De drie steden: Lourdes - Émile Zola - E-Book

De drie steden: Lourdes E-Book

Zola Emile

0,0
1,99 €

oder
Beschreibung

DigiCat Uitgeverij presenteert u deze speciale editie van "De drie steden: Lourdes" van Émile Zola. DigiCat Uitgeverij is ervan overtuigd dat elk geschreven woord een erfenis van de mensheid is. Elk DigiCat boek is zorgvuldig gereproduceerd voor heruitgave in een nieuw, modern formaat. De boeken zijn zowel in gedrukte als e-boek formaten verkrijgbaar. DigiCat hoopt dat u dit werk zult behandelen met de erkenning en de passie die het verdient als klassieker van de wereldliteratuur.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0



Émile Zola

De drie steden: Lourdes

 
EAN 8596547472254
DigiCat, 2023 Contact: [email protected]

Inhoudsopgave

INLEIDING
EERSTE DAG
I.
II.
III.
IV.
V.
TWEEDE DAG
I.
II.
III.
IV.
V.
DERDE DAG
I.
II.
III.
IV.
V.
VIERDE DAG
I.
II.
III.
IV.
V.
VIJFDE DAG
I.
II.
III.
IV.
V.
DE DRIE STEDEN
LOURDES
DOOREMILE ZOLA VERTALING VANW. J. A. ROLDANUS Jr.Met een korte inleiding van Is. Querido
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88

INLEIDING

Inhoudsopgave

De heer J. M. Meulenhoff verzoekt mij een kort woord ter inleiding te schrijven voor Zola’s bekende serie: Lourdes, Rome, Parijs. Ik kan in deze beknopte inleiding over de literaire en dramatisch-psychologische waarde van zijn drie romans, als nawerk op de “Rougeon-Macquart”-serie, niet uitwijden. De simpele bedoeling is vooral er op te wijzen dat hier in ons land, naar mijn weten voor het éérst een volledige en onverminkte vertaling verschijnt van deze drie groote Zola-boeken. Dát feit verkondig ik met vreugde; nogmaals gansch en al afgescheiden van de scheppende waarde welke ik zelf deze latere producten in de rij van Zola’s overige werken, toeken. Tegenover dezen “realist” is men in Holland, vooral in den jongsten tijd, op een waarlijk schandelijke en weerzinwekkende wijze opgetreden. Men heeft in vele gevallen zijn arbeid voor het allergrootste deel als pornographische prikkel-literatuur met kabaal en handelsreclame onder de massa geworpen. Men heeft het vuile, smerige, zwoele, alleen-sensueele en dierlijk-menschelijke opgezocht, aangedikt en vaak geheel los van alle psychologisch karakter-verband naar voren gebracht. Men heeft met schunnige bijbedoelingen de groote scheppingen van Zola onbekommerd verknoeid, ze geheel naar willekeur en grof handelsbelang besnoeid, verminkt, saâmgelapt en beduimeld. Men heeft ermee omgesprongen als met een verachtelijke waar, slechts geschikt voor de bevrediging der gemeenste zinnedriften. Nu eindelijk verschijnen de “Drie steden” in een verzorgde vertaling, met piëteit volbracht tegenover een groot schrijver; een vertaling waarin geen regel van het oorspronkelijke wierd weggelaten.

Het is misschien goed er aan te herinneren, dat dit boek in Frankrijk, in de orthodox-katholieke kringen, een krijtende woede heeft uitgelokt, maar dat men later is gaan inzien hoezeer Zola van zijn standpunt het “wonder” van geloofsgenezingen verklaarde gelijk de geheele school van Nancy en Parijs dit met het probleem der suggestie en hypnose reeds lang deed op physiologische en psychologische gronden. Ook nu weer zal “Lourdes” in de rechtzinnige kringen verzet wekken en tegenspraak ontmoeten. Doch nu is het psychiatrisch materiaal veel rijker aanwezig. Opmerkelijk mag het heeten, dat Emile Zola in den tegenwoordigen tijd door de allerjongste jongeren en snobs weer met even groote minachting, met even fellen afschuw en huivering besproken wordt als bij zijn intrede in de Fransche letterkunde. Léon Bloy vooral in zijn hysterisch-felle, uitbrakende scheldrazernij en verachting voor den “slechten” schrijver en “gebrekkigen” woordkunstenaar Zola, gaf den toon aan. Na dezen genialen woesteling en overdadigen dwepeling zijn er tallooze Léon Blaffertjes gekomen die den Franschen Meester hebben gehoond en gesmaad op de meest walgelijke en tartende wijze. Het waren inzonderheid de sensationeele persmuskieten, de ellendige futlooze prutsers en schaamtelooze lawaai-journalistjes die in partij-haat en valsche dweepzucht den grooten romanticus naamloos krenkten en beleedigden. Ik behoef gelukkig slechts tegenover den geniaal-scheldenden, doch uiterst-beperkten Léon Bloy te plaatsen de dikwijls uitgesproken bewondering van den veel grooteren Gustave Flaubert. Telkens kunt gij in Flaubert’s “Correspondance” iets lezen van vurigen lof op Zola… “Ik voleindig zoo even juist uw boek. Ik duizel er nog van. Het is zeer machtig.” “Je viens de finir votre atroce et beau livre! J’en suis encore étourdi. C’est fort! Très fort!” (Correspondance van Gustave Flaubert, dl. IV, pag. 164). Ook noemt Flaubert elders Zola’s werk zeer sterk, vurig en gezond. Wel van een hartstochtelijke wildheid en bewogenheid, doch meestal van groote waarneming en groote diepte. Zeer bewondert Flaubert Martha in de “Conquête des Plassans”. Het slot noemt hij “een wonder”. “Quant à elle (Marthe), je ne saurais vous dire combien elle me semble réussie, et l’art que je trouve au développement de son caractère, ou plutôt de sa maladie. J’ai surtout remarqué les pages 194, 215 et 217, 261, 264, 267. Son état hystérique, son aveu final (p. 350 et 19) est une merveille.” (Correspondance, dl. IV, pag. 213). En over “Mes haines” schrijft Flaubert: “La préface de vos “Haines” m’a ravi, mon cher Zola. Voilà tout ce que j’ai à vous dire. Je ne la connaissais pas et j’en suis féru! Bravo! Voilà comme il faut parler.” (Correspondance, dl. IV, pag. 383). Over den fielterig- en gemeen-uitgescholden roman “Nana” zegt de geweldige Gustave Flaubert: “Ik heb gisteren heel den dag tot middernacht met het lezen van uw “Nana” doorgebracht. Ik sliep er niet van… Ik sta verstomd… De karakters zijn wonderen van waarheid…” “à la fin, la mort de Nana est Michelangelesque!” Un livre énorme…! Page 415. Plein de de grandeur, épique, sublime!… Page 483. Très grand, très grand!… Pages 489–90. Comme c’est vrai et intense!… Page 504. Rien de plus haut. Page XIV. Au-dessus de tout!—Oui! … n… de De…! sans pareil.” (Correspondance, dl. IV, pag. 408–409). Verder spreekt Flaubert van… “Mignon! avec ses fils! ineffable de beauté!… Tout ce qui regarde Fontan parfait… La paternité de tous ces messieurs, adorable… Nana tourne au mythe, sans cesser d’être réelle.” (Correspondance, dl. IV, pag. 408–409).

Ik zou ook nog kunnen spreken over de afgodische vereering hier in ons land, die eens Van Deyssel voor Zola uitsprak; over de groote bewondering van Johan De Meester, Frans Coenen, mr. Erens, Henriëtte Roland-Holst en vele anderen. Want bijna altijd is Zola het meest gehavend geworden door de klein-krenkende, onbeduidende, anonieme dagblad-criticasters, die in hun vinnige jaloerschheid den reus te lijf gingen als een gonzende zwerm angellooze horzeltjes. Ook de titanische Balzac wierd schromelijk toegetakeld door de journalisten van het allermiddelmatigste slag. Balzac zelf verachtte en bespotte hen. Toch waren er zeer sluwe rakkers onder die hem sarden en beleedigden. Ik behoef slechts te wijzen op Eugène Poitou, die als een echte schelm Balzac’s grootheid heeft aangerand en eindelijk zoo verrukkelijk-hooghartig is afgestraft door Barbey d’Aurévilly. Ik behoef slechts te wijzen op de artikelen-reeks van Henri Duvernois die indertijd heeft aangetoond op welk een grove en duldelooze wijze Balzac’s werk in dommen haat en boosaardigheid is neergehaald. Zola was nu even reusachtig van episch gebaar als Balzac, al klonk de Pantagruellische lach van den “Comédie humaine”-schepper soms guller en soms satanischer. Le Lucifer de la literature, zooals Anatole France Balzac noemde, had zich door Gosselin een wandelstok laten snijden, “la ridicule canne”, de monsterlijk-zware tambour-majoor-rotting, poenig opgepronkt met allerlei steenen, waarmee hij van zich afranselde, op pedante collega’s en afgunstige vijanden. Reeds vroeger schreef ik hoezeer Balzac het mikpunt is gebleven van laffen, oneerlijken spot, van karikatuur en giftigen hoon. Gozlan en Mme Hanska doen ons gevoelen hoe driest Balzac wierd afgemaakt en neergehaald door de nietigste journalisten-keffertjes, drollige snaakjes; door bijna alle dagbladen van zijn tijd en hoe allerlei blufferige dwergjes met catapult’s tegen den reus uittrokken. Balzac zelf had een afschuw van deze soort journalisten. Zie o. a. “Un grand homme de Province à Paris” en beluister Balzac’s spot-woord naar Lireux: “Encore une fois, pardon, monsieur Lireux, mais j’en ai fini depuis longtemps et fini pour toujours avec les journalistes; c’est entre nous une guerre de sauvages: ils veulent me scalper à la manière des Mohicans, et moi je veux boire dans leur crâne à la manière des Muscoculges”.

Ook Zola stond in dezelfde houding tegenover zijn vernietigende critici die hij nog veelvuldiger vond in Frankrijk dan Balzac, omdat deze althans was en bleef “bon catholique” en Zola aarts-atheïst en anarchist wierd gescholden. Ook in Lourdes is Zola, in zijn romantiek en in zijn ten deele evangelisch, mystiek profetisme, allicht dieper religieuze natuur dan vele zoogenaamde rechtzinnigen in de leer die hem verdoemen en de hel invloeken, om zijn aanranding van het godsbegrip. Nogmaals, ik onthoud mij van iedere literaire carakteristiek dezer “Drie steden”-serie. Slechts wijs ik op hare groote belangrijkheid als sociale uiting en wellicht is in geen zijner werken zoo sterk Zola’s eigen maatschappijen levensbeschouwing uitgesproken als in deze romans.

Dat onder de groote modernen in Zola’s eigen land ook nog vurige bewonderaars leven van zijn genie, bleek mij onlangs opnieuw, uit een gesprek met den buitengewonen Franschen schilder Le Fauconnier, die met groote geestdrift en warmte Zola huldigde en ook gretige bewondering te kennen gaf voor zijn kunst-critischen arbeid.

Het is voor mij nu reeds een zekerheid, dat ná de beschimpings-periode van onfrissche modernelingen, snobs en kwasi-vergeestelijkten, er een tijd zal komen dat ook Zola weer, bij al zijn fouten en gebreken, in volle grootheid zal worden genoemd, hoe gansch anders men in wezen ook mag staan tegenover zijn kunst-opvattingen, zijn maatschappij-critiek en zijn moraal.

Is. Querido.

EERSTE DAG

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Toen in den rijdenden trein de pelgrims en de zieken, die op de harde banken van den wagon 3de klasse opeengehoopt zaten, het Ave Maris Stella, dat zij bij het verlaten van de Gare d’Orleans aangeheven hadden, ten einde zongen, zag Marie, die zich, door een koortsachtig ongeduld aangegrepen, half opgericht had van haar ziekbed, de vestingwerken.

“Ha, de vestingwerken!” riep zij, ondanks haar pijn, op vroolijken toon. “Nu zijn we tenminste Parijs uit!”

Haar vader, mijnheer de Guersaint, die tegenover haar zat, lachte over haar blijdschap, terwijl abbé Pierre Froment, die haar met broederlijke liefde aankeek, in zijn medelijdende bezorgdheid zeide:

“Ja, en nu zitten we tot morgenochtend in den trein, want we zijn pas om 3.40 in Lourdes. Meer dan twee-en-twintig uur reizen!”

Het was half zes, de zon was stralend opgegaan over een prachtig-helderen ochtend. Het was een Vrijdag, 19 Augustus. Doch reeds kondigden aan den horizont kleine dikke wolkjes een verschrikkelijk warmen, van onweer zwangeren dag aan. Schuin vielen de zonnestralen door de compartimenten van den wagon en vulden die met een stof van dansend goud.

Marie, die weer in haar angst teruggevallen was, fluisterde:

“Ja, twee-en-twintig. Lieve God, wat is dat nog lang!”

Haar vader legde haar weer wat makkelijker in haar nauwe kist, een soort dakgoot, waarin zij sedert zeven jaar leefde. Bij uitzondering had men toegestaan de twee paar wielen, die afgenomen en aangebracht konden worden, in den bagagewagen te vervoeren. Ingesloten tusschen de planken van die rollende kist, nam zij drie plaatsen in op de bank; rustig bleef zij een oogenblik liggen met haar gesloten oogen, met haar uitgeteerd, vaalbleek gezicht, dat ondanks haar drie-en-twintig jaar nog een kinderlijke teerheid behouden had; ondanks alles zag zij er nog bekoorlijk uit met haar prachtige blonde haren, haren als van een koningin, die door de ziekte verschoond waren. Eenvoudig gekleed in een zwartwollen japon, had zij om haar hals haar kaart met haar naam en haar volgnummer. Zelf had zij dezen armelijken eenvoud gewenscht, daar zij haar familie, die van lieverlede in moeilijke omstandigheden gekomen was, niets kosten wilde. Zoo kwam het, dat zij hier in die derde klasse van den witten trein lag, den trein voor de ergste zieken, den droevigsten der veertien dien dag naar Lourdes vertrekkende treinen, dien, waarin behalve de vijfhonderd pelgrims, bijna driehonderd door zwakheid uitgeputte en door pijnen gekwelde zieken samengedrongen waren, die in volle vaart van het eene eind van Frankrijk naar het andere vervoerd werden.

Ontstemd haar bedroefd gemaakt te hebben, bleef Pierre haar met zijn liefdevollen blik van een ouderen broer aankijken. Hij was even dertig jaar, bleek, mager en had een breed voorhoofd. Nadat hij de reis tot in de kleinste bijzonderheden geregeld had, hield hij het voor zijn plicht mede te gaan en had zich daarom opgegeven als helper van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut; hij droeg onder zijn soutane het roode, met oranje afgezette kruis der baardragers. Mijnheer de Guersaint had op zijn grijslaken jas het scharlakenrood pelgrimskruis. Hij scheen het reizen prettig te vinden, telkens en telkens weer keek hij naar buiten en kon zijn vriendelijk en afgetrokken gezicht, dat er, hoewel hij reeds een goede vijftig was, er nog jong uitzag, niet stil houden.

In de afdeeling ernaast was ondanks het hevige schudden, dat Marie deed gillen van pijn, zuster Hyacinthe, die gezien had, dat het jonge meisje in de volle zon lag, opgestaan.

“Ach, mijnheer de abbé, laat het gordijntje wat neer… Kom, kom! Wij zullen het ons zoo makkelijk mogelijk maken en trachten het een beetje gezellig in te richten!”

In haar zwart kleed van ordezuster, dat opgevroolijkt werd door het witte kapje, den witten sluier en de groote witte schort, glimlachte zuster Hyacinthe dapper en moedig. Haar jeugd sprak duidelijk uit haar klein, frisch mondje, uit de diepte van haar mooie, blauwe, altijd liefdevol blikkende oogen. Zij was misschien niet knap, maar prettig om naar te kijken, teer, slank, met de borst van een jongen onder de hooge schort, van een flinken jongen met een blanken tint, overvloeiend van gezondheid, vroolijkheid en onschuld.

“Maar die lieve zon laat ons bijna smelten. Mevrouw, wees zoo goed ook een gordijntje neer te halen!”

In den hoek, naast de zuster zat madame de Jonquière nog steeds met haar koffertje op haar schoot. Langzaam trok zij het gordijntje naar beneden. Zij was een flinke brunette en zag er nog knap uit, niettegenstaande zij reeds een dochter van vier-en-twintig had, Raymonde, die zij met twee andere vrijwillige verpleegsters, madame Désagneaux en madame Volmar, eerste klasse reizen liet. Zij zelf, directrice van een zaal in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te Lourdes, verliet haar zieken niet; en buiten aan het deurtje van het compartiment hing het voorgeschreven bordje, waarop onder haar eigen naam die van de twee zusters van Maria Hemelvaart stonden, welke haar waren toegevoegd. Als weduwe van een geruïneerd man leefde zij met haar dochter bescheiden van vier à vijf duizend francs rente in de rue Vaneau; zij gaf al haar tijd aan het werk van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, waarvan zij het roode kruis op haar popelinen Karmelietenkleed droeg en zij een der vurigste ijveraarsters was. Eenigszins trotsch aangelegd en graag gevleid en gefêteerd, verlangde zij steeds naar die jaarlijksche reis, welke zoowel haar trots als haar hart bevredigde.

“U hebt gelijk, zuster, we zullen het ons wat makkelijk maken. Ik weet zelf niet, waarom ik dat koffertje zoo op mijn schoot houd.”

Zij zette het naast zich neer onder de bank.

“Wacht,” zeide zuster Hyacinthe; “die waterkan staat precies tusschen uw beenen. Die hindert u natuurlijk!”

“Wel neen, heusch niet! Laat maar. Hij moet toch ergens staan.”

Toen voegde zij het woord bij de daad en richtte zich zoo makkelijk mogelijk in voor een dag en een nacht met haar zieken. Het was jammer, dat zij Marie niet in haar compartiment had kunnen nemen, daar deze er beslist op gestaan had bij haar vader en Pierre te blijven, maar ze konden tenminste over het lage beschot nu en dan eens een buurpraatje met haar houden. Trouwens de geheele wagon met zijn vijf compartimenten van tien plaatsen, vormde één rijdende, gemeenschappelijke kamer, die men met één blik overzien kon. Met de kale, gele houten beschotten en het wit geschilderde plafond deed het denken aan een echte ziekenzaal, of in zijn wanorde en het door elkaar heen staan van alles eerder op een geïmproviseerd veldlazaret. Half verborgen lagen onder de bank kruiken, kommen, bezems, sponsen. Daar de trein geen bagagewagen had, hoopten zich overal en nergens valiezen, witte houten kisten, hoedendoozen, koffertjes op, een jammerlijke opeenstapeling van oude, versleten met touw dichtgemaakte dingen; verder hingen allerlei kleedingstukken, pakjes en manden aan koperen haken te slingeren. En te midden van dien ouden rommel werden de zwaar-zieken, die op hun kleine matrassen verscheidene plaatsen innamen, door het geschok der wielen heen en weer geschud, terwijl zij, die zitten konden, met hun bleeke gezichten tegen kussens leunden. Volgens het voorschrift moest er voor ieder compartement een diakones zijn. Aan het andere einde bevond zich een tweede zuster van Maria Hemelvaart, zuster Claire des Anges. Gezonde pelgrims stonden reeds op en begonnen te eten en te drinken. Achterin was een geheel compartiment voor vrouwen, oude en jonge, dicht tegen elkaar gedrukt, allen even jammerlijk- en droevig-leelijk. Daar men om de teringlijdsters, die er zich onder bevonden, de raampjes niet durfde openzetten, begon er een drukkende hitte en een benauwende stank te heerschen.

Te Juvisy hadden de pelgrims de rozenkrans afgebeden. Toen men om zes uur in volle vaart het station Bretigny doorvloog, stond zuster Hyacinthe op, die de geestelijke oefeningen leidde, welke de meeste pelgrims in een klein boekje met blauwen omslag volgden.

“Het Angelus, kinderen,” zeide zij met haar moederlijk glimlachje, dat haar jeugd zoo bekoorlijk en zacht maakte.

Weer volgden de Ave’s elkaar op. Toen het klaar was, keken Pierre en Marie vol deelneming naar twee vrouwen, die de twee andere hoeken van hun compartiment innamen. De eene, die aan het voeteneinde van Marie’s matras lag, was een tengere blondine, een ruim dertigjarige, voor haar tijd verwelkte burgervrouw. Zij hield zich bescheiden op den achtergrond en nam bijna geen plaats in. Zij had een donkere japon aan, haar haar was verkleurd, haar gezicht lang en pijnlijk vertrokken en drukte een grenzenlooze verlatenheid en eindelooze droefgeestigheid uit. De andere, die op dezelfde bank als Pierre zat, een ongeveer even oude arbeidersvrouw met een zwart mutsje en een door ellende en zorgen verwoest gezicht, had een meisje van zeven jaar op haar schoot, zoo bleek en zoo minnetjes, dat men het geen vier gegeven zou hebben. Het kind met haar spits neusje, haar blauw-omkringde, gesloten oogjes en haar wasbleek gezichtje, kon nog niet praten; het kreunde en steunde slechts, wat telkens weer het hart van de over haar kleine gebogen vrouw verscheurde.

“Zou ze misschien een paar druiven lusten?” vroeg bedeesd de burgervrouw, die tot dat oogenblik gezwegen had. “Ik heb er in mijn mandje.”

“Dank u, madame,” antwoordde de arbeidersvrouw. “Ze drinkt alleen maar melk, en dan moet u nog niet vragen hoe… Ik heb een flesch meegenomen.”

En toegevend aan de behoefte, die ongelukkigen steeds hebben om te praten, vertelde zij haar geschiedenis. Zij heette madame Vincent en had haar man, die vergulder van beroep geweest was, aan de tering verloren. Alleen achtergebleven met haar kleine Rose, die zij aanbad, had zij dag en nacht genaaid, om het kind op te voeden. Maar het kind was ziek geworden. Nu al veertien maanden lang hield zij het kind, dat steeds pijn had en altijd maar achteruitging en afviel, in haar armen. Toen was zij, die anders nooit naar de mis ging, uit wanhoop een kerk binnengeloopen, om de genezing van het kind af te smeeken: daar had zij een stem gehoord, die haar zeide, dat zij met het kind naar Lourdes gaan moest, waar de Heilige Maagd zich over de kleine erbarmen zou. Daar zij niemand kende en niet wist, hoe die bedevaarten werden ingericht, had zij maar één gedachte gehad: werken, reisgeld sparen, een kaartje nemen, met de dertig sous, die zij nog over had, de reis aanvaarden en slechts een flesch melk voor het kind meenemen, zonder zelfs maar te denken voor zichzelf een stuk brood te koopen.

“Wat scheelt het lieve kind eigenlijk?”

“O, madame, het is een buikverharding. Maar de dokters hebben er hun eigen naam voor… Eerst heeft ze gewoon buikpijn gehad. Maar toen is de buik gaan opzetten en heeft ze een pijn gehad, dat je er gewoon bij stond te huilen. Nu is die opzetting heelemaal weg; maar het kind leeft nu, om zoo te zeggen niet meer, ze heeft geen beenen meer, zoo mager is ze; en door dat eeuwige transpireeren neemt ze nog meer af…”

Maar Rose had even gekreund en haar oogleden opengeslagen; angstig en bleek wordend boog de moeder zich over haar heen.

“Mijn schatje, mijn lieveling, wat is er?… Wil je wat drinken?”

Maar het kind had haar leege, mat-blauwe oogen al weer gesloten; het antwoordde zelfs niet meer, was weer teruggezonken in haar apathie, heelemaal wit in haar wit jurkje, een laatste coquetterie der moeder, die deze onnoodige uitgave gedaan had in de hoop, dat de Maagd genadiger zijn zou voor het zieke wichtje, als het netjes in het wit gekleed was.

Na een kort stilzwijgen begon madame Vincent weer:

“En u, madame, u gaat zeker voor u zelf naar Lourdes?… Het is u wel aan te zien, dat u ziek is.”

Maar de burgervrouw trok zich angstig-verschrikt in haar hoekje terug en prevelde:

“Neen, neen, ik ben niet ziek… Was ik het maar, dan zou ik minder lijden!”

Zij heette madame Maze en had een ongeneeslijk verdriet in haar hart. Na uit liefde getrouwd te zijn met een flinken, levenslustigen jongen man, was zij na een jaar van wittebroodsweken door hem in den steek gelaten. Haar man, die als handelsreiziger bijna altijd van huis was en veel geld verdiende, bleef dikwijls maanden lang weg, bedroog haar van het eene einde van Frankrijk tot het andere, ja nam zelfs maîtressen mee. Zij aanbad hem en leed er zoo onder, dat zij zich in de armen van den godsdienst geworpen had. Eindelijk was zij besloten naar Lourdes te gaan, om de Heilige Maagd te smeeken haar man te bekeeren en hem aan haar terug te geven.

Zonder het precies te begrijpen, voelde madame Vincent toch, dat haar reisgenoote zedelijk veel leed. Ze bleven elkaar aankijken, de verlaten vrouw, die door haar hartstochtelijke liefde verteerd werd, en de moeder, die ten gronde ging, omdat zij haar kind sterven zag.

Nu mengde Pierre, die evenals Marie met groote deelneming geluisterd had, zich in het gesprek, het verwonderde hem, dat de arbeidersvrouw haar kind niet in het ziekenhuis had laten opnemen. De Association de Notre-Dame de Salut was na den oorlog door de Augustijnen opgericht met het doel, om door gemeenschappelijk gebed en door het uitoefenen van weldadigheid werkzaam te zijn voor het heil van Frankrijk en de verdediging der Kerk; ook hadden zij de bedevaarten in het leven geroepen en met name de nationale bedevaart, die jaarlijks tegen het einde van Augustus naar Lourdes ondernomen werd, georganiseerd en steeds meer uitgebreid. Zoo had zich langzamerhand een uitstekende organisatie ontwikkeld; uit de geheele wereld werden giften gezonden, in iedere parochie zieken op de lijsten gebracht, met de spoorwegmaatschappijen speciale regelingen getroffen, ongerekend nog de krachtdadige hulp der zusters van Maria Hemelvaart en de stichting van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, een uitgebreide vereeniging van alle liefdadigheidsgenootschappen, waarin mannen en vrouwen, grootendeels tot de voornamere kringen behoorend, onder toezicht van den leider der bedevaarten, de zieken verpleegden, droegen en voor het handhaven der orde zorgden. De zieken moesten een schriftelijk verzoek indienen, om in die Hospitalité opgenomen te worden, waardoor zij alle reis- en verblijfkosten vrij hadden; ze werden thuis gehaald en weer gebracht, ze behoefden dus slechts eenige levensmiddelen voor de reis mede te nemen. Maar het grootste gedeelte kwam van aanbevelingen van geestelijken of van liefdadige personen, die bij de inschrijvingen zorg droegen voor de noodzakelijke identiteitsbewijzen en de geneeskundige certificaten. Was dit geschied, dan behoefden de zieken zich met niets meer te bemoeien, waren zij in de zorgende handen der barmhartige broeders en zusters niets meer dan het armzalige object voor lijden en wonderen.

“U hadt,” legde Pierre haar uit, “u slechts behoeven te wenden tot den pastoor van uw parochie. Dat arme kind verdient ons aller medelijden. Het zou dadelijk opgenomen zijn.”

“Ik wist het niet, mijnheer de abbé.”

“Maar hoe hebt u het dan klaar gespeeld?”

“Ik heb een biljet gekocht op een plaats, die een buurvrouw, die de courant leest, mij genoemd heeft.”

Zij sprak over biljetten, welke tegen zeer verminderde prijzen onder de pelgrims, die betalen konden, werden verdeeld. Onder het luisteren werd Marie door een groot medelijden en ook door schaamte aangegrepen: haar ontbrak het toch niet aan middelen, en zij was er met behulp van Pierre in geslaagd, zich in de Hospitalité te laten opnemen, terwijl die moeder en haar ongelukkig kind, na haar armzalige spaarduitje gegeven te hebben, zonder een sou bleven.

Maar een heftige schok van den wagon ontrukte haar een gil van pijn.

“Licht me wat op, vader. Ik kan niet langer zoo op mijn rug blijven liggen.”

Toen haar vader haar in een zittende houding had opgericht, zuchtte zij diep. Ze waren nauwelijks Etampes, anderhalf uur van Parijs voorbij, en reeds begonnen in de gloeiende zon, het stof en het lawaai, de vermoeidheid en de uitputting zich te doen gelden.

Madame de Jonquière sprak over het beschot het jonge meisje met een paar vriendelijke woorden moed in. Ook zuster Hyacinthe was weer opgestaan en klapte vroolijk in haar handen, om zich door den geheelen wagon verstaanbaar te maken.

“Kom, kom! Laten we niet aan onze pijntjes denken! Laten we bidden en zingen, de Heilige Maagd zal met ons zijn.”

Zij hief den Rozenkrans aan volgens de woorden van Notre-Dame de Lourdes, en alle zieken en pelgrims volgden haar voorbeeld. Het was de eerste rozenkrans, de vijf blijde mysteriën, Maria Boodschap, de Visitatie, de Geboorte, Maria Lichtmis, de wedergevonden Jezus. Dan hieven allen het lied aan: “Aanschouwen wij den hemelschen aartsengel…” De stemmen gingen verloren in het geratel der wielen, men hoorde slechts het doffe gegons van den troep, die in den gesloten, eindeloos voortrollenden wagen half stikte.

Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij zijn godsdienstige plichten trouw vervulde, nooit een lied tot het einde toe mede zingen. Hij stond telkens op, om dan dadelijk weer te gaan zitten. Eindelijk bleef hij over het beschot heen leunen en ging hij praten met een zieke, die in het compartiment ernaast tegen hetzelfde beschot zat. Mijnheer Sabathier was een dikke, kale vijftiger met een groot, goedig hoofd. De laatste vijftien jaren leed hij aan ataxie, pijn had hij slechts bij tusschenpoozen, maar zijn beenen waren geheel verlamd; zijn vrouw, die hem vergezelde, legde ze, als waren het doode beenen, van de eene plaats op de andere, wanneer ze hem ten slotte zoo zwaar werden als stukken lood.

“Ja, mijnheer, vroeger was ik leeraar in de vijfde klasse van het lycée Charlemagne. In den beginne dacht ik, dat het gewone heupjicht was. Doch daarna heb ik vreeselijke pijnen gekregen, zooiets alsof er gloeiende degens in mijn spieren gestoken werden. De laatste tien jaar echter is mijn heele lichaam er door aangetast, ik heb alle mogelijke doktoren geraadpleegd, ik heb alle mogelijke en onmogelijke badplaatsen bezocht; en nu heb ik tegenwoordig wel minder pijn, maar ik kan niet meer van mijn stoel opstaan… Ik had mijn leven lang niets aan godsdienst gedaan, maar nu ben ik weer tot God teruggebracht door de gedachte, dat ik te ongelukkig was en dat onze Lieve Vrouwe van Lourdes medelijden met mij hebben zou.”

Pierre was ook over het beschot komen leunen en luisterde aandachtig.

“Lijden brengt de ziel weer terug tot God, niet waar, mijnheer de abbé? Dit is nu al het zevende jaar, dat ik naar Lourdes ga, maar ik twijfel geen oogenblik aan mijn genezing. Dit jaar zal de Heilige Maagd mij genezen, dat weet ik zeker. Ja, ik reken er vast op weer te kunnen loopen; ik leef nog slechts in die hoop.”

Mijnheer Sabathier hield even op, om zijn vrouw zijn beenen wat meer naar links te laten leggen. Pierre nam hem eens goed op; het verwonderde hem een zoo hardnekkig geloof te vinden bij een intellectueel, een van die geleerden, die gewoonlijk zoo Voltairiaansch gezind zijn. Hoe had het vertrouwen in het wonder in dit brein wortel kunnen schieten en opbloeien? Het was werkelijk zooals hij zelf zeide: heftige smarten en pijnen alleen konden deze behoefte aan illusie, den bloeitijd der eeuwige troosteresse verklaren.

“Zooals u ziet, zijn mijn vrouw en ik gekleed als armen, want ik wilde dit jaar niet meer zijn dan een arme; uit deemoed heb ik mij in de Hospitalité doen opnemen, opdat de Heilige Maagd mij zou rekenen tot de arme ongelukkigen, haar kinderen… Maar, omdat ik niet de plaats van een echten arme heb willen innemen, heb ik vijftig francs bij de Hospitalité gestort, wat, zooals u natuurlijk weet, het recht geeft een zieke op de bedevaart mede te nemen… Ik ken mijn zieke zelfs. Zooeven heeft men hem mij op het station voorgesteld. Het schijnt een teringlijder te zijn, die al ver, heel ver weg is…”

Weer volgde een stilte.

“Moge de Heilige Maagd, die alles kan, ook hem redden. Ik zou gelukkig zijn, als zij mij met haar weldaden overstroomde.”

De drie mannen bleven nog wat doorpraten, eerst over geneeskunde, dan over Romaansche bouwkunst, toen zij op een heuvel een klokketoren zagen, waarvoor alle pelgrims het teeken des kruises gemaakt hadden. Te midden van die arme zieken, te midden van die door hun ellende stompzinnig geworden armen van geest, lieten de jonge priester en zijn twee reisgenooten zich even door hun beschaving medesleepen. Een uur verliep, er waren nog twee liederen gezongen, zij hadden de stations van Toury en les Aubrais achter den rug, toen zij eindelijk bij Beaugency hun gesprek staakten en zuster Hyacinthe in haar handen klapte en met haar heldere, klankrijke stem begon:

“Parce, Domine, parce populo tuo…”1

En het zingen begon opnieuw, aller stemmen vereenigden zich, wederom steeg een vloed van gebeden omhoog, die de pijn verminderde, de hoop opnieuw deed opleven, langzamerhand zich meester maakte van het geheele wezen, dat uitgeput was door het onophoudelijke denken aan de genade en de genezingen, die men zoo ver zoeken ging.

Toen Pierre weer ging zitten, zag hij, dat Marie heel bleek was en haar oogen dicht had; toch begreep hij uit het pijnlijk samentrekken van haar gezicht, dat zij niet sliep.

“Heb je weer meer pijn?” vroeg hij.

“Ja, verschrikkelijk. Ik houd het nooit tot het einde uit. Dat voortdurende schokken…”

Zij kreunde, deed haar oogen weer open. Bijna in zwijm vallend bleef zij naar de andere zieken zitten kijken. In het compartiment ernaast had tegenover mijnheer Sabathier la Grivotte, die tot dat oogenblik roerloos als een doode op haar matras gelegen had, zich opgericht. Het was een groot meisje van een goede dertig, lam en vreemd, met een rond, door pijn vertrokken gezicht, dat echter door haar kroeshaar en haar vurige oogen bijna mooi was. Zij was in hoogen mate teringachtig.

“Wat zou het heerlijk zijn, mademoiselle,” zeide zij, zich met haar heesche, nauwlijks verstaanbare stem tot Marie wendend; “als we eens een klein dutje konden doen. Maar het is niet mogelijk met dat eeuwige gedreun der wielen.”

Niettegenstaande het spreken haar groote inspanning kostte, begon zij het een en ander van zichzelf te vertellen. Zij was matrassenmaakster geweest en had met haar tante te Bercy, van de eene boerenplaats naar de andere trekkend, veel matrassen gemaakt; aan die vergiftige wol, die zij in haar jeugd zelf gekaard had, schreef zij haar kwaal toe. De laatste vijf jaar had zij in verschillende Parijsche ziekenhuizen gelegen. Zij sprak dan ook heel familiaar over de meest bekende doktoren. De zusters van Lariboisière, die gezien hadden, hoe zij geheel in godsdienstige plechtigheden opging, hadden haar geheel bekeerd en haar tot de overtuiging gebracht, dat de Heilige Maagd van Lourdes slechts op haar wachtte, om haar te genezen.

“En dat mag ook wel, want de dokters zeggen, dat ik al één long kwijt ben en dat het met de andere ook zoo heel lang niet meer duren zal. Het zit hem in de holten van de longen, weet u… In den beginne had ik alleen maar pijn tusschen mijn schouders en gaf ik bij het hoesten slijm op. Thans ben ik zoo mager geworden, dat de tranen je erbij in de oogen kwamen. Nou zweet ik maar altijd door en hoesten, verschrikkelijk, maar opgeven gaat niet meer, daar is de slijm te dik voor. En zooals u ziet, staan kan ik niet meer en eten ook niet.”

Een hoestaanval belette haar verder te gaan; haar gezicht werd lijkkleurig.

“Enfin,” ging zij dan weer voort, “ik steek nog liever in mijn vel dan in dat van den broer, die in het compartiment hiernaast zit. Hij heeft precies hetzelfde als ik, maar hij is nog verder weg.”

Zij vergiste zich. Wel lag in de afdeeling achter Marie op een matras een jonge zendeling, broeder Isidore, dien men echter niet zag, daar hij zich geen vinger breed oprichten kon, maar hij was geen teringlijder, doch leed aan een leverontsteking, die hij in Senegal gekregen had. Het was een lange, magere jonge man met een geel, ingevallen, als perkament zoo gerimpeld gezicht. Het abces, dat zich aan den lever gevormd had, was van buiten opengebroken, en de ettering, die met een voortdurende koorts, brakingen en ijlen gepaard ging, putte al zijn krachten uit. Alleen zijn oogen leefden nog, oogen vol onuitbluschbare liefde, wier warme glans zijn gezicht, dat aan den aan het kruis stervenden Christus denken deed, deed stralen, zijn gewoon boerengezicht, dat door zijn hartstochtelijk geloof bij tijden geadeld werd. Hij kwam uit Bretagne en was het laatste, ziekelijke kind van een te talrijke familie; het kleine beetje land had hij aan zijn oudere broers overgelaten. Een van zijn zusters begeleidde hem, Marthe, twee jaar ouder dan hij, en die als dienstmeisje naar Parijs gekomen was; zij hield zooveel van haar jongeren broer, dat zij haar betrekking opgegeven had, om met hem mede te kunnen gaan, ook al gingen daar al haar spaarduitjes mede heen.

“Ik stond op het perron, toen zij hem in den wagon droegen. Vier mannen…”

Maar zij kon niet verder; weer kreeg zij een hoestbui, die haar dwong te gaan liggen. Zij stikte bijna, de roode plekjes op haar wangen werden blauw. Onmiddellijk steunde zuster Hyacinthe haar hoofd en veegde haar lippen af met een doekje, dat zich dadelijk rood kleurde. Op hetzelfde oogenblik wijdde madame Jonquière haar zorgen aan de zieke, die tegenover haar zat. Zij heette madame Vêtu en was de vrouw van een klein horlogemakertje in het quartier Mouffetard, die zijn winkel niet had kunnen sluiten, om met haar mee naar Lourdes te gaan. Om zeker te zijn, dat zij goed verzorgd zou worden, had zij zich in de Hospitalité laten opnemen. Angst voor den dood bracht haar terug naar de kerk, waarin zij sedert haar eerste communie geen voet gezet had. Zij wist, dat zij onherroepelijk ten doode opgeschreven was, weggeknaagd als zij werd door maagkanker; reeds had zij het verwilderde en gele uiterlijk van kankerlijders en gaf zij zwarte fluimen op, alsof zij roet spuwde. De geheele reis door had zij nog geen woord gezegd, haar lippen waren vast op elkaar geklemd, zij leed onuitstaanbare pijnen. Daarna had zij brakingen gekregen en het bewustzijn verloren. Zoodra zij haar mond opende, ademde zij een verschrikkelijken, verpestenden stank uit, die de omzittenden misselijk maakte.

“Dat is niet uit te houden,” mompelde madame de Jonquière, die zich een onmacht nabij gevoelde; “er moet wat gelucht worden.”

Intusschen had zuster Hyacinthe la Grivotte weer op haar kussen gelegd.

“Zeker, we kunnen best een raampje open zetten. Maar niet aan dezen kant, anders krijgt zij daar dadelijk weer een hoestbui… Zet het aan den anderen kant open.”

De hitte werd steeds erger, men stikte bijna in die bedompte, walgelijk-vieze atmosfeer; het was een opluchting, toen er een tochtje binnenkwam. Er was nu weer voor wat anders te zorgen: de zuster maakte de schalen en kommen, waarvan zij den inhoud uit het raampje wierp, schoon, terwijl de diakones den vloer, die door het dreunen hevig schokte, reinigde. Dan weer een andere zorg: de vierde zieke, die zich nog niet verroerd had, een mager meisje, wier gezicht met een zwarte doek omwikkeld was, zeide, dat zij honger had.

“Overhaast u maar niet, zuster,” zeide madame de Jonquière, die reeds naar de zieke toeging. “Ik zal haar brood wel in kleine stukjes snijden.”

In haar behoefte naar afleiding had Marie al een paar malen aandachtig gekeken naar dat door dien zwarten sluier verborgen gelaat. Zij vermoedde, dat zij een open wond in haar gezicht had. Men had haar alleen gezegd, dat het een bonne was. De ongelukkige, Elise Rouquet uit Picardië, had haar betrekking moeten verlaten en woonde te Parijs bij een zuster, die haar slecht behandelde; daar zij verder niet ziek was, had geen enkel ziekenhuis haar willen opnemen. Vroom van natuur had zij reeds maanden lang de vurige begeerte gekoesterd naar Lourdes te gaan. In angstige spanning wachtte Marie, dat de sluier weggenomen zou worden.

“Zijn ze zoo klein genoeg,” vroeg madame de Jonquière op moederlijken toon. “Zou je ze zoo in je mond kunnen krijgen?”

“Ja zeker, madame!” bromde onder den zwarten sluier een heesche stem.

Eindelijk werd de sluier weggenomen; Marie rilde van afschuw. Het was een lupus, die, langzamerhand steeds grooter geworden, den neus en den mond aangetast had, een zweer die zich onder de korsten steeds uitbreidde en de slijmvliezen wegvrat. Het hoofd, dat zich in den vorm van een hondensnuit uitgerekt had, was met het borstelig haar en de groote, ronde oogen verschrikkelijk om aan te zien. Reeds was het kaakbeen van den neus bijna geheel weggevreten, de mond was ingevallen en werd door de opgezwollen bovenlip naar links getrokken als een schuine, vormlooze, onreine spleet. Een bloedig, met etter vermengd slijm vloeide uit de groote, blauw-zwarte wonde.

“Kijk toch eens Pierre!” fluisterde Marie rillend.

Den priester doortrilde eveneens een huivering, toen hij Elise Rouquet voorzichtig de kleine stukjes brood zag steken in de bloedige opening, die als mond dienst deed. De geheele wagon was bij dien vreeselijken aanblik bleek geworden. En dezelfde gedachte steeg op in die met hoop vervulde zielen: O, Heilige Maagd, machtige Maagd, welk een wonder, indien zulk een kwaal genas!

“Kinderen, laten we niet aan ons zelf denken, als we ons goed willen voelen,” zeide zuster Hyacinthe weer.

En zij liet den tweeden rozenkrans bidden, de vijf smartelijke mysteriën: Jezus op den Olijfberg, de geeseling van Jezus, Jezus met doornen gekroond, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend aan het kruis. Dan volgde het lied: “Ik stel mijn vertrouwen in uw hulp, o Maagd…”

Na een reis van drie uur reden zij nu door Blois. Marie wendde haar blikken af van Elise Rouquet en liet ze nu op een man rusten, die in een hoek van het compartiment, waarin ook broeder Isidore lag, zat. Reeds een paar maal had zij hem opgemerkt; hij was nog jong en heel armoedig gekleed en had een dunne, reeds grijzende baard; klein en mager, met een uitgeteerd en met zweet bedekt gezicht scheen hij veel pijn te lijden. Toch bleef hij onbeweeglijk in zijn hoekje zitten; hij sprak met niemand en staarde met zijn groote, wijd geopende oogen strak voor zich uit. Plotseling zag zij dat zijn oogen dichtvielen en hij bewusteloos werd.

Zij riep zuster Hyacinthe.

“Zuster, ik geloof, dat het met dien mijnheer heelemaal niet goed is.”

“Welken heer, kindlief?”

“Die daar met zijn hoofd achterover.”

Het gaf een heele opschudding, alle gezonde pelgrims stonden op om te kijken. Madame de Jonquière kwam op het denkbeeld Marthe, de zuster van Isidore, toe te roepen, dat zij den man op zijn hand moest slaan.

“Vraag hem, of hij pijn heeft!”

Marthe schudde hem zacht heen en weer en vroeg het hem. Maar de man antwoordde niet; hij rochelde slechts en zijn oogen bleven vast gesloten.

Een verschrikte stem riep:

“Ik geloof, dat hij sterven zal.”

De angst werd grooter; men riep door elkaar, aan alle kanten van den wagen weerklonken raadgevingen. Niemand kende den man. Hij had zich in geen geval in de Hospitalité op laten nemen, want hij had niet de kaart met de witte kleur van den trein om zijn hals. Een vertelde, dat hij hem drie minuten voor het vertrek had zien aankomen; hij sleepte zich toen met groote moeite voort en had zich dadelijk laten neervallen in den hoek, waarin hij nu met een uitdrukking van oneindige moeheid lag te sterven. Daarna had hij zich niet meer bewogen. Men zag zijn plaatskaartje in het lint van zijn ouden hoed, die naast hem hing.

Doch zuster Hyacinthe uitte een kreet van vreugde.

“Hij haalt weer adem. Vraag hoe hij heet!”

Opnieuw door Marthe naar zijn naam gevraagd, liet de jonge man slechts een gekreun hooren, een nauwlijks verstaanbaren zucht:

“Ik heb zoo’n pijn!”

En van dat oogenblik af gaf hij slechts dat antwoord. Op alles wat men wilde weten, wie hij was, waar hij vandaan kwam, wat hij mankeerde, waarmede men hem kon helpen, antwoordde hij niet, doch stiet steeds weer denzelfden zucht uit:

“Ik heb zoo’n pijn! Ik heb zoo’n pijn!”

Zuster Hyacinthe werd eenigszins ongeduldig. Als zij maar in hetzelfde compartement geweest was! Zij nam zich voor van plaats te veranderen. Maar de trein zou pas in Poitiers stoppen. De toestand werd steeds erger, te meer daar het hoofd van den man weer achterover gevallen was.

“Hij sterft… hij sterft!” riep dezelfde stem weer.

Lieve God, wat moest men beginnen? De zuster wist, dat een pater van Maria Hemelvaart, pater Massias, zich met het Heilige Oliesel in den trein bevond en steeds gereed was om de stervenden te bedienen, want jaarlijks stierven er op de reis pelgrims. Maar zij durfde niet aan de noodrem te trekken. Ook was in den cantinewagen, die door zuster Saint-François bestuurd werd, een dokter met een kleine apotheek. Indien de zieke Poitiers, waar een half uur rust gehouden zou worden, haalde, zou hem alle mogelijke hulp verleend kunnen worden. Verschrikkelijk zou het zijn, als hij vóór Poitiers stierf. Doch de kalmte keerde eenigszins terug. De man ademde wat rustiger en hij scheen te slapen.

“Te sterven voor je er was,” mompelde Marie rillend, “te sterven vóór het beloofde land…”

En toen haar vader haar gerust stelde:

“Ik heb ook zoo’n pijn, ik heb ook zoo’n pijn!”

“Heb maar vertrouwen,” zeide Pierre, “de Heilige Maagd waakt over je!”

Zij kon niet meer blijven zitten, men moest haar weer in haar nauwe kist leggen. Haar vader en de priester moesten daarbij met de grootste omzichtigheid te werk gaan, want de minste schok ontlokte haar een kreet van pijn. Zij lag er nu zonder te ademen, als een doode, met haar doodsbleek gezichtje, omgolfd door haar koninklijke lokkenpracht. Al vier uur lang reden zij nu reeds. Dat de wagon zoo onbarmhartig heen en weer geschud en geslingerd werd, was een gevolg van het feit, dat deze zich achter in den trein bevond: de koppelstangen knarsten, de wielen rammelden vreeselijk. Door de raampjes, die men genoodzaakt was half open te laten staan, drong het stof scherp en gloeiend binnen; vooral de hitte werd verschrikkelijk, een verstikkende onweershitte onder een rosige lucht, die bedekt was met dikke, roerlooze wolken. Op oververhitte ovens geleken de compartimenten, die rollende hutten, waarin men at en dronk, waarin de zieken in de bedorven lucht, te midden van het oorverdoovende lawaai van weeklachten, gebeden en gezangen, al hun behoeften bevredigden.

Marie was niet de eenige, die zich zieker voelde; ook de anderen leden door de reis. Op den schoot van haar wanhopige moeder, die met haar groote, door tranen verduisterde oogen naar haar keek, lag de kleine Rose roerloos en met zoo’n bleek gezicht, dat madame Maze zich tweemaal over haar heen gebogen had, om haar handjes te voelen, met de vrees die koud te zullen vinden. Ieder oogenblik moest madame Sabathier de beenen van haar man verleggen, zij waren zoo zwaar, zeide hij, dat zijn heupen er pijn van deden. Broeder Isidore had in zijn bewusteloosheid kreten van pijn uitgestooten; zijn zuster had hem alleen verlichting kunnen geven door hem iets op te richten en in haar armen te houden. La Grivotte scheen te slapen, maar een hardnekkige hik liet haar niet met rust, een dun straaltje bloed sijpelde uit haar mond. Madame Vêtu had weer een zwarte, de lucht verpestende fluim opgegeven. Elise Rouquet dacht er niet meer aan de afschuwelijke open wond in haar gezicht te verbergen. De man in het andere compartiment bleef rochelen, alsof hij iedere seconde zou sterven. Tevergeefs spanden madame Jonquière en zuster Hyacinthe al haar krachten in, zooveel kwalen tegelijk konden zij niet verlichten en verzachten. Het was een hel, die wagon van ellende en pijn, die in volle vaart voortsnelde en geschokt werd door het slingeren, dat de bagage, de oude opgehangen kleeren, de versleten, met touwen vastgebonden manden heen en weer deed schudden, terwijl in de achterste afdeeling de tien vrouwelijke pelgrims, de oude en de jonge, allen even leelijk, zonder ophouden in scherpe, jammerende en valsche tonen zongen.

Toen dacht Pierre aan de andere wagons van den trein, van dezen witten trein, die de ernstigste zieken vervoerde: alle rolden zij voort vol van hetzelfde lijden, met hun driehonderd zieken en vijfhonderd bedevaartgangers. Toen dacht hij aan de andere treinen, welke eveneens dien ochtend uit Parijs vertrokken, aan den grijzen en den blauwen trein, die eerder gegaan waren, aan den groenen, den gelen, den rosen, den oranjekleurigen trein, die alle nog volgen moesten. Van het een einde der lijn naar het andere raasden de treinen ieder uur weg. En hij dacht aan de andere treinen nog, die denzelfden dag uit Orleans, uit Le Mans, uit Poitiers, uit Bordeaux, uit Marseille, uit Carcassonne vertrokken. Frankrijk werd op datzelfde uur in alle richtingen door dergelijke treinen doorploegd, die zich alle spoedden naar de Heilige Grot en dertig duizend zieken en pelgrims aan de voeten der Heilige Maagd brachten. En hij bedacht, dat een zelfde menschenstroom ook andere dagen van het jaar naar die plek golfde, dat er geen week voorbijging, waarin Lourdes geen bedevaart zag aankomen, dat niet Frankrijk alleen zich daarheen op weg begaf, maar geheel Europa, ja de geheele wereld, dat in sommige jaren van bijzonder groote godsvrucht, driehonderd duizend, ja zelfs wel vijfhonderd duizend zieken en bedevaartgangers samengekomen waren.

Pierre meende die rollende treinen te hooren, die treinen, welke van overal alle samenkwamen bij dezelfde rotsgrot, waarin kaarsen brandden. Alle rolden zij ratelend voort te midden van smartkreten en het opstijgen van vrome liederen. Het waren de rijdende hospitalen vol wanhopige zieken, het was de wilde jacht van menschelijke ellende naar hoop op genezing, een brandend verlangen naar verlichting en troost bij het toenemend lijden en onder de bedreiging van den snel naderenden dood. Zij rolden, zij rolden steeds door, zij rolden zonder ophouden, de ellende van deze wereld met zich voerend, op weg naar een goddelijke illusie, de gezondheid der zieken en de troosteresse der bedroefden.

En Pierre’s hart vloeide over van een groot medelijden, de menschelijke religie bij zoovele kwalen, bij zoovele tranen, die den zwakken en hulpeloozen mensch verteren.

Hij voelde zich tot stervens toe droef; een oplaaiende barmhartigheid brandde in hem als het onuitbluschbaar vuur van een broederlijke liefde voor alle dingen en voor alle schepselen.

Toen zij om half elf het station Saint-Pierre-des-Corps verlieten, gaf zuster Hyacinthe opnieuw een teeken; en men bad den derden Rozenkrans, de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding van Onzen Heer, de Hemelvaart van Onzen Heer, de Uitstorting des Heiligen Geestes, de Hemelvaart van de Zeer Heilige Maagd, de Kroning der Zeer Heilige Maagd. Dan hieven zij het lied van Bernadette aan, de eindelooze weeklacht van zestig coupletten, waarin steeds het “wees gegroet” als refrein terugkeerde, een zacht wiegen, een langzame obsessie, die zich langzamerhand van het geheele wezen meester maakt en ten slotte in een extatischen slaap doet wegzinken in de heerlijke verwachting van het wonder.

II.

Inhoudsopgave

Nu reden zij door de groene weiden van Poitou, en abbé Pierre, die naar buiten zat te staren, zag de boomen voorbijvliegen, die hij langzamerhand ophield te onderscheiden. Een kerktoren verdween reeds weer voor men hem goed en wel gezien had: alle pelgrims maakten het teeken des kruises. Ze zouden pas om vijf minuten over halfeen in Poitiers zijn; zonder ophouden reed de trein voort in de toenemende afmatting van den onweerzwangeren dag. De jonge priester, die in een diep gepeins verzonken was, hoorde het zingen nog slechts als het in slaap wiegende, langzame deinen van de zee.

Het was een vergeten van het tegenwoordige oogenblik, een ontwaken van het verleden, dat zijn geheele wezen in beslag nam. Hij ging in zijn herinneringen terug zoo ver als hij gaan kon. Hij zag het huis in Neuilly terug, waarin hij geboren was, waarin hij nu nog woonde, het huisje van vrede en arbeid met zijn mooien tuin, waarin enkele boomen stonden; slechts een levende haag en een omheining van struiken scheidden hem van den tuin van het huis ernaast, dat precies als het zijne was. Hij was drie, vier jaar misschien, en hij zag hoe op een zomermiddag zijn vader, zijn moeder en zijn oudere broer in de schaduw van een grooten kastanjeboom zaten te ontbijten. Zijn vader, Michel Froment, had geen bijzonder opvallend gezicht, hij zag hem slechts vaag en onbestemd voor zich, den beroemden scheikundige, die lid van het Instituut was en zich opsloot in zijn laboratorium, dat hij hier in deze afgelegen streek had laten bouwen. Maar zijn broer, den veertienjarigen Guillaume, die juist dien ochtend met vacantie thuis gekomen was, zag hij heel duidelijk voor zich en vooral zijn moeder, zoo zacht, zoo kalm met haar oogen vol ontroerenden deemoed. Later had hij de zorgen en den kommer van deze godvruchtige ziel leeren kennen, van deze vroom-geloovige, die uit achting en dankbaarheid erin toegestemd had te trouwen met een ongeloovige, die vijftien jaar ouder was dan zij en aan haar familie groote diensten bewezen had. Hij, een “nakomertje”, was geboren, toen zijn vader reeds bijna vijftig was, en had zijn moeder niet anders gekend dan als een deemoedige vrouw, onderworpen aan haar man, dien zij hartstochtelijk had leeren liefhebben met de vreeselijke marteling te weten, dat hij verdoemd was. En plotseling rees een andere herinnering in hem op, de verschrikkelijke herinnering aan den dag, dat zijn vader gestorven was, gedood door het ongelukkig springen van een retort. Hij was toen vijf jaar, maar hij herinnerde zich nog de kleinste bijzonderheden, den kreet van zijn moeder, toen zij te midden van de puinhoopen het verminkte lichaam vond, haar schrik, haar jammeren, haar gebeden bij de gedachte, dat God den voor eeuwig verdoemden goddelooze met zijn bliksem vernietigd had. Daar zij zijn papieren en boeken niet durfde verbranden, had zij eenvoudig de studeerkamer, welke daarna door niemand meer betreden werd, gesloten. Van dat oogenblik af had het beeld der hel haar niet meer losgelaten, had zij nog slechts één gedachte gehad: zich geheel meester te maken van haar jongsten zoon, hem streng geloovig op te voeden, hem tot het zoenoffer voor zijn vader te maken. Haar oudste zoon Guillaume, die het lyceum bezocht en reeds geheel onder den invloed van de denkbeelden der eeuw stond, was haar reeds ontgroeid, maar hij, Pierre, de jongste, zou het huis niet verlaten, zou onderwijs krijgen van een geestelijke; en haar stille droom, haar vurige hoop was hem zelf eens priester te zien, er getuige van te zijn, dat hij zijn eerste mis las.

Een ander levendig beeld tusschen groene, met zonnestralen doorplekte takken rees voor zijn geestesoog op. Pierre zag plotseling Marie de Guersaint, zooals hij haar op een morgen door een gat in de haag, die de twee aan elkaar grenzende bezittingen scheidde, gezien had. Mijnheer de Guersaint, van kleinen Normandischen adel, was een architect, die zich graag voor uitvinder uitgaf en toen juist bezig was met het bouwen van arbeiderssteden met kerk en school: een groote, slecht overwogen onderneming, waarin hij met zijn gewone onstuimigheid en zijn onberadenheid van mislukt kunstenaar zijn vermogen van driehonderd duizend francs op het spel zette. Dezelfde vrome godsvrucht had madame de Guersaint en madame Froment samengebracht; maar de eerste was een vastberaden, flinke vrouw, die met ijzeren vuist het huishouden bestuurde en verhinderde, dat de catastrophe te groot werd; zij voedde haar twee dochters, Blanche en Marie streng godsdienstig op, de oudste was reeds ernstig als zij zelf, terwijl de jongste, ofschoon ook heel vroom, toch ook van spel en vroolijkheid hield in haar uitgelaten levensvreugde, die zich ook in haar heerlijk, helder lachen openbaarde. Van jongs af aan speelden Pierre en Marie samen, onophoudelijk kropen zij door de haag, steeds waren de families bij elkaar. Op dien mooien, zonnigen ochtend, waarop hij haar weer zag, zooals zij de takken van de haag uit elkaar boog, was zij reeds tien jaar. Hij was toen zestien en zou den volgenden Dinsdag naar het seminarie gaan. Nooit nog had hij haar zoo mooi gevonden. Haar goudblonde lokken waren zoo lang, dat zij, wanneer ze loshingen, haar geheel bedekten. Hij zag ook haar gezichtje van toen tot in de kleinste bijzonderheden terug: haar ronde wangen, haar blauwe oogen, haar roode lippen, maar vooral haar als sneeuw glanzende huid. Zij was vroolijk en stralend als de zon, een verblindende verschijning; en zij had tranen in haar oogen, want zij wist maar al te goed, dat hij gauw weg zou gaan. Samen waren zij achter in den tuin in de schaduw van de haag gaan zitten. Hun vingers waren ineengestrengeld; zij voelden zich zoo bedroefd. Toch hadden zij elkaar bij hun spelen nooit iets plechtig beloofd, zoo volmaakt onschuldig waren hun zielen nog. Maar op den avond voor zijn vertrek konden zij hun liefde niet verzwijgen, spraken zij erover zonder het te begrijpen, zwoeren zij altijd aan elkaar te zullen denken en elkander eenmaal terug te zullen vinden, zooals men elkaar in den hemel terugvindt, en volmaakt gelukkig te zijn. Dan hadden zij elkaar in hun armen gedrukt, elkaar, onder het schreien van heete tranen, op de wangen gekust. Het was een heerlijke herinnering, die Pierre steeds en overal met zich gedragen had, die hij na zoo vele jaren en na zoovele smartelijke verzakingen nog steeds in zich voelde leven.

Een hevige schok wekte hem uit zijn overpeinzingen. Hij keek den wagon rond en zag in onduidelijke omtrekken de lijdende schepsels: madame Maze, onbeweeglijk, door haar smart vernietigd; de kleine Rose zacht kreunend op den schoot van hare moeder, la Grivotte benauwd door een heesche hoestbui. Even trad de vroolijke gestalte van zuster Hyacinthe met haar witte schort en haar wit kapje op den voorgrond. Het was nog steeds de moeilijke reis met den straal van goddelijke hoop daar in de verte als doel. Dan verdween langzamerhand alles weer in een nevel, die uit het verre verleden oprees; bleef nog slechts over het in slaap wiegende zingen van onduidelijke droomstemmen, die òpklonken uit het onzienlijke.

Van dat oogenblik af was Pierre op het seminarie. Duidelijk stonden de klassen, de speelplaats met haar boomen, hem nog voor den geest. Maar plotseling zag hij, als in een spiegel, niets meer dan de gestalte van den jongen man, die hij toenmaals was; en hij nam haar op, ontleedde haar als de gestalte van een vreemde. Groot en slank, had hij een lang gezicht met een sterk ontwikkeld voorhoofd, hoog en recht als een toren, terwijl zijn dunne kaken uitliepen in een zeer spitsen kin. Hij scheen één en al hersenen te zijn; alleen zijn ietwat groote mond had iets teers behouden. Wanneer zijn ernstig gezicht zich wat ontspande, dan verrieden zijn mond en zijn oogen een eindelooze teederheid, een ongestilden honger om lief te hebben, zich te geven en te leven. Onmiddellijk echter kwam de intellectueele hartstocht terug, die, welke hem verteerde met een begeerte om te begrijpen en te weten. Slechts met verwondering kon hij aan dien seminarietijd terug denken. Hoe had hij toch zoo lang die strenge leer van blind geloof kunnen aanvaarden, hoe had hij steeds zonder onderzoek alles maar in goed vertrouwen kunnen aannemen? Men had een volledige prijsgeving van zijn gezond verstand geëischt, en hij had er zich toe gedwongen, was erin geslaagd het martelende verlangen naar waarheid in zich te verstikken. Ongetwijfeld was hij verteederd door de tranen van zijn moeder, voelde hij slechts in zich de begeerte om haar het gedroomde geluk te geven. Thans echter kwam hem voor den geest, hoe in dien tijd toch wel oproerige gedachten in hem opgerezen waren; vond hij in zijn geheugen nachten terug, waarin hij meer geweend dan geslapen had, zonder dat hij wist waarom, nachten, bevolkt met onbestemde beelden, waarin het vrije en manlijke leven van buiten doordrong, waarin onophoudelijk het beeld van Marie hem verscheen, zooals hij haar een ochtend gezien had, stralend en badend in tranen, hem kussend in volle overgave. Dat alleen was thans overgebleven, de jaren van zijn religieuze studiën met hun eentonige lessen, met hun onveranderlijk blijvende geestelijke oefeningen en ceremoniën verdwenen alle in een nevel, in een onbestemd half-donker, dat vervuld was met een doodsche stilte.

Dan gingen hem, toen ze in volle vaart een station voorbijgereden waren, in het oorverdoovend lawaai van den rit, een menigte dingen in bonte volgorde aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag een groote, eenzame, afgesloten ruimte; hij meende er zich terug te zien op twintigjarigen leeftijd. Zijn droom was echter niet duidelijk meer. Een vrij ernstige ziekte, die hem in zijn studies een heel eind achteruitzette, had hem genoodzaakt naar buiten te gaan. In langen tijd had hij Marie niet gezien, tweemaal was hij met vacantie in Neuilly geweest zonder haar te ontmoeten, want zij was bijna altijd op reis. Hij wist, dat haar gezondheid slecht was tengevolge van een val van haar paard op dertienjarigen leeftijd juist op het oogenblik, dat zij vrouw worden zou; in haar wanhoop ging haar moeder, gehoor gevend aan de tegenstrijdige raadgevingen der geneesheeren, ieder jaar met haar naar een andere badplaats. Toen had hij den zwaren slag vernomen, die haar getroffen had, den plotselingen dood van die zoo strenge, maar voor de haren zoo onmisbare moeder: een longontsteking, die zij op een avondwandeling in la Bourboule gekregen had, toen zij haar mantel uitgetrokken had, om hem Marie, die daar voor een kuur was, om te doen, had haar in vijf dagen weggerukt. Haar vader had zijn van verdriet half waanzinnige dochter en het lijk moeten komen halen. Het ergste was, dat na het overlijden van de moeder, de zaken steeds slechter gingen in de handen van den architect, die, zonder te rekenen, zijn vermogen in den afgrond van zijn ondernemingen wierp. Marie kon niet meer van haar rustbed opstaan, zoodat slechts Blanche overbleef om het huis te bestieren, doch deze werd zelf geheel in beslag genomen door haar laatste examens, die zij wilde doen, om diploma’s te halen, daar zij heel goed inzag, dat er een tijd komen zou, waarin zij zelf haar brood moest verdienen.