0,49 €
In 'Columbus: De ontdekker van Amerika' biedt John S. C. Abbott een diepgaande en levendige exploratie van het leven en de avonturen van Christopher Columbus. Het boek plaatst Columbus in de bredere context van de Europese ontdekkingen en de culturele verschuivingen van de 15e eeuw. Abbott's narratieve stijl is toegankelijk, met een combinatie van historische nauwkeurigheid en dramatische elementen die de lezer meeslepen in de tijd van ontdekkingsreizigers. De authoritieve beschrijving van Columbus' fouten en successen biedt een genuanceerd beeld van zijn karakter en motieven, waardoor de lezer uitgedaagd wordt om kritisch na te denken over deImpact van de ontdekkingen op zowel de oude als de nieuwe wereld. John S. C. Abbott was een 19e-eeuwse schrijver en historicus, bekend om zijn biografieën van invloedrijke figuren. Zijn passie voor geschiedenis en zijn vermogen om complexe Ereignisse te vertalen in helder proza zijn duidelijk zichtbaar in dit werk. Abbott's verlangen om de verhalen van gewone en buitengewone mensen uit het verleden te delen, heeft hem ertoe aangezet om Columbus' leven te onderzoeken en te documenteren, waardoor zijn bijdrage aan de wereldgeschiedenis wordt benadrukt. 'Columbus: De ontdekker van Amerika' is een aanrader voor zowel geschiedenisliefhebbers als voor lezers die geïnteresseerd zijn in de ervaringen van pioniers. Abbott's grondige onderzoek en levendige vertelstijl maken het boek tot een waardevolle bron, die zowel educatief als onderhoudend is. Dit boek biedt niet alleen historische inzichten, maar bevordert ook een kritische reflectie over de invloed van Columbus op de moderne wereld. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Een beknopte Inleiding plaatst de tijdloze aantrekkingskracht en thema's van het werk in perspectief. - De Synopsis schetst de centrale verhaallijn, waarbij belangrijke ontwikkelingen worden uitgelicht zonder cruciale wendingen te verklappen. - Een uitgebreide Historische context dompelt u onder in de gebeurtenissen en invloeden van die tijd, die de totstandkoming van het werk hebben gevormd. - Een grondige Analyse ontleedt symbolen, motieven en karakterontwikkeling om verborgen betekenissen bloot te leggen. - Reflectievragen nodigen u uit om persoonlijk in te gaan op de boodschappen van het werk en deze te verbinden met het hedendaagse leven. - Zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten benadrukken momenten van literaire genialiteit. - Interactieve voetnoten verduidelijken ongewone verwijzingen, historische allusies en archaïsche uitdrukkingen voor een soepelere en meer geïnformeerde leeservaring.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2023
Op het snijvlak van stoutmoedige verbeelding en onmetelijke zee verhaalt dit boek hoe een enkele overtuiging, gesmeed uit zeemanschap, rekenkunst en religieuze gedrevenheid, zich baanbreekt door hofelijke scepsis, financiële schaarste en het fysieke geweld van de Atlantische Oceaan om een route te forceren die zowel een individu als het geopolitieke denken van zijn tijd voorgoed zou herschikken, en tegelijk een keten van verwachtingen, geschiedbeelden en morele vragen in gang zet die tot ver voorbij de eerste landspiegel blijven doorwerken in lezers, naties en verhalenvertellers, waarbij de spanning tussen heldenmoed en gevolgen iedere bladzijde stil, maar nadrukkelijk, blijft begeleiden.
Columbus: De ontdekker van Amerika van John S. C. Abbott is een historische biografie die het leven en de eerste onderneming van Christoffel Columbus in kaart brengt tegen de achtergrond van laatvijftiende-eeuws Iberië en de Atlantische wereld. Abbott, een negentiende-eeuwse Amerikaanse auteur en geschiedschrijver, schreef het werk in de traditie van toegankelijke, narratieve geschiedenis die een breed publiek wil bereiken. Zonder academische omhaal richt hij zich op de dramatische ontwikkeling van plannen, onderhandelingen en afvaart, en situeert hij Columbus binnen de politieke en religieuze context van zijn tijd. De publicatie wortelt zo herkenbaar in negentiende-eeuwse populaire historiografie.
De premisse is eenvoudig en meeslepend: een ambitieuze navigator tracht zijn visie op een westwaartse zeeroute te bewijzen en zoekt daarvoor steun, middelen en gezag, waarna de sprong in het onbekende onvermijdelijk wordt. Abbott begeleidt de lezer met een rustige, verklarende stem die scènes helder ordent, motieven benoemt en overgangen zorgvuldig markeert. De stijl is verhalend en op momenten plechtig, met oog voor praktische details van voorbereiding en vaart, zonder zich te verliezen in technische verhandelingen. De toon blijft respectvol ten aanzien van historische actoren en hun overtuigingen, terwijl het tempo gestaag naar de eerste beslissende ontdekkingstocht voert.
Centrale thema’s die Abbott uitlicht, zijn vasthoudendheid tegenover twijfel, de wisselwerking tussen persoonlijke overtuiging en institutionele macht, en de rol van berekening en toeval op zee. Evenzeer speelt de spanning tussen geloof en empirische kennis, tussen kaart en werkelijkheid, en tussen individuele roem en collectieve onderneming. Het boek onderzoekt hoe patronage en politiek de koers mede bepalen, en hoe retoriek, reputatie en timing kansen openen of sluiten. Door Columbus’ streven te plaatsen in een netwerk van financiers, adviseurs en rivalen, laat Abbott zien dat ‘ontdekking’ geen solistisch moment is maar een proces met vele schakels en belangen.
Voor hedendaagse lezers blijft deze biografie relevant omdat ze de wording van een wereldwijde verbinding toont die geopolitiek, handel en cultuur blijvend beïnvloedde, terwijl ze tegelijk laat zien hoe verhalen over oorsprong en initiatief worden gemaakt. De tekst nodigt uit om de erfenis van verkenning te bekijken met oog voor perspectief: hoe taal, selectie en klemtonen uit de negentiende eeuw onze blik sturen, en hoe we als lezers die kaders kunnen herkennen. Zo biedt het boek zowel historische oriëntatie als een oefening in kritisch lezen, bruikbaar in discussies over globalisering, grenzen, migratie en de kracht van narratieven.
Abbott schrijft met een ritme dat episodes afwisselt met samenvattende beschouwingen, waardoor de spanningsboog behouden blijft zonder het overzicht te verliezen. Zijn zinnen zijn ruim maar helder, met een voorkeur voor oorzaak-gevolgketens en morele reflecties die kenmerkend zijn voor zijn tijd. Wie leest, treft dus geen droge kroniek, maar een zorgvuldig gecomponeerd verhaal dat samenhang benadrukt en de lezer begeleidt door onbekend terrein. Tegelijkertijd is het vruchtbaar om het negentiende-eeuwse perspectief mee te wegen: termen, waarderingen en accenten dragen sporen van hun ontstaanstijd, wat het boek tot een dubbele studie maakt van gebeurtenissen én van hun vertelling.
Als inleiding op Abbott’s werk kan men dit boek lezen als een zorgvuldig opgebouwde toegangspoort tot een beroemd, maar vaak simplistisch verteld hoofdstuk uit de wereldgeschiedenis. Het biedt een samenhangend narratief dat de sprong over de oceaan begrijpelijk maakt zonder de complexiteit te versluieren, en dat tegelijk bewust maakt van de kaders waarbinnen zulke verhalen ontstaan. Wie op zoek is naar een klassieke biografische vertelling die een beslissend vertrekpunt van de vroegmoderne wereld invoelbaar maakt, vindt hier een betrouwbare gids. Het is een leeservaring die verbeelding wekt, oordeelsvermogen scherpt en historische afstanden productief overbrugt.
Columbus: De ontdekker van Amerika van John S. C. Abbott is de Nederlandse titel van Abbott’s negentiende-eeuwse, verhalende biografie over Christoffel Columbus. Als populaire historicus schetst Abbott een doorlopend, overzichtelijk levensverhaal dat aansluit bij de moraal en verteltrant van zijn tijd. Hij volgt Columbus van zijn vormende jaren tot zijn latere expedities en politieke beproevingen, met bijzondere aandacht voor de spanningsboog tussen visie en uitvoering. De auteur verweeft beschrijving van zeevaartpraktijken, hovenpolitiek en religieuze overtuigingen tot een chronologisch relaas dat de lezer meeneemt van Europese havens naar onbekende wateren, terwijl hij de belofte, onzekerheid en gevolgen van een grensverleggende onderneming laat zien.
Abbott beschrijft Columbus’ vermoedelijke afkomst in een Italiaanse havenstad, zijn vroege vertrouwdheid met de zee en de ambachten rond navigatie en kaarten. In deze schets ontstaat het portret van een man die gedreven wordt door nieuwsgierigheid, vroomheid en berekening. Hij bestudeert routes, getijden en verhalen van zeelieden, en vormt de gedachte dat een westwaartse oceaanreis nieuwe toegang tot Azië kan openen. Zonder technisch te verzanden, belicht Abbott hoe vaardigheid en verbeelding elkaar versterken: vertrouwdheid met de handelswereld, gevoel voor risico en de overtuiging dat intellectuele durf de horizon kan verleggen. Het is de kiem van zowel roem als tegenslag.
De zoektocht naar steun vormt een hoofdader in het boek. Abbott volgt Columbus’ pogingen om zijn plan aan vorsten en raden te presenteren, eerst waar zee-ervaring en prudentie vooropstaan, vervolgens aan een hof dat religieuze en geopolitieke ambities koestert. De onderhandelingen over voorwaarden, titels en beloningen tonen de botsing tussen individuele visie en institutionele voorzichtigheid. Tegelijkertijd groeit de kring van sympathisanten en sceptici. De auteur benadrukt het uithoudingsvermogen dat nodig is om door berekeningen, toetsen en vertragingen heen te breken, en schetst hoe dynastieke rivaliteit en concurrentie op de oceaan de kans op uitvoering uiteindelijk vergroten zonder de onzekerheid onderweg te verminderen.
Wanneer de onderneming eindelijk zeewaardig wordt, verlegt het boek de focus naar planning, schepen, bevoorrading en bemanningsmoraal. Abbott evoceert de monotonie en spanning van dagen op open water, de discussies over koers en afstand, en de noodzaak om angst te temperen met leiding en belofte. De aankomst aan nieuwe kusten wordt beschreven vanuit verwondering en wederzijds onbegrip, met aandacht voor navigatieprestaties en de discipline die de terugkeer mogelijk maakt. Zonder in technische details te verdrinken, schetst de auteur hoe waarneming, geloof en pragmatiek samenkomen op beslissende momenten, en hoe de belofte van rijkdom en erkenning het verhaal zijn voortstuwende energie verleent.
De daaropvolgende pogingen om een duurzaam steunpunt te vestigen vormen een keerpunt. Abbott toont hoe logistiek, ziekte, rivaliteit en miscommunicatie het bestuur belasten, terwijl verwachtingen over rijkdom en bekering hooggespannen blijven. De fragiele orde wankelt onder druk van schaarste en onderlinge twisten; contact met plaatselijke gemeenschappen wordt getekend door misverstanden en asymmetrische machtsverhoudingen. In deze passages balanceert de auteur tussen bewondering voor ondernemingszin en een beschrijving van de weerbarstigheid van koloniaal bestuur. De vraag of de eigenschappen die een ontdekkingsreiziger groot maken ook die van een bestuurder zijn, vormt een terugkerende spanningslijn die de vertelling naar volgende reizen voert.
Latere reizen verdiepen zowel het geografische bereik als de controverse. Abbott volgt nieuwe verkenningen, pogingen om orde te scheppen en de groei van tegenkrachten binnen bureaucratie en concurrentie. Beschuldigingen over beleid en toezicht, wisselende gunst aan het hof en onderzoeken naar misstanden krijgen ruime aandacht, zonder dat het heldendom volledig wordt ontkracht of eenvoudig wordt bevestigd. De biografie benadrukt het spanningsveld tussen prestatie en reputatie: de held van de oceaan worstelt met procedures, beloftes en rivalen aan land. Zo ontstaat een genuanceerd beeld waarin ambitie, tegenspoed en de politiek van roem elkaar voortdurend hervormen.
In zijn slotbeweging plaatst Abbott Columbus in een lange lijn van wereldhistorische verschuivingen. De ontdekkingstocht fungeert als scharnier tussen werelden en raakt handel, geloof, macht en kennis. Het boek onderstreept zowel durf als gevolg en zet de lezer aan tot afweging van wat winnen en verliezen betekent in een tijd van expansie. Tegelijkertijd weerspiegelt de vertelling het perspectief van de negentiende eeuw, waarmee zij een historische bron op zichzelf wordt. Daarmee behoudt het werk actuele resonantie: het prikkelt tot nadenken over hoe verhalen worden gevormd, welke waarden zij uitdragen en hoe nalatenschap zich door generaties heen ontwikkelt.
John S. C. Abbott (1805–1877) was een Amerikaanse predikant en populair historicus, bekend om toegankelijke biografieën van veroveraars en staatslieden. In de tweede helft van de negentiende eeuw publiceerde hij een levensschets van Christoffel Columbus, bedoeld voor een breed, vaak jeugdig lezerspubliek. Het boek staat in de traditie van didactische “great men”-geschiedschrijving, waarin karaktervorming en morele lessen centraal staan. Abbott werkte met gedrukte bronnen en secundaire literatuur die sinds de achttiende en vroege negentiende eeuw beschikbaar was, en presenteerde een chronologisch verhaal. Zijn toon sluit aan bij de burgerlijke cultuur van zijn tijd, die ontdekkingsreizen als motor van beschaving en vooruitgang waardeerde.
Het verhaal situeert zich tegen de achtergrond van vijftiende-eeuws Europa, waar mediterrane handelssteden als Genua en Venetië wedijverden om toegang tot Aziatische luxegoederen. De Ottomaanse verovering van Constantinopel in 1453 verstoorde bestaande routes en stimuleerde het zoeken naar zeewegen om tussenhandel te omzeilen. Koninklijke hoven en kerkelijke instellingen ondersteunden wetenschap en navigatie, terwijl het Ptolemaeïsche wereldbeeld en portolankaarten richting gaven. Technieken als kompasgebruik, astrolabium en dead reckoning werden verfijnd door zeelieden. De opkomst van centraliserende monarchieën schiep voorwaarden voor grootschalige expedities, waarin prestige, handel en religieuze motieven samenkwamen en het politieke draagvlak voor nautische ondernemingen groeide.
In Iberië ontwikkelde Portugal onder prins Hendrik de Zeevaarder een systematische Atlantische verkenning. Vanaf 1434 doorbraken Portugese kapiteins de psychologische barrière bij Kaap Bojador; in 1488 bereikte Bartolomeu Dias Kaap de Goede Hoop. Caravellen en verbeterde kaarten maakten langere tochten mogelijk. In Castilië en Aragón leidde het huwelijk van Isabella en Ferdinand tot dynastieke unie en, na langdurige strijd, tot de val van Granada in 1492. Deze consolidatie, samen met fiscale en juridische hervormingen en kerkelijke steun, vergrootte de capaciteit om maritieme projecten te financieren. De Spaanse Kroon zocht, mede in concurrentie met Portugal, naar alternatieve routes richting de vermeende rijkdommen van Azië.
Christoffel Columbus, geboren in of nabij Genua rond 1451, werkte vanaf jonge leeftijd in de maritieme handel. Hij voer in de Atlantische sferen van Madeira, de Azoren en langs de West-Afrikaanse kust, en verkreeg ervaring met windsystemen en zeestromingen. Zijn ideeën over een westwaartse route naar Azië sloten aan bij middeleeuwse geografie en correspondentie zoals die van Paolo dal Pozzo Toscanelli, gecombineerd met onderschatte afstanden op basis van uiteenlopende lengtematen. Voor realisatie was vorstelijke patronage noodzakelijk. Na afwijzing door Portugese raden zocht Columbus gehoor aan het Spaanse hof, waar zijn voorstel, na jaren van beoordeling, uiteindelijk serieuze aandacht kreeg.
In 1492 legden de Capitulations van Santa Fe de voorwaarden vast waaronder Columbus zou varen: titels, een aandeel in toekomstige winsten en het ambt van admiraal in nieuw ontdekte gebieden. De expeditie werd uitgerust in Andalusische havens, met drie schepen — algemeen bekend als Niña, Pinta en Santa María — bemand door ervaren zeelieden uit Palos en omgeving. Navigatie berustte op kompas, loglijn en dead reckoning, aangevuld met sterrenwaarnemingen. De snelle internationale implicaties leidden tot de verdragsvorming tussen Spanje en Portugal: het Verdrag van Tordesillas (1494) deelde buiten-Europese zones van exploratie en toe-eigening langs een afgesproken meridiaan.
De eerste ontmoetingen vonden plaats in het Caribisch gebied, waar Taíno- en andere Arawak-sprekende gemeenschappen landbouw, visserij en complexe sociale structuren kenden. De Spaanse expedities plaatsten deze contacten in kaders van bekering, vorstelijke jurisdictie en handelsverwachtingen. Vroege vestigingen, waaronder een fortificatie op Hispaniola, dienden als steunpunten voor verdere verkenning. De uitwisseling van flora, fauna en ziektekiemen zette een langdurig trans-Atlantisch proces in gang. Juridische en theologische debatten over rechten, bestuur en slavernij zouden in de decennia erna aan intensiteit winnen, terwijl kroniekschrijvers en ooggetuigenverslagen het beeld van de gebeurtenissen voor Europese lezers bepaalden.
Negentiende-eeuwse Anglophone historiografie verbeeldde Columbus veelal als volhardende held en instrument van Voorzienigheid. Washington Irvings populaire biografie uit 1828 zette een toon van romantische verheerlijking die tientallen jaren doorwerkte. Abbott schreef in die traditie van exemplarische levens, in een educatieve markt waarin biografieën morele lessen en nationale zelfbeelden ondersteunden. Auteurs als Abbott putten uit gedrukte edities van vroegmoderne bronnen, waaronder de biografie van Ferdinando Columbus, werken van Bartolomé de las Casas en Spaanse kroniekschrijvers. Beeldvorming rond ontdekking en missie sloot aan bij bredere negentiende-eeuwse discussies over vooruitgang, civilisatie en de rol van Europa en de Verenigde Staten in de wereld.
Columbus: De ontdekker van Amerika weerspiegelt zijn ontstaanstijd door nadruk op christelijke deugd, ondernemingszin en heldenmoed, met beperkte aandacht voor inheemse perspectieven en structurele analyse van koloniale geweldsdynamiek. Het werk functioneert als morele en nationale vormingsliteratuur, waarin ontdekkingsreizen een teleologisch verhaal van vooruitgang ondersteunen. Tegelijk bekritiseert Abbott soms lafheid, bijgeloof of bestuurlijke inertie wanneer die de voortgang belemmeren, in lijn met negentiende-eeuwse opvattingen over rationaliteit en arbeidsethos. Als historische bron toont het boek vooral hoe die eeuw Columbus canoniseerde en het Atlantische verleden inzette voor pedagogische en culturele doeleinden. Daarmee documenteert het ook de negentiende-eeuwse leescultuur.
In de prachtige zeestad Genua[1], de trotsche bijgenaamd, werd omstreeks het jaar 1435 een knaapje geboren, dat nu in alle landen als Christophorus Columbus bekend is. Het juiste jaar zijner geboorte kent men niet. Hij was de zoon van geringe lieden, en zijn vader, die een degelijk en vlijtig man, en wolkammer[2] van beroep was, moest hard werken, om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien.
De haven van Genua lag vol met schepen uit al de handelshavens van de toen bekende wereld. Op de kaden wemelde het van zeelieden, die allerlei talen spraken en de uiteenloopendste kleederdrachten vertoonden. De knaap was van nature nadenkend en bezat, bij een groote liefde voor avonturen, een levendige verbeelding. Wanneer hij zoo langs de straten slenterde en naar de groote schepen keek, ontwaakte een sterke begeerte in hem, om verafgelegen landen te bezoeken.
Zijn vader had vier kinderen, drie zoons en één dochter. Hij moet een verdienstelijk en verstandig man zijn geweest, want hij schijnt aan al zijne kinderen het onderwijs te hebben doen geven, dat de gewone school aanbood. Christophorus had goed leeren lezen, schrijven en rekenen. Ook had hij eenige vorderingen gemaakt in het Latijn en het teekenen. Zelfs bezocht hij de hoogeschool te Pavia, waar hij zich vlijtig oefende in meetkunde, aardrijkskunde, sterrekunde en zeevaartkunde.
Hij was nog maar 14 jaren oud, toen zijn vader hem aan de zorg van een bloedverwant, wiens naam Colombo was, toevertrouwde, en met wien hij zijn eerste zeereis deed. Deze ervaren zeeman was reeds zeer beroemd wegens zijn bekwaamheid in de zeevaartkunde. Bij de Genueesche vloot bekleedde hij den rang van admiraal en voerde hij het bevel over een eskader.
De zeeën werden toen zoo onveilig gemaakt door zeeroovers, dat elk koopvaardijschip goed van wapenen moest worden voorzien, om dadelijk strijdvaardig te wezen. Al weten wij niet, wat Columbus op zijn eerste zeereis wedervoer, toch is ’t bekend, dat zij een oorlogstocht was. Colombo zeilde als bevelhebber van een eskader van Genua uit, om koning René, die zijn rijk trachtte te heroveren, ter hulp te snellen. Dit gebeurde in 1459. De oorlog duurde vier jaren. Het eskader van Colombo werd om zijn onverschrokkenheid zeer geprezen.
Later gaf Christophorus Columbus in een brief aan Ferdinand en Isabella een kort verhaal van een tocht, dien hij gedaan had om een galei uit de haven van Tunis te verjagen. Zijn scheepsvolk had bij toeval vernomen, dat de galei door twee andere schepen beschermd werd, en daardoor was het zoo beangstigd geworden, dat het weigerde den tocht voort te zetten. Schijnbaar willigde Columbus hunne wenschen in, en zij verkeerden dan ook in de meening, dat hij besloten had terug te keeren ten einde versterking te halen. Hij veranderde echter van koers, en haalde alle zeilen op. Weldra viel de nacht in. Toen de morgen aanbrak, zeilde het schip de haven in, waarin de galei lag.
De uitslag is onbekend, maar het voorval herinnert ons levendig de nog belangrijker krijgslist, waartoe hij later zijn toevlucht nam, ten einde zijne moedelooze schepelingen aan te vuren, om de reis over de onstuimige zee naar de nieuwe wereld voort te zetten. Destijds werd de Atlantische Oceaan zoo goed als niet bevaren. Eenige weinige ondernemende zeelieden waren langs de kusten van Noord-Europa gevaren, en zuidwaarts naar de westkust van Afrika gestevend. Maar de wereldhandel bepaalde zich hoofdzakelijk tot de Middellandsche zee. Dat waren dagen van ruw geweld, wetteloosheid en misdaad.
Elk koopvaardij schip was genoodzaakt wapenen te voeren. Zeeroovers, wier schepen menigmaal heele vloten vormden, maakten alle zeeën onveilig. Ieder zeeman moest wel een soldaat wezen, altijd klaar, om naar de wapenen te grijpen, ten einde een aanvallenden vijand af te slaan. Onder zulke omstandigheden werd Columbus gevormd. Van zijne vroegste zeetochten is ons niets bekend en wij weten alleen, dat hij een groot deel der toen bekende wereld doorkruiste. Zoo bezocht hij o.a. Engeland, en beploegde zijn voorspoedige kiel de wateren van de Noordzee, tot hij de noordelijke kusten van IJsland bereikte. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hij daar losse geruchten vernam van de tochten, welke, eeuwen vroeger, de Noormannen naar de door het ijs omgeven kusten van Labrador en Groenland hadden gedaan, en van de eindelooze meer zuidwaarts liggende kusten, van welker uitgestrektheid niemand zich een denkbeeld maken kon. Later schreef hij in een zijner brieven:
“Veertig jaren lang heb ik de geheimen der natuur trachten uit te vorschen, en waar ooit een schip zich vertoonde, daar ben ik geweest.”
Tijdens zijn omzwervingen kwam hij ten laatste te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, aan, toen een der beroemdste zeehavens van de wereld. Hij was toen 35 jaren oud.
Columbus in zijn studeerkamer[1q].
Uit de levensbeschrijving, door zijn zoon opgesteld, leeren wij, dat hij ijverig studeerde. Hij las de werken van Aristoteles, Seneca en Strabo. Menig middernachtelijk uur werd gesleten met het lezen van de nasporingen, door Marco Polo en Sir John Maundevile of Mandeville in het werk gesteld. De vraagstukken, waartoe deze ontdekkingen aanleiding gaven, bepeinsde hij ernstig. Maar het boek, dat hem het meest boeide en zijn geest geheel en al bezighield, was de Wereldbeschrijving, de “Cosmographie”, van kardinaal Aliaco[3]. Het was een zonderling mengsel van dwaasheid en geleerdheid, van echte wetenschap en zotte fabelen.
Columbus trof te Lissabon vele zeelieden aan, verstandige, opmerkzame menschen, die alle bekende zeeën hadden bevaren. Hen hoorde hij van drijfhout spreken, dat gevonden was geworden, en zeer onderscheiden was van den plantengroei, dien men in Europa kende. Ruw snijwerk had men uit de zee opgevischt, dat blijkbaar met zeer onvolkomen gereedschap was bewerkt. En, wat het vreemdst van alles scheen, er waren twee lijken op de Azoren aangespoeld, van een menschenras afkomstig, hoedanig noch in Europa noch in Afrika werd gevonden.
Langzamerhand schijnt bij Columbus het denkbeeld te zijn opgerezen, dat er op den aardbol nog andere en uitgestrekte landen moesten wezen, welk de Europeanen nog niet kenden. Want slechts een klein gedeelte van onze aarde was toen nog maar door beschaafde menschen bezocht. Wanneer Columbus alleen in zijne kamer zat, en zijn oogen op de ellendige kaarten van dien tijd rustten, dan werd zijn geest wakker en teekende hij met het potlood in de hand de hem bekende oevers der Middellandsche zee, benevens de minder bekende kusten van Afrika van kaap Blanco af tot kaap Vert toe. In zijn verbeelding ging hij moedig den Atlantischen oceaan op tot de Azoren toe, doch hier vond hij een eindpaal, omdat verder alles nog onbekend en onbevaren was.
Het door hem bepeinsde plan jaagde hem het bloed naar de wangen. Wat ligt, vroeg hij zich af, in dien uitgestrekten, grenzenloozen oceaan aan den anderen kant? Is de aarde een plat vlak? Gesteld, dat dit zoo is, maar waar is dan het einde, en wat ligt aan de andere zijde? Is de aarde een bol? Als zij dat is, hoe groot is die bol dan? Liggen er in dien onmetelijken oceaan andere landen? Zou het voor een onverschrokken avonturier mogelijk zijn dien bol om te varen?
In 1477 stak Columbus in zee, om het westen te vinden langs den ouden, noordelijken weg, die langs IJsland liep. Waarschijnlijk had hij van de ontdekkingen gehoord, welke de Noormannen in die richting hadden gedaan, en was ’t hem bekend, dat men den afstand van Europa’s noordelijkste punten tot de Aziatische stranden niet groot rekende.
Alvorens de groote onderneming uit te voeren, deed hij eerst onderscheidene kleine zeetochten. Zuidwaarts bezocht hij Madera, de Kanarische eilanden en de kust van Guinea. De wegen, door de Portugeesche zeevaarders gevolgd, ging hij ijverig na, en maakte zich vertrouwd met al wat zij van de Azoren en de westelijkste eilanden hadden ontdekt.
Ook zocht hij den noordelijken weg op, en waagde zich zelfs op eenigen afstand ten westen van IJsland. Wellicht had hij het verhaal van de Noormannen gelezen van Groenland, Markland en Vineland. Het laatste schip was van Groenland naar IJsland teruggekeerd ongeveer honderd jaren vóór Columbus dit eiland aandeed. Malte Brun onderstelt, dat Columbus in Italië van de heldendaden dezer koene zeelieden kennis gekregen had, want Rome werd toen als het middelpunt van de wereld beschouwd, en die iets belangrijks hooren wilde, moest daar zijn.
Een Deensch schrijver meent, dat Columbus, die alle mogelijke boeken en handschriften trachtte te krijgen, om verhalen van zeetochten en ontdekkingen te lezen, de geschriften van den bekenden geschiedschrijver Adam van Bremen in handen gekregen had, waarin de ontdekking van Vineland met nadruk werd vermeld.
Deze vermoedens hebben hem ongetwijfeld aangespoord tot de reis naar IJsland, en hij bracht, volgens het verhaal van zijn zoon Fernando, niet alleen eenigen tijd op IJsland door, maar zeilde nog 300 mijlen verder, waardoor hij Groenland haast moet hebben kunnen zien.
Was Columbus met de belangrijkste ontdekkingen der Noormannen bekend, dan kan men zijn vast geloof aan de mogelijkheid, om een westelijk gelegen land weer te vinden, en zijn grooten ijver, om dat te doen, gemakkelijk verklaren. Zijne latere ontdekking van Amerika mogen wij dan veilig als de voortzetting beschouwen van hetgeen de oude Scandinaviërs hebben verricht.
Columbus ging na, hoeveel tijd de zon noodig had, om van de eene zijde van de Middellandsche zee naar de andere te komen, welke afstand 2000 mijlen bedraagt. Hieruit leidde hij af, welke ruimte de zon dan in 24 uren kon doorloopen. Dergelijke vraagstukken verruimden niet alleen zijn geest, maar leerden hem ook juist denken, en onttrokken hem aan den nadeeligen invloed van dwaze hersenschimmen.
Deze opwekkende studie eischte algeheele toewijding. Aan pretmaken dacht hij niet meer, en evenzeer werd het bevredigen van zijn eerzucht aan banden gelegd. Praatte hij met zijn vrienden en kennissen, dan was de studie altoos het onderwerp van het gesprek. Zijn studeervertrek was soms vol zeelieden, die mededeeling kwamen doen van wat zij gezien of ook maar alleen zich verbeeld hadden.
Langzamerhand kreeg Columbus de overtuiging dat de aarde bolrond moest zijn en dat men derhalve, steeds westwaarts zeilende, de kusten van Azië bereiken moest. Van de grootte der aarde had hij, door de snelheid in aanmerking te nemen, waarmede de zon zich schijnbaar voortbeweegt, een vrij nauwkeurige berekening gemaakt. Hij vermoedde wel niet, dat er tusschen Europa en Azië land ligt, maar hij meende toch, dat hij de kusten van Azië vinden zou, daar, waar hij later de Nieuwe wereld vond.
Onbepaalde berichten van het groote eiland Japan, dat zich ten Oosten van Azië zou uitstrekken, waren in Europa in omloop. Columbus meende, dat het op de plaats lag, waar hij naderhand Cuba vond.
“Deze groote rijken,” zeide Columbus, “zijn met onsterfelijke wezens bevolkt, voor wier verlossing Christus een bloedig offer bracht. Mij heeft God de taak opgedragen hen te zoeken, en hun het evangelie te brengen. De rijkdom van Indië is spreekwoordelijk, en ik zal er onuitputtelijke schatten vinden, waarmede men zich legers kan verschaffen. Met deze legers kunnen we het graf van den Zaligmaker der wereld verlossen uit de handen der ongeloovigen, die er geen eerbied voor hebben.”
Columbus was arm. Het was geheel boven zijn macht, zulk een belangrijken ontdekkingstocht te ondernemen[2q]. De meesten hielden hem voor een half waanzinnigen dweper. Zoo dwaas als men een voorstel vinden zou, om de maan te bezoeken, zoo ongerijmd vond men zijn plan. Te vergeefs klopte hij aan de deuren van rijke lieden aan. Toch trof hij verstandige menschen aan, die zijne plannen onderzochten, en ze een ernstig onderzoek waardig keurden. Met behulp van zulke getuigen, hoopte hij zich de medewerking van eenige Europeesche hoven te verzekeren. Een machtige staat kon hem gemakkelijk de noodige middelen verschaffen, en hem dat gezag en die waardigheid verleenen, welke hij voor de uitvoering zijner plannen werkelijk meende noodig te hebben. In vergoeding daarvan zou het hof rijk en machtig worden, en zooveel roem behalen, dat het door geheel Europa werd benijd.
Het eerst wendde hij zich tot de regeering in Portugal. Koning JohanII ontving hem in een plechtig gehoor, en luisterde aandachtig en schijnbaar vol belangstelling naar zijn plannen. Columbus beschouwde zich volstrekt niet als iemand, die nederig iets aan den voet van een koninklijken troon komt afsmeeken. Veeleer hield hij zich voor iemand, wien God belangrijke openbaringen had gedaan, welke den rijkdom en den roem van den grootsten monarch zouden vermeerderen, en die oorzaak zouden zijn, dat zich een nieuw tijdperk voor de wereld opende. Tot loon voor al zijn verdiensten verzocht hij om tot onderkoning aangesteld te worden over al de landen, die hij ontdekken zou, en om het tiende deel van al de winsten, welke het opleveren mocht.
Terwijl hij zich in Lissabon ophield, raakte hij in kennis met een Italiaansche jonge dame, die Felipa heette en bij hare moeder inwoonde, welke weduwe was. Wel was zij van aanzienlijke afkomst, maar zij bezat geen fortuin. Hun huwelijk volgde spoedig, en het schijnt gelukkig te zijn geweest tot de dood hen scheidde. Zij kregen een zoon, die Diego heette.
De koning vond de eischen van Columbus buitensporig. Deze toch was een arme, onbekende zee-kapitein, zonder rang, geld of vrienden. En toch stelde deze vreemde, ernstige man, met zijn onstuimige geestdrift, zich voor in de rijen der koningen plaats te nemen. Met een beleefde buiging liet de vorst den eerzuchtigen zee-kapitein uit zijn gehoorzaal vertrekken.
De waardige en ernstige houding van den man, en het volkomen vertrouwen, dat hij in de juistheid zijner inzichten openbaarde, hadden evenwel een diepen indruk op den koning gemaakt. Hij kon de gedachten niet van zich zetten, welke hem medegedeeld waren geworden. Na eenigen tijd over de zaak nagedacht te hebben, riep hij een Raad bijeen van de geleerdste mannen te Lissabon, en stelde hem de zaak voor. Rijpelijk werd alles overwogen. Eenigen van de uitstekendste leden van dien Raad lieten zich gunstig over de plannen van Columbus uit. Maar de uitspraak van de meerderheid was er beslist tegen. Men berichtte den koning, dat zijne plannen zoo ongerijmd waren, dat ze verdere bespreking onwaard moesten heeten.
Toch was de koning onvoldaan, want de door hem verkregen indruk was te sterk, om zoo maar gemakkelijk uitgewischt te worden. Bovendien verminderde het feit, dat de grootste wijsgeeren Columbus’ meeningen deelden, den indruk van het ingediende Verslag. Toen had de koning de laagheid tot een zeer onteerenden maatregel over te gaan. Hij zond heimelijk een vloot uit. Deze heette naar de Kaap-Verdische eilanden te gaan. Gebruik makende van al de inlichtingen, die Columbus hem gegeven had, gaf hij den kapitein het heimelijk bevel, om maar moedig het spoor te volgen, dat Columbus aangegeven had, hopende op deze wijze zelf de ontdekker te worden. De kapitein volgde de bevelen op, maar zijn matrozen verloren den moed, daar zij niet wisten, waar zij op die onbekende wateren heengingen.
Een verschrikkelijke storm brak op den Oceaan los, waardoor hun vrees tot het uiterste gedreven werd. Met luider stem verklaarden allen, dat zij weigerden aan zulke gevaren het hoofd te bieden, zoodat de kapitein genoodzaakt was toe te geven en terug te keeren.
Columbus werd deze schandelijke handelwijze gewaar, die grootelijks zijne verontwaardiging had opgewekt. Met zijn toorn vermengden zich aandoeningen van teleurstelling en droefheid, dat het koninklijk hof, waartegen hij gewoon was geweest met eerbied op te zien, hem zoo trouweloos had behandeld.
Hij was toen een weduwnaar, en bezat alleen zijn zoon Diego. Zijn tijd aan de studie en de bevordering zijner ontdekkingsplannen wijdende, had hij geen gelegenheid, voor zijn geldelijke belangen te zorgen. Hij voorzag in zijn nederig onderhoud door het vervaardigen en den verkoop van kaarten. Met Diego verhuisde hij toen naar Genua, zijn geboorteplaats. Hier moest hij de waarheid van het spreekwoord ondervinden, dat een profeet in zijn eigen vaderland niet geëerd wordt.
Hij verzocht het Bestuur der stad om hulp voor een onderneming, welke men algemeen niet alleen noodlottig noemde, maar waarvan de geleerden te Lissabon reeds gezegd hadden, dat ze geen aandacht waard was.
“En wie is die Christophorus Columbus?” werd gevraagd. “Wel, hij is een zeeman uit onze stad”, was het antwoord; “de zoon van Dominico Colombo, een wolkammer. Hij heeft twee broers en een zuster, die hier in nederige omstandigheden verblijf houden.”
Dit maakte aan de zaak bij het trotsche Genueesche hof een einde. Het verzoek van Columbus werd met verachting afgewezen. Hij kon niet eens een gepast gehoor krijgen. Nu was hij wel arm, en alleen de hoop en een aangeboren geestkracht moesten hem staande houden. Eindelijk besloot hij, na nog vele plannen overdacht te hebben, zijn geluk aan het Spaansche hof te beproeven.
