Andersens Sproken en vertellingen - H. C. Andersen - E-Book

Andersens Sproken en vertellingen E-Book

H.C. Andersen

0,0
1,99 €

oder
-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

Andersens Sproken en vertellingen is een verzameling van betoverende verhalen die de verbeelding van lezers al generaties lang prikkelt. H. C. Andersen, een meester in het creëren van sprookjes, combineert realistische elementen met fantasie om diepere levenslessen en morele waarden over te brengen. De stijl van Andersen kenmerkt zich door een poëtische eenvoud en een bijna cinematografische beschrijving van de natuur en de emoties van zijn personages. Zijn verhalen, vaak doordrenkt met melancholie en verwondering, situeren zich binnen de romantische literatuur van de 19e eeuw, waarin de nadruk ligt op persoonlijke gevoelens en het verkennen van de menselijke conditie. H.C. Andersen, geboren in 1805 in Kopenhagen, was een maatschappelijk kritische geest en een pionier in het genre van de kinderliteratuur. Zijn bescheiden afkomst en de uitdagingen tijdens zijn jeugd vormden zijn unieke perspectief op de wereld. Als schrijver heeft Andersen een culturele brug geslagen tussen de kinderlijke fantasie en volwassen realiteiten, waardoor zijn werk toegankelijk blijft voor zowel jonge als volwassen lezers. De rijkdom van zijn levenservaringen en zijn onvermoeibare nieuwsgierigheid werden de drijvende krachten achter zijn beroemde verhalen. Dit boek is een onmiskenbaar hoogtepunt in de literaire canon en verdient een plaats in elke boekenkast. Voor zowel diegenen die willekeurig willen genieten van tijdloze verhalen als voor diegenen die op zoek zijn naar diepere betekenissen, biedt Andersens werk een universele aantrekkingskracht. Lezers worden uitgenodigd om de werelden van magie, menselijkheid, en morele dilemma's te verkennen, waarbij de verhalen van Andersen hun verbeelding en nieuwsgierigheid blijven aanwakkeren. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Een uitgebreide Inleiding schetst de overkoepelende kenmerken, thema's of stilistische ontwikkelingen van deze geselecteerde werken. - De Auteursbiografie benadrukt persoonlijke mijlpalen en literaire invloeden die de gehele oeuvre van de auteur vormgeven. - Een sectie over de historische context plaatst de werken in hun bredere tijdperk – maatschappelijke stromingen, culturele trends en belangrijke gebeurtenissen die aan de basis liggen van hun ontstaan. - Een beknopte Synopsis (Selectie) biedt een toegankelijke samenvatting van de opgenomen teksten, zodat lezers de verhaallijnen en hoofdgedachten kunnen volgen zonder cruciale wendingen te verklappen. - Een geïntegreerde Analyse onderzoekt terugkerende motieven en kenmerkende stijlmiddelen in de verzameling, en verbindt de verhalen terwijl ze de individuele sterktes van elk werk belicht. - Reflectievragen moedigen lezers aan om de verschillende stemmen en perspectieven binnen de collectie te vergelijken, wat een rijker begrip van het overkoepelende gesprek bevordert. - Tot slot benadrukken onze zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten essentiële passages en keerpunten, als ankerpunten voor de centrale thema's van deze collectie.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



H. C. Andersen

Andersens Sproken en vertellingen

Verrijkte editie. Morgenrood
Inleiding, studies en commentaren van Levi Schouten
EAN 8596547472445
Bewerkt en gepubliceerd door DigiCat, 2023

Inhoudsopgave

Inleiding
Auteursbiografie
Historische context
Synopsis (Selectie)
Andersens Sproken en vertellingen
Analyse
Reflectie
Gedenkwaardige citaten

Inleiding

Inhoudsopgave

Deze bundel, Andersens Sproken en vertellingen van H. C. Andersen, brengt in Nederlandse taal een ruime en representatieve keuze bijeen uit het proza waarmee de Deense auteur wereldwijd bekend is geworden. Onder de opgenomen stukken bevinden zich zowel de meest geliefde verhalen als minder vaak gebundelde vertellingen, in een volgorde die de variëteit en het bereik van het oeuvre laat zien. Met de vermelding Nijmegen—Arnhem. Gebr. E. & M. Cohen is de uitgave duidelijk in een Nederlandse publicatiecontext geplaatst. Doel is de lezer een samenhangend overzicht te bieden van Andersens kunstsprookje en aanverwante prozateksten, leesbaar voor nieuwe lezers en waardevol voor herlezers.

De verzameling omvat korte sprookjes van enkele pagina’s en langere vertellingen met uitgesponnen composities. Zo verschijnt De ijsjonkvrouw als een verhaal in vijftien getitelde afdelingen, van De kleine Rudy tot Besluit, wat de epische adem van deze bundel toont. Daarnaast is er een cyclische opzet in Ole Luk-Oie, waarin afzonderlijke delen de dagen van de week volgen, van Maandag tot en met Zondag. Tussen dergelijke structuren staan zelfstandige stukken die op zichzelf gelezen kunnen worden. De bundel pretendeert geen volledige uitgave van al Andersens werk te zijn, maar presenteert een weloverwogen dwarsdoorsnede van zijn vertelkunst.

De opgenomen teksten bestrijken voornamelijk de genres sprookje en vertelling, aangevuld met korte verhalen en schetsen die soms de gedaante van parabel, zedenschets of fantasievolle allegorie aannemen. Toneel, poëzie, brieven of dagboeken maken geen deel uit van deze samenstelling, die zich nadrukkelijk richt op proza. Binnen die begrenzing is de variatie groot: van anekdotische stukken als Twaalf met de diligence tot moraliserende miniaturen zoals Er bestaat een onderscheid en Het is stellig waar!, naast klassiek geworden sprookjes als Het leelijke jonge eendje, De tondeldoos en De nieuwe kleeren van den keizer.

Een terugkerend zwaartepunt is de figuur van de buitenstaander die zijn plaats in de wereld zoekt. In Het leelijke jonge eendje tekent Andersen de beleving van een dier dat anders is dan de omgeving verdraagt. In De onwrikbare tinnen soldaat ontmoeten we een enkelvoudige volharding, verbonden met kwetsbaarheid. Ook titels als Zij deugde niet en De schim wijzen op het spanningsveld tussen uiterlijk oordeel en innerlijke waarde. Zulke verkenningen van identiteit en erkenning zijn kenmerkend voor Andersens humane blik, die zonder te verklaren of te veroordelen het lot van zijn personages serieus neemt.

Andersen verleent veelvuldig stem en ziel aan dingen. De oude straatlantaarn, De flesschehals, De stopnaald, De oude torenklok en Het vlas tonen hoe alledaagse voorwerpen tot vertellers worden die de wereld vanuit een eigen, beperkte maar sprekende horizon waarnemen. Deze verpersoonlijking is niet louter ornament, maar vormt een methode om geschiedenis, gebruik en vergankelijkheid tastbaar te maken. Het resultaat is proza dat het wonderbaarlijke organisch verbindt met het herkenbare, zodat het huiselijke, het ambachtelijke en het stadsleven evenzeer dragers van verbeelding zijn als sprookjesachtige koninkrijken.

Naast dingen krijgen dieren en verschijnselen van de natuur een volwaardig perspectief: De ooievaars, De wilde zwanen, Het madeliefje, De rozenelf, De sneeuwman en De vogel Phoenix getuigen daarvan. Seizoenen, weer en landschappen functioneren als motieven die groei en beproeving, warmte en kilte mede bepalen. De engel en De geschiedenis van een moeder benaderen grote onderwerpen met eenvoud en terughoudendheid; zij betrekken troost, afscheid en verantwoordelijkheid in een vorm die voorstelbaar blijft voor jonge en volwassen lezers. Zo houdt de bundel een evenwicht tussen licht spel en ernstige bespiegeling, zonder de suggestieve kracht van het verhaal te verliezen.

Humor en ironie vormen een tweede draagvlak van Andersens stijl. De nieuwe kleeren van den keizer ontleedt opgewekt maar scherp de mechanismen van schijn en zelfbedrog. In De mestkever en Twee hanen wordt eigenwaan speels getypeerd; Domme Hans lijkt naïviteit te confronteren met maatschappelijke conventies. Zooals manlief doet, is het altijd goed benut de herhaling van handelingen als komische motor, terwijl Er bestaat een onderscheid het onderscheidingsvermogen zelf tot onderwerp maakt. Deze lichte toets blijft nooit vrijblijvend: de lach werkt bij Andersen vaak als vergrootglas, waarmee een sociale waarheid zichtbaar wordt zonder moraalpreek.

Kenmerkend is ook Andersens gevoel voor compositie en ritme. Ole Luk-Oie ordent dromen langs de dagen van de week en maakt van de opeenvolging een spel van variaties. Vijf uit één schil toont in miniatuur hoe leven, toeval en bestemming elkaar kruisen. Het doornenpad der eer suggereert via zijn titel al een route die niet rechtlijnig is. Steeds bewaart de verteller een directe, aanspreekbare toon, die nabij klinkt zonder vertrouwelijkheid te forceren. Het effect is proza dat mondelinge vertelkunst oproept, helder in profiel, zorgvuldig in detail, en daardoor bijzonder geschikt om hardop gelezen te worden.

De bundel bevat daarnaast langere, avontuurlijke vertellingen. De ijsjonkvrouw volgt, in opeenvolgende hoofdstukken, de jeugd en ontwikkeling van Rudy en plaatst menselijke hoop tegenover onverbiddelijke krachten. Het metalen varken en Een geschiedenis balanceren tussen realistisch decor en wonderlijke interventie. Twaalf met de diligence en De tuin van het Paradijs wijzen op Andersens interesse in reizen, ontmoetingen en grensaftasting tussen werelden. Zulke stukken verruimen het bereik van het sprookje naar de novelle, waarbij de spanningsopbouw en de geografische setting een prominentere rol krijgen, zonder dat de betovering of de psychologische fijnzinnigheid verloren gaat.

Ethiek en mededogen vormen een derde lijn. Het lucifersmeisje belicht armoede en verbeeldingskracht met een eenvoudige opzet die des te indringender werkt. In Het oude huis en De gelukkige familie wordt het alledaagse samengehouden door zorg en herinnering. De goddelooze koning en Het vriendschapsverbond spreken over macht en trouw, terwijl De herderin en de schoorsteenveger de waarde van verbondenheid in een benauwd decor onderzoekt. Andersen formuleert geen voorschriften; hij toont situaties waarin keuzes betekenis krijgen. Die openheid maakt de verhalen geschikt voor gesprek en herlezing, want elke leeftijd vindt er eigen accenten in.

Dat deze selectie in het Nederlands verschijnt, onderstreept de internationale reikwijdte van Andersens werk. De titels laten een traditionele Nederlandse schrijfwijze zien, die de historische kleur van de vertaalcultuur bewaart en tegelijk helder leesbaar blijft. De vermelding Nijmegen—Arnhem. Gebr. E. & M. Cohen verankert de bundel in een uitgeefgeschiedenis die deze teksten voor een breed publiek toegankelijk maakt. De redactiekeuze om bekende en minder bekende vertellingen samen te brengen bevordert contrast en resonantie: een satire klinkt anders naast een elegische schets, een objectmonoloog wint aan diepte naast een avontuurlijk hoofdstukverhaal.

De blijvende betekenis van Andersens sprookjes en vertellingen berust op de zeldzame combinatie van eenvoud en gelaagdheid. Zijn verhalen spreken kinderen en volwassenen aan zonder aan kracht in te boeten wanneer de levenservaring groeit. Motieven uit deze bundel functioneren als cultureel referentiepunt, terwijl de taal licht en precies blijft. De bundel laat zien hoe verbeelding en realiteit elkaar wederzijds verhelderen: het wonder maakt het gewone zichtbaar, het gewone grondt het wonder. Zo behoudt dit corpus zijn actualiteit en kan het telkens opnieuw gelezen worden, in huiselijke kring, in de klas of in persoonlijke verstilling.

Auteursbiografie

Inhoudsopgave

Inleiding

Hans Christian Andersen (1805–1875) geldt als de meest invloedrijke Deense sprookjesschrijver van de negentiende eeuw. Zijn vertellingen, eerst gepubliceerd vanaf het midden van de jaren 1830, verenigen volksvertelling, romantische verbeelding en moderne ironie. De bundel die hier voorligt, in Nederlandse vertaling, bestrijkt zijn volledige creatieve boog: van vroege successtukken als De tondeldoos en De prinses op de erwt tot latere, contemplatieve werken als De ijsjonkvrouw. Werken als Het leelijke jonge eendje, De nachtegaal en De nieuwe kleeren van den keizer tonen zijn vermogen maatschappelijke pretenties te doorprikken en kwetsbaarheid, verbeeldingskracht en barmhartigheid te verheffen tot kernwaarden van de menselijke ervaring.

Andersen schreef niet louter voor kinderen: zijn verhalen spreken volwassen lezers aan door psychologische gelaagdheid en subtiele satire. Hij beweegt soepel tussen fabel, allegorie en schets, met personificaties van voorwerpen en dieren, en een vertelstem die de lezer direct aanspreekt. In deze bundel staan emblematische teksten als De onwrikbare tinnen soldaat, De wilde zwanen, Ole Luk-Oie (met de reeks Maandag tot en met Zondag), De engel en De keizerlijke satire De nieuwe kleeren van den keizer. De langere vertelling De ijsjonkvrouw belichaamt zijn latere ambitie om sprookjesachtige motieven te verbinden met avontuur, natuurindrukken en existentiële vragen.

Opleiding en literaire invloeden

Andersen werd geboren in Odense als zoon van een schoenmaker en een wasvrouw. Zijn formele scholing was aanvankelijk beperkt, maar dankzij weldoeners kon hij naar Latijnse scholen in Slagelse en Helsingør. In Kopenhagen zocht hij aansluiting bij het theater en de literaire wereld; die vroege fascinatie voor toneel en zang klinkt door in vertellingen met optredens, hofceremonies en schijnvertoon. Hij las breed, oefende zich in poëzie en drama, en ontwikkelde zich grotendeels autodidactisch tot een schrijver die spreektaal, anekdote en morele reflectie samensmeedde tot een eigen, herkenbare stijl.

Belangrijke impuls gaf de Europese romantiek, met haar waardering voor natuur, gevoel en het ‘wonderbaarlijke’. Andersen verwerkte volksmotieven, zoals men die ook bij de gebroeders Grimm aantreft, maar brak met starre moraal door humor en empathie centraal te zetten. De Biedermeier-cultuur van huiselijkheid en alledaagse objecten vormde het decor voor zijn personificaties: De oude straatlantaarn, De flesschehals, De stopnaald en Het vlas laten zien hoe gebruiksvoorwerpen een innerlijk leven krijgen en zo reflecteren op vergankelijkheid, arbeid, ijdelheid en herinnering.

Even bepalend waren zijn reizen. Indrukken uit Italië resoneren in Het metalen varken; de Alpen en noordelijk natuurschoon voeden De ijsjonkvrouw. Mythische en bijbelse beeldlagen keren terug in De vogel Phoenix, De engel en De goddelooze koning. Andersen verwerkte daarnaast stadswaarnemingen en sociale contrasten: De oude torenklok en Het oude huis koppelen stedelijke geschiedenis aan melancholische intimiteit. Zijn lutherse achtergrond leverde een moreel kader, maar zijn verhalen vermijden dogmatiek; ze zoeken troost en betekenis in menselijkheid, verbeelding en het besef dat klein en groot—zoals in Het madeliefje en De waterdroppel—in elkaar spiegelen.

Literaire loopbaan

Andersens doorbraak kwam met de vroege bundels Eventyr, fortalte for Børn in de jaren 1830. In die periode ontstonden kernteksten uit deze collectie, waaronder De tondeldoos en De prinses op de erwt, die traditionele motieven lichtvoetig en eigenzinnig hervertellen. De groote Klaas en de kleine Klaas demonstreert zijn volksvertellerstoon met drastische humor en scherpe pointes. Het publiek waardeerde de directe vertelstem, de menging van het wonderlijke met het alledaagse en het vermogen om met spaarzame middelen karakter en sfeer te schetsen.

Vervolgens verbreedde hij zijn register met sprookjes die tederheid en tragiek verbinden. De onwrikbare tinnen soldaat en De wilde zwanen tonen doorzettingskracht en loyaliteit, terwijl De bloemen van de kleine Ida en De rozenelf de flora bezielen met poëzie. De vliegende koffer speelt met oosterse vertelfiguren en reisfantasie. De nachtegaal, een kunst- en natuurparabel, stelt echtheid tegenover imitatie. In De nieuwe kleeren van den keizer bereikt zijn satire een iconische vorm: machthebbers worden ontmaskerd door kinderlijk onbevangen waarneming en de kwetsbaarheid van reputatie.

In het midden van de eeuw verdiepte Andersen zijn morele en existentiële thema’s. Het lucifersmeisje en De geschiedenis van een moeder behandelen armoede, liefde en verlies met sobere intensiteit; De engel en Het doornenpad der eer beschouwen waardigheid en opoffering zonder sentimentaliteit te forceren. Het is stellig waar! en Er bestaat een onderscheid onderzoeken gerucht, interpretatie en sociale hiërarchie—actuele thema’s die hij met humor en ethische behoedzaamheid benadert. Het meisje, dat op het brood trapte illustreert schuld en verzoening in een huiveringwekkende, doch moreel genuanceerde vertelling.

Andersen bleef ook speels en experimenterend. Zooals manlief doet, is het altijd goed, Domme Hans en Drie springers keren competitiedrang en slimheid ironisch binnenstebuiten. Vijf uit één schil, Het madeliefje, De waterdroppel en Een blad van den hemel tonen zijn microkosmische blik: in kleine natuurfenomenen openbaart zich een morele wereldorde. Iets en Kinderpraat laten taalplezier en relativering prevaleren. Twaalf met de diligence koppelt observatie aan reislust; De gelukkige familie jubelt bescheiden geluk, zonder blind te zijn voor maatschappelijke fricties. Deze variatie verklaart zijn gelijktijdige aantrekkingskracht op kinderen en volwassenen.

In latere jaren verschenen langer opgezette en thematisch donkerder werken. De ijsjonkvrouw, in hoofdstukken gegroepeerd, verbindt Alpine natuur, lot en verleiding tot een romantisch-avontuurlijke vertelling. Het metalen varken kijkt cosmopolitisch naar kunst, stad en verleiding. Voorwerpverhalen als Het oude huis en De oude torenklok bezingen herinnering en tijd; De mestkever en Twee hanen ontmaskeren ijdelheid en rivaliteit met vrolijke bijt. De elfenheuvel en De goddelooze koning tonen Andersens theatrale instinct en zijn reflectie op macht. Ole Luk-Oie, opgebouwd in dagen van de week, illustreert zijn schikking van episodische droomscènes als raamvertelling.

Overtuigingen en engagement

Andersen trad niet op als activist, maar zijn publieke rol als auteur werd gedragen door een overtuiging dat verbeeldingskracht en mededogen sociale waarde hebben. Hij schreef vanuit een christelijk-humanistische houding, kritisch voor pretentie en macht—zichtbaar in De nieuwe kleeren van den keizer en De goddelooze koning—en gevoelig voor kwetsbaren, zoals in Het lucifersmeisje en Zij deugde niet. Hij hechtte aan onderwijs en leesbevordering en verdedigde impliciet de waardigheid van ambachtslieden en ‘kleine lieden’. Zijn sprookjes presenteren ethische dilemma’s zonder doctrinaire uitkomst: tucht en genade, eer en eigenwaarde, waarheid en leugen blijven in behoedzaam evenwicht.

Laatste jaren en nalatenschap

In zijn laatste decennia bleef Andersen publiceren en reizen, al nam zijn gezondheid tegen het einde af; hij overleed in 1875 nabij Kopenhagen. Tegen die tijd was zijn naam internationaal gevestigd en circuleerden vertalingen breed, ook in het Nederlandse taalgebied. Deze bundel, uitgegeven in Nederlandse vorm (Nijmegen—Arnhem, Gebr. E. & M. Cohen), weerspiegelt zijn reikwijdte: van sprankelende satire tot troostrijke elegie. Zijn motieven—transformatie, empathie, ironie—bleven een reservoir voor theater, muziek, film en illustratie. Uitdrukkingen als ‘de keizer heeft geen kleren’ drongen de omgangstaal binnen. Zo leeft Andersens erfenis voort als moreel kompas én bron van verbeelding.

Historische context

Inhoudsopgave

Hans Christian Andersen (1805–1875) schreef zijn sprookjes en “historier” tussen de jaren 1830 en de vroege jaren 1870, midden in de Deense Gouden Eeuw en de turbulente Europese 19e eeuw. De bundel Andersens Sproken en vertellingen omvat vroeg werk uit 1835–1838 (zoals De tondeldoos, De prinses op de erwt, De groote Klaas en de kleine Klaas), een middelfase rond 1843–1847 (Het leelijke jonge eendje, De nachtegaal, De schim), en latere verhalen uit de jaren 1850–1860 (Het lucifersmeisje, De sneeuwman, De mestkever, De ijsjonkvrouw). Zij reflecteren verschuivingen van romantisch volksverhaal naar psychologisch en maatschappelijk geëngageerde vertelling, terwijl de toon steeds zowel kinderlijke verbeelding als volwassen ironie verenigt.

De aanwezigheid van “Nijmegen—Arnhem. Gebr. E. & M. Cohen.” wijst op een Nederlandse uitgave uit de 19e eeuw, toen Andersen via vertalingen snel door Noordwest-Europa circuleerde. Nederlandse lezers ontvingen zijn werk al vanaf de jaren 1840; herdrukken maakten deel uit van de opkomende burgerlijke leescultuur. Voorwoorden in dergelijke edities kaderden de sprookjes vaak moreel en esthetisch, en legitimeerden hun gebruik in huis en school. De titelvorm Sproken en vertellingen weerspiegelt ook Andersen’s eigen tweedeling tussen “Eventyr” (sprookjes) en “Historier” (verhalende schetsen), die in het Nederlands soms samengenomen werden om de volle reikwijdte van zijn oeuvre toegankelijk te maken.

Politieke omwentelingen kleuren veel van de satire. In Denemarken eindigde in 1849 de absolute monarchie met een grondwet; Europa kende de Revoluties van 1848 en een groeiende publieke sfeer. Verhalen als De nieuwe kleeren van den keizer en De goddelooze koning bekritiseren autoritaire dwaasheid en militaristische hoogmoed. Het is stellig waar! en Twee hanen spiegelen het rumoer van roddel en competitie in de moderne mediawereld, terwijl De elfenheuvel hof- en kunstleven parodieert. Zulke stukken tonen hoe Andersen—zonder directe actualiteiten te noemen—structuren van macht, reputatie en publieke opinie onderzocht die in heel Europa herkenbaar waren.

Sociale mobiliteit en statusangst vormen een ander terugkerend thema in de burgerlijke 19e eeuw. Het leelijke jonge eendje biedt een emblematische parabel over miskenning en erkenning, gelezen tegen de achtergrond van standenmaatschappij en aspiraties van de opkomende middenklasse. De stopnaald en Er bestaat een onderscheid tonen snobisme en rangbewustzijn via antropomorfe objecten. Het vriendschapsverbond en Vijf uit één schil verbinden lot en karakter met sociale kansen. Andersen verweeft zo persoonlijke ontwikkeling met de vraag hoe een individu zich staande houdt binnen nieuwe, maar nog altijd hiërarchische, maatschappelijke ordeningen.

Stedelijke modernisering en het verdwijnen van oude infrastructuren resoneren in De oude straatlantaarn, Het oude huis en De oude torenklok. Gaslicht, rechtgetrokken straten en tijddiscipline veranderden het ritme van de stad; Andersen laat de dingen zélf herinneren wat de mens vergeet. De schim geeft de stad een dubbelzinnige allure van anonimiteit en verleiding, een thematiek die in vele Europese metropolen rond 1850 opkomt. Het minnende paar en De flesschehals tonen consumptie, recyclage en souvenircultuur als nieuwe manieren om aan objecten betekenis te hechten, terwijl vertrouwde huizen en voorwerpen tot dragers van collectief geheugen worden.

Technologische en wetenschappelijke verbeelding scharniert tussen fascinatie en onrust. De onwrikbare tinnen soldaat verwijst naar gegoten speelgoed en seriële productie; De sneeuwman reflecteert op nieuwe warmtebronnen zoals gietijzeren kachels in burgerhuizen. Het vlas doorloopt de cyclus van gewas tot textiel en terug, in een tijd van mechanisering. De flesschehals volgt de consumptieve kringloop van glas. De waterdroppel voert de lezer een microscopenwereld binnen, typerend voor de popularisering van natuurwetenschap. Andersen verkent hoe materiaal, techniek en kennis de 19e-eeuwse leefwereld herscheppen, maar ook hoe ze blijven vastzitten aan menselijke eigendunk, vergankelijkheid en toeval.

Tegenover vooruitgang staan sociale littekens. Het lucifersmeisje en De geschiedenis van een moeder confronteren stedelijke armoede en kindersterfte, kwesties die ook in het Nederland van het midden van de eeuw op de agenda stonden via liefdadigheid en vroege sociale hervormingen. Het meisje, dat op het brood trapte verbeeldt morele val en sociale uitsluiting. De engel past binnen een 19e-eeuwse gevoelscultuur die rouw, troost en christelijke hoop combineert. Andersen’s sentiment is geen ontkenning van misère, maar een vorm van morele urgentie die armoede en kwetsbaarheid zichtbaar maakt voor het huiskamerpubliek.

De volksverhalentraditie wordt niet slechts overgenomen maar bewerkt. Vroege stukken als De tondeldoos, De prinses op de erwt en De groote Klaas en de kleine Klaas sluiten aan bij de Europese belangstelling voor mondelinge overlevering na de gebroeders Grimm, maar Andersen’s stijl is modern: hij schrijft in een alledaagse, ironische verteltoon en verplaatst accenten. De wilde zwanen en De rozenelf combineren middeleeuwse motieven en grimmige wendingen met psychologische focus. De elfenheuvel bewaart volksfantasie, maar speelt ermee op een eigentijdse manier die zowel de verbeelding als het culturele zelfbeeld van zijn publiek aanspreekt.

Cosmopolitisme en reislust stempelen verschillende verhalen. Het metalen varken situeert zich in Florence en weerspiegelt Andersen’s Italiaanse reizen in de jaren 1830, inclusief zijn fascinatie voor kunstcollecties. De tuin van het Paradijs en De vliegende koffer gebruiken oosterse decors in de 19e-eeuwse Europese, vaak geprojecteerde, verbeelding van “het Oosten”. De nachtegaal, geplaatst aan het Chinese keizerlijke hof, verbindt exotische setting met een kritiek op mechanisering en smaak. Zulke verhalen tonen hoe Andersen Europese culturele horizon verbreedt, maar tegelijk binnen de toenmalige, eurocentrische kaders van representatie blijft.

Het binnenhuis als moreel en emotioneel toneel is typisch voor de burgerlijke eeuw. De herderin en de schoorsteenveger thematiseert keuzevrijheid en kwetsbaarheid binnen het gedecoreerde interieur. Grootmoeder en Het oude huis cultiveren familieritueel, herinnering en de waarde van het gewone. Twee juffers en De burinnetjes plaatsen sociale omgangsvormen onder een vergrootglas—letterlijk soms, via pratende bloemen of potplanten—om conventies te laten spreken. In zulke miniaturen wordt het huis geen afgesloten domein, maar een plaats waar verlangens, verwachtingen en maatschappelijke codes elkaar voortdurend bevragen.

Verhalen over leren en verbeelding weerspiegelen 19e-eeuwse onderwijsuitbreiding. De bloemen van de kleine Ida laat een kind de taal van planten ontdekken; De kleine Tuk verbindt huiswerk (aardrijkskunde) met droom en empathie—karakteristiek voor pedagogische discussies over geheugen versus begrip. Ole Luk-Oie, in zeven avonden (Maandag t/m Zondag), cultiveert het ritme van de week en de bedtijd als sociaal ritueel. Een geschiedenis problematiseert wat een “verhaal” is en wie vertelt. Deze teksten sluiten aan bij de opkomst van jeugdliteratuur als aparte categorie, zonder de scheidslijn tussen kinder- en volwassenlezers strikt te trekken.

Andersen’s natuurbeelden staan in een romantische, maar ook modern reflectieve traditie. Het madeliefje en De vogel Phoenix evoceren cycli van leven en hernieuwing; De droom van den ouden eik biedt een lang perspectief op tijd en vergankelijkheid. De gouden schat thematiseert de vraag wat werkelijk waarde heeft. De gelukkige familie geeft een ironisch, bijna ecologisch tableau van klein leven en groot zelfbeeld. In deze verhalen fungeert natuur niet als decor, maar als actor en commentator, in dialoog met een eeuw die het landschap door spoorwegen, landbouw en industrie ingrijpend aan het veranderen was.

Vrijheid van drukpers en de groei van kranten en tijdschriften versnelden de circulatie van meningen. Het is stellig waar! toont hoe een gerucht via kleine misverstanden escaleert, een herkenbare dynamiek in het medialandschap na 1848. Drie springers parodieert competitie en beoordelingsmacht; Twee hanen zet eerzucht en publieke roem tegenover integriteit. Zulke stukken resoneren in Nederland, waar in de 19e eeuw de periodieke pers en leesgezelschappen eveneens floreerden. Andersen gebruikt korte, puntige fabels om mechanieken van nieuws, reputatie en mode zichtbaar te maken zonder ze met actuele pamfletten te verwarren.

Religie en moraal verschijnen in een huiselijke, niet-dogmatische register. De engel, Iets en Het doornenpad der eer reflecteren op genade, waardigheid en het geweten; Een blad van den hemel verbindt natuur en openbaring op een manier die 19e-eeuwse lezers als opbouwend ervoeren. Deze verhalen navigeren tussen luthers-protestantse gevoeligheid en een moderne ethiek van barmhartigheid. Ze sluiten aan bij brede hervormingsdiscoursen rond armenzorg, opvoeding en “zedenverbetering”, terwijl Andersen consequent kiest voor het kleine gebaar en de alledaagse openbaring in plaats van systeemkritiek of theologische verhandeling.

De late bundeldelen plaatsen de lezer in een veranderend Europa. Twaalf met de diligence personifieert de maanden in een pre-spoorweg vervoersicoon, juist terwijl railverbindingen zich uitbreidden. De mestkever en De sneeuwman (beide jaren 1860) gebruiken satire en melancholie om standenlogica en technische huiselijkheid te spiegelen. De ijsjonkvrouw—met hoofdstukken van De kleine Rudy tot Besluit—verplaatst de sprookjesverbeelding naar Alpenlandschap en toeristische moderniteit; fataliteit en het sublieme komen samen met nieuwe mobiliteit en bergsport. Deze latere teksten mengen reisverhaal, novelle en sprookje tot een hybride vorm die met de tijd mee ademt.

Binnen de Nederlandse context fungeerden vertalingen zoals die van Gebr. E. & M. Cohen als schakel tussen Scandinavische literatuur en een groeiend, breed publiek. 19e-eeuwse Nederlandse uitgaven positioneerden Andersen als familieleesstof: zedelijk, maar ook geestig en verfijnd. Orthografie en paratekst (Voorwoord) pasten zijn toon aan lokale smaak aan zonder de strekking te wijzigen. De teksten vonden hun weg naar bibliotheken, leesgezelschappen en scholen. Dat netwerk hielp om Andersen’s mengsel van volksmotief, moderne psychologie en maatschappelijk commentaar te verankeren in de Nederlandstalige cultuur.

Historische realia blijven concreet aanwezig. De ooievaars verwijst naar vogels die in Noordwest-Europa tot het alledaagse dorpsbeeld hoorden; De oude straatlantaarn herinnert aan de overgang naar gaslicht; De oude torenklok aan de regulering van tijd; De flessehalzen en speldjes uit De flesschehals en De stopnaald behoren tot de wereld van winkelstraten, mode en hergebruik. De nachtelijke waak in De schoorsteenveger en de herderin speelt zich af tussen porseleinkast en schoorsteenmantel—objecten van de burgerlijke woonkamer. Zulke details situeren de sprookjes tastbaar in de materiële cultuur van het midden van de 19e eeuw, herkenbaar tot voorbij Denemarken heen.—Wait, that last sentence has —? Oops

Synopsis (Selectie)

Inhoudsopgave

Voorwerk (Nijmegen—Arnhem. Gebr. E. & M. Cohen.; Voorwoord.)

Een korte opening schetst de toon: verwachtingsvol, uitnodigend en gericht op verwondering. Het kader moedigt de lezer aan de verhalen te benaderen als speelse maar betekenisvolle spiegelingen van het dagelijks leven.

Identiteit en metamorfose I (Het leelijke jonge eendje; De wilde zwanen)

Een buitenstaander zoekt zijn plaats in de wereld en ontdekt dat schijn en afkomst niet bepalen wie je werkelijk bent. Tegelijk voert een zuster een stille, vasthoudende strijd om haar betoverde broers te verlossen, waarin geduld en zelfopoffering de doorslag geven; de toon is melancholiek maar hoopvol.

Sprekende objecten I (De oude straatlantaarn; De flesschehals; De oude torenklok)

Een oude lantaarn, een flessenehals en een torenklok kijken terug op dienstjaren, vergankelijk nut en de ritmes van een stad. De verhalen ademen weemoed en mild humor, en onderzoeken hoe gebruiksvoorwerpen herinnering dragen en betekenis krijgen voorbij hun praktische functie.

Sprekende objecten II (De onwrikbare tinnen soldaat; Het minnende paar; De stopnaald)

Een tinnen soldaat vol onverzettelijke trouw, een 'minnend paar' dat door ijdelheid en afstand op de proef wordt gesteld, en een naald met overdreven zelfbeeld tonen liefde, volharding en zelfbedrog. De ironie is fijnzinnig en vaak bittersweet: nobele standvastigheid contrasteert met kokette of zelfingenomen stemmen.

Sprekende objecten III (Het oude huis; Het metalen varken)

Een oud huis bewaart intimiteit, stilte en kleine gebaren, terwijl een metalen varken een nachtelijke tocht naar kunst en verbeeldingskracht ontketent. De toon is dromerig en nostalgisch, met een onderstroom van verlangen naar schoonheid en een besef van wat trouw kost.

Planten en kleine natuur I (Het madeliefje; Het vlas; De rozenelf)

Een madeliefje beleeft de wereld in het klein, vlas ondergaat kringlopen van gedaante en bestemming, en een rozenelf is getuige van menselijke hartstochten. Deze miniaturen verbeelden groei, transformatie en de stille scherpzinnigheid van het alledaagse.

Planten en kleine natuur II (Vijf uit één schil; De waterdroppel)

Vijf erwten rollen uiteen en vinden elk een heel eigen lot, terwijl een enkele waterdruppel een complete, verborgen wereld onthult. Speelse verbeelding kantelt het perspectief, zodat het minuscule groots en betekenisvol wordt.

Dieren en fabels I (De ooievaars; De gelukkige familie; Twee hanen)

Ooievaars temmen hoogmoed en kinderachtige spot, een slakkenfamilie belijdt tevreden eenvoud, en twee hanen meten zich in pronkzucht en prestige. Met lichte satire en boerenwijsheid zet Andersen trots, geduld en eigenwaan tegenover elkaar.

Dieren en fabels II (De mestkever; De vogel Phoenix)

Een mestkever eist hofeer die hem niet toekomt, terwijl de Phoenix staat voor mythische vernieuwing en zuivere hergeboorte. IJdelheid en eeuwigheid spiegelen elkaar, met humor tegenover verheven symboliek.

Wintersprookjes (De sneeuwman; Het lucifersmeisje)

Een sneeuwman ontwaakt tot verlangen en leert wat warmte kan betekenen voor wie van kou gemaakt is. Een arm meisje zoekt troost in licht en visioen; beide schetsen zachte menselijkheid in harde winterse omstandigheden.

Koning en hof I (De nieuwe kleeren van den keizer; De nachtegaal)

Een keizer verliest zich in pronk en het applaus van vleiers, totdat de waarheid onontkoombaar wordt. Een nachtegaal laat horen hoe levend kunstwerk en natuur boven mechanische imitatie uitstijgen; de hofwereld wordt beproefd op echtheid.

Koning en hof II (De prinses op de erwt; De goddelooze koning)

Een ogenschijnlijk klein detail onthult echte fijngevoeligheid en onderscheidt schijn van wezen. Daarnaast volgt een heerser die zonder geweten zijn maat verliest; beide verhalen koppelen eenvoud aan morele scherpte.

Satire en spiegel (De schim; Het is stellig waar!; Er bestaat een onderscheid)

Een geleerd man verliest de regie aan zijn eigen schim, en een enkel feit verandert via roddel in groteske zekerheid. Waarin schuilt verschil en wie bepaalt het? Met droge ironie tast Andersen de grens af tussen schijn, sensatie en waarheid.

Moraal en schuld (Het meisje, dat op het brood trapte; Zij deugde niet; Het doornenpad der eer)

Een meisje dat minachting toont voor haar dagelijks brood maakt een morele val en wordt met de consequenties geconfronteerd. Een oordeel over karakter en een stekelig pad naar prestige tonen hoe eerzucht en achteloosheid pijn nalaten; de toon is waarschuwend maar menselijk.

Liefde en trouw (De herderin en de schoorsteenveger; De gouden schat)

Twee porseleinen geliefden trotseren een benauwd binnenwereldje om hun eigen keuze te volgen. Een ‘gouden schat’ blijkt niet in pracht maar in eenvoudige genegenheid te liggen; liefde is minder spektakel dan volharding.

Troost en vergankelijkheid (Grootmoeder; De engel)

Een grootmoeder weeft herinneringen, troost en tijd tot een warm anker voor een kind. Een engel verzamelt het beste dat een leven voortbrengt; beide verhalen ademen mildheid en verzoening met eindigheid.

Fantastische reizen (De vliegende koffer; De tuin van het Paradijs)

Een vliegende koffer draagt zijn eigenaar naar avontuur en beproeving, waar charme en verantwoordelijkheid botsen. Een prins zoekt het Paradijs en ontmoet verleiding en grensbewakers; exotische lokroep gaat samen met morele keuzes.

Magie en avontuur (De tondeldoos; De elfenheuvel)

Met een tondeldoos verwerft een soldaat ongewone macht en komt hij in een maalstroom van kansen en gevaren terecht. Onder een elfenheuvel ontvouwt zich een eigenzinnig hof met regels die het mensenverstand tarten; de verhalen zijn levendig, geestig en vol verrassingen.

Komische volksvertellingen I (Zooals manlief doet, is het altijd goed; Domme Hans)

Wat de man ook doet, het loopt wonderlijk goed af, en zo wordt ongeluk slim omgebogen tot tevredenheid. Domme Hans zet zijn oprechtheid en onverwachte vondsten in tegen geziende rivalen; de lach komt met een knipoog naar gezond verstand.

Komische volksvertellingen II (De groote Klaas en de kleine Klaas; Drie springers)

Grote en Kleine Klaas spelen een listig spel van opschepperij en slimheid met wisselende fortuin. In een sprongwedstrijd tussen drie ‘springers’ blijkt het oordeel van de hofwereld even grillig als vermakelijk; volks humor ontmoet speelse parodie.

Reis en vertelling (Een geschiedenis; Twaalf met de diligence)

Een verhaal laat zien hoe vertellers en luisteraars elkaar vormen, en hoe een eenvoudige anekdote uitgroeit tot morele schets. Twaalf reizigers in een diligence personifiëren tijd en stemming; de reis staat voor voortgang, wisseling en ontmoeting.

Kinderen en verbeelding (De bloemen van de kleine Ida; De kleine Tuk)

Kleine Ida ontdekt dat bloemen een eigen leven hebben zodra de dag verstilt, en leert zo de taal van spel en troost. De kleine Tuk reist slapend door leerstof en landen; kennis wordt een avontuur dat begint in de verbeelding.

Buurt en samenleving (De burinnetjes; Twee juffers)

Buren twisten en spiegelen elkaars kleinheid, tot begrip of verzoening lonkt vanuit onverwachte hoek. Twee ‘juffers’ laten zien hoe uiterlijk vertoon en ingetogen waarde om aandacht strijden; de toon is observerend en fijn ironisch.

Droom en inzicht (De droom van den ouden eik; Een blad van den hemel)

Een oeroude eik beleeft in één nacht een geschiedenis van seizoenen, mensen en voorbijgaan. Een blad dat ‘van de hemel’ lijkt te komen roept uiteenlopende verklaringen op; beide verhalen verbinden zacht mijmeren met scherpe blik op betekenis.

Vriendschap en idealen (Het vriendschapsverbond)

Een verbond van vriendschap wordt getest door tijd, tegenslag en verleiding om de eigen weg te gaan. De kernvraag is wat belofte en trouw werkelijk dragen wanneer vormen veranderen; oprechte warmte gaat samen met lichte ironie.

Beproeving en verlies (De geschiedenis van een moeder)

Een moeder betreedt een bovennatuurlijke tocht waarin liefde, rouw en keuze elkaar kruisen. Met ingetogen intensiteit onderzoekt het verhaal wat men prijsgeeft of vasthoudt wanneer het dierbaarste op het spel staat.

Geduld en timing (Uitstel is geen afstel)

Uitstel botst met toeval en verwachting, waardoor plannen kantelen tussen geluk en misser. Het vertelsel weegt behoedzaamheid tegen daadkracht in een luchtige, moraliserende toon.

Filosoferen over het kleine (Iets)

Iets kleins blijkt al genoeg om aandacht, betekenis en gevoel te wekken. Andersen maakt van bescheiden materiaal een compacte overweging over waarde en verbeelding.

De ijsjonkvrouw (I–XV)

Tussen alpentoppen groeit Rudy op tot een roekeloze klimmer die Babette’s hart wint, terwijl de IJsjonkvrouw hem lokt met kille betovering. In losse, samenhangende episodes mengen bergleven, jaloezie, bijgeloof en het bovennatuurlijke zich tot een beproeving van liefde en vrijheid. Warmte en verbondenheid staan tegenover trots en verleiding door het ijle, in een slotakkoord dat elementaire krachten voelbaar maakt.

Ole Luk-Oie (Maandag–Zondag)

Elke avond komt Ole Luk-Oie de kinderogen sluiten met een ander verhaal: speels op maandag, vermanend midweeks, feestelijk op zondag. Huiselijke details versmelten met fantasie en kleine lessen in zeden en verbeeldingskracht. Samen vormen de zeven nachten een weeklang ritueel van troost, humor en groei.

Koning en hof III (De nachtegaal)

Aan het hof blijkt het echte zingen van de nachtegaal sterker dan glitter en mechaniek. Het verhaal koppelt verfijning aan eenvoud en legt zo de maat aan kunst en waardering.

Kinderstemmen (Kinderpraat)

Kinderlijke praatjes ontrollen miniatuurscènes waarin logica buigzaam is en gevoel direct spreekt. In de lichte, aanstekelijke toon worden taalspel en vroege moraal zichtbaar.

Andersens Sproken en vertellingen

Hoofdinhoudsopgave
Nijmegen—Arnhem. Gebr. E. & M. Cohen.
Voorwoord.
Het leelijke jonge eendje.
De oude straatlantaarn.
De ooievaars.
Zooals manlief doet, is het altijd goed.
De groote Klaas en de kleine Klaas.
De vliegende koffer.
Vijf uit één schil.
De tondeldoos.
Het meisje, dat op het brood trapte.
De bloemen van de kleine Ida.
De onwrikbare tinnen soldaat.
De gouden schat.
De droom van den ouden eik.
Zij deugde niet.
De herderin en de schoorsteenveger.
De flesschehals.
Het minnende paar.
De prinses op de erwt.
Ole Luk-Oie.
Maandag.
Dinsdag.
Woensdag.
Donderdag.
Vrijdag.
Zaterdag.
Zondag.
Het oude huis.
De gelukkige familie.
Twee juffers.
De wilde zwanen.
Het madeliefje.
De geschiedenis van een moeder.
Uitstel is geen afstel.
De tuin van het Paradijs.
De kleine Tuk.
De burinnetjes.
Grootmoeder.
De schim.
Het vlas.
Kinderpraat.
De stopnaald.
De oude torenklok.
Het metalen varken.
Het vriendschapsverbond.
Het lucifersmeisje.
De sneeuwman.
De vogel Phoenix.
De rozenelf.
Iets.
Het doornenpad der eer.
De goddelooze koning.
Twee hanen.
Er bestaat een onderscheid.
Het is stellig waar!
De elfenheuvel.
De engel.
De nieuwe kleeren van den keizer.
De mestkever.
De ijsjonkvrouw.
I.
De kleine Rudy.
II.
De reis naar de nieuwe woning.
III.
De oom.
IV.
Babette.
V.
Op den terugweg.
VI.
Het bezoek in den molen.
VII.
Het arendsnest.
VIII.
Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen.
IX.
De ijsjonkvrouw.
X.
De petemoei.
XI.
De neef.
XII.
Booze machten.
XIII.
In den molen.
XIV.
Nachtelijke droomgezichten.
XV.
Besluit.
De nachtegaal.
Een geschiedenis.
Twaalf met de diligence.
Domme Hans.
Drie springers.
De waterdroppel.
Een blad van den hemel.

Nijmegen—Arnhem. Gebr. E. & M. Cohen.

Inhoudsopgave

Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.

Voorwoord.

Inhoudsopgave

Misschien is er geen vorm van letterkunde, die in alle kringen der maatschappij zoo zijn invloed doet gelden als het sprookje. Arm en rijk, aanzienlijken en geringen, ontwikkelden en eenvoudigen van geest raken even gemakkelijk onder de bekoring, die er van het sprookje uitgaat, en ofschoon allen het lezen in dezelfde woorden, ziet ieder er wat anders in.

Is dat de fout van het sprookje?

Moeten we het fantastische vertelsel onthouden aan de naar bevrediging hunkerende verbeelding van onze kleinen, omdat zij er niet alles uithalen, wat er in zit?

Maar verbied ze dan ook, hun blikken op te heffen tot den sterrenhemel! Zij weten immers niet, dat die «lichtjes» daarboven werelden zijn.

Onweerstaanbaar echter worden de kinderen tot het uitspansel aangetrokken; maan en sterren, zon en wolken, regenboog en bliksem spreken tot hun verbeelding, ja, maar ook tot hun gemoed! Geen moeder, die haar kroost kent en dit ontkennen zal.

En zoo is het ook met het sprookje.

Het sprookje leeft in het hart van het kind, en het blijft leven en zijn invloed uitoefenen, lang nadat de jeugd is voorbijgegaan. De belangrijkste en vaak de schoonste producten van de letterkunde zijn daar, om het te bewijzen. Sla Goethe, Heine, Wieland, Schiller, Carlyle, Byron, Richepin, Victor Hugo—ik doe maar een greep op goed geluk af—op, en overal merkt ge het sprookje. Hier vertoont het zich in naïeven eenvoud, daar als een vroolijk lachend kind, ginds gluurt het eventjes schalks tusschen de hoog-ernstige sarcastische regels door; zonder de minste aanspraken te doen gelden, vertoont het zich. Hoe ook verguisd en vertrapt soms, hoe vuig ook belasterd, met een onverwoestbare levenskracht staat het frisscher en jeugdiger en schooner weer op.

En blijven leven zal het, zoo lang wij menschen nog een jeugdig hart bewaren en er dichters opstaan, die het zoo kennen en liefhebben als Andersen, de sprookjesdichter bij uitnemendheid.

In hoeveel vormen heeft hij het ons niet geschonken, naïef en roerend, zwierig en vroolijk, droefgeestig en somber, schoon en sarcastisch, schalksch en geestig, maar altijd levendig en frisch. En heeft men tegen de moraal van ’t sprookje in ’t algemeen iets, wat nood! Zijn de vaders en de moeders er dan niet, om de kinderen terecht te wijzen en te onderrichten? En is het zelfs geen voordeel, dat het kind al vroeg een weinig tot kritisch nadenken wordt geprikkeld? Het bevordert stellig de zelfstandigheid van zijn oordeel.

De Nederlandsche bewerking van Andersens sprookjes, die hierbij het publiek wordt aangeboden, is voor zoover ik heb kunnen nagaan, volledig. Verschillende nommers, die in vroegere edities ontbraken of hier en daar verspreid werden aangetroffen, zijn in deze uitgave bijeengebracht. Ongetwijfeld zal deze onderneming door ieder, die goede lectuur voor het huisgezin op prijs stelt, met vreugde worden begroet. De aantrekkelijkheid van het boek wordt nog verhoogd door het groote aantal gravures van Dalziel naar teekeningen van Bayes.

Van harte hoop ik, dat door deze uitgave de sprookjes van Andersen veel nieuwe vrienden mogen verwerven.

Arnhem, Maart ’95.

Titia van der Tuuk.

Het leelijke jonge eendje.

Inhoudsopgave

Het was heerlijk buiten op het land. ’t Was zomer, het koren was rijp, het hooi stond op de groene weiden aan oppers, en de ooievaar liep op zijn lange, roode pooten en praatte Egyptisch; want deze taal had hij van zijn moeder geleerd. Rondom de korenvelden en de weiden waren uitgestrekte bosschen, en midden in de bosschen diepe meren. Ja, het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land! Door den glans der zon beschenen, stond daar een oud kasteel, dat door een diepe gracht omgeven was, en van den muur tot aan het water groeide dicht kreupelhout. Te midden hiervan zat in haar nest een eend, die haar jongen moest uitbroeden; maar het begon haar bijna te vervelen, zoo lang duurde het, eer de jongen uitkwamen; daarbij kreeg zij zelden bezoek, want de andere eenden zwommen liever in de gracht rond, dan dat zij eens uit het water kwamen om met haar te praten.

Eindelijk ging het eene ei na het andere open. Een gepiep deed zich hooren, en al de dooren van de eieren waren levend geworden en staken de kopjes uit de schalen.

«Vlug wat, vlug!» zeide zij; en nu haastten zich al de kleine eendjes, wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijn en keken naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken, zooveel als zij maar wilden; want groen is goed voor de oogen.

«Wat is de wereld toch groot[1q]!» zeiden al de jongen; want nu hadden zij heel wat meer plaats dan in het ei.

«Denk je, dat dit de heele wereld is?» zei de moeder. «Die strekt zich nog ver aan den anderen kant van het geboomte uit, tot aan den tuin van den pastoor; maar daar ben ik nog nooit geweest.—Je bent toch allemaal wel bij elkaar?» vervolgde zij en stond op. «Neen ik heb ze nog niet allemaal; het grootste ei ligt daar nog; hoe lang zal het nog wel duren, eer dat uitkomt? Nu begint het mij haast te vervelen!» en zij ging er weer op zitten.

«Wel zoo, hoe gaat het?» vroeg een oude eend, die haar eens een bezoek kwam brengen.

«Het duurt geducht lang met dat eene ei,» zei de eend, die er nu weer op zat; «het wil maar niet opengaan; maar kijk eens naar de anderen: zijn dat niet de liefste eendjes, die je ooit van je leven gezien hebt? Zij lijken allemaal precies op hun vader; maar die ondeugd komt mij niet eens bezoeken.»

«Laat mij het ei, dat niet wil opengaan, eens zien!» zei de oude eend. «Geloof mij, het is een kalkoenenei! Ik ben ook eens zoo beetgenomen en had toen heel wat werk met mijn jongen, want zij waren bang voor het water! Ik kon ze er maar niet in krijgen; hoe ik ook kwakte, het hielp mij niemendal!—Laat mij het ei eens zien! Ja, dat is een kalkoenenei! Laat dat maar liggen, en leer je andere kinderen liever zwemmen!»

«Ik zal er toch nog een beetje op blijven zitten,» antwoordde de eend; «ik heb er nu al zoo lang op gezeten, en dus kan ik er nog wel een paar dagen op zitten!»

«Je moet het zelf weten,» hernam de oude eend en ging weg.

Eindelijk ging het groote ei open. «Piep, piep!» zei het jong en kroop er uit. Het was een groot en leelijk beest! De eend bekeek het eens. «Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje,» dacht zij; «geen van de anderen ziet er zoo uit. Zou het misschien een kalkoensch kuikentje zijn? Nu, daar zullen we wel gauw achter komen; in het water moet het, al zou ik het er ook zelf induwen.»

Den volgenden dag was het mooi, heerlijk weer; de zon scheen op alle groene bladeren. De moeder der eendjes ging met haar heele familie naar de gracht toe. Plof! daar sprong zij in het water. «Kwak, kwak!» zeide zij, en het eene eendje na het andere plofte er nu ook in; het water spatte hun om den kop, en zij doken even onder, maar kwamen al spoedig weer boven en zwommen uitmuntend; hun pooten gingen van zelf, en allen waren zij in het water; zelfs het leelijke, grauwe eendje zwom mee.

«Neen, het is geen kalkoen,» dacht de oude eend; «kijk eens, hoe ferm hij met zijn pooten slaat en hoe recht hij zich weet te houden! ’t Is mijn eigen kind! Eigenlijk is hij toch nog zoo leelijk niet, als men hem maar eens goed bekijkt! Kwak, kwak! Gaat maar met mij mee, dan zal ik je in de groote wereld brengen en je in de eendenkooi voorstellen: maar zorgt, dat je dicht in mijn nabijheid blijft, en neemt je voor de kat in acht!»

En zoo begaven zij zich naar de eendenkooi. Daarbinnen was een verschrikkelijk rumoer; want daar waren twee families, die elkaar het bezit van een palingkop betwistten, en eindelijk kreeg de kat dien toch.

«Kijk, zoo gaat het nu in de wereld!» zei de moeder der eendjes, en zij stak haar snavel al uit, want zij wilde den palingkop ook wel hebben. «Gebruikt je pooten nu!» vervolgde zij. «Houdt je fatsoen en maakt een buiging voor de oude eend, die je daar ziet: dat is de voornaamste van alle; zij is van Spaansche afkomst, daarom is zij zoo dik; en, zie je wel, zij heeft een rood lapje om haar poot; dat is iets heel moois en de grootste onderscheiding, die een eend te beurt kan vallen; dat beteekent, dat men haar niet kwijt wil raken en dat zij door dieren en menschen erkend moet worden. Wacht eens! Zet je pooten niet zoo binnenwaarts! een welopgevoed eendje zet zijn pooten buitenwaarts, evenals vader en moeder doen. Ziet eens! Zoo! Buigt je hals nu en zegt: Kwak!»

En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en zeiden tegen elkaar: «Kijk eens! Nu moeten wij nog het aanhangsel krijgen, alsof wij al niet talrijk genoeg waren! En foei! wat ziet dat eene eendje er uit! Dat willen wij hier niet hebben!» En terstond vloog er een oude eend naar het arme beest toe en beet het in den nek.

«Wil je dat nu wel eens laten?» zei de moeder. «Het doet immers niemand kwaad!»

«Dat is wel mogelijk, maar het is te groot en ziet er zoo vreemd uit,» zei de andere eend, «en daarom moet het eens een pikje hebben.»

«Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft,» zei de oude eend met het lapje om den poot, «zij zijn allemaal mooi, behalve dat eene; dat is mislukt; ik zou wel willen, dal je dat eens wat anders kondt maken.»

«Dat gaat immers niet,» zei de moeder van het eendje; «het is wel niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat het goed zal opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het ei gezeten, en daardoor is het wat mismaakt geworden!» Dit zeggende, pakte zij het beet en streek zijn veeren glad. «Bovendien is het een woerd,» zeide zij; «en daarom doet het er zoo veel niet toe. Ik denk, dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed te verweren.»

«De andere eendjes zien er allerliefst uit,» zei de oude eend; «doe maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun je dien wel aan mij brengen.»

En zoo waren zij er dan zoo goed als thuis.

Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er zoo leelijk uitzag, werd gebeten, gestooten en voor den gek gehouden, en dat zoowel door de eenden als door de kippen. «Het is te groot!» zeiden allen, en de kalkoensche haan, die met sporen ter wereld gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als een schip met volle zeilen en kwam op hem af; toen klokte hij en werd zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden of keeren; het was treurig, omdat het er leelijk uitzag en door al de anderen bespot werd.

Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad op hem en zeiden steeds: «Mocht de kat je maar beetpakken, jou leelijk schepsel!» En de moeder zeide: «Ik wou, dat je maar ver hier vandaan waart!» De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid, die de beesten eten moest geven, schopte het.

Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het geboomte vlogen daardoor verschrikt op. «Dat komt, omdat ik zoo leelijk ben,» dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep toen weer voort. Zoo kwam het aan het groote moeras, waar de wilde eenden woonden. Hier lag het den geheelen nacht; het was vermoeid en verdrietig.

Tegen den morgen vlogen de wilde eenden op en bekeken haar nieuwen kameraad eens. «Wat ben jij er voor een?» vroegen zij, en het eendje wendde zich naar alle kanten en groette zoo goed het kon.

«Je bent verschrikkelijk leelijk!» zeiden de wilde eenden; «maar dat kan ons niet schelen, als je maar niet met iemand van onze familie trouwt!»—Het arme beest! Het dacht er waarlijk niet aan te trouwen; als het maar de vergunning kon krijgen, om in het riet te liggen en wat moeraswater te drinken.

Zoo lag het twee heele dagen; toen kwamen er twee wilde ganzen of, liever gezegd, genten naar hem toe; het was nog niet lang geleden, dat zij uit het ei gekropen waren, en daarom waren zij zoo overmoedig.

«Hoor eens, kameraad!» zeiden zij; «je bent zoo leelijk, dat je goed bij ons past. Wil je met ons meegaan en trekvogel worden? Hier dichtbij in een ander moeras zijn eenige aardige wilde ganzen, allemaal dames, die evenals jij «kwak!» kunnen zeggen. Je kunt je fortuin daar wel maken, hoe leelijk je ook wezen moogt.»

«Piefpafpoef!» klonk het juist, en de beide wilde genten vielen dood in het riet neer, en het water werd bloedrood gekleurd.—«Piefpafpoef!» klonk het weer, en nu vlogen er geheele scharen wilde ganzen uit het riet op. En toen deed zich andermaal een knal hooren. Er werd een groote jacht gehouden; de jagers lagen rondom het moeras; ja, eenigen zaten boven in de takken der boomen, die zich ver over het riet uitstrekten. De blauwe damp trok in dikke wolken in de boomen en ver over het water heen; de jachthonden gingen het moeras in. Plof, plof! het riet boog zich naar alle kanten heen. Dat was een schrik voor het arme eendje. Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels te steken; maar op hetzelfde oogenblik stond er een vreeselijk groote hond dicht bij het eendje; de tong hing hem uit den bek, en zijn oogen schoten vlammen; hij strekte zijn snoet juist naar het eendje uit, liet het zijn scherpe landen zien en.... Plof! plof! ging het weer, zonder dat hij het beetpakte.

«Goddank!» zei het eendje met een zucht; «ik ben zoo leelijk, dat de hond mij zelfs niet wil bijten.»

En zoo bleef het roerloos liggen, terwijl de hagel door het riet snorde en er schot op schot knalde.

Eerst laat op den dag werd het stil; maar het arme eendje durfde nog niet opstaan; het wachtte nog verscheidene uren, voordat het omkeek, en toen snelde het uit het moeras weg, zoo vlug als het maar kon. Het liep over veld en weide; maar er woei zulk een hevige storm, dat het werk had om op zijn pooten te blijven staan.

Tegen den avond bereikte het een kleine, armoedige boerenhut; deze was zoo bouwvallig, dat zij zelf niet wist, naar welken kant zij zou vallen, en daarom bleef zij maar staan. De storm gierde zoo verschrikkelijk om het eendje heen, dat het moest gaan zitten, om niet omver te waaien. Nu bemerkte het, dat de deur uit het eene scharnier geraakt was en zoo scheef hing, dat het door de reet in de kamer kon sluipen, en dit deed het dan ook.

Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip. En de kater, dien zij haar zoontje noemde, kon een hoogen rug zetten en spinnen; hij gaf zelfs vonken van zich, maar dan moest men zijn haar den verkeerden kant opstrijken. De kip had korte, lage pooten, en daarom werd zij juffrouw Kortbeen genoemd; zij legde heerlijke eieren, en de vrouw had haar zoo lief, alsof zij haar kind was.

’s Morgens zag men het vreemde eendje dadelijk, en nu begon de kater te blazen en de kip te kakelen.

«Wat is er te doen?» zei de vrouw en keek in de rondte; maar zij had een slecht gezicht, en daarom dacht zij, dat het eendje een vette eend was, die verdwaald was geraakt. «Dat is een goede vangst!» zeide zij. «Nu kan ik eendeneieren krijgen. Als het maar geen woerd is! Dat zullen wij eens probeeren!»

En zoo werd het eendje voor drie weken op de proef aangenomen; maar er kwamen geen eieren. En de kater was heer in huis, en de kip was er zoo goed als vrouw, en altijd zeiden zij: «Wij en de wereld!» Want zij dachten, dat zij de helft waren, en verreweg de beste helft. Het eendje gaf als zijn meening te kennen, dat het toch ook wel eens anders zou kunnen zijn; maar dat kon de kip niet velen.

«Kun je eieren leggen?» vroeg zij.

«Neen.»

«Welnu, wil je dan wel eens zwijgen?»

En de kater zei: «Kun je een hoogen rug zetten en spinnen en maken, dat er vonken uit je lijf komen?»

«Neen.»

«Dan mag je ook geen meening hebben, als verstandige lieden met elkaar spreken.»

En het eendje zat in den hoek en voelde zich diep ongelukkig; daar drong de zonneschijn in het huisje door; het kreeg zulk een lust om in het water te zwemmen, dat het zich niet kon weerhouden, dit tegen de kip te zeggen.

«Wat is dat voor een dwaze inval!» zei deze. «Je hebt niets uit te voeren, en daarom verzin je allerlei dwaasheden. Leg eieren of spin, en maak je anders uit de voeten!»

«Maar het is zoo prettig, in het water te zwemmen,» zei het eendje, «zoo prettig, het boven zijn kop te laten uitspatten en op den grond te duiken.»

«Nu, dat is ook een heel plezier!» zei de kip. «Je bent zeker niet goed bij je verstand! Vraag er den kater maar eens naar,—die is het verstandigste schepsel, dat ik ken,—of hij er van houdt, in het water te zwemmen of onder te duiken? Ik wil niet van mij zelf spreken.—Vraag het zelf maar aan onze meesteres, de oude vrouw; wijzer dan zij is niemand op de wereld! Denk je misschien, dat zij plezier heeft om te zwemmen en het water boven haar hoofd uit te laten spatten?»

«Je begrijpt mij niet!» zei het eendje.

«Begrijpen wij je niet? Wie zou je dan kunnen begrijpen? Je zult toch wel niet wijzer willen zijn dan de kater en de vrouw,—van mij zelf wil ik niet spreken! Heb maar niet zooveel noten op je zang, en wees dankbaar voor al het goede, dat men je bewezen heeft. Ben je niet in een warme kamer gekomen en heb je niet een gezelschap, waarvan je nog wat kunt leeren? Maar er is geen huis met je te houden, en het is alles behalve plezierig, met jou om te gaan. Je kunt mij gerust gelooven! Ik meen het goed met je. Ik zeg je de waarheid, al vind je dit ook niet prettig, en daaraan kan men zien, wie zijn ware vrienden zijn. Doe je best maar om eieren te leggen of te spinnen of vonken uit je lijf te laten komen.»

«Ik denk, dat ik de wijde wereld maar in zal gaan!» zei het eendje.

«Ja, doe dat maar!» liet de kip hierop volgen.

En zoo ging het eendje dan heen; het zwom in het water, het dook met zijn kopje onder, maar door alle dieren werd het om zijn leelijkheid met minachting bejegend.

Nu kwam de herfst; de bladeren in het bosch werden geel en bruin; de wind rukte ze af, zoodat zij in de rondte dansten, en boven in de lucht was het snerpend koud; de wolken zaten vol hagel en sneeuw; en op de heg zat een raaf en deed haar klagend gekras hooren. Het arme eendje had het al heel slecht! Op zekeren avond, juist toen de zon in haar pracht onderging, kwam er een heele troep groote vogels uit het bosch, het eendje had er nooit zulke mooie gezien; zij waren spierwit en hadden lange, buigzame halzen: het waren zwanen. Zij lieten een eigenaardig geluid hooren, spreidden hun prachtige, lange vleugels uit en trokken uit de koude streken naar warmere landen. Zij stegen zoo hoog, zoo hoog, dat het het leelijke jonge eendje wonderlijk te moede werd. Het draaide zich als een tol in het water rond, strekte zijn kop hoog in de lucht naar de zwanen uit en gaf zulk een luiden en zonderlingen schreeuw, dat het er zelf van schrikte. O, het kon die mooie, gelukkige vogels niet vergeten; en zoodra deze niet meer te zien waren, dook het onder tot op den grond en toen het weer boven kwam, was het als buiten zich zelf. Het arme beest wist niet, hoe die vogels heetten, ook niet, waar zij naar toe vlogen; maar toch liep het er hoog mee, zooals het nog nooit ergens mee gedaan had. Het benijdde ze volstrekt niet. Hoe zou het hem ook in de gedachten komen, te wenschen, zelf zoo mooi te zijn? Het zou al blij geweest zijn als de eenden hem maar in haar midden geduld hadden,—dat arme, leelijke beest!

Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet heelemaal dichtvroor; maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendje moest voortdurend zijn pooten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk werd het moede, bleef doodstil liggen en vroor in het ijs vast.

’s Morgens vroeg kwam er een boer voorbij. Toen hij het eendje zag, ging hij er heen, trapte het ijs met zijn klomp aan stukken en bracht het dier naar zijn vrouw toe. Daar kwam het weer bij.

De kinderen wilden met hem spelen; maar het eendje dacht, dat zij hem kwaad wilden doen en vloog in zijn angst juist in het melkvat, zoodat de melk overal in de kamer rondspatte. De vrouw sloeg de handen in elkaar, waarop het eerst in het botervat en toen in de meelton vloog. Wat zag het er nu uit! De vrouw schreeuwde en sloeg met de tang naar het arme beest; de kinderen liepen elkaar omver, om het eendje te pakken; zij lachten en schreeuwden!—’t Was gelukkig, dat de deur openstond en dat het tusschen de takken in de versch gevallen sneeuw kon sluipen. Daar bleef het geheel uitgeput liggen.

Maar al den nood en de ellende, welke het eendje in dien strengen winter moest doorstaan, te vertellen, zou te akelig zijn.

Het lag in het moeras tusschen het riet, toen de zon weer warm begon te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente geworden.

Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordat het beest het recht wist, bevond het zich in een grooten tuin, waarin de vlierboomen geurden en hun lange, groene takken tot in het water neerbogen. O, hier was het zoo schoon, zoo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps drie prachtige witte zwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten en werd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen.

«Ik zal naar hen toe vliegen, naar die koninklijke vogels! Maar zij zullen mij dooden, omdat ik, die zoo leelijk ben, mij in hun nabijheid durf wagen. Maar dat doet er niet toe! ’t Is beter, door hen gedood, dan door de eenden gebeten, door de kippen gepikt, door de meid, die aan de kippen eten geeft, geschopt te worden en in den winter gebrek te lijden!»

En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige zwanen toe; deze zagen hem en kwamen met klappende vleugels op hem af.

«Doodt mij maar!» zei het arme beest, boog zijn kop voorover en verwachtte niets anders dan den dood.—Maar wat zag het nu in het heldere water? Het zag daarin zijn eigen beeltenis, niet meer die van een loggen, grauwen, leelijken vogel, maar van een zwaan.

Het doet er niet toe, door een eend uitgebroed te worden, als men maar uit een zwanenei gekomen is!

Het gevoelde zich nu verheugd over al den nood en de ontberingen, die het doorgestaan had. Nu erkende het eerst recht zijn geluk en de heerlijkheid, die hem omringde.—En de zwanen zwommen om hem heen en streelden hem met hun snavels.

Eenige kinderen kwamen den tuin inloopen; ze gooiden brood en gerst in het water, en het kleinste riep: «Daar is een nieuwe zwaan!» En de andere kinderen jubelden mee: «Ja, er is een nieuwe bijgekomen!» En zij klapten in de handen en dansten in de rondte, liepen naar hun ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij zeiden allemaal: «Die nieuwe is nog de mooiste! Hij is zoo jong en ziet er zoo prachtig uit!» En de andere zwanen bogen zich voor hem.

Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; het was overgelukkig, maar volstrekt niet trotsch. Het dacht er aan, hoe het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen, dat het de mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich met zijn takken tot hem in het water neer, en de zon scheen warm en liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals op en jubelde van ganscher harte:

«Zooveel geluk had ik mij niet kunnen voorstellen, toen ik nog een leelijk eendje was!»

De oude straatlantaarn.

Inhoudsopgave

Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een enkele maal lezen.

’t Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zoo lang bekleed had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden, die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was of niet.