0,49 €
In "Korte Arabesken: Bébert le Boucher en André le Pêcheur" biedt Louis Couperus een vernuftige weergave van het menselijke bestaan door middel van twee korte verhalen die de thema's van verlangen, moraliteit en de paradoxen van het leven onderzoeken. De literaire stijl is doorspekt met Couperus' kenmerkende elegantie en subtiliteit; hij hanteert een rijk vocabulaire en schilderachtige beschrijvingen die de lezer in staat stellen om de gelaagdheid van zijn personages en hun emoties te doorgronden. Deze werken zijn ontstaan in de context van de laat-negentiende eeuw, waarin de literatuur steeds vaker psychologische diepgang en een reflexieve benadering van personages verkenning bieden. Louis Couperus (1863-1923) was een vooraanstaande Nederlandse schrijver, bekend om zijn baanbrekende aanpak van literaire thema's en stijl. Opgegroeid in een aristocratische omgeving, had hij toegang tot een breed scala aan culturele invloeden; zijn tijd in het buitenland, vooral in Indië, vormde zijn wereldbeeld en schrijfstijl. Couperus' fascinatie voor de menselijke psyche en de schoonheid van detail komen duidelijk naar voren in deze korte verhalen, wat kan worden gezien als een reflectie van zijn eigen leven en de thema's die hem boeiden. Dit boek is een aanrader voor lezers die geïnteresseerd zijn in de exploratie van complexe menselijke emoties en zij die houden van rijke, poëtische proza. Couperus' meesterlijke karakterontwikkelingen en zijn vermogen om de nuance van menselijke interacties vast te leggen, maken "Korte Arabesken" tot een relevante en tijdloze lectuur. Het biedt niet alleen vermaak, maar ook een diepere reflectie op de waarden en morele vraagstukken van onze tijd.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2023
Ik zit in vage avondstemming, geweven uit een beetje spleen, wat meer melancholie, en heel veel verveling op een bankje voor de Quai du Midi, daar waar de visschers van Nice hun barkjes omhoog, op de kade zelve, getrokken hebben, beducht voor boos weér, want de zee schuimt hoog op en de wind waait straf. De kraag van mijn overjas op, en mijn handen in de zakken, en mijn pet getrokken tot over mijn oogen, zit ik te staren en, wat weemoedigjes en alleen, te droomen over de schuimziedende golven. Het zal van nacht wel gaan spoken over de Middellandsche wateren.
Plotseling, links en rechts, verschijnen de beide heeren, Bébert le Boucher en André le Pêcheur. Ik was zoo in trieste stemming, winddoorhuiverd, verloren, zoo weg gedoken in pet en in kraag, dat ik hun twee impozante figuren niet had zien naderen, hun twee diepe stemmen niet had hooren opblageeren, zoo dat ik opschrik, nu ik ze plots herken, links en rechts, ik zittende, op het midden des bankjes.
- Zoo, monsieur le duc, zegt André le Pêcheur; zijn we fier van avond en kennen we de oude jongens niet?
- Is de duc lijdende aan ongelukkige liefde, dat hij zoo eenzaam in de zee zit te kijken? blageert Bébert le Boucher.
Ik strek twee handen uit, die duchtig worden geschud in pooten van heb-ik-jou-daar.
- Wel heeren, zeg ik; het doet me pleizier je te zien. Fier is de duc niet, dat weet je, maar hij lijdt veel aan distractie. Is er van avond iets te doen, dat jullie zoo broederlijk en collegiaal samen loopen? Of kom je een oogenblik mij gezelschap houden en zitten aan mijn zijden?
Zij zetten zich links en rechts, Bébert le Boucher en André le Pêcheur en ik verzeker u, dat er niemand meer bij kan op het bankje. Het is warmpjes, gezellig en tjopvol, met ons drieën. Mijn slankheid, als pièce-de-milieu, wordt indrukwekkend geflankeerd door, links, Bébert le Boucher en, rechts, André le Pêcheur. Ik maak liever eens een grapje met deze jongens, of drink met ze een borrel in een bar, dan dat ik standjes met ze kreeg. Ik voel mij tusschen hen beiden als een klein, niet volgroeid jongentje, waarop met minzamen spot, maar toch met goedgunstige straatvriendschap glimlachend beschermend wordt neêr gekeken. Des te beter. Liever maar niet vechten met die twee bazen. Uit speelschheid zelfs, geloof ik, zouden ze je dood drukken, zoo als ik een muskiet vernietig.
Wij wisselen opmerkingen over den wind en het weêr en Bébert en André zijn het eens met mij, dat het boos weêr zal gaan worden.
Zij noemen mij "monsieur le duc" of meestal "duc," omdat Bébert mij eens heeft gevraagd:
- Jij bent immers een "duc?" Ze hebben me gezegd, dat je een "duc" was.
- Natuurlijk ben ik een duc! heb ik geantwoord met aplomb. En André, die wel beter wist, maar veel houdt van in het ootje te nemen, staafde mijn bewering:
- Natuurlijk is die een duc! heeft André aan Bébert verzekerd.
Zoo dat ik geloof, dat die domme Bébert gelooft, dat ik een "duc" ben, en authentiek.
Bébert le Boucher is van het Noorden, van Amiens, geloof ik. André le Pêcheur is van het Zuiden, van Marseille, zoo niet van Nice. Beiden worstelaars van beroep, was Bébert eenmaal slagersjongen, en is André nog altijd visscher. Bébert is, hoewel een blagueur, somber; André is vroolijk, grappig en guitig. Het Noorden en het Zuiden. Ik hoû niet veel van Bébert, maar ik heb een zwakje voor André.
- Duc, zegt André; kom je van nacht meê op zee, in mijn boot: La Jeune Jeannette??
- Ja wel, hoor! zeg ik. Kom maar eens kijken, of ik er niet zijn zal. Zeg, André, slaap je van nacht in de "Jeune Jeannette?"
Want André, in den zomer, slaapt in zijn boot, op de kâ getrokken, onder zwoel wellustige sterrenachten.
Bébert maakt grapjes over la Jeune Jeannette, die nachtelijke rustplaats van André, grapjes, die ik den lezer laat raden, maar ter kuischheid wille omsluier met de vaagheid van het minder dan halve woord.
Neen, André, van nacht, zal niet slapen in den ronden schoot van zijn "Jeune Jeannette"—een mooi barkje, wit en rood geschilderd—want de wind is hèm zelfs te bar, om niet zijn kamer in de Vieille-Ville op te zoeken.
- Duc, zegt André weêr; ga je straks meê naar de Place Garibaldi? Là-bas, nous rigolerons tous les trois!
- Wat is daar dan te rigoleeren? vraag ik.
- Voor den donder, já, souligneert Bébert; we moeten dáar eens flink lol hebben.
- Maar wat is er dan te doen op de Place Garibaldi? vraag ik.
- Kan je het niet raden? vraagt André.
- Kom, duc, zegt Bébert; ràadt je het dan niet?
Ik haal mijn schouders op: ik heb geen imaginatie van avond.
- Le Lion du Littoral is er terug! zegt Bébert en buldert het uit van het lachen, als of hij zich met den naderenden storm wil meten.
