0,00 €
Niedrigster Preis in 30 Tagen: 0,00 €
In 'De komedianten' verkent Louis Couperus de complexe wereld van de menselijke emoties, sociale omgang en de schijnbare dingen van het leven. Het verhaal speelt zich af in de wereld van de theaterkunst, waar de personages hun diepste verlangens en angsten ontdekken temidden van een decor van illusie en waarheid. Couperus' literaire stijl valt op door zijn rijke, poëtische taalgebruik en gedetailleerde beschrijvingen, die de lezer volledig onderdompelen in de sfeer van de late 19e eeuw. De thematiek van de tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid en de zoektocht naar authenticiteit zorgt voor een diepere reflectie over de menselijke conditie, wat het werk een waardevolle plek geeft binnen de symbolistische literatuur van die tijd. Louis Couperus (1863-1927) was een vooraanstaand Nederlands auteur, wiens rijkdom aan ervaring en het verkennen van de psyche van de mens hem in staat stelden om de gelaagdheid van zijn personages te schetsen. Opgegroeid in een welgestelde familie, kwam hij in aanraking met diverse culturen en maatschappelijke lagen, wat zijn literaire thema's beïnvloedde. Zijn persoonlijke worstelingen met identiteit en de verwachtingen van de maatschappij zijn terug te zien in de diepgang van 'De komedianten'. 'De komedianten' is een onmisbaar boek voor liefhebbers van de Nederlandse literatuur en degenen die geïnteresseerd zijn in de psychologische diepgang van personages. Terugkijkend op de thema's van de veranderende samenleving en de schijnvertoningen van het leven, biedt Couperus een tijdloos perspectief dat relevant blijft in de huidige wereld. Dit meesterwerk zal de lezer niet alleen vermaken, maar ook aanzetten tot diepere reflectie over zijn of haar eigen leven. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Een beknopte Inleiding plaatst de tijdloze aantrekkingskracht en thema's van het werk in perspectief. - De Synopsis schetst de centrale verhaallijn, waarbij belangrijke ontwikkelingen worden uitgelicht zonder cruciale wendingen te verklappen. - Een uitgebreide Historische context dompelt u onder in de gebeurtenissen en invloeden van die tijd, die de totstandkoming van het werk hebben gevormd. - Een grondige Analyse ontleedt symbolen, motieven en karakterontwikkeling om verborgen betekenissen bloot te leggen. - Reflectievragen nodigen u uit om persoonlijk in te gaan op de boodschappen van het werk en deze te verbinden met het hedendaagse leven. - Zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten benadrukken momenten van literaire genialiteit. - Interactieve voetnoten verduidelijken ongewone verwijzingen, historische allusies en archaïsche uitdrukkingen voor een soepelere en meer geïnformeerde leeservaring.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2023
Waar houdt het masker op en begint de mens die het draagt? Met die vraag als onderstroom leest De komedianten van Louis Couperus als een verfijnde ontleding van schijn en wezen. Deze roman uit het vroege twintigste-eeuwse oeuvre van de auteur voert de lezer een wereld binnen waarin optreden, observatie en zelfbeheersing elkaar voortdurend spiegelen. Couperus, bekend om zijn precieze psychologische aandacht en muzikaal proza, weeft hier een spanningsveld tussen publieke rol en innerlijke drijfveer zonder de menselijke waardigheid uit het oog te verliezen. Het resultaat is een geconcentreerde leeservaring die elegantie paart aan onderhuids onbehagen, en die de vraag naar authenticiteit niet beantwoordt, maar laat resoneren.
De komedianten is een roman van Couperus, geschreven en gepubliceerd in de eerste decennia van de twintigste eeuw, toen zijn schrijverschap rijp en geconcentreerd was. Het boek onderscheidt zich door een intiem, psychologisch perspectief dat het sociale leven in een Europees decor voelbaar maakt, zonder zich op te sluiten in topografische bijzonderheden. De setting is minder geografisch dan existentieel: de ruimte van ontmoetingen, verwachtingen en codes waarin mensen elkaar aan- en uitkleden met blikken. Die focus onderstreept het centrale motief van rol en waarneming en brengt de lezer dicht bij de mechanismen waarmee mensen zich schikken naar verwachtingen.
Zonder de ontwikkeling te verklappen volstaat het te zeggen dat de roman een kleine kring van figuren volgt wier paden elkaar kruisen op het snijvlak van publiek optreden en private aarzeling. De openingsbeweging zet een gebeurtenis in scène die iedereen doet kijken; daarna blijft het kijken – naar elkaar, naar zichzelf – de motor van het verhaal. De vertelstem houdt lichte afstand en vertrouwt op suggestie: observaties zijn fijnzinnig, dialogen ritmisch, stiltes betekenisvol. De toon mengt voorname beheersing met sluimerende melancholie, waardoor elke scène iets van een tableau krijgt en de lezer uitnodigt onder de glans naar de nerven te tasten.
Kenmerkend is de wijze waarop Couperus ritme en herhaling inzet om de beweging tussen schijn en wezen voelbaar te maken. Zinsmelodie en compositie werken samen: beelden keren terug in andere lichtval, een kleur of gebaar wordt motief, een blikspiegeling onthult meer dan uitgesproken woorden. Ironie is aanwezig, maar nooit snerend; ze werkt als afstand die juist empathie mogelijk maakt. De psychologische tekening blijft compact en precies, met aandacht voor de sociale tact die mensen in stand houdt én in de knel brengt. Zo ontstaat een proza dat kabbelend lijkt en toch onderhuids spanning vasthoudt, tot in kleinste schakeringen.
Onder de oppervlakte werkt een netwerk van thema’s dat het boek zijn blijvende lading geeft. Identiteit verschijnt als iets gemaakt en betwist: men is wat men toont, maar toont nooit alles wat men is. Zien en gezien worden organiseren macht, intimiteit en schaamte; de blik van de ander kan verheffen, maar ook knechten. Ambitie, reputatie en de prijs van succes worden niet moralistisch gewogen, eerder langzaam uitgepeild in twijfels en kleine beslissingen. Even zwaar weegt de vraag naar vrijheid binnen sociale conventies: hoeveel speelruimte heeft een mens, en wanneer glijdt keuze ongemerkt over in noodzakelijkheid of rolbevestiging?
Juist daardoor voelt De komedianten opvallend actueel. In een tijd van sociale media, performativiteit en permanente zichtbaarheid herkent de hedendaagse lezer het spel van cureren, presenteren en maskeren, net als de vermoeidheid die erbij hoort. De roman laat zien hoe aandacht een valuta is die zowel kansen schept als afhankelijk maakt, hoe publieke verwachting intieme keuzes binnendringt, en hoe authenticiteit een streven blijft dat nooit volledig valt te bezweren. Couperus’ bedachtzame stijl biedt tegelijk tegenwicht aan onze versnelling: hij vertraagt de blik, scherpt het onderscheid tussen pose en persoon, en maakt zo reflectie mogelijk in plaats van reflex.
Wie zich aan De komedianten toevertrouwt, vindt geen bruuske onthullingen, maar een langzaam openvouwend inzicht in hoe mensen zichzelf vormen onder elkaars blik. Het is een roman die de subtiliteit van gebaar en stilzwijgen serieus neemt, en die zijn spanning ontleent aan morele en emotionele fijngevoeligheid. In die precisie schuilt de duurzaamheid: het boek spreekt voorbij tijdgebonden details en richt zich op mechanismen die blijven werken zolang er publiek en personen zijn. Zo wordt lezen een oefening in aandacht en mededogen, en biedt Couperus een spiegel waarin zowel het heden als de mens achter het masker zichtbaar wordt.
De komedianten van Louis Couperus, verschenen in 1917, situeert zich in de wereld van een rondreizend toneelgezelschap en verkent hoe kunst, schijn en dagelijkse noodzaak elkaar doorkruisen. In de openingshoofdstukken wordt het gezelschap neergezet in zijn professionele routine: repetities, rolverdeling en de discipline die nodig is om het publiek te blijven boeien. Couperus observeert met sobere ironie hoe elke opvoering een zorgvuldig geconstrueerde illusie is, die de spelers beschermt én gevangen houdt. Zonder nadrukkelijke tijdsaanduiding ontvouwt zich een historische sfeer waarin theater, reputatie en economische overleving nauw met elkaar verweven zijn.
Van meet af aan benadrukt Couperus de afhankelijkheid van de komedianten van lokale autoriteiten, weldoeners en wisselvallig publiek. Het gezelschap onderhandelt over speelavonden, passen zich aan etiquette en smaak aan, en manoeuvreert tussen eerzucht en nederigheid. In de repetitieruimte lijkt de kunst autonoom; daarbuiten gelden andere regels, waar geld, fatsoen en gunst doorslaggevend zijn. De narratieve lijn volgt hoe contracten, verwachtingen en praktische problemen de artistieke keuzes mede vormen. De toon blijft beheerst en afstandelijk: Couperus toont, zonder te veroordelen, hoe kunst en samenleving elkaar sturen in een fragiel evenwicht.
De interne dynamiek van het gezelschap vormt een tweede kernlijn: rivaliteit, kameraadschap en stille afhankelijkheden. Rollen op het toneel weerspiegelen posities achter de schermen, waar een doorgewinterde speler of leider de balans bewaakt tussen talentontwikkeling en broodwinning. Ambitie, ijdelheid en kwetsbaarheid lopen door elkaar, zeker wanneer een opkomend talent de vaste verhoudingen uitdaagt. Couperus schetst deze spanningen met fijnzinnige psychologische details: kleine krenkingen, herziene rolverdelingen en de dreiging dat professionele verschillen persoonlijke conflicten worden. De vraag hoe ver men wil gaan om gezien te worden, drijft de ontwikkeling verder zonder dat het tot effectbejag vervalt.
Tegelijkertijd laat de roman zien hoe de komedianten zich verhouden tot uiteenlopende publieken, van nieuwsgierige stadsbewoners tot veeleisende notabelen. Elke speelplek vraagt om een subtiele verschuiving in toon en repertoire: komisch waar het kan, ingetogener waar het moet. In de wisselwerking tussen scène en zaal onderzoekt Couperus hoe herkenning, spot en ontroering het sociale weefsel even openen als verhullen. De maskers van het spel brengen zowel nabijheid als afstand; de spelers worden zichtbaar en ongrijpbaar tegelijk. Zo groeit het besef dat erkenning altijd voorwaardelijk is, en dat succes even vluchtig kan zijn als applaus.
Naarmate het gezelschap verder trekt, nemen de praktische spanningen toe: wisselende inkomsten, vermoeidheid, logistiek en het risico van uitstel of afgelasting. Een incident rondom een voorstelling laat zien hoe snel reputatie kan kantelen en hoe kwetsbaar de onderlinge verhoudingen zijn wanneer het publiek afhaakt of steun wegvalt. De roman houdt de consequenties concreet maar beheerst, met oog voor hoe improvisatie en discipline elkaar moeten aanvullen. Couperus toont hoe kleine beslissingen—een rolwisseling, een tactische keuze in het repertoire—grote effecten kunnen hebben op vertrouwen, samenhang en het vooruitzicht op een volgende speelplek.
In de aanloop naar de ontknoping worden loyaliteit en eigenbelang scherper tegenover elkaar gezet. Personages moeten bepalen of zij het masker van professionaliteit kunnen volhouden wanneer persoonlijke verlangens botsen met de eisen van het gezelschap. De glitter van de scène contrasteert met backstage-moeheid en de nuchtere rekensom van overleven. Couperus bouwt de spanning via observatie en nuance, niet via melodrama: veranderingen voltrekken zich in gedrag, blik en stilte. De vraag blijft in hoeverre kunst vrijheid biedt of juist tot nieuwe plichten verplicht, en of spel een toevlucht is of een vorm van zelfverloochening.
Zonder grote onthullingen te forceren, eindigt De komedianten als een verfijnde meditatie over schijn en wezen, over de prijs van zichtbaarheid en de broosheid van erkenning. Binnen Couperus’ oeuvre staat de roman als een beheerste, historisch gekleurde verkenning van identiteit die in rollen wordt uitgedrukt. Gepubliceerd in 1917, draagt het boek een ingetogen tijdsgevoeligheid zonder actuele allusies te forceren. De blijvende resonantie schuilt in de vraag hoe individuen, gevangen tussen verwachting en verlangen, zichzelf vormgeven in het oog van anderen—een vraag die de horizon van het toneel overschrijdt en naar het alledaagse leven reikt.
De komedianten speelt in de achttiende eeuw, met als belangrijkste decor de Republiek Venetië, een stadstaat die tot 1797 haar zelfstandigheid behield. Venetië kende een ontwikkeld netwerk van particuliere theaters en operahuizen, vaak in handen van patricische families. Huizen als San Luca (van de Vendramin) en San Samuele (van de Grimani) exploiteerden toneel als commercieel bedrijf met seizoenscontracten en abonnementsverkoop. Het stedelijk bestuur verleende speelvergunningen, reguleerde openingsuren en hield toezicht tijdens het lange carnaval. In dit institutionele kader functioneerden rondreizende gezelschappen, impresario’s en toneelauteurs die zich bewogen tussen kunst, ondernemerschap en stedelijke politiek.
De theatrale ruggengraat bestond uit de commedia dell’arte, een vanaf de zestiende eeuw gegroeide speeltraditie met vaste maskers (zoals Pantalone en Arlecchino), geïmproviseerde dialogen en scenario’s. De capocomico leidde het gezelschap, beheerde rollen en financiën en onderhandelde met theaterdirecties. Tegen het midden van de achttiende eeuw ontstond een hervormingsbeweging: men verlangde meer literaire tekst, herkenbare psychologie en maatschappelijke actualiteit. Dit sloot aan bij verlichtingsideeën over rationaliteit en zedenverbetering. Het publiek bestond uit een mengeling van adel, rijke burgers, reizigers en kunstenaars, die de stad in het carnaval tot een pan-Europese ontmoetingsplaats maakten.
Carlo Goldoni (1707–1793) werd de prominentste hervormer. In dienst van de familie Vendramin voor het Teatro San Luca schreef hij vaste, voluit gecomponeerde komedies, zoals La locandiera (1753) en I rusteghi (1760), waarin maskers plaatsmaakten voor karakterrollen en alledaagse situaties. Zijn Il teatro comico (1750) functioneerde als programmaverklaring voor een nieuw, minder geïmproviseerd toneel. Goldoni professionaliseerde repetitie, tekstdiscipline en rolverdeling; daarmee verschoof de macht van de improviserende acteur naar de auteur en de theaterdirectie. Deze koers wijzigde het economische en artistieke evenwicht binnen de gezelschappen en riep felle weerstand op.
De weerstand kreeg gestalte in de zogenaamde oorlog van de theaters, een polemiek in de jaren 1750–1760 tussen Goldoni en rivalen als Pietro Chiari en vooral Carlo Gozzi (1720–1806). Gozzi verdedigde de maskers en improvisatie met sprookjesstukken (fiabe) als L’amore delle tre melarance en Turandot, opgevoerd door de Sacchi-formatie rond de steracteur Antonio Sacchi (Truffaldino). Pamfletten, voorwoorden en krantenartikelen begeleidden de premières en beïnvloedden publieksopvattingen. De strijd leidde tot een culturele tweedeling in Venetië. In 1762 vertrok Goldoni naar Parijs om voor het Théâtre-Italien te werken, een feit dat de machtsbalans op de Venetiaanse planken merkbaar veranderde.
De sociale en politieke context van Venetië bepaalde mede de speelruimte van het toneel. De patricische elite bewaakte orde en reputatie via de Grote Raad en de Raad van Tien, terwijl kerkelijke autoriteiten moreel toezicht hielden. Toch kende Venetië, zeker tijdens het maandenlange carnaval, een relatieve tolerantie voor uitbundige uitingen, maskerade en satire. Het stadsbestuur zag theater als inkomstenbron en visitekaartje, maar greep in bij schandalen of politieke toespelingen. Deze combinatie van commerciële vrijheid en bestuurlijke controle maakte het podium tot een plek waar reputaties snel konden stijgen of dalen en waar kunstenaars voortdurend moesten laveren.
Het beroep van acteur bleef sociaal ambivalent. Gezelschappen reisden tussen Venetië, Padua, Verona, Bologna en verder, sloten seizoenscontracten en werden geleid door een capocomico die artistiek en financieel risico droeg. Sterspelers konden hoge gages bedingen, maar faillissementen, ziekte of een mislukte première bedreigden de continuïteit. Actrices genoten opvallende zichtbaarheid in Italië en konden, binnen de conventies, aanzienlijke artistieke invloed uitoefenen. Pamfletten en roddelrubrieken konden carrières maken of breken. De dagelijkse realiteit bestond uit repetities, kostuumonderhoud, rolwissels en scherpe concurrentie om speeldata en zalen.
Venetië fungeerde tevens als knooppunt in een Europees netwerk. Italiaanse gezelschappen trokken naar Wenen, Dresden en Sint-Petersburg; in Parijs bood de Comédie-Italienne/Théâtre-Italien een podium aan Italiaanse spelers en auteurs, waar ook Goldoni terechtkwam. Opera—met beroemde castraten en componisten—trok vaak grotere budgetten, terwijl prozotoneel om publiek en patrons moest strijden. De drukpers in Venetië was invloedrijk: periodieken als de Gazzetta Veneta van Gasparo Gozzi (1760–1761) en afzonderlijke brochures voedden het debat over smaak, zeden en artistieke vernieuwing en maakten het theater tot onderwerp van stedelijke publieke opinie.
Louis Couperus (1863–1923) situeerde De komedianten tegen deze gedocumenteerde achtergrond van achttiende-eeuws Venetiaans toneel, waarin institutionele macht, artistieke ambitie en publieksbegeerte elkaar doorkruisen. Het werk ontstond in de jaren 1910, toen Couperus zich vaker tot historische stof wendde. Door de strijd tussen improvisatie en geregisseerde tekst, de rol van pamfletten en de afhankelijkheid van patronage te tonen, weerspiegelt en bekritiseert de roman zowel de Verlichtingsomslag in het Italiaanse theater als de tijdloze kwetsbaarheid van kunstenaars in een commerciële cultuur. Zo fungeert het toneel als spiegel van samenleving, moraal en macht, zonder de historische feiten te romantiseren.
De Komedianten
De stortregen stroomde reeds den geheelen dag[1q]. Langs de goten van de Suburra[1] golfde het water als met twee klotsende rivieren, links en rechts, snel vlietend, de nauwe, hellende, kronkelende straat over, haar groot, gebarsten plaveisel overstroomende, mede voerende allerlei afval, tot juichend pleizier der straatjongens, die naar welbehagen beenderen en graten en groente-overblijfselen er uit op vischten en er elkander meê om de ooren kletsten. De straatjongens, zij hadden dien regendag geheerscht in de Suburra, om die overstrooming der goten, gescholden door hunne moeders, die hen van uit de donkere deuren der kleine winkeltjes en kroegen terug wenkten en allerlei vervloekingen der goden riepen over de hoofden harer onbetrouwbare boefjes. De deerne Gymnazium—zoo bijgenaamd, omdat zij in jeugdiger dagen een leerschool geweest was voor jonge athleten en gladiatoren—had een blik naar buiten gewaagd, een paar woorden toe schreeuwende aan haar slavin, de kapster, die zij over haar huisje in haar kapwinkeltje had geïnstalleerd, als tonstrix[2], om zoo meer profijt van haar te trekken, en zich daarna op haar breede rustbank gevlijd, genietende den zwoelen Aprildag van regendoorruischte rust. Vreemdelingen, om rond te leiden, dien middag, zouden de Suburra met dàt weêr immers niet door trekken.
De avond viel, vroeg reeds en somber. De ondoordringbare, grauwe, smalle hemelreep boven de lage en hoogere huizen, duisterde. Het regende door. De straatjongens waren verdwenen en voor het lange, lage huis van den leno[3], Taurus met den stierennek, keken de gekapte meiden even uit maar zetten zich niet op hare gewone plaatsen langs den muur—naam, prijs, opschrift boven zich—te kijk en te huur, voor een nacht. Het was te gek met dien regen daar te gaan zitten. Wel bleven zij, door den grimmigen leno gedrild, dringen in de deur maar er ging niemand voorbij om tegen te lonken.
Het regende, het regende door[2q]. De taveerne van Nilus, den Egyptenaar—zoo bijgenaamd, omdat hij toch van den Nijl kwam,—over het huis van Taurus, was vol. De wijde, lage ruimte was, in het weifelend licht der walmende oliepitten, overvuld van een saâm gedrongene, roezemoezende menigte, eters en drinkers. De lage, gepleisterde, smookgrauwe pilaren droegen de houten zoldering, zwart; aan iederen pilaar walmde in een ijzeren nap een oliepit. De lucht was onadembaar voor wie binnen kwam, om zoo veel walm van olie, smook van pitten, wazem uit ademen en wadem, die uit de keuken drong, om dien damp uit natte kleêren, om dat zweet van zoo veel zwoele, samen klompende lijven, maar eenmaal binnen, voelde wie at of dronk het welbehagen hem door gloeien. Geene taveerne toch was er beter dan die van Nilus, in de Suburra; hier at men goed en voor weinig en was het Nomentanum-wijntje waarlijk nooit vervalscht. Hier was het maar lekker en prettig, onder de blikken van de godin Isis, wier beeldje, daar, boven de lange, breede schenkbank, in de wolk van walm, neêr blikte over de gasten, de kuische, goede godin, nooit geschandalizeerd door alles wat zij beneden zich hoorde en zag en duldde.
Achter de schenkbank drilde de pezige, bezige Egyptenaar zijn keukenslaven. Uit de keuken brachten zij op grof, bruin aardewerk de porties boonen en linzen, de sneden ham en ganzenlever, kampernoeljes en tal van in melk gedoopte broodjes van Picenum, heerlijk opgezwollen als sponzen en Nilus keek vlug elk bord na en de drie binnenslaven brachten de spijzen rond en het geld er voor dadelijk terug, dat Nilus’ moeder, dikboezemige Alexandrijnsche, na telde, weg borg en met balletjes verrekende in een rekenbord vol vierkante waardevakjes. Nilus zelve, bij zijn abacus, waarin de puntige, aarden amforen, gevuld met zijn beroemd, goedkoop Nomentanertje, slank en sierlijkjes stonden, boog steeds de smalle, lange vaten en schonk de kruikjes in, half of heelemaal, zoo als de gasten dat verlangden.
Nilus was trotsch op zijn zaak. Hij was een man van orde, al was hij maar houder van een taveerne in de Suburra. Hij was te gelijker tijd opgenomen in de broederschap der priesters van Isis en de gasten vonden Nilus een ondoorgrondelijk mensch. Nilus minachtte echter zijn gasten. Hij gaf ze goed eten en drinken en zette ze niet af maar minachtte ze. Het was me dan ook een troepje, dat daar zat en lag, over den grond, over de smalle bedden, op de lage banken en stoelen. Het waren dieven en moordenaars, met hunne meiden; matrozen van Ostia, weggeloopen slaven, beulen en Christenen—dat vee!—en dan, dan waren het heden avond daar, in dien hoek, die smerige Gallen! O, die smerige Gallen! Hij had ze eerst toegang geweigerd, die vuile, rond trekkende bedelpriesters van Rheia Kubele, de Groote Godin, wier groote feest der Megalezia[4] naderde—geweigerd, toen ze in de Suburra waren verschenen met hun juichenden, dansenden, dwazen troep, tamboerijnen rinkelend, rondom hun ezel, waarop, in een kastje, sluierbedekt, zij hunne godin, Moeder der Goden, mede voerden. Hij had ze eerst geweigerd; zij waren wel zeven van die verwijfde kerels om hun reus van een Archigal heen, maar zij hadden honger, hadden zij hem gezegd, en dorst, na een heelen dag door den regen loopen over de landwegen buiten Rome en dan, ze hadden geen geld opgehaald en ze wisten niet waar te overnachten en nu, waarachtig, had hij ze toe gestaan, dat zij daar, in dien hoek, zich opschoten; ze vraten en zopen—zouden hem later betalen, zeiden zij!—en zij hadden hun ezel gestald in de schuur, bij zijn eigen lastdier en wagengedoe en zouden daar nu, in dien hoek, de geheele nacht mogen blijven, in het zaagsel, op de vochtige steenen, over hunne mantels gelegerd als een pak boeven, die gemeene troep! Hun kastje met de godin hadden zij op een plank tegen den muur geplaatst, den sluier er over heen, en daar lagen zij nu, galmende, gillende of, weêr opgestaan, dansten zij als gekken, altijd obsceen, als de gemeenste jongens in de Suburra niet waren. Onwaardige dienaars van de Groote Godin en hij had ze geherbergd, dacht hij nu toch, uit een godsdienstig gevoel: hij kon priesters, zelfs onwaardige, toch niet laten omkomen van ellende en honger.
—Hoûen jullie je bek, daar in dien hoek?? donderde hij hun toe, boos. Anders gaan jullie allemaal de deur uit!
Zij waren dronken, zij smeekten hem grotesk, sloegen hun kleêren open en op, toonden, lonkende, naaktheden en de andere gasten lachten, bulkten, brulden. Ook Nilus lachte wel even, goedsmoeds, bedenkende, dat hij ze toch niet kòn de deur uit zetten, ter wille van de godin Rheia Kubele, die zij mede voerden. Ja, de goden hadden veel te verduren van hun onwaardige schepsels, van die gemeene Gallen en dan van die schijnheilige Christenen, die strakke smoelen, zoo als er daár en daár zaten en altijd smoesden met elkaâr en die nu noòit eens vroolijk waren!
Buiten regende het in éenen door. En steeds ging de deur open en verscheen er een nieuwe gast, verschenen er twee nieuwe gasten, twee, drie vrouwen en drongen zich door de volte, den smook en het geschreeuw en veroverden eindelijk een plaatsje op een der lange, houten banken tegen den muur en vroegen een worstje en een Picenum-broodje en een kroes vol Nomentaner. Tot plotseling Nilus tegen zijn moeder uit riep:
—Daar heb je ze waarachtig al weêr!
Wie hij zoo aanduidde, waren twee vrouwen, binnen gedrongen en de aandacht trekkende van al dat volk, hoewel zij zich niet schenen aan te trekken de nieuwsgierigheid, die zij verwekten. Vermomd, waren zij toch dadelijk te herkennen als patricische vrouwen en zij schenen die herkenning niet te betreuren want lachten er om tegen elkaâr. Zij waren tusschen de matrozen uit Ostia en hun luidruchtige meiden een plekje meester geworden en bestelden niet anders dan zij om zich heen zagen bestellen: een paar worstjes, maar vet, Picenum-broodjes en Nomentaner. Intusschen gingen aller oogen naar haar uit. De eene....
—Dat is Nigrina.... fluisterde een weggeloopen slaaf tot een dief, in zijn mantel gedoken.
.... was een groote, zware, jonge vrouw; heur zwarte haar was als de helm van een mirmillo breed uitgekapt en doorstoken met een drietand, in den vorm van het wapen der retiariï; heur zware borst, den hals ontbloot, was, als hare bovenarmen, omgeven in een koperen maliënnet, dat spande en een zwarte rok viel tot de knieën neêr geplooid als een gladiatorentuniek terwijl hare gespierde beenen in breede riemen, met koperen spijkers beslagen, waren omsnoerd. Hare bewegingen waren forsch en mannelijk: wijdbeens gezeten, de borst bombeerend, de zware armen van het lichaam af, zoog zij hare worstjes met een aanstellerij van manieren des volks, kwakte de schilletjes op haar aarden bord en slurpte zuigende aan haar kroes. Zij was de vrouw van een senator, zelve geboortig uit een beroemde Romeinsche gens, maar zij trad op in de arena als gladiator, tegen andere mannelijke, vrouwelijke zwaardvechters. En om zich heen weidden brutaal hare zwarte, drieste manwijfoogen over de in smook verdoezelde menigte, tot zij de Gallen in den hoek in het oog kregen, die maar dansten met obscene openspreidingen hunner priestergewaden, nu ten gerieve der beide patricische vrouwen.
En hard, luid lachte Nigrina, minachtend wijzende, hare gezellin opmerkzaam makend:
—Fabulla! Fabulla! Kijk eens die kerels daar, die geen kerels zijn!
....—Ja, Fabulla, stemde de weggeloopen slaaf toe, tot den dief; een nicht van de keizerin Domitia.
—Bij Herkles, vloekte de dief binnensmonds en gluurde nieuwsgierig naar de patricische.
Zij schaterlachte op dit oogenblik, haar blik volgende Nigrina’s wijzing. Zij had zich vermomd met een blonde pruik, de pruik der courtizanen, opzettelijk van vlas en grof, zoo dat het kapsel als een hoed meer dan als een haardos heur rond, wit gelaat omgaf en twee grove, groote, valsche bloemen met glasjuweel bevestigd, waren bonte plekken aan hare slapen. Zij droeg een verkleurde, opzettelijk gescheurde, korte, gazen tuniek en voor den regen had zij een donkeren mantel omgeslagen, die nu was afgevallen. Zij was jonger, fijner, vrouwelijker dan Nigrina; zij bleef zelfs in haar gewilde meidekleedij bijna jonkvrouwelijk en van een lieflijkheid, die nòg patriciesch was in deze omgeving: het was of zij moeilijker dan Nigrina gemeen-weg hare worstjes zoog, haar wijn uitslurpte maar nu keek zij toch ook naar de gemeene Gallen en zij lachte, zich behaagziek leunende tegen Nigrina aan en giechelend fluisterende met haar vriendin, die teederlijk over haar boog. Maar het luide woord van Nigrina scheen onvoorzichtig te zijn geweest, want de Gallen, aangehitst, riepen met schelle stemmen:
—Zoo als jij geen vrouw bent, manwijf van de arena, vechtbazin, mirmillo zonder dìt maar met dàt....
En zij gebaarden, obsceen, wat Nigrina als man ontbrak en als vrouw te zwaar had en rondom hen allen bulderden en bulkten de gasten en joelden en juichten en gebaarden van dìt en van dàt als gebaarden de Gallen. Maar Nigrina en Fabulla schaterden ook: de vrouw-gladiator was niet beleedigd.
Want zij riep:
—Jij, Archigal, bedelpriester! Kom hier!!
Zij wees, gebiedend. Zij wees als een patricische wijst. En de reuzige Archigal, instinctmatig gehoorzamend het bevel der hooge vrouw, baande weg tusschen de banken en tafels, de gasten. Genaderd vroeg hij, nederig, toch spotziek, met zijn bassige stem:
—Wat behaagt u, Amazone, wie nooit Herkules den gordel ontrooven zoû?
—Zijn jullie van Rome? vroeg Nigrina.
—Van Neapolis, Hippolyte, schertste de Archigal. Wij zijn gekomen voor de feesten van onze Godin.
—Neapolis! smachtte Fabulla. Herinner je je, Nigrina, toen wij samen in Neapolis waren tijdens de Floralia en wij dansten er, naàkt, over de pleinen....
—Hièr! riep Nigrina en smeet den Archigal een geldstuk toe. Toon ons de godin en gauw!
—Volgaarne, volgaarne, edele vrouw, haastte zich de Archigal en hij wenkte de Gallen, dat zij de godin zouden brengen.
Twee Gallen reikten naar het kastje op de plank maar door hun dronken gebaar stieten zij een luik open boven de plank, dat neêr viel binnen den muur. En op het zelfde oogenblik stak een ezelskop uit het luik te voorschijn—de kop van hun ezel, die gestald was in de schuur der taveerne—en riep, hongerig:
—Hi-ha....
De gasten bulderden en bulkten en de Gallen duwden den ezelskop weg en rukten het luik weêr op. En zij brachten, de twee, het kastje. Er hing een vuile, nog van den regen druipnatte, belooverde sluier over, met eenmaal zilverglinsterende franje, bezoedeld en gescheurd en dien zij op hieven, voorzichtig, als iets heiligs. En openend de deurtjes van het eenmaal vergulde tabernakeltje toonden zij de Moeder der Goden: een kunsteloos beeld van Rheia met het stedekroontje op het ruw gesneden gelaat.
—Als gij, edele vrouw, baste diep de Archigal, die, reuzig, torende voor de twee vrouwen; dit heilige beeld, dat gesneden is naar het oerheilige Beeld van Pessinus[6], gekust hebt, zult ge onkwetsbaar zijn in de arena.
—Werkelijk? vroeg Nigrina, maar even bijgeloovig.
En de Gallen, die het opene kastje in de handen hielden en de godin vertoonden, zongen met hun hooge, schelle falsetten:
—Heilig de Moeder der Goden!
Uit Pessinus kwam zij naar Rome!
En haar bark bleef steken bij Ostia
In de verzanding van den Tiber!
Heilig de Moeder der Goden!
De Groote Godin!
Claudia, de Vestale,
Van ontucht beschuldigd,
Deed blijken heur onschuld....
Heilig de Moeder der Goden!
Toen zij aan haren sluier de bark
Sleepte den Tiber op!
Heilig de Groote Godin!
Daar ginds, in hun hoek, waren de andere Gallen opgestaan en zij bewogen de heupen op den rhythmischen dans, waarbij hunne voeten niet weken van hunne plaats en zij riepen, rhythmiesch en schel, tusschen de hymne door:
—Attis! Attis!
aanroepende den geliefde van der Goden Moeder en zij rinkelden met hun tamboerijnen en alle de drinkers in de taveerne klapten de handen en zongen:
—Attis! Attis!
—Hi-ha! balkte op eens weêr de ezelskop, te voorschijn doemende uit het luik, dat hij van uit zijn stal nu open stiet en omdat in den doezeligen smook daar ginds, zoo onverwachts, als een verschrikking, de balkende bek met de groote tanden en de gespalkte neusgaten gaapte, bulderden weêr de gasten van schaterlachen en deden zij na:
—Hi-ha! Hi-ha!!
—Attis! Attis!! krijschten hooger de bedelpriesters en kletterden met hunne rinkelbommen en de twee Gallen, met het kastje, snerpten:
—Heilig de Groote Godin!
Nigrina boog naar het kastje toe en de Archigal hield den vuilen sluier boven haar hoofd. Onder den sluier kuste Nigrina het beeld met een langen zoen of zij in zoog de beschermende heiligheid er van. Toen sloten de Gallen het kastje, dat zij steeds zoó gehouden hadden, dat de matrozen en de meiden, die ook—en voor niets—kijken wilden, het beeldje niet hadden kunnen zien. De Archigal hing den sluier weêr over het kastje, want Fabulla was vies van het beeldje en wilde het liever niet kussen: het behoedde voor alle ongeval.
—Hoeveel? vroeg Nigrina.
—Drie denariï[5], bassigde de Archigal en voegde er aan toe, tot Fabulla:
—Wilt ge dàn niet een heilig naveltje koopen, schoone Blonde, een heilig naveltje uit goudsteen gesneden: een mooi steentje om aan ketting of gordel te hangen?
Hij wenkte; een andere Gal bracht een laadje waarin de amuletten en toonde ze:
—Gesneden naar den heiligen Navel der Moeder der Goden, uit den hemel gevallen en die, met juweel versierd, bewaard wordt in haar tempel?
—Hoeveel? vroegen de beide vrouwen, nu wel begeerig, elk een naveltje kiezende.
—Vijf denariï het stuk, prees de Archigal niet te duur in deze taveerne, al waren de koopsters patricische vrouwen, zijn prullen van glas.
De vrouwen kochten de amuletten. Nigrina wilde betalen, voelende naar haar beurs in haar boezem. Daar ginds bleven de Gallen zingend met de tamboerijnen rinkelen en klinkelen met de rinkelbommen. Zichtbaar dreef de dikke walm over de hoofden der gasten. Het was als een bewegende waas, waarin aan de pilaren flakkerden de ros- en geelachtige vlammetjes der druipvette lampenapjes. Ommelijnen waren verdoezeld; lichamen verklompten in de drijvende onduidelijkheid te samen tot lijnlooze, kleurlooze liefkoozingen, die, om de volte, de veelte, de vaalte van het vage geheel niet op vielen en konden geduld worden door Nilus, bezig steeds aan zijn schenkbank. Zijn moeder had, onbewogen, geen anderen blik dan voor haar vingerend tellen der rekenballetjes in de bakjes van haar rekenbord, waarin die als knikkertjes kletterden.
—Het is vòl! riep Nilus naar de deur, die weêr opende: in het regengeruisch, dat binnen vochtigde, drongen zware mannen, drie, vier binnen. Het is vòl: er is geen plaats meer voor kerels als jullie!
Maar zij stoorden zich niet, de nieuw aangekomenen. Allen herkenden hen als gladiatoren van het Colosseum.
—Dametje, je wàpenbroeders! gilden schel in hun hoek de Gallen, dronken, en zij zonden den gladiatoren kushanden toe.
De mannen waren gehuld in vuile, bruine, kletsnatte abollæ, uit wier plooien de stralen als uit goten stroomden. Zij gebaarden en drongen, woest, sterk en ruw door de tafels en banken heen; de drinkers vloekten, zij vloekten terug.
—Kom, maak eens plaats, wapenzuster! riep een van hen en Nigrina, jovialerig, maakte plaats en, hoe ook, de gladiatoren klompten met de vrouwen samen en sloegen met de breede vuisten op tafel om wijn. En de Gallen, daar ginds riepen spottend:
—Thraciërs, Threxen of wat jullie mogen zijn, vechtbazen met net en drietand, handen thuis, hoor en àf van Fabulla want anders wordt Nigrina jaloèrsch!!
—Hi-ha! bevestigde de ezelskop plots maar het luik werd hem op zijn balkenden bek toe gesmeten.
Allen lachten, allen dronken; zij smeten elkaâr met afval van worstevelletjes, uien, afgeknabbelde artisjokken, uitgezogen asperges. Nilus begreep, dat aan de orde niet veel meer te doen was maar het was een schànde, onder de oogen van Isis, daar boven, zoo als ze lagen en lachten en pakten.
—We maken goede zaken, van avond, zoon, zei de dikke Alexandrijnsche, vergoêlijkend de schouders optrekkende en met de vette vingers steeds maar knikkende aan de rekenballetjes.
Maar ginds, bij Nigrina en Fabulla en de nieuw aangekomene gladiatoren scheen reeds oneenigheid te heerschen, want Nigrina, met haar opzettelijk diepe altstem, brulde, opgestaan, tegen een der mannen; een heel jonge zwaardvechter, dien zijne makkers Colosseros noemden. Hij had een gezicht als van een baardeloozen, blonden knaap, de oogen blauw en onschuldig groot, de trekken regelmatig en recht, de brauwen en de neus zuiver geteekend als van een Griekschen kop van beeldhouwwerk en die mooie, zachte, blonde knapekop stond op een Herkuliesch maar volmaakt gespierlijnd lichaam, zoo als het half slechts te voorschijn blondde uit de bruin lederen tuniek, die zijn vierkante knieën en omsnoerde spierkuiten bloot liet, nu de natte, wijde abolla was afgevallen. In zijn armen, waarvan de spierballen speelden bij iedere beweging, had hij dadelijk Fabulla gegrepen—zij, lachende, had nauwelijks afgeweerd—en haar toen in één ruk op zijn knie getrokken; daarom was het, dat Nigrina, verontwaardigd en volstrekt niet vervaard voor haar wapenbroeders, opgestaan, uitvaarde en hem beval haar vriendin los te laten.
—Weet jij, waar Fabulla woont? vroeg de dief dof den weggeloopen slaaf.
—Fabulla zelve woont op het Palatium, lichtte de slaaf in; maar Nigrina’s woning is in de Carinæ....
—En daar zoû een slag te slaan zijn....?
De beide mannen smoesden, de gezichten dicht bij elkaâr; naast hen zongen, met halve stem, de Christenen een vroom gezang, dat zich verloor in het schreeuwen en schelden en het gillen en galmen der Gallen en het ironiesch ezelbalken, achter het luik....
Intusschen meende Fabulla, luchtig, hare vriendin te moeten bedaren en toen Nigrina zelfs handgemeen werd met twee der Threxen, die schertsende de booze wapenzuster beworstelden, zoo dat de kruiken en kroezen van de tafel rolden en braken en Nilus, verontwaardigd, riep en de slaven aanliepen—de twee mannen niet gehéel minachtend deze sterke vrouw—liet Fabulla zich door Colosseros omhelzen, dicht tegen hem aan.
—Hoe oud ben je? fluistervroeg als een meid de nicht van de Keizerin Domitia, op de knieën van den grooten knaap.
—Twintig jaren, bij Juno Lucina, die mijn moeder genadig was bij mijn geboorte en haar een flinken jongen tot zoon gaf.
—Kom morgen, fluisterde Fabulla; des avonds tegen zonsondergang, onder bij het Septizonium....
Colosseros beloofde en Fabulla riep tot Nigrina, niet meer woedend want lachend bedwongen maar toch geëerbiedigd door de Threxen, die nieuwen wijn bestelden, op hare rekening:
—Nigrina, ik kàn niet anders zitten dan op zijn schoot: er is geen plaats....
—Er is geen plaats, viel bevestigend Colosseros in en nestelde Fabulla vaster.
—Neen, neen, neen, neen! herhaalde, buiten zichzelven, Nilus naar de deur; er is geen plaats, er is geen plaats meer en ik heb nièts meer: geen stoel, geen bank, geen wijn, geen brood....
Want de deur, daar ginds, was geopend geworden en, in het regengeruisch, dat stroomde, was een man verschenen met breeden reishoed op en langen mantel om, een man van zeker gezag; achter hem, verlangend, drongen tal van andere gezichten. De man met den hoed, beleefd maar toch besloten, drong nog eens aan om gastvrijheid; hij wenschte met wie hem vergezelden, te avondmalen.
—Neen, neen, neen, néen! herhaalde Nilus beslist en keek om zich rond en wees wanhopig rondom, dat het onmogelijk was en de gladiatoren en matrozen riepen:
—„Het zal niet gaan!!”
—Zeker zal het niet gaan, waarde heer! ging Nilus tot den vreemdeling voort. Ge ziet, dat het niet gaat! En met jullie hoevelen zijn jullie nog?! Neen, neen, neen, neen: het gáat niet. Het ga je wel, het ga je wel: goede nacht!!
En hij wuifde ze met zijn hand de deur uit.... Maar de man met den hoed deed een pas nader. Hij nam den breedgerande, waarvan stroomde het water, hoffelijk af en zeide, beleefd:
—Heer caupo, ik ben Lavinius Gabinius, de dominus-gregis, die met zijn grex heden avond in Rome is aangekomen op hoogst vereerend verzoek van den prætor en de heeren ædilen, om tooneelvoorstellingen te geven tijdens de Megalezia en hoewel ik met mijn komedianten wel onderkomen gevonden heb, zoû het mij toch ten zeerste aangenaam zijn wat te eten en te drinken te krijgen, want wij zijn uitgeput van honger en dorst. Zoudt gij waarlijk niets voor ons hebben, heer caupo? Ik betaal u met deugdelijk geld. Want de heeren ædilen hebben mij genadiglijk voorschot gegund....?
En hoffelijk bleef Lavinius Gabinius staan, den breedgerande in de hand....
—De komedianten! De komedianten! ruischte het belangstellend door het stemgedruisch der drinkers in de taveerne van Nilus. De komedianten, die spelen komen tijdens de feesten der Groote Godin!!
Er was een algemeene nieuwsgierigheid. Aller oogen gingen naar de steeds opene deur, waar meer en meer gezichten zich verdrongen, in de regen-overstroomde straat. Ook Nilus, eerst buiten zichzelven om zoo ongewone drukte, was dadelijk verteederd en riep:
—Maar kom dan toch ook binnen, Lavinius Gabinius, kom binnen met uw caterva, met den heèlen troep; kom toch binnen, dominus-gregis; plaats is er nog wel!
—Wij zijn zes-en-twintig, lichtte, kijkende als een veldheer, de dominus in.
—Komt toch alle zes-en-twintig binnen! Er is nog wel een broodje, een worstje, een ui; er is zelfs nog saucijs van Lucanië, er zijn jonge kooltjes in laserpicium gestoofd, er is versche kaas van Trebula, er is honig van den Hybla, er zijn vijgen van de Campania en wijn is er altijd!!
En Nilus, de heerlijkheden op sommende, wenkte dominus en caterva binnen en zij kwamen, zij kwamen nader, de een na den ander kwam binnen.
—Wij zijn zes-en-twintig, herhaalde de dominus en overzag zijn komedianten, naar mate zij nader kwamen, de bezette banken en stoeltjes tusschen door en langs de van Nomentaner rood vloeiende tafeltjes.
Nilus was hem te gemoet gegaan.
—En waar hebt gij huisvesting gevonden, Lavinius Gabinius? vroeg hij, vol interest.
—In vijf, zes kleine vertrekjes, heél boven op de vijfde verdieping in een heél hoog huis, achter de Suburra, in de nieuwe wijk, heer caupo, antwoordde de dominus; maar vergunt ge mij nu mijn slaven te tellen; je weet nooit of er niet eén weg slipt.... Zes-en-twintig moet ik er hebben....
—Heu, lieve gasten, kunt ge ook plaats maken? riep Nilus de zaal door. Want Lavinius Gabinius komt met zijn caterva komedianten en het zijn er niet minder dan zès-en-twintig!
—Zès-en-twintig! roezemoesden de stemmen door den walm en wasem heen. Zes-en-twintig!! Wat een groote troep!
Onderwijl telde de dominus zijn komedianten, die zijn slaven waren.
—Twee „grijsaards”, somde Lavinius op, en tot Nilus:
—Maar die eéne is vrijgelaten.... Gaan jullie zitten; twee adulescentes; komt binnen, komt binnen.... Zijn Cecilius en Cecilianus weêr achter....? Waar blijven zij toch? Twee „parazieten”.... Ja, heer caupo, ik heb een heel volledigen troep; twee matrona-jongens; toe, nu wat opschieten, hè? Zijn Cecilius en Cecilianus er weêr niet....?
En de dominus, met autoritairen vinger, telde of zijn zes-en-twintig hongerige en dorstige komedianten wel binnen kwamen. Zij kwamen, volgens een zekere hierarchie: de eerste-rollen eerst: na de „grijsaards” en „jongelingen”, „parazieten” en matrona-jongens—waar toch Cecilius en Cecilianus bleven?—kwamen de twee groote „slave”-rollen en twee kleinere „slave”-rollen, twee leno-rollen, twee lena-rollen, vier kleinere rollen, zoowel mannen als jongens; dan de mimus-rollen; dansers, zangers, fluitspelers; dan de machinisten en knechten....
—Zij zijn er! riep Lavinius uit. Alleen Cecilius en Cecilianus, mijn tweelingen, die de eerste vrouwerollen spelen?! Bij Apollo en Bacchus, waar zijn die nu toch!
—Ze zijn zeker voor goed aan de haal, dominus, treiterde de eerste senex nijdig: hij was, al speelde hij „grijsaards”, een jonge man maar zijn stem was alleen geschikt voor de senex-rollen en met die zelfde senex-stem kòn hij niet anders dan ook in zijn dagelijksche leven spreken; je mooie, onvergelijkelijke vrouwekereltjes zijn aan de haal.
—Neen, dominus, spotte de eerste „paraziet”, die ook in het leven zich had aangewend geestig te zijn; wees maar niet bang: gestolen voor een tweede maal zullen de mooie tweelingetjes niet worden!
De geheele caterva lachte om de grap, den dominus plagende, dat hij zeker wel, jaren her, de „mooie tweelingetjes” kon gestolen hebben. Maar Lavinius haalde minachtend de schouders op: de tweelingen waren hem immers als kleine jochies door hun moeder in optima forma afgestaan....
Intusschen hadden vier-en-twintig komedianten de reeds volle zaal vervuld. Maar overal ruimden de gasten hun plaatsjes in, o zoo nauwe, kleine plaatsjes, op een bank, op een bed, op een stoel, aan de punt van een tafeltje en Nilus zelve hielp de binnenslaven en de binnenslaven hielpen de keukenslaven en, werkelijk, de nieuwe porties werden voor gezet, rijkelijk, dampende, juist van de versch gevoede vuren af, die op nieuw snorden, beneden in de keuken: Picenum-broodjes....
—Als spònzen! prezen in koor de hongerige komedianten. ....de vette saucijsjes van Lucanië en de lekkere kooltjes in laserpicium gestoofd....
—Ze hebben me niets te veel van je keuken verteld, heer caupo! waardeerde hoffelijk Lavinius.
Nilus, glimmende, glimlachte, in beide armen een puntige amfoor omhelzende, die hij boog over de aarden kroezen heen, zonder zich de moeite te geven de kruikjes te vullen: de wijn spilde over de tafelen.
—Ik kan zoo niet rekenen, zoon! riep de Alexandrijnsche, met dolle oogen, hijgenden boezem, over haar rekenbord heen, waar zich hare vingers verwarden aan de te verknikkeren balletjes.
Nilus wenkte haar, dat het er niet op aan kwam, kom, zóo nauwkeurig te rekenen, als de heele caterva kwam avondmalen en natuurlijk terug zoû komen alle de dagen, dat zij spelen zouden en de Megalezia duurden.
—Heer caupo! riep de „paraziet”, fijntjes; schenk den wijn liever mijn mond in dan in mijn schoot!
Rondom schaterlachten de gasten:
—Hij blijft in zijn rol! Hij blijft in zijn rol! Hij zuipt liever dan hij verdrinkt!
—Eerst in regen, nu in wijn!
En de „paraziet” glimlachte, omdat hij gewaardeerd was geworden en nipte aan zijn kroes, want hij was heel matig.
De Gallen draaiden om de nieuwe gasten rond.
—Willen jullie geen naveltjes koopen, goudsteenen naveltjes van de Groote Godin? Dan heb je succes, als je die koopt? Moeten jullie de Groote Godin niet kussen, onder haar sluier, in haar kastje? Dàn vergeet je nooit een woord van je rol en wordt je dus nooit gegeeseld en dàn zeg je je diverbium altijd zuiver, lieve schatten, op de maat van de fluitmuziek! Fluitspeler, geef toch een kus aan de Godin, koòp toch een naveltje; dan speel je zoo zuiver als of de Muzen je hadden geleerd!
Maar de Gallen haalden met hun Groote Godin niets op bij de komedianten. Die waren te sceptiesch geworden door dat filozofiesch makende leven van, meestal allen, slaven-die-kunstenaars-waren, om te hechten aan amuletten, om te gelooven in de godin van een vuilen troep bedelpriesters, minstens even geminacht door de betere burgers als zijzelve, die histriones waren. Neen, zij waren te veel zich bewust van hun onwaarde als menschen, van hunne minderwaardigheid als levend schepsel en de onvermijdelijkheid van hun noodlot om een enkele as nog te wagen aan de betwijfelbare gunsten eener godin, die in een kastje, onder een vuilen sluier, neêr gezet werd op een plankje in een taveerne, vlak bij het stalluik, waar door telkens een balkende ezelskop drong. En zij schertsten tegen de Gallen, ironiesch, satyriesch, bijna een beetje rhetoriesch, met herinneringen aan zinnen uit hunne palliatæ, uit hunne in Grieksche kleedij vertoonde blijspelen van Plautus en Terentius, met een vreemde mengeling van slaafsche onderworpenheid aan hun dominus-gregis, aan maatschappij en noodlot èn een zekeren, stillen trots kunstenaar te zijn, litterair ontwikkeld, te weten de fijnere onderscheiding in hunne spelen, in dier verzen, in de metriek er van, in de geheimenissen van mimiek—saltatio—en voordracht, gesprongen, gezongen, in àl de nuancen hunner kunst, die zij geleerd hadden durende jaren, den stok steeds dreigende boven hun slavenruggen. Hadden sommigen hunner dan een sommetje verzameld om zich los te koopen van den dominus en „vrijgelaten” te zijn, hun belang bracht toch mede, dat zij den dominus nièt verlieten: als „vrijgelatenen” hadden zij een zekeren voorrang boven de slaven-artiesten, speelden zij, ook om hun betere kunst, die hen veroorloofd had zich vrij te koopen, de eerste rollen, verdienden zij iets meer geld, dan des dominus’ fooitje bedroeg aan de anderen. Voor de maatschappij der burgers bleven zij, slaaf of vrijgelaten, de geminachte histriones, zonder burgerrechten, de bespotte vermakers der menigte, de verachte paljassen van het toch steeds om hen te zien en te hooren toestroomende publiek, op straat en forum uitgejouwd, gegooid met vuil, mizerabelen, die immers een „veracht bedrijf” uitoefenden, en meer nog „veracht” dan de winkelier hoewel niet zoo veracht als de beul. Nauwelijks dorsten zij zich vertoonen buiten hun ambt, af van de planken, waarop zij zich gaven en dulden moesten de grillen van hun publiek maar in zich gevoelden de besten hunner iets als een geheimzinnigen trots van toch kunstenaar te zijn, uitbeelder der eeuwen-oude komediën van Plautus en Terentius.
In de taveerne van Nilus waren zij nièt geminacht, werden zij broederlijk ontvangen, welkom geheeten. En waarom ook niet! Was Nilus zelve niet maar een vreemdeling èn een caupo, dus ook een „veracht” bedrijf-uitoefenaar; was onder deze zuipers wel éen „geachte” Romeinsche burger te vinden; waren dit niet allen „verachte” schepselen: deze gladiatoren, deze matrozen, dit naamlooze volk van Suburra-bezoekers, déze dieven, weggeloopen slaven, deze Christenen? Dat sinistere troepje daar ginds: een beul tusschen zijn twee geeselslaven en de lijkedragers, die zich bij hen hadden gevoegd—somber keken zij over hunne kroezen, meestal stilzwijgend, nu en dan met een enkel donker woord gefluisterd tusschen hunne barre, barsche, stoppelgebaarde smoelen van ruwe mannen, hun verweerde koppen ruig donker doemende uit den walm van vette keuken- of lampenolie en stoom uit druipnatte kleêren—hadden zij en hunne gelijken wel het rècht komedianten te minachten? Neen, zij gevoelden zich gemeenzaam met hen; zij schikten hun plaatsjes in; zij stonden hun hunne kroezen af, nu Nilus er te kort kwam en de komedianten, om hun alleen intellectueelen trots, verbroederden dadelijk, gevoelden zich dadelijk thuis met de gemakkelijkheid van overal door heen rollende zwervers, sloegen blijmoedig kwinkslagen, joligden, zèlfs met de Gallen, die de anderen meestal noóit anders dan met een snauw van zich af duwden. Want de Gallen, dàt waren lastige, opdrìngerige bedelpriesters, maar de komedianten, dàt was gezellig volkje en ze kwamen daarbij toch ook spelen geven om al dit volk, dat hen van af de hoogste theateromgangen zien zoû, te vermaken.
—Is het erg hoogdravend, adulescens, wat jullie geven zullen? vroeg een der matrozen uit Ostia aan den eersten „jonge-rol”, die tegen Fabulla, over den blonden, kogelronden schouder van Colosseros heen, lonkte.
Want de adulescens, ijdel op zijn jonge-rolgezicht, dat hij maar zelden achter een masker verborg, ging prat op de gunst der vrouwen en maakte er bijverdienste uit, in de hoop zich los te koopen.
—Neen, zei de adulescens goedig, ijdel lonkende tot Fabulla, wie het lonken wel vermaakte, maar wier arm bleef om den kolom-nek van den jongen reus. Het zal vermoedelijk Plautus zijn: de Menæechmi of misschien wel de Bacchides en—voegde hij er neêrbuigend aan toe—dat begrijpen jullie wel; de Prologus vertelt je immers dadelijk alles....
—Nou ja, riepen de matrozenmeiden door elkaâr; dan is het ook gemàkkelijker!
—.... Ik kan niet alles zoo volgen....
—.... Ik hoû het meest van wat ná komt: dan dansen ze en springen ze!
—Jawèl, zei de adulescens zelfgenoegzaam, hoogmoedig, zich in eens „intellectueel” gevoelende: zoo een mimus, zoo een exodium-spel is altijd wel àardig, om al de mooie vertooningen....
En hoewel hij begreep, dat zijn wijze woord te loor ging tegen die dellen, kon hij niet na laten er goedigjes hoog bij te voegen, te gelijker tijd lonkend naar Fabulla:
—Maar ònze kunst, onze kunst van zèggend, zingend reciteeren, spélen, onze tooneelspeelkunst, in éen woord, staat natuurlijk hóoger dan alleen maar wat dansen en buitelen en grapjes maken, zoo als ze doen in het exodium-spel....
—Leer jij zoo een heele rol van buiten? vroeg de matroos, met een angstig gezicht.
—Natuurlijk, zei de adulescens; en je krijgt slaag, als je je rol niet kent en hakkelen of steken blijft, terwijl zoo een mimus-speler—minachtend werd zijn stem—die dànst of springt zich er wel altijd door heen....
De voornaamste mimus-speler overluisterde hem terwijl de adulescens, Fabulla vergetende, hongerig zijn jeugdige-minnaars-kop verborg in een bruine kom vol warme linzensoep, die hij gretig uit slurpte. Maar de mimus-speler, zijn beide handen en mond aan een dikke saucijs, waaraan hij zoog en trok, heftigde terug, zijn baardelooze wangen vet van de saus:
—Net of wij niet springen en dansen op de maat van de muziek van de fluiten en niet met de riemen worden gestriemd als we er even uit zijn.... Terwijl het publiek òns dan meer uitjouwt dan jullie omdat ze beter ons dansen volgen kunnen dan al die duizende woorden, die jij uitbraakt en die onhoorbaar zijn, als je geen masker met een breeden muil voor doet, jou ijdeltuit van een adulescens!
—Ze verstaan mij altijd heel goed! schreeuwde nijdig de adulescens, zijn vingers nog om de nu leêge kom; het is een kwestie van articuleeren!
—Onzin! riep de mimus. Ze verstaan altijd beter als je een masker om hebt omdat de maskermond het geluid uitzendt!
—Als jij als adulescens een fatsoenlijk gezicht hebt, riep de „minnaar”; hoèf je geen masker voor!
—Wàt heb jij een „fatsoenlijk” gezicht! wreekte zich, grinnikend nog steeds, de mimus; jij hebt een zuigelingensnoet op de planken, van zoò ver, voor de verste toeschouwers!
—Dat is een kwestie van grime, bij Pollux, snerpte de adulescens terug.
—Ik heb dan maar liever mijn mimus-masker voor, ik ben dan maar liever personatus dan mijn eigen gezicht te besmeeren met zwart om mijn oogen en rood om mijn mond, zoo als jij doet....
—Hi-ha! bevestigde de ezel.
—.... tot je er tòch als een masker uit ziet!
—Zoo! Ik maak anders altijd een heel goeden kop; dàt zegt de dominus zelf!
—Masker is masker, hield de mimus vol; wij zijn ten minste onherkenbaar achter òns masker en niet prijs gegeven aan het publiek als jullie, die altijd herkenbaar blijven, wat je ook op je gezicht smeert!
—Wij blijven veel menschelijker als wij geen houten maskerkop op zetten!
—Jullie zijn mèiden met je blanketsel, bij Pollux!
—Ik heb, bij Herkles, nooit een meid gezien, die er uit ziet als een comœdus, want wij blankètten ons niet maar grimeeren ons: ik spaar niet de verf op mijn gezicht!
—Hi-ha! meende de ezel.
—Een masker is noodzakelijk! viel nijdig de jonge senex in: hij moèst altijd met een masker spelen.
—Jullie zijn cinædi! schold de mimus, dwars door het lawaai.
—Neen, jullie juist zijn cinædi, schold razend de adulescens terug. Jullie wringen je heupen en doen als obscene jongentjes, als die Gallen daar doen, maar wij blijven altijd kunstenaars, kunstenaars-van-het-woord; wij blijven altijd hoog-komiek! Wij loopen niet met Priapus te koop, als jullie doen! Wij werken niet op de lage lusten van het publiek als jullie met je bokkensprongen! En ik ten minste ben alleen voor mooie vrouwen bereid, terwijl jij voor iedereen klaar staat!
En hij lachte verleidelijk naar Fabulla.
—Niet twisten, jongens, kwam Nilus aan; eten jullie liever je buiken vol!
En hij zette zoo wel mimus als adulescens een schotel voor met petaso: varkenshaas met prei en eiersaus er om heen.
—Bij den grooten Jupiter, juichte de adulescens uit; heer caupo, jij bent waard, dat we den heelen Plautus voor je spelen! En Terentius na!
De mimus zeide niets: hij kreunde van gulzigheidswellust en sloeg voor over met zijn mond in den schotel en lebberde de saus.
—Wat is Terentius? vroeg een der matrozenmeiden.
—Wie Terentius is?? vroeg de adulescens met open mond en bléef opensmonds, omdat iemand—zelfs een deerne uit Ostia, die een dagje uit was met matrozen uit een daar binnengeloopen schip, vol koren, dat van Egypte kwam om Rome te voeden—zóo onwetend kon zijn. Wie Terentius is?? Maar hoe is het mogelijk!
—Nou, ze is maar een eenvoudige meid, zei de matroos, die zoo bang was voor van-buiten-leeren; wat weet onze Sila nou van al die geleerdheid. Zeg nou maar eens, jij knappe adulescens, wat.... ik bedoel, wiè is Terentius.
—Terentius is een beroemde blijspeldichter, lichtte de adulescens in; die drie-en-een halve eeuw geleden geleefd heeft en hij komt even na Plautus en is niet zoo een groot genie....
—Zóo? draaide zich langzaam, minachtend, de fijne „eerste paraziet” om, lange, blauwe asperge nog in zijne vingers. Vindt jij Terentius minder geniaal dan Plautus! Bij Herkles, dat is de eerste keer, dat ik dàt hoor!! Terentius, die zoo zijn Grieksch kende, die zóo fijn geestig was....
—Bij Pollux, Plautus heeft ook de Grieksche voorbeelden nagevolgd, bitste de adulescens terug.
—Terentius, die zoo elegant van taal en rhythme is!
—Plautus is veel frisscher èn van taal èn van rhythme en veel minder systematiesch van opbouw in zijn spelen. Terentius is al decadent!
—Terentius, verbeeldt je, wiens titels alleen al poëemen zijn, effectvol om uit te spreken! Wanneer vond Plautus titels als: Andria....! Hecyra....! En vooral....
De „paraziet” spitste de lippen en gebaarde met duim en wijsvinger tegen elkaâr:
—Heautontimorùmenos!! Is zoo een titel alleen al niet Aeoliesch geluid?!
En de „paraziet” zong, declameerde, mimeerde het lange, Grieksche woord sylbe na sylbe: de rijk klinkende titel van het spel des „Straffers van Zichzelven”....
En bedankte toen, matig in het leven, al was hij veelvraat op de planken, voor de tweede portie vleesch en boonen, die Nilus hem bood.
—Wat worden ze nou geleerd, zei Sila tot haar Egyptischen korenschipmatroos. Het lijken wel filozofen!
—Ze praten Grieksch, zei de matroos, die, uit Alexandrië, veeltalig geworden was en den titel van „Heautontimorùmenos” bijna verstaan had, hoewel niet begrepen; maar je hebt gelijk: het zijn, bij Herkles, wel knappe kerels!
Intusschen kijfden zelfbewuste adulescens en fijne „paraziet” voort over de voortreffelijkheden van Plautus en Terentius en de Christenen murmelden tegen elkaâr:
—O, die zònde van het tooneel, mijn broeders!
—Ja, die onzedelijke vertooningen, steeds van echtbreuk....
—En hun meesters bedriegende slaven! En van lichtekooien!
—Bij Plautus èn bij Terentius!
—Nooit zielverheffend, altijd terugtrekkend, in de modder der laagheid!
—Broeders, moeten wij niet gaan? Is het uur niet geslagen....?
—Dat onze Bisschop, de heilige Clemens....?
—Ja, ja, ons verschijnen zal in de Catacomben, ter prediking?
—Gaan wij, gaan wij....
