Onderstroom - Linda Jansma - E-Book

Onderstroom E-Book

Linda Jansma

0,0

Beschreibung

Onder het oppervlak bevinden zich de grootste geheimen. Door de gewelddadige dood van haar dochter Insa is Hesters leven vrijwel volledig verwoest, haar huwelijk gestrand en haar zeilschool in financiële moeilijkheden geraakt. Als na twee jaar alle cursussen eindelijk weer zijn volgeboekt komt Timo, een goede vriend van Insa, terug voor zeillessen. En hij is niet alleen, ook Timo's vader is meegekomen en het is duidelijk dat hij een oogje op Hester heeft. Dan wordt er in de buurt een meisje vermoord en een tweede zwaar verwond en begint Hester te vermoeden dat Insa's moordenaar is teruggekeerd. Of nooit is weggeweest…

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 418

Veröffentlichungsjahr: 2024

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.


Ähnliche


 

Onder het oppervlak bevinden zich de grootste geheimen.

Door de gewelddadige dood van haar dochter Insa is Hesters leven vrijwel volledig verwoest, haar huwelijk gestrand en haar zeilschool in financiële moeilijkheden geraakt. Als na twee jaar alle cursussen eindelijk weer zijn volgeboekt komt Timo, een goede vriend van Insa, terug voor zeillessen. En hij is niet alleen, ook Timo’s vader is meegekomen en het is duidelijk dat hij een oogje op Hester heeft.

Dan wordt er in de buurt een meisje vermoord en een tweede zwaar verwond en begint Hester te vermoeden dat Insa’s moordenaar is teruggekeerd. Of nooit is weggeweest…

Linda Jansma (1967) is al jaren een publiekslieveling en een bestsellerauteur. Haar boeken zijn een genot om te lezen, mede door haar filmische beschrijvingen en oog voor detail. Linda schreef 17 thrillers, waaronder Kwetsbaar, Tweestrijd en Zwarte leugens.

..

..

..

‘Opnieuw een zinderende thriller van Linda Jansma. Wegleggen is onmogelijk!’ Wilma Groot, Troskompas

..

‘Een fantastische thriller met verrassende ontknoping’ Inge van der Steeg, Nouveau

 

Linda Jansma

Onderstroom

..

..

..

..

..

..

..

..

 

© 2024 Linda Jansma

Omslagontwerp: Margo Togni

Foto omslag: © Ebru Sidar, Arcangel

Verzorging ePub: Michiel Niesen, ZetProducties, Haarlem

..

ISBN 978 94 6109 870 2

NUR 305

..

Dit verhaal is ontsproten aan de fantasie van de auteur. Verwijzingen naar werkelijk bestaande mensen, gebeurtenissen, organisaties en plaatsen zijn alleen bedoeld om het verhaal extra authenticiteit te verlenen. Alle verdere namen, personages, plaatsen en gebeurtenissen zijn door de auteur bedacht. Elke overeenkomst met de werkelijkheid berust op toeval.

..

Meer informatie over De Crime Compagnie op www.crimecompagnie.nl

 

‘The deeper the waters are, the more still they run.’

..

–Koreaans gezegde

 

Levenloos ligt ze half op de keien langs het water; haar benen bewegen op het ritme van de golfjes die kalm en gestaag tegen de kant klotsen. In het riet rondom haar dobbert een paartje kleine karekieten dat geen enkele interesse toont in het lichaam dat hun gebied is binnengedreven. De wind laat het riet ruisen en spoelt het water over haar naakte rug en billen. Haar huid is bleek en lijkt op rijstpapier: gaaf en zijdeachtig. Slechts enkele blauwe plekken ontsieren haar armen, die naast haar hoofd op de keien liggen.

Over niet al te lange tijd zal ze gevonden worden door een voorbijganger die zijn hond uitlaat. Hij zal zijn hond meteen aanlijnen om hem bij haar weg te houden en met zijn mobiel het alarmnummer bellen.

Een ambulance zal komen. Ze zullen haar op de kant tillen, de gapende wond aan de zijkant van haar hoofd ontdekken. Ze zullen speculeren over wat er gebeurd kan zijn en gezien haar naakte lichaam zullen ze ervan uitgaan dat ze geen natuurlijke dood is gestorven. Ze zullen zich afvragen waar haar kleren zijn, hoe ze in het water terecht is gekomen en waar ze vandaan komt.

De politie zal de plek waar ze gevonden is afzetten als een plaats delict. Ze zullen naar sporen zoeken, aanwijzingen die licht kunnen werpen op de omstandigheden van haar dood, maar ze zullen niets vinden.

Haar familie zal verwittigd worden. Ze zullen haar moeten identificeren en haar over een aantal dagen naar haar laatste rustplaats brengen.

Dat zal later allemaal gebeuren; nu ligt ze daar nog stil en eenzaam. Vredig bijna, in het koude, meedogenloze water dat zijn geheim niet prijsgeeft. Maar ergens, niet ver weg, is er iemand die precies weet hoe ze stierf. En waarom…

-1-

Ik herinner het me als de dag van gisteren. De lijnen die tegen de mast klapperden, de wind die het grootzeil liet bollen. De verwachtingsvolle gezichtjes van de twee kinderen in oranje reddingsvesten die gespannen in de kuip zaten en toekeken terwijl hun derde zeilmaatje het grootzeil van de ene naar de andere kant overzette. Ik vroeg de kinderen hoe deze manoeuvre werd genoemd en op het moment dat uit alle drie de monden ‘Gijpen!’ werd geroepen, zag ik hem staan. Op de steiger die het dichtst bij de zeilschool lag. Zijn armen hingen verslagen langs zijn lichaam en ik wist meteen dat het mis was.

‘Ze hebben haar gevonden,’ zei hij zacht, zodra ik had aangemeerd. De drie kinderen – twee meisjes, één jongen, alle drie dertien jaar oud – waren meteen aan de slag gegaan met het nachtklaar maken van de zeilboot en hadden niet door dat de woorden een einde maakten aan mijn geluk.

Ik weet nog dat ik niets zei. Behalve het feit dat ik niets wíst te zeggen, kón ik het ook niet. Er waren geen woorden die konden omschrijven wat er door me heen ging, wat ik voelde. De zin ‘ze hebben haar gevonden’ drukte het onweerlegbaar in al zijn gruwelijkheid uit: ze was dood. En ik stond daar maar. Totdat Gerlof me uiteindelijk in zijn armen nam en tegen zich aandrukte. Pas toen kwamen de tranen.

..

Ze zijn nog jong, de kinderen die in een rijtje op de steiger staan. Hun haren zijn vochtig van de zojuist afgeronde zeilles en ik kan zien dat ze stuk voor stuk genoten hebben. Hun ogen glinsteren en Meike, met haar tien jaar de oudste van deze groep, kan van opwinding bijna niet stil blijven staan.

Ik glimlach. Hier hou ik het meest van: lesgeven aan de kleintjes. Ze zijn altijd zo onbevangen, zo… onschuldig. Ze slurpen de informatie op als een spons, met een enthousiasme dat ik ze zo graag wil laten behouden. Meestal lukt dat ook wel; heel wat kinderen die hier leren zeilen komen elk jaar terug en eindigen soms zelfs als instructeur. Zoals Felix. En Thymen. Roelie. Nou ja, Roelie is nu nog assistent-zeilinstructeur, maar doet over een poosje examen voor cwo-3 – de Nederlandse diplomalijn voor alle watersportopleidingen – en mag daarna een proeve van bekwaamheid afleggen om toegelaten te worden tot de cursus instructeur 2.

‘En wanneer is een zeilboot bestuurbaar?’ vraag ik aan de groep.

‘Als er wind is!’ roept een van de jongens.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Dat is natuurlijk wel een beetje zo, maar…?’ Ik kijk ze een voor een aan en als geen van hen snapt waar ik op doel, ga ik verder met: ‘Waar zorgt de wind voor?’

‘Voor snelheid,’ zegt Meike.

Ik knik. ‘En dus?’

‘Als hij snelheid heeft!’ roept Meike nu.

‘Juist,’ beaam ik. ‘Een zeilboot is alleen bestuurbaar als hij snelheid heeft.’ Ik laat mijn blik weer langs de kinderen gaan. ‘Want bewegen en besturen zijn twee verschillende dingen. Om te kunnen sturen moet het water langs het roer stromen om effect te kunnen hebben op het roerblad. En dat gebeurt alleen als de boot snelheid heeft.’

Er wordt driftig geknikt.

‘Goed, dan gaan we ons nu even opknappen en wachten tot de andere boten binnen zijn voordat we gaan eten,’ zeg ik, terwijl ik de kinderen een voor een voor me uit van de steiger leid. ‘Morgen gaan we aan de gang met schootvoeren. En wie alvast wil weten wat dat is, kan het opzoeken in het boek.’

De helft ervan gaat dat doen, weet ik inmiddels. Onder anderen Meike. Die is zo enorm gedreven. Een kind zoals zij zit er altijd wel bij en zij zijn het die me elke keer weer doen beseffen dat ik niets anders zou willen doen dan dit.

Ik loop nog even op en neer over de steiger om te checken of de boten allemaal goed vastliggen, controleer hier en daar of de landvast op de juiste manier om de kikker geknoopt zit en onthoud bij wie dat niet zo is, zodat ik diegene morgen nog wat extra instructies kan geven.

Terwijl ik mijn automatische reddingsvest openklik voel ik de zon op mijn gezicht branden. We hebben geluk dit jaar; het is een topzomer. Misschien dat de volgeboekte zeilweken eindelijk het begin inluiden van betere tijden. De afgelopen twee jaar waren moeilijk, vooral na die dag. Gerlof had me beloofd dat we het gingen redden. Dat de pijn minder zou worden. Inmiddels weet ik dat dat niet zo is. De pijn blijft, alleen je weet het beter te verbergen. Ik wel, in elk geval. Gerlof bleek er toch wat minder goed mee om te kunnen gaan en verliet mij en de kinderen vorig jaar, vlak voor de zomer. Hij liet alles achter, mij, onze kinderen Jort en Silke, ons huwelijk. En de zeilschool die toen al in de rode cijfers verkeerde. Ik heb geen idee waar Gerlof nu is en het interesseert me ook niet. De kinderen vragen nooit naar hem en dat vind ik prima. Maar mochten ze hem ooit willen opzoeken, dan zal ik ze niet tegenhouden; hij blijft tenslotte hun vader.

‘Hester.’

De stem doet me opschrikken en ik kijk opzij naar de iets gezette man met lichtblond haar die naast me is opgedoken. ‘Jelmer,’ zeg ik verrast.

De man bekijkt me met een intense blik en ik weet wat hij ziet: een vrouw van tweeënveertig, lang en slank, misschien zelfs iets te mager, kort, krullend donkerblond haar en groenblauwe ogen die iets te diep in hun kassen liggen. Ik ben niet op mijn best, ook dat weet ik. Toch glimlacht hij.

‘Wat fijn je weer te zien,’ zegt hij.

‘Ja,’ reageer ik. ‘Hoe heb je gereserv…’

‘Via Jort,’ onderbreekt hij me. Opnieuw glimlacht hij, nu een beetje verontschuldigend. ‘Ik wist niet of je ons wel wilde zien.’

Ons?

Nu pas merk ik de tweede man op, vlak achter Jelmer. Jong, gespierd, zongebruinde benen onder een witte short en net zulk blond haar als zijn vader.

‘Timo?’ vraag ik.

Jelmer slaat zijn arm om de schouders van de jongen – hoe oud zal hij nu zijn, twintig? Niet ouder in elk geval – en trekt hem tegen zich aan. ‘Timo wilde eigenlijk niet mee,’ zegt hij. ‘Maar ik heb hem overgehaald.’

Timo kijkt me kort aan en slaat dan zijn ogen neer. Ik kan er niets aan doen dat ik hem weer voor me zie. Twee jaar geleden. Met Insa, mijn jongste dochter. In de zomer die haar laatste zou zijn. Gek was ze op hem. En hij op haar. Gerlof noemde het kalverliefde. Tenslotte was Insa pas zestien en Timo achttien. Toch leek het me toen behoorlijk serieus.

‘Hoe gaat het met je, Timo?’ vraag ik.

‘Goed.’ Het komt er zo snel uit dat het me er meteen van overtuigt dat het helemaal niet goed gaat. Hij was er kapot van, toen Insa… toen ze… nadat ze gevonden was. Hij wilde meteen naar huis, leek gebroken. Maar er was nog iets. Iets waar ik mijn vinger niet op kon leggen. De blik in zijn ogen toen hij in de auto van zijn vader stapte… Ik las er niet alleen verdriet en pijn in. Nee, er was meer. Schuldgevoel leek het wel, heel diep schuldgevoel. En op dat moment kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat hij meer wist over wat er met Insa gebeurd was.

‘Vorig jaar wilde hij ook al niet,’ gaat Jelmer verder, alsof Timo er helemaal niet bij staat. ‘Maar hij moet nu toch echt trainen voor zijn cwo-certificaat Vergevorderde.’

Ik kijk naar Timo, die niet van plan lijkt deel te nemen aan het gesprek. Dat verbaast me; hij was altijd een gemakkelijke prater, zat nooit om woorden verlegen. Net als Insa; die twee konden uren met elkaar kakelen, daar was een vol kippenhok niets bij.

‘Dat kun jij wel zeggen, maar Timo moet het ook willen,’ zeg ik. ‘Timo?’

Hij haalt zijn schouders op en mompelt iets.

‘Natuurlijk wil hij dat,’ zegt Jelmer, terwijl hij Timo weer tegen zich aan trekt. ‘Toch, jongen?’

Timo knikt, maar het is niet van harte.

‘Dan gaan we daaraan werken,’ zeg ik. ‘Je kunt trainen in de Randmeer. In die boot kan Thymen je goed begeleiden.’ En tegen Jelmer: ‘Hebben jullie binnen al gemeld dat jullie zijn gearriveerd?’

‘Nee, dat gaan we nu doen.’ Hij wijst over zijn schouder naar de gloednieuwe, zilverwitte Polestar die voor de deur van het hoofdgebouw staat. ‘Even onze tassen pakken.’ Hij draait zich om en beent met grote stappen van ons weg.

Ik kijk hem na en richt mijn blik dan weer op Timo. Die schuifelt met zijn voeten en kijkt me van onder zijn krullende wimpers even kort aan. Het lijkt alsof hij iets wil zeggen, maar hij doet het niet.

‘Ik wil Meike de Groot eigenlijk in een andere groep zetten,’ zeg ik die avond tijdens het overleg, nadat iedereen verslag heeft gedaan van de afgelopen dag. ‘Ze leert zo snel, de anderen kunnen haar niet bijhouden.’ Ik kijk de groep rond en mijn blik blijft hangen op Thymen de Jong, een van onze vaste zeilinstructeurs. Hij is een knappe jongen, met kort, ravenzwart haar, een zongebruinde huid en donkere ogen. Half onderuitgezakt zit hij op zijn stoel en tikt met een pen op tafel. Hij lijkt mijlenver weg met zijn gedachten. ‘Thymen?’ vraag ik. ‘Kun jij er nog eentje bij hebben?’

Roelie Franken, onze zestienjarige scholiere die hier in de vakanties als assistent-instructeur werkt, geeft hem een stevige por met haar elleboog als hij niet reageert.

Meteen schiet Thymen overeind en werpt haar een boze blik toe, maar merkt dan dat alle anderen rond de tafel naar hem kijken. ‘Sorry,’ zegt hij. ‘Ik was even ergens anders met mijn gedachten.’

Bij je eigen zeilboot, zeker.

Ik denk het, maar zeg het niet hardop. Dat zou ook wel erg onaardig zijn. Thymen spaart al jaren voor een zeiljacht waarmee hij de wereld rond kan varen. Iedereen hier weet dat en iedereen hier vraagt zich ook af of hij het ooit voor elkaar gaat krijgen. Hij is zeventwintig, werkt al sinds zijn twintigste bij Het Skûtsje en niemand weet hoeveel geld hij inmiddels bij elkaar heeft gespaard.

‘Ik vroeg of je er nog een leerling bij kunt hebben,’ zeg ik. ‘Meike de Groot, ze gaat te snel voor mijn groepje.’

Thymen knikt. ‘Geen probleem.’ Hij kijkt opzij naar Roelie, die haar blik met een verlegen glimlach neerslaat. Ik heb al eerder gemerkt dat ze een crush heeft op Thymen. Ik hoop dat hij verstandig genoeg is om de boot af te houden, om maar bij nautische termen te blijven.

‘Mooi,’ ga ik verder.

‘Ik wil morgen met het groepje gevorderden naar het grote meer,’ zegt Felix Voskuyl, onze tweede vaste instructeur. Hij kan zeilen als de beste en heeft al menig prijs gewonnen. Helaas gaat hij na de zomer naar de universiteit om geneeskunde te studeren. Voorlopig blijft hij gelukkig lesgeven in de vakanties, maar uiteindelijk zal ik toch op zoek moeten naar een nieuwe vaste instructeur.

‘Goed idee,’ hoor ik Jort zeggen. ‘Zullen we onze groepen samenvoegen? We kunnen de polyvalken nemen.’

‘Niet meer dan twee,’ zeg ik. ‘Ik heb er ’s middags eentje nodig.’ Ik kijk naar Jort, mijn zoon en eveneens instructeur sinds hij van de middelbare school af is. Zeilen en lesgeven zijn zijn leven en dat is ook duidelijk te merken aan de manier waarop hij elke keer weer zijn cursisten tot het uiterste van hun kunnen weet te pushen. Verschillende van zijn oud-leerlingen hebben het al ver geschopt in het wedstrijdzeilen.

‘Twee is genoeg,’ zegt Jort. ‘Vier cursisten in de ene en drie in de andere.’ En met een blik op Felix: ‘Eens kijken of ze zichzelf kunnen redden.’

Silke, mijn dochter – tweeëntwintig, drie jaar ouder dan Jort – doet ook een duit in het zakje en zegt: ‘Het weer zit in ieder geval mee. Volgens de voorspellingen moet er een stevig briesje komen.’

‘Dat werd tijd,’ zegt Jort. ‘Het is behoorlijk heet de laatste paar dagen.’ En tegen Roelie: ‘Wees maar blij dat je examen al voorbij is. Ik kan me dat van mij nog wel herinneren. Met z’n allen in die kleine gymzaal van de school gepropt.’

Roelie lacht en dat doet haar gezicht oplichten. Ze is een behoorlijk knap meisje, met een belachelijk gave huid, grote blauwe kijkers en lang blond haar met lichte slagen. Jongens draaien hun hoofd en kijken haar na als ze voorbijloopt. Je zou zeggen dat dat haar zelfverzekerd moet maken, maar het zorgt er bij haar juist voor dat ze nogal verlegen is. Behalve als ze lesgeeft, dan lijkt ze een heel ander meisje. Volgens mij heeft ze niet veel vriendinnen, viel ze er op school altijd een beetje buiten. Ik hoop dat het beter gaat op haar vervolgopleiding; ze gaat mbo Verpleegkunde doen.

‘Mooi,’ zeg ik weer. ‘Dan is dat geregeld. Maken jullie een schema?’

Jort en Felix knikken allebei.

Mijn blik gaat nu naar de forse man schuin tegenover me. Walt den Otter, de man die ik mijn hele leven al ken en die al zo lang ik het me kan herinneren de keuken van de zeilschool runt. ‘In de keuken alles oké?’ vraag ik hem.

‘Kan niet beter,’ zegt hij. ‘Morgen ga ik even naar de groothandel, dus mocht iemand nog een speciaal verzoek hebben voor iets…’

‘Een pot augurken,’ zegt Silke direct.

Iedereen kijkt meteen in haar richting. Ook ik.

‘Wat?’ zegt ze, terwijl haar blik vragend van de een naar de ander gaat. ‘Ik ben nou eenmaal verzot op augurken.’ En tegen mij: ‘Toch, mam?’

‘Nou ja, eh… ja,’ zeg ik.

Ik zie hen ineens voor me, Silke en Insa, acht en vier jaar oud. Naast elkaar voor de geopende koelkast, de pot tafelzuur in Insa’s beide handjes, Silke die het deksel probeert open te draaien maar daar niet in slaagt. Insa’s ongeduldige getrappel omdat het niet lukt, Silke die haar probeert te kalmeren. Het deksel dat openschiet, het vocht uit de pot dat over hun pyjama’s gutst. Hun gegiechel dat nog erger werd toen ik hen betrapte.

‘Mam?’

In één klap ben ik weer terug aan de tafel. Iedereen kijkt naar me. Walt staat vlak naast me en heeft zijn hand op mijn schouder gelegd. Niet-begrijpend kijk ik hem aan.

‘Je was helemaal van de wereld,’ zegt hij.

Mijn ogen gaan van hem de kring rond en eindigen bij Silke, haar blik ongerust.

‘Gaat het wel goed?’ vraagt Walt.

Goed? Ik weet al heel lang niet meer wat ‘goed’ is. Sinds Insa’s dood niet meer.

Ik glimlach. ‘Ja hoor.’ En met een blik op Thymen: ‘Ik was gewoon even ergens anders met mijn gedachten.’

Even nog kijkt Walt me aan, met een blik die ik niet kan thuisbrengen. Dan klopt zijn hand op mijn schouder en gaat hij weer zitten. ‘Ik zal een grote pot augurken voor jou meenemen,’ zegt hij tegen Silke, alsof er niets is gebeurd. Er ís ook niets gebeurd. Ik was inderdaad gewoon even ergens anders met mijn gedachten. Bij mijn dochters. Bij Insa. Ze is er al bijna twee jaar niet meer, maar soms zie ik haar zó levensecht voor me dat ik haar zou kunnen aanraken. Af en toe zie ik haar ook lopen, bij de boten waar ze zo graag was. In een winkel, tussen de rekken met shorts. Bij de bakker, om sûkerbôle te kopen waar ze gek op was. Dollend met Timo, met onze hond Bisky. En natuurlijk met haar zus achter een pot augurken, bolle wangen, zuur dat langs haar kin druipt.

Ik duw de herinnering zo ver mogelijk weg en kijk de tafel rond. ‘Zijn er verder nog dingen waar we het over moeten hebben?’

Er klinkt wat gemompel, sommigen schudden hun hoofd, maar er komt verder niets.

Ik sta op en zeg: ‘Prima. Dan zie ik jullie morgenochtend weer voor de dagplanning.’

Voorzichtig duw ik even later de deur naar buiten open. Naast me op de mat van de bijkeuken staat Bisky, onze Friese stabij, trappelend te wachten. Ze schiet direct naar buiten zodra ze haar smalle lichaam door de kier kan wringen en verdwijnt in het donker.

Ik volg haar en sluit zacht de deur achter me. Vanuit de grote verblijfsruimte in het hoofdgebouw – de oude boerderij die mijn ouders aan het begin van hun huwelijk hadden laten ombouwen tot zeilschool – klinkt gelach en gejoel. De kinderen vermaken zich weer prima, zo te horen. Elke avond wordt er wel wat voor hen georganiseerd, wat een zeilvakantie bij ons tot een waar feestje maakt. Dat staat tenminste regelmatig in de reviews die we krijgen. Ik vond het verschrikkelijk dat ik de school vorig jaar bijna kwijt was door financiële problemen. We zijn er nog steeds niet helemaal bovenop, maar met alle boekingen voor deze zomer hoop ik dat straks wel te zijn.

Mijn blik gaat naar de grote schuur die Gerlof en ik zo’n tien jaar geleden, vlak nadat we de school van mijn ouders overnamen, hebben laten verbouwen tot vijf slaapzalen en drie gezinskamers. Het was een enorme investering, iets wat toen financieel gezien niet zo’n probleem was, en wat ben ik blij dat we dat toen gedaan hebben. Er zijn veertig bedden, en dan tel ik de gezinskamers niet mee. Die worden meestal gebruikt voor families die een zeilvakantie willen houden. Soms bekijk ik hen van een afstandje en wens ik dat wij ook nog zo’n gezin vormden. Maar dat is verleden tijd.

Achter me klinkt een zacht geluid. Ik kijk over mijn schouder maar zie niets. Een windvlaag laat de lijnen tegen de masten klapperen. Ik hoor het water tegen de zeilbootjes klotsen en steek mijn handen wat dieper in de zakken van mijn lange vest. Silke krijgt gelijk: er is meer wind op komst en dat is meer dan welkom. Jort en Thymen zullen in hun nopjes zijn morgen. Om nog te zwijgen over de cursisten, die de tijd van hun leven zullen hebben op het water.

Langzaam loop ik de steiger op waaraan de Optimisten liggen, de kleine eenpersoonsbootjes voor de jongste cursisten, zoals de groep die ik momenteel train. Tegenwoordig voel ik me bij de jeugd meer op mijn gemak dan bij volwassenen. Ze zijn onbevangener, hebben zelden bijbedoelingen en komen voor maar één ding: om te leren zeilen. Maar bovenal zie ik in hen mijn dochter. Twee maanden geleden zou ze achttien zijn geworden.

‘Alles goed?’ klinkt het achter me.

Geschrokken veeg ik een traan weg die ongemerkt over mijn wang loopt en ik kijk om. ‘Walt,’ zeg ik. ‘Ik dacht dat jij al naar huis was.’

Walt trekt zijn broek wat hoger over zijn buik en komt naast me staan. ‘Het is nog vroeg,’ zegt hij bij wijze van antwoord.

Vroeg? Het loopt tegen halfelf en meestal heeft hij zich dan al teruggetrokken in een van de twee kleine arbeiderswoningen achter de zeilschool, niet ver bij mijn eigen huis vandaan. Daar woont hij al jaren en hij beschouwt het als zijn heiligdom. In het huis naast hem woont Menno, onze terreinmeester, al zo lang ik het me kan herinneren.

‘Je hebt je niet toevallig vermaakt bij de jeugd in de zaal?’ vraag ik met een lachje.

‘Doe me een lol,’ zegt hij. ‘Ik vind kinderen leuk, maar dát hoeft voor mij niet meer.’ Hij zucht. ‘Daar ben ik inmiddels een beetje te oud voor.’

‘Je bent zo oud als je je voelt,’ zeg ik. Mijn blik gaat naar Bisky, die met haar tong uit haar bek de steiger op komt rennen.

‘Gaat het wel met je?’ vraagt Walt na een korte stilte.

Ik aai Bisky over haar kop en laat mijn blik over het water gaan. De lucht wordt donkerder; in het westen is de laatste oranje gloed van de zon te zien. En dan volgt er wéér een lange nacht, en vervolgens een nieuwe dag. Een nieuwe dag zonder Insa.

‘Ja hoor,’ zeg ik. ‘Hoezo?’

Walt haalt zijn schouders op. ‘Ik mis al een poosje de Hester van vroeger,’ zegt hij. ‘Dat vrolijke meisje, dat op mijn knie paardjereed.’ Hij legt zijn hand op mijn arm en vervolgt: ‘Hoe gaat het écht met je?’

Nu ben ik het die mijn schouders ophaalt. ‘Als altijd,’ zeg ik. ‘Elke dag een beetje beter.’

Dat is tenminste wat ik iedereen vertel.

‘Ik zag dat Timo en zijn vader er ook weer zijn,’ merkt Walt op.

Ik knik.

‘Hoe voelt dat?’

Nu kijk ik opzij. ‘Gaan we voor psychiater spelen?’ zeg ik met een lachje.

‘Natuurlijk niet,’ werpt hij tegen.

Er valt opnieuw een stilte. Bisky is inmiddels uitgerend en is hijgend naast me komen zitten. Ik krijg het ineens ontzettend koud en voel een onverklaarbaar verlangen om mijn bed in te kruipen en het dekbed tot aan mijn kruin over me heen te trekken.

‘Ik, eh… ga naar bed,’ zeg ik. ‘Morgen is het weer vroeg dag, en net wat je zegt: wij zijn niet meer zoals die jongelui die amper slaap nodig lijken te hebben.’

Walt antwoordt niet, kijkt me alleen maar aan met die bezorgde blik van hem. Ik glimlach een tweede keer, draai me om en loop terug de steiger af.

‘Hester,’ klinkt zijn stem.

Ik kijk om.

‘Ik mis haar ook,’ zegt hij zacht.

-2-

Hij wilde dat het voorbij was. Dat ze weer naar huis gingen en hij dit alles achter zich kon laten. Alles herinnerde hem aan Insa. De zeilschool, de boten, het zeilen, Jort, Silke. En Insa’s moeder. Voorál haar moeder. Behalve dat Insa sprekend op haar had geleken, was er ook dat schuldgevoel dat hem bijna dwong uit haar buurt te blijven. Hij kon niet met haar praten. Niet zonder dat zijn hart zo hard begon te bonken dat iedereen dat wel moest horen.

Met zijn handen in de zakken van zijn short slenterde Timo langs het meer achter de zeilschool. Het behoorde tot de school, had Insa hem verteld. Dat meer. Net als het kleine strandje verderop. Eigen terrein, zo kon je het opvatten. Behalve de boten van de school mocht niemand anders er komen. Aan de overkant van het water was een smal kanaaltje waardoorheen je naar het Slotermeer kon varen. Het grote meer. Waar de gevorderde cursisten nog weleens naartoe gingen met een paar instructeurs. En waar hij ook geweest was, met Insa. In een Feva, toen hij een stuk jonger was en nog niet zo heel goed kon zeilen. Insa wel, die was heel bedreven geweest en had kunnen zeilen als de beste.

Langzaam liep hij het strandje op tot aan het water en staarde over het meer. Dit was zijn favoriete moment van de dag, zo vroeg op de ochtend. Hij hield van de stilte. Dan was het alsof al zijn problemen naar de achtergrond verdwenen. Alsof niet bijna twee jaar geleden zijn beste vriendin stierf. Alsof hij helemaal niet wist waar ze die avond was geweest. Soms wilde hij dat hij het niet had gedaan. Dat hij alles meteen verteld had toen hij terugkwam. Het was immers toch geen opzet geweest?

Maar toch…

Insa was in het water gevonden. Aan de andere kant van het Slotermeer, tussen het riet. Dat was niet waar hij haar had achtergelaten. Bij lange na niet. Hoe was ze daar gekomen? Een vraag die al twee jaar lang door zijn hoofd spookte.

Vorig jaar had hij niet op zeilkamp gewild. Omdat Insa er niet meer bij was. Omdat hij haar moeder niet onder ogen kon komen. Maar dit jaar… Hij had een plan. Hij zou teruggaan naar de plek waar hij Insa had achtergelaten. Naar een verklaring zoeken hoe ze in het meer terecht was gekomen.

‘Mooi is het hier!’

De stem kwam zo onverwacht dat hij van schrik een stap opzij deed en met zijn voeten in het water terechtkwam.

‘Oeps,’ zei de stem nu. ‘Sorry dat ik je liet schrikken.’

Timo keek van zijn natte slippers naar het meisje dat naast hem was opgedoken. Hij legde zijn hand boven zijn ogen tegen de opkomende zon en liet zijn blik over haar heen gaan. Hij schatte haar op een jaar of twintig. Ze was niet groot, had lang haar en een smal gezicht. Hij zag er iets bekends in. Had hij haar al eens eerder gezien?

Het meisje zweeg en staarde met opgetrokken schouders over het water. ‘Kom je hier vaker?’ vroeg ze.

‘Ik, eh… Ja, eigenlijk wel,’ zei hij.

Het meisje snoof diep. ‘Kan ik me voorstellen. Het is hier prachtig.’ Nu richtte ze haar blik op hem. ‘Ook een vroege vogel?’

‘Wat?’

‘Ik ben altijd al heel vroeg op,’ legde ze uit. ‘En jij blijkbaar ook.’

Timo wist niet goed wat hij moest antwoorden. Vroeger bleef hij soms wel tot elf, twaalf uur slapen en had zelfs dan nog moeite zijn bed uit te komen. De dood van Insa joeg hem tegenwoordig nog vóór zonsopkomst naar buiten. En dat was niet alleen hier op de zeilschool, ook thuis zwierf hij regelmatig al vroeg over straat.

‘Eh, ja,’ zei hij daarom alleen maar.

Opnieuw staarde het meisje over het water. Ze zei niets meer, leek van de stilte en de omgeving te genieten.

Even nog bekeek hij haar van opzij, daarna liet ook hij zijn blik over het meer gaan.

Na een poosje draaide ze zich naar hem toe en zei: ‘Ik ben Amanda.’

‘Timo,’ zei hij.

Ze knikte. ‘Je bent hier met je vader, hè?’

‘En wat zou dat?’ Het klonk defensief en zo was het ook bedoeld.

‘Rustig maar,’ zei ze. ‘Het was me gewoon opgevallen.’ Ze keek opnieuw over het water en toen weer terug naar hem. ‘Ik bedoelde er niets mee. Ik heb je vader gisteren gesproken en ik vond hem aardig.’

Hij staarde haar aan. ‘Bedoel je nou dat mijn vader jou op mij af heeft gestuurd?’

Ze schoot in de lach. ‘Natuurlijk niet. Ik was aan het klooien met het nachtklaar maken van de boot en hij hielp me. Ik ben nog maar een beginneling, snap je?’

Een beetje beschaamd over zijn kribbige reactie trok hij een schouder op en produceerde een scheef lachje. ‘Sorry,’ zei hij. ‘Ik ben gewoon een beetje chagrijnig.’

‘Verkeerde been uit bed gestapt?’

‘Niet echt.’ Hij wreef over zijn neus. ‘Te veel aan mijn hoofd.’

Haar wenkbrauwen schoten omhoog. ‘Jij? Joh, jij moet lol maken. Lekker chillen en zo.’

Lol maken? Ooit, ja.

‘Vind je het niet leuk hier?’ ging ze verder.

‘Jawel,’ begon hij aarzelend. ‘Maar ik heb… Er is… was…’ Hij slikte en sloeg zijn blik neer. ‘Sorry, ik wil er niet over praten,’ fluisterde hij.

‘Dat geeft niet,’ zei Amanda. ‘Soms is iets te pijnlijk om te delen.’ Ze glimlachte naar hem en liep toen zonder nog iets te zeggen bij hem weg.

-3-

Vijf dagen waren we haar kwijt. Helaas kan ik niet zeggen dat de politie erg snel in actie kwam. Ze was zestien, zeiden ze, en was vast op sjouw met vrienden. Bovendien was ze al vaker van huis weggelopen en zelfs een keer na een ruzie met Gerlof een avond en een nacht onvindbaar geweest. Maar deze keer was er geen sprake van ruzie. We hadden ’s avonds gegeten – jambalaya, haar favoriete gerecht – en daarna was ze met Timo nog even het water op gegaan in een Optimist. Hij zei dat hij bij terugkomst naar bed was gegaan en Insa niet meer had gezien.

Pas tegen de avond van de tweede dag begon de politie te beseffen dat dit niet een geval van ‘opnieuw weglopen’ was en startte een zoekactie op, die eindigde in de grootste nachtmerrie die je je als moeder kunt voorstellen.

Toen ze gevonden werd, mochten we haar niet meteen zien; er moest sectie worden verricht, maar ook daarna moesten we wachten tot ze haar ‘toonbaar’ hadden gemaakt. Tot op de dag van vandaag probeer ik niet te veel over dat gegeven na te denken, over hoe ze eruitzag toen ze haar uit het water haalden. Of het erg veel verschilde van hoe we haar op die tafel onder dat laken zagen liggen, kan ik me moeilijk voorstellen; het was afgrijselijk.

..

Nadat de ochtendbriefing over de dagplanning is afgerond, besluit ik met mijn groepje de geplande theorieles buiten aan een van de picknicktafels op het binnenplein te doen. Bij de oudere deelnemers wordt de theorie ’s avonds gegeven, na het eten, maar omdat de kleintjes dan maar een halfuurtje recreatietijd zouden hebben (ze moeten van ons om halfnegen naar bed), doe ik het voordat we het water op gaan.

Ik geef de vijf kinderen opdracht hun boekje te halen en terwijl ik buiten op hen wacht, laat ik mijn blik over de gebouwen van de zeilschool gaan. Nog steeds ben ik trots dat we nog bestaan. Het was kantje boord vorig jaar. En al zijn er vele momenten geweest dat ik er de brui aan wilde geven – wat kon mij die zeilschool schelen, mijn dochter was dood! – nu ben ik blij dat ik dat niet heb gedaan. Oké, met wat hulp van Jort en Silke. Als zij er niet waren geweest, hadden ze mij net als Insa ergens uit het water kunnen vissen. Hoe vaak ik niet met de gedachte heb rondgelopen er een einde aan te maken. Eén keer is het me zelfs bijna gelukt. Het was Jort die me bijtijds vond, en het verdriet van hem en Silke hebben me weerhouden van verdere pogingen.

Aan de andere kant van het binnenplein zie ik Jelmer en Thymen mijn kant op komen. Ze blijven buiten gehoorafstand staan, terwijl Jelmer iets zegt. Blijkbaar zint dat Thymen niet, wat duidelijk te zien is aan zijn geagiteerde houding. Thymen schudt zijn hoofd, zegt iets terug. Dan maakt hij een wegwerpgebaar en loopt weg in de richting van de steigers.

‘Denk erover na!’ hoor ik Jelmer nu roepen, maar Thymen reageert niet.

‘Meningsverschil?’ vraag ik als Jelmer dichterbij is gekomen.

‘Welnee,’ zegt hij meteen. ‘Ik vroeg hem iets voor me te doen. Of eigenlijk voor Timo, maar hij, eh… weet nog niet of het mogelijk is.’

‘Wat niet?’ wil ik weten.

‘Niet belangrijk,’ zegt hij meteen. Hij kijkt opzij en ik volg zijn blik, die op Thymen gericht is. Juist op dat moment kijkt Thymen om en werpt Jelmer een dodelijke blik toe. Nou, wat Jelmer hem ook gevraagd heeft, Thymen is er niet blij mee.

Jelmer lijkt zich er niets van aan te trekken en richt zijn aandacht nu op mij. ‘Trek je het een beetje?’ vraagt hij.

Ik hoor een tedere ondertoon in zijn stem en gek genoeg doet dat me goed. De laatste tijd denkt iedereen dat de rouw om mijn dochter voorbij is. ‘Je moet alles een keertje meemaken zonder haar,’ zei iemand niet zo heel lang na die vreselijke dag. ‘De eerste verjaardag, de eerste kerst, de eerste zomer. Als dat allemaal voorbij is, wordt het makkelijker.’

Degene die dat zei, ik weet niet meer wie, heeft duidelijk nog nooit een dierbare verloren. Er staat geen vaste tijd voor een rouwperiode. Het wordt niet makkelijker. En al helemaal niet als je een dochter verliest. Het is gewoon niet zoals het hoort; ouders horen hun kind niet te begraven. Het hoort andersom te zijn. Maar na een jaar wordt je verdriet eenzamer en vraagt niemand meer hoe het gaat. Of je het trekt. Behalve Jelmer.

Ik haal mijn schouders op. ‘Ik red me wel,’ zeg ik bij wijze van antwoord.

‘Dat vraag ik niet,’ zegt hij. Hij komt wat dichter bij me staan en legt zijn hand tegen mijn rug. ‘Je kunt altijd met me praten, dat weet je, hè?’ Hij ademt even diep in. ‘Insa was een prachtmeid,’ gaat hij dan onbevangen verder. ‘Ze had niet alleen een knap snoetje, maar ook een mooi karakter.’

Het is fijn dat iemand eens zo open over Insa praat; de meeste mensen vermijden haar naam. Toch verbazen zijn woorden me. Niet dat ze een knap snoetje had, want dat was inderdaad zo, maar wel over haar karakter. Zo goed kende hij Insa niet; ze trok eigenlijk altijd alleen met Timo op en die paar keer dat Jelmer met zijn zoon meekwam is amper genoeg om haar werkelijk te kunnen beoordelen.

‘Ze leek heel erg op haar moeder,’ gaat Jelmer zacht verder. Hij is ongemerkt dichter bij me komen staan en ik voel zijn lichaamswarmte tegen mijn arm. Het voelt niet onaangenaam.

Ik glimlach. ‘Charmeur,’ zeg ik.

‘Het is gewoon zo,’ voegt hij toe. ‘Ze had haar fraaie uiterlijk in ieder geval niet van een vreemde.’ En dan, terwijl hij over zijn neus wrijft: ‘En ook niet van Gerlof.’

Nu schiet ik in de lach. Gerlof is inderdaad niet vreselijk knap, maar ook niet lelijk. Eigenlijk gewoon doorsnee. En als je verliefd bent zie je alleen maar de mooie dingen van elkaar, zoals ik ook in Gerlof zag. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat het niet vanwege zijn karaktereigenschappen was dat hij bij ons wegging; hij kon gewoon niet meer dealen met het verdriet dat voortdurend tussen ons in hing.

‘Fijn dat je toch weer een beetje kunt lachen,’ zegt Jelmer. Hij brengt zijn gezicht wat dichter bij dat van mij en vervolgt zacht: ‘Dat doet me goed.’

Mijn blik vindt die van hem en even kijken we elkaar alleen maar aan. Dan zeg ik: ‘Ik zal toch verder moeten.’

Jelmer wil iets antwoorden, maar dan rent Michel, een van de kinderen uit mijn groepje, op ons af. Hij roept hard dat hij zijn boekje heeft. Vlak achter hem aan komen de andere kinderen.

‘Ik moet aan het werk,’ zeg ik met een glimlach tegen Jelmer.

Hij trekt een teleurgesteld gezicht. ‘Jammer. Misschien kunnen we vanavond iets drinken?’

‘Vanavond hebben we een speciaal avondprogramma met nautische spelletjes,’ zeg ik. ‘Om de theorie te oefenen.’

‘Morgen dan?’ probeert hij.

Ik denk even na. Niet omdat ik niet weet of ik dan tijd heb, maar meer omdat ik niet weet of ik dat wil. Het is allemaal nog zo kortgeleden, van Insa, en Gerlof.

Je moet weer gaan leven, mam!

Ik hoor het Silke nog zeggen, die keer nadat ik het bijna had opgegeven. Ja, ik moet weer gaan leven. Maar hoe doe ik dat als ik alleen maar bezig ben met óverleven?

Voor hen, schiet het door me heen. Voor Jort en Silke. Zij hebben me nodig. Insa zou niet anders gewild hebben. Ze was zo verstandig, mijn meisje. Ik vang Jelmers verwachtingsvolle blik en besef dan ineens dat ik écht verder moet. Gerlof komt niet meer terug en Insa al helemaal niet. Ik zal mijn leven zélf weer vorm moeten geven.

‘Dat lijkt me leuk,’ zeg ik.

‘Om acht uur bij de bar?’ stelt hij voor.

Ik schud mijn hoofd. ‘Dan is er recreatie. Halfnegen is handiger, dan zijn de kleintjes naar bed en is het een stuk rustiger.’

‘Halfnegen dan,’ bevestigt Jelmer. En met een glimlach: ‘Ik kijk ernaar uit.’

Als ik net met mijn cursisten aan de picknicktafel zit en ze allemaal hun boekje Onder zeil! hebben geopend, zie ik Timo achter het hoofdgebouw vandaan komen. Hij slentert langs de dubbele deuren in de richting van de steigers en lijkt diep in gedachten. Hij is veranderd in de twee jaar dat ik hem niet gezien heb. Toen was hij nog zo’n slungel, met ledematen die te lang leken voor zijn lichaam. Nu is hij een jongeman die gezien mag worden. Met zijn lichtblonde haar en gebruinde huid is hij knapper dan ik me herinner. Kortweg: hij is volwassen geworden. En dat raakt me. Dat hij ouder zal worden. Zijn leven zal leven, nieuwe mensen ontmoeten, een beroep zal leren. Misschien wel trouwen en kinderen krijgen. Opa zal worden. Terwijl Insa altijd zestien zal blijven.

Ik kijk hem na als hij de steiger af loopt en in een van de Pico’s stapt. Hij ziet er eenzaam uit en voor het eerst besef ik dat ik niet de enige ben met de pijn van verlies. Jort en Silke zullen Insa net zo missen als ik. Haar vrienden en vriendinnen. En Timo…

Ik zie hem de boot losmaken. Wat gaat hij eigenlijk doen? Heeft hij geen les van Thymen in de Randmeer? Hij zal dat diploma niet in zijn schoot geworpen krijgen. Zeilen kan hij, maar om vaardigheidsniveau vier te halen zal hij wel wat moeten doen.

Ik wil net opstaan om nog even snel naar hem toe te lopen als ik Walt vanuit het hoofdgebouw naar buiten zie komen. Op weg naar zijn auto om naar de groothandel te gaan, vermoed ik. Hij wordt gevolgd door twee mannen die ik niet ken.

‘Deze heren willen je even spreken, Hester,’ zegt Walt. Zijn gezicht staat bezorgd, wat me doet vermoeden dat het niet om nieuwe cursisten gaat. De twee heren zijn op een afstandje blijven staan.

‘Bekijken jullie het stukje over afvaren en aankomen maar even,’ zeg ik tegen de kinderen, die stuk voor stuk met veel interesse naar de nieuwkomers kijken. ‘Het begint op bladzijde 22.’ En tegen de twee oudsten van tien: ‘Jullie twee helpen de jongsten even, oké?’

Er wordt meteen driftig in de boeken gebladerd.

Ik sta op. ‘Waar gaat het over?’ vraag ik aan Walt, terwijl we naar de twee mannen toe lopen.

‘Ze zijn van de politie,’ zegt Walt.

‘Politie?’ herhaal ik. ‘Wat komen ze doen?’

‘Dat kunnen ze je beter zelf vertellen,’ zegt Walt. ‘Ik zie je zo binnen wel weer. Ik ben in de keuken.’ Als hij langs hen loopt, knikt hij de politiemensen toe en laat mij bij hen achter.

‘Mevrouw Van Oosterom?’ vraagt een van hen, de langste en overduidelijk de jongste van het stel. Zijn haar is naar achteren gekamd en voorzien van een behoorlijke hoeveelheid gel. Of wax. Of wat ze ook gebruiken tegenwoordig. Zijn ogen zijn donker en hebben een nieuwsgierige uitdrukking.

‘Dat klopt,’ zeg ik. Ik kan er niets aan doen dat ik onwillekeurig in mijn hoofd naga waar mijn kinderen zijn. Silke geeft les aan de Learling-groep. Jort is met Felix en hun groepen bezig de polyvalken klaar te maken voor hun tocht naar het Slotermeer. Zij zijn in orde, dat kan niet anders. Is het dan misschien…

‘Is er wat met mijn ex gebeurd?’ vraag ik.

De lange politieman kijkt even opzij naar zijn collega – normale lengte, stroblond haar, lichte ogen en een jaar of vijftien ouder – en dan weer naar mij. ‘Sorry?’ zegt hij.

‘Met Gerlof Wijbrants,’ licht ik toe. ‘Mijn ex. Is hij oké?’

‘Dat… denk ik wel,’ zegt de oudere politieman. ‘Het is niet vanwege hem dat we hier zijn.’

Ondanks het feit dat Gerlof en ik al anderhalf jaar uit elkaar zijn en ik geen flauw idee heb waar hij zich momenteel bevindt, kan ik niet voorkomen dat ik opgelucht zucht.

‘Ik ben Wouter de Groot, rechercheur,’ zegt de oudste, terwijl hij een legitimatiepasje omhooghoudt. Hij wijst opzij. ‘Dit is mijn collega Peter Kleinsma.’ Zijn blik gaat even het binnenplein rond. ‘Kunnen we ergens rustig praten?’

‘In mijn kantoor,’ zeg ik en ik ga hun voor het hoofdgebouw in. Bij de receptie zie ik Roelie staan en ik vraag haar of ze even op mijn groepje buiten wil letten. Daarna loop ik door naar het achterste gedeelte van de boerderij waar de kantoorruimten zich bevinden, en laat de twee politiemensen plaatsnemen op de stoelen die voor mijn bureau staan. Zelf ga ik erachter zitten.

‘Afgelopen vrijdag is het lichaam van een jonge vrouw gevonden,’ steekt De Groot van wal. ‘Ze was al een paar dagen vermist. Misschien hebt u erover in de krant gelezen?’

Verbouwereerd staar ik hem aan. ‘Wat? Ik… Nee, in de zomermaanden, als de zeilschool op volle toeren draait, lees ik geen kranten. Daar heb ik helemaal geen tijd voor.’

‘Ze is in het water van het Slotermeer gevonden,’ vult Kleinsma aan.

Gek genoeg valt me nu de ironie pas op. De kleinste van de twee heet De Groot en de lange heet Kleinsma. Hilarisch.

Mijn blik gaat van De Groot naar Kleinsma. ‘Waarom komen jullie dat aan mij vertellen?’ vraag ik. ‘Is het vanwege… omdat Insa…’

De Groot trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Insa?’

‘Mijn… mijn dochter,’ zeg ik.

‘Het is niet uw dochter, mevrouw Van Oosterom,’ zegt Kleinsma. ‘Het betreft Marije van Steenwijk. Zij was…’

‘Marije?’ onderbreek ik hem. ‘Is Marije… is ze…’

‘Zij was cursist bij uw school,’ maakt Kleinsma zijn zin af.

‘J-ja,’ beaam ik. ‘In het laatste pinksterweekend. Geen blijvertje, dat wist ik meteen.’

‘En daar bedoelt u mee…?’

Mijn blik gaat naar de lange man. ‘Dat het eenmalig was. Ze vond zeilen leuk, maar het was niet haar passie. Ik wist vrijwel direct dat ze niet meer zou terugkomen.’

‘Was ze hier intern?’ vraagt Kleinsma. ‘Tijdens de cursus, bedoel ik.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Ze woont hier niet zo ver vandaan, in Lemmer. Woonde…’ verbeter ik mezelf zacht. Ik sla mijn hand voor mijn mond als ik pas goed besef wat het betekent. ‘Wat is er eigenlijk gebeurd? Is ze…’

‘Daar kunnen we nog niet verder op ingaan,’ zegt De Groot. ‘U hebt haar niet gezien? In de week van 4 juli?’

Weer schud ik mijn hoofd. ‘Hoezo? Waarom zou ze hier naartoe komen? Ze had geen cursus geboekt. En zoals ik al zei, verwachtte ik dat ook niet.’

‘Marije dacht daar zelf blijkbaar anders over,’ zegt Kleinsma. ‘Tegen haar ouders had ze gezegd dat ze zeilen heel erg leuk vond en graag deze zomer nogmaals een cursus wilde gaan volgen.’

Sprakeloos staar ik hem aan. Marije had niet bepaald uitgeblonken in enthousiasme, dat pinksterweekend. Ze was op me overgekomen als een gemakzuchtig meisje: als ze ergens haar best voor moest doen, dan hoefde het voor haar niet meer. En aangezien de zeilkunst niemand zomaar komt aanwaaien, was het voor mij overduidelijk dat haar bezoek eenmalig zou zijn. Nee, ze had meer interesse in jongens gehad en had dat ook duidelijk tentoongespreid.

‘Dat verbaast me,’ zeg ik. ‘Ik zal het dan wel verkeerd hebben gezien.’

‘Maar ze heeft dus geen contact met uw zeilschool gehad over een eventuele vervolgcursus?’

Voor de derde maal schud ik mijn hoofd. ‘Misschien wilde ze volgend jaar nog een keer,’ zeg ik. Al kan ik me dat écht niet voorstellen.

Kleinsma’s ogen haken in die van mij. ‘U begon net over uw dochter, Insa. Bent u bang dat haar iets overkomt?’

Ik staar hem aan. Bedoelt hij nou dat hij écht niks weet over Insa?

‘Insa…’ begin ik, maar mijn stem klinkt zo schor dat ik eerst mijn keel moet schrapen. ‘Mijn dochter,’ zeg ik dan. ‘Insa. Ze is dood. Ik dacht dat… omdat zij ook in het Slotermeer is gevonden, dat jullie om haar… vanwege dat feit langskwamen.’

Het blijft stil. Niets wijst erop dat ze het wisten. Of niet wisten. Ze zijn hier omdat Marije bij ons op kamp is geweest. Om navraag te doen of we haar gezien hebben. Of ze misschien een nieuwe cursus is komen boeken.

‘Het spijt me,’ zegt Kleinsma. ‘Van uw dochter.’

Mij ook, wil ik zeggen, maar ik doe het niet. Wat heeft het voor zin?

‘Ik weet dat u geen details kunt geven,’ zeg ik. ‘Maar is er misschien… Ik bedoel, er is nooit een dader gepakt voor de… de moord op mijn dochter. Is er misschien een verband?’

De Groot wil iets zeggen, maar Kleinsma heft zijn hand. ‘Daar gaan we zeker naar kijken, mevrouw Van Oosterom. We houden u op de hoogte.’

Tien minuten later zit ik nog steeds roerloos achter mijn bureau. De twee rechercheurs zijn allang weer weg, maar toch kan ik me er niet toe zetten om terug te gaan naar mijn cursisten.

Marije. Hoe oud was ze geweest, zeventien? Niet ouder in ieder geval. Eerder jonger. Zestien? Net zo oud als Insa toen?

Kou trekt in me omhoog.

‘Hester?’

Het is Walt die in de deuropening van mijn kantoor staat.

‘Wat hadden ze?’ vraagt hij.

Ik ga rechtop zitten, duw mijn rug tegen de leuning van mijn stoel. ‘Ze hebben Marije gevonden,’ zeg ik. ‘Dood.’

‘Marije?’

‘Marije van Steenwijk. Ze was hier met Pinksteren.’

Walt schudt zijn hoofd. ‘Ik kan me haar niet herinneren,’ zegt hij.

Dat is ook niet zo heel gek. Als kok heeft hij veel minder contact met de cursisten dan de instructeurs. Soms zit er iemand tussen die hij beter leert kennen, Timo bijvoorbeeld. Maar Marije, van wie ik had gedacht dat ze jongens toch een stuk interessanter vond dan zeilen, dat was een van die cursisten die komt en gaat, zonder echt indruk op iemand te maken, laat staan op Walt.

Of op mij.

‘Ze was niet zo enthousiast,’ zeg ik. ‘Of tenminste, dat dacht ik.’

‘Hoe bedoel je?’

Ik kijk naar hem op. ‘Volgens de politie heeft ze tegen haar ouders gezegd dat ze een vervolgcursus bij ons wilde gaan doen. Omdat ze zeilen zo leuk vond.’

‘Dus daarom kwamen ze hier,’ deduceert Walt. ‘Omdat ze hier een cursus heeft gevolgd.’

‘En omdat ze blijkbaar dus toch nieuwe lessen wilde boeken.’

Walt wrijft over zijn kin. ‘Hebben ze het nog over Insa gehad?’

‘Nee. Daar wisten ze volgens mij niet eens iets van.’ Terwijl ik het zeg vraag ik me af of ze het werkelijk niet wisten. Het was een enorme opschudding, de dagen dat Insa vermist werd, en al helemaal nadat ze gevonden was. Elke agent bij de Friese politie zal zich dat toch wel herinneren? Of denk ik dat alleen maar omdat ik Insa’s moeder ben? Omdat ze geen seconde uit mijn gedachte is?

‘Ze zien geen… verband?’ hoor ik Walt vragen.

Zijn aarzeling valt op en ik glimlach. Nog altijd wil hij me sparen. Wil hij de pijn van alles wat met Insa te maken heeft bij me weghouden. Wanneer beseft hij nou eens dat dat onmogelijk is?

‘Vooralsnog niet,’ zeg ik. ‘Ze zouden ernaar kijken.’

Walt zwijgt, terwijl hij nog steeds in de deuropening staat. ‘Het is vast gewoon toeval,’ zegt hij uiteindelijk.

‘Ja,’ zeg ik automatisch. Maar diep vanbinnen knaagt een akelig gevoel.

-4-

De medelijdende blikken waren het ergst. Ik kon nergens naartoe zonder dat de mensen naar me keken, hun hoofden naar elkaar toe bogen en met elkaar fluisterden. Vonden ze me zielig? Waren ze dankbaar dat het niet hún kind was dat uit het water was gevist? Of beschuldigden ze me ervan een slechte moeder te zijn? Dat ik beter op mijn dochter had moeten passen? Misschien vonden ze wel dat het Insa’s eigen schuld was, dat ze erom gevraagd had. Tenslotte was ze ontkleed gevonden. Naakt.