Noor - Lisette van de Heg - E-Book

Noor E-Book

Lisette van de Heg

0,0
9,95 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
  • Herausgeber: E.C Books
  • Sprache: Niederländisch
Beschreibung

Een gezellig avondje uit, gevolgd door een fataal ongeval. De hoogzwangere Nora verliest haar kind en loopt littekens op die nooit zullen verdwijnen. Er is maar één schuldige en dat is degene die in zijn dronkenschap het ongeluk veroorzaakt.


Twee geliefden, hun huwelijk en het ongeluk. Nora richt zich op gerechtigheid en vergelding, maar dat is niet wat Job zoekt. Hij verloor niet alleen zijn zoon, maar ook zijn vrouw. Met zijn kunst probeert hij te herstellen wat kapotging.


Niemand kan zich voorbereiden op zware tegenslagen, niemand kan oefenen of voorspellen hoe je reageert als het ergst denkbare je overkomt.


Waar de een wegduikt, zoekt de ander het licht op.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern

Seitenzahl: 371

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Noor

Lisette van de Heg

Noor

Copyright © 2022 E.C. Books, BarneveldAlle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzijelektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.ISBN 978 94 9328 3015NUR 301

www.lisettevandeheg.nl

Eerst komt het wachten, het verheugen, leunend tegen lage muurtjes

dan komt het voorgevoel van hoe-nu-verder

daarna het hoe-nu-verder zelf

Judith Herzberg

Uit: Zoals, Judith Herzberg, Amsterdam 1992

Proloog

JOB

Met de achterkant van mijn penseel tik ik geïrriteerd tegen het doek, dan begin ik te ijsberen. Een gewoonte die Nora maar al te goed kent. Ze kijkt direct op.

‘Zit je vast?’

Ik wil eigenlijk geen antwoord geven, maar ze heeft natuurlijk gelijk. Langzaam knik ik.

‘Misschien kan ik je helpen.’ Ze vouwt haar benen onder zich vandaan en rekt zich uit voordat ze langzaam opstaat.

‘Nee, dit keer niet.’

Ik neem de beslissing in een opwelling. ‘Dit mag je pas zien als het af is.’

‘Wat?’ Ze gooit haar handen in de lucht. ‘Moet ik hier al die tijd zitten zonder ook maar te zien waar je mee bezig bent? Mooi niet.’

‘Inderdaad.’ Ik besluit dat ik zal zorgen dat ik het op tijd af heb, zodat ik het haar kan geven zodra ons kind geboren is. Ze smeekt, maar ik geef niet toe. Ze lacht, komt dichterbij en probeert halfslachtig om langs de ezel te komen. Ik stap opzij en houd haar tegen. Verfvlekken op haar armen.

‘Job!’

Ze slaat haar hand voor haar mond, maar haar ogen lachen. Ik heb zin om de verf verder uit te smeren en laat mijn penseel vallen om haar gezicht in mijn hand te kunnen nemen.

‘Je wordt steeds mooier zo.’

‘Viespeuk.’

We lachen en we zoenen. Er zit voldoende verf aan mijn vingers om overal afdrukken achter te laten. Nora gilt, dan bukt ze zich en pakt het penseel van de grond. De haren kriebelen op mijn wang, in mijn oor, mijn hals, voordat het me lukt om het penseel uit haar handen te wringen. Ik laat het weer vallen en omhels mijn vrouw.

‘Je moet aan het werk,’ zegt Nora uiteindelijk, en ze duwt me van haar af. Ze stapt terug naar haar plekje op de bank en krult zich op in de hoek. Ik buk me, pak het penseel van de vloer en bekijk de haren, die vies zijn geworden.

‘Hoe moet ik zitten?’

Ze houdt haar hoofd scheef en rolt met haar ogen.

‘Precies goed zo.’

Ze verandert van houding, strekt haar benen voor zich op de vloer en zakt steeds verder onderuit. Tot haar gezicht nog net boven de bobbel van haar buik heen tuurt.

Ik laat mijn vieze penseel voor wat het is en pak een stuk houtskool om dit beeld vast te leggen. Met een paar snelle halen schets ik haar en sla tegelijkertijd het beeld zo goed mogelijk in me op. Cartoontekenen is niet mijn gewoonte, maar op dit moment is Noor de personificatie van de cartoon, dus ik teken haar buik als een berg zo groot, met de navel, die door de stof van haar trui heen zichtbaar is, er bovenop. Haar haren, verward en piekerig, de vegen verf op haar gezicht. Ik heb niet in de gaten dat ze me roept, totdat haar stem boos begint te klinken.

‘Job.’

Ik kijk naar haar op.

‘Help me overeind.’ Ze gromt een beetje en ik zie dat ze worstelt, haar gezicht loopt rood aan.

‘Sorry Noor.’ Ik sjor aan haar logge lijf en het lukt haar om weer overeind te komen. Ik ga naast haar zitten op de bank en kus haar wang, net boven de gele afdruk van mijn vingers op haar kin.

‘Kan die weer?’

Ze knikt en steekt haar tong naar me uit. ‘Waarom zoek je geen andere muze, iemand die lenig is en elke houding kan aannemen die je maar wenst?’

‘Omdat ik jou heb.’

Ze zwijgt en ik pak mijn penseel en schilder haar zoals ik haar zie: vol leven en liefde. De korte onderbreking heeft me gebracht waar ik net niet kon komen. Ik weet precies hoe ik verder moet, nu Noor me weer aan het lachen heeft gemaakt. Af en toe kijk ik naar haar, over de rand van het doek heen en dan zie ik hoe ze op de bank zit te staren. Een volmaakt beeld van serene rust. Haar hand op de bolling van haar buik en ik stel me voor hoe ze communiceert met het kind daarbinnen. Ons kind.

De tijd verglijdt zonder dat ik het in de gaten heb en ik werk in opperste concentratie, maar ineens is het weg en voel ik me leeg. Ik sluit mijn tubes en maak mijn penselen schoon. Alles binnen een paar tellen.

‘We gaan uit eten.’

Nora schrikt op en is direct enthousiast.

‘Goed idee. Lekker snacken.’

‘Nee, vandaag niet. Laten we luxe doen. We gaan naar een goed restaurant en nemen het er lekker van.’

Ze aarzelt slechts een seconde en knikt dan. Ik loop naar haar toe en help haar van de bank.

‘Het kan nog net. We hoeven geen oppas te regelen.’

Ze grijnst. ‘Van mij mag hij vandaag nog komen hoor.’

‘Na het eten dan,’ zeg ik.

Ze fronst, maar knikt toch. ‘Oké, na het eten.’

Ik loop voor Nora uit naar de trap, vastbesloten om haar op te vangen als ze zou vallen.

‘Een restaurant, hè,’ zegt ze halverwege de trap, ‘waar hebben we dat aan verdiend?’

Ik geef geen antwoord, maar neem haar mee naar de slaapkamer, badkamer, help haar uitkleden, we moeten eerst douchen. De verf stroomt als tranen van Nora’s gezicht.

Ze is prachtig en ik kus haar.

NORA

Het restaurant is slechts een omlijsting van ons geluk. We kruipen zo dicht mogelijk bij elkaar, onze benen in elkaar verstrengeld, onze ogen op elkaar gericht. We lachen omdat ik geen carpaccio durf te nemen. Job neemt ook niet, uit solidariteit.

Ik kies voor een caesarsalade, Job neemt een gerechtje met zalm en dille vooraf. Ook het hoofdgerecht kies ik met zorg uit, alles goed doorbakken. En in plaats van een fles wijn, nemen we een karaf water.

De snelwegverlichting trekt aan ons voorbij, trekt strepen in de donkere lucht, gevormd door onze snelheid. Ik geniet van het autorijden, van de regen die op het dak tikt en het donker dat ons omringt. We zijn een klein eilandje in een grote zee. Op elkaar aangewezen, van elkaar afhankelijk.

Job houdt zijn ogen strak op de weg gericht, zoals altijd geconcentreerd op het verkeer, zelfs nu er bijna niemand op de weg is.

‘De inhoud van deze auto is nu nog kostbaarder.’

Ik lach, omdat hij mijn gedachten kent, en leg mijn hand op Jobs been. Iedere aanraking een gebed op zich.

Het knipperlicht klikt, we verlaten de snelweg met een scherpe bocht naar rechts en rijden naar het kruispunt. Ook hier is geen verkeer. Toch staat het verkeerslicht op rood en als we wachten, kijkt Job me een moment aan.

‘Ik hou van je, Noor.’

‘Ik van jou.’

Vanuit mijn ooghoeken zie ik het licht van rood naar groen verspringen. Job merkt het ook. Hij kijkt weer voor zich en trekt op, we steken over en zijn nu bijna thuis.

De snelle flits van rechts beukt op me in. Geen tijd voor angst.

Of schrik. Pijn.

‘JOB!’

Ik moet mijn kind beschermen. Duik in elkaar. Pijn.

De auto tolt. Rond en rond. De kleuren van de lantaarns en de verkeerslichten vloeien in elkaar over. Cirkelen rond in mijn hoofd.

Mijn hoofd.

Scheurende geluiden, gekraak, geschreeuw. Iemand schreeuwt. Mijn naam?

Langzamer, een klap. Ik schiet naar voren en opzij. Het rondtollende licht staat stil. De regen trekt oranje strepen op het raam.

Nee, niet. Het raam is versplinterd. Regendruppels op mijn gezicht. Bijtend. De regen slaat me tegen mijn wang. Ik beweeg mijn hand om te voelen – plakkerig bloed op mijn gezicht, een glassplinter prikt in mijn vinger.

Job?

Geluiden naast het portier. Een hand veegt glasscherven weg, tinkelende muziek op het asfalt.

‘Nora!’

Het portier gaat open.

‘Kom Noor. Kom!’

Mijn hand zoekt haar eigen weg en vindt de knop van de gordel. Het lukt me niet om te duwen, mijn vingers buigen krachteloos door, als slaapvingers. Ik breng mijn andere hand ook naar de knop en met veel inspanning weet ik kracht te zetten. De haak laat los en ik ben vrij.

‘Kun je bewegen, Noor?’

‘Ja. Ja.’ Mijn stem rammelt.

Alles doet het nog. Ik heb alleen last van de venijnige regen. Die blijft slaan. Tegen mijn wang. Maar de regen zal weer ophouden.

Ineens sta ik naast de auto, ik zak door mijn knieën. Job ondersteunt me en komt op zijn knieën naast me zitten.

‘Noor, je gezicht. Je bloedt.’

Ik schud mijn hoofd, want ik weet zeker dat het niet erg is.

Een oppervlakkige snee, meer kan het niet zijn.

Hij legt zijn hand op mijn buik, warm en veilig. Daarbinnen is het veilig, dat moet.

‘Je buik?’ Zijn stem is een fluistering, ik voel de angst en duw het weg.

Ik knik. Hij kust me, opgelucht. Een korte kus op mijn lippen, mijn voorhoofd, dan neemt hij afstand.

‘We moeten bij het andere wrak kijken. 112 bellen. Bel jij, dan ga ik kijken.’

Ik knik en Job laat me los. Mijn handen trillen, maar ik laat hem gaan om bij die ander te kijken. Ik red me wel.

Ik besef plotseling dat zijn telefoon altijd in zijn broekzak zit en dat die van mij ergens, in mijn tas, in onze auto ligt.

‘Je mobiel.’ Mijn stem breekt in pijnlijke stukken, maar Job heeft me gehoord.

Hij komt terug en geeft me zijn mobiel. Job loopt weg naar het wrak.

Het apparaatje voelt glibberig en ik merk het bloed op als ik 112 intoets. Er zit bloed aan mijn handen, maar dat geeft niet. We mogen blij zijn dat we er uitgekomen zijn.

De woorden die ik tegen de hulpverlener zeg, komen met moeite over mijn lippen. Ik laat me geruststellen door de vrouw aan de lijn die me verzekert dat er snel hulp zal komen, maar de regen, de regen blijft me slaan. Nu ook tegen mijn buik.

Waarom regent het vanavond?

Ik ga op mijn zij liggen in het natte gras en sla mijn arm beschermend om mijn buik.

Job. Job, de druppels slaan me. Job? De mobiel is te zwaar, mijn vingers redden het niet langer. Ze slapen alweer. De stem van de vrouw ketst af op de grond en splintert uiteen.

Nacht en regen verdwijnen. Job?

JOB

De andere auto – witte bestelbus – registreer ik, is een onherkenbare hoop staal. Ik ren er naartoe. Bang voor wat ik zal aantreffen.

Dan schiet plotseling een vlam de lucht in en ik sta een moment stil, ren de laatste meters. De hitte van het vuur vermengt zich met hete schrik in mijn lichaam. Ik heb enkele momenten nodig om de situatie in me op te nemen. De wagen heeft niet langer een bumper. Het portier aan de bestuurderskant is ingedeukt en als ik probeer het te openen, merk ik dat er geen beweging in komt. Overal ligt glas. Ik kijk naar binnen.

Zie niemand. Waar?

De hitte en de rook doen me twijfelen. Nog eens kijken. Ik steek mijn arm naar binnen door het kapotgeslagen raam, tast over de bestuurdersstoel.

Er is niets.

Ik ren om de auto heen om ook de andere stoel te controleren. Het vuur beneemt me de adem, en de hitte schroeit mijn keel. Ik ruk het portier open en kijk in de auto.

Niemand. Waar dan?

Ik haast me weg bij het brandende wrak en ontsnap aan de hitte. De bestuurder moet uit de auto geslingerd zijn. Geknetter van het vuur, gierende remmen en een auto die stopt.

Er stapt iemand uit, een mobiel aan zijn oor.

Hoeft niet, wil ik zeggen, mijn vrouw heeft al gebeld. Waar is Noor? Ik kijk naar onze eigen auto en zie daarnaast een donkere massa. Is Noor gaan zitten?

De man rent naar me toe, zijn ogen groot.

‘Zit er iemand in?’

Ik schud mijn hoofd. ‘Eruit geslingerd, denk ik.’

De regen stroomt ongenadig op ons neer, plassen rond mijn voeten. Ik wil terug naar Noor, ik vertrouw het niet.

‘Ik moet naar mijn vrouw.’ De man knikt en loopt in een cirkel om het brandende wrak. Ik ren bij hem weg, naar Nora, maar een geluid trekt mijn aandacht en ik kijk opzij. Een lichaam op de grond, het gezicht een bleke vlek.

Ik moet wel neerhurken.

Het is een man, jongen nog eigenlijk. Hij ligt op zijn rug, heeft zijn ogen wijd open en staart naar boven. De regendruppels lijken tranen op zijn gezicht.

‘Heb je pijn?’

Zijn ogen schieten opzij, staren dan weer omhoog.

‘Wazegje?’

Ik ruik alcohol.

Mijn stem, hees door de rook, maar hard door de nacht. ‘Hier! Hij is hier.’

Ik moet naar Nora.

‘Zat er nog iemand bij je in de auto?’

Een hoog gejank, als van een wolf. Niet alleen regen, maar ook dronkenmanstranen. De jongen rolt zich om, zijn rug naar me toe, hij legt zijn arm onder zijn hoofd alsof hij van plan is te gaan slapen.

‘Hé, jij.’ Ik trek hem aan zijn schouder, rol hem terug op zijn rug en probeer hem in zijn ogen te kijken. ‘Was er nog iemand bij je?!’ Ik schud hem ruw door elkaar.

De andere man komt aanrennen en hurkt bij ons neer. Ik hoor sirenes en zie de blauwe lichten.

‘Hij is hartstikke zat,’ zeg ik. ‘Houd hem vast.’

De man doet wat ik zeg en knikt. ‘Ga naar je vrouw.’ De ambulance staat stil en ik ren naar Noor.

Ze is vast in orde. Zij en de baby. Ze moeten in orde zijn.

NORA

Mijn lijf willoos op een brancard. De regen slaat met beukende kracht op mijn gezicht en lichaam. Laat het stoppen.

Stemmen die om me heen klinken. Woorden die ik niet herken. De lichten van de ambulance, het geluid van de sirene. Ze praten tegen me, stellen vragen die ik niet kan beantwoorden. Dan neemt iemand mijn hoofd in zijn handen en wikkelt me in met verband. Om mijn kin, over mijn hoofd. Ik raak gevangen in het verband, mijn hoofd opgesloten als in een motorhelm. Mijn ademhaling gaat snel, oppervlakkig. Ik voel me benauwd en mijn spieren zijn gespannen.

Job, waar is hij?

Ik wil mijn hand naar hem uitstrekken, zijn aanwezigheid voelen. Drijf dan weg in een zee van licht en kleur. Mijn handen beschermend over mijn buik.

Felle pijn. Ik zie de pijn, als flitsen voor mijn ogen. Diep vanbinnen rukt het gevoel op, snijdt door me heen en laat me weer met rust.

De ambulance rijdt hard, zo hard. Onverantwoord. Doe rustig aan, wil ik zeggen. Kalm, voordat er iets gebeurt. Open mijn ogen.

Job?

We komen tot stilstand, de deuren gaan open en er zijn mensen. Ze trekken me uit de auto, wieltjes onder de brancard, een lange gang.

‘Kaakfractuur, mogelijk nekletsel.’ Lichten waar ik onderdoor gereden word.

‘Ze is zwanger.’

‘Stabiliseren.’

‘Andere fracturen? Hartslag?’

Ik weet wat er gebeurt als ik opnieuw de felle pijn voel, die door mijn lichaam trekt. Ik wil me op mijn zij rollen, mijn knieën optrekken, maar ik word tegengehouden.

Job, Job? Je moet hier zijn. De baby komt. Precies zoals we hadden afgesproken, Job, na ons etentje. Precies zoals we hadden afgesproken. Job.

Piepende apparaten, een zak met infuusvloeistof. Of is het bloed? Geven ze mij bloed? Ik weet het niet. Een prik in mijn pols, infuusnaald.

Pijn.

Een wereld die de mijne niet is.

Mijn gedachten worden ongrijpbaar, herfstbladeren in de wind. Ik probeer ze te pakken, bij elkaar te houden en te vormen tot woorden, zinnen die ik begrijp.

Drie woorden, één gedachte. Onze. Baby. Komt.

JOB

Nora weet nog van niets, ze ligt op het bed en ik mag naast haar zitten tot ze wakker wordt. Ik heb mijn handen om haar rechterhand gevouwen en wacht op een teken van leven. Mijn ogen glijden over haar lichaam en dan naar haar gezicht.

Tranen trekken stille sporen over mijn wangen. Ons kind is weg en Nora is verminkt. Haar wang is voor een deel afgedekt met verband, maar het gedeelte van haar huid dat ik kan zien, is opgeblazen en bontgekleurd.

Iemand heeft me uitgelegd wat ze allemaal hebben moeten doen. De kaken zijn aan elkaar vastgezet vanwege de complexe breuken, de wonden in haar gezicht gehecht. Ik heb geluisterd en geknikt, maar niets drong goed tot me door. Dat komt later wel, wilde ik roepen, laat me nu eerst bij mijn vrouw.

En nu ben ik bij haar en in mijn hoofd glijdt het beeld van deze nieuwe Nora over de ontelbare schetsen die ik van haar gemaakt heb. De moeder die ik voor me zag, verdwijnt in nevelen en het kind gaat met haar mee.

Ik haal diep adem, en voel een trilling in mijn borst.

Ons kind is geboren, een zoon, we zouden hem Ralf noemen. ‘Ik zal hem wassen.’ De verpleegster die hem vasthield, had tranen in haar ogen, ze fluisterde hees en ik kon alleen maar knikken.

Waarom ik niet? vraag ik in stilte. Waarom Noor en ons kind, waarom ik niet?

Mijn gedachten schieten terug naar dat moment bij het verkeerslicht, de regen die tegen het dak tikte, Nora dicht bij me, het rode licht dat versprong. Ik had beter moeten opletten, als ik een paar seconden had gewacht, een keer extra had gekeken…

Waarom?!

Heel voorzichtig beweeg ik mijn hand naar Nora’s wang en blijf vervolgens met mijn vingers vlak boven het verband op haar gezicht zweven. Ik moet er niet aanzitten natuurlijk, de wonden moeten eerst genezen en dichtgroeien. Mijn hand naar haar haren, net als anders laat ik de zachte strengen door mijn vingers glijden.

Het spijt me, Noor.

Ik ben blij dat Nora slaapt en dat ik de gelegenheid krijg om aan haar gezicht te wennen nu ze mijn reactie niet ziet. Ik neem ieder detail in me op en kus haar dan zacht op haar voorhoofd. Ik zal bij haar zijn wanneer ze wakker wordt en dan zullen we samen onze zoon vasthouden.

NORA

Ik word wakker en Job houdt me vast en ik weet het voordat hij een woord heeft gezegd. De stilte in de kamer geeft ruimte voor vragen die ik niet wil stellen, maar ik zwijg. Houd me aan hem vast. Job is degene die de stilte verbreekt met een schorre kreet. Hij verbergt zijn gezicht in het kussen. Vlak bij mij. Ik kan zijn warmte voelen.

Dan vallen mijn ogen weer dicht.

Ze hebben me gewaarschuwd en ik heb me zo goed mogelijk op de schok voorbereid, maar het gezicht dat me aankijkt is het mijne niet.

Haar wangen zijn opgeblazen en blauw.

Een bobbelige lijn op haar gezicht, vanaf haar wang naar haar oor en verder. Ik breng mijn hand omhoog en heel voorzichtig volg ik met mijn vingertop, zonder iets aan te raken, die ruwe snee met de hechtingen.

Bobbelig, korstig en grillig.

De botten eronder zijn gebroken, mijn kaken met draden aan elkaar verbonden. Mismaakt.

Ik herinner me de regen die me pijnlijk sloeg en weet nu dat het de regen niet was.

Ik kan niet glimlachen, want dat doet pijn. De artsen hebben me gezegd voorlopig niet te veel te praten, want de wonden moeten rusten.

Alsof ik kán praten, met mijn op elkaar genaaide kiezen. Ik heb nooit een beugel gehad, had altijd een perfect gebit, maar nu heb ik een hekwerk in mijn mond waar een gevangene moedeloos van zou worden.

Het gesprek met de arts die me bemoedigend aankeek. Later kunnen we plastische chirurgie toepassen. Eerst moet het genezen, we kunnen heel veel met dit litteken. Hij was van kaakchirurgie, dus sprak met geen woord over mijn grootste verwonding.

Mijn hand valt naar beneden en glijdt langs mijn holle buik, de spiegel valt naast me op de deken. Job pakt de spiegel en legt hem weg op het kastje naast mijn bed.

Hij omhelst me en ik koester me in de warmte van zijn armen en borstkas, maar de gedachten razen door mijn hoofd.

Hoe kan hij me aankijken zonder zijn gezicht te vertrekken? Wat vindt hij van mij? De kinderloze moeder.

Hij maakte vellen vol portretten van mij. Potlood, pentekeningen, pastel, acryl. Mijn steeds dikker wordende buik, vastgelegd op papier en linnen. We kletsten terwijl hij werkte. We lachten en waren gelukkig. Bedreven de liefde met woorden, daden en gebaren.

Hij droeg zijn werk aan me op en noemde me zijn muze.

Ik maak me los uit zijn omhelzing en laat me terugzakken in de kussens.

Niet langer de moeder. Niet langer de muze.

Job pakt opnieuw mijn hand.

‘Ik hou van je, Nora en ik vind je mooi.’

Ik knik, maar ik kan niet antwoorden. Wat zou ik moeten zeggen?

‘Geloof me, Noor.’

Hij knijpt me in mijn hand om zijn woorden kracht bij te zetten. Opnieuw knik ik, maar ik kijk hem niet aan. Dat kan ik op dit moment niet. Hij hoeft de schok in mijn ogen niet te lezen, het ongeloof. Als hij straks weg is, zal ik opnieuw die spiegel pakken.

Ik moet wel, want ik moet mezelf opnieuw leren kennen. Iedere centimeter van mijn lichaam. De huid op mijn buik hangt slap en mijn borsten zijn pijnlijk vol.

Mijn hart leeg. En het gezicht dat Job zo vaak vastlegde, is veranderd door die ene, lange kerf en de brokstukken onder de huid.

Hoe is het mogelijk.

U heeft heel veel pech gehad, mevrouw.

Pech gehad, Ralf. Gewoon stomme, stomme pech.

Even in mijn armen, enkele minuten waar het een mensenleven had moeten zijn. Ik tel zijn volle wimpers en volg met mijn wijsvinger de boog van de nauwelijks zichtbare wenkbrauwhaartjes. Donzige haartjes op zijn oren en wangen.

Alles is zo zacht en compleet. Vingers – tien.

Tenen – tien.

Ik sluit mijn ogen en wens, bid, verzoek, smeek, eis om leven. Dat kan toch? Als je bidt zal Hij je geven. Vraag en het zal u gegeven worden. U zult in mijn naam vele wonderen doen. God ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp en laat hem leven.

Ik wacht, met mijn ogen dicht, op een beweging, een geluidje.

Iets, een teken van leven.

Als ik uiteindelijk mijn ogen durf te openen, is er niets veranderd en ik denk aan Elia, die drie keer boven op die jongen ging liggen. Misschien moet ik dat doen. Het is wel duidelijk dat de aanhouder wint. Ik moet beter bidden, sterker geloven, harder hopen. Langzaam leg ik hem terug op de matras. Een dekentje hoeft niet, want Ralf voelt geen kou, is zelf kou. Ik aarzel als ik me over hem heen buig, dan druk ik een kus op zijn voorhoofd.

God?

Stilte.

Ik kom weer overeind en kijk goed, bedacht op de kleinste ademzucht.

Nog niets.

Mijn knieën doen pijn van het knielen, maar ik moet. De pijn is slechts een tijdelijk ongemak en nodig om alles weer goed te maken. Ik zal geen kussentje gebruiken, de harde vloer is goed genoeg, beter zelfs, want het móet pijn doen.

Mijn woorden raken langzamerhand op, maar ik geloof dat God dat niet erg vindt. Hij zal wel begrijpen wat ik bedoel en door mijn voortdurende herhaling zal Hij weten dat ik het echt meen en echt geloof. Echt waar, ik geloof het.

Ik geloof in God. In wonderen. In dat ene wonder dat hier gaat gebeuren.

Als er iemand binnen komt, kijk ik verstoord op.

‘Wat?’ Bijna een snauw, komt door de draden in mijn mond. Het is Job.

‘Wat doe je, Noor?’

Hij knielt naast me. Zou het helpen, als we samen bidden?

‘Ik bid.’

Hij knikt, maar zegt niets. Zou Job begrijpen waarom ik bid? Vast wel. We begrijpen elkaar altijd. Ik pak zijn ene hand en buig mijn hoofd opnieuw, sluit mijn ogen. Dwing de pijn in mijn knieën uit mijn lichaam en probeer me te focussen op Gods beloften.

Ik graaf in mijn geest, op zoek naar iedere opening die de Bijbel biedt, elk verhaal dat me ooit verteld is, iedere uitspraak die Jezus deed. Het staat er allemaal in, ik hoef alleen maar goed genoeg te geloven.

Daar komt het op neer.

We bidden in stilte. Dat vind ik zo fijn, dat het niet altijd hardop hoeft. Job begrijpt precies hoe ik me voel. Ik stel me voor hoe onze gedachten dezelfde wegen volgen en uiteindelijk bij hetzelfde eindpunt uitkomen.

Het punt waarop we Ralf in onze armen kunnen sluiten en met hem verder kunnen gaan.

Ik weet niet hoelang het geduurd heeft, als Job de stilte verbreekt. Hij knijpt eerst in mijn hand en ik verontschuldig me snel bij God. Ik wil nu geen dingen verkeerd doen.

Dan kijk ik hem aan. Zijn ogen zijn dichtbij.

‘Het idee dat God hetzelfde heeft meegemaakt, dat Hij zijn Zoon verloor…’

Job zwijgt en kijkt me aan alsof ik instemmend moet gaan knikken nu.

God die hetzelfde heeft meegemaakt? Wat bazel je, Job. Hij stuurde zijn Zoon om te sterven. Hij wist het al die tijd, zoals Hij altijd alles weet. Het was voor Hem slechts een kwestie van drie dagen wachten.

Ja toch? Drie dagen.

Het dringt plotseling tot me door. Misschien is dit Gods antwoord.

Drie dagen.

Nog een te gaan. Dat kan ook niet anders, want morgen willen ze hem begraven. In een kleine kist met zachte bekleding. Diep onder de grond.

Als ik ga staan, voel ik pijnscheuten die vanuit mijn buik en borsten naar mijn benen razen en even word ik licht in mijn hoofd, maar ik negeer het en omhels Job, die ook is gaan staan.

Morgen.

Wonderen bestaan niet, dat weet ik nu zeker.

Kleine kist.

Draaiknoppen voor het deksel. Wie heeft daar ooit over nagedacht? Ik niet. Maar ik doe het, samen met Job. Onherroepelijk dicht.

Draaien, draaien.

JOB

Na het eten mag hij komen, Noor. De misselijkmakende echo klinkt onophoudelijk in mijn hoofd. Hij kwam, onze Ralf.

De woorden van onze dominee komen van ver en lijken nergens op te slaan. Hij vertelt ons dat we mogen huilen, moeten misschien zelfs. Tranen zijn de diamanten die God aan ieder mens geeft, zegt hij. Wat moet ik met diamanten als ik mijn zoon wil vasthouden en zien opgroeien?

Geen wieg, maar een kist van eenvoudig, blank hout. Ralf als herinnering, waar hij al die tijd een belofte was.

Geen diamanten. Nora’s ogen zijn droog, haar blik rust op een punt ver bij ons vandaan. Haar gedachten blijven ongezegd, vanwege het hekwerk in haar mond. Ik probeer me voor te stellen wat ze denkt. Haar ouders gingen haar voor en nu onze zoon.

Het gat is diep en zwart en veel te groot. Om ons heen staan de paar mensen die we hebben gevraagd bij ons te zijn. Ik spreek enkele woorden, namens ons en stop als mijn stem breekt.

Het is tijd. Einde verhaal.

Onze vrienden draaien zich om en lopen weg. Pa en ma aarzelen, ik wenk ze te gaan, ze zijn de laatsten, kijken nog een paar keer over hun schouder, maar lopen toch terug naar de aula.

Nora maakt haar hand los uit de mijne en loopt naar de plek waar het kistje staat. Ze valt op haar knieën in het zwarte zand en leunt met haar hoofd op het deksel.

Moet ik naast haar neerknielen?

We zitten vlak naast elkaar en kunnen samen met gemak de omtrek van de kist bedekken. Zo klein is die rechthoek.

Een herinnering aan pa die vroeger met mij bij het bed knielde.

‘k Sluit mijn oogjes, vouw mijn handjes,

buig mijn knietjes voor U neer.

Lieve trouwe Vader in de hemel,

zie op ons in liefde neer.

Mijn benen worden stijf en ik voel de kou die vanuit de vochtige aarde door mijn kleding trekt. Ik kijk opzij naar Nora, maar ze zit bewegingloos. Haar hoofd nog steeds op het deksel.

Ik mag haar niet storen, vind ik. Haar handen glijden over het gladde hout, zoekend naar houvast. Dan graven de vingernagels zich diep in het zachte vurenhout en ik voel de pijn, alsof de nagels zich in mijn huid boren.

Ze breekt, mijn Noor. Haar schouders schokken.

Ik beweeg en ga achter haar zitten om haar vast te houden.

Schuld wijst naar me met een puntige vinger en ik huiver. Ik wieg haar zacht heen en weer, trek haar tegen mijn borst, weg van het kille, koude hout.

‘We redden het samen, Noor, samen.’

Dan laten we het gat voor wat het is. Ik kijk niet achterom, maar ik weet dat ik hier vaak terug zal keren. Ik zal de weg niet hoeven zoeken door de kronkelige paden, want die is in mijn geheugen gegrift.

Nora struikelt, maar ik vang haar op. Geen zoon, geen diamanten.

Alleen Noor en ik.

NORA

Dikke mist die de buitenwereld op afstand houdt. Geluiden worden gedempt, mensen zijn schimmen tot het moment dat ze dichtbij genoeg zijn om mijn hand te schudden.

Geschokte gezichten, gefluisterde condoleances, ongewenste omhelzingen, natte wangen en lopende neuzen. Bijbelteksten die op me afkomen. Vanaf kaartjes, of in de wandelgangen; even een snelle bemoediging. De mist schermt me een beetje van alles af, zodat ik op de been kan blijven.

Mijn hand in die van Job, gevouwen vingers in een doorlopend gebed. Job die het woord doet voor ons beiden, vrienden en kennissen bedankt voor hun meeleven, hun kaartjes, hun aanwezigheid.

Ik hoef alleen maar te knikken, iedereen begrijpt het.

Soms komt er toch een geluid over mijn lippen, maar het klinkt niet als mijn eigen stem. Dan schiet de pijn door mijn wang en schrik ik. Niet praten, niet praten.

Maar ik wil gillen en huilen en dingen kapotslaan. Ik wil me tegen Job aandrukken en zijn armen om me heen voelen, ik wil het verleden terughalen en ik wil de dronkaard verwensen om wat hij ons heeft aangedaan. Als ik kon, zou ik de tijd terugdraaien en nooit in die auto stappen.

Als ik kon, zou ik schreeuwen. Als ik kon.

Als…

Angelique is de enige die door de mist heen weet te dringen.

Wanneer haar natte wang tegen de mijne ligt, voel ik de warmte van haar troost. Ze zegt geen woord. Zij is de enige van wie de adem niet stokt als ze me aankijkt, de enige die met haar ogen de mijne zoekt. De mist wijkt.

Ik kan er bijna doorheen kijken.

Dan is de volgende en Angelique verdwijnt.

‘s Avonds is ze er weer. Ze heeft eten gekookt en speciaal voor mij heeft ze pompoensoep gemaakt. Na vandaag zal ik het nooit meer kunnen eten, maar dat beseft zij nu nog niet.

Jobs ouders zijn er ook. Ze zeggen weinig, zelfs ma is stil.

Na de soep krijgen we aardappels en groenten. Angelique is zo zorgzaam om alles apart te pureren. Overal veel vloeibaar bij: jus, groentesaus. Jech.

‘Ik heb op internet gelezen dat je het beter gescheiden kunt houden.’ Ze heeft zelfs een speciaal bordje voor me gekocht, met drie vakjes.

Lief van haar.

We gaan aan tafel en de plotselinge stilte overvalt ons allemaal. Dan neemt Job het voortouw, zijn hand zoekt de mijne en met bevende stem probeert hij te bidden.

Het lukt niet echt, zeg maar gauw amen, Job, ik wil mijn hand terug.

Waarom wel bidden om een zegen als we het wonder ook niet kregen?

Er is een tijd…

Prediker

NORA

Het leven van alledag haalt ons in en schreeuwt ons toe om mee te doen. Ik voel onrust in mijn lijf en heb het idee dat Job datzelfde voelt. Hij kookt en is tegelijkertijd achterstallige post aan het doorbladeren.

Ik schrik op als Job de krant aan de kant smijt, bladen fladderen door de keuken.

‘Het is niet aan anderen,’ zegt hij, ‘ze zouden zich er niet mee moeten bemoeien.’

Omdat ik niet begrijp wat hij bedoelt, pak ik de krant op en strijk hem glad, zoek het artikel dat hem ergert.

‘Laat mij eens,’ mompel ik vanachter de tralies. Met aandacht lees ik het stukje en in een opwelling besluit ik dat ik het artikel wil bewaren.

‘Waarom doe je dat, Nora?’

‘Gewoon,’ schokschouder ik en ik knip een mooi vierkant om het artikel heen. Het is omkaderd, foto van ons autowrak erbij, dus netjes knippen is niet moeilijk. Omdat Job aandachtig naar me kijkt, probeer ik de schok die door mijn lichaam gaat bij het zien van dat wrak, te verbergen. Als hij zich weer op het eten richt, kijk ik nogmaals.

Een wrak en wij zaten erin.

Het was Jobs auto en ik kan me alleen maar voorstellen wat er gebeurd was als we in mijn autootje hadden gezeten; ouder en kleiner dan die van hem.

Moet ik daar dankbaar voor zijn?

Job is klaar met koken en pureert mijn deel met de staafmixer. Ik leg de schaar weg en we gaan aan tafel. Zes weken lang vloeibaar voedsel, als in: ten minste zes maanden borstvoeding geven. Daar had ik me op voorbereid. Ik zag ernaar uit en ik geloofde degenen niet die zeiden dat het niet lukte. Als vrouw ben je ervoor gemaakt om borstvoeding te geven; natuurlijk werkt het dan.

Behalve als je geen kind hebt om te voeden.

Het bord met de drie vakjes is voor mij een overbodige luxe. Deze smurrie naar binnen werken is deel van mijn smart, moet daar deel van zijn. Ik heb Job gezegd dat ik liever alles door elkaar heb, dus slurp ik mijn maaltijd naar binnen door een tuitbeker.

Het geluid irriteert mij, maar Job nog meer, denk ik. Hij zegt er niets van, want hij weet dat ik er niets aan kan doen. Ik slurp nog eens. Extra hard en lang.

Op.

Zal ik nu ook een boertje laten, zoals een baby dat doet?

Misschien heeft Job het niet in de gaten; de gelijkenis tussen wat er had moeten zijn en wat ik geworden ben.

‘Smaakte het een beetje?’

Ik lieg en knik. Vloeibaar voedsel is smerig en ik kan kokhalzen bij de gedachte dat ik dit nog weken vol moet houden. Maar liegen is gemakkelijker, vraagt minder woorden.

‘Je moet opletten dat je niet te veel afvalt, ik heb gelezen dat je extra energiedrankjes kunt drinken deze periode.’ Job neemt een hap van zijn spaghetti en kauwt erop.

Ik kijk ernaar en herinner me hoe dat is.

‘Zal ik morgen iets voor je halen bij de apotheek?’

Jobs vraag haalt me uit mijn mijmering. Ja, ja, dat is prima. Ik knik weer.

‘Moet ik om een speciaal smaakje vragen?’

Hij neemt weer een hap, legt zijn mes en vork neer en schuift zijn bord van zich af. Hoe kan hij dat nu laten staan?

Ik trek mijn wenkbrauwen op, vragend.

‘Het smaakt me niet zo,’ verklaart hij.

Mooie boel is dat. Mijn hand stoot tegen de beker met het tuitje. Die valt om en rolt van tafel, er valt een druppel gepureerde spaghetti op de grond, de beker stuitert rond en rond, tot hij uiteindelijk stilligt.

Ik buk me en raap de beker op. We kunnen van tafel.

Het leven gaat door, vraagt niet om mijn toestemming. Ik start mijn computer op en besluit eerst mijn klanten op de hoogte te brengen van het feit dat ik gewoon door zal werken. Zwangerschapsverlof is niet langer nodig. Mazzel voor jullie, mannen. Mijn vingers slaan driftig op de toetsen en direct nadat ik de mailtjes verstuurd heb, probeer ik aan het werk te gaan, maar het lukt me niet. Ik kan alleen maar aan de holte in mijn buik denken. Ik blijf proberen te voelen dat hij schopt, wacht ademloos op de kleinste beweging, maar mijn handen tegen mijn lichaam voelen niets.

Met gebalde vuisten en nieuwe vastberadenheid kijk ik naar het scherm. Ik wil me verliezen in cijfers die gewoon doen wat ze altijd al deden. Cijfers zijn betrouwbaar en eenvoudig, anders dan penseelstreken op schilderslinnen.

Of het leven zelf.

Maar terwijl ik mijn werk doe, verliezen de cijfers hun eenvoud. Het duurt lang voordat het tot me doordringt dat ik naar een scherm vol onbegrijpelijke berekeningen zit te staren. Letters lichten scherp op tussen de getallen. De letters van zijn naam, die een voor een opduiken op plekken waar ze niet horen.

Ik sluit mijn ogen en sla mijn handen om mijn lichaam. Borsten doen pijn van verlangen.

Ralf is weg.

JOB

Het eerste wat ik zie als ik boven kom, is de ezel met mijn werk erop. Het doek waar ik aan werkte, voordat we uit eten gingen. Ik loop erheen en ben te laf om de confrontatie aan te gaan. Zonder te kijken naar mijn hoogzwangere Noor, pak ik het raamwerk van achteren vast en loop ermee naar de opbergrekken die langs de wanden van mijn atelier staan. Ik schuif het doek tussen twee van mijn andere werken in en zoek dan naar iets om het helemaal mee af te dekken.

Een oud laken voldoet.

Ik merk pas dat ik buiten adem ben als ik voor de nu lege ezel sta, maar dat weerhoudt me niet. Ik pak het gevaarte op en sleep het mee naar de enige hoek van mijn atelier waar ik nooit werk. De donkerste hoek. Splinters prikken in mijn handpalm als ik vervolgens een oude, afgedankte multiplexplaat pak. Mechanisch bereid ik me voor, terwijl in mijn hoofd de beelden zich razendsnel afspelen als een slechte film.

Frisgroene salade en goudgebakken aardappels, Nora’s glimlach, autorijden, rood licht gevolgd door groen, optrekken, knal.

Nora en de baby, Ralf.

Ik wilde haar het gezin geven dat ze nooit gekend heeft.

Op de bovenste plank in mijn kast liggen de tubes die ik nooit gebruik. Zonder na te hoeven denken pak ik een tube vermiljoen en een met kobaltblauw. Ze zijn beide nieuw, ik heb ze ooit gekregen op een verjaardag. Het was goed bedoeld en ik heb er vriendelijk voor bedankt. Ik aarzel en pak dan toch ook nog een tube yellow light.

Ik ga voor het multiplex staan en laat de gedachten dit keer gedoseerd door mijn hoofd gaan. Eén gedachte komt keer op keer terug en ik pak zonder nadenken de tube met vermiljoen en druk een flinke klodder op mijn palet. Ik schrik even terug voor de felheid van het rood, maar ik weet dat het precies de juiste kleur is en ik ga door.

De letters zijn snel geschreven, het woord gevormd. Schuld in acryl op goedkoop multiplex met rafelige randen.

Meer vermiljoen en de letters verdwijnen weer, maar ik weet dat ze er zijn en dat ze aan de basis liggen van wat ik doe. De vorm van Nora’s buik verschijnt als het penseel rond en rondgaat, steeds grotere cirkels worden het en ik draai mee.

Yellow light, slechts een klein beetje geeft genoeg oranje-geel licht voor de snelheid van de klap, de snelheid waarmee alles eindigde. Geen cirkels meer, maar venijnige strepen en harde lijnen. Mijn blote voeten tikken een onregelmatig ritme op de vloer, te veel energie om alleen via mijn handen weg te laten stromen. Ik mishandel de penselen, druk ze plat zodat de haren uitwaaieren en het lelijke ragebollen worden.

Net als de kwasten van de kinderen op de kleuterschool waar ik afgelopen voorjaar was uitgenodigd. Ze vonden het geweldig om te schilderen en waren gefascineerd door de spullen die ik had meegenomen.

Mijn palet kreeg de meeste aandacht. De juf had voor ieder kind een goedkoop doek geregeld en ik vertelde ze hoe verschillende kleuren gemengd kunnen worden tot iets nieuws. Ik liep langs de schilderende kinderen en hielp hen als ze dat wilden. We waren buiten, want het was een mooie dag en ik maakte foto’s van de kleine kunstenaars die hun doek op de rand van de zandbak hadden gelegd en er zelf op hun knieën bij zaten.

Daarna ging ik zitten met mijn schetsboek en tekende een van de kinderen. Ze had haar tong uit haar mond en was geconcentreerd bezig. Een goede oefening, kinderen schetsen, ze zitten nooit stil, hebben nog geen logische verhoudingen en stralen zo veel leven uit, dat je weet dat het nooit goed op papier zal overkomen.

Streven naar perfectie is het minste, houd ik mijn studenten altijd voor.

Hoewel ik met de nodige scepsis op de uitnodiging was ingegaan – op aanraden van Noor, die mijn hand op haar licht bollende buik legde – voelde ik achteraf grote voldoening en na de les spraken de juf en ik af dat ik zeker nog eens terug zou komen en ik had me voorgesteld dat ik mijn eigen kind daarheen zou brengen over een paar jaar.

Nooit.

Eigen schuld.

In een opwelling druk ik mijn hand met de vingers gespreid midden in de verf. Ik voel de koude natheid en zie hoe mijn pink wegzakt in de dikke laag vermiljoen. Nu niet bewegen, maar een goede afdruk achterlaten.

Heel voorzichtig trek ik mijn hand los uit de verf, de afdruk blijft, maar niet perfect, want ik heb bewogen en de verf was niet overal even dik. Ik kijk naar de kleuren die verder zijn vermengd door mijn aanraking en ik voel dat dit goed is. Schuld en mijn hand hebben elkaar gevonden, krijgen samen hun plek.

Nora’s verminkte gezicht en de lege babykamer, veroorzaakt door een ongeluk dat ik had moeten voorkomen.

Ik stop even om op adem te komen en loop door mijn atelier om een stuk keukenpapier te pakken waarmee ik de verf van mijn hand veeg. In mijn huid staan nu duidelijk de patronen getekend die deze hand tot de mijne maken en ik blijf er een tijdje naar kijken.

Verder werken en nadenken over de kleuren, de verhoudingen, de materialen. Geen plek vrijhouden voor andere gedachten, want er is werk te doen.

Werk.

Ik neem Nora’s autootje en moet even wennen aan de kleine ruimte. Haar radio staat afgestemd op een verschrikkelijke zender, en ik zoek net zo lang tot ik iets beters heb gevonden. Als ik eenmaal op de snelweg zit, begint het langzamerhand weer vertrouwd te voelen om een stuur in mijn handen te hebben. En hier zijn geen verraderlijke verkeerslichten. Hoewel ik ertegen opzie om mijn studenten te ontmoeten, ben ik toch blij dat ik gegaan ben. Het is goed om dingen weer op te pakken.

Ik loop door de vertrouwde gangen en luister naar jonge stemmen die elkaar enthousiast over hun weekend vertellen, zich naar huis haasten voor meer feest, of voor verantwoordelijkheden die ze liever niet zien.

Ongezien stap ik mijn lokaal binnen. Mijn kleine project, de zes die bij mij deze avondcursus volgen, als aanvulling op hun gewone lessen. Gemotiveerd tot het uiterste en alle zes zeer talentvol.

Ze zijn allemaal druk bezig, hebben mij niet nodig gehad om aan het werk te gaan. De geur van terpentijn overheerst in het lokaal en wikkelt zich om me heen als een oude moeder die haar verloren zoon omhelst.

Ik blijf een tijdje staan om naar ze te kijken. Ik heb ze gemist de laatste twee weken en vraag me af of iemand zich om deze studenten bekommerd heeft.

Even zijn mijn gedachten bij Nora. Ze liet niets van haar gevoelens blijken, toen ik haar vertelde dat ik mijn lessen weer wilde oppakken. Ze zei dat ze misschien Angelique zou vragen om te komen en ik hoop dat ze dat doet, zodat ze niet alleen thuiszit.

‘Hallo allemaal.’

Mijn stem snijdt door het stille lokaal. Sommigen horen me en kijken op, verstoord dat ze uit hun concentratie worden gehaald. Anderen schilderen door, doppen in hun oren met muziek die de buitenwereld buiten houdt.

Jan is de eerste die reageert.

‘Hoi…’

Hij haalt adem alsof hij meer wil zeggen, maar sluit dan zijn mond.

Een voor een leggen ze hun penselen neer en komen naar me toe.

‘Hoe is het, Job?’

‘Kom je weer werken?’

‘We hoorden van het ongeluk.’

Ongemakkelijke stilte.

‘Fijn dat je er weer bent.’

‘Ja. Fijn.’

Gemompelde stemmen, heldere stemmen, verontschuldigende klanken, vragen die te groot zijn om te beantwoorden. Ik aarzel even, ik heb me hier niet goed op voorbereid, besef ik ineens. Hun vragen zijn terecht en had ik kunnen voorzien.

‘Kom allemaal even zitten,’ zeg ik en wijs naar een tafel voor in het lokaal.