Vertrouw niemand - Paul Cleave - E-Book

Vertrouw niemand E-Book

Paul Cleave

0,0

Beschreibung

Jerry Grey is bij veel mensen bekend onder zijn pseudoniem als thrillerauteur: Henry Cutter. Op zijn 49e wordt hij met alzheimer gediagnostiseerd en in een verzorgingstehuis geplaatst. Zijn herinneringen en zijn fantasie beginnen daar door elkaar te lopen; de beschreven moorden zijn niet zomaar verzinsels, hij biecht op ze zelf gepleegd te hebben. Gevolgen van die ziekte, zeggen mensen tegen hem. Maar als dat waar zou zijn, waarom blijven er dan mensen dood gaan om hem heen?

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 662

Veröffentlichungsjahr: 2021

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Vertrouw niemand

Paul Cleave

Vertrouw niemand

Originalets titel: Trust No One

Copyright © Paul Cleave, 2015

© Vertaling uit het Engels: Jan Mellema, 2016

Copyright © Jentas A/S, 2021

Layout: Jentas A/S

ISBN 978-87-428-5010-7

–––

Voor Miss Roberts – mijn favoriete juf. Bees?

*

‘Details, dat is waar het om draait,’ zegt Jerry, en destijds draaide het vooral om hem. Tegenwoordig zijn de details knap lastig terug te halen. Hij weet nog hoe ze keek, die vrouw, hoe ze haar mond opendeed en alleen maar ‘O’ zei. Natuurlijk weet je van tevoren nooit wat je zult zeggen als je tijd gekomen is. Oscar Wilde zei iets over gordijnen toen hij op zijn sterfbed lag, over hoe lelijk ze waren, en dat het een kwestie van kiezen was: de gordijnen weg of hij weg. Maar Jerry weet ook dat hij eens gelezen heeft dat niemand eigenlijk zeker weet of Wilde dat wel echt heeft gezegd. Hij zou vast niet zo guitig uit de hoek zijn gekomen als Jerry zijn huis was binnengeslopen en hem met een mes aan de muur had geprikt. Misschien iets als ‘het doet toch zeerder dan ik dacht’, maar geen uitspraak die voor het nageslacht bewaard zou blijven.

Het is weer een wazige zooi in zijn kop, zijn gedachten zijn ongrijpbaar. Onuitstaanbaar vindt hij het. Bloedirritant.

De agente tegenover hem kijkt hem aan met een blik alsof hij een aangereden kat is. Rond de vijfentwintig is ze, en haar vormen ontgaan hem niet. Haar vormen, dat is waar het om draait, denkt hij. Mooie lange benen, blond haar tot op de schouders, atletisch figuur, fraaie rondingen. Haar blauwe ogen houden hem gevangen. Ze draagt een krap zwart rokje en een strak donkerblauw topje dat ze wat hem betreft wel mag uittrekken. Ze wrijft steeds met haar duim over het topje van haar ringvinger, waar een laagje eelt zit dat hij ook wel bij gitaristen heeft gezien. Er is ook een agent in uniform. De man leunt tegen de muur, zijn dikke armen over elkaar geslagen. Hij heeft zo’n snor die acteurs in de jaren tachtig hadden als ze een agent speelden, en aan zijn riem hangen allerlei spullen waarmee de politie de burger onder de duim kan houden. Hij kijkt verveeld uit zijn ogen.

Jerry herneemt het woord. ‘Ze was om en nabij de dertig, en ze heette Susan. Ze schreef haar naam altijd met een z. Tegenwoordig doet iedereen qua spelling waar hij zelf zin in heeft. Dat komt door al die mobieltjes,’ zegt hij. Hij wacht op een instemmend knikje van haar, maar ze reageert niet, en de agent die de muur overeind houdt idem dito. Hij merkt dat het weer wazig is in zijn kop.

Hij haalt diep adem, verstevigt de greep op de armleuningen en schuift heen en weer om een betere zit te krijgen. Hij doet zijn ogen dicht om zich beter te kunnen concentreren. Hij denkt weer aan Suzan met een z, Suzan met haar zwarte haar in een paardenstaart gebonden, Suzan met een sexy glimlach en een lekker kleurtje en een deur die om drie uur ’s nachts niet op slot zat. In zo’n buurt woonde Jerry destijds. In dertig jaar is er ontzettend veel veranderd. Verdomme, hij is zelf ook veranderd. Maar toen de taal nog niet was verloederd door sms’jes en internet vertrouwde men elkaar nog. Of misschien was iedereen gewoon achtelozer. Hij weet het niet. Wat hij wel weet, is dat het hem verbaasde dat het zo makkelijk was om bij haar binnen te komen. Hij was negentien en Suzan was het meisje van zijn dromen.

‘Ik weet nog precies hoe het voelde,’ zegt Jerry. ‘Ik bedoel, de eerste keer dat je iemand van het leven berooft, blijft je voor altijd bij. Maar even daarvoor stond ik bij haar achter het huis, en ik spreidde mijn armen alsof ik de maan wilde omhelzen. Het liep tegen de kerst. Of eigenlijk was het de langste dag van het jaar. Ik kan me een heldere hemel herinneren, en de sterren, miljoenen kilometers ver weg, die de nacht tot een tijdloos geheel maakten.’ Weer doet hij zijn ogen dicht en denkt terug aan dat moment. Hij kan de lucht bijna weer op zijn tong proeven. ‘Ik weet nog dat ik dacht dat er in deze nacht kinderen geboren zouden worden en mensen zouden sterven,’ zegt hij, zonder zijn ogen open te doen, ‘en dat het de sterren om het even was, dat zelfs de sterren niet het eeuwige leven hadden en dat het leven vluchtig was. Ik was in een behoorlijk filosofische bui. Ik weet ook nog dat ik heel nodig moest plassen, en dat ik dat achter haar garage heb gedaan.’

Hij doet zijn ogen open. Van al dat praten krijgt hij zo langzamerhand een zere keel, en zijn arm jeukt. Er staat een glas water voor hem op tafel. Hij neemt een slokje en kijkt naar de man bij de muur, de man die onbewogen naar Jerry kijkt, alsof hij liever onder diensttijd zou worden neergeschoten dan hier naar zijn relaas te moeten luisteren. Jerry heeft altijd al geweten dat deze dag zou komen, de dag waarop hij alles zou bekennen. Hij hoopt maar dat hij er absolutie voor krijgt. Want per slot van rekening is dat de reden waarom hij hier is. Door absolutie zal hij genezen worden.

‘Weet je wie ik ben?’ vraagt de vrouw. Plotseling is hij bang dat ze hem zo zal vertellen dat ze helemaal geen agente is, maar de dochter van een van zijn slachtoffers. Of een zus. Hij kleedt haar met zijn ogen uit, hij bedenkt een scenario waarin ze alleen thuis is, alleen in een verlaten parkeergarage, ’s avonds laat alleen op straat. ‘Jerry?’

Hij zou haar met haar eigen haar kunnen wurgen. Hij zou haar lange benen alle kanten op kunnen knakken.

‘Jerry, weet je wie ik ben?’

‘Natuurlijk weet ik dat wel,’ zegt hij, zijn blik op haar gericht. ‘Mag ik misschien even uitpraten? Want daarvoor ben je hier toch? Om de details te horen?’

‘Ik ben hier om...’

Hij heft zijn hand. ‘Genoeg,’ zegt hij tegen haar, op krachtige toon, en ze zucht en laat zich terugvallen in haar stoel alsof ze dat woord al honderd keer van hem gehoord heeft. ‘Geef het monster een stem,’ zegt hij. Hij is haar naam kwijt. Rechercheur... dinges, denkt hij, en dan besluit hij haar rechercheur Scenario te noemen. ‘Wie weet wat ik me morgen nog kan herinneren?’ Hij tikt daarbij met zijn vinger tegen zijn slaap en verwacht bijna een hol geluid te horen, van hout, zoals de tafel van zijn ouders die hol was. Als je daarop klopte, hoorde je een ander geluid dan je zou verwachten. Hij is benieuwd waar die tafel nu is en vraagt zich af of zijn vader hem heeft verkocht om aan geld voor nog een paar biertjes te komen.

‘Rustig maar,’ zegt rechercheur Scenario, maar ze heeft ongelijk. Hij hoeft niet tot bedaren te komen. Desnoods gaat hij schreeuwen om zich duidelijk te maken.

‘Ik bén rustig,’ zegt hij, en hij tikt tegen zijn slaap, en dat doet hem denken aan een tafel die zijn ouders vroeger hadden. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ zegt hij. ‘Ben je niet goed bij je hoofd? Met deze zaak kun je carrière maken,’ zegt hij tegen haar, ‘maar jij zit daar maar een beetje als een waardeloze hoer.’

Ze loopt rood aan. Tranen wellen op in haar ogen, maar blijven daar. Hij neemt nog een slokje water, lekker koel. Het verzacht zijn keel. Het is stil in het vertrek. De agent bij de muur verandert zijn houding door zijn armen andersom over elkaar te slaan. Jerry denkt na over wat hij net gezegd heeft en probeert te verzinnen waar hij de fout in ging. ‘Hé, sorry dat ik dat gezegd heb. Soms flap ik er dingen uit die ik beter niet had kunnen zeggen.’

Met de palm van haar handen strijkt ze langs de zijkant van haar ogen om te voorkomen dat de tranen vallen.

‘Kan ik doorgaan?’ vraagt hij.

‘Als je daar gelukkig van wordt,’ zegt ze.

Gelukkig? Nee. Hij doet dit niet om gelukkig te worden. Hij doet dit om beter te worden. Hij denkt terug aan die nacht, dertig jaar geleden. ‘Ik dacht dat ik mijn lockpicks moest gebruiken om binnen te komen. Ik had geoefend met het slot thuis. Destijds woonde ik nog bij mijn ouders. Als ze weg waren, probeerde ik het slot van de achterdeur open te maken. Een studievriend had me laten zien hoe dat moest. Hij zei dat de hele wereld voor je openging als je sloten kon openmaken. Ik moest toen aan Suzan denken. Het duurde twee maanden voordat ik het een beetje onder de knie kreeg, en ik was zenuwachtig omdat ik wist dat het slot van haar deur misschien heel anders werkte dan ik gewend was. Maar ik maakte me zorgen om niks, want toen ik bij haar huis kwam, merkte ik dat de deur niet op slot zat. Zo’n tijd was het, denk ik, al was er destijds ook veel geweld, net als nu.’

Hij neemt een slok water. Niemand zegt iets. Hij gaat verder.

‘Ik heb nooit geaarzeld. Dat de deur niet op slot zat, zag ik als een teken, en ik besloot ervan te profiteren. Ik had een zaklantaarntje bij me om te voorkomen dat ik ergens tegenaan zou lopen. Eerst woonde Suzan samen, maar haar vriendje was een paar maanden geleden bij haar weggegaan. Ze hadden de hele tijd ruzie. Dat hoorde ik vanuit mijn huis, dat er bijna recht tegenover stond, dus ik wist tamelijk zeker dat hij de schuld zou krijgen als Suzan iets zou overkomen. Ik dacht de hele tijd aan haar. Ik stelde me voor hoe ze er zonder kleren uit zou zien. Dat wilde ik per se weten, snap je? Ik wilde weten hoe haar huid voelde, hoe haar haar rook, hoe het zou zijn om haar te zoenen. Het was een soort jeuk die niet wegging. Beter zou ik het niet kunnen beschrijven. Jeuk waar ik gek van werd,’ zegt hij. Hij krabt op de arm die jeukt en waarvan hij ook gek wordt. Hij is gestoken of gebeten, misschien door een mug of een spin. ‘Dus in de nacht van de langste dag van het jaar ben ik om drie uur haar huis binnengegaan. Ik had een mes bij me, tegen de jeuk.’

Zo was het precies gegaan. Hij liep de gang door, ontdekte waar haar slaapkamer was, en ging in de deuropening staan op dezelfde manier waarop hij buiten had gestaan, alleen deze keer had hij niet de sterren maar de duisternis omhelsd. Sindsdien had hij steeds de duisternis omhelsd.

‘Ze werd niet eens wakker. Niet meteen, bedoel ik. Mijn ogen begonnen al aan het donker te wennen. Een deel van haar kamer werd beschenen door een wekker, een deel door het licht van een lantaarn dat door de dunne gordijnen naar binnen viel. Ik liep naar het bed, ging op mijn hurken zitten en wachtte af. Ik had bedacht dat als je dat deed, de persoon in kwestie wakker zou worden, en dat gebeurde ook. Na dertig seconden. Ik zette het mes op haar keel,’ zegt hij, en rechercheur Scenario knippert even met haar ogen en lijkt weer op het punt te staan in huilen uit te barsten, en de man bij de muur oogt nog steeds alsof hij liever ergens anders zou zijn. ‘Ik voelde haar adem op mijn hand, en haar ogen... ze keek me aan met die grote angstige ogen, en ik voelde me...’

‘Ik weet alles van Suzan met een z,’ zegt rechercheur Scenario.

Jerry geneert zich, hij kan er niets aan doen. Dat is een van de nare symptomen: hij heeft dit allemaal al een keer aan haar verteld, maar daar kan hij zich niets meer van herinneren. Het zijn die details – die kutdetails die zo lastig terug te halen zijn.

‘Het geeft niet, Jerry,’ zegt ze.

‘Hoe bedoel je, het geeft niet? Ik heb die vrouw vermoord en nu word ik gestraft voor wat ik haar heb aangedaan, haar en al die anderen, want ze was de eerste in een lange rij, en het monster moet zijn wandaden opbiechten, het monster zoekt verlossing, want alleen dan zal hij worden verlost van de straf die het universum hem oplegt, en alleen dan kan hij beter worden.’

De rechercheur pakt een handtas die op de grond staat en zet die op haar schoot. Ze haalt er een boek uit en geeft het aan hem. ‘Herken je dit boek?’

‘Zou dat moeten?’

‘Lees de achterflap maar eens.’

Het boek heet A Christmas Murder. Hij draait het om. De eerste regel achterop is ‘Suzan met een z ging alles anders doen.’

‘Wat is dit in godsnaam?’

‘Je herkent me niet, hè?’ zegt ze.

‘Ik...’ zegt hij, maar zijn stem stokt. Er is iets... iets komt bij hem boven. Hij ziet dat ze haar duim over haar eeltige vingertop wrijft, en dat komt hem bekend voor. Iemand die hij kent deed dat ook altijd. ‘Zou dat moeten?’ zegt hij, en het antwoord luidt ja, hij zou haar moeten herkennen.

‘Ik ben Eva. Je dochter.’

‘Ik heb helemaal geen dochter. Je bent van de politie en je probeert me uit de tent te lokken,’ zegt hij. Hij probeert niet te laten merken hoe boos hij is.

‘Ik ben niet van de politie, Jerry.’

‘Nee! Nee, als ik een dochter had, zou ik dat heus wel weten!’ zegt hij, en hij slaat met zijn vlakke hand op tafel. De agent die tegen de muur leunt, doet een paar passen in zijn richting, maar Eva draait zich naar hem toe en zegt dat hij moet wachten.

‘Jerry, kijk nou toch eens naar dat boek.’

Dat verdomt hij. Hij blijft haar aankijken, en dan doet hij zijn ogen dicht en vraagt zich af hoe het allemaal zover heeft kunnen komen. Anderhalf jaar geleden ging alles toch nog prima? Wat is waar en wat niet?

‘Jerry?’

‘Eva?’

‘Inderdaad, Jerry. Ik ben Eva.’

Hij doet zijn ogen open en kijkt naar het boek. Hij heeft de omslag eerder gezien, maar weet niet meer of hij het boek gelezen heeft. Hij kijkt naar de naam van de schrijver. Die komt hem bekend voor. Het is... Hij kan er niet bij.

‘Henry Cutter,’ zegt hij, de naam hardop uitsprekend.

‘Dat is een pseudoniem,’ zegt zijn dochter, zijn prachtige dochter, zijn lieve dochter met een monsterlijke vader, een weerzinwekkende oude vent die net nog probeerde zich in te denken hoe het zou zijn om boven op haar te kruipen. Hij walgt ervan.

‘Ik snap niet... is dit... is dit van jou? Heb jij dit geschreven?’ vraagt hij. ‘Heb jij dit geschreven nadat ik je verteld heb wat er gebeurd is?’

Ze kijkt hem bezorgd aan. Geduldig maar bezorgd. ‘Dat heb jij geschreven,’ zegt ze. ‘Dat is jouw pseudoniem.’

‘Dat snap ik niet.’

‘Jij hebt dat boek geschreven, en nog veel meer. Je bent begonnen met schrijven toen je een tiener was. Henry Cutter was je pseudoniem.’

Hij is van slag. ‘Heb ik dit geschreven? Hoe bedoel je? Waarom zou ik iedereen willen vertellen wat ik heb gedaan?’ En dan daagt er iets, iets wat hij vergeten is. ‘Heb ik in de cel gezeten? Heb ik dit geschreven toen ik weer vrij was? Maar dan... hoe kan... qua tijd klopt het niet... ik snap er niks van. Ben je echt mijn dochter?’ vraagt hij, en hij denkt aan zijn dochter, zijn Eva, maar nu hij haar voor de geest haalt, is Eva tien, geen twintiger, en zijn dochter zou hem papa noemen, niet Jerry.

‘Je schrijft boeken,’ zegt ze. ‘Thrillers.’

Hij gelooft haar niet – waarom zou hij? Ze is iemand die hij niet kent. En toch... dat hij thrillers zou schrijven, komt hem niet vreemd voor, eigenlijk voelt dat heel vertrouwd aan, en hij weet dat het waar is wat ze zegt. Natuurlijk is het waar. Hij heeft dertien boeken geschreven. Ongeluksgetal, als je tenminste in dat soort dingen gelooft, en het zat hem de laatste tijd niet mee, toch? Hij is begonnen aan een nieuw boek. Een dagboek. Of nee, geen dagboek maar een logboek. Zijn Logboek der Waanzin. Hij kijkt om zich heen, maar hij ziet het niet liggen. Misschien is hij het kwijtgeraakt. Zonder iets te lezen, bladert hij door het boek dat Eva hem gegeven heeft. ‘Dit was een van de eerste.’

‘Je allereerste,’ zegt ze.

‘Je was nog maar twaalf toen dit boek uitkwam,’ zegt hij, maar wacht eens even, hoe kan dat als Eva nog maar tien is?

‘Ik zat nog op de basisschool,’ zegt ze.

Hij kijkt naar haar hand en ziet een trouwring, en dan kijkt hij naar zijn eigen hand. Ook daar een trouwring. Hij wil dingen over zijn vrouw vragen, maar is bang dan nog meer af te gaan. Waardigheid is een van de dingen die hij door alzheimer is kwijtgeraakt. ‘Vergeet ik altijd wie je bent?’

‘Je hebt goede en slechte dagen,’ zegt ze bij wijze van antwoord.

Hij kijkt om zich heen. ‘Waar zijn we? Ben ik hier vanwege wat ik Suzan heb aangedaan?’

‘Suzan bestaat niet,’ zegt de agent. ‘U liep in de stad rond. U was in de war en u wist niet meer waar u was. We hebben uw dochter gebeld.’

‘Bestaat Suzan niet?’

‘Suzan bestaat niet,’ zegt Eva. Ze steekt haar hand weer in haar tas en haalt er een foto uit. ‘Dat zijn wij,’ zegt ze. ‘Deze foto is van een jaar geleden.’

Hij kijkt ernaar. De vrouw op de foto is dezelfde vrouw die nu met hem praat. Op de foto zit ze op een bank. Ze speelt gitaar. Er ligt een stralende glimlach op haar gezicht, en de man die op de foto naast haar zit is Jerry, Jerry een jaar geleden, toen hij alleen nog maar vergat waar hij zijn sleutels neerlegde en zo nu en dan niet op een naam kon komen, toen hij nog boeken schreef en gewoon zijn leven leidde. Het laatste jaar is hem ontnomen. Zijn persoonlijkheid is hem ontnomen. Zijn gedachten en herinneringen zijn vervormd en verstoord. Hij draait de foto om. Achterop staat trotste vader van de wereld.

‘Die foto is genomen op de dag dat ik je vertelde dat ik mijn eerste liedje had verkocht,’ zegt ze.

‘Nou weet ik het weer,’ zegt hij, maar dat liegt hij.

‘Goed,’ zegt ze, en ze glimlacht, en in die glimlach ligt veel droefenis verscholen, en het gaat hem aan het hart dat zijn dochter hem in deze staat moet meemaken.

‘Ik wil nu graag naar huis,’ zegt hij.

Ze kijkt naar de agent. ‘Is dat goed?’ vraagt ze. De agent zegt dat het goed is.

‘Ik zou met het verpleeghuis gaan praten als ik u was,’ zegt de agent. ‘Dit soort dingen kunnen natuurlijk echt niet.’

‘Verpleeghuis?’ zegt Jerry.

Eva kijkt hem aan. ‘Daar woon je nu.’

‘Maar we zouden toch naar huis gaan?’

‘Dat is je huis nu,’ zegt ze.

Hij begint te huilen, want het komt allemaal terug – zijn kamer, de verpleging, de tuin, in de zon zitten met enkel het besef van gemis als gezelschap. Hij merkt pas dat hij huilt als zijn tranen op de tafel vallen, zo hevig dat de agent zijn blik afwendt en zijn dochter naar hem toe komt en haar armen om hem heen slaat.

‘Het komt allemaal goed, Jerry. Dat beloof ik.’

Maar hij denkt nog steeds aan Suzan met een z, hoe het voelde toen hij haar vermoordde, voordat hij erover ging schrijven. Toen hij de duisternis omarmde.

Dag 1

Een paar basale feiten. Vandaag is het vrijdag. Vandaag is het helder in je hoofd, al ben je enigszins van slag. Je bent Jerry Grey en je bent bang. Je zit in je werkkamer en schrijft dit. Je vrouw Sandra is met haar zus aan het bellen, ongetwijfeld in tranen vanwege jouw vooruitzichten. Want dit had niemand zien aankomen, jongen. Sandra zal voor je zorgen – dat heeft ze beloofd, maar dat beloofde ze toen ze nog maar acht uur wist dat de man die je bent uiteindelijk in het niets zal oplossen en vervangen zal worden door een onbekende. Ze heeft het nog niet verwerkt, en op dit moment zegt ze ongetwijfeld tegen Katie dat het niet mee zal vallen, dat het ontzettend zwaar zal worden, maar dat ze zal doorzetten, natuurlijk zal ze doorzetten, want ze houdt van je – maar dat wil je helemaal niet van haar. Of in elk geval denk je er op dit moment zo over. Je vrouw is achtenveertig, en jij hebt misschien geen toekomst meer, maar zij nog wel. Dus misschien doe je er goed aan om haar van je af te duwen, als dat al niet automatisch door je ziekte gebeurt. Wat je niet moet vergeten, is dat het niet over mij, jou, ons gaat, maar over het gezin. Jouw gezin. We moeten doen wat voor het gezin het beste is. Natuurlijk weet je heel goed dat dat een primaire reactie is, en dat je er morgen misschien heel anders over denkt. Grote kans.

Op dit moment heb je greep op de dingen. Zeker: gisteren ben je je mobieltje kwijtgeraakt, en vorige week je auto, en onlangs wist je niet meer hoe Sandra heette, en het is waar dat de diagnose betekent dat je je beste jaren gehad hebt en dat er niet veel goeie meer in het verschiet liggen, maar op dit moment weet je precies wie je bent. Je weet dat je een fantastische vrouw hebt die Sandra heet, en een geweldige dochter die Eva heet.

Dit logboek is voor jou, Jerry in de toekomst, Toekomstige Jerry. Op het moment dat ik dit schrijf, koester je hoop dat ze er iets op zullen vinden. De medische wetenschap schrijdt met rasse schreden voort... Op een gegeven moment zullen ze toch wel met een pil komen? Een pil tegen alzheimer. Een pil waardoor je herinneringen terugkomen, en dit logboek is bedoeld om je te helpen, mochten die herinneringen wat vaag zijn. Als er geen pil is, kun je via deze bladzijden altijd nog terug in de tijd, zodat je weet wie je was voordat de vroege dementie zich deed gelden, voordat de Grote A opdook en de goede dingen des levens van je afpakte.

Op deze bladzijden kun je lezen over je gezin, hoeveel je van ze houdt, hoe je hart op hol slaat als Sandra naar je glimlacht, hoe Eva om een van je grapjes lacht en dan hoofdschuddend ‘Pap!’ roept. Je moet niet vergeten, Toekomstige Jerry, dat je van ze houdt en ze van jou houden.

Dit is dus de eerste dag van je logboek. Niet de dag waarop dingen langzamerhand veranderden – dat begon een jaar of twee geleden – maar de dag waarop je de diagnose te horen kreeg. Je bent Jerry Grey en acht uur geleden zat je bij dokter Goodstory terwijl je vrouw je hand vasthield en hij jullie vertelde wat er aan de hand was. Je reactie, en laten we daar geen doekjes om winden, want we zijn hier per slot van rekening onder elkaar: je schrok je te pletter. Je wilde dokter Goodstory eens flink duidelijk maken dat hij kon kiezen: óf van baan óf van naam veranderen, want die twee gingen totaal niet samen. Op de terugweg zei je tegen Sandra dat de diagnose je deed denken aan een fragment uit Fahrenheit 451 van Ray Bradbury, en thuis zocht je het op om het haar te kunnen voorlezen. Bradbury schreef: ‘Iemand heeft er misschien zijn hele leven over gedaan om wat van zijn gedachten op papier te zetten, zijn visie op de wereld en het leven, en dan kom ik, en bam! Dan is het binnen twee minuten bekeken.’ Dit wordt natuurlijk gezegd in een gesprek tussen twee mannen die beroepsmatig boeken verbranden, maar het vat jouw eigen toekomst perfect samen. Je bent al je hele leven bezig je gedachten op schrift te stellen, Toekomstige Jerry, en in dit geval zijn het niet de bladzijden die in vlammen opgaan, maar de geest waaruit ze zijn ontsproten. Grappig dat je wel naar boven kunt halen wat je meer dan tien jaar geleden hebt gelezen, maar niet meer weet waar je autosleutels zijn gebleven.

Door dit logboek te beginnen schrijf je voor het eerst sinds jaren weer eens iets met de hand wat langer is dan een boodschappenlijstje. De tekstverwerker van je computer is altijd je medium geweest, vanaf het moment dat je hoofdstuk 1 van je eerste boek typte, maar om hiervoor nou de computer te gebruiken... dat voelt te onpersoonlijk, om maar eens wat te noemen, en bovendien is het niet praktisch. Het papieren logboek is authentieker en veel gemakkelijker te verplaatsen dan een laptop. Het is trouwens een notitieboek dat je ooit voor de kerst van Eva hebt gekregen toen ze elf was. Voorop heeft ze een grote smiley getekend, en ze heeft er twee van die plastic beweegbare ogen opgeplakt. Ze tekende er een tekstballon bij, waarin ze schreef papa’s gaafste ideeën. De bladzijden zijn altijd leeg gebleven, omdat je je ideeën meestal op memoblaadjes noteerde en die op de rand van de computermonitor plakte, maar het boekje (nu dus een logboek) lag altijd in de bovenste la van je bureau, en om de zoveel tijd pakte je het en streek je met je duim over de voorkant en dacht je terug aan de keer dat je het van haar kreeg. Hopelijk is je handschrift beter dan wanneer je ’s nachts een idee krijgt en dat haastig opschrijft, want meestal kun je de volgende dag je eigen gekrabbel niet meer ontcijferen.

Er is zoveel om te vertellen, maar laat ik eerst iets bots zeggen. Nog even en je zit in Kierewietistan. ‘We zijn allemaal zo kierewiet als maar kan in Kierewietistan’ – een citaat uit je laatste boek. Je bent een thrillerschrijver, dat kan ik net zo goed meteen vertellen. Je maakt gebruik van een pseudoniem, namelijk Henry Cutter, en in de loop der tijd zijn je fans en de media je The Cutting Man gaan noemen, niet alleen vanwege je pseudoniem, maar omdat veel van je slechteriken een mes gebruiken. Je hebt twaalf boeken op je naam staan, en nummer dertien, The Man Goes Burning, ligt op dit moment bij je uitgever. Je bureauredactrice komt er bijna niet doorheen. Dat was ook al zo bij nummer twaalf, en dat had een teken moeten zijn, toch? Ik zal je vertellen wat je het beste kunt doen: koop een t-shirt en laat daarop zetten dementerenden zijn beroerde schrijvers. Wie ze ziet vliegen, schudt niet meer zomaar een goed plot uit zijn mouw. Er waren passages die niet helemaal klopten, en passages die helemaal niet klopten, maar je hebt het boek voltooid, en je voelde je opgelaten en je hebt je wel tien keer verontschuldigd en je voerde stress als excuus aan. Per slot van rekening moest je dat jaar vaak voor promotiedoeleinden op pad, dus was het logisch dat er wat fouten in je boek waren geslopen. Maar The Man Goes Burning is een regelrechte puinhoop. Vandaag of morgen ga je je bureauredactrice bellen om haar te vertellen dat je de Grote A hebt. Alle auteurs schrijven op een gegeven moment hun laatste boek, je had alleen niet gedacht dat je er al was, en je had nooit gedacht dat dat in jouw geval een logboek zou zijn.

Je laatste boek, dit logboek, zal je ondergang in de waanzin zijn. Of nee, beter is om het een reis naar de waanzin te noemen. Dat is een heel verschil. Zeker: je zult vergeten hoe je vrouw ook alweer heet, maar vergeet niet hoe we dit noemen – het is een reis, geen ondergang. En dat is inderdaad bedoeld als grap. Een bozige grap, want laten we wel wezen, Toekomstige Jerry, je bent buitengewoon boos. Dit is een reis naar de waanzin omdat je gek van woede bent. Je hebt alle reden om gek te worden. Je bent nog maar negenenveertig, beste man, en nu al heeft de waanzin je in zijn greep. Logboek der Waanzin is een perfecte titel...

Maar nee, daar is dit niet om begonnen. Het gaat niet over het oprichten van een monument voor je woede, maar het is een logboek dat wil laten zien hoe je leven eruitzag voordat de ziekte je in zijn macht kreeg en je herinneringen aan flarden werden gescheurd. Dit logboek gaat over je leven, hoe gezegend je was. Jij, Toekomstige Jerry, jij bent datgene geworden waar je altijd al van droomde: schrijver. Je hebt een fantastische vrouw, degene die je bij de hand pakt en je laat voelen wat je moet voelen, of het nu troost of warmte of opwinding of lust is, degene naast wie je elke ochtend wakker wordt in de wetenschap dat je ’s avonds weer naast haar in slaap zult vallen, degene die altijd een frisse kijk op de dingen heeft en van wie je elke dag zoveel leert. Je dochter heeft een oude ziel. Ze is de reiziger, iemand die mensen gelukkig wil maken, degene die de hele wereld aankan. Je woont in een leuk huis in een leuke buurt, je hebt heel wat boeken verkocht waar heel wat mensen van genoten hebben. Om eerlijk te zijn, T.J., heb je altijd al gedacht dat er iets tegenover moest staan, dat het universum iets ter compensatie terugeiste. Daarin heb je gelijk gekregen. Dit logboek is bovenal een schets van degene die je was. Mogelijk helpt het je om de tijden naar boven te halen die je niet meer uit jezelf uit je geheugen kunt opdiepen, en als de ziekte genezen kan worden, zul je met behulp van dit logboek de herinneringen kunnen terughalen die je kwijt was.

Allereerst zal ik uitleggen hoe het allemaal zo gekomen is. Gelukkig zullen morgen al je herinneringen nog intact zijn, en je zult nog de oude zijn, en ook overmorgen en de dag daarna, maar je hebt steeds minder van die dagen, zoals schrijvers steeds minder tijd hebben om een nieuw boek te schrijven. We hebben allemaal een laatste gedachte, een laatste sprankje hoop, een laatste ademtocht, en het is belangrijk om dit allemaal voor je op te schrijven, Jerry.

Je hebt dit jaar een slecht boek afgeleverd, Jerry, en – spoiler alert – het boek van vorig jaar is slecht ontvangen. Maar kijk: je leest nog steeds de recensies. Is dat een van de gevolgen van dementie? Jaren geleden nam je je voor om ze niet te lezen, maar je kunt het niet laten. Soms heb je er even schoon genoeg van, als iemand heeft geblogd Met dit laatste boek stelt Henry Cutter de lezer ontzettend teleur. Zo gaan die dingen nu eenmaal, beste jongen; het hoort er allemaal bij. Maar misschien hoef je je nu niet meer af te vragen op welk punt in je leven je nu zit. Het is lastig om te zeggen wanneer het allemaal begonnen is. Vorig jaar was je Sandra’s verjaardag vergeten. Dat was niet best. En er hebben zich wel meer dingen voorgedaan. Op dit moment... op dit moment slaat de vermoeidheid toe, je hebt het gevoel dat het allemaal net iets te veel is, en... nou, op het moment dat je dit schrijft, drink je een gin-tonic. Je eerste vanavond. Oké, grapje, het is je tweede, dan komt de wereld niet meer zo hard binnen. Waar je nu echt behoefte aan hebt, is gewoon slapen.

Je bent een goed-nieuws-slecht-nieuws-type, T.J. Goed nieuws hoor je graag, en slecht nieuws niet. Ha, met dank aan gin-tonic nummer drie, die je heeft voorgesteld aan Kapitein Opendeur als nieuw verhaalperspectief. Het slechte nieuws is dat je doodgaat. Niet in de traditionele betekenis van het woord – misschien heb je nog heel wat jaren voor de boeg – maar je wordt een schaduw van de Jerry die je was. De Jerry die ik op dit moment ben, jij dus die dit schrijft, zal het veld gaan ruimen, moet ik je tot mijn spijt meedelen. Soms zul je het doorhebben – dat ligt voor de hand. Het is niet onvoorstelbaar dat Sandra naast je zit zonder dat je haar herkent, en misschien heb je net in je broek geplast en misschien geef je haar te kennen dat ze je verdomme met rust moet laten, maar soms zul je het doorhebben – een stukje blauw op een bewolkte dag, wanneer je weet wat er aan de hand is, en dan breekt je hart.

Dan breekt verdomme je hart.

*

De agent loopt met Jerry en Eva over de derde verdieping van het politiebureau. De meeste mensen onderbreken hun werk even en kijken op. Jerry vraag zich af of er bekenden van hem bij zitten. Hij lijkt zich te herinneren dat er iemand was die hij voor zijn boeken had geraadpleegd – misschien een agent, iemand aan wie hij kon vragen hoe zus of zo in zijn werk gaat, zou een kogel dit kunnen veroorzaken, zou een rechercheur dat doen, wat zijn zoal de mazen in de wet. Jerry herkent geen van de gezichten, maar dan schiet hem te binnen dat het geen agent is van wie hij hulp had, maar een vriend van hem, een vent die Hans heet. Hij heeft de foto die hij van Eva heeft gekregen nog in zijn hand, en hij weet nog wanneer die genomen is. Bepaalde dingen komen bij hem boven, maar niet alles.

Eva moet haar handtekening ergens voor zetten en praat dan weer met de agent, terwijl Jerry naar een van de muren kijkt waar een oproep hangt voor een politierugbyteam, met zes namen erop, waarvan de laatste Uncle Bad Touch is. De agent komt met Eva naar Jerry toe en wenst hem een prettige dag, en dat wenst Jerry ook – hij wenst zelfs verschillende prettige dagen. Dan staan ze in de lift en gaan ze naar beneden, en daarna lopen ze naar buiten.

Hij heeft geen idee wat voor dag het is, laat staan wat de datum is, maar er bloeien narcissen langs de Avon, de rivier die dwars door de stad stroomt en figureerde in een paar van zijn boeken – in werkelijkheid prachtig, maar in zijn boeken meestal de plek waar iemand wordt vermoord of waar iemand in wordt gedumpt. Dat de narcissen bloeien, betekent dat het lente is, begin september. De mensen die op straat lopen, zien er tevreden uit, zoals altijd wanneer de wintermaanden voorbij zijn, al waren de mensen in zijn boeken, als hij zich dat goed herinnert, altijd depressief, ongeacht welk seizoen het was. Zijn versie van Christchurch was een stad waar de duivel de scepter zwaaide – niemand glimlachte, er waren geen mooie bloemen, geen zonsondergangen, alleen maar een inferno, zover het oog reikte. Hij draagt een trui, wat goed is, want het is eigenlijk helemaal niet zo warm, en ook goed omdat het betekent dat hij eerder op de dag een aanval van gezond verstand heeft gehad en zich op het weer heeft gekleed. Eva blijft bij een auto staan. Tien meter verderop zit een vent op het trottoir lijm te snuiven. Ze doet het portier van het slot.

‘Nieuwe auto?’ vraagt hij, wat een domme opmerking is, want meteen nadat hij het gezegd heeft, weet hij dat het antwoord alleen maar kan tegenvallen.

‘Zoiets,’ zegt ze. Waarschijnlijk heeft ze hem al een paar jaar. Het zou zelfs kunnen dat Jerry hem voor haar gekocht heeft.

Ze stappen in, en wanneer ze haar hand op het stuur legt, ziet hij weer haar trouwring. De lijmsnuiver is naar de auto gekomen en tikt op het raampje. Op zijn t-shirt staat uncle bad touch, en Jerry vraagt zich af of hij zich voor het rugbyteam van de politie heeft opgegeven, of dat hij de grappenmaker heeft geïnspireerd die naam op het formulier te zetten. Eva start de auto, en ze trekt op, net op het moment dat Uncle Bad Touch vraagt of ze misschien een aangevreten broodje van hem willen kopen.

Na twintig meter moeten ze voor rood stoppen. Voor Jerry heeft de dag drie delen. De zon staat in het westen, en zo te zien duurt het nog maar een paar uur voor die onder is, waardoor hij tot de conclusie komt dat het tweede dagdeel bijna ten einde is. Hij probeert zich de man van Eva voor de geest te halen, en hij heeft bijna een beeld van hem wanneer Eva begint te praten.

‘Ze hebben je in de openbare bibliotheek gevonden,’ zegt ze. ‘Je bent daar naar binnen gelopen en bent op de grond gaan liggen. Toen iemand van het personeel je wakker maakte, begon je te schreeuwen. Ze hebben de politie gebeld.’

‘Lag ik daar te slapen?’

‘Kennelijk,’ zegt ze. ‘Kun je je er nog iets van herinneren?’

‘De bibliotheek wel, maar verder niet veel. Ik weet niet meer dat ik daarnaartoe ben gegaan. Ik kan me nog wel wat van gisteravond herinneren. Ik weet nog dat ik tv heb gekeken. En ik kan me het politiebureau nog herinneren. Volgens mij werd ik wat... helderder, en ik denk dat ik verhoord werd. Volgens mij was ik daar omdat de politie erachter was gekomen wat ik had gedaan toen ik...’

‘Suzan bestaat niet,’ valt ze hem in de rede.

Het licht springt op groen. Hij denkt aan Suzan en dat ze niet bestaat buiten de bladzijden van het boek waarvan hij zich nauwelijks nog kan heugen het geschreven te hebben. Hij is moe. Hij kijkt naar buiten, en de gebouwen komen hem bekend voor, en dan krijgt hij een idee waar ze zijn. Op het trottoir staat een vent met een parkeerwachter ruzie te maken, en hij priemt zijn vinger tegen diens borst. Een vrouw is aan het joggen terwijl ze tegelijkertijd een buggy voor zich uit duwt en met haar mobieltje belt. Er loopt een breed glimlachende man met een boeket bloemen in zijn hand. Hij ziet een jongen van vijftien of zestien die een oude mevrouw helpt met het oprapen van haar boodschappen; haar tas is opengescheurd.

‘Moeten we per se terug naar het verpleeghuis? Ik wil liever naar huis. Naar mijn echte huis.’

‘Je hebt geen echt huis meer,’ zegt Eva. ‘Nu niet meer.’

‘Ik wil naar Sandra toe,’ zegt hij, en het kost hem wat moeite de naam van zijn vrouw uit te spreken, en misschien is dat de truc waarmee je de ziekte de baas kunt worden: gewoon blijven praten, dan kom je er vanzelf. Hij draait zich om naar Eva. ‘Toe, alsjeblieft.’

Ze remt iets af zodat ze hem kan aankijken. ‘Het spijt me, Jerry, maar ik moet je terugbrengen. Je mag niet van het terrein af.’

‘Mag dat niet? Dat klinkt alsof ik achter slot en grendel moet worden opgeborgen. Toe, Eva, ik wil naar huis. Ik wil naar Sandra toe. Ik weet niet waarom ik het verdiend heb om daar opgesloten te worden, maar ik beloof je dat ik mijn leven zal beteren. Dat beloof ik echt. Ik zal niet meer...’

‘Het huis is verkocht, Jerry. Negen maanden geleden al,’ zegt ze, en ze kijkt recht vooruit. Haar onderlip trilt.

‘Waar is Sandra dan?’

‘Mama is... mama is elders.’

‘Elders? Jezus, bedoel je dat ze dood is?’

Ze kijkt opzij naar hem, waardoor ze bijna tegen een auto knalt die afremt. ‘Ze is niet dood, maar ze... ze is niet meer je vrouw. Ik bedoel, jullie zijn nog wel getrouwd, maar dat zal niet lang meer duren – een kwestie van papieren invullen.’

‘Papieren invullen? Wat voor papieren?’

‘De scheiding,’ zegt ze, en dan beginnen ze weer te rijden. In de auto voor hen zit een meisje van een jaar of zeven, dat naar hen kijkt en zwaait en gekke gezichten trekt.

‘Gaat ze bij me weg?’

‘Laten we het hier nu maar niet over hebben, Jerry. Zullen we samen naar het strand gaan? Dat vond je altijd leuk, het strand. Ricks jas ligt achterin, die kun je wel aandoen, want het is er vast koud.’

‘Heeft Sandra een ander? Gaat ze met die Rick?’

‘Rick is mijn echtgenoot.’

‘Heeft ze een ander? Is dat de reden waarom Sandra van me af wil?’

‘Ze heeft geen ander,’ zegt Eva. ‘Toe, ik wil het er nu niet over hebben. Misschien later.’

‘Waarom? Omdat ik het dan toch vergeten ben?’

‘Laten we naar het strand gaan,’ zegt ze, ‘dan praten we er daar wel over. De frisse lucht zal je goeddoen. Zul je zien.’

‘Oké,’ zegt hij, want als hij zich gedraagt, brengt Eva hem misschien wel weer naar zijn eigen huis. Misschien kan hij dan de draad oppikken en proberen Sandra terug te winnen.

‘Is het huis echt verkocht?’ vraagt hij.

‘Ja.’

‘Waarom noem je me steeds Jerry? Waarom zeg je niet gewoon papa?’

Ze haalt haar schouders op zonder hem aan te kijken. Hij gaat er niet verder op in.

Ze rijden in de richting van het strand. Hij kijkt naar de mensen en het verkeer en de gebouwen, Christchurch op een lentedag, en van alle steden van de wereld vindt hij Christchurch de mooiste, en hij heeft heel wat steden gezien – dat is een van de voordelen van het schrijven geweest, de vrijheid en...

‘Die reisjes,’ zegt hij. ‘Boektournees. Soms ging Sandra mee, en jij soms ook. Ik ben in heel wat landen geweest. Wat is er met me gebeurd? En met Sandra?’

‘Het strand, pap. Laten we wachten tot we bij het strand zijn.’

Hij wil wel wachten tot ze bij het strand zijn, maar er komt nu steeds meer boven, dingen die hij veel liever zou vergeten. ‘Ik kan me de trouwerij nog herinneren. En Rick. Ik zie hem weer voor me. Ik... Het spijt me zo verschrikkelijk,’ zegt hij tegen haar. ‘Ik vind het heel erg wat ik heb gedaan.’

‘Je kon er niks aan doen.’

De schaamte en de vernedering komen in volle heftigheid terug. ‘Is dat de reden waarom je me geen papa meer wilde noemen?’

Ze kijkt hem niet aan. Ze reageert niet op zijn vraag. Met een vinger veegt ze onder haar ogen om de tranen weg te halen voordat ze vallen. Hij kijkt weer uit het raam, en de schaamte en gêne bepalen zijn gedachten. Voor hen remmen auto’s voor een overstekende eendenfamilie. Een camper gaat naar de zijkant van de weg, en twee jonge kinderen stappen uit en beginnen foto’s te maken.

‘Ik heb een hekel aan dat verpleeghuis,’ zegt hij. ‘Ik heb vast nog wel wat geld. Waarom kan ik geen huis kopen en thuiszorg nemen?’

‘Zo gaan die dingen niet.’

‘Waarom niet?’

‘Daarom niet, Jerry,’ zegt ze, op een toontje waarmee ze te kennen geeft dat ze geen zin heeft om het er verder over te hebben.

Ze blijven rijden. Het is te gek voor woorden dat hij zich bij zijn eigen dochter slecht op zijn gemak voelt, maar toch is het zo. Er staat een enorme muur tussen hen in die ondoordringbaar lijkt, een muur die hij heeft opgebouwd door een slechte vader en een nog slechtere echtgenoot te zijn. Ze rijden in oostelijke richting door de stad, richting Summer Beach, en als ze daar aankomen, vinden ze een parkeerplaats dicht bij het strand, met de zee voor hen, en achter hen een rijtje cafés en winkeltjes en de heuvels. Ze stappen uit. Hij ziet hoe een hond door de restanten van een platgereden zeemeeuw rolt. Eva pakt de jas van Rick achter uit de auto, maar hij zegt haar dat hij geen jas nodig heeft. Er staat een koude wind, maar het is zoals ze al zei: verfrissend. Het zand is goudgeel, maar hij ziet veel aangespoeld hout en zeewier en schelpen liggen. Er zijn zo’n twintig man op het strand, meer niet, en de meeste zijn jong. Hij doet zijn sokken en schoenen uit en houdt ze in de hand. Ze lopen langs de zee, meeuwen krijsen in de lucht, mensen spelen op het strand, en dit moment voelt als een normale dag. Dit voelt als een normaal leven.

‘Waar denk je aan?’ vraagt Eva.

‘Over toen ik hier met je naartoe ging toen je nog klein was,’ zegt hij. ‘Je was altijd bang voor de meeuwen. Wat is er met je moeder gebeurd?’

Ze zucht en draait zich naar hem om. ‘Het was niet één bepaald ding,’ zegt ze, ‘maar een combinatie van dingen.’

‘De trouwerij?’

‘Dat woog wel heel zwaar mee. Ze kon het je niet vergeven. Je kon het jezelf ook niet vergeven.’

‘En daarom is ze bij me weggegaan.’

‘Kom,’ zegt ze. ‘Het is een prachtige lentedag. Laten we die nou niet verpesten door sombere herinneringen op te halen. Laten we nog een halfuurtje doorlopen en dan teruggaan, oké? Ik heb gezegd dat ik je rond etenstijd weer terug zou brengen.’

‘Blijf je eten?’

‘Dat gaat niet lukken,’ zegt ze. ‘Sorry.’

Ze lopen over het strand, ze lopen en praten, en Jerry kijkt uit over de zee, en hij vraagt zich af hoever hij zou kunnen zwemmen, hoever hij zou komen voordat de dementie opspeelt en hij zijn gevoel voor motoriek kwijtraakt. Misschien zou hij na een meter of tien al kopje-onder gaan. Dan zou hij naar de bodem zakken en zijn longen vol water laten stromen. Dat zou misschien niet eens zo slecht zijn.

Dag 4

Nee, dag twee en drie ben je niet kwijtgeraakt – die kun je je nog helder voor de geest halen (al raakte je wel je koffie kwijt en vond Sandra die terug bij het zwembad, wat raar is omdat jullie niet eens een zwembad hebben).

Eva kwam het weekend langs, en ze had groot nieuws. Ze gaat trouwen. Je had al een tijdje in de gaten dat het eraan stond te komen, maar de verrassing was er niet minder om. Het valt niet mee om te beschrijven wat er allemaal door je heen ging. Je was opgewonden, dat lag voor de hand, maar je had ook het gevoel dat je iets was kwijtgeraakt, een verlies dat niet zo een-twee-drie uit te leggen is, een gevoel dat Eva doorging met haar leven en uit jouw leven verdween, en je voelde een zeker gemis, want als er kleinkinderen komen, zul je ze misschien niet meer meemaken, of als je ze wel meemaakt, zul je misschien niet meer weten wie ze zijn.

Ze kwam zondagmorgen en vertelde het nieuwtje meteen. Zij en Hoe Heet-ie hadden zich zaterdagavond verloofd. Sandra en jij konden haar onmogelijk over de Grote A vertellen, niet op dat moment, maar dat komt wel. Natuurlijk komt dat wel. Je zult toch op de een of andere manier moeten uitleggen waarom je je broek steeds achterstevoren aantrekt en probeert Klingon te praten. Geintje. Over geintjes gesproken, je hebt echt een zwembad, maar je kunt je niet meer herinneren dat je daarnaartoe bent gegaan, want het is winter, dus dat is logisch.

Dag twee en drie zijn dus voorbijgegaan, en je hebt het nieuws nog steeds niet echt geaccepteerd. Voordat ik vertel wat er precies op de Dag bij de Dokter is gebeurd, zal ik eerst doen wat ik zei dat ik zou doen op dag één, en dat is je vertellen hoe het allemaal begon.

Het was tijdens de kerst bij Matt thuis, twee jaar geleden. Jezus, je weet waarschijnlijk niet eens meer wie Matt is. Hij is wat je een figurant zou noemen, iemand die om de zoveel maanden in je leven opduikt, meestal nadat je hem weer eens in het winkelcentrum bent tegengekomen, maar een leuk kerstfeest organiseren kan hij wel. Sandra en jij gingen erheen, je praatte met deze en gene, je mengde je in het gezelschap, dat gaat je goed af, en toen gebeurde het – Matts broer en schoonzus kwamen langs en stelden zich voor, Hallo, ik ben James en dit is Karen, en jij van Hallo, ik ben Jerry en dit is mijn vrouw... en dat was het dan. Dit is mijn vrouw. Natuurlijk maakte Sandra de zin af. Dit is je vrouw, Sandra. Ze wist niet dat je niet op haar naam kon komen, ze dacht dat je probeerde grappig te zijn. Maar zo zat het niet. Meneer Geheugenbank, bij wie je haar naam duizenden keren hebt opgenomen in de bijna dertig jaar dat je haar liefhebt, had je rekening geblokkeerd. Het was een vluchtig moment, en waar schoof je het op? Op de drank. En waarom ook niet? Je vader was in zijn tijd een gigantische zuipschuit, en het leek alleen maar logisch dat je daar een beetje van meegekregen had – per slot van rekening stond je daar met een gin-tonic in de hand, je derde die avond.

Hierbij dient voor de goede orde te worden opgemerkt, edelachtbare, dat je geen verkeerd beeld van je vroegere ik moet krijgen. Je drinkt maar een paar keer per jaar – je vader nam elke dag meer tot zich dan jij in een heel jaar. Hij dronk zichzelf dood, letterlijk. Het was afschuwelijk, en één herinnering die je hoogstwaarschijnlijk altijd zal bijblijven, is dat je moeder je belt en zo hysterisch tekeergaat dat je niet kunt horen wat ze zegt, maar dat dat ook niet nodig is omdat je uit haar toon wel kunt opmaken wat ze je duidelijk wil maken. Pas toen je naar hun huis was gegaan, kwam je erachter dat hij bij het zwembad had zitten drinken. Hij had zich in het water laten glijden om af te koelen en kon zichzelf daarna niet meer op het droge hijsen.

Dus je was vergeten hoe je vrouw heette, en waarom zou je dat niet aan de drank wijten? Natuurlijk was je voortdurend je sleutels kwijt, maar als alle mensen die even niet wisten waar ze hun sleutels gelaten hadden het stempel van de Grote A opgedrukt kregen, zou de hele wereld alzheimer hebben. Zeker, je was regelmatig je autosleutels kwijt, maar die kwamen altijd wel weer boven water. Soms lagen ze in de koelkast, of in de voorraadkast, en ook eens een keer (de ironie!) bij het zwembad. Zeker, je vader kwam in een zwembad aan zijn eind, je had je koffie daar laten staan, en je sleutels lagen er ook, maar dat is gewoon onachtzaamheid. Per slot van rekening heb je tig mensen in je hoofd die een stem moeten krijgen, weet je nog? Al die personages? Seriemoordenaars en verkrachters en bankovervallers, en daarnaast heb je ook nog de slechteriken (grapje). Als je hoofd zo vol zit, is het logisch dat je je sleutels wel eens ergens laat slingeren. En je portemonnee. En je jasje. En zelfs je auto – nou ja, die ben je niet kwijtgeraakt, niet echt – waarbij je vanuit het winkelcentrum Dit is mijn vrouw... Sandra, was het niet? hebt gebeld, godzijdank niet de politie om aangifte van autodiefstal te doen. Ze kwam je ophalen en zag de auto op de parkeerplaats staan toen jullie naar buiten liepen, precies op de plek waar je hem had neergezet, en jij, nou ja, jij had lopen zoeken naar de auto die je vijf jaar daarvoor had gehad. Jullie hebben er allebei smakelijk om gelachen. Maar toch was het een beetje zorgelijk. En het deed je denken aan die keer dat je echt niet meer op haar naam kon komen, en het deed je denken aan de tijd dat je nog huizen renoveerde, voordat je schrijverij iets ging opleveren, toen je nog als schilder aan de bak moest en keukens plaatste, tegelvloeren legde en badkamers installeerde en na een klus je schroevendraaier of je hamer kwijt was (en destijds was er nog geen zwembad waar je de spullen mogelijk had laten slingeren). Waar. In. Godsnaam. Had je. Ze gelaten? Sommige spullen heb je nooit teruggevonden.

Sandra bedacht een oplossing: een Plek Voor Alles. Ze maakte een plank bij de voordeur leeg, en als je dan thuiskwam, kon je je zakken leegmaken en je mobieltje en sleutels en portemonnee en horloge daar neerleggen. Dat was althans het plan. Die plank werkte om een doodeenvoudige reden niet. Het kwam niet doordat je niet meer wist waar je je spullen kwijt moest, maar doordat je je totaal niet meer kon herinneren dat je ze er überhaupt had neergelegd. Net zoiets als ergens heen gaan en bij aankomst de hele rit ernaartoe zijn vergeten. Een Plek Voor Alles heeft geen zin als je niet meer weet of je je sleutels uit je zak hebt gehaald. Op een gegeven moment vergat je verjaardagen. Belangrijke data. Dus al die dingen en nog meer – op een gegeven moment wist je weer niet hoe Sandra heette. Weer. Geen. Idee. Jullie waren aanvraagformulieren voor een nieuw paspoort aan het invullen. Jullie zaten naast elkaar aan tafel, en Sandra vulde haar formulier in, en toen zei jij... let op, je zult erom lachen of huilen, maar je zei toen tegen haar Waarom heb je als naam Sandra ingevuld? Want dat had ze gedaan, uiteraard had ze dat gedaan, dat zou elke Sandra in haar plaats gedaan hebben, maar je vroeg dat omdat je op dat moment geen idee had. Je vrouw heette... hoe? Je wist het niet. Je wist niet dat je het niet meer wist, alleen maar dat ze niet Sandra heette, natuurlijk niet, want ze heette...

Ze heette wel Sandra. Dat was het moment. Waarop alles veranderde.

Zo begon het, of in elk geval begonnen we er toen iets van te merken. Wie zal zeggen wanneer het begon? Bij de geboorte? In de baarmoeder? Door die hersenschudding die je opliep toen je op je zestiende op school van de trap viel? Of twintig jaar geleden toen je met Sandra en Eva ging kamperen? Je rende op de camping achter Eva aan en deed of je een grizzlybeer was, en ze giechelde en jij deed grrrr, grrrr, en je kreeg er een zere keel van en je hield je handen als klauwen voor je uit en knalde tegen een tak aan, waardoor je knock-out ging. Of misschien kwam het door die keer op je veertiende toen je vader je voor het eerst en het laatst in zijn leven sloeg (normaal gesproken was hij een blijmoedige drinker) omdat hij boos was, woedend was hij, hij was zoals hij was als normaal gesproken niet van toepassing was en de duisternis bezit van hem nam. Zo’n beetje de duisternis die jou staat te wachten, en nu ik erover nadenk was hij misschien niet zo dronken als het leek – misschien was jouw aandoening zijn aandoening. Dat zou het kunnen zijn geweest, of juist helemaal niet, of misschien, zoals je eerst dacht, eiste het universum compensatie voor het feit dat je in het leven had gekregen wat je wilde.

Nog even en je weet niet meer waar je op tv graag naar kijkt, wat je het liefste eet. Nog even en je begint onduidelijk te praten en herkent mensen niet meer, alleen van het meeste ben je je niet bewust. Je Hersenen Als Kluis zullen Je Hersenen Als Zeef worden, en al die mensen, al die personages die je geschapen hebt, hun wereld en hun eigenschappen zullen vervagen, en nog even en... ach joh, over honderd jaar zou je sowieso dood zijn geweest.

Het moment waarop alles veranderde, dat was het moment waarop Sandra zei dat je naar dokter Goodstory toe moest. En daarna kwamen er nog meer artsen. En dat leidde tot het bericht van de Grote A op de Grote V – want zo ben je die vrijdag gaan noemen, de Grote V, de Dag bij de Dokter, en je vindt dat echt een zeer passende benaming, niet? Je had gehoopt op iets simpels waarmee het euvel verholpen zou zijn, een verandering in je eetpatroon en iets vaker naar buiten voor de broodnodige vitamine D. Maar in plaats daarvan kreeg je op de Grote V precies te horen wat je niet wilde horen.

Wat wil je over die dag weten? Wil je weten dat je ’s avonds in Sandra’s armen hebt liggen huilen? Niet op de Grote V – dat was de dag van de uitslag. Maar de eerste keer, toen dokter Goodstory alleen maar had gezegd We zullen wat onderzoeken moeten doen. We komen er wel achter wat er aan de hand is. Nee, maak je maar niet ongerust, Jerry – dat zei hij allemaal niet. Hij vroeg of je depressief was. Natuurlijk, zei je, welke schrijver is dat nu niet nadat hij bepaalde recensies heeft gelezen? Hij vroeg of je even serieus kon doen, dus dat deed je, en nee, je was niet depressief. Hoe was het met je eetlust? Prima. Sliep je goed? Niet zo goed maar wel lang genoeg. En je conditie? Leefde je gezond? Zeker wel, je nam je vitaminepillen, je probeerde in vorm te blijven door een paar keer per week naar de sportschool te gaan. Dronk je veel? Misschien een gin-tonic of twee per dag. Hij zei dat hij een paar onderzoeken wilde doen, en dat deed hij. Onderzoeken, en je werd doorgestuurd naar een specialist.

Toen kwamen de bezoekjes aan het ziekenhuis. Er werd een mri-scan gemaakt, je bloed werd onderzocht, je geheugen ook, er moesten allerlei formulieren worden ingevuld, niet alleen door jou, maar ook door Sandra. Ze moest je in de gaten houden, en toch vertelden jullie Eva niets. Toen brak de Grote V aan, dokter Goodstory had de uitslag binnengekregen en of jullie langs konden komen, dus dat deden jullie... nou, je weet wat je toen te horen kreeg. Kijk maar in de spiegel. Vroege dementie. Alzheimer. Misschien kunnen ze er in de toekomst iets aan doen, maar nu in elk geval niet, en misschien kun je dit logboek gebruiken als inspiratiebron voor je volgende boek. Misschien heb je onderhand al vijftig boeken geschreven en was dit gewoon een fase in je leven, Jerry Grey in zijn Donkere Periode, zoals Picasso zijn Blauwe Periode had en de Beatles hun Witte.

Je hebt langzaam voortschrijdende dementie. De Grote A. Dementie bij mensen onder de vijfenzestig komt weinig voor, zei Goodstory, waardoor je statistisch een uitzondering bent. Er bestaan medicijnen tegen de onrust en tegen de depressiviteit, waarvan je onherroepelijk last zult krijgen, zo verzekerde hij je. Maar er zijn nog geen medicijnen tegen de aandoening zelf.

We kunnen niet voorspellen hoe snel de ziekte in jouw geval zal voortschrijden, zei dokter Goodstory. Het punt is dat de hersenen nog steeds een mysterieus gebied vormen. Als je huisarts, en als je vriend, kan ik je vertellen dat je misschien nog vijf of tien prima jaren te gaan hebt, maar voor hetzelfde geld ben je rond de kerst al zo gek als een deur. Wat ik je adviseer: pak dat pistool van je en schiet jezelf voor de kop nu je nog weet hoe dat moet.