat mijn gezondheid voorgaat. ­Dat hij mijn wens om een pauze in te lassen respecteert. ­Dat ik alle tijd kan nemen die ik nodig heb. ­Niet dat hij me wéér gaat zitten doorzagen over die verdomde serie!

Ik haal nogmaals diep adem en visualiseer mijn woede als water. ­Afwaswater dat door het gootsteenputje wegvloeit na het verwijderen van de stop. ­Slechts het schuim van het zeepsop blijft achter in de wasbak. ­Knisperend. ­Rustgevend bijna. ­Meteen voel ik me iets kalmer. ­Fijn om te merken dat die veel te dure meditatie-­app toch nut heeft.

‘De mensen zitten overduidelijk niet te wachten op een roman van ­Sasja ­Winters. ­Ze willen een vervolg op ­Eindspel! ­Het e-book van ­Nachtvlinder heeft nog wel redelijk verkocht, vooral door de vele kortingsacties die er waren, maar de verkoop van de paperback… ­Nou ja, kijk zelf maar. ­Horrible, ik leg erop toe.’ ­Ingmar schuift een velletje met cijfers onder mijn neus en ik werp er kort een blik op.

‘En de recensies zijn ook niet al te best, dat heb je vast wel gezien.’

Heus? ­Zou je denken, ­Ingmar?

Ingmar pakt zijn tablet en swipet en scrolt wat. ‘Hier, deze bijvoorbeeld, van ­Gertje ­Bes van het recensententeam.’

Ik begrijp onmiddellijk dat ­Ingmar op de site van lezerscommunity ­De allereerste zin zit.

‘“Winters bewandelt met het eerste deel uit haar ­Vlinderserie een geheel nieuw pad. ­Welk pad, dat is echter volledig onduidelijk. ­Is het dat van de coming of age,van de klassieke roman of van de feelgood? ­Het verhaal bevat in elk geval een vleugje ­Winters-spanning, zo is te lezen op de site van de uitgever, ­Crimewriters ­United. ­Maar ­Winters laat de lezers die voor spanning komen in de steek, want die is nergens te bekennen. ­Evenals een duidelijke lijn in het verhaal. ­Is ­Winters van het padje af?”’

Au.

Ingmar kijkt niet eens op om te zien wat zijn woorden met me doen, hij gaat onverstoord verder.

‘En deze, van ­Jan van ­Tuyn, ook uit het recensententeam: “Winters móét een keuze maken: thrillers of romans. ­Nachtvlinder is na de ­Maasstadmoorden-reeks als een pan te dunne erwtensoep, waarbij ze bovendien het zout én de peper is vergeten. ­Een slappe hap die niet beklijft; smakeloos en flauwtjes.”’ ­Ingmar kijkt nu wel op van zijn tablet.

Het water dat zojuist nog wegspoelde door het putje, sputtert in de afvoer en ik kom overeind in de eeuwig krakende stoel. ­De druk bouwt op en heet water gorgelt naar boven als kolkende lava; een ware zeepsopvulkaan. ­Woest word ik van die kraaloogjes die schitteren achter die bril die veel te groot is voor dat smalle gezicht! ­Ineens voel ik de behoefte om het ding van ­Ingmars neus te meppen en het paarsblauwe sjaaltje om zijn nek strak te trekken tot hij zelf minstens net zo paars of blauw ziet. ­Wie denkt hij wel niet dat hij is? ­Ik heb vijf delen van die vervloekte reeks voor hem geschreven en hij heeft er flink zijn zakken mee gevuld. ­Zes, bijna zeven jaar van mijn leven zit erin, terwijl ik bij ieder boek steeds meer een schim van mezelf werd. ­Luisterde hij naar mij? ­Néé! ­De koe moest tot uitputting aan toe uitgemolken worden. ­Steeds weer nieuwe lugubere moorden bedenken. ­Steeds weer in het hoofd van psychopathische types kruipen als ik in de rol van profiler ­Jonna du ­Pont stapte. ­Steeds weer al die negatieve emoties doorleven zodat ik me echt één voelde met wat ik schreef. ­O, ­Sasja, je personages zijn zo authentiek! ­Hoe doe je dat toch?

Onder enorme druk van ­Ingmar ging ik steeds een stapje verder mijn eigen grenzen over om lezers geboeid te houden en ervoor te zorgen dat ze niet afhaakten. ­Want, zo peperde hij me meer dan eens in: in dit wereldje ben je zo goed als je laatste boek en kun je niet teren op eerdere prestaties. ­Nou ­Ingmar, ik geloof dat dát me nu wel duidelijk is! ­Een onzichtbare hand graait wild rond in mijn borstkas.

Shit, niet hier. ­Niet nu!­Focus je op iets anders, ­Sasja! ­Blijf rustig!

Snel kijk ik weg van de nog altijd tetterende ­Ingmar. ­Mijn blik wordt gevangen door het witte spekstenen beeldje dat in de vitrine vol andere trofeeën schuin achter hem staat. ­Hoe kon ik het vergeten zijn? ­De ­Denker! ­Het beeldje van een schrijver gebogen over zijn schrijfmachine, in dezelfde houding als het wereldberoemde en gelijknamige beeldhouwwerk van ­Rodin. ­Ik kreeg het overhandigd bij de geldprijs die ik won met ­Fortis ­Puella, mijn debuut uit de ­Maasstadmoorden-reeks. ­Waarom staat het nog steeds hier? ‘Sasja ­Winters’ staat er op de plaquette aan de voorkant, niet ‘Ingmar ­Ritmeester’! ­Had ­Ego-Ingmar in al die jaren niet een keer kunnen bedenken dat ik het misschien zélf zou willen hebben? ­Zoals hij er ook wel aan had kunnen denken dat ik op dit moment niet op gezeik over dramatische verkoopcijfers en slechte recensies zit te wachten. ­Ik heb zowat in alle talen aangegeven dat ik rust wilde. ­Waarom gaat deze man altijd en eeuwig over mijn grenzen heen?

Mijn ademhaling versnelt weer en mijn vingertoppen beginnen te tintelen.

Plotseling zie ik voor me dat ik het massieve beeldhouwwerkje uit de vitrine pak en het in mijn tas stop. ­Het is van mij, ik heb er recht op!

‘Stop!’

Met open mond kijkt ­Ingmar me aan na mijn uitroep.

‘Stop hiermee, en zeg gewoon waarvoor je me werkelijk gevraagd hebt te komen.’

Ingmar legt de tablet opzij en schuift zijn bril hoger op zijn neus. ­Dan haalt hij uit de bovenste lade van zijn bureau een stapel papieren en schuift ze naar me toe.

Ik zie het kenmerkende logo van ­Crimewriters ­United met het bloederige mes bovenaan en dan mijn eigen naam, vetgedrukt op het voorblad. ­Dit meent hij niet!

‘Wat is dit, ­Ingmar?’

Ingmar zet zijn ellebogen op het bureaublad en vouwt zijn handen in elkaar. ‘Dit is de kans die ik je bied om je carrière te redden. ­It is time to move on, ­Sasja.’

Time to move ón? ­Mijn blik glijdt scannend over de tekst als de tintelingen optrekken van mijn handen door mijn armen, rechtstreeks naar mijn borst. ­Een contráct? ­Voor ­De­Maasstadmoorden deel zes? ­Ik zie de ingevulde datum die bij ‘deadline inleveren persklare kopij’ staat en een vreemd geluid ontsnapt aan mijn keel. ­Is hij helemaal gek geworden?

‘Drie maanden, ­Ingmar? ­Je wil dat ik in dríé maanden een vervolg schrijf? ­Terwijl je weet dat die reeks me kapotmaakt? ­Terwijl je weet waar ik nu allemaal mee te dealen heb? ­Terwijl je weet dat…’ ­Ik probeer het gonzende, suizende geluid op de maat van mijn veel te snelle hartslag te negeren.

‘De schoorsteen moet hier ook roken, ­Sas,’ antwoordt ­Ingmar ijzig kalm. ‘De ­Maasstadmoorden-reeks is onze bestverkopende serie ooit en het is onacceptabel hoe je die met ­Eindspel geëindigd bent. ­Lezers zijn teleurgesteld, maar het is nog niet te laat om het te fiksen.’ ­Ingmar schuift een goudkleurige pen mijn kant op. ‘Binnen drie maanden ligt er een nieuw deel van ­De ­Maasstadmoorden op mijn bureau. ­Anders houdt onze samenwerking hier en nu op.’

Ik zit in mijn auto, die nogal scheef geparkeerd staat. ­Door de zijruit zie ik mijn eigen huis in de doodlopende straat waar ik woon. ­De buurman gooit net zijn afval in de kliko en zwaait naar me. ­Een angstig gevoel bekruipt me als ik me realiseer dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben. ­Mijn god, niet weer!

In mijn hoofd bonkt een sloophamer, zodanig dat ik er misselijk van word. ­Ik leg mijn handen op mijn voorhoofd, dat klam en plakkerig aanvoelt, bezweet. ­Ik kreun en zie in dat hier blijven zitten me niet verder gaat helpen. ­Ik moet iets innemen tegen de pijn, en snel. ­En ik moet grip op mezelf krijgen voordat de kinderen uit school komen. ­Hoe laat is het?

Ik gris mijn tas van de stoel naast me en voel dat hij zwaar is. ­Te zwaar. ­Als de tas op mijn schoot een stukje openvalt, stokt mijn adem. ­Tussen de vertrouwde spullen die ik verwacht, zoals mijn telefoon, sleutels, en een flesje water, ligt iets wat ik totaal niet verwacht. ­Ik neem het spekstenen beeldje uit de tas en zie dat het niet meer zijn helderwitte kleur heeft.

Pas dan snap ik dat het niet mijn voorhoofd was dat klam en plakkerig aanvoelde, en zie ik mijn handpalmen. ­Net als het beeldje zitten ze onder het bloed.

Met trillende vingers neem ik mijn telefoon uit mijn tas en bel degene die ik altijd bel als ik hulp nodig heb.

‘Daphne, met mij.’ ­Schokkerig begin ik te huilen. ‘Ik ben bang dat ik iets vreselijks heb gedaan.’

Zaterdag - ­Heden

De folderbezorgster

De vrouw in het donker spant zich tot het uiterste in om de heuvel van de ­Gerdesiaweg naar de ­Oostzeedijk op te komen met haar fiets. ­Ze vervloekt de zware fietstassen, evenals de tegenwind en de regen die loodrecht naar beneden klettert. ­Het is donker, koud, en er is letterlijk geen hond op straat. ­Ze vraagt zich af: is ze nu werkelijk de veertig gepasseerd om voor dag en dauw in dit rotweer folders te bezorgen? ­Om zich vervolgens, als ze daarmee klaar is, te pletter te haasten naar haar ‘gewone’ baan? ­Ook weer op de fiets uiteraard, want voor een auto heeft ze geen geld.

Heel de dag op haar benen staan in de lunchroom, vriendelijk lachend bestellingen opnemen van mensen die niet beseffen hoe goed ze het hebben. ­Mensen die voor hun vertier wat komen eten, drinken, kletsen en lachen. ­Ze kan zich niet heugen wanneer ze zelf voor het laatst ergens een kopje koffie heeft gedronken. ­Laat staan dat ze heeft gelachen.

Het leven is niet eerlijk, zoveel is haar inmiddels wel duidelijk. ­Destijds gaf zij haar baan op om voor de kinderen te zorgen, zodat ­Henk carrière kon maken. ­En toen hij het na al die jaren goed voor elkaar had bij het bedrijf waar hij werkte, ruilde hij haar in voor zijn veel jongere secretaresse. ­Het was zo’n verdomd cliché dat het gewoon grappig was. ­Minder grappig was dat ­Henk ook nog eens halsoverkop besloot met die golddigger te trouwen. ­Gelukkig kon zijzelf met de kinderen aardig rondkomen van de vette alimentatie die ­Henk betaalde, maar nog geen jaar later kreeg ­Henk, die zelf ook ietsjes te vet was, een hartinfarct. ­Nooit had ze erbij stilgestaan dat als die klootzak zou komen te overlijden, de alimentatie voor zowel haar als de kinderen abrupt stopte en alles wat er overbleef voor ­Miss ­Golddigger was. ­Henk was in gemeenschap van goederen met haar getrouwd en had helemaal níéts vast laten leggen voor de kinderen! ­Sindsdien was haar leven een aaneenschakeling geworden van gesprekken met veel te dure advocaten die haar van alles beloofden, maar in de tussentijd moest zij alle zeilen bijzetten om in het levensonderhoud van haar kinderen te voorzien. ­Nee, het leven is bepaald niet eerlijk.

Ze smijt haar fiets tegen de gevel van het studentenhuis dat het startpunt is van haar bezorgwijk. ­Klam van het zweet onder haar verstikkende regenpak trekt ze de fietstas open en haalt er een flinke stapel folders uit. ­Die klojo, met zijn klote-infarct! ­En als ze aan dat groene blaadje denkt waar hij haar voor had ingeruild, wordt ze helemaal woest. ­Die draait zich op dit moment vast nog eens lekker om in het dure ­Auping-bed dat zíj een paar jaar geleden nog had uitgekozen. ­Met haar armen vol folders stapt ze het donkere voorportaal van het gebouw in, waarbij haar voeten plotseling blijven haken. ­De folders beginnen te glijden, haar balans verdwijnt en ze gaat languit.

‘Au!’

Een vlammende pijnscheut trekt door haar rechterpols, waarmee ze als eerste het beton van de vloer raakte. ­Een gekneusde of gebroken pols is wel het laatste wat ze nodig heeft. ­Shit! ­Waarom zetten die studenten hun vuilniszakken toch zo vaak in het portaal? ­De vuilcontainer staat nota bene aan de overkant van de straat, luie donders! ­En waarom brandt de verlichting hier niet? ­Ze krabbelt op haar knieën en bevoelt haar pols. ­Pas wanneer ze de conclusie trekt dat het op een schaafwond na wel meevalt, zet ze de zaklamp van haar telefoon aan en veegt de folders bij elkaar. ­Dan draait ze zich om. ­Onmiddellijk trekt het bloed uit haar gezicht als duidelijk wordt dat het géén vuilniszak is waarover ze is gestruikeld.

Twee benen. ­Bleek in de felle lichtstraal van haar telefoon. ­Bloot. ­Ze laat de lichtstraal omhoogglijden en schiet dan achteruit, alsof ze door duizend wespen tegelijk gestoken wordt. ­Haar telefoon klettert op het beton. ­Zachtjes kermend slaat ze haar armen om zichzelf heen, haar ogen dichtgeknepen maar op haar netvlies nog altijd het beeld van de jonge vrouw die tegen de deur aan zit.

Nee, het leven is absoluut niet eerlijk.

Zondag

Sasja

Als er een auto ons laantje in rijdt, kom ik overeind op de bank en kijk uit het raam. ­Het is niet de zwarte ­Volvo van ­Cas, die ik elk moment verwacht, maar dezelfde witte ­Skoda die ik gisteren ook al zag. ­Hij stopt wederom voor het chalet tegenover het mijne en dezelfde man als gisteren stapt uit. ­Een boomlange kerel, ik schat wel twee meter. ­Atletisch gebouwd, gekleed in een spijkerbroek met daarboven een wit shirt met een grijs-zwart geblokt houthakkersoverhemd eroverheen. ­Verder heeft hij een ruig baardje en zou hij wat mij betreft ieder moment hout kunnen gaan hakken. ­Ik zou er in elk geval met plezier naar kijken. ­Toen ik hem gisteren voor het eerst zag, had ik hem meteen de bijnaam ‘Sexy ­Baardmans’ toebedeeld.

Sexy ­Baardmans loopt om zijn auto heen en opent de kofferbak. ­Dan kijkt hij op, ziet mij. ­Ik schrik, voel me ineens een gluurder die van achter de geraniums alles in de gaten houdt, in plaats van een moeder die zit te wachten tot haar ex hun twee puberkinderen thuisbrengt. ­Baardmans heft zijn hand naar me en ik zwaai terug, ietwat ongemakkelijk van achter mijn krulvarens. ­Ach, die zijn in elk geval hipper dan geraniums. ­Toch voel ik me wat sneu en besluit dat het beter is om me fatsoenlijk voor te gaan stellen. ­Dit doodlopende laantje met acht chalets achter in vakantiepark ­Het ­Langeveld is onofficieel het ‘lang-verblijf-laantje’. ­Grote kans dat ­Baardmans voorlopig mijn nieuwe overbuurman is. ­Geen onprettige gedachte.

Ik gris mijn spijkerjack van de stoel, trek het aan en vraag me af of er ook nog een lange sexy vrouw bij deze ruige kerel hoort. ­Of misschien juist wel een kleintje, een mollig vrouwtje van één meter vijftig? ­Ik grinnik bij het contrasterende plaatje dat zich in mijn hoofd vormt en open de voordeur van mijn chalet.

‘Hoi,’ zeg ik als hem even later nader.

Hij tilt net een pak met laminaat uit zijn kofferbak.

‘Ben je nieuw hier?’ ­Ik besef dat het klinkt als een afgezaagde openingszin in de kroeg en steek wat ongemakkelijk mijn handen in de zakken van mijn jasje. ­Deze kerel is echt lang en geeft mij het gevoel dat ik een dwerg ben, hoewel ik met mijn één meter tachtig nu niet bepaald klein ben. ­Ik kijk langs hem heen en zie dat het binnen in zijn chalet één grote puinhoop is. ­De vloer is kaal en overal staan bouwmaterialen.

‘Ik zat je niet te begluren hoor, ik verwacht iemand,’ zeg ik in een poging mezelf te verklaren. ­Het maakt de situatie alleen maar sneuer voor mijn gevoel.

Sexy ­Baardmans kijkt me aan, nog altijd zonder iets te zeggen. ­Er verschijnt een glimlach rond zijn mond en een twinkeling in zijn bruine ogen, alsof hij zich kostelijk vermaakt met mijn gestuntel.

‘Kan ik je helpen?’ zeg ik uiteindelijk maar, met een blik op zijn kofferbak vol pakken laminaat en gereedschap.

‘Nee, dank je. ­Het lukt wel.’ ­Hij legt het pak dat hij al had opgetild weer neer, wat mij de kans geeft naar zijn handen te kijken. ­Geen ring. ­Pluspunt.

‘Jij woont daar?’ ­Baardmans’ blik gaat naar mijn chalet en ik knik. ­Het onderkomen dat slechts tijdelijk zou zijn omdat er geen fatsoenlijk, betaalbaar huis in de omgeving te krijgen was, is al veel te lang mijn vaste verblijfplek. ­Hoewel het permanent verblijven op een vakantiepark niet is toegestaan in ­Rockanje, wordt het door de huidige parkbeheerder gedoogd gezien de huidige woningkrapte. ­Niemand wil een moeder met twee pubers op straat zetten.

De krappe vijftig vierkante meter heeft maar twee slaapkamers, en is de reden dat ik al een aantal jaar op een doorgezakte slaapbank in mijn woonkamer slaap in plaats van in een fatsoenlijk bed in een slaapkamer. ­Iets wat mijn rug me niet in dank afneemt. ­Ik googel regelmatig op nieuwe modellen slaapbanken, maar heb er het geld niet voor om er een aan te schaffen. ­Al vraag ik me af wat duurder is: een nieuwe slaapbank of de bezoekjes aan de chiropractor voor mijn rugklachten.

Ik besluit deze wildvreemde man die voor me staat niet te overladen met mijn sores. ­In plaats daarvan steek ik mijn hand naar hem uit. ‘Sasja.’

‘Winters?’ vult hij in als hij mijn hand schudt en ik verstijf ter plekke, met mijn hand in de zijne.

‘Jij bent toch die schrijfster die een paar jaar geleden haar uitgever op zijn neus timmerde?’

Hij lijkt net zo verbouwereerd onder de situatie te zijn als ik en ik staar hem stompzinnig aan, op zoek naar de juiste woorden. ­Of andere woorden. ­Wat voor woorden dan ook. ­Een blos schiet met de snelheid van het licht naar mijn wangen. ­Het is lang geleden dat iemand het incident waarmee ik destijds de bladen haalde oprakelt. ­Ik trek mijn hand terug.

‘Sorry,’ zegt hij. ‘Het was absoluut niet mijn bedoeling je een ongemakkelijk gevoel te bezorgen. ­Ik vond het destijds juist zo’n grappig verhaal. “Thrillerauteur slaat door.”­Die kerel kwam over als een echte gladjakker, hij had het vast verdiend.’ ­Hij geeft me een knipoog. ‘Wat een hork ben ik. ­Nogmaals, sorry.’ ­Hij plaatst zijn handen wat ongemakkelijk op zijn heupen.

‘Je, eh… ­Je overviel me ermee. ­Het gebeurt niet vaak meer dat iemand me herkent en zich dan ook nog dat incident herinnert.’ ­Ik schiet van de zenuwen in de lach. ‘En om eerlijk te zijn: hij was inderdáád een gladjakker en hij had het absoluut verdiend.’

Nu schiet ook ­Sexy ­Baardmans in de lach en hij steekt opnieuw zijn hand naar me uit. ‘Laten we dit even overdoen. ­Ik ben ­Jarno ­Mandemaker en ik ben soms nogal een hork.’

‘En ik ben ­Sasja ­Winters en als je iets doet wat me niet bevalt, dan timmer ik erop los.’

We schudden elkaar de hand als achter ons een auto het laantje in rijdt. ­Ik draai me om, deze keer is het wel de zwarte ­Volvo van ­Cas. ­Er borrelt irritatie op als ik zie dat ­Anna op de passagiersstoel zit. ­De ­Spaanse ­Stiefheks die een paar jaar geleden het bed in dook met mijn vent, heeft al mijn tussentijdse therapie ten spijt nog altijd dat effect op me. ­Naar ­Cas toe ben ik door de jaren heen wat milder geworden, maar ­Anna, de geniepige mannenstelende pedicure, haalt nog altijd met gemak het slechtste in me naar boven. ­Cas bezocht haar, nog wel op mijn aanraden, om een likdoorn te laten verwijderen. ­Blijkbaar zat ze al snel aan veel meer dan alleen zijn voeten.

‘Mijn ex met de kinderen,’ zeg ik tegen ­Jarno.

‘Zullen we op een ander moment nog eens wat uitgebreider kennismaken? ­Kopje koffie drinken of zo?’ ­Jarno neemt zijn pak laminaat weer op.

‘Gezellig!’ ­Koffiedrinken met deze leuke kerel lijkt me niet bepaald een straf en ik ben bereid te ontdekken wat hij met ‘of zo’ bedoelt. ‘Ergens van de week een keer?’

Jarno knikt en ik steek het middenpad over, waar ­Cas inmiddels uitstapt en zijn portier met een harde klap dichtzwaait. ­Anna blijft met een nukkig gezicht in de auto zitten. ­Trouble in paradise?

Cas beent met de enorme tas met ­Rowans baseballspullen naar het schuurtje achter mijn chalet. ­Ik wil nog roepen dat ­Rowan het zelf wel opruimt, maar ­Cas is al weg. ­Langzamer dan nodig loop ik naar de auto. ­Ik heb geen behoefte aan enige vorm van communicatie met ­Anna. ­Bo stapt uit en loopt me met een soort grom die blijkbaar als ‘hoi mam’ dient voorbij, om vervolgens zonder haar vader gedag te zeggen naar binnen te verdwijnen. ­Ook ­Rowan is inmiddels uitgestapt, roept ­Anna gedag en slaat dan zijn armen stevig om mijn middel. ­Meteen voel ik de warmte die ik altijd voel als de kinderen na hun week bij ­Cas en ­Anna weer bij me terugkomen. ­Co-ouderschap is soms een zegen, veel vaker een vloek. ­Je kinderen steeds opnieuw zien vertrekken en ze ook nog eens moeten delen met een andere vrouw went nooit.

‘Hé kerel, hoe is het?’ ­Ik druk een kus op ­Rowans kruin. ­Net twaalf, maar gelukkig nog altijd in voor een knuffel. ­In tegenstelling tot ­Bo, die met haar vijftien jaar al een poos een behoorlijk nukkige puber is. ­Maar zo sacherijnig als ze nu thuiskomt, heb ik haar niet eerder meegemaakt. ‘Wat is er met ­Bo?’ vraag ik aan ­Cas, die weer terug is en nu de overige tassen van de kinderen uit zijn kofferbak haalt.

‘O, het is die tijd van de maand, denk ik.’ ­Hij grijnst, ondanks het feit dat ik hem al vaak genoeg heb gezegd dat hij daar geen grapjes over moet maken. ­Hij weet het niet, maar ­Bo is een laatbloeier en ze zit er vreselijk mee dat ze nog altijd niet ongesteld geworden is, terwijl al haar vriendinnen ‘het’ al wel zijn. ­Ik besluit hem niet te corrigeren, dat heb ik veel te lang geprobeerd toen we nog getrouwd waren. ­Dat is nu aan mijn grote vriendin, die in de auto haar nagels bestudeert alsof het interessante kunstwerken zijn.

‘Alles wel goed gegaan verder?’ vraag ik, en ik neem de tas van ­Bo aan van ­Cas.

Rowan geeft zijn vader een boks en vliegt dan met zijn spullen naar binnen.

Langs mij heen kijkt ­Cas naar de overkant. ­Ik draai me om en zie dat ­Jarno net weer een nieuw pak laminaat zijn chalet in draagt.

‘Nieuwe buurman?’

Ik knik en zie dat ­Jarno naar ons kijkt. ­Hij heft nog een keer zijn hand en ­Cas doet plichtmatig hetzelfde.

‘Aardige kerel?’ ­Cas trekt zijn wenkbrauwen op en ik voel opnieuw ergernis opwellen. ­Cas hoeft niet te weten dat ik ­Jarno net drie seconden ken en nog vrijwel niets van hem weet. ­Sterker nog, ­Cas hoeft helemaal niet te weten met wie ik wel en niet spreek. ‘De kinderen, alles goed gegaan?’ herhaal ik.

‘Prima. ­Bo is vrijdagavond naar een feestje geweest en laat naar bed gegaan. ­Ik denk dat ze gewoon nog een beet­je moe is.’

‘Wat voor feestje? ­Waarom weet ik daar niets van?’

‘Het kwam op het laatste moment op. ­Je weet toch hoe dat gaat bij pubers? ­Sophie ging er ook heen.’

Mijn ergernis zwelt aan tot het aloude toen-ik-nog-met-Cas-getrouwd-was-niveau. ­Sophie is ­Bo’s beste vriendin, maar is dat een legitieme reden voor ­Bo om naar een feestje te gaan waar ik niets van afweet? ­En als ze op zondagavond nog zo versleten is van een feest van vrijdagavond, hoe laat is ze dan in hemelsnaam naar bed gegaan?

‘Nee, ik weet niet hoe dat gaat. ­Waar is ze geweest, bij wie?’

‘Gewoon, bij iemand van school. ­Het was in de buurt, en ik heb ­Bo netjes gebracht en gehaald. ­Niks aan de hand.’

‘Niks aan de hand? ­Je weet niet eens bij wie ze was!’

‘Een van haar vriendinnen, ­Lana?’

Die naam ken ik, het is een van ­Bo’s klasgenootjes. ­De opmerking van ­Cas is echter meer een vraag dan een mededeling.

‘Ik zou het fijn vinden als je dit soort dingen voortaan eerst met me overlegt, oké? ­Ik weet wél graag waar mijn kinderen uithangen.’

‘Ja, sorry. ­Je hebt helemaal gelijk.’ ­Dan neemt ­Cas me aandachtig op. ‘Je ziet er trouwens goed uit, ­Sas. ­Ben je weer aan het sporten?’

Slijmbal. ­Onmiddellijk baal ik van mezelf dat ik me toch gevleid voel door zijn opmerking; ik had zelf ook al opgemerkt dat ik eindelijk weer in een kledingmaat kleiner paste, maar dit is gewoon een onbeschaamde afleidingsmanoeuvre van ­Cas. ­Flirten met zijn ex-vrouw, onder het toeziend oog van zijn huidige vrouw, met wie hij jaren geleden diezélfde ex-vrouw bedonderd heeft. ­Veel gekker moet het niet worden.

Alsof ­Anna aanvoelt wat er gebeurt, werpt ze me vanuit de auto een venijnige blik toe. ­Snel focus ik me weer op ­Cas, die er afgepeigerd uitziet.

‘Gaat alles wel goed tussen jou en ­Anna?’ ­Niet dat het me werkelijk interesseert, maar als ze problemen hebben, kan dat ook zijn weerslag hebben op de kinderen. ­Misschien is dát wel de reden dat ­Bo zo uit haar humeur is.

‘Die hormoonkuren beginnen haar op te breken.’ ­Cas glimlacht; het ziet er gemaakt uit. ‘En mij ook om eerlijk te zijn.’ ­Hij steekt zijn hand uit naar het portier.

Ik heb nog honderd vragen over dat feestje waar ik helemaal niets van wist en ik wil ­Cas nogmaals duidelijk maken dat dit wat mij betreft niet is hoe we de dingen regelen. ­Als ik de blik in zijn ogen zie, slik ik het in. ­Ik weet hoe zwaar het op hem weegt dat na haar miskraam de gewenste nieuwe zwangerschap bij ­Anna uitblijft. ­Ondanks alles wat er in het verleden tussen ons is voorgevallen, wens ik hem dit verdriet niet toe.

‘Fijne avond nog,’ zeg ik, waarna ­Cas instapt, zijn portier dichttrekt, en vervolgens achteruit het laantje op draait en wegrijdt. ­Voordat ik twee tellen later de deur van mijn chalet achter me sluit, zie ik nog net dat ­Jarno naar me kijkt.

Martin

‘Is het rapport van ­Peeters al binnen?’

Rechercheur ­Martin van ­Vliet schrikt op uit zijn geconcentreerde houding. ­Collega ­Jolanda ­Klimroos staat met twee koppen koffie naast zijn bureau. ­Nadat ze er een voor hem neerzet, neemt ze met haar eigen koffie plaats achter het bureau tegenover hem.

‘Dank je.’ ­Hij vouwt zijn handen gretig om de mok, alsof het een kostbaar bezit is. ‘Ik zit het net te lezen.’ ­Hij richt zich weer op zijn scherm, waar het rapport van de patholoog-anatoom op geopend is. ‘Ze had een flinke dosis alcohol en ketamine in haar lijf. ­Dat eerste heeft ze volgens vriendinnen zelf tot zich genomen in de kroeg waar ze die nacht waren, het laatste is haar waarschijnlijk toegediend. ­Er is een prikplek in haar hals aangetroffen.’

‘Was het genoeg ketamine om haar volledig buiten westen te krijgen?’

Martin begrijpt ­Jolanda’s vraag achter de vraag, omdat hij die zichzelf net ook stelde. ­Nu zijn collega hetzelfde proces doorloopt, beseft hij weer eens hoe dubbel hun werk soms is. ­Hoe krom het is om opluchting te voelen wanneer je hoort dat iemand die zo vreselijk is toegetakeld verdoofd of buiten westen was. ­Een zeer schrale troost, die de lelijkheid van de realiteit nauwelijks verlicht. ­Hier is geen sprake van die troost.

‘Op basis van de hoeveelheid ketamine en het lichaamsgewicht van de vrouw schat ­Peeters in dat ze waarschijnlijk een ­K-hole had.’

Jolanda staart naar haar koffie. ­Ook zij ziet ongetwijfeld voor zich wat hij zojuist voor zich had gezien. ­Hoe moest het in godsnaam zijn als je je lichaam door toediening van ketamine niet meer kon bewegen, je niet meer kon praten maar je nog net genoeg bewustzijn had om te beseffen dat een of andere psycho compleet op je losging met een scalpel?

‘De uiteindelijke doodsoorzaak zijn de veelvuldige steken in het hart geweest.’

Zonder verder iets te zeggen drinken ze beiden hun koffie. ­Het is een korte stilte tussen collega’s waarin zich allerlei processen afspelen. ­Het verwerken van de hartverscheurende emoties van de ouders van ­Jaimy ­Lourdes, toen ze hun vertelden dat hun dochter op brute wijze om het leven was gebracht, het verwerken van het verdriet en ongeloof bij de medestudenten uit het studentenhuis waar de jonge vrouw woonde, maar bovenal de stilzwijgende belofte aan elkaar om de uiterst zieke geest die ­Jaimy om het leven heeft gebracht te vinden en ervoor te zorgen dat deze persoon zijn straf niet ontloopt.

‘Jongens!’ ­Collega ­Jochem van ­Dijk, de digitaal specialist van de afdeling ­Moordzaken waar ­Jolanda en ­Martin deel van uitmaken, loopt binnen met een tablet in zijn hand. ‘Dit geloven jullie nooit.’ ­Hij legt de tablet op ­Martins bureau en ­Jolanda sluit aan om te zien waar ­Jochem op doelt. ­Die tikt op zijn scherm waar afbeeldingen van een reeks boeken verschijnen.

‘De ­Maasstadmoorden?’ vraagt ­Martin. ‘Wat is dit?’

Jochem tikt op een van de afbeeldingen en beide rechercheurs lezen de flaptekst die verschijnt.

‘Holy shit,’ fluistert ­Jolanda.

Martin staat op, loopt naar de kapstok en grist zijn jas ervanaf. ‘Ik neem aan dat je een adres voor ons hebt?’

Sasja

‘Lekker, mam,’ zegt ­Rowan met zijn mond vol spaghettislierten. ­Het levert hem een boze blik van ­Bo op. ­Bo zelf heeft slechts een muizenhapje aan verse pasta pesto met pijnboompitjes op haar bord geschept.

‘Het eten hier is véél lekkerder dan bij papa en ­Anna,’ zegt ­Rowan, alsof hij restaurants met elkaar vergelijkt. ‘Anna kookt alleen uit potjes en zakjes en laat ook nog bijna alles aanbranden.’

Ik neem een hap en glimlach. ­Het maakt niet uit dat het alweer vier jaar geleden is dat ­Cas me definitief aan de kant schoof voor de ­Spaanse ­Anna met haar lange donkere lokken en superslanke lijf; de deuk die het in mijn zelfvertrouwen heeft geslagen, zal nooit helemaal helen. ­En hoe kinderachtig het ook is, het blijft fijn om te horen dat ik ergens beter in ben dan de nieuwe jongere vrouw van ­Cas. ­Zelfs als het van ­Rowan komt, die onvoorwaardelijk van me houdt. ­Toch geef ik als ik mijn mond leeg heb – goed voorbeeld doet hopelijk volgen – het pedagogisch verantwoorde antwoord: ‘Het belangrijkste is dat ze lief voor jullie is.’

‘Ze is wel oké,’ zegt ­Rowan, wederom met zijn mond vol sauzige slierten.

‘Eet je bakkes nou eerst eens leeg, viespeuk!’ ­Bo knalt haar bestek op tafel.

‘Let jij lekker op jezelf.’ ­Rowan eet onverstoord verder en ik onderdruk een zucht. ­Hoe blij ik ook ben dat mijn kinderen weer bij mij zijn, het gaat altijd gepaard met de bekende ergernissen en ruzietjes die onlosmakelijk bij een leven met een prepuber en überpuber horen. ­Die laatste kijkt nog altijd pislink naar haar broertje.

‘Ik hoorde van papa dat je naar een feestje bent geweest?’ ­Ik pak mijn glas water en neem een slok. ­Bo neemt net een nieuwe hap en kauwt er tergend langzaam op. ­Als ze haar eten heeft doorgeslikt antwoordt ze ‘dat klopt’, waarna ze snel een nieuwe hap neemt.

Ik voel de irritatie die ­Cas ook zo makkelijk bij me opwekt. ­Hoewel ­Rowan qua uiterlijk een kopie is van zijn vader en ­Bo op mij lijkt, is ­Bo qua karakter vaak net mijn ex. ­Ze weet me net als hij makkelijk op de kast te krijgen en zoekt graag de grenzen van mijn tolerantie op.

‘Bij ­Lana, begreep ik van papa. ­Was ze jarig?’ ­Ik weet dat ik een kruisverhoor moet voorkomen, wil ik iets loskrijgen uit die oester tegenover me, maar het is lastig om me in te houden met alle vragen die ik heb. ­Een knikje is slechts ­Bo’s antwoord, gevolgd door een stilte.

‘Was het leuk?’

‘Hmm, hmm.’

Weer stilte. ­Tot ­Rowan zich wederom met zijn mond vol eten in het gesprek mengt. ‘Ze was pas heel laat thuis. ­Daarom is ze ook zo sacherijnig.’ ­Hij rolt met zijn ogen.

‘Hou je kop, sukkel. ­Je weet helemaal niet hoe laat ik thuis was.’ ­Bo schenkt hem een blik die insinueert dat ze vurig wenst dat hij ter plekke in rook opgaat.

Voordat ik de kans krijg haar op haar taalgebruik aan te spreken, gaat ­Rowan verder.

‘Dat weet ik wél, want ik hoorde papa en ­Anna erover praten vanochtend. ­Je was pas om vier uur thuis.’

Ik verslik me in mijn water. ‘Pardón. ­Vier uur? ­Is dat echt zo?’

‘Ja. ­Hoezo?’

‘Hoezó?’ vraag ik scherp. ‘Omdat dat geen normale tijd is voor een meisje van net vijftien. ­En papa en ­Anna, die vonden dat goed?’

‘Iederéén mocht tot vier uur blijven.’

‘Ja, dat zeggen die anderen natuurlijk ook allemaal tegen hun ouders. ­Ik vind het echt geen normale tijd voor kinderen van jullie leeftijd. ­Je hebt deze week toetsweek, dan moet je een beet­je fit en uitge…’

Geklop op het raam; we hebben geen deurbel. ­Ik draai mijn hoofd en zie een man op de veranda staan die een pasje ophoudt. ­Politie? ­Een vlaag zenuwen jakkert spontaan door mijn lijf.

Het geluid van de deurbel dringt tot me door. ­Er is een snerpende pijn achter mijn ogen als ik ze open. ­Ik druk mijn handen tegen mijn bonkende slapen en zie dat ik op de slaapbank in mijn schrijfkamer lig. ­De uitgeverij, ik was er net nog. ­Wat is er gebeurd? ­Hoe kwam ik híér?

Flarden van dat ik in mijn auto zat met bebloede handen en dat ik ­Daphne belde komen bij me terug. ­Ik kijk naar mijn handen. ­Schoon! ­Daphne? ­Was ze naar me toe gekomen?

Beneden hoor ik ­Cas verhit praten. ­Met ­Daphne, zie je wel! ­Er is ook een mannenstem die ik niet herken, laag en brommend. ­Hij vraagt naar mij?

Een golf van misselijkheid zwelt aan. ­Ademen, ­Sas. ­Diep inademen! ­Ik plaats mijn handen op mijn buik en concentreer me.

De stemmen. ­Ik kan geen woorden opmaken uit het gonzende geluid. ­Het lijkt wel alsof ik met mijn hoofd onder water zit.

Niet veel later vliegt de deur van mijn schrijfkamer open en zie ik het rood aangelopen gezicht van ­Cas.

Daphne grijpt hem bij zijn arm. ‘Rustig nou, ­Casper. ­Ik leg het je allemaal wel uit. ­Je kunt ­Sasja nu beter even met rust laten.’

Cas rukt zich los, en ­Daphne hobbelt als een nerveus hertje achter hem aan. ‘Dit ga je niet menen hè, ­Sas? ­Je hebt je uitgever op zijn bek geslagen? ­Er is politie voor je aan de deur!’

Ik kom overeind, te snel! ­Ik sla mijn hand voor mijn mond.

‘Casper, laat haar nou even, je ziet toch ook wel dat ze…’

‘Wat? ­Dat ze weer eens te veel gezopen heeft?’ ­Cas loopt op me af en pakt me bij mijn arm. ‘Dit gaat te ver! ­Moeten onze kinderen dit nu echt meemaken?’

Ik kijk op. ­Ik wil ­Cas het liefst van alles toeschreeuwen. ­Dat ik het seksueel getinte appje van ene ­Anna (zijn pedicure?) vanochtend heus wel gezien heb. ­Dat ik het niet meer trek om praktisch in mijn uppie voor onze kinderen én mijn dementerende moeder te zorgen terwijl hij steeds de hort op is met zijn vrienden. ­Dat ­Ingmar een enorme klootzak is. ­Dat het schrijven van die boeken iets in me losgemaakt heeft waar ik bang van word. ­Dat mijn gezondheid eraan gaat en het vreselijkste van allemaal: dat ik steeds minder grip lijk te hebben op mezelf!

Ik wil het hem allemaal toeschreeuwen, maar het lukt niet. ­De kamer, de muren, de vloer, alles draait en deint en woorden vervagen. ­Ik probeer me los te wurmen, maar ­Cas houdt nog steeds stevig mijn arm vast. ­Voor ik besef wat er gebeurt, kots ik over hem heen.

‘Mam, moet je niet even opendoen of zo?’

Ik schrik op uit mijn herinnering en zie ­Rowan en ­Bo naar me staren. ‘We hebben het later nog wel over dat feestje,’ zeg ik tegen ­Bo en ik sta op.

Bestek wordt weer op tafel gegooid en ­Bo stampt weg, naar haar kamer.

‘Anna kookt misschien niet zo lekker, maar ze zeikt tenminste ook niet zo.’ ­Bam! ­Haar snedige opmerking wordt gevolgd door haar dichtslaande kamerdeur.

Ik adem diep in en open dan de voordeur. ­Op mijn veranda staat de man, samen met een vrouw. ­Een rilling glijdt over mijn rug.

‘Mevrouw ­Winters?’ vraagt de kerel. ­Hij houdt wederom zijn pasje naar me op. ‘Martin van ­Vliet en ­Jolanda ­Klimroos, recherche ­Rotterdam. ­Kunnen wij even met u praten?’

‘Recherche?’ ­Ik wankel.

‘Rustig maar,’ zegt de vrouw. ‘We willen u gewoon wat vragen stellen.’

Waarover in godsnaam? ­Is er iets gebeurd op het feestje van ­Bo?

Als ze binnen zijn, laat de vrouwelijke rechercheur subtiel doorschemeren dat het beter is dat ­Rowan naar zijn kamer gaat. ­Ik moet aandringen, want hij is natuurlijk nieuwsgierig. ­Pas na een tweede verzoek van mij, vergezeld van een strenge blik, druipt hij af om zijn huiswerk te gaan maken. ­Als de deur van zijn slaapkamer dichtvalt, bied ik de rechercheurs aan om plaats te nemen. ­Ze gaan naast elkaar op de bank zitten. ­Zelf neem ik, met de zenuwen gierend door mijn lijf, plaats op de fauteuil tegenover hen.

‘Wij willen u graag wat vragen stellen naar aanleiding van een lopend onderzoek, waarvan we hopen dat u ons daarbij kunt helpen.’

‘Helpen?’ ­Mijn stem slaat over. ­Ik probeer te begrijpen wat ik met een lopend onderzoek van de recherche te maken heb.

Van ­Vliet glimlacht vriendelijk naar me, alsof hij begrijpt wat er allemaal door mijn hoofd raast. ­Hij heeft geen idee!

‘Ik snap dat u schrikt, maar we willen u slechts om advies vragen,’ zegt hij om me gerust te stellen. ­Een vergeefse poging. ­Wat doet de fucking recherche in mijn huis?

‘Schiet maar,’ zeg ik daarom snel, en ik besef dat dat misschien niet zo’n handige opmerking is tegenover twee rechercheurs. ‘En zeg alsjeblieft gewoon ­Sasja en jij tegen me. ­Dat ge-u maakt me nerveus.’

Van ­Vliet knikt en nodigt me uit hen ook te tutoyeren. ‘Heb je misschien iets meegekregen over de vrouw die gisteren dood gevonden is in ­Rotterdam?’

Ik schud mijn hoofd. ‘Ik kijk, luister en lees zelden nieuws.’

Niets aan gelogen. ­Vroeger was ik een echte nieuwsjunk. ­Mijn dag startte steevast met het uitpluizen van de krant en gedurende de dag volgde ik diverse online nieuwssites. ­Na de tijd die ik nog altijd aanduid als mijn ‘donkere periode’ was ik op aanraden van mijn therapeut gestopt met het nieuws zo neurotisch te volgen. ­Misschien een vorm van struisvogelpolitiek, maar ik merkte al snel dat mijn leven werkelijk lichter werd toen ik niet meer alle ellende in de wereld tot me nam.

‘Ze is gevonden in het voorportaal van een studentenhuis. ­Jaimy ­Lourdes heet ze, zegt die naam je iets?’

Ik graaf paniekerig in mijn geheugen. ­Zou het me iets moeten zeggen? ­Who the hell is ­Jaimy ­Lourdes en wat heb ík met haar te maken?

Jolanda ­Klimroos haalt een mapje tevoorschijn. ‘Ik wil je vragen om wat foto’s te bekijken, waarbij ik je waarschuw. ­Ze zijn schokkend om te zien.’

Mijn schouders trekken omhoog. ­Ik snap er nog altijd niets van. ­Het is vreselijk dat er een jonge vrouw, ene ­Jaimy ­Lourdes, dood is, maar wat heb ík daarmee te maken?

‘Als je de foto’s ziet, zul je het begrijpen,’ zegt ­Klimroos, die mijn gedachtegang kennelijk volgt. ‘Maar nogmaals, als je het te heftig vindt, hebben we daar uiteraard begrip voor.’

Ik moet bijna lachen om de onmogelijkheid van de situatie. ­Hoe kan ik nu bepalen of wat ik ga zien ‘te heftig’ is als ik geen idee heb wát ik te zien ga krijgen? ­Ik geef een knikje.

Klimroos klapt het mapje open en legt een foto van ­A4-formaat op tafel. ­Ik verstijf als ik het bleke, grotendeels ontklede lichaam zie dat tegen een voordeur aan geleund zit. ­Gal vindt zijn weg naar boven bij de aanblik van het gezicht, met op de plek waar ooit ogen gezeten moeten hebben slechts twee donkere, bloederige gaten. ­Als ik besef wat er om het bovenlijf van de vrouw gedrapeerd is, snap ik waarom de rechercheurs hier zijn. ­Ik heb het gevoel geen lucht meer te krijgen.

O. ­Mijn. ­God.

Martin

‘Wat denk jij?’

Martin kijkt naar zijn collega als ze in de auto zitten. ­Achter het raam van het chalet sluit ­Sasja ­Winters de gordijnen.

‘Ze leek me oprecht geschokt, al zegt dat natuurlijk helemaal niets. ­Ik las laatst ergens dat de meeste schrijvers er te introvert voor zijn, maar dat ze anders ook prima acteurs zouden kunnen zijn. ­Ze leven zich tijdens het schrijven de hele tijd in hun personages in.’

Martin start de auto. ­Jolanda stipt exact aan wat hij zich ook al gerealiseerd had. ­Deze vrouw had zich uit naam van haar professie jarenlang verplaatst in seriemoordenaars en andere psychopaten. ­En als hij de recensies van haar boeken mocht geloven, was ze daar verdomd goed in. ‘Ze kwam op mij nogal nerveus over. ­Zag je niet hoe ze steeds met haar vingers zat te knijpen?’

Jolanda stopt een kauwgompje in haar mond en houdt hem dan de strip voor.

Hij schudt zijn hoofd.

‘Niet zo gek, het zal ook niet iedere dag gebeuren dat er twee rechercheurs aan haar deur verschijnen met zo’n bericht.’

Zonder te antwoorden passeert hij de slagboom van het vakantiepark. ­Hij had het gevoel dat de voormalige auteur hun lang niet alles verteld had wat er te vertellen viel, en meestal bedriegt zijn intuïtie hem niet.

‘Het lijkt me verstandig als we eens wat dieper in het leven van ­Sasja ­Winters duiken.’

Sasja

Het is net over elven als ook ­Bo naar bed is. ­Ik ijsbeer door de kamer, mijn schouders zo strak dat het zeer doet. ­Een al te bekende behoefte steekt venijnig de kop op. ­Ik snak naar een groot glas wijn dat de kou uit mijn botten verjaagt. ­Of een kalmerend tabletje om mijn razende gedachten een halt toe te roepen. ­Het liefst wil ik ze beide, hoe fout die combi ook is!

Het geluid van de afslaande waterkoker haalt me uit mijn trance. ­Snel maak ik een kop thee en ga ermee aan tafel zitten. ­Ik staar naar de damp die uit de mok omhoogkringelt, met een glas wijn nog altijd in mijn gedachten. ­Zou de kampwinkel nog open zijn?

Ik knijp mijn ogen dicht. ­Het is lang geleden dat ik deze behoefte had. ­Ik moet iets doen om ervoor te zorgen dat het verdwijnt. ­Nu!

Ik pak mijn telefoon en tik op het laatst gebelde nummer uit mijn contactenlijst. ­Pas wanneer de telefoon al overgaat, besef ik dat dit een slecht idee is. ­Het is veel te laat op de avond.

‘Hé, ­Sas.’

Ja hoor, verdorie, ze klinkt alsof ik haar wakker bel.

‘Is er iets gebeurd?’ vraagt ­Daphne direct alert. ‘Alles goed met jou, met de kids?’

De bezorgdheid die doorklinkt in de stem van mijn beste vriendin laat me opnieuw beseffen hoe stom het van me is haar zo laat nog te bellen. ­Ze schrikt zich natuurlijk kapot.

‘Ja, eh nee, prima hoor,’ hakkel ik; het klinkt tegenstrijdig.

‘Kom op, wat is er? ­Je belt me niet voor niets op dit tijdstip.’

‘Nou, met mij en de kinderen gaat het wel goed, tenminste, er is iets gebeurd en…’

‘Is het ­Casper? ­Wat heeft die loser nou weer gedaan?’

Ik bijt op mijn onderlip. ­Deze keer heeft ­Cas er helemaal niets mee te maken. ‘De politie was hier vanavond, recherche.’

‘Recherche? ­Bij jóú?’

Mijn keel knijpt zich dicht als ik de foto’s weer voor me zie.

‘Wat kwamen ze doen?’ ­Er klinkt angst door in ­Daphnes stem, wat het besef bij me terugbrengt dat ik iets moet zeggen. ­Ik haal diep adem om het horrortafereel te verjagen, maar het staat te stevig op mijn netvlies gebrand.

‘Er is gisteren een dode vrouw gevonden in ­Rotterdam, een studente.’

‘Ik las het op een nieuwssite,’ zegt ­Daphne. ‘Vreselijk.’ ­Dan is het even stil. ‘Maar wat heeft dat met jou te maken?’

‘Fortis ­Puella,’ fluister ik.

‘Fortis ­Puella?’ herhaalt ­Daphne.

Weer een stilte waarin haar gedachten ongetwijfeld hetzelfde pad volgen als die van mij eerder op de avond.

‘Nééééé,’ zegt ze langgerekt terwijl ik denk aan mijn debuut, het boek over de studentes van sociëteit ­Fortis ­Puella.

‘Ja, wel.’ ­Ik slik een paar keer voordat ik verder kan. ‘Ze was gewikkeld in een vlag van haar sociëteit, en haar ogen… ­Haar ogen waren…’ ­Dan breek ik alsnog en begin ik te snikken. ‘Ze waren verwijderd. ­Net als in…’

‘­Net als in jouw boek,’ fluistert ­Daphne.

Ik hum instemmend, omdat ik niets anders meer kan uitbrengen.

‘Ik kom nu naar je toe! ­Ik kleed me aan, ik spring in de auto en ik ben er met een halfuurtje!’

‘Nee, nee. ­Dat hoeft niet,’ roep ik. ­Het zou niet de eerste keer zijn dat ­Daphne halsoverkop naar me toe komt vanwege mijn problemen. ‘Dat hoeft niet, echt. ­Het is al veel te laat en jij moet morgen ook weer vroeg op.’ ­Ik verman me en duw mijn tranen weg. ‘Ik moest het alleen even aan iemand kwijt, snap je?’

‘Ja, natúúrlijk snap ik dat, lieverd. ­Jemig. ­Zal ik echt niet naar je toe komen?’

‘Nee, écht niet,’ zeg ik resoluut. ‘Ontzettend lief dat je het aanbiedt, maar ik ben vreselijk moe en ga zo naar bed. ­Het gaat wel.’ ­Leugenaar!

Daphne blijft even stil. ‘Morgen kan ik denk ik wel wat eerder weg van mijn werk. ­Ik kan niet heel lang blijven, want een van de katten staat op het punt van bevallen, maar ik moet je gewoon even zien. ­Rond een uur of drie? ­Dan wandelen we naar het strand en dan kun je even je hart luchten, goed?’

‘Als je liever bij de katten blijft nu, dan snap ik dat echt wel.’

Daphne heeft sinds een aantal jaren een cattery aan huis met zes prachtige ­ragdoll-poezen, waarvan ze me regelmatig foto’s stuurt. ­Misty, haar jongste telg, staat op het punt te bevallen van een nestje. ­En als een van haar poezen moet bevallen, is ­Daphne net een moederkloek.

‘Nee, ik kom,’ zegt ­Daphne resoluut. ‘Ik vraag wel of mijn moeder een paar uurtjes oppast.’

Natuurlijk, denk ik. ­Daphnes moeder stond altijd voor haar klaar. ­Even voel ik een steekje van jaloezie. ­Ik zou willen dat ik zo’n zorgzame moeder had. ­Mijn moeder is er niet meer, en erg zorgzaam is ze ook nooit geweest.

‘Graag,’ antwoord ik dan als ik besef hoe groot de behoefte is mijn beste vriendin te zien. ­Om even haar armen om me heen te voelen. ­Na een stilte waarin haar aarzeling besloten ligt, zegt ze: ‘Geen domme dingen doen, hè?’

‘Alleen thee,’ zeg ik met schorre stem en we nemen afscheid van elkaar.

Ik giet mijn koud geworden thee vervolgens in de gootsteen en klap met een zwaarmoedig gevoel mijn slaapbank uit. ­Alsof er van slapen ook maar iets terecht zal komen vannacht.

Uiteraard krijg ik gelijk. ­Een selffulfilling prophecy of gewoon een logisch gevolg van de omstandigheden? ­Mijn gedachten gaan steeds weer terug naar het gesprek met de rechercheurs, waarbij mijn hartslag telkens ongezond versnelt. ­Waarom had ik niet volledig open kaart gespeeld? ­Zouden ze er niet alsnog zelf achter komen? ­En zou het dan niet verdacht lijken dat ik dat deel van mijn leven had verzwegen? ­Mijn god; ik was compleet in een spasme geschoten toen ik voor de tweede keer vandaag met mijn verleden geconfronteerd werd. ­Zelfs de tintelende vingers die vroeger het begin van een paniekaanval aankondigden waren er weer!

Het was niet dat ik het gevoel kreeg dat de rechercheurs me ergens van verdachten dat mijn paniek zo aanwakkerde; het was het misselijkmakende gevoel van schuld. ­Was dit niet precies waar ik altijd bang voor was geweest toen mijn boeken steeds populairder werden? ­Dat mijn gruwelijke hersenspinsels iemand met een zieke geest zouden inspireren en dat de ellende die ik de kosmos in stuurde zijn weg naar me terug zou vinden? ­Karma.

‘Kan het niet gewoon toeval zijn?’ had ik aan de rechercheurs gevraagd, hoewel elke vezel in mijn lijf het tegendeel schreeuwde. ­De locatie van de moord was ­Rotterdam ­Kralingen, er was een studente gedrogeerd, haar ogen waren verwijderd met een scalpel, én de vrouw was in een vlag van haar sociëteit gewikkeld. ­Allemaal precies zoals in ­Fortis ­Puella. ­Toeval? ­Wie probeerde ik voor de gek te houden?

Martin van ­Vliet was er nuchter over geweest: ‘Ik had ooit een collega die zei: “Eén keer is een incident, twee keer is toeval, drie keer een patroon.” ­Als we die theorie aanhouden, zou dit een incident zijn.’

Een incident. ­Maar wel van het gruwelijke soort dat ­Jaimy ­Lourdes niet meer kon navertellen. ­Meteen realiseerde ik me wat ­Van ­Vliet eigenlijk had gezegd: áls we die theorie aanhouden. ­Vertelde het feit dat ze hier bij mij op de bank hadden gezeten niet dat ze het tegenovergestelde deden? ­Verward had ik van hem naar ­Klimroos en weer terug gekeken en gevraagd: ‘Denken jullie dat er nog meer moorden zullen volgen? ­Ben ik zelf in gevaar?’

Daar konden ze uiteraard geen antwoord op geven, maar ze moesten alle opties openhouden, zeiden ze, én ik moest alert zijn. ­Was me onlangs in mijn omgeving iets opgevallen? ­Waren er mensen die zich plotseling anders gedroegen, of waren er onlangs nieuwe mensen in mijn leven gekomen? ­Had ik problemen of zelfs ruzie met iemand?

Terwijl ik mijn handen steeds had dichtgeknepen en weer opende om de tintelingen in mijn vingers te verjagen, waren er herinneringen bovengekomen aan die dag een aantal jaar geleden. ­De dag dat ik in ­Ingmars kantoor zat en hij me bleef doorzagen over de slechte resultaten van ­Nachtvlinder. ­De dag waarop er iets in mij knapte en ik over de schreef ging. ­Hoeveel wisten deze rechercheurs precies?

Ik had hun globaal verteld over de aanvaring met ­Ingmar, waar ze ongetwijfeld al van wisten, maar het gedeelte over de black-outs die ik in die tijd had en vooral wat erop volgde, liet ik bewust achterwege. ­Met een zucht draai ik me om op mijn slaapbank.

Het ­Ingmar-incident had tot nog zoveel meer ellende geleid. ­Mijn uitgever had aangifte gedaan van mishandeling, en hij of ­Julia – zijn onbenullige en veel te jonge assistente – had het hele verhaal uitgebreid aan de pers uit de doeken gedaan. ­Zelfs met een foto erbij van ­Ingmar, onder het bloed. ­Wat een dramaqueen!

Het was een vreselijke tijd. ­Bladen kopten met teksten als ‘thrillerauteur sasja winters slaat door’ en ‘heeft schrijfster maasstadmoorden zelf moorddadige neigingen?’ ­Bijna elke dag stond er in die tijd wel pers voor mijn deur of belde er weer een sensatiegeil programma of ik alsjeblieft mijn kant van het verhaal wilde vertellen. ­En tot overmaat van ramp besloot ­Cas – zijn gevoel voor timing is altijd al vreselijk ­geweest – zijn affaire met pedicure ­Anna aan me op te biechten. ­Het was serieus tussen hen en hij kon en wilde niet langer met mij door. ­Voordat ik ‘gatver, die vrouw zit aan jouw pik met handen waarmee ze heel de dag aan andermans vóéten zit’ kon roepen, had hij zijn eeltloze hielen al gelicht om bij haar in te trekken. ­Nu had ik boven op al de zorgen die ik toch al had ook nog een scheiding om me druk om te maken. ­De interesse van de pers hield lang aan. ­Pas toen ze doorkregen dat ik écht niet van plan was commentaar te geven op de situatie, lieten ze me met rust. ­Dat voorkwam echter niet dat het met mij helemaal misging. ­Thrillerauteur ­Sasja ­Winters sloeg écht door. ­Ik was tot het uiterste gegaan om mijn donkere periode verborgen te houden voor iedereen, uit angst voor wat er zou gebeuren als mensen het wisten.

Ik draai me op mijn rug op de slaapbank, die deze nacht nog meer doorgezakt lijkt dan anders, en leg mijn handen op mijn razende hart. ­Het idee dat het best bewaarde geheim over ­Sasja ­Winters op het punt staat alsnog naar buiten te komen, jaagt me angst aan.

Maandag

Sasja

‘Bo, wakker worden!’ ­Voor de tweede keer klop ik op ­Bo’s deur. ­Ik heb haar wekker een kwartier geleden al horen gaan, maar nog altijd is er geen enkel teken van leven. ­Ik open haar deur en zie dat ze het dekbed over haar hoofd getrokken heeft. ­Het enige zichtbare stukje ­Bo is een waaier van lang blond haar op haar kussen.

‘Je moet opschieten, anders kom je te laat,’ zeg ik en ik trek de deken naar beneden tot ik haar gezicht zie.

Bo draait zich kreunend om zonder haar ogen te openen. ‘Ik kan niet naar school, ik ben ziek.’

‘Kom op, ­Bo. ­Het is toetsweek, die kun je niet missen.’ ­Ik schuif haar gordijnen open, wat nieuw gekreun oplevert.

‘Ik heb amper geslapen en ik ben kotsmisselijk.’

Dan kunnen we elkaar de hand schudden.

‘Ga even douchen en wat eten, dan voel je je daarna vast beter.’

Weer in de woonkamer slaat net de waterkoker af. ­Ik maak een kop thee voor mezelf en haal het brood uit de broodmand. ­Op een plankje beleg ik ­Rowans boterhammen. ­Niet dat hij dat niet zelf kan, ik wil gewoon iets omhanden hebben. ­Daarbij, ik doe het graag voor mijn jongste. ­Uit ervaring met ­Bo weet ik hoe snel kinderen ineens ‘groot’ worden als ze op de middelbare school zitten.