Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
De lijst brengt Erin, Charlotte en Max ongewild dichter bij elkaar. De gevolgen zijn dodelijk… Erin werkt als archeologe in Naturalis in Leiden en houdt ervan om de geschiedenis tot leven te wekken via oude botten. Ze is net verloofd en het leven lijkt haar toe te lachen. Charlotte is patissier in Orleans. Taarten bakken is haar passie en ze is zo goed in haar vak dat ze mag meedoen aan een belangrijke wedstrijd. In Milaan tekent modeontwerper Max de mooiste jurk uit zijn carrière. Hij hoopt dat deze jurk het spektakelstuk zal zijn op de catwalk tijdens de fashionweek. Dan wordt Erins geluk ruw verstoord door de plotselinge dood van haar adoptiemoeder. Haar moeder heeft niet de kans gekregen Erin te vertellen over De lijst. De lijst die Erin, Charlotte en Max ongewild dichter bij elkaar brengt en waarvan de gevolgen dodelijk zijn...
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 481
Veröffentlichungsjahr: 2024
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Gebaseerd op ware gebeurtenissen
Wat hebben archeologe Erin uit Leiden, patissier Charlotte uit Orleans en de Milanese modeontwerper Max met elkaar te maken?
Het verband tussen deze drie willekeurige personen wordt langzaam duidelijk als de moeder van Erin onder verdachte omstandigheden overlijdt. Helaas heeft ze niet de kans gekregen Erin te vertellen over De lijst. De lijst die Erin, Charlotte en Max ongewild dichter bij elkaar brengt en waarvan de gevolgen dodelijk zijn...
..
Marelle Boersma is bestsellerauteur van onder andere Vals alarm (meer dan 100.000 exemplaren verkocht) en Ik volg je. Ze baseerde haar nieuwe thriller De lijst op ware gebeurtenissen die het daglicht niet kunnen verdragen en die tot op de dag van vandaag de gemoederen bezig houden.
www.marelleboersma.nl
..
..
..
‘Het waargebeurde aspect is verschrikkelijk. Een indringend verhaal dat de lezer lang bij zal blijven.’ [5 sterren] Wendy Wenning, Vrouwenthrillers
Marelle Boersma
De lijst
..
..
..
..
..
© 2023 Marelle Boersma
Omslagontwerp: Margo Togni
Foto omslag: © Ayal Ardan, Arcangel Images
Verzorging ePub: Michiel Niesen, ZetProducties, Haarlem
..
ISBN 9789461098221
..
Deze thriller is fictie. Namen, personages, plaatsen en gebeurtenissen zijn ofwel het product van de verbeelding van de auteur ofwel fictief gebruikt. Enige gelijkenis met bestaande personen berust geheel op toeval.
..
Dit verhaal is wel gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen die geëtst staan in de geschiedenis van Ierland. Veel geheimen zijn nog steeds verborgen, maar dit is wat er gebeurd kán zijn.
..
Meer informatie over De Crime Compagnie op www.crimecompagnie.nl
1
Erin 2023
Het terrein waar de lichamen begrßaven liggenwordt aangeraakt door de laagstaande zon. Mijn hand zoekt de hand van mijn dochter en ik ben dankbaar dat ik op dit moment niet alleen ben.
‘Kun je het hierna afsluiten, mam?’
Die vraag is al ontelbare keren door mijn hoofd gegaan, maar een antwoord kan ik niet geven.
‘De zwarte bladzijden sluit ik hierna af, maar…’ Er zit een barst in mijn stem, zodat ik eerst moet slikken voor ik verder kan praten. ‘Weet je, lieverd. Ik denk dat het nu pas gaat beginnen.’
Ik voel dat ze me van opzij aankijkt.
‘Nu zal ik hopelijk gaan ontdekken wat er gebeurd is. Of alle theorieën die samenhangen met dit stukje geschiedenis kloppen. Of zij gelijk hebben gehad.’ Ik knik naar de historica die verderop staat om toezicht te houden. De korte haren van Maureen vertonen een rossige glans, waardoor er een stralenkrans om haar hoofd lijkt te hangen. De vrouw naast haar strijkt met haar hand door haar grijze krullen. Zij heeft door haar scherpe blik iets ontdekt wat mijn leven een fikse duw heeft gegeven.
‘Ja, voor hen is het ook een belangrijk moment.’
Mijn dochter heeft alle vijfentwintig jaren van haar leven meegekregen hoe ik op zoek ben geweest naar de waarheid. Naar onze familie. Dankzij ons zijn er namen bekend geworden en er zijn zelfs wetten aangepast, zodat wij onze antwoorden zouden krijgen.
Langzaam schuift er een wolk voor de zon, waardoor de kilte bezit neemt van mijn lichaam. Niet alleen wij krijgen nu onze antwoorden, ook de verantwoordelijken moeten hierna hun verhaal doen.
Ik adem diep door en probeer me voor te stellen hoe de omgeving zo’n dertig jaar geleden was. Kaal en leeg? Of stonden er veel bomen op het terrein? Nu staan er blokken met woonhuizen waar jonge gezinnen leven en hun kinderen spelen. De Ierse bevolking was geschokt door het nieuws dat door Maureen bekendgemaakt werd. De schokgolf dreunde door in heel Europa. Het werd zelfs wereldnieuws.
Bijna dertig jaar eerder
2
Erin – Leiden 1995
Een paar weken geleden heb ik het laatste vinkje gezet. Het bewijs moet nu voldoende zijn om te weten dat Wim de man van mijn leven is. Hij heeft – nog meer dan ik – moeite om over zijn gevoelens te praten. Verder is hij slim, technisch, ambitieus en een nerd. Hij weet bovendien welke wijn goed aangeschreven staat en kan die ook betalen. En – misschien wel het belangrijkste – hij accepteert me zoals ik ben. En ook al duiken er in zijn aanwezigheid geen vlinders op in mijn maag, heb ik geen last van een gebrek aan eetlust en hoor ik niemand over een glimlach die licht geeft, ik heb zijn huwelijksaanzoek geaccepteerd. Soms kijk ik zelfs uit naar zijn gezelschap. Het is steeds minder ongemakkelijk om het over onze aanstaande bruiloft te hebben. Het is een gegeven geworden.
‘Moet jij niet weg?’ Teun, mijn direct leidinggevende komt de ruimte binnen. Een mooie kop op een lang lijf. De kuiltjes in zijn wangen en het knotje achter op zijn hoofd vielen me meteen op. Hij is dan ook een aantal jaren jonger dan ik. Helemaal in het begin vroeg hij of ik daar geen probleem mee had, omdat de functie van onderzoeksleider door iedereen in gedachten al bij mij neergelegd werd. Maar ik trok slechts mijn schouders op. Lekker belangrijk, die leeftijd, in een omgeving waarin we ons elke dag miljoenen jaren terug in de tijd verplaatsen.
Ik veeg de losse steenresten met een kwastje weg en peuter nog een klein stukje los bij het bot van deze mosasaurus. Pas dan kijk ik hem aan en dwalen mijn ogen naar de klok achter hem. Ik haal mijn schouders op, duw een losse pluk haar achter mijn oor en buig me weer over mijn werk.
‘Je hebt toch een afspraak met Wim?’
‘Klopt.’ Ik laat de prepareernaald langs de rand van het bot krassen. Het is altijd fascinerend om te zien dat het bijna altijd precies op de rand loslaat, op de plek waar het bot door een minimaal luchtlaagje van de steen gescheiden is. Helaas breekt het ook weleens dieper af, waardoor sommige botten lichtelijk beschadigd tevoorschijn komen. Toch blijft het bijzonder om op ontdekkingstocht te gaan door de tijd, alsof je door een geschiedenisboek bladert. Elk detail wordt zichtbaar nadat het zo lang verborgen heeft gelegen in de lagen van de aarde. Zoek altijd onder het oppervlak, zegt mijn moeder altijd. Dat ze dit niet letterlijk bedoelt, weet ik best. Toch is het een zin die ik altijd met me meedraag.
‘Hoe is het met je moeder? Heeft ze weer een nieuwe balans gevonden na de dood van je vader?’ De stem van Teun zweeft tussen mij en de lichtkoepel die boven mijn werktafel hangt.
‘Hij lijkt behoorlijk compleet,’ zeg ik, en ik buig achterover om Teun een beter zicht te geven op het fossiel.
‘En jij? Volgens mij had je een goede band met je vader.’ Teun legt een hand op mijn schouder.
Mijn spieren verstijven vanaf mijn schouder tot diep in mijn romp. Mijn gereedschap trilt in het felle licht, zodat ik het neerleg en langzaam uitadem. ‘Ik moet weg,’ zeg ik, waarna ik een doek over het werk leg en de lamp uitknip. ‘Tot morgen.’
‘Tot morgen, Erin. Prettige avond met Wim,’ roept Teun me na.
‘Je hebt een perfect plekje weten te reserveren.’ Ik schuif mijn stoel wat verder aan en leg mijn handen op tafel. Nog geen tel later omvat de warme hand van Wim de mijne. Ik weet dat lichamelijk contact de basis is, dus trek ik mijn hand niet meteen terug.
‘Kwestie van een goed netwerk,’ zegt hij, waarbij hij het laatste woord enigszins arrogant uitspreekt.
Ik glimlach omdat hij met zijn opmerking opnieuw bewijst dat het klopt.
‘Prima contacten, meneer Decker.’
‘Decker met ck,’ voegt hij er met een scheef lachje aan toe. Blonde krullen, een uitgezakte buik die verscholen is achter de tafel.
Buiten staan grote parasols die het terras van stadscafé Van der Werff bijna in zijn geheel afdekken. In de zomer is dit een favoriete plek voor de meeste mensen in Leiden, maar ik ben blij dat het ’s avonds in mei nog te fris is. Het liefst eet ik thuis, maar omdat Wim de plannen voor onze bruiloft wilde bespreken, kon ik er niet onderuit om op zijn voorstel in te gaan.
Het kost me nog steeds moeite om me samen met iemand in het openbaar te vertonen, maar dat zal ik nooit tegen hem zeggen. Het beschermlaagje over de pijn die mijn vorige vriend heeft achtergelaten, moet het nu houden.
Wims huwelijksaanzoek kwam onverwachts. We hadden net bij mij thuis een pizza gegeten, en ik wilde opstaan om de borden naar de keuken te brengen toen hij me tegenhield. ‘Wat dacht je ervan?’ zei hij, terwijl hij me bij mijn elleboog pakte.
Toen ik niet meteen reageerde, gaf hij een uiteenzetting over de tijd die het kostte om steeds naar mij toe te rijden vanuit Den Haag. ‘Bovendien sparen we per maand zevenhonderd gulden woonlasten uit.’
‘Wil je gaan samenwonen?’ Ik dacht aan mijn moeder, die erop aangedrongen had om ‘ja’ te zeggen als hij me zou vragen.
‘Het is slimmer om maar meteen te trouwen.’ De zin bleef even tussen ons in hangen, maar net toen ik iets wilde zeggen, voegde hij eraan toe: ‘Ik verdien genoeg voor ons beiden, dus je hoeft niet te blijven werken.’
‘Laten we dat dan maar doen,’ antwoordde ik. Dat ik bleef werken was voor mij geen discussiepunt. ‘Zal ik koffie inschenken?’
Ook al had ik me een aanzoek anders voorgesteld, ik was trots op mezelf dat ik meteen toestemde. En gek genoeg gaf het me rust. Wim was niet iemand die bij me wegliep, me zou kwetsen of dood zou gaan. Zoals tot nu toe iedereen had gedaan. Behalve mijn moeder.
De glazen wijn worden voor ons neergezet en we pakken ze bijna synchroon op.
‘Waarop proosten we?’ vraagt Wim.
‘Op een spetterende bruiloft.’ Mijn antwoord komt zo snel dat hij in de lach schiet.
Nadat hij met getuite lippen een slokje heeft genomen, dat hij eerst door zijn mond laat rollen, knikt hij waarderend. ‘Prima wijn.’
Ik ben tevreden. ‘Wordt het niet eens tijd om de locatie van de bruiloft vast te leggen?’
Hij humt zachtjes.
‘Heb jij een voorkeur?’
Hij trekt een denkrimpel in zijn voorhoofd, waarbij hij met zijn blauwe ogen over zijn uilenbril tuurt. Daarna ontspannen zijn gezichtstrekken. ‘Een ludieke locatie, een exquis diner, prachtige wijn en een roodharige schoonheid als bruid.’
Ik gniffel zachtjes.
‘En jij, Erin?’
‘Een geheimzinnige bruidsjurk, een bijzondere bruidstaart en onvergetelijke muziek,’ som ik op. Ik heb geen idee waar ik dat allemaal vandaan moet halen, maar als jong meisje had ik deze dromen. Dus wie weet.
‘Nou, dan zijn we het weer helemaal eens. Ik stel voor dat ieder een deel van de bruiloft organiseert, dan is dat geregeld.’ De triomfantelijke uitdrukking op zijn gezicht past bij de praktische en overwogen manier waarop hij in het leven staat.
Ik denk dat het goed komt met ons. En misschien is het wel jammer dat ik hem pas op mijn achtendertigste heb ontmoet.
We bestellen ons eten en geven de menukaart terug aan de jonge ober, een studentikoos type, die voor zijn bijbaantje een wit overhemd en een zwarte pantalon aan moest.
‘Mijn moeder belde nog,’ zeg ik zodra hij weer in de richting van de bar verdwenen is.
‘Wat wilde ze? Steekt ze haar neus weer in een politiek wespennest? Of gaat het over dat grote onderzoek waar ze mee bezig is, iets voor de krant toch?’
Ik speel met het servet, dat ik in steeds kleinere vierkantjes vouw, en denk terug aan het telefoontje dat op een wel erg ongelegen moment kwam.
Nadat ik afscheid had genomen van Teun, kwam ik het hoofd van de afdeling Evolutionaire Processen tegen op de gang. Hij wilde ineens allerlei details met me doornemen die belangrijk waren voor zijn eigen begrip van het ontstaan van leven. Daarna haastte ik me naar huis. Afspraken zijn afspraken en op tijd komen hoorde daarbij.
Ik had net mijn herdershond Banjer uitgelaten en was me aan het omkleden voor mijn afspraak met Wim, toen de telefoon ging. Struikelend, met één been in de pijp van mijn nette pantalon, hinkelde ik door de gang naar de woonkamer, greep de hoorn waarvan het snoer weer eens flink in de knoop zat, en klemde hem tussen wang en schouder.
‘O, hoi mam.’ Terwijl ik naar haar luisterde, trok ik aan de band van mijn broek om hem omhoog te krijgen en maakte de knoop dicht.
‘Heb je vanavond tijd om langs te komen?’
Mijn bewegingen stokten. Normaal vroeg ze eerst hoe het met me ging.
‘Moet dat vanavond?’
Het bleef stil aan de andere kant. Ik telde de seconden en toen ik bij tien was, werd ik onrustig.
‘Mam, is het belangrijk?’ Het zweet brak me uit.
Opnieuw verstreken er een aantal seconden. Mijn moeder was naast enorm nieuwsgierig ook iemand die snel reageerde, omdat haar hersens in een enorm tempo verbindingen wisten te leggen. Zo had ik dat voor mezelf uitgelegd. Daardoor werd het makkelijker om haar te begrijpen. Een eigen interpretatie was uit den boze in de wetenschappelijke wereld, maar dit kon nog net.
‘Mam?’
‘Ik moet je op korte termijn spreken.’
Haar stem klonk anders. ‘Is alles goed met je? Je bent toch niet ziek?’ Het idee dat ik mijn moeder zou verliezen, kneep mijn keel dicht.
‘Nee, ik ben niet ziek. Maar…’ Haar ademhaling was duidelijk hoorbaar.
‘Wim en ik bespreken vanavond de plannen voor onze bruiloft. Maar als je wil dat ik vanavond kom, dan…’
De onderbreking komt snel. ‘Nee, dan komt het morgen wel.’
‘Is alles in orde? Je klinkt anders.’ Ik wilde zeggen dat ze angstig klonk, maar het was zwaarder dan dat. Het was alsof een grote hand mijn hart beetpakte. Als ze me nu details gaf, hielp me dat om een mening te vormen, maar het was niet meer dan een gevoel. Daar kon ik niets mee.
‘Maak je maar geen zorgen. Zal ik morgen naar jou komen? Dat is veiliger… Dat vind ik prettiger,’ voegde ze er na een korte aarzeling aan toe.
Ik ademde lang uit, alsof de onrust vrijgelaten werd. ‘Dat is goed. Kom maar gezellig bij me eten.’ Daarna sloot ik het gesprek af en rende de deur uit.
‘Ze wilde me spreken, dat was alles.’ Ik leg het opgevouwen servetje naast mijn bord.
‘Het zal wel weer over haar werk gaan. Een exclusieve primeur is voor een journalist nu eenmaal belangrijk.’
Ik knik, hoewel ik niet zeker weet wat ze allemaal schrijft. Soms lijkt het alsof ze met heel andere zaken bezig is, niet met een primeur voor de krant. Meer met mij. Maar het is lastig om onder woorden te brengen waarom ik dat nu denk. Dan zou ze dat toch zeggen? Maar ik heb het haar ook nooit gevraagd.
‘Erin, je staat altijd al voor haar klaar. Je mag ook weleens voor jezelf kiezen.’
‘Dat heb ik nu dus gedaan, maar ik vond het moeilijk om haar af te wijzen.’ Ik bind mijn lange rode haren opnieuw in een paardenstaart, vooral om mijn handen iets te doen te geven.
‘Voelt dat zo?’ Wim neemt een slokje wijn.
Die vraag is te moeilijk, dus negeer ik hem.
‘Als het echt urgent was, had ze vast wel aangedrongen. Dus morgen is prima.’
Ons gesprek wordt onderbroken door de ober. Ik weet dat Wim gelijk heeft; het wordt tijd om meer voor mezelf te kiezen. Of misschien vooral meer voor óns. Maar hij vergeet dat mijn moeder en ik nog meer naar elkaar toe gegroeid zijn door de dood van mijn vader.
Zwijgend beginnen we te eten.
‘Voor de ondertrouw hebben we een uittreksel van het bevolkingsregister nodig,’ zegt Wim, terwijl hij zijn mes door de biefstuk laat glijden.
‘Hoe kom je daar ineens bij?’
‘Nou, dat zijn de regels.’
‘Dat weet ik, maar waarom nu ineens?’
Hij prikt een groot stuk vlees aan zijn vork en kijkt me aan. ‘Ik weet niet of je dat moeilijk vindt om aan te vragen.’
‘Nee hoor, geen probleem.’
Hij is een tijdlang aan het kauwen, waardoor het even duurt voordat hij terug is op zijn stokpaardje. ‘Je moeder heeft haar eigen leven. Natuurlijk ben je er als ze het nodig heeft, maar overdreven dankbaarheid is echt niet nodig. Jij hebt er toch niet om gevraagd?’
‘Het is mijn moeder,’ mok ik.
‘Astrid is je adoptiemoeder,’ geeft Wim hard terug.
‘Dat is hetzelfde.’
‘Als het hetzelfde is, hoef je haar ook niet anders te behandelen. Gewone kinderen zijn ook niet overdreven dankbaar voor wat hun ouders voor hen doen.’
Ik leg mijn bestek neer en neem een slok wijn. En nog een. Langzaam voel ik de irritatie zakken. ‘Ik zie niet in waarom niet,’ zeg ik dan, en ik negeer de pijnlijke term.
‘Zij hebben ervoor gekozen, jij hebt ze niet gedwongen om voor jou te zorgen.’
Dit is precies waarom ik Wim waardeer: hij valt altijd terug op de feiten.
‘Ik hou van mijn moeder,’ zeg ik dan simpel.
Wim veegt zijn mond af en pakt mijn handen. ‘Mooi gezegd, maar dat geldt voor alle kinderen.’
Ik wil hem corrigeren, door er gewone kinderen van te maken, maar ik houd me in. Er trekt een duizeling door mijn hoofd. Met alle macht probeer ik beelden weg te drukken die vaker opduiken. Een zwarte jurk, een zware ketting en handen die me vastgrijpen. En pijn. Maar ik weet dat het weer overgaat.
‘Erin?’
Het klamme zweet ligt op mijn voorhoofd.
‘Gaat het wel?’
‘Ja, prima,’ antwoord ik nog voordat ik weer op zijn blik kan focussen.
‘Je bent ineens zo bleek. Ben je druk op je werk? Misschien dat het goed is om meer tijd voor jezelf te nemen. Je moet een gigantische hoeveelheid vrije dagen hebben.’
Ik schraap mijn keel. Het komt de laatste tijd vaker voor dat de beelden van vroeger terugkomen. Komt dat doordat ik ga trouwen? Of heeft het toch te maken met mijn moeder?
‘Het is niet erg om af en toe iets anders te doen. Neem een keer een vrije dag, ga sporten om je conditie te verbeteren of ga schaken om je strategische blik te versterken. En laat die afspraken niet afketsen omdat je moeder je nodig heeft.’
Ik zucht diep. ‘Dat heb ik toch ook niet gedaan?’
Hij laat mijn handen los en prikt het laatste stukje biefstuk aan zijn vork. ‘Zal ik morgen met je meegaan naar je moeder?’
‘Lief dat je dat aanbiedt, maar dat is niet nodig. Ze komt morgen bij me langs.’ Dat ik een onheilspellend gevoel heb, zeg ik niet. Tot nu toe vroeg mijn moeder alleen maar of het goed met mij ging. En nu vroeg ze iets voor zichzelf: ze vroeg om hulp. Alleen dat is al vreemd. En dan die aarzelingen. Haar opmerking dat ze mij moest spreken, op korte termijn ook nog, zorgt voor de bevestiging: er is iets aan de hand. Iets ernstigs. Mijn moeder heeft me nodig.
3
Erin – Leiden 1995
Met een luide kreun til ik de zware boodschappentas op het aanrecht. Een snelle blik op de keukenklok leert me dat het een goede keuze is geweest om voor een simpele maaltijd te kiezen. Het is al halfzes, dus mijn moeder kan er elk moment zijn. Zes uur eten is een afspraak die we ooit gemaakt hebben, en die is daarna nooit aangepast.
‘Ja ja, jij bent eerst aan de beurt,’ zeg ik tegen Banjer, die hongerig om mijn benen draait. Ik vul zijn etensbak, waarna hij erop aanvalt alsof hij al dagen niets gehad heeft.
Dan richt ik me op het bereiden van de maaltijd. De bloemkool snijd ik snel in losse stronkjes en ik kruid het vlees. Mijn moeder is gek op een karbonade, dus de keuze voor vlees was niet zo moeilijk.
Nog geen tien minuten later pruttelt het vlees in de boter en neem ik eindelijk tijd om voor mezelf een kop thee te maken. Ik zet de radio aan en neurie gezellig mee.
Natuurlijk was het druk bij het gemeentehuis, waardoor ik zelfs overwoog om meteen rechtsomkeert te maken. Maar ik had Wim beloofd om de benodigde documenten op te halen zodat we in ondertrouw konden gaan. Toen daarna de ambtenaar van de burgerlijke stand me waarschuwde dat dit weleens een flinke kluif kon zijn, omdat adoptieouders vaak niet weten dat ze zelf actie moeten ondernemen om de geboorteakte naar Nederland te krijgen, zakte de moed me helemaal in de schoenen. Maar uiteindelijk kostte het minder dan een halfuurtje voordat de vrouw vol verwondering een papier omhoogstak.
‘U hebt zeer slimme adoptieouders, mevrouw Reinders. Zij hebben alles goed uitgezocht van tevoren. Kijk, hier hebt u de benodigde papieren.’
De envelop brandt in mijn tas. Vreemd eigenlijk dat ik nooit eerder aandacht heb besteed aan mijn afkomst. Ik was geadopteerd toen ik nog jong was. Punt. Mijn ouders waren schatten, dus waarom zou ik interesse tonen in mijn biologische ouders die mij niet wilden hebben?
Maar nu ik zelf ga trouwen en het in principe mogelijk is dat ik zelf moeder word, borrelen de vragen langzaam op. Waarom staat een moeder haar kind af? Wie is mijn vader? En weet hij van de adoptie af? Heeft mijn biologische moeder ooit spijt gekregen of is ze misschien zelfs naar mij op zoek gegaan?
De zachte miezerregen vormt een grijze nevel, waardoor de wereld achter matglas lijkt te liggen. Terwijl ik naar buiten staar, duikt een totaal andere vraag op: leeft ze nog wel? Nooit eerder heb ik bedacht dat ze overleden kan zijn.
Een triest waas duwt tranen in mijn ogen, terwijl ik mezelf voorhoud dat er in feite niets veranderd is aan mijn situatie. Ik héb een moeder. En die is onderweg hiernaartoe. Ik heb een goede baan, een eigen huis en ik ga trouwen. Dat zijn bewezen ingrediënten voor een gelukkig leven.
Terwijl ik in de aardappels prik, laat de gedachte me toch niet los. Ben ik een weeskind? Ben ik daarom geadopteerd?
Met een blik op de klok – tien voor zes – trek ik de brief uit mijn tas en maak hem open. Mijn ogen vliegen over de regels. Mijn adem zet zich vast boven in mijn longen. Ik herken mijn voornaam en Nederlandse achternaam, en opgelucht zie ik dat mijn geboortedatum klopt. Dan haken mijn ogen zich vast aan een ander kopje: ouders. Achter de naam van de vader staat: onbekend. Achter de naam van de moeder, waar de toevoeging achter staat ‘uit wie het kind is geboren’, staat: Mary Monaghan.
‘Mary Monaghan,’ fluister ik. Mijn moeder, mijn biologische moeder dus. ‘Dus ik heet feitelijk Erin Monaghan,’ zeg ik tegen mezelf. Het klinkt vreemd, alsof mijn identiteit niet klopt.
Langzaam laat ik het papier zakken. Ik weet nu dat ik vanavond ook vragen heb voor mijn moeder. Eerst zal ik haar laten praten, maar daarna wil ik meer weten over mijn biologische ouders. Niet om mijn moeder het gevoel te geven dat ik niet dankbaar ben voor wat ze voor mij gedaan hebben, maar omdat ik het wil weten. De feiten moeten nu eenmaal kloppen. Bovendien wil ik weten of ze nog leeft, of Astrid weet wat de reden is voor de adoptie en ook of ze Mary Monaghan misschien ontmoet heeft.
Het is halfacht geweest als ik haar voor de achtste keer bel. En ook nu krijg ik geen gehoor.
‘Waar zit je, mam?’ vraag ik me hardop af. De eerste keren dacht ik nog dat ze misschien toch verwachtte dat ik naar haar huis kwam, maar nu weet ik niet meer wat ik moet denken. Het eten is allang koud geworden; de karbonades liggen als droge lappen leer in de boter. Eigen schuld, mam. Dan moet je maar op tijd komen.
Na de eerste irritatie – ik heb me dus voor niets zo gehaast – begin ik me toch wel zorgen te maken.
Zou ze zo verdiept zijn in haar werk dat ze de tijd vergeten is? Hoewel ik het me niet kan voorstellen, kies ik toch het nummer van haar werk. Net als ik wil ophangen, komt er een reactie.
‘Hallo?’ Een mannenstem.
‘Je spreekt met Erin Reinders.’ Ik hoor zelf de korte aarzeling voordat ik mijn achternaam uitspreek.
‘O, hallo Erin. Kan ik je ergens mee helpen?’
‘Is Astrid misschien nog aan het werk? Het zal niet de eerste keer zijn dat mijn moeder de tijd vergeet,’ voeg ik er lacherig aan toe, hoewel dat niet helemaal klopt.
‘Je moeder? Nee, nu je het zegt. Ik heb haar eigenlijk de hele dag nog niet gezien.’
Een zwaar gevoel ploft in mijn maag, toch lukt het me om op een normale manier afscheid te nemen. Maar als ik heb opgehangen, blijf ik een tijdlang naar de telefoon staren, waar naast de druktoetsen vieze vegen zitten door het veelvuldig gebruik.
Niet op haar werk.
Al de hele dag niet.
Niet thuis.
Waar is ze?
De deurbel laat me opspringen. Een gil ontsnapt me.
‘Jeetje, mama. Gebruik gewoon de sleutel,’ mopper ik voor me uit, terwijl ik naar de hal loop. Maar door het geribbelde glas van de voordeur zie ik twee personen staan. Ik aarzel slechts kort en open dan de deur.
‘Bent u de dochter van mevrouw Reinders?’
‘Ja?’ Mijn mond is in één klap kurkdroog.
‘Mogen we even binnenkomen?’
4
Charlotte – Orléans 1995
Ze is een van de zestien, en straks de enige vrouw.
‘Nog één dag,’ mompelt Charlotte. Vandaag is de laatste kans om te oefenen met de technieken, zodat ze straks tijdens de wedstrijd niet voor grote verrassingen komt te staan.
Met haar beide handen leunend op het werkblad, haar ogen gesloten, neemt ze elke stap van het ingewikkelde proces door. Ze kan het dromen, heeft zelfs tot op de minuut een tijdschema gemaakt, maar ze weet als geen ander dat tijdschema’s de neiging hebben om gigantisch uit te lopen.
Elke vier jaar is er de mogelijkheid om mee te doen met de belangrijkste wedstrijd in haar vak, de Meilleur Ouvrier de France. Vier jaar geleden was ze als patissier geselecteerd voor deze prestigieuze titel.
Charlotte opent haar ogen om het beeld van het gebroken suikerwerk uit te bannen. Het gevoel van falen was op dat moment bijna niet te dragen geweest. Het gebeurde op de derde en laatste dag. Alle losse versieringen lagen klaar om erop te plakken, ze wilde het suikerwerk alleen iets opschuiven om zichzelf ruimte te geven. Het gekraak sneed door haar hart. Ze hoorde uitroepen om zich heen. Iedereen verstijfde ter plekke. Alleen zijzelf bewoog en duwde zo hard op beide oren dat het pijn deed. Het jurylid dat al die tijd om haar werkplek heen draaide, ademde hard en diep in.
Ze had maar een paar seconden nodig, daarna begon ze opnieuw. Ze wist dat kandidaten met lef en doorzettingsvermogen opvielen. Dat was haar enige kans. Maar het ontwerp was veel te complex om opnieuw te maken.
‘Je kunt nog meedoen. Hou het klein, maar zorg voor onderscheidende vormen,’ zei de man naast haar.
‘Merci,’ was het enige wat ze kon uitbrengen.
Toen ze opkeek zag ze tranen in zijn ogen glanzen. Toen wist ze weer dat hij hier ook gestaan had, en diezelfde prestatiedruk had gevoeld. Er waren meer patissiers die faalden. En het opnieuw probeerden. En uiteindelijk de felbegeerde titel mof kregen.
Pas toen ze zag dat het jurylid zijn eigen medaille op haar werktafel legde, brak ze bijna. Haar hersens draaiden in een noodtempo. Wat kon ze in zo’n korte tijd nog maken?
Het bleek onmogelijk. De tijd was als een tegenwind waar niet tegenop te fietsen viel.
Gelukkig was Faye, die als een moeder voor haar was, mee naar Lyon. Zij steunde haar tot de uitreiking van de mof’s.
‘Draag ook een verlies met trots. Alleen al meedoen met deze wedstrijd is een eer die velen niet eens bereiken,’ zei ze.
Ergens zat nog een sprankje hoop dat ze bij de chocola en het gebak voldoende had gepresteerd. Maar toen ze op het podium stond, werd haar naam niet genoemd. Het was voorbij. Ze moest aanzien hoe vijf van haar collega’s wél de befaamde kraag in de Franse driekleur omgehangen kregen. Ze klapte natuurlijk voor ze. En op het moment dat ze de trotse glimlach op het gezicht van de nieuwe mof’s zag, nam ze zich voor om terug te komen.
Nu is het zover. Vier jaar verder, vier jaar lang oefenen en steeds haar receptuur aanpassen om opnieuw de mogelijkheid te krijgen om geselecteerd te worden als deelnemer aan deze wedstrijd.
Op het moment dat ze hoorde dat ze bij de selectie zat, was de angst haar lijf binnengeslopen. Maar Faye had zo hard gejuicht dat Charlotte het niet over haar hart kon verkrijgen om die angst met haar te delen.
‘Is het niet verstandiger om vandaag rust te nemen, chérie?’ Faye steekt haar hoofd om de hoek van de deur.
‘De suikerrozen glanzen nog niet genoeg,’ antwoordt Charlotte.
Faye komt naast haar staan en legt een arm om haar schouders. Ze is klein en smal geworden, maar als een echte Française netjes gekleed en opgemaakt.
‘Ik weet dat je het kunt. Denk maar aan de weg die je al bewandeld hebt in je leven.’
De trots in haar stem raakt Charlotte. Ze wil haar bedanken, maar Faye draait zich net om.
‘Ik neem de winkel op me, zodat je vandaag nog kunt oefenen. Als er iemand een vechter is, ben jij het. Je verdient dit meer dan wie dan ook.’ En weg is ze.
Terwijl haar handen automatisch de ingrediënten bij elkaar pakken, begint ze te kneden. Dit is haar passie, en ze zal nooit vergeten hoe de basis hiervoor is gelegd.
Ze was vijftien, weggelopen en hongerig. Die nacht sliep ze in een schuur, waar ze dankbaar was voor de berg hooi in de hoek. De kou was hierdoor te dragen. Het geritsel van de muizen knisperde gezellig in haar oren en ze voelde zich beschermd en veilig. Die nacht sliep ze dieper dan ooit tevoren.
Pas toen er een zonnestraal tegen haar oogleden kietelde, werd ze loom wakker. Door haar knorrende maag realiseerde ze zich dat ze eten moest zien te vinden. Het water uit een regenton was niet genoeg. Op de eerste dagen van haar vlucht had ze zich verstopt in de glooiende velden van West-Ierland, waar de dorpjes ver uit elkaar lagen en ze makkelijk kon verdwijnen. Soms had ze mazzel en vond ze een boomgaard. Uiteindelijk dreef de honger haar naar wat dichter bewoonde gebieden.
Het gaf haar een heerlijk gevoel om zelf te kiezen waar ze heen kon gaan, en het gevoel van vrijheid leek te groot voor haar borstkas. Ze ademde diep in en richtte haar gezicht naar de zonnestralen, die in juni al lekker warm aanvoelden. Gelukkig was het droog. Ze nam uitgebreid de tijd om haar kleding te ontdoen van elk grassprietje dat ze kon vinden. Vooral haar wollen vest zat vol met hooi. Met haar vingers kamde ze haar donkere haren, waarbij ze nog steeds restjes hooi tegenkwam.
De woonwijk waar ze doorheen liep, bestond uit grote huizen met vrolijke bloemen in de tuin. Heel anders dan de plek waar ze vandaan kwam. Bij de eerste huizen was ze weggejaagd. Nu stond ze voor een villa waar witte lakens in de zon wapperden. Hier zou ze aanbellen, besloot ze.
Ze vlocht haar donkere krullen in een lange vlecht, pulkte met een dun stokje de zwarte randen onder haar nagels uit, streek zo veel mogelijk de harde plooien uit haar kleding, en belde aan. Een vrolijk muziekje kondigde haar komst aan. Met grote ogen nam ze alle details in zich op. Haar hart bonkte in haar borstkas en ze likte aan haar lippen.
De deur ging open net toen ze voor de zoveelste keer haar kleding probeerde te fatsoeneren.
‘Goodmorning, love.’ De vrouw was gekleed in een wit uniform met gekrulde ruches langs de randen.
Verlegen tastte ze met haar blik de vrouw af tot ze bij haar gezicht kwam. Er lagen lachrimpeltjes naast de grijsblauwe ogen en ze glimlachte naar haar.
‘Goodmorning, ma’am.’ Ze likte opnieuw over haar lippen. De woorden bleven steken op haar te droge tong en haar blik vluchtte naar beneden.
‘Wilde je wat vragen?’ Nooit eerder had ze een stem gehoord die zo zangerig klonk.
‘Ik… Ik zoek werk. En ik dacht… Weet u misschien…’ Ze stotterde de woorden zachtjes naar buiten.
Het bleef zo lang stil dat ze niet omhoog durfde te kijken, bang dat ook deze engel van een vrouw veranderde in een kenau met een harde stem en kille ogen.
‘What’s your name, dear?’
De angst kneep haar hart samen. Ze nam een diepe ademteug en zei toen: ‘Ch-Charlotte.’
‘Well, Charlotte. Heb je misschien zin in een kopje thee?’
Langzaam ging de deur verder open. Ze knikte en bleef daarmee doorgaan toen de vrouw haar aanmoedigde om vooral binnen te komen.
In de keuken stond een schaal koekjes op tafel. En terwijl het gas het water in de ketel liet zingen, durfde ze er niet naar te kijken, omdat ze bang was te onbeleefd te zijn.
‘Neem maar.’ De vrouw knikte naar de schaal.
‘Thank you, ma’am.’
‘Je mag me Sue noemen.’
Charlotte pakte een koekje, knabbelde er een stukje af en stopte hem al snel helemaal in haar mond. Het was het lekkerste koekje dat ze ooit geproefd had. Ze bleef naar de schaal staren tot het gegniffel haar opviel.
‘Volgens mij heb je trek. Neem maar zoveel je wilt.’
Sue zette een grote mok thee naast haar neer, terwijl Charlottes kaken de goddelijke koekjes vermaalden. Na haar vijfde koekje keek ze verschrikt op. Ze veegde wat kruimels van haar mond en boog haar hoofd.
‘Je lijkt op mijn kleindochter,’ zei Sue, waarbij de warmte Charlotte omhulde.
‘Hoe oud is ze?’
‘Dertien, een echte puber en net zo’n zoetekauw als jij. Hoe oud ben jij?’
Charlotte zette opnieuw haar adem vast. ‘Achttien. Net geworden,’ voegde ze er snel aan toe.
De stilte hing in de gezellige keuken, waar Sue tegenover haar aan de grote houten tafel was gaan zitten. In de servieskast stonden kopjes met roze roosjes erop en een stapel borden met hetzelfde motief.
‘Wat voor werk zoek je precies?’ Sue slurpte van haar thee.
‘Dat maakt niet uit. Ik…’ Ze zweeg, omdat ze wist dat ze haar mond heel snel voorbij zou praten.
‘Heb je ervaring met huishoudelijke taken?’
‘Zeker! Daar ben ik goed in. Ik kan koken en schoonmaken. Ik wil alles aanpakken.’ Ze gooide de woorden eruit.
Sue grinnikte. ‘Pas maar op met wat je belooft.’ Ze nam een paar snelle slokjes achter elkaar en vervolgde toen: ‘Sommige huishoudelijke taken worden te zwaar voor me. Mijn knieën willen niet meer.’
Het was voor het eerst dat Charlotte glimlachte. ‘Ik ben het gewend om in de keuken te helpen, om tegels te schrobben en de was te doen.’
‘Ik zal een goed woordje doen bij mevrouw Faye,’ beloofde Sue. ‘Je komt precies op het goede moment. Komend weekend geeft het echtpaar weer een van hun vele etentjes. Dan heb ik zeker hulp nodig.’
Charlotte schrikt van het luide gekraak. Als ze voor zich kijkt, ziet ze dat het suikerwerk tussen haar vuisten is verkruimeld.
‘Merde!’ vloekt ze. Dit mag haar morgen niet overkomen. Ze moet haar focus houden en haar gedachten niet af laten dwalen naar wat er ooit is gebeurd. Dat is voorbij. Het is zelfs meer dan dertig jaar geleden. Toch heeft die tijd een enorme impact op haar bestaan gehad. Als ze toen niet dát huis had uitgekozen om aan te bellen, en als Sue toen niet zoveel last had gehad van haar knieën, en als Faye niet de allerliefste vrouw was geweest die ze ooit ontmoet heeft, dan was haar leven heel anders verlopen.
‘Je leek zoveel op mijn kleindochter. Daarom kon ik je niet wegsturen,’ vertelde Sue later.
Charlotte zucht en veegt alle resten bij elkaar en begint opnieuw. ‘Die glans moet ik erin brengen,’ mompelt ze. En zodra ze het zegt, weet ze niet of ze het over haar suikerrozen heeft of over haar leven.
5
Charlotte – Orléans 1995
De tweede dag zit er bijna op. Veel voorbereidingen zijn al gedaan, ook voor de bruidstaart die ze morgen, op de laatste dag, zal bereiden. Het is zenuwslopend dat twee van de juryleden al uren om haar heen zwermen.
‘Denk je aan de tijd, Charlotte?’ Een van hen buigt zich over haar werkbank, waardoor ze zo schrikt dat een van haar crèmetoefjes scheefzakt.
Ze wil vloeken, maar houdt zich in. Met een mesje schraapt ze het toefje eraf en poetst de ondergrond schoon, zodat er niets meer van te zien is.
‘Nog vijf minuten,’ hoort ze een ander jurylid door de ruimte galmen.
Ze is een van de laatsten die nog bezig is. De laatste drie toefjes draait ze soepel op hun plek, ze legt de zak opzij en rent naar de vriezer, waar ze haar chocoladevorm in gelegd heeft om hard te worden. Met een vlam warmt ze de buitenkant op, waarbij ze moet oppassen dat de chocola niet smelt.
‘Ik moet het risico nemen,’ prevelt ze. Er is geen tijd om behoedzaam te werk te gaan. Snel breekt ze de vorm eraf. Tot haar opluchting komt de chocola er in zijn geheel uit.
‘Je moet je kunstwerk nú wegbrengen,’ waarschuwt het jurylid dat naast haar is blijven staan om haar op de vingers te kijken.
‘Ik weet het.’ Ze ziet de vorm trillen als ze hem voorzichtig tussen de toefjes plaatst, waar hij gelukkig precies in het midden blijft balanceren.
‘Aan de kant!’ Het hoofd van de jury maakt de weg voor haar vrij.
Nog één minuut. Ze heeft geen tijd om behoedzaam te bewegen. En dus pakt ze het blad in haar handen, tilt het op en loopt met snelle passen, haar knieën gebogen om zo weinig mogelijk op en neer te bewegen, naar de presentatieruimte.
‘Snel, Charlotte.’ Een collega staat bij de plek waar ze haar kunstwerk moet neerzetten.
‘Dix, neuf…’
Ze staat nu voor de tafel en ziet haar kunstwerk vervaarlijk naar voren hellen.
‘Quatre, trois…’
Ze houdt haar adem in, corrigeert de draagplank en zet het gevaarte neer.
‘Allez, de tijd is om.’
Haar spieren staan strak, haar handen houdt ze nog uitgestrekt om het kunstwerk te kunnen opvangen, mocht het dreigen te vallen. Maar na een paar keer wiebelen, staat het uiteindelijk stil.
Een applaus klinkt achter haar.
‘Goed gedaan. Je hebt het gered. Net op tijd.’ De kreten van haar collega’s én de jury dringen nu tot haar door.
Een giebelend lachje ontsnapt aan haar trillende lippen. Ze wrijft met haar handen over haar schort en voelt hoe klam ze zijn. De tweede dag zit erop.
Achter haar vertelt het hoofd van de jury hoe laat ze de volgende ochtend naar binnen mogen voor de voorbereidingen, en tot hoe laat ze de tijd krijgen.
‘De laatste dag, messieurs. Et madame.’ Hij knikt apart naar haar. ‘Pak je rust, en tot morgen.’
Charlotte veegt een losse pluk haar opzij die onder haar koksmuts tevoorschijn piept. In haar hoofd maakt ze lijstjes met wat ze allemaal morgen nog moet doen. Het is veel. Te veel?
Terwijl ze haar werktafel leegmaakt, de spuitzak met gestolde chocola opruimt en daarna met de afwas begint, weet ze dat ze met haar bruidstaart de grootste kans heeft op de rood-wit-blauwe boord. Het bruidspaartje dat als een opvallend modern stel boven op de bruidstaart moet stralen, had ze allang af willen hebben. Helaas. Daarmee moet ze morgen dus beginnen. Dan is ze nog fris en kan ze met volle concentratie de moeilijke vorm in elkaar vouwen. Die creatie zal de aandacht van de jury trekken. En hopelijk blijft er daarna voldoende tijd over voor de rest.
Een traan duwt in haar ooghoek. ‘Ik kan het,’ mompelt ze, en ze veegt over haar ogen.
Als er iemand een vechter is, ben jij het.
De woorden van Faye.
Ze heeft alles aan Faye te danken. Het ontwikkelen van haar vaardigheden tijdens alle etentjes, de mogelijkheden om in de patisserie ervaring op te doen, en als laatste haar naam. Ze is Charlotte Moreau en daar is ze trots op.
Ze was net eenentwintig geworden toen Faye haar bij zich riep. Geen uitleg, alleen een tijd waarvan Faye wist dat ze normaal gesproken vrij was. Ze werkte al jaren in het huis van Faye en haar man Sean, waar ze naast het werk in huis ook steeds meer naar Faye toe trok. Ze scheelden ongeveer twintig jaar in leeftijd, maar Faye vroeg haar steeds vaker om samen een kop thee te drinken. Charlotte kreeg het idee dat ze niet gelukkig was en zocht naar een manier om haar eenzaamheid geen kans te geven.
Charlotte streek haar witte schort glad en stapte de kamer van Faye binnen.
Fayes gezicht lichtte op toen ze haar zag. ‘Kom binnen, dear.’ Er zat een schor randje aan haar stem, waardoor Charlotte haar wat beter bekeek. Was ze bleker dan anders, of lag dat aan de laagstaande novemberzon die door het zijvenster scheen?
‘Wat kan ik voor je doen?’
‘We moeten praten.’ Faye draaide zich van haar af, en haar krullen hingen net zo glanzend over haar schouders als anders.
Charlotte liep de kamer in en pakte de haarborstel.
‘Nee, niet nu. Ik moet… We moeten praten.’
‘Heeft het met mij te maken?’ Charlotte voelde dat de angst zich in haar maag vastzette. Wat moest ze doen als ze ontslagen werd?
‘Kom, we gaan naar de zitkamer.’
Als een mak lammetje volgde ze haar de brede trap af naar de hal, waar de plavuizen glansden in het licht van de kroonluchter. De vragen buitelden door haar hoofd. Waren Sean en Faye niet tevreden over haar? En waar was Sue? Die had ze de hele ochtend nog niet gezien.
Misschien had ze Faye in vertrouwen moeten nemen dat Sue haar taken niet meer kon dragen, en dat zij haar best deed om alles over te nemen om die lieve oude Sue te ontzien. Maar Sue was als een moeder en een oma tegelijk voor haar. Nooit zou ze haar in een slecht daglicht stellen en over haar geringe werkkracht klagen. Toch was het nauwelijks te doen om het grote huis – met maar liefst zes slaapkamers, een zitkamer, bibliotheek en de werkkamer van Sean – in haar eentje schoon te houden. En dan had ze het nog niet eens over de was en het koken.
Gisteren nog was Sean tegen haar uitgevallen, toen ze zijn kantoor wilde schoonmaken maar de man totaal onverwachts achter zijn indrukwekkende houten bureau aantrof. Sinds hij vaker buitenshuis werkte, had hij vaste momenten waarop hij zijn sigaar rookte: meteen na de koffie en na het avondeten. De laatste maanden was hij veel afwezig. ‘Om zijn zaken te regelen,’ zei Faye altijd.
Nu wilde ze dat ze hem meteen alleen had gelaten. Maar in plaats daarvan stamelde ze een excuus en was ze met de stofdoek aan de kast vol snuisterijen begonnen.
‘Weg. Ik wil je hier niet zien!’ schreeuwde hij totaal onverwachts.
Met geen woord had ze hierover tegen Sue gerept, maar nu wenste ze dat ze Faye in vertrouwen had genomen.
‘Koffie?’ had Faye gevraagd voordat ze de deur opende.
‘Yes, please.’
‘Ga maar vast naar binnen.’
Charlotte liep de zitkamer binnen, waar Sean in zijn leren leunstoel zat. Er kringelde rook omhoog. Ze staarde onthutst naar de sigaar die hij tussen duim en wijsvinger geklemd hield. Faye hield er niet van dat hij hier rookte.
Zonder iets te zeggen bleef ze bij de deur staan. Onrustig wachtte ze tot Faye met de koffie binnenkwam. Ze zag tot haar verbazing dat Faye gekozen had voor de kopjes met gouden randjes. Het servies voor als er visite kwam. Charlotte zag haar trillen tijdens het inschenken, en ze wilde dat zij die taak op zich had genomen.
Charlotte pakte het kopje aan en nam snel een eerste slokje om haar droge mond te bevochtigen. Daarna keek ze beurtelings naar Sean, die opnieuw een trek van zijn sigaar nam, en naar Faye, die met smalle lippen strak voor zich uit keek.
‘Sean moet je iets vertellen.’ De stem van Faye klonk onnatuurlijk laag.
‘Bent u niet tevreden? Gaat het over gisteren? Ik wist niet…’ Haar stem brak. ‘Ik zal nog beter mijn best doen.’
Sean wierp een vernietigende blik op Faye, duwde zich omhoog uit de fauteuil en liep met grote passen de kamer uit, waarbij zijn leren zolen boos knerpten op het geboende hout. Op het moment dat de deur van zijn kantoor dichtviel, zag Charlotte Fayes schouders naar voren zakken. ‘Sean wil van me scheiden. Hij heeft een ander.’
Met grote ogen staarde Charlotte naar de smalle vrouw voor haar. Waar moest ze heen als Faye haar wegstuurde?
Trots bekijkt Charlotte het bruidspaar op haar taart. Het is precies zo geworden als ze wilde. Alles heeft ze binnen de tijd kunnen afronden. Maar of het goed genoeg is, dat is aan de jury. Het is niet eens haar eigen wens om zich te meten met anderen. Ze doet mee aan deze wedstrijd voor Faye. En hoe zuur zou het zijn als ze net met de bruidstaart onderuitgaat? Ze kennen beiden de waarde van het huwelijk.
‘Over een halfuur wordt u op het podium verwacht,’ geeft de voorzitter van de jury aan de zestien deelnemers door. Er wordt opgelucht gebabbeld, op elkaars schouders geslagen en voorzichtig gelachen. Niemand weet of het gelukt is, de enige die meer zekerheid hebben, zijn de twee patissiers bij wie het misgegaan is.
Ze loopt naar de toiletten en kijkt in de spiegel. Ze zet haar koksmuts af en haalt het elastiek uit haar vlecht. Met vertrouwde bewegingen draaien haar vingers de donkere haren in een nieuwe vlecht. Ze strijkt de losse haren die er zoals altijd eigenwijs uit springen naar achteren en zet de koksmuts er weer overheen. Snel werkt ze haar lippen bij en strijkt met haar wijsvinger over haar smalle wenkbrauwen. Het witte kraagje zet ze stevig omhoog. Stel je voor dat ze straks die felbegeerde blauw-wit-rode kraag ontvangt, dan mag ze die altijd dragen. Faye zal vast trots op haar zijn.
Het liefst zou ze nu naar huis willen rijden, Faye willen knuffelen, en verdwijnen in die vertrouwde geur die haar altijd een warm gevoel van veiligheid geeft. Toch moet ze nog wachten tot vanavond in de hotelkamer voordat ze haar alleen maar kan bellen. Charlotte weet dat Faye niet wil dat ze vanavond nog terugrijdt naar Orleans, een autorit van zo’n zeshonderd kilometer met een hoofd dat tolt van vermoeidheid.
De zaal is volgelopen met familieleden en belangrijke mensen uit de patisseriewereld. Ze blijft enigszins achteraan staan, tot ze een ober ziet rondlopen met een blad met glazen.
‘Een glas wijn, madame?’
Fransen twijfelen nooit of een glas wijn wel kan als je een lege maag hebt of misschien moeier bent dan anders. Dus knikt ze en pakt een glas.
‘Hebt u misschien een glas water erbij?’
‘Water?’ De wenkbrauwen schieten omhoog. ‘Maar natuurlijk. Wilt u met of zonder bubbels?’
‘Zonder, graag.’
‘Eén moment, s’il vous plaît.’
Dan is het zover. Haar wijnglas blijkt ineens leeg te zijn, haar hoofd wiebelig en haar mond nog droger dan eerder. Het water moet kennelijk nog getapt worden.
‘Mag ik alle deelnemers verzoeken op het podium te komen?’ Een stem schalt door de microfoon.
Langzaam schuifelt ze achter haar collega’s aan tot ze in een lange rij op het podium staan. De koepelvormige zaal zit vol applaudisserende mensen, er klinkt gejoel. Charlotte blijft achter de anderen staan en richt haar blik op het balkon met een balustrade. Daar zit niemand, dat is dus veilig.
‘Ik ga bekendmaken wie zijn gekozen tot Meilleur Ouvrier de France in patisserie.’ De voorzitter zwijgt even. De groep deelnemers staat met strakke gezichten naast elkaar. Geen bravoure, geen gelach, zelfs geen woorden van spijt. ‘Ik noem de namen in alfabetische volgorde.’
Charlotte snuift de lucht door haar neus diep naar binnen en ademt uit door haar mond.
‘Ik had ze graag alle zestien genoemd, maar zoveel namen heb ik hier niet. Helaas…’ Zijn stem breekt.
Charlotte beseft dat deze man weet wat ze doormaken. Ooit stond hij hier zelf ook zenuwachtig te zweten in afwachting of zijn naam genoemd zou worden. Ze wist dat hij drie keer eerder een gooi naar de titel had gedaan, tot hij hem uiteindelijk bemachtigde.
‘Gekozen tot Meilleur Ouvrier de France 1995 zijn…’
De namen worden steeds gevolgd door een daverend applaus. Bij sommige klinkt gejoel, wat haar een kleine glimlach ontlokt. Ze weet dat de partners van de deelnemers net zo betrokken zijn, net zo nerveus, en dat dus ook de ontlading net zo groot is.
Na vijf namen wacht de voorzitter even. Hij ademt een aantal keren zwaar en zegt dan: ‘Meer staan er helaas niet op mijn lijstje.’
Het is alsof hij de schuld niet op zijn schouders wil dragen. Het lijstje is heilig, het lijstje is belangrijk, niet zijn eigen stem. Langzaam komt de groep in beweging. De winnaars voorop, hun gekleurde boord trots om hun nek. Zij sluit de rij.
Al die uren oefenen, al die materialen, al die dagen dat Faye voor haar heeft ingevallen. Het is weer niet gelukt. Wat zal Faye teleurgesteld zijn. Met die felbegeerde boord hoopte ze dat ze iets terug kon doen voor alles wat Faye in het verleden voor háár gedaan heeft. Nu moet ze met lege handen naar huis. Als een mislukkeling.
6
Erin – Leiden 1995
De stilte in de woonkamer hangt zwaar om me heen. Ik weet dat ik adem, rondloop, zelfs iets te drinken aanbied, maar toch lijkt het leven weggelekt. De gordijnen hangen bewegingloos langs de planten. Ze filteren het zonlicht dat me volkomen misplaatst probeert te bereiken.
De woorden van de twee politiemensen draaien rondjes door mijn hoofd, alsof er geen uitgang te vinden is. Uw moeder is vanmiddag dood aangetroffen in haar woning. De vrouwelijke agent blijft me aanstaren, de man zit op het uiterste randje van mijn leren bank en leunt met zijn ellebogen op zijn knieën.
Dood aangetroffen.
‘Hoe weet u dat het mijn moeder is?’ vraag ik.
De antwoorden komen weloverwogen en tonen geen vluchtmogelijkheid.
Als ze uiteindelijk vertrokken zijn, lukt het me niet om stil te blijven zitten. De plek tegenover me toont nog steeds de contouren van die irritant rustige agent die mijn leven voorgoed veranderde.
Zelfmoord.
Ik schud mijn hoofd. De combinatie van mijn levendige moeder en een zelfverkozen dood is onmogelijk. Toch wijzen alle gevonden details in die richting. De pillen, het glaasje water en de manier waarop mijn moeder op de bank lag: compleet ontspannen met haar hoofd comfortabel op een kussen. Geen sporen van inbraak. De bewijzen voor zelfdoding zijn overduidelijk aanwezig.
Opnieuw probeer ik het laatste gesprek met haar terug te halen. Had ik het kunnen weten? Wat zei ze ook weer?
Ik moet je nu spreken.
Nee, dat zou mijn moeder nooit zeggen. Het was genuanceerder, toch?
Heb je vanavond tijd?
Ja, zoiets was het. En ik had haar afgewezen. Wel herinner ik me dat ik nog gevraagd heb of ze misschien ziek was. Maar dat was niet zo. Zei ze in ieder geval. Of was ze wel ziek, maar wilde ze me niet ongerust maken? Maak je maar geen zorgen. Dat heeft ze ook nog gezegd, weet ik ineens. Ze denkt altijd aan mij, aan mijn welzijn. Ze wil niet lastig gevonden worden. Zo is ze.
Zo wás ze.
‘Fuck.’ Mijn vuist laat ik hard op de buffetkast neerkomen. En nog een keer. Ik voel een plotselinge woede branden in mijn maag. Waarom, mama? Alles in me komt in protest. De kennis van mijn moeders karakter en mijn gevoel spreken dezelfde taal. Zelfdoding. Dat kan niet. Toch liegen bewijzen nooit.
Ik wend me af van de drie fotolijstjes die door mijn uitbarsting omgevallen zijn. Ik hoef ze niet rechtop te zetten om te weten wat erop staat. Het geluk dat door het glas heen schroeit en elke keer mijn hart verwarmt. Mijn ouders die elkaar stralend aankijken, mijn vader met mij als peuter op zijn linkerknie, en mijn moeder en ik. Die laatste foto is van twee jaar geleden. Dat is het enige wat ik nog van ze heb: herinneringen.
Maak je maar geen zorgen.
Waarom heeft ze me niet verteld dat ze wanhopig was? Dat ze dit van plan was?
Nee, ik ben niet ziek.
‘Nee, ik ben niet ziek,’ prevel ik. ‘Nee, ik ben niet ziek.’ Het is alsof er meer in die zin verborgen ligt dan ik op dat moment heb gehoord. Waar lag de klemtoon? Die verandert de betekenis, nu ik het woordje ‘maar’ erachter denk.
Het maakt nu niets meer uit. Had ik maar beter geluisterd en tussen haar woorden naar de onderliggende boodschap gezocht. Maar ik had haast om op tijd te komen voor een etentje. Lekker belangrijk.
Terwijl ik me op de bank laat zakken, gaat Banjer naast me liggen met zijn grote kop op mijn been. Ik grijp naar mijn hoofd waarin de duizelingen opdoemen. Alweer. Met kracht knijp ik mijn ogen dicht en duw tegen die zwarte beelden die me iets laten voelen. Als emoties de overhand nemen, raak ik mezelf kwijt. Nooit meer.
Nu pas besef ik dat ik iets voorvoeld heb. Waarom ben ik er anders met Wim over begonnen? Maar hij schoof het weg. En ik liet hem voorgaan, óns voorgaan.
Als het echt urgent was, had ze vast wel aangedrongen.
Ik pak het fotolijstje op en staar in haar zachte ogen. ‘Waarom heb je niet aangedrongen, mama?’
Ineens weet ik wat me dwarszit. Ze heeft nóg iets gezegd. Iets wat wel degelijk aangaf dat er iets niet in orde was.
7
Erin – Leiden 1995
Met mijn vingers masseer ik mijn slapen, waar een geniepige pijn steeds meer terrein wint. Mijn moeders huis klinkt holler dan anders. Geen gezellig gerinkel van kopjes, geen geneurie uit de keuken. Het is stil in het bovenhuis dat ze sinds een aantal jaren bewoonde. Ik wist niet eens dat ze slaappillen had. Mijn verstand ontkent nog steeds alles. Ze leeft nog. Hoewel ik haar zonet in het rouwcentrum heb achtergelaten. Het lichaam was vrijgegeven, omdat het overduidelijk was.
Maar voor mij is niets duidelijk, tenzij ik het met eigen ogen heb gezien. Daarom ben ik hier en kijk rond of er iets veranderd is. Mijn voetstappen klinken hol in haar woonkamer, die keurig opgeruimd is. Ze was heel georganiseerd. Die gestructureerdheid heb ik van haar, heb ik mezelf altijd voorgehouden.
Of heeft ze juist alles netjes opgeruimd voordat ze koos om in te slapen? Het is gewoon haar woonkamer, maar dan zonder een ziel. Koud en te stil. Het uitzicht op de gracht is veranderd; Leiden ligt er troosteloos bij.
Wim heeft me de eerste dagen ongelooflijk goed opgevangen. Hij bleef bij me omdat het zo hoorde. En hij kookte voor me omdat ik moest eten. Hij bood ook aan om mee te gaan naar haar huis, maar deze ontmoeting met haar leegte moet ik in mijn eentje doen.
Mijn blik schiet langs alle bekende hoekjes. De edelstenen uit Duitsland, de fossielen uit Zuid-Engeland, en blijft hangen op de plaat waarop pootafdrukken van een kleine dinosaurus afgebeeld staan. Die had ze gevonden tijdens een van de laatste gezamenlijke vakanties. Het was prettig om te merken dat het haar ook boeide hoe die dieren in het verleden geleefd hadden. Hoe hun botten een levensverhaal konden vertellen, of juist lieten zien hoe ze aan hun einde waren gekomen. ‘Botten spreken,’ zei ze dan.
Ik zweeg altijd, omdat het een te gemakkelijke conclusie was. Ooit zouden er inderdaad grote ontdekkingen kunnen plaatsvinden, daar was de film Jurassic Park ook op gebaseerd. Als je het dna uit botten of ander bewaard gebleven weefsel kon identificeren, zou de kennis van onze evolutie met grote stappen toenemen. Misschien was het dan zelfs ooit mogelijk om uitgestorven dieren weer tot leven te wekken. Dit gegeven leverde altijd lange gesprekken op, waarbij ik bleef vasthouden aan de feiten: het is niet mogelijk. Maar mijn moeder vond het juist leuk om te speculeren, en vooral ook te fantaseren.
‘Denk je eens in wat dat kan betekenen,’ zei ze dan, waarbij haar ogen sprankelden.
‘Onmogelijk,’ was mijn respons. ‘Het kan niet.’
‘Nu nog niet, lieverd. Maar ik denk dat de toekomst veel geheimen gaat prijsgeven die je je nu niet kan voorstellen.’ Ze keek dan ineens zo serieus dat er een rilling over mijn rug liep.
In de keuken is zelfs het glas dat ze als laatste heeft gebruikt omgespoeld en weggezet. ‘Alleen haar eigen vingerafdrukken staan erop,’ hadden ze gezegd.
Ik leun met mijn rug tegen het aanrecht en denk na. Nergens is iets te ontdekken wat vreemd is of beschadigd is. Ik wilde zoveel vragen stellen – Is er ingebroken? Is het roofmoord? – maar ze doen het af als zelfmoord. Zelfs nu ik met eigen ogen zie dat er bij geen enkel slot, raamkozijn of deurpost een beschadiging is, blijven de vragen in mijn hoofd spoken. Het is nooit bij me opgekomen dat ze zelfmoord zou willen plegen. Maar nu kan ik niet anders dan accepteren dat dit haar keuze is.
Haar keuze wás.
Ik strijk met mijn vingers langs de boeken in haar kast en schuif voorzichtig de la open waar ze haar documenten in bewaarde. Alles is netjes geordend in hangmappen die stuk voor stuk gelabeld zijn. Verzekeringen, bonnetjes, belastingen. Mijn ogen vangen nog meer termen, waarbij één mijn blik iets langer vasthoudt: mijn adoptiepapieren. Dan schuif ik de la dicht. Dat komt later wel.
