Raji: Boek Twee - Charley Brindley - E-Book

Raji: Boek Twee E-Book

Charley Brindley

0,0
2,99 €

Beschreibung

Raji wordt toegelaten aan de prestigieuze Octavia Pompeii Academy. Zij en Elizabeth Keesler zijn de enige meisjes van de honderd nieuwe studenten. Ze moeten de vernederingen en pesterijen ondergaan van de achtennegentig jongens die niets liever zouden willen dan dat de meisjes stoppen met studeren. Bovenop de minachting van de studenten en de hoge eisen die gesteld worden door de instructeurs, moeten ze ook de strikte discipline ondergaan die de onverschrokken directeur van Ontwikkeling, Elvira Gulch, hen oplegt.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern

Seitenzahl: 403

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0



Raji

Boek twee: De academie

door

Charley Brindley

[email protected]

www.charleybrindley.com

Vertaald door

Leen Vermeersch

Fool Stop vertaling en correctie

Website https://www.foolstop.be

Omslagontwerp door

Charley Brindley

© 2019

Alle rechten voorbehouden

© 2019 Charley Brindley, alle rechten voorbehouden

Gedrukt in de Verenigde Staten van Amerika

Eerste uitgave februari 2019

Dit boek is opgedragen aan

Avery, Dylan, Jylynn en John Pipkins

Sommige boeken van Charley Brindley

zijn vertaald in het:

Italiaans

Spaans

Portugees

Frans

Nederlands

Turks

Chinees

en

Russisch

De volgende boeken zijn verkrijgbaar als audioboek:

Raji, Boek een (in het Engels)

Do Not Resuscitate (in het Engels)

The Last Mission of the Seventh Cavalry (in het Engels)

Hannibal’s Elephant Girl, Book One (in het Russisch)

Henry IX (in het Italiaans)

Andere boeken van Charley Brindley

1. Oxana’s Pit

2. Raji, Boek een: Octavia Pompeii

3. Raji, Boek drie: Dire Kawa

4. Raji, Boek vier: The House of the West Wind

5. The Last Mission of the Seventh Cavalry

6. Hannibal’s Elephant Girl, Book One Tin Tin Ban Sunia

7. Hannibal’s Elephant Girl: Boek twee: De reis naar Iberia

8. Cian

9. Ariion XXIII

10. De laatste plaats in de Hindenburg

11. Dragonfly vs Monarch: Book One

12. Dragonfly vs Monarch: Book Two

13. The Sea of Tranquility 2.0 Book One: Exploration

14. The Sea of Tranquility 2.0 Book Two: Invasion

15. The Sea of Tranquility 2.0 Book Three:

16. The Sea of Tranquility 2.0 Book Four: The Republic

17. The Rod of God, Book One

18. Sea of Sorrows, Book Two of The Rod of God

19. Do Not Resuscitate

20. Henry IX

21. Qubit’s Incubator

Binnenkort verkrijgbaar

22. Dragonfly vs Monarch: Book Three

23. The Journey to Valdacia

24. Still Waters Run Deep

25. Ms Machiavelli

26. Ariion XXIX

27. The Last Mission of the Seventh Cavalry Book 2

28. Hannibal’s Elephant Girl, Book Three

Meer details over andere boeken vind je op het einde van dit boek.

Inhoud

Chapter One

Chapter Two

Chapter Three

Chapter Four

Chapter Five

Chapter Six

Chapter Seven

Chapter Eight

Chapter Nine

Chapter Ten

Chapter Eleven

Chapter Twelve

Chapter Thirteen

Chapter Fourteen

Chapter Fifteen

Chapter Sixteen

Chapter Seventeen

Chapter Eighteen

Chapter Nineteen

Chapter Twenty

Chapter Twenty-One

Chapter Twenty-Two

Chapter Twenty-Three

Chapter Twenty-Four

Chapter Twenty-Five

Chapter Twenty-Six

Chapter Twenty-Seven

Chapter Twenty-Eight

Chapter Twenty-Nine

Chapter Thirty

Hoofdstuk een

Ik stond op het podium met de andere negenenveertig studenten en veegde met bibberende vingers langs mijn wangen terwijl ik naar Fuse keek. Hij stond op de derde rij in het publiek, naast zijn moeder. Iedereen in het auditorium applaudisseerde voor de nieuwe eerstejaars.

Ik mag hier niet staan.Ik heb zijn plaats op de academie ingenomen en daar had ik het recht niet toe.

Ik gluurde om me heen naar mijn medestudenten en ik zag dat er achtenveertig jongens en een ander meisje was: Elizabeth Keesler. Ze stond naast me en hield mijn hand stevig vast.

Onder de 250 studenten die aanwezig waren op de eerste dag van de wedstrijd, waren er acht meisjes, maar tegen het einde van de week waren het alleen Liz en ik die de top vijftig gehaald hadden. Vincent Fusilier - of 'Fuse' zoals zijn vrienden hem noemden - had ook deelgenomen aan de wedstrijd, maar hij had niet genoeg gescoord om naar de nieuwe klas te mogen.

Fuse heeft de afgelopen negen jaar op school gezeten en ik heb nog nooit een uur in een klaslokaal doorgebracht. Hoe oneerlijk is dat? Ik zal vragen aan dr. Pompeii om me te schrappen en mijn plaats aan...

Mijn gedachten werden onderbroken toen dr. Octavia Pompeii weer naar het midden van het podium liep. Het publiek werd stil en ging zitten, waarna dr. Pompeii naar voren leunde en haar handen op de katheder plaatste.

"Mag ik u voorstellen: de eerstejaars van de Octavia Pompeii Academy voor het jaar 1926." Haar stem klonk verbazend krachtig voor een tengere vrouw van drieënveertig. Ze wachtte tot het applaus stilviel en ging dan verder. "Ouders, familieleden en vrienden, neem afscheid van uw kind voor de volgende vier maanden, want ze zullen hard aan het werk zijn tot de kerstvakantie."

Doorheen het gemompel en gefluister van het publiek hoorde ik een laag gefluit en ik wist dat het Fuse was. Ik zwaaide naar hem en glimlachte, en hoopte dat hij de tranen niet kon zien die over mijn wangen stroomden.

"De stad Richmond heeft in 1917 land geschonken voor deze academie," zei dr. Pompeii. "In de negen jaar die daarop volgden, heeft hier geen enkel meisje gestudeerd. Het is dan ook met veel genoegen dat ik Elizabeth Keesler en Rajiani Devaki verwelkom vandaag." Ze stopte even om naar mij en Liz te kijken en wendde zich dan weer naar het publiek. "De eerste vrouwen die aan de academie studeren."

"Heb je dat gehoord, Raji?" fluisterde Liz. "Ze noemde ons 'vrouwen'."

Ik knikte.

"Jullie lijken eerder twee bange meisjes," zei iemand stil achter ons.

We keken om, maar het enige wat we zagen waren een dozijn grijnzende gezichten met ogen die strak voor zich uit keken.

"Ze halen het einde van de eerste week niet," fluisterde een andere jongen links van ons.

Liz en ik keken met een ruk naar links, maar we konden de schuldige niet betrappen.

"Wedden dat ze tegen woensdagavond huilend naar hun mama lopen?" zei nog een andere jongen. "Een van de twee is nu al aan het janken."

Ik hoorde een ingehouden gegiechel en wilde kijken wie het was, maar Liz hield me tegen. "Dat zullen we nog wel zien," fluisterde ze, "is het niet?"

"Ja," zei ik, maar ik was vastbesloten om tegen dr. Pompeii te zeggen dat ik mijn plaats aan Fuse wilde afstaan. Elizabeth zou dan wel het enige meisje zijn om het gepest en getreiter van de jongens te doorstaan. Ik keek naar Liz.

Ze is sterk genoeg. Ze zal ze wel alleen aankunnen.

Dr. Pompeii ging verder. "Wil iedereen nu rechtstaan voor het doorgeven van de vlaggen?"

Ze stapte achteruit en drie laatstejaars in gala-uniform marcheerden het podium op met de vlaggen van de academie. De cadetten marcheerden op een rij met vooraan de Amerikaanse vlag, gevolgd door de vlag van Virginia en dan de vlag van de Octavia Pompeii Academy. Toen ze in het midden van het podium waren, tegenover de nieuwe eerstejaars, stapten ze links uit de flank, waarna ze alle drie naast elkaar in de houding stonden met hun gezicht naar het publiek. De drie studenten voerden elke beweging met prefecte militaire precisie uit. Na een paar tellen, alsof er een stil commando gegeven werd, lieten ze de uiteinden van de vlaggenstokken op de grond vallen. Hun bewegingen waren zo synchroon dat de drie bonzen van de vlaggenstokken op de vloer van het podium als een enkele bons klonken. Dan hielden ze de vlaggenstokken schuin naar voor en gingen ze in de rusthouding staan. De twee cadetten met de Amerikaanse en de Virginiaanse vlag droegen elk een houten doos met een glazen deksel in hun linkerarm.

Achter me hoorde ik goedkeurend gefluister van een paar eerstejaars, maar een scherpe blik van dr. Pompeii legde hen het zwijgen op.

Een andere cadet uit het laatste jaar kwam het podium opgemarcheerd, passeerde voor de vlaggendragers en ging dan voor de katheder staan.

“Ga zitten, alstublieft," zei de cadet en wachtte dan tot iedereen neerzat. "Ik ben cadet-sergeant Benjamin Smith. Onze vlaggendragers bekleden een verheven en erg gewaardeerde positie binnen de groep laatstejaars. Hun taken bestaan niet alleen uit het bewaken en beschermen van onze vlaggen, maar ook uit elke dag de vlaggen op de campus hijsen en strijken." Hij was even stil voor hij verderging. "De Amerikaanse vlag..."

Cadet Wilson, die de Amerikaanse vlag droeg, draaide naar rechts, nam zes passen en liet dan de vlaggenstok zakken tot een hoek van vijfenveertig graden zodat de vlag neerhing van de stok. Er klonken een paar stille opmerkingen uit het publiek toen bleek dat de vlag versleten was en er vlekken op zaten. Hij was ook gescheurd en er zaten verschillende kleine, ronde gaten in.

"De vlag die u hier ziet, is een replica van de vlag die cadet Wilson in de houten doos draagt."

Cadet Wilson hield de houten doos met het glazen deksel naar het publiek. Iedereen kon de opgevouwen Amerikaanse vlag erin zien liggen.

"De reden waarom we een replica laten zien, is omdat de originele vlag in de doos te waardevol en kwetsbaar is om dagelijks te gebruiken." Cadet Smith keek naar de linkerkant van het podium. "Het is een eer dat we vandaag een soldaat in ons midden hebben die rechtstreeks kennis heeft over de geschiedenis van deze vlag."

Een soldaat in een blauw gala-uniform van de marine en een witte pet stapte het podium op vanuit de coulissen. Hij liep langzaam en gebruikte een wandelstok ter ondersteuning, maar zijn houding was nog altijd recht. Het duurde even voor hij de katheder bereikt had.

"Sergeant William Jensen," zei cadet Smith, "Amerikaans marinierskorps."

Sergeant Jensen kreeg een luid applaus en dan salueerde cadet Smith snel. De marinier stopte, nam zijn wandelstok in zijn linkerhand en salueerde ook. Toen hij zijn hand liet zakken, stak hij hem uit voor een handdruk.

Cadet Smith liet sergeant Jensen alleen bij de katheder en ging naast dr. Pompeii staan. Sergeant Jensen nam zijn pet af en plaatste hem onder zijn arm.

"Teufel Hunden," sprak hij door de micro. Na een korte stilte herhaalde hij: "Teufel Hunden is hoe de Duitsers ons noemden tijdens de Slag bij het Belleaubos. De ruwe vertaling is 'duivelshonden'. Het was in mei 1918, precies acht jaar geleden, dat generaal John J. Pershing de Amerikaanse mariniers beval om het Duitse leger te verdrijven uit een dicht bebost gebied op een zeventigtal kilometer ten westen van Parijs. Mijn eenheid was het tweede bataljon, vijfde marineregiment, onder leiding van kapitein Lloyd Williams.

"De eerste dag van het gevecht werden we zwaar onder vuur genomen door mitrailleurs en de Duitse artilleriegranaten landden steeds dichter bij onze linies. We kregen de opdracht in positie te blijven tot er versterking kwam. Dan moesten we de mitrailleursnesten uitschakelen en dieper het bos indringen om de artillerie het zwijgen op te leggen. Terwijl we onze loopgraven aan het graven waren, schreeuwde iemand: "Ze komen eraan!"

"We grepen ons geweer en richtten het op de groep soldaten in hemelsblauwe uniformen die over een lage heuvel klauterden en door een tarweveld naar ons toe kwamen gelopen. Maar voor we een schot gelost hadden, schreeuwde kapitein Williams: "Niet schieten! Ze zijn ongewapend." Nadat hij een ogenblik de mannen bekeken had, zei hij: "Het zijn Fransen!" We lieten onze geweren zakken en maakten plaats voor de Franse soldaten die door onze linies heen tot achteraan liepen.

"Een Franse officier struikelde toen hij rende om zijn mannen in te halen. Hij herwon zijn evenwicht en riep naar kapitein Williams: 'U moet zich samen met ons terugtrekken, we worden overmand!'

"Kapitein Williams riep naar de rug van de rennende Fransman: 'Terugtrekken? We zijn hier verdorie nog maar pas!'"

Sergeant Jensen wachtte tot het beleefde gelach stilviel.

Het was moeilijk voor mij om al zijn woorden te begrijpen. Zelfs na een jaar in Virginia was mijn Engels nog niet erg goed. Als ik zijn lippen kon zien, zou ik hem misschien beter verstaan, maar ik snapte wel dat hij sprak over een veldslag tijdens de Grote Oorlog die nog maar een paar jaar geleden beëindigd was.

"Nadat we twee uur gewacht hadden op de beloofde versterking en er heel veel slachtoffers gevallen waren door het onophoudelijke Duitse artillerievuur, klom kapitein Williams naar het voorste deel van onze loopgracht om de bosrand aan de overkant van het tarweveld in het oog te houden met een verrekijker.

"Hij liet zijn verrekijker, die rond zijn hals hing, zakken en riep: "Kom op, het is zover!"

"Het bleef even stil terwijl de mariniers naar elkaar keken. Niemand weet wat er in die mannen omging; het enige dat ik weet, is dat ik dacht aan het motto van het Marinierskorps: esprit de corps. Dat heeft weinig te maken met de vijand, of met kapitein Williams, of zelfs met de oorlog. Maar het heeft alles te maken met het broederschap van het regiment. Een groep mannen die als een eenheid verbonden is en als een geheel functioneert. Het was die eenheid die ervoor zorgde dat ons peloton sterker was dan zijn aparte individuen. Samen konden we winnen.

"Van ergens in het midden klonk een strijdkreet en dan, met een luide schreeuw, klommen vijfhonderd mariniers uit de loopgraven om hun kapitein te volgen over het tarweveld dat ons van het bos scheidde.

"Onze vlaggendrager die de Amerikaanse vlag droeg, was de eerste die sneuvelde. Hij werd tweemaal geraakt door mitrailleurvuur. De vlag viel op de grond, maar werd onmiddellijk opgeraapt door een andere soldaat die naar voren rende en de aanval over het tarweveld leidde. Kogels schoten de vlag aan flarden en versplinterden de houten vlaggenstok.

"De vaandeldrager struikelde en viel neer. De vlag viel op het bloederige lijk van een andere marinier. Een derde soldaat nam de vlag, duwde de vlaggenstok in de grond en ging er dan naast op een knie zitten. Hij tilde zijn Springfieldgeweer op en opende het vuur op een Duits mitrailleursnest. De rest volgde zijn voorbeeld en al gauw zweeg de mitrailleur. De soldaat trok de vlaggenstok uit de grond en rende over het tarweveld terwijl hij een strijdkreet liet horen. De rest volgde hem op de hielen; we veroverden snel de mitrailleursnesten en namen de Duitse artillerie-eenheid gevangen.

"De duivelshonden," vertelde sergeant Jensen, "verloren meer manschappen tijdens de Slag bij het Belleaubos dan ooit tevoren.

"Deze vlag..." Hij wachtte even terwijl cadet Wilson zijn vlaggenstok rechtzette en naast sergeant Jensen ging staan. Cadet Wilson overhandigde de houten doos dan aan de sergeant. "... is niet zomaar wat stof en garen." Hij keek even naar het glazen deksel van de doos en draaide het dan zodat het publiek het kon zien. "Het is een heilige sluier die de geesten van de 1.811 soldaten bedekt die gestorven zijn in de Slag bij het Belleaubos terwijl ze de eer, de plicht en de vrijheid verdedigden waar deze vlag voor staat. Hij die nu in het bezit komt van dit icoon van heldhaftigheid en moed zal dezelfde heilige en ernstige taak krijgen als diegenen die gestorven zijn opdat ieder van jullie mag blijven in vrijheid leven. De nieuwe vlaggendrager zal met dezelfde hoge mate van waardigheid en respect worden behandeld als deze studenten met de vlag zelf moeten doen."

De sergeant zette een stap achteruit zodat cadet Smith terug kon keren naar de micro.

"Ik zal nu de naam aankondigen van de nieuwe laatstejaarsstudent die de vlaggendrager zal worden van de Amerikaanse vlag voor het academiejaar 1926." Hij vouwde een klein stukje papier open en keek dan rond naar het publiek. "De nieuwe laatstejaarsvlaggendrager is sergeant James Grayson."

Cadet Grayson sprong met een gil recht van zijn plaats achteraan in het publiek en haastte zich doorheen het centrale gangpad naar het podium. Het publiek applaudisseerde. Op het podium ging hij in de houding staan tegenover sergeant Jensen terwijl cadet Smith de microfoon vasthield voor de sergeant die naar cadet Grayson staarde terwijl hij wachtte tot het publiek weer stil was.

"Zweert u op uw eer," zei de sergeant tegen cadet Grayson, "dat u de traditie van respect en trouw aan de Amerikaanse vlag in ere zal houden, net als al uw voorgangers hebben gedaan aan de Octavia Pompeii Academy?"

"Dat zweer ik, sergeant."

"Zweert u dat u deze relikwie van eer zal beschermen tegen vuur en onweer en dat u haar veiligheid boven de veiligheid van uw eigen lijf en leden zal stellen?"

"Dat zweer ik, sergeant."

"Dan rest mij de grote eer de Amerikaanse vlag aan uw zorgen toe te vertrouwen."

De sergeant reikte de cadet de houten doos aan. De cadet nam hem aan, hield hem tegen zijn borst en draaide zich naar het publiek. Terwijl het publiek en de eerstejaars achter hem applaudisseerden, marcheerde cadet Grayson tot bij cadet Wilson. In een afgemeten en precieze beweging presenteerde cadet Wilson de vlaggenstok aan cadet Grayson. Na de overhandiging marcheerden ze allebei naar de linkerkant van het podium en gingen met het gezicht naar het publiek staan.

Cadet Benjamin Smith liep terug naar de katheder. "Graag stel ik u nu Calvin Hoskinson voor."

Een slanke jongeman stapte op het podium. Hij droeg een grijs uniform uit de Amerikaanse Burgeroorlog. Toen hij bij de katheder aankwam, schudde cadet Smith zijn hand en maakte dan plaats voor hem. De vlaggendrager met de vlag van Virginia zette een stap naar voor en liet de vlaggenstok zakken zodat de vlag mooi naar beneden hing.

Er zaten vlekken op de vlag, hij was gescheurd en er zaten verschillende kogelgaten in. Op de vlag stond de staatszegel van Virginia met een vrouwelijke krijger met een zwaard in haar rechterhand en haar rechtervoet op een liggend figuur die een tiran voorstelde van wie de kroon op de grond lag. Onder de twee figuren stond de Latijnse inscriptie Sic Semper Tyrannis: Zo vergaat het tirannen altijd. De achtergrond van de vlag was diepblauw.

De jongeman nam zijn pet af en stapte naar de katheder. "Mijn grootvader was soldaat Levin Hoskinson. Hij droeg de vlag van Virginia tijdens de Eerste Slag bij Manassas op 21 juli 1861. Zijn eenheid heette Virginia's Eerste Brigade, maar na het gevecht werd ze hernoemd tot de Stonewall Brigade, ter ere van haar commandant, generaal Stonewall Jackson.

"Generaal Jackson kreeg zijn beroemde bijnaam in het heetst van de strijd, toen de Geconfedereerde Staten terrein verloren. Brigadegeneraal Barnard Elliott Bee leidde de Derde Brigade van het Leger van de Shenandoah die zich op de linkerflank van generaal Jackson bevond. Hij schreeuwde: 'Daar staat Jackson als een stenen muur. Als we bereid zijn te sterven, zullen we overwinnen. Voeg je bij Virginia!'

"Generaal Bee stierf de dag na Manassas aan verwondingen die hij tijdens de strijd had opgelopen, maar Stonewall Jackson en zijn brigade leidden de aanval bij Manassas die het tij deed keren en die uiteindelijk de eerste overwinning van de oorlog opleverde voor het Geconfedereerde leger. Generaal Jacksons brigade vocht daarna nog achtendertig slagen uit tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Tijdens het conflict vochten meer dan zesduizend soldaten mee in de Stonewall Brigade, maar op het ogenblik dat ze zich overgaven in Appomattox, waren nog slechts tweehonderd haveloze, verslagen mannen over."

Calvin Hoskinson wachtte een ogenblik om het publiek de gelegenheid te geven even na te denken over de veldslag en de oorlog. Dan ging hij verder.

"Soldaat Lavin Hoskinson stierf die bloederige namiddag van 21 juli 1861. Hij was negentien, een jaar ouder dan ik nu ben.

"Mijn grootvader sneuvelde in Manassas, maar zijn vlag..." hij keek naar de drager van de Virginiaanse vlag die de doos met het glazen deksel zo hield dat het publiek de vlag erin kon zien, "...zijn vlag is hier vandaag en het is een eer voor mij dat ik gekozen ben om het bewaken van die waardevolle relikwie van ons heldhaftig verleden door te geven aan een nieuwe vlaggendrager."

Calvin wachtte tot het applaus wegebde en stapte dan opzij zodat cadet Smith de katheder kon gebruiken.

"De nieuwe bewaker van de Virginiaanse vlag is..." hij vouwde een vel wit papier open, "cadet-korporaal Fletcher Slaymaker."

Cadet Slaymaker sprong met een gil recht van zijn plaats tussen zijn ouders en haastte zich doorheen het centrale gangpad naar het podium.

Het publiek applaudisseerde terwijl hij door het gangpad liep.

Nadat de Virginiaanse vlag doorgegeven was aan cadet Slaymaker, ging hij bij de bewaker van de Amerikaanse vlag staan, terwijl Calvin Hoskinson naast sergeant Jensen ging staan. Ze schudden elkaar de hand en toen ging dr. Octavia Pompeii aan de katheder staan.

"De vlag van de Octavia Pompeii Academy is geen relikwie, maar hij wordt met evenveel eer en respect behandeld als de Amerikaanse en de Virginiaanse oorlogsvlag. Laten we hopen dat onze vlag nooit meegedragen wordt in de strijd, behalve als het voor tennis of schaak is." Ze wachtte tot het publiek weer stil was. "En daarin hebben we gezegevierd, is het niet, laatstejaars?"

De laatstejaars in het publiek juichten.

"En dat zullen we dit jaar ook weer doen..." ze keek naar ons, "of niet, eerstejaars?"

We juichten, zonder echt te weten waarvoor we juichten. Moesten we met andere scholen wedijveren in tennis en schaak? Ik hield niet echt van concurrentiestrijd, maar de jongens blijkbaar wel.

"De nieuwe vlaggendrager," zei dr. Pompeii, "van de vlag van de Octavia Pompeii Academy is..." Ze vouwde het vel papier open en er verscheen een verraste uitdrukking op haar gezicht, alsof het iemand totaal onverwachts was. Dan glimlachte ze tevreden en las de naam: "Cadet-korporaal Colt Handford."

Cadet Handford liep door het gangpad en sprong op het podium. Hij aanvaardde de enthousiaste handdruk van dr. Pompeii en ging dan in de houding staan om de vlag van de academie in ontvangst te nemen. Daarna nam hij zijn plaats in bij de andere twee vlaggendragers en glimlachte breed als het publiek zijn goedkeuring liet horen.

Hoofdstuk twee

“Hou je eens stil, Keesler,” zei Pepper tegen Liz terwijl ze de zoom van haar uniformrok vastspeldde.

Pepper was de secretaresse van dr. Pompeii. Ze was tweeëntwintig, Liz was zestien en ik veertien.

"Ik heb hoogtevrees," zei Liz. Ze knipoogde naar me.

Ik zat op mijn bed te kijken naar Liz die op een houten stoel stond terwijl Pepper Darling de lengte van haar rok aanpaste. "Miss Pepper," zei ik, "ik nodig moet spreken met dr. Pompeii."

"Waarom?" Pepper nam nog een speldje van tussen haar roodgeverfde lippen.

Ik dacht altijd in het Hindi, maar meestal sprak ik Engels. "Ik wil mijn plaats geven voor Fuse."

Liz en Pepper staarden me aan.

Het was de ochtend na de voorstelling op het podium en de overdracht van de vlaggen aan de nieuwe vlaggendragers. Ik had een slapeloze nacht achter de rug in de meisjesslaapzaal voor vier personen die Liz en ik deelden.

"Dat is onmogelijk." Pepper stak een speld in de zoom van de enkellange kaki rok.

"Dat kan je niet menen," zei Liz, "of wel, Raji?"

"Jawel, ik hoor hier niet."

“Daar heb je gelijk in," zei Pepper. "Draai je om, Keesler."

Liz keek over haar schouder naar Pepper. “Ze heeft evenveel recht om hier te zijn als ieder ander.” Liz was groot en slank, ze had krullend kastanjebruin haar dat tot halfweg haar rug reikte.

"Misschien," zei Pepper, "maar het is niet omdat ze een schaakwonder is dat ze door de eerste examenronde zal raken."

"Wie zegt dat?"

Pepper keek kwaad naar haar. "Heb je het schoolrapport gezien van Devaki?"

"Nee."

"Ik ook niet. En weet je waarom niet?"

Liz schudde haar hoofd.

"Omdat ze er geen heeft. Volgens mij is dat meisje nooit naar school geweest. Kom maar naar beneden, dan kunnen we zien of je jasje past."

“Ze is naar school geweest in India.” Liz stapte van de stoel en trok het jasje aan dat Pepper voor haar klaarhield. "Ze hebben waarschijnlijk helemaal geen rapporten daar."

Pepper keek even naar me met een opgetrokken wenkbrauw.

"Ze is waar, Liz. Ik ben nooit naar school geweest.”

"Als dat zo is," zei Liz, "hoe ben je dan uitgenodigd voor de wedstrijd?"

"Dat is het rare ding dat ik toch ook niet begrijp. Tot het moment waarop dr. Pompeii mijn naam zegt en nummer geeft voor wedstrijd, ik wist zelfs niet dit gebeurde met me."

"Wat vind je daarvan, Pepper?" zei Liz. "Ik dacht dat het door goede punten op school was dat je uitgenodigd werd om deel te nemen aan de wedstrijd voor de academie."

"Ja, zo of..." Pepper tilde de schoudervullingen van het jasje op en keek naar de handen van Liz. "Wil je de mouwen tot voorbij je pols, zo?"

Liz schudde met haar armen en keek naar beneden; dan trok ze haar linkermouw twee centimeter omhoog. "Tot hier zo."

Pepper speldde de zoom van de mouw vast. "Of uitzonderlijke intellectuele capaciteiten," vervolledigde ze haar gedachtegang.

Het jasje van Liz was een koningsblauwe blazer met een wapenschild dat op de linkerborstzak geborduurd was. Het wapenschild bestond uit gekruiste tennisrackets achter het schaakstuk paard. Een witte blouse en een gele das, samen met zwarte, hoge schoenen en onze kaki rok, zouden ons uniform vervolledigen. De kleuren en de stijl waren identiek aan het uniform van de jongens dat bestond uit een jasje en een lange broek.

"Wat is betekenis van ding je zei, miss Pepper?" vroeg ik.

"Slim zijn, zeker?" zei Pepper.

Liz glimlachte breed naar me.

"Trek je rok aan, Devaki," zei Pepper, "zodat ik de zoom kan inleggen."

"Maar waarom de moeite? Ik zal niet uniform nodig hebben."

"Ik voer alleen bevelen uit. 'Leg de zoom van hun uniform in voor de naaister,' zei dr. Pompeii tegen me, dus leg ik de zoom van jullie uniform in. Als jouw uniform nog een jaar ongebruikt in de kast blijft hangen, wat dan nog? Trouwens, je kan je plaats aan niemand afstaan."

"Het is mijn plaats. Waarom kan ik niet hem geven?"

"Als jij stopt, zal dr. Pompeii je vervangen door een van de plaatsvervangers."

“Is Fuse een van die plaatsvervangers?”

"Dat is vertrouwelijke informatie."

"Wat is wat je zegt?"

"Het is een geheim," zei Liz. Ze trok haar jas voorzichtig uit om zich niet aan de spelden te prikken.

“Maar jij weten dit geheim, miss Pepper?"

Pepper knikte.

"Waarom jij zegt het niet?"

"Wel, dan zou het geen geheim meer zijn, hé. Haast je wat met je rok, ik moet nog zeker vijftig rapporten typen."

Ik trok mijn rood-groene sari uit, legde hem op het bed, trok mijn slip recht en stapte in de lange rok. Ik hield hem vast rond mijn middel zodat hij niet van mijn heupen zou vallen.

"Wat ben je een klein, mager ding," zei Pepper terwijl ze de rok flink inpakte rond mijn middel.

* * * * *

Ik zat aan mijn bureau in de meisjesslaapzaal en staarde door het raam naar de vroege ochtendmist. Ik had een erg onbehaaglijk gevoel, alsof ik ergens anders moest zijn.

Die morgen toen Fuse en ik bovenop de silo klommen om naar de zonsopgang boven de Caroline Bellheuvel te kijken...

Een zuchtje wind roerde de mist buiten mijn raam tot piekerige slierten, maar dan viel hij neer als een dikke, natte deken.

Het was maar een herinnering... zo veraf, maar oh, zo mooi...

"Hé, dromer," zei Liz vanop haar bed, waar ze haar kousen aan zat te trekken. "Je hebt die blik weer."

Ik keek naar mijn kamergenote. "Ik weet het."

"Haast je maar wat als je pannenkoeken wil voor de jongens ze allemaal binnen schrokken."

"Ik niet veel honger."

"Maar ik wel, en je weet hoe erg ik het zou vinden om alleen met achtennegentig jongetjes te moeten eten."

De studentenpopulatie van de academie bestond uit honderd tieners - vijftig eerstejaars en vijftig laatstejaars.

"Jongetjes?"

"Ze zijn toch suf, klef, idioot, onnozel..."

"Vind je Fuse ook jongetje?"

Liz zuchtte en ging staan om haar jurk over haar hoofd te trekken. Ze streek het lichtblauwe linnen glad en trok dan het lijfje recht. "Nee, Raji. Ik vind dat Fuse een prins is." Ze draaide haar rug naar me toe terwijl ze de uiteinden van de stoffen riem achter zich uitstak. Onze schooluniformen waren nog niet terug van de naaister.

Ik nam de riem aan, trok hem strak en knoopte hem dan dicht in een grote strik.

"Hij is lief, schattig, intelligent," zei Liz, "en... even denken... wat heb je me nog verteld?"

"Slim, knap..."

"Ja, dat allemaal." Liz haalde nog een jurk uit haar kast en gooide hem naar me. "Ik heb een vraag voor je: als hij zo geniaal is, waarom heeft hij dan de top vijftig niet gehaald in de wedstrijd?"

"Rodger Kavanagh heeft Fuse verslaan met tennis." Ik hield de op maat gemaakte jurk omhoog bij de schouders en bewonderde hem. “En met schaak ook."

"Kavanagh heeft de plaats van Fuse niet afgepakt. Kavanagh versloeg iedereen met vlag en wimpel - behalve jou - met schaak."

"Mag ik je mooie jurk dragen deze dag?" Ik ging staan om hem tegen mijn lichaam te houden terwijl ik mijn rechtervoet vooruitzette om de kleurrijke stof te bewonderen.

"Ja, hoor, als je hem draagt om naar de kantine te gaan en te kijken hoe ik een stapel pannenkoeken verorber."

Ik glimlachte en tilde de boord van mijn roze nachtjapon omhoog om hem over mijn hoofd te trekken. Dan gooide ik de nachtjapon op mijn bed en stapte in de jurk. "Sorry, Liz, maar ik mis hem zo erg." Ik trok mijn haar, dat tot mijn middel reikte, uit de kraag en begon dan de jurk dicht te knopen in mijn nek.

"Ik mis mijn hondje ook, maar er komt een moment waarop je moet loslaten." Liz nam haar borstel van de commode.

"Waarom?"

Ze begon haar haar te borstelen. "Omdat ik liever de geheimen van de anatomie zou leren kennen dan de hele dag bij de haard te liggen terwijl een stinkende hond in mijn gezicht likt." Ze keek even naar mijn haar." Jouw haar is erg lang. Is het al ooit geknipt?"

"Ik vraag het me soms af."

"Of je haar al eens geknipt is of gaat het over die stinkende hond?"

Ik lachte.

"Dat is beter." Ze liet de borstel op haar onopgemaakte bed vallen. "Zo, laten we nu naar de kantine gaan en uitvinden hoeveel flauwe grappen we kunnen verdragen voor we moord en brand schreeuwen."

* * * * *

Ik zag Liz op een erg onelegante manier over een bank stappen in de kantine terwijl ik rondkeek op zoek naar een lege plaats aan de lange tafel.

"Appleby," zei ze en ze plaatste haar dienblad op de tafel, "moet je echt schaken terwijl we eten?"

Clayton Appleby, een eerstejaars, keek naar Liz die naast hem zat. “Hé, Keesler.” Hij likte ahornstroop van zijn vingers en pakte zijn zwarte paard vast. "Moet je echt eten terwijl we schaken?"

Ik ging tegenover Liz zitten en hield mijn knieën samen als ik op de bank schoof. Ik glimlachte naar Clayton en keek dan naar het schaakbord. Ik schudde heel lichtjes mijn hoofd terwijl ik mijn mes en vork vastnam.

Clayton zette zijn paard terug waar het stond. Andrew Hobbs keek van Clayton naar mij en weer terug. "Komaan zeg, Devaki. Ik had hem kunnen schaakmat zetten in drie zetten."

Liz onderdrukte een giechel en pakte het boterschaaltje. "Hobbs," zei ze terwijl ze boter op haar pannenkoek smeerde, "je kan nog geen koe schaakmat zetten." Ze gaf de boter aan me door.

Andrew keek naar Liz en dan naar de pion die Clayton naar voor gezet had. "Sorry, Keesler," zei Andrew en hij nam de pion met zijn loper. "Je hebt de laatstejaars blijkbaar gehoord toen ze je een koe noemden."

Iemand verderop aan de tafel loeide en Liz leunde naar voor om hem een boze blik toe te werpen. "Tja, ze noemen me tenminste geen schaakgek." Ze nam een hap druipende pannenkoek.

"Hé, ober," zei Clayton, "we hebben meer stroop nodig hier." Hij stak de lege karaf in de lucht.

"Jazeker," zei de laatstejaarsstudent die moest opdienen. Hij droeg een lange, witte schort over zijn schooluniform. "Tot uw dienst, mijnheer."

Hij kwam langs het gangpad achter de banken en wrong zich tussen mij en Andrew. Ik leunde opzij en de laatstejaars goot warme ahornstroop uit zijn grote kan in de kleinere die Clayton vasthield.

Ik had net mijn eerste hap genomen toen een andere laatstejaars aan de tafel achter me met zijn vork tegen zijn lege glas tikte. "Hé, ober," zei de student, "ik wil nog melk."

De laatstejaars naast me keek naar de andere student terwijl hij bleef stroop gieten en een spoor van stroop achterliet op het witte tafelkleed en op mijn bord. Ik zag dat de stroop van mijn bord begon te lopen en wilde het wegtrekken. Ondertussen deed de laatstejaars alsof hij niet merkte dat er iets verkeerd was.

"Ik kom onmiddellijk, mijnheer."

Hij bleef de warme, kleverige stroop over mijn bord gieten en dan in mijn schoot. Ik slaakte een gil en duwde de stroopkan weg.

"Hé!" zei de laatstejaars terwijl hij de rest van de stroop op mijn borst goot. "Je hebt me op mijn arm geslagen." Hij sprak luid. "Kijk nu wat je gedaan hebt."

"Ik heb dat niet gedaan!" schreeuwde ik en sprong recht. Ik greep naar een linnen servet en probeerde de stroop weg te vegen, maar ik voelde het door mijn kleren doordringen tot op mijn vel. "Waarom doe je dit ding met me?"

"Stommerik," zei Liz tegen de laatstejaars. "Dat heb je opzettelijk gedaan."

Haskell Layzard, een eerstejaars, lachte. "Wat scheelt er, Devaki? Heb je een accidentje gehad?"

De laatstejaars die melk gevraagd had lachte en verschillende anderen begonnen mee te lachten - ze wezen naar me terwijl ik het kleverige goedje probeerde weg te deppen.

De laatstejaars die moest opdienen, zag dat de stroop van mijn jurk afliep tot op de vloer en hij grijnsde als een dikke Kolderkat.

"Kijk naar Devaki, het onnozel wichtje," zei een andere laatstejaars, "straks begint ze te huilen."

"Boehoehoe. Ik wil mijn mama," zei een andere student lachend.

Op dat ogenblik hoorde ik het schelle geluid van een politiefluitje en ik dacht dat er iemand zou komen om de laatstejaars terecht te wijzen omdat hij zo'n knoeiboel gemaakt had. Iedereen keek naar de zijdeur van de kantine waar een grote vrouw stond met haar armen gekruist en haar voeten uit elkaar. Ze droeg het blauw-bruine schooluniform. Het blinkende fluitje viel van tussen haar lippen en bungelde aan een ketting rond haar nek.

"Vijf minuten!" schreeuwde ze.

De laatstejaars met de nu lege stroopkan haastte zich naar de keuken en de andere laatstejaars grepen hun dienblad en verlieten de tafel. Ze gingen in een rij staan om hun restjes in een grote afvalbak te dumpen. Nadat ze hun bord schoongemaakt hadden, plaatsten ze het dienblad en de vaat op een toog bij een lang raam dat toegang gaf tot de keuken. Het keukenpersoneel nam de vieze borden even snel weg als ze neergezet werden, terwijl studenten-van-dienst de etensresten en het overgebleven eten aan de toog begonnen op te ruimen.

"Waarom moet het zo snel?" vroeg Clayton terwijl hij toekeek hoe de laatstejaars in rij langs de zijdeur naar buiten gingen.

"Ze gaan naar de les, veronderstel ik," zei Andrew.

"Liz," zei ik, "die mooie jurk jij leent me, is nu vernield."

"Maak je geen zorgen, het zal er wel uit wassen," zei Liz. “Ik denk dat we beter vertrekken."

We namen allebei ons dienblad, verlieten de tafel en gingen in de rij staan bij de eerstejaars, waar we traag aanschoven tot bij het raam om ons dienblad op de toog achter te laten. Het leek alsof het afruimen van de toog plots stilviel zodra alle laatstejaars de kantine verlaten hadden, waardoor de eerstejaars moesten wachten op een plaats om hun dienblad neer te zetten.

"Waarom die studenten in de keuken?" Ik bleef mijn jurk afvegen met het servet, maar het haalde niet veel uit.

“Misschien verdienen ze wat extra geld zo,” zei Liz.

"Ze zien niet zo gelukkig uit."

"Kom, we moeten het lokaal voor onze eerste les gaan zoeken."

Liz en ik gingen bij de andere studenten in de rij staan om naar buiten te gaan via de zijdeur waar de grote vrouw stond. Ze bleef kijken naar een wandklok aan haar linkerkant. Toen we bij de deur kwamen, gaf de vrouw me een vel roze papier.

"Dank u." Ik keek naar het vel papier.

"Naam?" De vrouw hield een geel potlood klaar boven haar clipboard.

"Rajiani Devaki."

"Wat is dit?" vroeg Liz toen de vrouw haar een vel roze papier gaf.

"Je bent te laat."

De vrouw had een normale lengte, maar haar benen waren te lang, waardoor ze er vreemd uitzag met haar kort bovenlichaam en dikke nek. Als haar jas zwart geweest was, had ze geleken op een pinguïn met lange poten.

"Hoe heet je?"

"Een strafpunt?!" riep Liz uit. "Waarom?"

"Ik zei dat je te laat bent. Geef me je naam en schuif door voor je nog een strafpunt krijgt voor ongehoorzaamheid."

“Elizabeth Keesler,” mompelde Liz.

“Waarom we krijgen strafpunten?” vroeg ik aan Liz terwijl we de kantine verlieten.

"Tien seconden over acht." Liz keek kwaad naar haar vel roze papier. "Die oude zuurpruim geeft ons strafpunten omdat we tien seconden te laat uit de kantine gekomen zijn. Zo belachelijk."

"We moeten naar onze eerste les," zei ik.

"Ja, Engels, maar we hebben onze blocnote en potloden nodig."

Liz ging voor naar het administratiegebouw waar onze slaapzaal was.

"En ik moet andere jurk aantrekken."

Toen we onze kamer binnenkwamen, zag ik drie vellen roze papier op mijn bed.

Hoofdstuk drie

Het Hotel Belvedere langs de troebele rivier in Richmond, Virginia, leek wel een aftandse bakstenen grafzerk in een kerkhof vol vervallen gebouwen.

Op een braakliggend terrein naast het hotel, dat vier verdiepingen telde, lagen een collectie afgedankte beddenbakken, ijzeren tractorwielen, potkachels en een uitgebreid assortiment roestende en rottende restanten van de beschaving. Aan de andere kant van het hotel stond een dichtgetimmerde fabriek die ooit takelblokken en scheepstuigen had geproduceerd voor de Amerikaanse Marine. Het vervaagde, in het wit geschilderde opschrift, 'Richmond Block Mill', was nog zichtbaar op de potdekselmuur van het vervallen gebouw.

Een man in een blinkend, blauw pak en zwarte vilthoed stond op de gebarsten, cementen treden van het hotel de omgeving te overzien met een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Hij beklom nog twee treden en draaide zich dan om om naar de herenhuizen op de beboste klif aan de overkant van de rivier de James te kijken. Ze leken wel fonkelende diamanten in de halsketting van een dikke, rijke weduwe. Hij hield de zon uit zijn ogen met zijn hand om een specifiek huis, dat eruit sprong als was het de centrale steen in een reeks van blinkende juwelen, beter te kunnen bekijken.

De donkere jongeman nam zijn hoed af en keek er minachtend naar; waarschijnlijk dacht hij aan de comfortabele tulband die hij achtergelaten had. Dan beklom hij met zijn hoed in zijn hand de rest van de treden en ging de muffige hotellobby binnen.

Aan de balie aarzelde hij even voor hij het gastenboek tekende en schreef dan voorzichtig en weloverwogen een naam neer.

William Fortescue, die de balie bemande, maar ook de conciërge, de piccolo en de eigenaar van het Hotel Belvedere was, las de naam in het gastenboek en bekeek de jongeman dan even.

De man glimlachte.

"Waar is uw bagage, Mr. Albert Manchester?"

Mr. Manchester staarde de bediende een hele poos aan alsof hij iets probeerde te begrijpen.

"Tassen?" zei Fortescue. "Waar zijn uw tassen?"

"Ah, ik zie uw woorden nu duidelijk. Tassen worden geleverd binnenkort door inheemse kruier."

Fortescue bekeek de man van kop tot teen en probeerde zo te achterhalen wat zijn achtergrond was. “Inheemse kruier?”

Mr. Manchester knikte.

"Oké dan. Twee vijftig per nacht of tien dollar per week."

"Twee nachten zal de duur van mijn verblijf zijn." Hij haalde een dikke stapel bankbiljetten uit de voorste zak van zijn broek, haalde er een dollarbiljet van en gaf het aan Fortescue.

Mr. Fortescue aanvaardde het dollarbiljet en streek het glad op de balie. "Moet ik ervan uitgaan dat u van plan bent uw kamer per tien uren te betalen?"

"Ik wens te vereffenen voor twee nachten, inclusief een dag ook."

"Wilt u dat ik vijf dollar maak van dit dollarbiljet?"

Mr. Manchester streek zijn dikke, zwarte haar plat en krabde dan aan zijn wang. "Deze bankbiljettenwaarden zijn helemaal niet duidelijk voor mij." Hij nam een tiendollarbiljet van de stapel en gaf het aan de bediende.

Mr. Fortescue glimlachte, gaf hem het dollarbiljet terug en gaf dan het wisselgeld op tien dollar.

De nieuwe gast legde een dubbeltje op de balie en stopte zijn bankbiljetten weg.

De bediende keek even boos naar het dubbeltje voor hij het oppakte. "Diner stipt om zeven uur."

"Ja, mijnheer. Ik ben in volledig begrepen. En nu, als het u uitkomt om ons de weg te zeggen naar het botergramkantoor."

Fortescue grinnikte om het schabouwelijke Engels van de man. "Twee straten verderop," hij gebaarde met zijn hoofd naar links, "en dan de treinsporen oversteken."

"Dankzij u, mijnheer."

Hij verliet het hotel, wandelde gezwind naar het telegraafkantoor en stuurde het volgende bericht naar een Mr. Parjeet Kartoom in New York City:

Te onderzoeken object gezien. Wacht op instructies voor handelswijze.

AM

Hoofdstuk vier

Fuse stond bovenop de silo naar de zonsopgang boven de Caroline Bellheuvel te kijken. De beboste heuvel bevond zich op vijf kilometer van de boerderij van de Fusiliers in Appomattox County, Virginia.

Niet zo mooi als vroeger. Hij keek even naar het noorden. Ze is maar honderdzestig kilometer van hier, maar het konden er evengoed tienduizend zijn.

Hij klom langs de ladder naar beneden en begon aan zijn karweien; het werk dat hij en Raji voordien samen deden. Ransom, het miniatuurpaard, liep met hem mee, maar hij huppelde en hinnikte niet zoals voorheen. Hij hield gewoon de schijn op, net als Fuse. Wanneer Fuse kippenvoer rondstrooide, snuffelde Ransom aan het hooi achter de schuurdeur en ging dan liggen terwijl hij de twee boerderijkatten die achter hem liepen, negeerde.

“Je mist haar ook, hé, rappe Ransom?” Fuse gooide de rest van het kippenvoer uit zijn emmer en hing hem dan aan een houten haak. "Kom, laten we gaan kijken hoe het gaat met Cleopatra en Alexander."

Het kleine paard zuchtte diep en liet zijn kin tot in het hooi zakken.

Fuse zwaaide de zijdeur van de schuur open en begon de enorme stal uit te mesten waar de percherons Cleopatra en Alexander de nacht doorbrachten.

"Opzij, Alex," zei Fuse en hij duwde tegen de achterhand van het paard.

Alexander staarde even naar Fuse en ging dan naar buiten. Cleopatra volgde hem.

Alles zou al lang gedaan zijn als Raji hier was.

Fuse mestte de hele stal uit en strooide dan een verse laag stro op de grond. Toen hij een emmer gebroken maïs naar de varkens bracht, hoorde hij dat zijn moeder hem riep vanop de veranda.

"Vincent, het ontbijt is klaar."

"Oké, mama."

Hij goot de maïs in de trog van de varkens en hing de emmer dan over een paal.

Ik zal de koeien na het ontbijt melken.

Er was geen haast om het werk op de boerderij rond te krijgen nu hij niet meer naar school ging. Na de drukte van de wedstrijden vorige week op de academie leek het boerderijwerk saai en zinloos.

Is dit wat overblijft van mijn leven? Varkens voederen en paardenstallen uitmesten?

Fuse had zijn middelbare school afgemaakt in de lente en dacht alleen maar aan studeren aan de Octavia Pompeii Academy. Nu was die droom ten einde en hij had helemaal geen plannen voor de toekomst. Hij kon allicht wel ergens anders gaan studeren, maar dat zou niet de school zijn waar hij heen wou.

Fuse liep door de schuur, naar de achterkant. Hij stopte even bij de Ford model T om tegen een platte band te schoppen.

Nog een probleem dat ik zal moeten oplossen.

Achteraan in de schuur, in de smederij, vond hij de boerenknecht.

"Mr. Cramer," zei Fuse, "Wat denkt u van ontbijten?"

"Ah, het toverwoord, mijn vriend," zei Mr. Cramer, "ontbijten." Hij legde het lederen tuig opzij waaraan hij aan het werk was en ging staan om het stof van de vervaagde grijze overall te vegen. "Hoe gaat het met je vanmorgen, Vincent?"

"Prima."

Mr. Cramer keek naar hem en kneep zijn ogen tot spleetjes. "Wat denk je dat Mrs. Fusilier klaargemaakt heeft als ontbijt?" Hij goot water in de teil uit een eiken emmer.

"Wie weet?"

Mr. Cramer waste zijn gezicht en nam dan een handdoek die aan het haakje hing. Hij droogde zijn handen en zijn gezicht af en hing de handdoek dan weer op zijn plaats.

"Deze oude boerderij is niet dezelfde zonder haar, hé."

Fuse schudde zijn hoofd en ging weg.

Hoofdstuk vijf

De laatste les van de dag was aardrijkskunde. Mr. Lampright, de instructeur, stelde een vraag.

"Geef de naam van een land in Europa dat een binnenstaat is omgeven door binnenstaten."

Drie handen gingen de lucht in, een ervan was die van Liz.

Ik had geen idee wat bedoeld werd met 'binnenstaat', dus noteerde ik het woord om het die avond in de bibliotheek op te zoeken. Ik had al een lange lijst begrippen om op te zoeken.

Mr. Lampright keek rond in het klaslokaal tot zijn ogen op mij vielen.

Oh, nee. Vraag het alstublieft niet aan mij.

Terwijl hij nog altijd naar mij staarde, zei de instructeur: "Elmer Harkey."

Wat een opluchting.

"Eh... I-ik," stamelde Elmer, "eh... Duitsland?"

"Verkeerd, Mr. Harkey. Duitsland heeft onder andere een haven in Hamburg aan de Noordzee. Miss Keesler, denk je dat je het antwoord kent?"

"Liechtenstein."

“Correct. Liechtenstein grenst aan Zwitserland en Oostenrijk en geen van beide hebben een zeehaven."

Elmer Harkey keek boos naar Liz, trok dan een gezicht en schudde zijn hoofd heen en weer.

"Zo, cadet Harkey," zei Mr. Lampright, "een kans om je reputatie te herstellen. Waar bevindt zich het Baikalmeer?"

"Afrika," antwoordde Elmer Harkey meteen.

"Nee. Iemand anders?"

Verschillende handen gingen de hoogte in. Na een ogenblik stak ik ook mijn hand op. Ik was bijna zeker dat ik wist waar het meer was en ik vermoedde dat het belangrijk was om zoveel mogelijk deel te nemen aan de lessen, al was het maar omdat ik dan verplicht zou zijn harder te studeren.

Mr. Lampright glimlachte. "Cadet Devaki."

"Ik denk dat het in Siberië is."

"Goed zo, Devaki. Laten we nu het Himalayagebergte bespreken. En denk eraan je voor te bereiden zodat je klaar bent om morgen vragen te beantwoorden over hoofdstuk drie en vier."

* * * * *

De volgende dag, na het middageten, speelden Liz en ik schaak. Voor we het beseften, was het uur voorbij en moesten we ons haasten om onze geschiedenisboeken te halen en naar het lokaal te rennen.

We waren twee minuten te laat. Mr. von Hoffbrau schreef de roze papiertjes waarmee we elk een strafpunt kregen en ging dan verder met zijn les over de Tweede Punische Oorlog.

Ik deed hard mijn best om te snappen waarover de instructeur sprak, maar hij sprak niet alleen te snel om te kunnen volgen, hij had bovendien een zwaar accent. Het enige wat ik goed verstond, was dat de leesopdracht hoofdstuk een tot en met drie was, want dat schreef hij op het bord.

* * * * *

Aan het begin van de les wetenschappen schreef Mr. Alfred Simpalus zijn naam op het bord en keek dan naar ons.

"De beste manier om wetenschappen te leren," zei Mr. Simpalus, "is door het zelf te ervaren. We zullen geen dissectie doen van kikkers, maar we zullen ze bestuderen om te leren hoe ze aan voedsel komen, hoe ze groeien en hoe ze zich voortplanten. Zoals je ziet, zijn er in het leslokaal geen glazen bokalen of kooien. Dat is omdat we de kikkers niet in gevangenschap zullen bestuderen. We zullen ze observeren in hun eigen leefomgeving, namelijk in de vijver voorbij de schuur en de kraal."

Er klonk wat gefluister terwijl de instructeur voor ons ijsbeerde.

"Ja, we hebben hier een schuur, een kraal en een vijver, maar ook een bos met loblollydennen en platanen en een tuin van vierduizend vierkante meter. Je vindt dat allemaal op wandelafstand achter het Hannibalhuis. Morgen komen we samen in de schuur, waar je kennis zal maken met de twee paarden, vier koeien, vijf schapen, twee dozijn kippen en een ezel. Je zal ook Mr. Frazer ontmoeten, onze conciërge. De eerstejaars zal worden gevraagd Mr. Frazer te helpen met zijn werk."

Er kwam wat gekreun van achterin het lokaal.

"Je zal stallen uitmesten, onkruid wieden in de tuin, bomen snoeien, koeien melken en eieren rapen voor de koks. En je moet goed luisteren naar Mr. Frazer, want sommige dingen die hij je zal vertellen, worden ook bevraagd op het examen. Morgen krijgt iedereen een overzicht met de dagen en tijden waarop je Mr. Frazer moet helpen."

* * * * *

Die avond in de kantine waren er maar vijf eerstejaars die geen verzameling roze blaadjes met strafpunten hadden.

"Waarom krijgen we eigenlijk die stomme strafpunten?" vroeg Liz terwijl ze bruine saus over haar puree lepelde.