Uit den Kunstschat der Bakongos - Ivo Struyf - E-Book

Uit den Kunstschat der Bakongos E-Book

Ivo Struyf

0,0
0,00 €

oder
Beschreibung

DigiCat Uitgeverij presenteert u deze speciale editie van "Uit den Kunstschat der Bakongos" van Ivo Struyf. DigiCat Uitgeverij is ervan overtuigd dat elk geschreven woord een erfenis van de mensheid is. Elk DigiCat boek is zorgvuldig gereproduceerd voor heruitgave in een nieuw, modern formaat. De boeken zijn zowel in gedrukte als e-boek formaten verkrijgbaar. DigiCat hoopt dat u dit werk zult behandelen met de erkenning en de passie die het verdient als klassieker van de wereldliteratuur.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0



Ivo Struyf

Uit den Kunstschat der Bakongos

 
EAN 8596547472469
DigiCat, 2023 Contact: [email protected]

Inhoudsopgave

Inleiding
FABELS
De Pad en de Wouw
De Kameleon en de Muis
De Muis
De Palmboommuis en de Krabbe
De reizende Mieren en de kleine Mieren
De Krab met haren platten rug
De Hond die den Egel misprijst
De Patrijs en de Papegaai
De Paling en het Water
De Rat en de Gazelle
De Pad en de Patrijs
De Gazelle en de Luipaard
De Gazelle die veel verstand heeft
Looze streek van de Gazelle
De Gazelle die leeft
Wraak van de Gazelle
Bedrog van de Gazelle
De bedrogen Luipaard
De wraak van de Gazelle
APOLOGEN
Heer Fungwa
Verhaal van den Palmwijntrekker
Kongoniense en Kongopatakasa
De Verstandige Zot
De verloren kruik
De wraak van Mpingia
Nkumina
Nkenge’s Vlucht
KOMISCHE VERHALEN
De Zot met het Rolleken
De twee Broeders
De Zot en het Tooverbeeld
De Zot en de Doornen
De Zot en de Waternimf
De Bambata en de Kikvorsch
NOVELLEN
Zwina
De gebroken Poederdoos
Moni Mambu
Na Makumba
MYTHISCHE VERHALEN
Nkenge en Kiteba
De geesten en de hondenkweeker
Ngangu zinkono en Ngangu zizala
De nijdige Moeder
Een Geestenverhaal
De Muizenvanger
Een Redetwist
Bijgeloof
De Vrouw en de Tabakrooker
Een Toovermiddel
HISTORISCHE VERHALEN
Oorlogswraak
Een Oorlogsverklaring
Verhaal van Oorlog
Oorlogslisten
Het Lied der Ouden
Na Nsesa en zijn Neef
DIDACTISCHE VERHALEN
De Melaatsche en de gierige Vrouw
De Man in den Stampersblok
De Sprinkhaan en de Gazelle
De Hak en de Parels
De Gierige Vrouw en de Maniok
Na Moni Mambu
Een Vergiftiging
Verhaal van Nijd
GEBRUIKEN en LEVENSWIJZE
I. KONGOLEESCH WERK
Het Verbranden van ’t hooge Gras
De Maniokplanterijen in ’t Bosch
De Maniokplanterijen in ’t hooge Gras
Het Plukken van den Caoutchouc
Het Palmwijntrekken
Opening eener Markt
II. KONGOLEESCHE PLECHTIGHEDEN
Een Kongoleesch Huwelijk
Het Naamgeven
Een Lijkfeest
III. TOOVENAARS en TOOVERMIDDELS
Toovermiddel voor Hoofdpijn
Toovermiddel voor Longontsteking
Toovermiddel voor Verstopping
Toovermiddel voor Oorziekte
Toovermiddel voor Tandpijn
Toovermiddel voor de Vallende Ziekte
Het Aanleeren van een Toovermiddel
IV. SPELEN
De negen Aardnoten
De kleine Mier die de Trommel slaat
Spel van Bila-bila
Het Zio Spel
Het Oplossen van Raadsels
V. GEZANGEN
I.
Nkunga u Vwoka
I.
Lied over de verlaten Dorpen
II.
Nkunga u Bula-Matari
II.
Lied over den Staat
III.
Nkunga u Bieya
III.
Spotlied
IV.
Nkunga u Bieya
IV.
Spotlied
V.
Nkunga u Mbembo
V.
Doodenzang
VI.
Nkunga u Nganga-nkisi
VI.
Lied van den Toovenaar
VII.
Nkunga u Nsaka
VII.
Lied onder ’t Spel
VIII.
Nkunga u Bidilu
VIII.
Treurlied
IX.
Nkunga
IX.
Lied

Inleiding

Inhoudsopgave

Gedurende mijn verblijf in onze Kwango-missie heb ik de gelegenheid gehad omtrent driehonderd onder de negers verspreide vertellingen te verzamelen, waarvan ik er hier een honderdtal uitgeef.

Over het belang van een dergelijke verzameling hoef ik niet lang uit te weiden.

Zij is immers een rijke bron voor een grondige kennis van de zeden, gewoonten, gebruiken, godsdienstige en maatschappelijke begrippen, bij een volk, dat ons meer dan eenig ander aan het hart moet liggen. Die bron is veilig en zeker: zij borrelt op uit den grond zelf, zonder door vreemde kanalen geleid, of, zooals dit te dikwijls gebeurt, misleid te worden; haar autochtoon karakter vrijwaart ze tegen alle vervalsching. Willen wij de Kongoleezen kennen—en zoo België eenmaal Kongo overneemt, dan wordt het onze plicht niets te verwaarloozen om zijne bewoners met hun eigen aard en gebruiken zoo goed mogelijk te leeren begrijpen—dan kunnen wij door niets beter daartoe geholpen worden, dan door hunne, wat ik noemen mag, literatuur, die toch de weerspiegeling van hunne beschaving is.

Hebben de onder ons volk nog bekende vertelsels reeds zooveel aantrekkelijkheid voor den folklorist, dan zal onze verzameling, die meer dan eenvoudige vertelsels bevat, hem zeker wel belang kunnen inboezemen. [X]

Maar ook de letterkundige zal er in mogen grasduinen. Ik weet niet of ik mij zelven bedrieg; of ik, door te groote sympathie voor dit volk, dat aan onze herderszorg is toevertrouwd, te zeer ben ingenomen geraakt met alles wat uitgaat van hen. Maar ik meen dat deze vertellingen, zelfs als kunstproducten, het peil van het alledaagsche ver te boven gaan.

Zeker, niet alle zijn even schoon. Maar toch, hoe aanschouwelijk zijn de meeste! Welke fijne opmerkingsgave blijkt niet uit al de trekken van hunne beschrijvingen! Welke gezonde humor! Vooral, welk frisch en machtig natuurgevoel! Dit is nu primitieve kunst, die ook de eenvoudigste jongen uit het volk kan begrijpen en smaken.

De man van de wetenschap zal ze mede kunnen bestudeeren met het oog op het ontstaan van de verschillende dichtsoorten en op de vergelijkende literatuur. Zou zelfs het nut dezer vertellingen, die sedert eeuwen van geslacht tot geslacht worden overgeleverd, niet verder reiken? Zouden ze geen aardig licht kunnen werpen op de geschiedenis der kongoleesche volksstammen, op hunne verwantschap onderling en zelfs met verwijderde volkeren?

Ik moet echter bekennen, dat ik hier niet op de eerste plaats een wetenschappelijk werk heb bedoeld; maar slechts een grondslag voor verdere wetenschappelijke studie. Daarom zie ik af van allerlei vraagstukken, die anders in een Inleiding dienden behandeld, en nl. over den oorsprong en den ouderdom van deze verhalen. Ik laat alleen de allernoodzakelijkste toelichtingen volgen.

Enkele woorden vooreerst over het ontstaan van deze verzameling.

Al deze verhalen werden opgeteekend bij de Bakongos, [XI]zooals het staat in den titel: Uit den kunstschat der Bakongos.

De Bakongos zijn een dier volksstammen, die tot de groote Bantoefamilie behooren1.

De Bakongos, dat wil zeggen: de menschen van Kongo, en niet, zooals men gewoonlijk denkt en schrijft, de menschen van Neder-Kongo (Bas-Congo), bewonen de streek, waaraan de Blanken, door het prefix Ba misleid, den naam gegeven hebben van Neder-Kongo.

Van Matadi tot Leopoldville, langs beide kanten van den ijzeren spoorweg; van den Kongostroom tot aan de Portugeesche bezittingen, leeft deze volksstam.

Vóór lange jaren, hoeveel, dat is lastig vast te stellen, was Neder-Kongo bevolkt door dwergen. Het waren menscheneters, Ba Mindie bantu. Andere namen droegen zij nog, zooals Banzonguna, Ba Mimbulumukina.

Die eerste bezitters van den grond, die menscheneters, werden uit hun land verdreven door de Bakongos, die uit den Portugeeschen Kongo vertrokken waren, en met pak en zak de streek kwamen binnengedrongen.

De hedendaagsche bewoners zijn dus afkomstig van den Portugeeschen Kongo.

Hiervan enkele bewijzen. Wanneer zij hunne dooden begraven, zoo delven zij het graf in dezer wijze, dat het lijk in den put daalt, met de oogen gericht naar den Portugeeschen Kongo; want zoo zeggen zij: Daar stond de wieg onzer voorvaders. Wij allen, wij zijn gesproten uit ééne moeder.

Een ander bewijs ligt hierin dat de namen van de heiligen, die de heidenen, zoowel mannen als vrouwen, dragen, bijna alle Portugeesche namen zijn. [XII]

Hun verdere afkomst is weinig bekend.

De taal door de Bakongos gesproken heet Kikongo, nauw verwant met de andere talen van de Bantoe-stammen. Zij is zeer welluidend en klankrijk.

Ik heb deze verhalen in ’t kongoleesch opgeteekend uit den mond van heidenen en volwassen christenen zelf. Aanvankelijk ging het niet gemakkelijk om die lui aan den praat te krijgen. Zelfs was het een kleine oproer soms: sommigen waren boos tegen degenen die mij hun verhalen hadden «verklikt.» Maar door een of andere lekkernij, zooals b.v. zout of tabak, waarop de zwarten verslingerd zijn, wist ik ze toch op dreef te brengen. Zelfs begon allengskens eigenliefde haar werk te doen: en om strijd wilde nu ieder zijn beste vertelsel mededeelen. Terwijl zij verhaalden schreef ik alles neer. En om mij wel te verzekeren dat de overlevering aldus trouw was bewaard, nam ik elke gelegenheid te baat om ook uit den mond van anderen dezelfde verhalen meermaals te hooren: ik liet vertellen, terwijl ik op mijn schrijfboek volgde. Zoo heb ik me kunnen overtuigen hoe gestereotypeerd die overlevering is.

Want deze verhalen worden aldus, woord voor woord bijna, van geslacht tot geslacht overgeleverd. Sommige zijn over uitgestrekte gebieden verspreid; andere slechts in meer beperkte bekend. Daarom heb ik bij elk verhaal, ook den naam en de streek opgenomen van dengene, die het mij deed.

Al deze verhalen zijn bewaard in sterk gerythmeerd proza. Wat wij verzen noemen, is in Kongo alleen in de [XII]zangen, waarmee de verhalen meestal opgeluisterd worden, gebruikelijk.

Met honderden kennen de negers er. En dit valt niet te verwonderen; hun geheugen wordt van jongs af daarin geoefend (geschrift hebben ze niet); en hun geheugen is ook, natuurlijk, in dit opzicht althans, veel sterker dan het onze.

Wanneer en hoe worden ze verhaald?

’s Avonds om het haardvuur, bij het werk, op reis, enz.

Op mijn reizen om onze kapelhoeven te bezichtigen, zat ik soms in den helderen maneschijn de zuivere avondlucht in te ademen. Sommige van de kinderen dansten daar in ’t ronde, met trommelslag en handgeklap. Anderen zaten neer en vertelden onder elkander uit hunne dorpen. Zoo b.v. op zekeren avond waren onze dragers, heidenen en christenen te gelijk, om een fel vuurke gezeten. Een onder hen verhaalde een geschiedenis uit vroeger tijd. De kinderen hingen aan zijn lippen: met talrijke gebaren deed hij alles na. Kwam er, zooals dit dikwijls het geval is, een zang in zijn verhaal, dan hief hij dien zelf aan: daarna zongen allen te zamen mee. Van tijd tot tijd ook onderbraken zij hem om hem gelijk te geven en in de handen te klappen. Soms kondigde een of ander aan wat er gebeuren ging. Anderen, met hun inheemsche muziek in de handen (kisansi: klein speeltuig, waaruit ze vreemd-schoone noten weten te trekken) luisterden en speelden te gelijk.

Op een anderen dag hoorde ik een verhaal opzeggen, maar heel rap; van tijd tot tijd herhaalden de toehoorders eenige woorden te zamen. B.v.: de zon was ondergegaan—en allen: de zon was ondergegaan. En na die herhaling ging het weer voort. [XIV]

Ook bij het werk verhalen ze dikwijls wat ze van hunne «ouden» hebben gehoord. Dan is ’t van tijd tot tijd, wanneer er een zang in voorkomt, een roepen en tieren en gezamenlijk zingen, dat we ons moeilijk kunnen voorstellen. ’t Is echter gewoonlijk des avonds dat de Kongoleezen hunne sproken ophalen. De kleine kinderen zijn daarbij tegenwoordig. Zelfs bij de geschillen, die onder de opperhoofden te vereffenen zijn, ontbreken ze niet: ze staan daar bij en luisteren toe.

Al deze verhalen worden zeer natuurlijk voorgedragen. Onze negers zijn meesters in ’t vak. Vóór twee jaren heb ik een heel spel Jozef in Dothan in ’t kongoleesch vertaald: onze leerlingen hebben het wonderwel vertolkt op een groot tooneel in open lucht. Al de gezangen waren melodieën van heidensche dansen, waarop wij andere woorden hadden gezet. Het slaagde opperbest.

Reeds vier kleine bundels vertellingen en fabels heb ik in de Kikongo-taal uitgegeven. Gedrukt in onze drukkerij te Kisantu dienen ze als leesboek voor onze jongens in al de scholen, die wij in de verschillende posten hebben opgericht.

Vroeger reeds had P. Butaye een bundeltje spreekwoorden, die onder de negers zeer verspreid zijn, uitgegeven. Ik heb getracht dien kleinen schat te vergrooten. Nog mogen we wijzen op ons maandschrift Ntetembo eto «Onze Ster», in echte Kikongo-taal opgesteld. Sedert twee jaren verschijnt daarin, bijna iedere maand, een verhaal over hunne spelen, door negers zelf geschreven.

Het was een lastige taak een behoorlijke indeeling van deze vertellingen te vinden. Geen enkele kon me geheel [XV]voldoen. Degene, waarbij ik het ten slotte gelaten heb, moet niet als uitsluitend worden opgevat. Onder welke verdeeling een verhaal werd opgenomen, besliste telkens de hoofdstrekking alleen; zoodat men b.v. onder mythische verhalen er ook wel zal aantreffen van eenigszins fabelachtigen aard; enz.

Het eerste deel van dit werk bevat verhalen, die eene meer letterkundige strekking vertoonen. Het zijn Fabels, Apologen, Komische verhalen, Novellen. Het verschil tusschen Fabels en Apologen bestaat hierin, dat de Apologen menschen en dieren te zamen laten optreden, en dat ze duidelijker met een zedelijk doel geschreven zijn. Onder de Komische verhalen heb ik bijeen gebracht de beste stukken, waarin de humor der negers zich uit: die valt gewoonlijk ten laste van «Heer Zot».

De rubriek «Novellen» mocht een toevluchtsoord schijnen voor alle vertellingen waarmee ik niet heel goed over de baan kon. Toch meen ik, dat de stukken, daaronder uitgegeven, wel dien naam mogen dragen.

Het tweede deel werd ingericht met een praktischer doel. Het bevat: Mythische verhalen; verhalen namelijk die ons inlichten over de opvatting van het Opperwezen en van de geestenwereld bij de negers; Historische verhalen: die aan feiten uit de geschiedenis van hun volksstam schijnen te herinneren; Didactische verhalen, waardoor de ouders allerlei voorschriften bij hunne kinderen trachten aan te leeren; eindelijk, verhalen over de geheele levenswijze in ’t dagelijksch verkeer onder de negers.

Men neme ze dus zooals ze zijn: echt kongoleesche verhalen. Hun «goût de terroir» zal ze misschien des te smakelijker maken. [1]

1Bantoe beteekent menschen.↑