Nihilisme - Vader Serafim Rose - E-Book

Nihilisme E-Book

Vader Serafim Rose

0,0
8,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

“Wat betekent nihilisme?” schreef Friedrich Nietzsche. “—Dat de hoogste waarden aan waarde inboeten. Er is geen doel.… Er is geen waarheid, geen “ding-van-zichzelf.” Er is geen antwoord op de vraag: “waarom?”‘

In 1962, ondernam de jonge Eugene Rose het schrijven van een monumentale kroniek over de ontkenning van Waarheid in het moderne tijdperk. Van de honderden pagina’s aan materiaal welke hij voor dit werk verzamelde, is enkel dit essay, over het nihilisme, in zijn volledigheid aan ons nagelaten. Hierin onthult Eugene aan ons de kern van al het moderne denken en leven—de overtuiging dat alle waarheid relatief is—en laat hij ons zien hoe deze overtuiging in onze tijd in de praktijk is gebracht. Nu, bijna een halve eeuw nadat hij dit werk op papier zette, zijn Eugenes woorden belangrijker dan ooit tevoren. Hij zet duidelijk uiteen waarom hedendaagse ideeën, waarden en opvattingen—de ’tijdgeest’—zich in hoog tempo in de richting van morele anarchie begeven, terwijl de filosofie van het nihilisme dieper tot de vezels van onze maatschappij doordringt. Nietzsche had het bij het rechte eind toen hij voorspelde dat de twintigste eeuw ‘de triomf van het nihilisme’ zou inluiden.

Enkele jaren na het schrijven van dit essay, werd Eugene een monnik in de bergen van Noord-Californië waar hij de naam Vader Serafim droeg. Hoewel hij zijn gehele leven in Amerika heeft gewoond, is hij, na zijn overlijden, een van de populairste spiritueel-filosofische schrijvers in Oost-Europa geworden.

‘Ik herinner mij dat toen ik een aantal jaren geleden Nihilisme voor het eerst las, zonder ook maar iets te weten van Vader Serafim, ik het een fascinerend maar extreem boek vond. Wild, zelfs. Voor lange tijd geloofde ik dat het modernistische rationalisme enkel gerepareerd hoefde te worden, dat het met enkele aanpassingen weer op het rechte pad geleid kon worden. Aanvullende lectuur en recente ervaringen, echter, hebben mij doen realiseren dat de situatie vele malen erger is, en dat wat mij eerst wild leek, in werkelijkheid niets meer is dan nuchter gezond verstand.’

—Philip E. Johnson, hoogleraar recht, emeritus, Universiteit van Californië te Berkeley en auteur van Darwin on Trial en The Wedge of Truth

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Seitenzahl: 228

Veröffentlichungsjahr: 2022

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Nihilisme

De wortel van de revolutie van het moderne tijdperk

V. Serafim Rose

Uitgeverij Orthodox Logos

Contents

VOORWOORD VAN DE REDACTEUR

I. Introductie

II. De stadia van de nihilistische dialectiek

1. LIBERALISME

2. REALISME

3. VITALISME

4. HET VERNIETIGENDE NIHILISME

III. De theologie en de geest van het nihilisme

1. REBELLIE: DE OORLOG TEGEN GOD

2. HET AANBIDDEN VAN HET NIETS

IV. Het nihilistische programma

1. DE VERNIETIGING VAN DE OUDE ORDE

2. DE TOTSTANDKOMING VAN DE ‘NIEUWE AARDE’

3. DE VORMING VAN DE ‘NIEUWE MENS’

V. Het nihilisme voorbij

Eugene Roses beoogde hoofdlijn voor Het koninkrijk der mensen en het Koninkrijk Gods

Appendix

Nihilisme

De wortel van de revolutie van het moderne tijdperk

V. Serafim Rose

Vertaald door Kevin Custers

Boekontwerp door Max Mendor

© 2020, Uitgeverij Orthodox Logos, Nederland

ISBN: 978-9-49222-411-8

www.orthodoxlogos.com

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

VOORWOORD VAN DE REDACTEUR

In het begin van de zestiger jaren, in een kelderappartement nabij de bin nenstad van San Francisco, zat Eugene Rose, de toekomstige v. Serafim, aan zijn met stapels boeken en papieren dossiers bedekte bureau. De kamer was gehuld in een oneindige duisternis, daar er maar weinig licht via het raam naar binnen wist te komen. Een aantal jaren voordat Eugene daarheen was verhuisd, had er een moord plaatsgevonden in die kamer en sommigen beweerden dat er nog altijd een dreigende geest rondzwierf. Maar Eugene, alsof hij deze en de steeds duisterder wordende geest van de omringende stad wilden tarten, had een gehele muur bedekt met iconen voor welke altijd een rode icoonlamp flakkerde.

In deze kamer ondernam Eugene het schrijven van een monumentale kroniek over de oorlog van de moderne mens tegen God, zijn poging de Oude Orde te vernietigen en een nieuwe orde zonder Christus op te richten, het bestaan van het Koninkrijk Gods te ontkennen en in diens plaats een eigen aardse utopie te stichten. Dit project droeg de titel Het koninkrijk der mensen en het Koninkrijk Gods.

Slechts enkele jaren eerder was Eugene zelf verstrikt geraakt in het koninkrijk der mensen en had hij daarin zijn lijdensweg moeten bewandelen; ook hij had oorlog gevoerd tegen God. Nadat hij het protestantse Christendom van zijn kinderjaren had afgewezen als zijnde zwak en ineffectief, had hij deelgenomen aan de Boheemse tegencultuur van de vijftiger jaren en was hij de oosterse religies en wijsbegeerten ingedoken welke onderwezen dat God uiteindelijk onpersoonlijk is. Net als de absurdistische kunstenaars en schrijvers van zijn tijd, had ook hij geëxperimenteerd met krankzinnigheid en het afbreken van de logische gedachtegangen als een manier om ‘door te breken naar de andere zijde.’ Hij las de geschriften van de dwaze ‘profeet’ van het nihilisme, Friedrich Nietzsche, totdat diens woorden resoneerden in zijn ziel met een elektrisch, brandend vermogen. Aan de hand van al deze methoden poogde hij met zijn geest de Waarheid of Realiteit te achterhalen; maar zij resulteerden allen in mislukkingen. Hij verviel tot zulk een staat van wanhoop dat, wanneer hij naderhand werd gevraagd het te omschrijven, hij dit louter kon beantwoorden met, ‘Ik bevond mij in de Hel.’ Hij werd dronken en worstelde met de God Wie, zo hij beweerde, dood was, en sloeg met zijn vuisten op de vloer en brulde naar Hem om hem met rust te laten. Eens toen hij beschonken was, schreef hij, ‘Ik ben ziek, zoals ieder mens ziek is die in afwezigheid van de liefde van God leeft.’

‘Atheïsme,’ zo schreef Eugene in latere jaren, ‘het ware “existentiële” atheïsme dat brandt met een vurige haat voor een ogenschijnlijk onrechtvaardige of ongenadige God, is een spirituele staat van zijn; het is een oprechte poging te worstelen met de ware God Wiens wegen zo onverklaarbaar zijn voor zelfs de meest gelovige des mensen, en is meer dan eens geëindigd in een verblindend visioen van Hem naar Wie de atheïst werkelijk zoekende is. Het is Christus Die werkzaam is in deze zielen. De Antichrist zal niet met name gevonden worden in de grote ontkenners, maar in de kleine getuigen, bij wie Christus louter op de lippen ligt. Nietzsche, door zichzelf de titel van de Antichrist aan te nemen, getuigde daarmee enkel van zijn intense honger naar Christus…’

In zulk een staat van intense honger vond Eugene zichzelf aan het eind van de vijftiger jaren. En toen, als een plotselinge windvlaag, trad een realiteit toe tot zijn leven welke hij nooit had kunnen voorzien. Richting het eind van zijn leven herinnerde hij zich dit moment:

‘Jarenlang heb ik er gedurende mijn studies vrede mee gehad om enerzijds “boven alle tradities” te staan, en er anderzijds ook op de een of andere manier trouw aan te blijven… Wanneer ik een Orthodoxe kerk bezocht, deed ik dit enkel teneinde een andere “traditie” te bekijken. Echter, toen ik voor het eerst een Orthodoxe kerk binnenstapte (een Russische kerk in San Francisco) gebeurde er iets met mij dat ik tot dan toe in nog geen boeddhistische of oosterse tempel had ervaren; iets in mijn hart zei mij dat dit “thuis” was, dat mijn zoektocht ten einde was gekomen. Ik wist niet exact wat dit betekende, want de kerkdienst kwam mij nogal vreemd over en werd gehouden in een vreemde taal. Ik begon met grotere regelmaat Orthodoxe kerkdiensten bij te wonen en werd mij geleidelijk bekend met haar taal en haar gebruiken… Terwijl ik mij blootstelde aan de Orthodoxie en de Orthodoxe mensen trad er een nieuw idee mijn bewustzijn binnen: dat Waarheid niet louter een abstract idee was dat gezocht werd door de geest, maar iets persoonlijks—een Persoon zelfs—dat gezocht en geliefd werd door het hart. En dat is hoe ik Christus ontmoette.’

Terwijl hij in zijn kelderappartement werkte aan Het koninkrijk der mensen en het Koninkrijk Gods, probeerde Eugene nog steeds te beseffen wat hij had ondervonden. Hij was nietsvermoedend de Waarheid in het Onvervalste Beeld van Christus tegengekomen, zoals deze in de Oosters Orthodoxe Kerk behouden is gebleven, maar hij hunkerde ernaar om toe te treden tot wat hij het ‘hart der harten’ van die Kerk noemde, haar mystieke dimensies. Hij had een verlangen naar God, een wanhopig verlangen. Zijn geschriften uit deze periode dienden als een soort catharsis voor hem: een manier om te verrijzen uit de onwaarheid, uit de ondergrondse duisternis en richting het licht. Ofschoon zij, nog veel meer dan zijn latere werken, filosofisch van toon zijn, waren deze eerdere geschriften geboren uit een intens lijden dat nog steeds uiterst vers in zijn ziel te voelen was. Het was niet meer dan natuurlijk dat hij veel meer zou schrijven over het koninkrijk der mensen, waar hij zijn gehele leven in geleden had, dan over het Koninkrijk Gods, waar hij tot dan toe louter een glimp van had opgevangen. Hij aanschouwde het Koninkrijk Gods vooralsnog door de lens van het koninkrijk der mensen.

Van alle veertien hoofdstukken welke Eugene van zins was te schrijven voor zijn magnum opus (zie de beoogde hoofdlijn van het boek op p. 97), werd enkel het zevende in diens volledigheid uitgetypt; de rest zal voor altijd in zijn handgeschreven aantekeningen verblijven. Dit zevende hoofdstuk, welke wij hieronder aan u presenteren, behandelde de filosofie van het nihilisme.

Nihilisme—het geloof dat er niet zoiets bestaat als Absolute Waarheid, dat alle waarheid relatief is—is, zo beaamde Eugene, de standaardfilosofie van de twintigste eeuw: ‘Het is, in onze tijd, zo wijdverspreid en alomtegenwoordig, is heden ten dage zo grondig en diep doorgedrongen in de geest en het hart van ieder mens op aarde, dat er niet langer een “front” bestaat waarop ertegen gestreden kan worden.’ De kern van deze filosofie, zo zei hij, werd ‘het best tot uitdrukking gebracht door Nietzsche en een personage van Dostojevski met de uitspraak: “God is dood, derhalve wordt de mens God en is alles mogelijk.”’

Op basis van zijn persoonlijke ervaringen geloofde Eugene dat de moderne mens niet volledig tot Christus zal kunnen komen totdat deze zich allereerst bewust wordt van hoe ver hij en zijn maatschappij bij Hem vandaan zijn gevallen, dat wil zeggen, totdat hij het nihilisme eerst zelf in de ogen heeft gekeken. ‘Het nihilisme van onze tijd leeft in allen,’ zo schreef hij, ‘en zij die er niet voor kiezen om, bijgestaan door God, ertegen te vechten in naam van de volledigheid van het Zijn van de levende God, zijn er reeds volledig door opgeslokt. Wij zijn naar de rand van de afgrond van het niets geleid en wij zullen, of wij al dan niet zijn ware aard erkennen, door onze affiniteit voor het alomtegenwoordige niets binnenin ons, er zonder enige hoop op verlossing volledig door worden overweldigd—tenzij wij ons met vol en stellig geloof (dat, twijfelende, niet twijfelt) vastklampen aan Christus, zonder Wie wij waarlijk niets zijn.’

Als schrijver voelde Eugene dat hij zijn tijdgenoten terug moest roepen van de afgrond. Hij schreef niet enkel uit zijn eigen verlangen naar God, maar tevens uit zijn bezorgdheid om anderen die ook naar Hem verlangden—zelfs zij die, zoals hij zelf ooit had gedaan, God de rug toekeerden of oorlog tegen Hem voerden uit hun diepe, innerlijke verlangen naar Hem.

Uit zijn hartenleed, uit de duisternis van zijn voormalige bestaan, spreekt Eugene tot de hedendaagse mensheid die zichzelf in eenzelfde leed en duisternis bevindt. Nu, bijna een halve eeuw nadat hij dit werk op papier zette, in een tijd waarin de krachten van het nihilisme en het antichristendom nog dieper in iedere vezel van onze maatschappij zijn doorgedrongen, zijn Eugenes woorden belangrijker dan ooit tevoren. Doordat hij het nihilisme in hemzelf onder ogen heeft gezien en het heeft verslagen, is hij in staat ons te helpen te voorkomen dat wij door deze zielvernietigende geestesgesteldheid worden gevangengenomen, en ons te helpen ons vast te klampen aan Christus, de eeuwige en vleesgeworden Waarheid.

—Hiëromonnik Damascene (Christensen)

St. Herman of Alaska Monastery

Introductie

De kwestie van waarheid

Wat is het nihilisme waarin wij de wortel van de Revolutie van het moderne tijdperk hebben waargenomen? Het antwoord lijkt bij een eerste blik niet moeilijk te zijn; enkele overduidelijke voorbeelden komen immers onmiddellijk voor de geest. Zo is er Hitlers bizarre vernietigingsprogramma, de Oktoberrevolutie, de dadaïstische aanval op de kunst; er is de achtergrond vanuit welke deze bewegingen voortvloeiden, met name vertegenwoordigd door een aantal ‘bezeten’ individuen stammend uit het eind van de negentiende eeuw—dichters als Rimbaud en Baudelaire, revolutionairen als Bakoenin en Nechayev, ‘profeten’ als Nietzsche; er heerst, op een nederiger niveau onder onze tijdgenoten, de vage onrust door welke sommigen van hen zich aangetrokken voelen tot magiërs als Hitler, en anderen tot het vinden van hun toevlucht in drugs of valse religies, of tot het plegen van die ‘zinloze’ misdaden welke in toenemende mate zo karakteristiek beginnen te worden voor deze tijd. Maar deze vertegenwoordigen niet meer dan louter het spectaculaire oppervlak van het probleem van het nihilisme. Zelfs om voor deze een rechtvaardiging te vinden, zodra men eenmaal een kijkje onder het oppervlak heeft genomen, is geenszins een gemakkelijke opgave; maar de taak die wij ons in dit hoofdstuk hebben opgelegd is breder dan dat: het begrijpen van de aard van de gehele beweging van welke deze fenomenen louter extreme voorbeelden zijn.

Om dit te doen zal het voor ons noodzakelijk zijn om twee grote valkuilen, die aan weerszijden van het door ons verkozen pad gelegen zijn en waarin de meerderheid van de commentatoren van de hedendaagse nihilistische geest gestapt zijn, te ontwijken, namelijk: verweerschrift en smaadrede.

Ieder die zich bewust is van de overduidelijke imperfecties en kwaadaardigheden van de moderne beschaving, welke de directere aanleiding en oorzaak zijn geweest voor de nihilistische reactie—al zullen wij zien dat deze tevens de vruchten zijn geweest van een aanvangend nihilisme—kunnen niet anders dan een mate van sympathie voelen voor, op zijn minst, sommigen van hen die aan deze reactie hebben deelgenomen. Zulk een sympathie zou de vorm kunnen aannemen van medelijden voor hen die, vanuit een bepaald perspectief, gezien zouden kunnen worden als onschuldige ‘slachtoffers’ van de omstandigheden waartegen zij hun energie richtten; of, tevens, zou het geuit kunnen worden in de algemeen aanvaarde opinie dat bepaalde vormen van nihilistische fenomenen in werkelijkheid een ‘positieve’ betekenis hebben, en een rol te vervullen hebben binnen een bepaalde ‘nieuwe ontwikkeling’ van de geschiedenis of de mens. Deze laatste houding, wederom, is op zichzelf een van de duidelijkere vruchten van het nihilisme in kwestie; terwijl de eerste houding op zijn minst niet volledig verstoken is van waarheid of gerechtigheid. Om exact deze reden, echter, moeten wij des te voorzichtiger zijn om er geen onrechtmatig belang aan te hechten. Het is immers maar al te gemakkelijk, in de atmosfeer van de intellectuele nevel waar de hedendaagse Liberale en Humanistische kringen mee vergeven zijn, om sympathie voor een ongelukkig persoon om te vormen tot ontvankelijkheid voor zijn ideeën. De nihilist, laat er geen twijfel over bestaan, is in zekere zin ‘ziek,’ en zijn ziekte is een getuigenis voor de ziekte van een tijdperk welks beste—en slechtste—elementen zich tot het nihilisme keren; maar ziekte wordt niet genezen, noch wordt het ooit juist gediagnosticeerd, met ‘sympathie.’ In ieder geval bestaat er niet zoiets als een volledig ‘onschuldig slachtoffer.’ De nihilist is maar al te duidelijk betrokken met exact de zonden en de schuld van de mensheid welke de kwaadaardigheden van onze tijd hebben voortgebracht; maar door zich te wapenen—zoals alle nihilisten dat doen—tegen niet enkel werkelijke of denkbeeldige ‘misbruiken’ en ‘onrechtvaardigheden’ in de gemeenschappelijke en religieuze orde, maar tevens tegen de orde zelf en de Waarheid welke aan deze orde ten grondslag ligt, speelt de nihilist een actieve rol in het werk van Satan (want dat is wat het is) wat op geen manier kan worden gerelativeerd door de mythologie van het ‘onschuldige slachtoffer.’ Geen mens, op basis van de voorgaande analyse, dient Satan tegen zijn of haar wil.

Maar als een ‘verweerschrift’ verre van onze intentie is op deze pagina’s, dan is ons doel ook alles behalve het neerzetten van een luttele smaadrede. Het is, bijvoorbeeld, niet voldoende om het nazisme of het bolsjewisme te veroordelen voor hun ‘barbarisme,’ ‘gangsterdom,’ of ‘anti-intellectualisme,’ en de artistieke of literaire avant-garde voor hun ‘pessimisme’ of ‘exhibitionisme’; noch is het voldoende om de ‘democratieën’ te verdedigen in de naam van ‘beschaving,’ ‘progressie,’ of ‘humanisme,’ of voor hun pleiten voor ‘persoonlijk eigendom’ of ‘burgerlijke vrijheden.’ Dergelijke argumenten, ondanks dat sommigen een zekere mate van rechtvaardigheid bevatten, zijn in werkelijkheid vrij irrelevant; de slagen van het nihilisme reiken te diep, en diens programma is veel te radicaal, om er op effectieve wijze mee bestreden te worden. Aan de kern van het nihilisme ligt misverstand, en misverstand kan enkel worden bestreden met Waarheid. Het merendeel van de kritiek op het nihilisme is echter totaal niet gericht op deze kern, en de reden daarvoor—zoals wij zullen zien—is dat het nihilisme heden ten dage zo wijdverspreid en alomtegenwoordig is geworden, en zo diep is doorgedrongen tot de geest en het hart van ieder mens op aarde, dat er niet langer een ‘front’ bestaat waarop ertegen gestreden kan worden; en zij die de mening zijn toegedaan er wel tegen te strijden, maken veelal gebruik van diens eigen arsenaal hetwelk zij vervolgens op zichzelf richten.

Sommigen zullen wellicht protesteren—zodra zij de reikwijdte van ons project hebben gadegeslagen—dat wij ons net te wijd hebben uitgezet: dat wij de prevalentie van het nihilisme hebben overdreven of, zo niet, dat het fenomeen zo universeel is dat het onbehandelbaar is. Wij moeten toegeven dat onze taak ambitieus is, zeker gezien de ambiguïteit van veel nihilistische fenomenen; en, inderdaad, wanneer wij een grondig onderzoek op de vraag zouden loslaten zou ons werk geen einde kennen.

Het is echter mogelijk om ons net wijd uit te zetten en nog steeds de gewenste vis te vangen—want het is en blijft immers een enkele, grote vis. Een volledige documentatie van nihilistische fenomenen is uitgesloten; maar een onderzoek naar de unieke nihilistische mentaliteit welke daaraan ten grondslag ligt, en naar haar onweerlegbare gevolgen en rol in de hedendaagse geschiedenis, behoort wel degelijk tot de mogelijkheden.

Allereerst zullen wij hier trachten deze mentaliteit te omschrijven—in, op zijn minst, een aantal van haar belangrijkste manifestaties—en een schets te maken van haar historische ontwikkeling; om vervolgens dieper in te gaan op haar mening en historische programma. Maar voordat dit gedaan kan worden, moeten wij een duidelijker beeld hebben van waar wij het over hebben; derhalve moeten wij beginnen met een definitie van nihilisme.

Deze taak hoeft ons niet lang vast te houden; het nihilisme is immers gedefinieerd, op vrij bondige wijze, door de bron van het nihilisme, Nietzsche.

‘Dat er geen waarheid is; dat er geen absolute gang van zaken is—geen ‘iets-van-zichzelf.’ Dit is exact wat nihilisme is, en van de extreemste soort.’1

‘Er is geen waarheid’; deze uitspraak zijn wij al meer dan eens in dit boek tegengekomen, en het zal ook hierna nog vele malen de revue passeren. Want de voornaamste kwestie van het nihilisme is een kwestie van waarheid; het is, inderdaad, de kwestie van waarheid.

Maar wat is waarheid? Deze vraag is er, op de eerste plaats, een van logica: voordat wij de inhoud van waarheid kunnen bespreken, moeten wij haar mogelijkheid onderzoeken, alsmede de omstandigheden van haar veronderstelling. En met ‘waarheid’ bedoelen wij, natuurlijk—zoals Nietzsches ontkenning nadrukkelijk aantoont—absolute waarheid, wat wij reeds hebben gedefinieerd als de dimensie van het begin en het einde der dingen.

‘Absolute waarheid’: deze uitspraak klinkt een generatie dat is grootgebracht met scepticisme en niet gewend is aan serieus denken achterhaald in de oren. Geen mens—zo heerst het algemeen aanvaarde idee—zal toch zeker naïef genoeg zijn om nog steeds te geloven in ‘absolute waarheid’? Alle waarheid, in de ogen van onze verlichte tijdgenoten, is immers ‘relatief.’ Deze laatste uitdrukking, let wel—’alle waarheid is relatief’—is de populaire vertaling van Nietzsches uitdrukking, ‘er is geen (absolute) waarheid’; de enkele uitspraak die als fundament fungeert voor zowel het nihilisme als voor het volk en de elite.

‘Relatieve waarheid’ wordt, in onze tijd, voornamelijk vertegenwoordigd door de kennis van de wetenschap, wat haar begin vindt in observatie, vordert met logica en op ordelijke wijze verloopt van het bekende naar het onbekende. Het is te allen tijde discursief, contingent, gekwalificeerd en wordt altijd uitgedrukt met ‘betrekking’ tot iets anders, nooit opzichzelfstaand, nooit categorisch, nooit ‘absoluut.’

De ondoordachte wetenschappelijke specialist ziet geen noodzaak voor een andere vorm van kennis; druk in de weer met de eisen van zijn specialiteit heeft hij, wellicht, de tijd noch de genegenheid voor ‘abstracte’ vraagstellingen welke, bijvoorbeeld, informeren naar de standaard veronderstellingen van die specialiteit. Wanneer hij onder druk wordt gezet, of wanneer zijn geest zich spontaan tot dergelijke vraagstellingen zou richten, dan is de meest overduidelijke verklaring vaak voldoende om zijn nieuwsgierigheid te stillen: alle waarheid is empirisch, alle waarheid is relatief.

Beide stellingen zijn, natuurlijk, tegenstrijdigheden. De eerste stelling is op zichzelf verre van empirisch, maar metafysisch; de tweede is zelf een absolute stelling. De kwestie van absolute waarheid komt, voor de kritische aanschouwer, op de eerste plaats aan de orde door dergelijke tegenstrijdigheden; en de eerste logische conclusie tot welke hij zal moeten worden geleid is de volgende: als er ook maar enige vorm van waarheid bestaat, dan kan het niet louter ‘relatief’ zijn. De basisprincipes van de moderne wetenschap, zoals het geval is bij elk kennissysteem, zijn op zichzelf onveranderbaar en absoluut; waren zij dat niet, dan zou er geen enkele vorm van kennis mogelijk zijn, zelfs niet de meest ‘doordachte’ vorm van kennis, want er zouden dan geen criteria zijn aan de hand van welke iets ook maar geclassificeerd zou kunnen worden als zijnde kennis of waarheid.

Dit axioma komt met een gevolgtrekking: het absolute kan niet worden verkregen door middel van het relatieve. Dat wil zeggen, de basisprincipes van elk kennissysteem kunnen niet worden bereikt door middel van die kennis zelf, maar moeten bij voorbaat een gegeven zijn; zij zijn het voorwerp, niet van demonstratie, maar van geloof.

In een eerder hoofdstuk hebben wij de universaliteit van geloof besproken en gezien hoe het aan alle menselijke activiteit en kennis ten grondslag ligt; ook hebben wij gezien dat geloof, wil het niet ten prooi vallen aan subjectieve waanideeën, geworteld moet zijn in de waarheid. Het is derhalve een legitieme en, inderdaad, onvermijdbare vraag of de basisprincipes van het wetenschappelijke geloof—bijvoorbeeld, de coherentie en uniformiteit van de natuur, de transsubjectiviteit van de menselijke kennis, de adequaatheid van de rede om conclusies te kunnen trekken uit observatie—gegrondvest zijn in absolute waarheid; zijn zij dat niet, dan kunnen zij niet meer zijn dan onverifieerbare waarschijnlijkheden. De ‘pragmatische’ positie, welke door veel wetenschappers en humanisten die niet de moeite nemen om over ultieme dingen na te denken wordt ingenomen—de positie dat deze principes niet meer zijn dan experimentele hypothesen welke door de collectieve ervaring als betrouwbaar worden bevonden—is beslist ontoereikend; het biedt wellicht een psychologische verklaring voor het geloof dat door deze principes wordt ingeboezemd, maar aangezien het niet het fundament van dat geloof in waarheid tot stand brengt, laat het het gehele wetenschappelijk bouwwerk op losse schroeven staan en levert het geen zekere verdediging tegen de irrationele winden waar het periodiek door wordt bestookt.

In werkelijkheid, echter,—of het nu simpelweg afstamt van naïviteit of van een dieper inzicht hetwelk zij niet door middel van argumentatie weten te verklaren—zijn de meeste wetenschappers en humanisten er ongetwijfeld van overtuigd dat hun geloof iets van doen heeft met de waarheid achter dingen. Of dit geloof rechtvaardig is of niet is, natuurlijk, een geheel andere kwestie; het is een metafysische kwestie, en een ding dat zeker is, is dat het niet te rechtvaardigen is aan de hand van de nogal primitieve metafysica van de gemiddelde wetenschapper.

Ieder mens, zoals wij hebben gezien, leeft op basis van geloof; op eenzelfde manier is ieder mens—al zij het minder voor de hand liggend maar niet minder zeker—een metafysicus. De aanspraak op om het even wat voor kennis—en geen mens kan zich onthouden van deze aanspraak—impliceert een theorie en een maatstaaf van kennis, alsmede een notie van wat uiteindelijk te kennen valt en wat waar is. Deze ultieme waarheid, of deze nu wordt opgevat als zijnde de Christelijke God of simpelweg de ultieme samenhang der dingen, is een metafysisch basisprincipe, een absolute waarheid. Maar ten gevolge van de erkenning van zulk een principe, welke logischerwijs onvermijdbaar is, valt de theorie van de ‘relativiteit van waarheid’ uiteen, aangezien daarmee wordt aangetoond dat het op zichzelf een tegenstrijdig absoluut is.

De kennisgeving van de ‘relativiteit van waarheid’ is, derhalve, wat men een ‘negatieve metafysica’ zou kunnen noemen—maar nog steeds een metafysica. Er zijn verscheidene principiële vormen van een ‘negatieve metafysica,’ en aangezien elk daarvan zichzelf op een enigszins andere wijze tegenspreekt, en appelleert aan een iets andere mentaliteit, zal het verstandig zijn om hier aan elk van deze principiële vormen een aparte paragraaf te wijden. Wij zouden ze kunnen opsplitsen in twee algemene categorieën van ‘realisme’ en ‘agnosticisme,’ welke beide, op hun beurt, kunnen worden onderverdeeld in ‘naïef’ en ‘kritisch.’

‘Naïef realisme,’ of ‘naturalisme,’ ontkent absolute waarheid niet zozeer, maar formuleert in plaats daarvan eigen absolute stellingen welke niet verdedigd kunnen worden. Terwijl het elk ‘ideaal’ of ‘spiritueel’ absoluut afwijst, doet het wel aanspraak op de absolute waarheid van het ‘materialisme’ en ‘determinisme.’ Deze filosofie kent nog altijd aanhangers binnen bepaalde kringen—het is de officiële leer van het marxisme en wordt geproclameerd door een aantal kortzichtige wetenschappelijke denkers in het Westen—maar de primaire stroming van het hedendaagse denken heeft het achter zich gelaten en het lijkt heden ten dage niets meer te zijn dan de vreemde relikwie van een simpelere, maar vervlogen tijd, de Victoriaanse tijd waarin velen de loyaliteit en de emoties waarmee zij ooit trouw betoonden aan hun religie overdroegen aan de ‘wetenschap.’ Het betreft de onmogelijke formulering van een ‘wetenschappelijke’ metafysica—onmogelijk daar wetenschap van nature kennis van het specifieke betreft, en metafysica de kennis betreft van wat aan dat specifieke ten grondslag ligt en wat ermee vooronderstelt wordt. Het is een suïcidale filosofie in die zin dat het ‘materialisme’ en het ‘determinisme’ die het poneert iedere vorm van wijsbegeerte ongeldig maken; daar het erop moet aandringen dat de filosofie, net als al het andere, ‘bepaald’ is, kunnen haar aanhangers niets anders dan stellen dat hun eigen filosofie, gezien het feit dat het bestaat, ‘onvermijdbaar’ is, maar absoluut niet dat het ‘waar’ is. In feite zou deze filosofie, wanneer het consistent zou zijn, in haar totaliteit een einde maken aan de categorie van waarheid; maar haar aanhangers, onschuldig van consistente of diepzinnige gedachten, lijken zich niet bewust te zijn van deze fatale tegenstrijdigheid. Deze tegenstrijdigheid zou, op een minder abstract niveau, herkent kunnen worden in de altruïstische en idealistische praktijk van, bijvoorbeeld, de Russische nihilisten van de laatste eeuw, een praktijk die in overduidelijke tegenspraak is met hun pure materialistische en egoïstische theorie; Vladimir Solovjov toonde deze discrepantie op vindingrijke wijze aan door hen het volgende syllogisme toe te schrijven: ‘De mens stamt af van een aap, derhalve zullen wij van elkaar houden.’

Alle wijsbegeerte vooronderstelt, tot op zekere hoogte, de autonomie van ideeën; filosofisch ‘materialisme’ is, derhalve, een geslachtsoort van het ‘idealisme.’ Het is, zogezegd, de zelfbekentenis van hen wier ideeën niet boven het overduidelijke uitsteken, wier dorst voor de waarheid zo gemakkelijk te lessen is door de wetenschap, dat zij het tot hun eigen absoluut maken.

‘Kritisch realisme,’ of ‘positivisme,’ is de eenvoudige ontkenning van metafysische waarheid. Gestoeld op dezelfde wetenschappelijke predisposities als het naïevere naturalisme, betuigt het een grotere bescheidenheid in het volledig in de steek laten van het absolute en zichzelf te beperken tot de ‘empirische,’ ‘relatieve’ waarheid. Wij hebben reeds de tegenstrijdigheid van deze positie opgemerkt: het ontkennen van absolute waarheid is op zichzelf een ‘absolute waarheid’; wederom, net als het geval is bij het naturalisme, is het aandragen van het basisprincipe van het positivisme diens eigen weerlegging.

‘Agnosticisme,’ net als het ‘realisme,’ kan worden onderscheiden als ‘naïef’ en ‘kritisch.’ ‘Naïef,’ of ‘doctrinair agnosticisme’ poneert de absolute onkenbaarheid van elke vorm van absolute waarheid. Ofschoon diens stelling bescheidener lijkt dan dat van het positivisme, stelt het overduidelijk nog steeds te veel: als het namelijk weet dat het absolute ‘onkenbaar’ is, dan is deze kennis op zichzelf ‘absoluut.’ Dergelijk agnosticisme is in feite niet meer dan een variant op het positivisme dat tracht, zonder daarin te slagen, diens inherente tegenstrijdigheden te verhullen.