5,99 €
De orthodoxe Kerk heeft, naast haar prachtige liturgie en rijke theologie, een ongevenaarde sacrale kunst ongeschonden bewaard. “Naar de eenheid'” behandelt de ontwikkeling van de iconografie in de gehele christenheid. De auteur analyseert hiervoor de begrippen religie, kerk en iconografie.
De icoon immers “beantwoordt aan de: prediking van het evangelie, het beeld dient om de waarachtige en niet-denkbeeldige menswording van God het Woord te bevestigen.” (7de Oecumenisch Concilie, 787) “De juiste stap naar de eenheid” is het herontdekken van de eenheid in Christus, het Woord van God dat mens is geworden. De icoon van de Heilige Drie-Eenheid en Pinksteren vormen het doek waarop de auteur zijn beschouwingen aanbrengt. De iconenschilder L. Ouspensky overleed te Paris in december 1987. Hij was de aanzet voor de theologie van de icoon in de moderne tijd.
Oorspronkelijke titel “Vers l’unite'”, 1987 by YMCA Press, Parijs. Nederlandse vertaling.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 57
Veröffentlichungsjahr: 2022
NAAR DE EENHEID?
Léonide Ouspensky
Uitgeverij Orthodox Logos
Oorspronkelijke titel: VERS L’UNITÉ? Vertaling: Bart Verbeke
© 1987 YMCA-Press, Parijs, Frankrijk
Eerste Druk:
© 1988 Uitgeverij Axios, Grez-Doiceau, België
Herziene en Bewerkte Vertaling - Tweede Druk:
© 2011, Uitgeverij Orthodox Logos, Nederland
www.orthodoxlogos.com
ISBN: 978-90-811555-0-2
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUD
Naar De Eenheid?
Een Orthodoxe Pinkstericoon
Aan mijn vrouw en medewerkster, Lydia A. Ouspensky.
NAAR DE EENHEID?
In plaats van gewoon te gehoorzamen aan de harde wet van het Oude Testament moest de mens voortaan zelf uit eigen vrije wil beslissen tussen goed en kwaad met geen andere leiding dan Uw beeld voor ogen. Maar heeft U er heus nooit aan gedacht dat hij Uw beeld en Uw waarheid uiteindelijk zal verwerpen en bestrijden als zij op hem zullen drukken met zo’n vreselijke last als de vrije keuze?
(F.M. Dostojevski, De Gebroeders Karamazov, Utrecht/Antwerpen 1981, p.257)
De verschillen tussen de diverse religies verliezen aan belang voor een groot deel van onze tijdgenoten. Het volstaat in God te geloven; de voorstelling die men van de Kerk heeft vervaagt in een algemene notie van religie (die zelfs niet noodzakelijk christelijk is) en verdwijnt. Eigenlijk staan we vandaag voor uiteenlopende opvattingen over de Kerk: ofwel een vervalste opvatting, die nochtans stevig en welomschreven is (in een deel van de rooms-katholieke Kerk), ofwel een onduidelijke en onklare opvatting, sterk verward in vage ideeën over het Christendom. “De kerkleer is niet meer populair. De “seculiere” interpretaties en, in de jongste tijd, de vele charismatische bewegingen doen alsof de kerkleer als zodanig nutteloos geworden is. Men beschouwt de Kerk bijna als een idool en, in alle geval, als een belemmering voor de mens om zijn roeping in de geschiedenis te bevestigen om rechtstreeks spirituele gaven te ontvangen.”1 Daarbij komt de rechtstreekse of onrechtstreekse invloed van het atheïsme, dat in zijn verhouding tegenover religie geen verschil ziet of maakt tussen de verschillende belijdenissen, en bovendien het ontbreken van eenheid bij de christenen op het vlak van de geloofsbelijdenis. Dit alles heeft de chaos veroorzaakt die we tegenwoordig constateren - een chaos zonder onderscheid zowel op dogmatisch als op canoniek gebied. Zodra het dogma zijn betekenis en zijn belang verliest, komt men tot een totaal misprijzen van de canons. Plots hebben wij “begrepen” wat de heilige Vaders niet begrepen: de canons zijn slechts “menselijke uitvindingen” en niet de toepassing op het leven van de dogma’s van de Kerk. “De concilies, de canons, dat alles is voorbijgestreefd”. Het voorrecht van het Concilie –“het heeft de Heilige Geest en ons behaagd” wordt tegenwoordig door iedereen voor zichzelf opgeëist.
Hoe vreemd dit ook voor veel mensen moge lijken, de begrippen christelijke religie en Kerk zijn niet identiek. Religie is een zeer ruim begrip, dat zelfs soms tegenstrijdige verschijnselen omvat. De Kerk echter is een heel concreet verschijnsel. Christus is niet gekomen om een nieuwe religie toe te voegen aan de vele reeds bestaande; Hij is gekomen om Zijn Kerk te vestigen (“… zal Ik Mijn Kerk bouwen.” Mt 16,18)2
Men kan zeker zeggen dat de Kerk een religie is; maar religie is nog niet de Kerk. Er zijn evengoed christenen die in onze dagen buiten de Kerk staan als sedert de tijd van de apostelen. Volgens de Apostel is de Kerk het lichaam van Christus; zij is een wonder - de vereniging van het geschapen wezen met het Ongeschapene, het Goddelijke. Als Lichaam van Christus is de Kerk de vrucht van twee wonderen: de Menswording van de Zoon van God en de Nederdaling van de Heilige Geest. Het is daarom dat “het wezen van de Kerk met niets op aarde kan worden vergeleken, omdat er op aarde helemaal geen eenheid, maar enkel verdeeldheid is (…). De Kerk is iets volledig nieuw op aarde, iets volstrekt bijzonder en enig in zijn soort, iets dat met geen enkel begrip van het wereldse leven kan worden omschreven (…). De Kerk is een gelijkenis van de Heilige Drie-Eenheid, gelijkenis waarin velen één worden”3. En toen dit “enig wezen” verscheen, bleek het een “schandaal” en een “dwaasheid” te zijn voor de andere religies en voor de omgevende wereld. Het bewustzijn van onze tijdgenoten aanvaardt het nog altijd niet.
Religie is de Kerk nog niet. “Religie had en heeft nog altijd als dubbele oorsprong de aantrekking tot het heilige, in het besef dat dit volledig andere bestaat, terwijl men onwetend blijft over wat het is. Ook bestaat er op aarde geen verschijnsel dat dubbelzinniger of tragischer is door zijn ambiguïteit dan de religie. Het is enkel onze moderne, sentimentele en verschaalde “religiositeit” die ons ervan overtuigd heeft dat de “religie” altijd iets positief, welwillend en nuttig is en dat de mensen uiteindelijk altijd geloofd hebben in dezelfde “goede”, minzame God, in de “Vader”, waar deze voorstelling in feite gevormd is “naar het beeld en de gelijkenis” van onze eigen middelmatige goedheid, van onze weinig dwingende moraal, van onze gangbare vertederingen en van onze cheap complacency, een valse grootmoedigheid. We zijn vergeten wat er allemaal met de “religie” gepaard ging en in zekere zin van dezelfde soort was: duistere afgronden van angst, van waanzin, van haat, van fanatisme, heel dat schrikwekkend bijgeloof dat het primitieve christendom zo heftig veroordeeld had, omdat het er een haard van duivelse bekoringen in zag. Anders gezegd, we zijn vergeten dat de “religie” van God kwam. Onvergankelijk streefdoel van de mens, maar ook van de vorst van deze wereld, die de mens van God weggerukt had en hem ondergedompeld had in de vreselijke nacht van de onwetendheid”4.
