0,49 €
In "De vogel" verkent Jules Michelet de symboliek en betekenis van vogels in de natuur en in de menselijke ervaring. Dit boek, geschreven in zijn kenmerkende proza dat zowel poëtisch als wetenschappelijk is, weerspiegelt de romantische opvattingen van de 19e eeuw. Michelet combineert observaties van vogelgedrag met filosofische reflecties, waarbij hij de lezer uitnodigt de schoonheid en de diepere betekenissen van deze wezens te ontdekken. Hierbij maakt hij gebruik van rijke beschrijvingen die de lezer onderdompelen in de mystiek en majesteit van de vogelwereld, terwijl hij ook ecologische en sociale thema's aanraakt, waardoor het werk een breder culturele context krijgt. Jules Michelet was een Franse historicus en schrijver die leefde van 1798 tot 1874. Hij was een autodidact die zich diepgaand verdiepte in de natuurwetenschappen en de romantische literatuur. Zijn passie voor natuur en geschiedenis, evenals zijn verlangen naar een verbinding tussen mens en natuur, drongen door in zijn werk. Dit leidde tot het ontstaan van "De vogel", een boek dat niet alleen zijn liefde voor ornithologie weerspiegelt, maar ook zijn pioniersrol in de natuurhistorie, waarbij hij de eerste was die poëzie en wetenschappelijk onderzoek combineerde. "De vogel" is een aanrader voor lezers die geïnteresseerd zijn in de interactie tussen literatuur en natuurwetenschap, evenals voor liefhebbers van romantische literatuur. Michelets unieke stijl biedt een diepgang die niet alleen informatief is maar ook esthetisch bevredigend. Het boek moedigt een reflectie aan over onze menselijke ervaring in relatie tot de natuurlijke wereld, waardoor het niet enkel een wetenschappelijk werk is, maar ook een filosofische meditatie. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Een beknopte Inleiding plaatst de tijdloze aantrekkingskracht en thema's van het werk in perspectief. - De Synopsis schetst de centrale verhaallijn, waarbij belangrijke ontwikkelingen worden uitgelicht zonder cruciale wendingen te verklappen. - Een uitgebreide Historische context dompelt u onder in de gebeurtenissen en invloeden van die tijd, die de totstandkoming van het werk hebben gevormd. - Een grondige Analyse ontleedt symbolen, motieven en karakterontwikkeling om verborgen betekenissen bloot te leggen. - Reflectievragen nodigen u uit om persoonlijk in te gaan op de boodschappen van het werk en deze te verbinden met het hedendaagse leven. - Zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten benadrukken momenten van literaire genialiteit. - Interactieve voetnoten verduidelijken ongewone verwijzingen, historische allusies en archaïsche uitdrukkingen voor een soepelere en meer geïnformeerde leeservaring.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2023
Toen ik bij de stichting onzer bibliotheek allerlei deskundigen raadpleegde, over het eventueel opnemen van werken over onderwerpen, waarover ik mezelf gansch-òndeskundig wist, was de heer Jac. P. Thijsse zoo vriendelijk mij een aantal werken over de Natuur op te noemen, en daaronder ook die van den beroemden Franschen schrijver Jules Michelet, (van wien onze lezers een geheel ander werk kennen: „Martelaren van Rusland”), nl.: De Vogel—Het Insect—De Zee.
Van het eerste kwam ik toen kort daarop een exemplaar tegen van de nu zeer zeldzame uitgaaf met al de houtsneden van Giacomelli; terwijl Mevr. M. van Vloten bereid bleek, de uiterst moeilijke taak op zich te nemen om den Fransch-warmkleurigen tekst naar den aard van ons nuchterder Nederlandsch over te brengen. Een werk van liefde voor de natuur en den door zijn eigen sterke natuurliefde zoo sympathieken schrijver.
Deze 8ste Fransche druk, waarnaar de vertolkster haar bewerking gemaakt heeft, dateert van 1867.—Deze twee cijfers worden gegeven om den lezer te waarschuwen, indien de aard van de oorspronkelijke illustraties (die wij, naar ons formaat ietwat verkleind, in onze uitgaaf brengen) met hun romantisch waas het niet genoegzaam zouden doen, dat hij hier een werk voor zich heeft uit een vroeger tijdvak, een werk niet van wetenschap allereerst, maar van aandoening; openbaring van inzicht in de natuur, waarbij het gevoel en de verbeelding den schrijver leidden meer nog dan streng onderzoek, doch dat juist door die eigenschappen niet zal nalaten des lezers liefde voor de natuur aan te wakkeren en hem te boeien door de beschrijvingskunst van den dichterlijken prozaïst. Deze drie straks genoemde werken van Michelet hebben in de Fransche letterkunde der 19de eeuw hun eigen plaats verworven; zijn er bijkans „klassiek” geworden. Moge deze Nederlandsche bewerking ervan velen onzer landgenooten, die èn de natuur èn de letterkunde liefhebben, doen meêgenieten van „den rijken oogst der Natuur,” die den schrijver zelf, naar zijn opdracht aan zijne echtgenoote, door háar bereid was.
Den heer Thijsse, ook namens de vertaalster, onze hartelijke dank voor het mede-nazien der proeven.
L. S.
HET EI.
De ouden, in hun wijze onwetendheid, in hun helderziend instinkt, spraken dit orakel:
„Het EI is het begin; in het EI ontkiemt de Wereld.”
Eénzelfde oorsprong; maar het lotsverschil bepaalt de aard der Moeder.
Zij handelt en voorziet, zij is meer of minder Moeder. Is zij meer Moeder, des te hooger stijgt het Wezen; ieder graadsverschil in het Bestaan hangt af van den liefdegraad. Op de trap van het Bestaan bepaalt de Liefde de trede.
Wat vermag de Moeder in het bewegend leven der visschen? Niets dan haar ei toevertrouwen aan den Oceaan. Wàt kan zij in de Wereld der Insecten? waar zij gewoonlijk sterft als het ei gelegd is? Een veilige plaats vinden vóór zij sterft, waar het ei kan uitkomen en het leven zich voortzetten.
Zelfs bij het hoogere, bij het viervoetige dier, waar de warmte van het bloed een oorzaak voor geringer Liefde schijnt te moeten zijn, waar de Moeder zelf, zóólang, voor het jong, nest en warme woning is, zijn de zorgen van het moederschap ook zooveel minder. Het wordt geboren in volkomen gedaante, is gekleed, gelijkt geheel op de Moeder; de melk, reeds bereid, voedt het. En bij vele soorten neemt de opvoeding haar loop, zonder dat de Moeder zich meer moeite geeft dan toen het jong groeide in haar lichaam.
Anders de Vogel; vond die geen liefde, het ware zijn Dood.
Liefde?—Iedere moeder heeft lief, van den Oceaan tot de sterren. Maar ik denk aan zorg, aan het omgeven-zijn door meerdere liefde, omwikkeld door de warmte van het moederlijk magnetisme.
Zelfs in het ei, behoed door de kalkschaal, is het jong zóó gevoelig voor de inwerking van koude lucht, dat ieder plekje, in het ei verkoeld, een lid kost aan het wordend vogeltje. Vandaar dat lang en rusteloos werk—het broeden; de gewilde gevangenschap, de onbewegelijkheid van het bewegelijkste aller wezens. En dat alles zoo smartelijk! Als een steen, gedrukt tegen het naakte vleesch.
Het vogeltje wordt geboren; maar het is naakt. De kleine viervoet, geheel gekleed, kruipt, loopt onmiddellijk; maar het vogeltje—ten minste bij de hoogere soorten—ligt op den rug, veerloos, onbewegelijk. En nìet alléen door bedekkend koesteren met haar lichaam, behoudt de moeder de warmte; maar ze wekt ze zelfs op door zorgzaam wrijven. Het veulen kan zuigen en voedt gemakkelijk zichzelf; het vogeltje moet wachten tot de moeder het voeder zoekt, kiest, bereidt. Zij kan niet weg, de vader zal voorzien! Ziehier het rechte Gezin: Trouw en Liefde, en het eerste schijnsel van het zedelijk Licht.
Ik zal nu niet spreken van een zéér moeilijke, langdurige en gevaarvolle opvoeding: het leeren vliegen, en het, bij de echte zangers zoozeer subtiele, leeren zingen. De viervoet weet spoedig wat hij weten moet: er zijn er die galoppeeren van af hun geboorte!—En is een neerkomen op het zachte gras hetzelfde als een zich werpen in de ruimte?
Nemen wij het ei in de hand. Deze ellips, zoo eenvoudig, zoo begrijpelijk, zoo sierlijk, de vorm, die het minst vat geeft op een vijandigen aanval, het is ons als een harmonische wereld in het klein, een absolute harmonie, waar niets af te nemen, niets aan te vullen is. Bij anorganische stoffen zal men moeilijk dien vorm aantreffen. Men voelt onder dien levenloozen schijn, een hoog levensmysterie, het werk van God in Zijn volmaaktheid.
Wat is het? en wat moet er uit ontstaan? Gij kunt het niet zeggen? Maar Zìj weet het, zìj, die daar, de vleugels uitgebreid, in sidderend wachten het omgeeft en rijpen doet door haar warmte; zìj, die tot nu toe vrij en koningin der lucht, haar leven schiep naar haar lust; nu plotseling een gevangene, zich doemend tot onbewegelijkheid op dat stomme voorwerp, dien steen, waar niets nog de toekomst openbaart.
Spreek niet van blind instinkt! Feiten zullen doen zien, hoe dat helderziend instinkt zich wijzigt naar de omstandigheden, met andere woorden: hoe dit begin van Rede in aard weinig verschilt van de hooge Rede bij den mensch.
Ja, deze moeder is door de intuïtie der Liefde wetend en voorziend geworden. Door die harde kalkschaal heen, waar onze ruwe hand niets vermag te voelen, daar voelt zij met een subtiele takt, het mysterieuse wezen, dat er zich vormt en voedt, en gesterkt door dàt voelen verdraagt zij de moeilijke taak van het broeden, de lange gevangenschap. Zij ziet het jonkje, zoo aanvallig teer in het eerste dons, zij vóórziet het, door haar hopen, zooals het worden zal, een forsche en krachtige vogel, aanblikkend de zon en de vleugels spreidend tegen den orkaan. Laten wij ons dien langen tijd ten nutte maken! Haasten we ons niet, en laat ons rustig beschouwen, dat bekoorlijke beeld van dien moederdroom, dat tweede baren, waardoor zij het onbekend voorwerp van hare liefde, dat onzichtbaar kind van haar verlangen tot volkomenheid brengt.
Treffend beeld, meer nog dan treffend,—subliem! Ons past hier bescheidenheid. Bij ons bemint de moeder, wat zich al in haar beweegt, wat zij voelt, houdt, omgeeft in een zeker bezitten. Een onomstootelijke realiteit heeft zij lief, een bewegelijk en bewegend wezen, dat haar eigen bewegen volgt. Maar deze geeft haar liefde aan de toekomst en het onbekende; haar hart klopt eenzaam en vindt geen antwoord. Maar toch is haar liefde niet minder, en offert zich en lijdt; tot den dood zou zij lijden voor haar droomen en haar gelooven.
Machtig alvermogend geloof, dat een wereld voortbrengt, de wonderbaarste wereld misschien. Spreek mij niet van zonnen, van den chemischen bouw der wereldbollen! Het wonder van een kolibri-ei is minstens het worden van den Melkweg waard. Gelooft maar, dat dit kleine puntje, dat gij onzichtbaar noemt, een zee is, een melkzee; daarin drijft als kiempje de uitverkorene der luchten. Het drijft, vreest geen vergaan; oneindig fijne hechtseltjes houden het zwevend, geen nood voor een stoot of schok. Zachtkens drijft het in het lauwe vocht, zooals het drijven zou op de lucht. Algeheele zekerheid, volkomen veiligheid, omgeven door een voedende woning; en hoeveel volkomener is die voeding dan het zoogen!
Maar zie! in zijn Godsslaap heeft hij de moeder gevoeld, hare magnetische warmte. En ook hij begint te droomen. Zijn droom is beweging; hij maakt zich gelijk aan haar; zijn eerste doen, een doen van onbewuste liefde, is haar gaan gelijken.
„Verandert niet de liefde altoos in Zich, 't beminde?”
En als hij gelijk is aan haar, wil hij tot haar gaan. Hij neigt zich, hij buigt dichter tot de schaal, het eenige wat hem nog van de moeder scheidt. Dan luistert zij; soms heeft zij 't geluk zijn eerste piepen te hooren. Hij kan niet meer blijven, hij wil, hij heeft een snavel en gebruikt dien. Hij stoot, vijlt, doorbreekt den muur van zijn kerker. Hij heeft pootjes en staat... Zijn arbeid is begonnen... Zijn loon is de verlossing. Hij is vrij.
De verrukking, de aandoening, de verwonderlijke onrust, al de zorgen van de moeder, wij zullen ze hier niet bespreken; wij noemden reeds de groote moeielijkheden van de opvoeding. Zijn inwijding in het leven, moet door tijd en teederheid geschieden.
Bevoorrecht door het vliegvermogen is hij het nog meer door het tehuis, waarin hij zijn leven begint, door de moeder die hem kweekte; door háár gevoed, door zijn vader geleerd, is dit wezen, vrij boven allen, ook nog de gunsteling der Liefde.
Wie de vruchtbaarheid van de Natuur bewonderen wil, haar rijkdom van vinding, zoo bekorend, maar ook zoo schrikwekkend; een vindingskracht, die uit ééne creatie millioenen van tegengestelde wonderen doet ontstaan—hij beschouwe dit ei, zoo gelijk aan een ander, waaruit toch de oneindigheid van stammen zal voortkomen, die gevleugeld de wereld zullen bevolken.
Uit die geheimnisvolle éénheid gooit zij uit, verbreidt zij, als stralen, in aantal onberekenbaar, wonderbaar afwijkend, de gewiekte vlammen, die wij vogels noemen, vlammen van vurigheid en leven, van kleur en zang.
Gloeiende scheppingsdrang schudt dien immensen wonderwaaier van verpletterende verscheidenheid, waar alles schittert, alles zingt, een overstelpende stroom van harmonie—en wij sluiten de oogen—verblind! Gij melodieuse vonken van het hemelvuur, hoevèr reikt gij niet! Voor u geen hoogten, geen afstand; lucht en afgrond is voor u één. De hoogste wolk, het diepste water, gij bereikt hen. De aarde in haar geheelen omtrek, in haar ontzaglijken omvang, haar zeeën, haar bergen, haar dalen, het is alles uw rijk! Ik zie u fonkelen in de tropen, gloeiend als zonnestralen. Ik hoor u in het eeuwig zwijgen der polen, waar het leven ophoudt, waar het laatste mos is uitgestorven; te ver zelfs voor den beer, die zich grommend terugtrekt. Maar gij blijft, gij leeft, gij hebt lief, gij getuigt van God, gij brengt warmte in verstijving. En in die aardsche woestenijen, waar de natuur nog barbaarsch is, komt gij en tempert die woestheid met de kinderlijke onschuld van uw roerend liefdeleven.
DE POOL.
De Vogel-visch.
De machtige fee Verbeelding, bewerkster van zooveel van der menschen welzijn en wee, toovert ook voor hen de natuur in duizenderlei valschen schijn. Bij alles wat hun kracht niet te meten vermag, wat hun voelen beleedigt; in alles wat is, omdat de wereld-harmonie het beveelt, ziet de mensch gaarne een boozen wil, dien hij vloekt. Er is een schrijver, die een boek schreef tegen de Alpen. Een dichter plaatste dwaselijk den troon des kwaads op die gezegende gletschers, die de groote waterbehouders zijn van Europa, die het zijn stroomen uitgieten en het zijne vruchtbaarheid geven.
Een nóg redeloozere, vervloekte het pool-ijs, miskennend de prachtige économie van den aardbol, het majestueus balanceeren van die wisselende stroomingen, die het Leven zijn voor den Oceaan. Zij hebben krijg en haat gezien, en boosaardigheid van de Natuur, in de volkomen vreedzame regelmaat van beweging der Al-Moeder.
Zoo droomen de menschen. Bij de dieren niet die afkeer, die vrees; maar een dubbele drift drijft hen jaarlijks naar de polen in onafzienbare massa.
Vogels, visschen, reusachtige cetaceeën trekken jaarlijks op, om de zeeën en de eilanden te bevolken, die de Polen omgeven. Verwonderlijk vruchtbare zeeën, overvol van beginnend- (als zooöphyten) en gistend leven, wateren, troebel van vischkuit en vischgebroed, en kiemen van ontelbare soorten. De beide polen zijn gelijkelijk voor die onnoozele scharen van rusteloos vervolgden, plaatsen van bijeenkomst, waar zij liefde vinden en rust.
De walvisch, arm vischdier, die toch zoete melk en warm bloed heeft, als wij; die rampzalige verbannene, die weldra zal zijn uitgestorven; dáár alléén is zijn eenige wijkplaats, zijn halt voor het heilig oogenblik van moederschap en zoogen. Geen ras is goediger en zachtzinniger, verdraagzamer voor de hunnen, teederder voor hun kroost. Wreed in zijn onkunde is de MENSCH. Hoe is het mogelijk dat hij de robben, hem zóó verwant kan dooden zonder afgrijzen!
De mensch-reus, bewoner van den ouden Oceaan, de Walvisch, dat wezen even zachtmoedig als de Mensch-dwerg barbaar is, heeft ook nog dàt op hem voor, dat hij het verdelgingswerk op diersoorten van een beangstigende vruchtbaarheid, hem door de Natuur opgelegd, kan volbrengen zonder zijn slachtoffers te pijnigen. Hij heeft geen tanden, geen enkel van de marteltuigen, waarvan de wereldverwoesters zoo ruim zijn voorzien. Het walvisch-aas, ingeslorpt en verloren in de duistere diepten van dien bewegenden afgrond, ondergaat onmiddellijk een scheikundig ontbindingsproces. Het meerendeel van de levende wezens, die in hoofdzaak het voedsel uitmaken van de bewoners der poolzeeën, walvischachtigen, vogels, visschen, heeft nog geen eigenlijk organisme en niet het vermogen pijn te voelen. Daardoor verschijnen die dieren voor ons in een sympathiek karakter van onschuld, roerend, en zelfs benijdbaar. Gelukkig en gezegend die wereld, waar leven geen dood vraagt, die wereld in veel opzichten vrij van smart, waar de voedende wateren zijn als de melkzee, wreedheid onnoodig is, en het wezen als geborgen in den schoot der Moeder!
In diepen rust lag de eenzaamheid dier poolzeeën, lagen hunne tweeslachtige bewoners, voordat de mensch, de wreede, er kwam.
De twee tyrannen dier streken, ijsbeer en blauwe vos, waren gemakkelijk te ontwijken in den schoot van die goede voedster, de zee, steeds gereed om hen te ontvangen.
En toen het zeevolk er landde, was er maar één moeielijkheid: hoe door die dichte drommen dier goedige robben te dringen, die hen nieuwsgierig aankeken. De pingouïns van de Zuidpool, de vetganzen van het Noorden, van een vreedzame bedaardheid en bovendien zeer slecht ter been, verroerden zich niet. De ganzen, wier zeldzaam fijne en zachte donsveeren het eiderdons leveren, lieten zich rustig naderen en met de hand aanraken.
De houding van die onbekende wezens, was voor de zeelieden een bron van grappige vergissingen. Toen zij in de verte die eilanden zagen, bedekt met rechtopstaande alken in hun zwart en wit kleed, meenden zij groote troepen kinderen te zien in witte boezelaars. Hun kleine armpjes—men kan haast niet zeggen vleugels, bij dat begin van een vogel—hun onbeholpenheid op den vasten grond, hun moeielijke gang: het verwijst hen alles naar de zee, die voor hen, volmaakte zwemmers, het natuurlijk en rechtmatig element is. Zij zijn als de geëmancipeerde kinderen van den Oceaan, eerzuchtige visschen, die zich kandidaat stellen voor het vogelschap en het er reeds toe brachten hun vinnen te doen veranderen in een soort schubachtige vleugeltjes, echter zonder groot succes; want als vogel machteloos en hulpeloos, blijven zij vlugge visschen.
Of ook, lettende op hun groote voeten, zoo dicht aan het lichaam, op hun korten hals geplaatst op een grooten cylindervormigen romp, en hun afgeplatten kop, zoo zou men hen haast beschouwen als maagschap van de robben, van wie zij echter niet de intelligentie hebben, maar wèl den goeden aard.
Deze eerstelingen van de Natuur, getuigen van de oude tijden der transformatie, stonden daar als zonderlinge hieroglyphen voor hen, die ze het eerst zagen; en hun oog zachtzinnig, maar strak en kleurloos als het vlak van de Poolzee zelf, staarde op den mensch, den laatstgeborenen der Planeet als van uit de verre diepten van hun oudheid.
Levaillant vond hen in massa op een onbewoond eiland niet ver van de Kaap de Goede Hoop. Er was daar een grafteeken voor een arm Deensch Zeeman. Deze bewoner van het hooge Noorden, dien het toeval aan de Zuidpool zijn dood deed vinden, was door de geheele dikte van den aardbol van zijn vaderland gescheiden. Robben en pingouïns hielden hem in grooten getale gezelschap; de eerste liggend neergehurkt; maar de pingouïns rechtop, hadden met waardigheid de wacht betrokken bij zijn graf, en zij klaagden in eenstemmigheid met de klacht van den oceaan men zou zoo zeggen, een doodenklacht.
Het winterstation is de Kaap. In het lauwe klimaat van hun Afrikaansch ballingsoord, voorzien zij zich van een stevige vetlaag, die hen te pas zal komen tegen kou en honger. En als de lente er is, voelen zij een mysterieus iets, dat hun zegt hoe de dooi met zijn stormen de scherpe ijskristallen heeft gebroken en gesmolten, en dat de poolzeeën, hun eigenlijk vaderland, waar zij geboren werden en waar hun heerlijk liefdeparadijs zal zijn, weer voor hen openstaan.
Nu werpen zij zich in zee, en met krachtigen roeislag leggen zij vijf- of zeshonderd mijlen af, bijna zonder rust, behalve op een enkele drijvende ijsschots, waar zij zich soms een oogenblik neerzetten. Zij komen, en vinden alles bereid; en een zomer van dertig dagen brengt hun het geluk; maar een streng geluk! want om volkomen vrede te vinden, moeten zij de zee verlaten, die alléén hun voedsel verstrekt.
Die tijd van liefde en broeden is een tijd van onrust en vasten. Hun vijand, de blauwe vos, vervolgt hen in de eenzaamheid; maar eendracht maakt macht: een heirleger van wakende vaders, gereed om zich te offeren omringt de gezamenlijk broedende moeders. En als éénmaal het jong uitkomt, en door de gesloten gelederen wordt meegevoerd, dan gooit het zich in zee en is gered!
Sombere streken! Maar men krijgt ze lief, ziende hoe daar de Natuur teederlijk het leven siert van mensch en vogel met liefde en toewijding. Het Noordsch tehuis verkreeg van haar een zedelijk schoon, dat men in het Zuiden zelden vindt. Een zon verwarmt het, die niet de zon der tropen is, maar een mildere, de zon der ziel. En de zedelijke waarde van het schepsel stijgt, door het gevaar en de ruwheid zelve van het klimaat.
Een uiterst pogen heeft in die wereld, die niet de wereld van het Schoone is, het Schoone voortgebracht. Dat wonder wrochtte het moederhart. In Lapland is maar één Kunst, één éénig Kunstwerk—de Wieg. „Het is iets zeer bekoorlijks,” verhaalt een dame, die die streken bezocht heeft, „zoo sierlijk en bevallig als een aardig klein schoentje, gevoerd met het zachte dons van den witten vos, dat teederder is dan zwanedons. Van het kapje, waarin het hoofdje veilig besloten ligt, warm en zacht, hangen kleurige koralen kettingjes af en hangertjes van zilver of koper, die aanhoudend rinkelen en door hun aardig geklingel het Lapje doen lachen.”
Wonder Moederschap! Zoo wordt de minst beschaafde vrouw, nadenkend,... kunstenares... En het moederdier is heldhaftig. Niets zoo treffend te zien als de eidergans, hoe zij haar dons uitrukt, om er haar jong in te nestelen. En als de mensch—de wreedaard—komt en het nest besteelt, begint de moeder de zelfmarteling op nieuw; en als zij geheel afgeplukt is, als zij niets meer te geven heeft dan vleesch en bloed, dan geeft de vader zijn dons, en zoo wordt het jong als van hen gekleed, van hun lichaam, van hun toewijding en smart.
Zoo placht Montaigne treffend te zeggen—en dit aandoenlijk feit van het eidernest herinnert mij er aan—sprekende van een mantel, dien zijn vader gedragen had, en dien hij daarom ook gaarne droeg: „Ik bekleedde mij met mijn vader.”
DE VLEUGELS.
Zoo roept al wat op aarde is en in de wereld en in het leven. Het is de kreet van alle diersoorten, van vele plantvormen, in alle talen. Ja, de steen zelfs en geheel de anorganische wereld schijnt door dien drang bezeten. Want beweginglooze stof neemt gretig de chemische transformatie aan en laat zich meevoeren in den levensstroom, als op vleugels van gisting en beweging.
En de plant, onbewegelijk op haar vasten wortel, richt haar inwendig liefdeleven op een gevleugeld bestaan, en draagt het op aan den wind en de golven en aan de insecten-wereld, die haar vruchten zullen wegvoeren als in de gevleugelde vlucht, háár door de Natuur ontzegd.
Met mededoogen zien wij naar den „Luiaard” den „Traaglooper” dat dier in wording, het pijnlijke beeld van den Mensch; dat geen voet verzet, zonder klagend zuchten. Den naam, dien wij voor hem uitdachten, mochten wij wel voor ons zelf houden.
Wanneer die Traagheid doelt op het steeds falende pogen tot voortgaan, vooruitkomen, handelen, dan is de ware Traaglooper, de Mensch. Want het vermogen zich van den eenen kant van de aarde, naar den anderen te sleepen, de vernuftige uitvindingen, die hem daarin helpen, dat alles kon hem niet ontnemen dat hij aan de aarde is vastgeklonken, gebonden door de Tyrannie van de zwaartekracht. Slechts ééne klasse van wezens, zie ik op de aarde, die zich vrij en snel bewegen, ontkomen aan den algemeenen jammer van onmachtig verlangen. Dat zijn zij, die alleen „de aarde raken met een vleugelspits”. Zij, die de lucht zelve, draagt en balanceert; en veelal kost het hun geen andere inspanning dan het besturen van hun vlucht, naar nooddruft of gril het aangeeft.
Licht en schoon bestaan! Wat moet zelfs de minste van de vogels met verachting neêrzien op de sterksten en vlugsten der viervoeters, leeuw en tijger. Hij spot met hun onmacht, gekleefd, geklonken als zij zijn aan den grond, die trilt onder hun nutteloos gebrul, hun machteloos nachtelijk zuchten; wel getuigt dat van de Knechtschap van den zoogenaamden Koning der dieren; gekluisterd is hij zooals wij allen het zijn, aan een minwaardig bestaan, door honger en zwaartekracht ons opgelegd.
O, de fataliteit van de materie! de fataliteit van eene beweging, die ons doet slepen over de aardvlakte. Die zwaarte, waaraan geen ontkomen is, die onze voeten vóór en na herinnert aan het logge, grove element, waar de dood ons zal doen ingaan, zeggende: „Zoon der Aarde, gij behoort de Aarde! een oogenblik uit haar opgerezen zult gij weer in haar moeten verzinken, voor wèl langen tijd!”
Rekenen wij het der Natuur niet aan: het is zeker, dat wij een wereld bewonen, die nog zéér jong, zéér barbaarsch is; een proef- en leerschool in de sterrenreeksen, een aanvangshalte op den langen weg der groote inwijding. Deze aardsfeer is een kindersfeer. En gij mensch, gij zijt een kind! Maar uit deze school voor beginnelingen moet gij bevrijd worden. Schoone en machtige vleugels zullen u geworden. Gij moet hier in het zweet uws aanschijns een graad halen tot het verkrijgen der Vrijheid.
Laat ons een proef nemen. Vragen wij het vogeltje, nog in het ei, wat het worden zal; de keuze is aan hem: „Wilt ge mensch zijn, en deelen in het Koningschap over de aarde, dat verkregen wordt door Arbeid en Kunst?”
En hij zal „Neen!” antwoorden, twijfel daaraan niet! Zonder nog in rekening te brengen het zwoegend pogen, de zorg en druk, het slavenleven waarmee wij ons koningschap koopen, heeft hij maar één antwoord te geven:
„Ik, Koning geboren, koning van ruimte en licht, wat zou ik afstand doen, daar de Mensch, wenschende het allerhoogste, het uiterste van geluk en vrijheid, droomt een vogel te willen zijn en te vliegen met vleugels!”
Alleen in zijn eersten, besten tijd, in het rijke jonge bestaan, in den droom der jeugd, is de mensch wel eens zoo gelukkig zijn menschzijn te vergeten, te vergeten, dat hij slaaf is van de zwaartekracht en vastzit aan de aarde.
