8,99 €
Het leven van de heilige Serafim van Sarov (1759-1833) is zelfs in het Westen erg populair geworden. Lang voor zijn officiële heiligverklaring had de stem des volks deze man al in berkenschors zalig verklaard; een oude man met zowel strenge als fijne trekken en helderblauwe ogen die ieder die hem ontmoette begroette met de woorden: “Hallo, mijn vreugde!”
Een kinder- en dierenvriend die de voorkeur gaf aan een leven in afgezonderde eenzaamheid, maar die uiteindelijk de dagelijkse bezoeken accepteerde van de berouwvolle, veeleisende, verharde en hulpbehoevende die zich tot hem keerden.
Duizenden ongelukkigen die naar Sarov afreisden om de heilige Serafim te ontmoetten, zagen aan het eind van hun moeizame aardse levensweg dan ook het portaal naar het Koninkrijk der hemelen voor zich opengaan.
De heilige Serafim van Sarov heeft gedurende zijn godvruchtige leven talloze genezingen en wonderen verricht, maar waar hij vooral naar zocht was de terugkeer van zijn broeders en zusters naar God.
In het leven en de leer van deze beminnelijke, negentiende-eeuwse Russische starets wordt de eeuwenoude rijkdom van de monastieke traditie op verrassende wijze zichtbaar. Dit boek bevat een uitvoerige biografie van Serafim van Sarov, alsmede de volledige dialoog met zijn vriend en vertrouweling, Nicolaas Motovilov, omtrent de leer van de Heilige Geest.
Irina Goraïnoff is o.a. auteur van het boek God’s wayfarer: the chronicle of a modern pilgrim waarin zij vertelt over haar pelgrimstocht van Frankrijk tot Rome met niets op zak behalve een brandend geloof in God.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 312
Veröffentlichungsjahr: 2022
Preface
Kaart
I. Eerste Deel
1. In De Schaduw
2. In Het Volle Licht
3. De Heilige Geest
4. Epiloog
II. Tweede deel
III. Derde Deel
Eindnoten
SERAFIM VAN SAROV
Irina Goraïnoff
Redactie: Kevin Custers
Oorspronkelijke titel:
SERAFIM DE SAROV
MONASTIEKE CAHIERS 3reeks
MONASTIEKE CAHIERS – studie
SA VIE par Irina Goraïnoff
ENTRETIEN AVEC MOTOVILOV et
INSTRUCTIONS SPIRITUELLES traduit
du Russe par Irina Goraïnoff
Uitgave Abbaye de Bellefontaine
Met persoonlijke toestemming
van de schrijfster
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN UITGAVEN
ABDIJ BETHLEHEM ZELLAERDREEF 5
B-2820 BONHEIDEN
© 2021, Uitgeverij Orthodox Logos, Nederland
ISBN: 978-9-492-22-405-7
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
De heilige Serafim
ACHTERGROND
Op 19 juli 1759 wordt te Koersk, in het gezin van de koopman Isidoor Mosjnien, een jongen geboren die bij de doop de naam Prochoor ontvangt. Geen enkele bijzondere gebeurtenis kenmerkt deze geboorte. Koersk is een provinciestad zoals vele in Rusland, met lage huizen, geflankeerd door palissaden, langs slecht geplaveide straten, maar dikwijls overschaduwd door fraaie bomen zoals men die in parken vindt.
Elisabeth, dochter van Peter de Grote, regeert in deze tijd over een land dat zich langzaamaan herstelt van de verschrikkelijke beroeringen waarmee haar vader, de Tsaar, een onverzoenlijk revolutionair, het had geteisterd in het begin van de eeuw. Aan het hof van Elisabeth wordt veel gedanst. In Moskou, echter, worden de Academies voor Kunsten en Wetenschappen gesticht. Op bevel van de vrolijke keizerin verschijnen overal jachtpaviljoenen, romantische ‘hermitages’, paleizen met appelgroene muren, witte pilasters en vergulde kroonlijsten. Het zijn producten van de uitbundige fantasie van de Italiaanse architect Rastrelli. Wanneer zij van tijd tot tijd berouw voelt, en dat gebeurt soms, vraagt de vrome vorstin om kerken en kloosters. Rastrelli is de eerste in Rusland die in een lichte barokstijl bouwt. Vergulde en bolwangige engeltjes dartelen straffeloos rond aan de hoge muren boven de iconostases, onder de strenge afkeurende blik der iconen.
Maar al die nieuwigheden dringen niet door tot de provincie. De koopmansstand, waartoe de familie Mosjnien behoort, blijft streng traditioneel en handhaaft de oude gebruiken ongeschonden. Haar leden, gekleed zoals in de goede oude tijd, wat corpulent en met een baard (wat aan het hof verboden is) schenken geld en zonen aan de Kerk, iets wat de adel, die met fascinatie naar het Frankrijk van Lodewijk XV kijkt, nauwelijks meer doet.
Toch heeft de stad Koersk besloten een kerk te bouwen naar een ontwerp van de beroemde Rastrelli. De bouw wordt toevertrouwd aan Isidoor Mosjnien, vader van de kleine Prochoor. Hij bezit namelijk een steenfabriek en staat bekend als een betrouwbaar en gewetensvol aannemer. Hij sterft echter jong, nog voordat hij zijn werk beëindigd heeft, en zijn weduwe neemt de verantwoordelijkheid over.
Wat weet men van deze vrouw, aan wie Prochoor, die bij de dood van zijn vader pas drie jaar oud is, het beste van zichzelf te danken heeft? Er bestaat geen portret van haar, maar men kan zich haar voorstellen als een Russische matrone, wat corpulent, met gewone gelaatstrekken, een sereen gezicht, flink en toch zachtmoedig, intelligent zonder fanfare, arbeidzaam doch stil en rustig. Zij vindt niet alleen de tijd om haar zaak en huis te besturen, haar twee zoons Alexis en Prochoor op te voeden en toezicht te houden op de bouw van de kerk, maar neemt bovendien ook met liefde weesmeisjes op in haar gezin, geeft hun onderricht en zorgt ervoor dat ze een goed huwelijk sluiten en een bruidsschat meekrijgen. In die tijd was het lot van weesmeisjes uiterst beklagenswaardig.
Van de goede orde die in het huis van Agatha heerste, klinken echo’s door in bepaalde raadgevingen die haar zoon later vaak gaf, wanneer het ging over het goed vegen van zijn kamer bij het opstaan ”met een goede bezem“, en over het onmiddellijk aansteken van de samovar (Russische theeketel), omdat ”warm water goed is, zowel voor de ziel als voor het lichaam“. Van zijn moeder heeft hij naar alle waarschijnlijkheid, behalve zijn helderblauwe ogen, ook zijn liefde voor nauwgezette arbeid en zijn afkeer voor luiheid geërfd.
Prochoor is zeven jaar oud wanneer het ‘bovennatuurlijke’ zich voor het eerst in dit rustige provincieleven manifesteert. Bij een bezoek met zijn moeder aan de kerk die nog in aanbouw is, valt hij van de hoge steiger rond de klokkentoren, maar staat zonder enig letsel weer op.
Op tienjarige leeftijd, hij gaat inmiddels al naar school, komt hij in levensgevaar door een onbekende ziekte. Agatha wanhoopt aan het leven van haar zoon totdat hij haar een mooie droom vertelt die hij kort tevoren heeft gehad: de Heilige Maagd is hem verschenen om te zeggen dat Zij hem persoonlijk zal komen genezen. Enige dagen later wordt een miraculeuze icoon van Onze-Lieve-Vrouw van Koersk in processie door de straten van de stad rondgedragen. Terwijl men het huis van de familie Mosjnien nadert, steekt er een storm op, vergezeld van een wolkbreuk. Om de icoon te beschermen brengt men haar op de binnenplaats. Agatha maakt van die gelegenheid gebruik en brengt haar zoon naar beneden en zijn zieke geneest. Iets voor de rubriek ‘Gemengde berichten’ in een krant? Een ‘wondertje’ waarmee iedere gelovige in zijn leven wel eens wordt begunstigd? Hier is toch iets meer aan de hand.
“U bent werkelijk gelukkig te noemen, weduwe“, zegt op zekere dag een ‘dwaas-in-Christus’ tegen de dappere Agatha terwijl hij haar met haar twee jongens op straat tegenkomt. Hij staat erom bekend dat hij, zoals velen van zijn gelijken, in de toekomst kan zien. “U hebt het geluk een zoon te bezitten die een machtig voorspreker zal worden bij de Heilige Drievuldigheid, een man van gebed voor de gehele wereld”.
Een dwaas-in-Christus? Men heeft een verkeerd beeld van Rusland als men geen oog heeft voor deze figuren met hun heldere ogen, hun raadselachtige manier van spreken en hun vreemdsoortig gedrag, dat vaak symbolisch bedoeld is, zoals dat van de oude profeten. Ze lopen halfnaakt rond—of zoals Jesaja helemaal naakt—zonder enige beschutting tegen de kou en de sneeuw, slapen in kerkportalen, dragen zware ketenen en leggen zich verschrikkelijke boetepraktijken op, en bij wijze van hoogste vorm van ascese kiezen ze voor de schijn van krankzinnigheid. Voor een westerling met zijn cartesiaanse geest is het feit zelfs dat men een kapotte narrenmantel werpt over zijn intelligentie, een bewijs van een ergerlijk gebrek aan evenwicht. In het Oosten heeft men daar een andere kijk op. Dwazen-in-Christus (’saloi’) leefden al in Byzantium en Rusland nam er vijfendertig op onder zijn Heiligen. Tijdens hun leven werden sommigen vervolgd en mishandeld. Omdat zij verlangden naar het kruis, zochten ze de versmading. Onder hen waren zeker een aantal hysterici en bedriegers, maar de echte ‘joerodivi’ waren in de volle zin van het woord kinderen van God, deze ‘heel kleinen’, door de Vader in de plaats gezet van wijzen en verstandigen, opdat de eenvoudigen zich in hen zouden herkennen. En het Russische volk, altijd verlangend naar gerechtigheid en Waarheid (Pravda), voelde zich inderdaad sterk verwant met de tegenstanders van een tiranniek staatsbestel, een al te burgerlijke Kerk en een oppervlakkig of schijnheilig christendom. Bij monde van de ‘joerodivi’ zei het volk de groten der aarde onverbloemd de waarheid en trotseerde het onbevreesd de wreedaardige vorsten. De meest beroemde van deze kleine profeten, een groot heilige die stierf in de zestiende eeuw, ligt begraven op het Rode Plein van Moskou, in de veelkleurige, fantastisch mooie kerk die zijn naam draagt: Basilios, de gelukzalige.
We weten niet aan welk zonderling gedrag de dwaas-in-Christus van Koersk zijn faam als ‘joerodivi’ te danken had. Zelfs zijn naam is onbekend gebleven. Men weet alleen dat hij destijds, toen hij de weduwe Mosjnien aansprak, reeds de verering genoot van zijn medeburgers. Is Agatha onder de indruk gekomen van zijn voorspelling? Haar zoon ‘een kind van uitverkiezing’?
Prochoor krijgt een sterk karakter. Hij behoort tot een manhaftig ras. De stad Koersk is gelegen aan de rand van de steppen. Te allen tijde werden de bewoners opgeroepen om te vechten tegen de invallers. De middeleeuwse sproke ‘De Troep van Igor’ beschrijft ze als volgt: “Gebakerd onder de trompetten, gevoed met de punt van de lans, stormden zij, de boog gespannen en de kettingen open, als grijze wolven het veld in, belust op eer voor zichzelf en op roem voor hun vorst”.
Ook al droomt de jonge Prochoor Mosjnien van heldenmoed, het zijn toch niet de heldendaden van dat krijgsvolk waarvoor hij warmloopt. Hij droomt van andere gevechten. Een gevaarlijker strijd trekt hem aan: de heldendaden van de heilige asceten die weerstand boden aan de machten van de demon.
Waarschijnlijk was Agatha niet verbaasd, toen Prochoor haar zegen vroeg om in gezelschap van vijf andere jonge koopmanszonen op pelgrimstocht te gaan naar Kiev. Hij wil daar bidden in het Holenklooster, om de wil van God over zijn toekomst te kennen. Wist Agatha dat die dwaas-in-Christus, met wie haar zoon vriendschap had gesloten, een steeds sterkere invloed op hem had gekregen? Eén ding is duidelijk: de handelszaak van de familie, waarin Alexis, de oudste van de Mosjniens werkzaam is, interesseert de jongste niet in het minst.
Kiev was een heilige stad, ‘de moeder der Russische steden’; daar had vorst Vladimir in 989 zijn volk in de Dnjepr gedoopt en daar had een monnik, afkomstig van de berg Athos, het befaamde ‘Holenklooster’ gesticht, voor heel het land de bakermat van de christelijke beschaving.
Zal Prochoor hier het antwoord vinden dat hij zoekt? Het wordt hem inderdaad gegeven door een oude ‘starets’, Dositheos genaamd, die zijn verlangen om in een klooster te treden goedkeurt en hem verwijst naar een klooster waarvan de jongeman reeds heeft horen spreken: de ‘Woestijn van Sarov’.
“Ga erheen zonder vrees en blijf er”, zou Dositheos hebben gezegd, “daar zul je je ziel redden en je aardse pelgrimstocht beëindigen. Maak je vertrouwd met de voortdurende herinnering aan God. Roep Zijn heilige Naam aan en de Heilige Geest zal in je komen wonen en je leven naar de toppen der heiligheid leiden”.
Prochoor is opgetogen: juist tot de ‘Woestijn van Sarov’ voelt hij zich aangetrokken. Verscheidene van zijn stadsgenoten wonen daar al. Maar het afscheid van zijn moeder is heel zwaar. Hij werpt zich voor haar neer. Onder tranen geeft zij hem de familie-iconen om te kussen en hangt hem een koperen achthoekig kruis om de nek, waarop de gekruisigde Christus is afgebeeld. Nooit heeft de zoon van Agatha het afgedaan. Tot aan zijn dood droeg hij het zichtbaar op zijn borst en vroeg het na zijn dood in de kist te leggen. Vervolgens, met de reisstok in de hand en in gezelschap van twee van zijn vijf vrienden, met wie hij zijn bedevaart naar Kiev heeft gemaakt, gaat Prochoor op weg. Ongeveer zeshonderd kilometers scheiden Sarov van Koersk.
DE WOESTIJN
In het Hebreeuws betekent het woord ‘woestijn’ iets of iemand die is prijsgegeven, aan de natuur, aan de wilde dieren, een ‘onbezaaid land’ (Jer. 2,2). In het Russisch komt ‘poestinia’ (woestijn) van ‘poesto’, ‘poestota’ (leegte). De grondbetekenis van beide termen is identiek. Men kan in de woestijn door God prijsgegeven worden, of alles prijsgeven voor God. In de totale leegte, en in het bijzonder in het leeg-zijn van zichzelf, komt men dichter tot God na de bekoringen van zijn tegenstander te hebben weerstaan. In de woestijn waarheen Hij, zoals de oudtestamentische profeten, door de Heilige Geest gedreven werd, behaalde Christus zijn eerste overwinning op de satan.
Zo opgevat is de woestijn niet noodzakelijk een zandvlakte zoals de Sahara. Voor de Russen was het het woud, dat een groot deel van hun grondgebied uitmaakte, onmetelijk en bijna onbetreden. Daar bloeide de heiligheid, zoals die traditioneel was in de orthodoxe Kerken van Syrië, Palestina en Egypte.
De orthodoxe monnik is geen missionaris. Hij gaat er niet op uit om te prediken, zoals een Franciscaan of Dominicaan, maar verbergt zich om vervuld te worden van God. Heeft de faam van zijn deugden zich echter eenmaal naar buiten verspreid, dan zal hij een rol spelen op geestelijk, cultureel en sociaal gebied. Een van de grootste Russische heiligen is Sergius van Radonez (1314-1392), die men de ‘Mozes van het Russische volk’ heeft genoemd; hij sprak het volk de nodige moed in om het juk van de Mongolen af te schudden, was raadgever van de groten en vriend van de kleinen en werd, na een verborgen leven in de dichte wouden, tenslotte abt van de beroemde Laura van de Heilige Drievuldigheid, tegenwoordig Zagorsk; haar invloed in de geschiedenis van Rusland was buitengewoon groot en is nog steeds aanzienlijk. In de vijftiende eeuw slaagde de heilige Paulus van Obnorsk erin om gedurende drie jaren in een holle boomstam van een oude linde te wonen zonder ooit door iemand te zijn ontdekt. Alleen de dieren kenden zijn schuilplaats. Wanneer hij bad, zongen de vogels op zijn schouders. Hij stierf 112 jaar oud, omringd door leerlingen.
Het woud van Sarov, ten noorden van het gouvernement Tambov en ten zuiden van dat van Nizjni-Novgorod, in het centrum van Rusland, bezat alle vereisten om als ‘woestijn’ te functioneren. “Een zeer groot woud”, zegt een oude kroniek, “met eiken, sparren en andere bomen, en in dat woud zeer veel beesten: beren, elanden, vossen, marters en aan de oevers van de rivieren Satis en Sarovka bevers en otters”. Het werd alleen bezocht door Finse jagers van de Mordva-stam. Toen de Russen er binnenvielen, opgejaagd door de Tartaren, trokken de oorspronkelijke bewoners zich terug. Bij de samenloop van de twee rivieren bouwden de Tartaren een vesting, maar na de overwinning van Dimitri Donskoj op het veld van Koelikovo—dit is het snippenveld (1380)— trokken zij op hun beurt weg.
Het woud was praktisch dichtgegroeid en diende tot schuilplaats voor struikrovers en vogelvrijverklaarden. Pas in de zeventiende eeuw durfde een monnik, Theodosios, het aan om een hut te bouwen op de resten van de oude vesting. Na een overval door rovers zag hij zich gedwongen te vertrekken. Een tweede, Gerasimos, nam zijn plaats in. Uiteindelijk stichtte een derde, Isaak, in het begin van de regering van Peter de Grote, daar een klooster en gaf het een strenge regel. De laatste patriarch van Moskou gaf toestemming tot de bouw van een kerk. Binnen vijftig dagen waren de geestdriftige monniken ermee klaar. Men vertelt dat tijdens de wijding van de kerk een blij klokkenspel het bos deed trillen. Waar kwam dit vandaan? Noch in het nieuwe klooster, noch in de omtrek was er ook maar één klok te vinden.
Wonderlijker, hoewel meer prozaïsch, was misschien toch het feit dat de ‘Woestijn van Sarov’ kon worden gesticht en zich heeft kunnen ontwikkelen en tot bloei heeft kunnen komen op een ogenblik in de Russische geschiedenis dat niet bepaald gunstig was voor monastiek leven. Peter de Grote had zijn land op het Westen georiënteerd. Het erfgoed van Byzantium met zijn religieuze cultuur moest namelijk wijken voor de beginselen van de moderne techniek die vanuit Holland werd ingevoerd. Het Patriarchaat werd opgeheven. De kloosters, ’kankerplekken in het rijk’, en de monniken, ‘die luiaards’, dienden te verdwijnen. De huizen van religieuzen kregen het verbod novicen aan te nemen. Aangezien studeren streng verboden was, zou de monnik in wiens cel papier en inkt werd aangetroffen, aan lijfstraffen blootgesteld worden.
De politiek van haar voorganger voortzettend, beveelt Catharina II alle kloosters in het Keizerrijk te sluiten. Het keizerlijk bevel wordt echter nooit geheel uitgevoerd. Wel komt het tot godsdienstvervolgingen waarvan onschuldigen het slachtoffer worden. Abt Isaak van de ‘Woestijn van Sarov’, een zachtaardige en heilige grijsaard die door zijn begrip en goedheid veel oudgelovigen, verspreid door de omliggende bossen, tot de Kerk terugbrengt, wordt beschuldigd van subversieve activiteiten tegen de Staat en geboeid naar Sint-Petersburg gesleept. Na drie jaar lijden sterft hij in de gevangenis. Zijn opvolger Efraïm slijt vijftien jaar zonder een klacht te uiten in de vesting van Orenburg. Na zijn rehabilitatie keert hij naar Sarov terug, waar hij tot abt wordt herkozen. Hij heeft grote liefde en een verfijnde smaak voor kerkmuziek en is een voorbeeldig monnik, bekend om zijn diep meeleven met armen en ongelukkigen. Tijdens de hongersnood van 1774 herbergt en voedt hij honderden vluchtelingen, op gevaar af samen met zijn monniken van honger om te komen. Hij wijst Vader Pachomios als zijn opvolger aan. Deze is afkomstig uit Koersk, en de jonge Prochoor Mosjnien zal uiteindelijk onder zijn pastorale zorg komen te staan. Ondanks branden en roofovervallen waaronder het klooster meerdere malen te lijden heeft, is het in diens zeventig jarig bestaan vergroot en verfraaid. De armoedige houten kapel, die in vijftig dagen werd opgetrokken, is vervangen door een kerk in witte steen, waarvan de vergulde kruisen schitteren tot over de muren van de omheining, vlakbij de samenloop van de rivieren Satis en Sarovka, wier grillige bochten verdwijnen onder de donkere gewelven van het woud.
NOVICE
Het is een koude novemberavond, 20 november 1778, daags voor het feest van Maria’s Opdracht in de Tempel. Na de lange tocht ontwaren Prochoor en zijn metgezellen eindelijk in de koude avond tussen de grote zwarte sparren de witte muren van het klooster. In de kerk worden de vespers gezongen en in het zachte schemerdonker branden de kaarsen voor de iconen. Het strenge ritme van het officie en het welluidend samenvloeien van de stemmen in de harmonie van het koor, wat houdt Prochoor daarvan! Alles is goed.
De volgende dag, het feest van de Opdracht in de Tempel, dient de jongeman zich aan bij de abt. Hij is negentien jaar oud en knap van uiterlijk: groot, slank, met brede schouders, een lichte huidskleur, enigszins uitstekende jukbeenderen, een smalle neus en diepblauwe ogen. Een indruk van gezondheid, gaafheid en kracht. Vader Pachomios, evenals de jongeman afkomstig uit Koersk, ontvangt hem hartelijk. Doordat ook hij uit een koopmansgezin stamt, was hij in zijn jeugd nog bekend met de ouders van Prochoor. Gegrepen door de openhartigheid van de jonge man en zijn heldere blik vat hij vanaf het begin genegenheid voor hem op.
Zijn eerste taak als novice bestond erin te helpen in de voorraadkamer van Vader econoom. Daarna wordt hij belast met verschillende soorten werk dat men in de oosterse kloosters ’dienstwerk’ noemt. Achtereenvolgens wordt hij bakker, schrijnwerker en koster. Zoals de heilige Sergius geeft hij de voorkeur aan het timmermansvak dat ook Christus in Nazareth heeft uitgeoefend. Hij toont zich daarin zo handig dat hij de bijnaam ‘Prochoor de timmerman’ krijgt. Ambachtelijk aangelegd, zoals vele Russen, maakt hij met liefde kruisjes van cipreshout die de pelgrims graag kopen. Uitgerust met een uitzonderlijk fysieke kracht, helpt hij de monniken bij het omhakken en vlotten van de sparren. Met Isaak de Syriër, een van zijn geliefde auteurs, zegt hij: “Lichamelijke arbeid en geregelde lezing van de Heilige Schrift dragen bij tot het bewaren van de zuiverheid”.
Men houdt van hem in het klooster vanwege zijn opgewektheid en goede humeur. “Wat was ik toen blij”, zal hij later tegen een religieuze zeggen. “Opgeruimdheid is geen zonde, Matoesjka, integendeel.1 Zij verjaagt de vermoeienis; van vermoeienis komt ontmoediging: niets is erger dan dat! Toen ik in het klooster ben ingetreden, zong ik mee in het koor. Het gebeurde soms dat de broeders vermoeid waren, wat aan de zang te merken was; sommigen kwamen helemaal niet zingen. En ik, mijn vreugde, ik was toch zo opgewekt! Als ze allemaal bij elkaar waren, maakte ik een of ander grapje waardoor zij hun vermoeidheid vergaten. In het huis van God is het niet passend te spreken of iets verkeerds te doen, maar een vriendelijk, opgewekt en bemoedigend woord is geen zonde, Matoesjka. Het helpt de menselijke geest blij te zijn voor het aanschijn van God”.
De toekomstige Vader Serafim is reeds helemaal aanwezig in dit kleine toespraakje dat getrouw is weergegeven: zijn karakteristieke manier van spreken, gewild volks en gemoedelijk, zijn gewoonte om zijn ondervragers te tutoyeren en hen ‘mijn vreugde’ te noemen—wat in het Russisch minder vreemd overkomt dan in onze taal—en zijn afschuw van ontmoediging en pessimisme.
Maar ondanks deze zo gelukkige aanleg moet men niet denken dat het noviciaat van deze jongen, vol bruisend leven, die zo graag zingt en gevoelig is voor schoonheid, zonder horten of stoten verloopt. Later zal hij bekennen: “Tot aan je vijfendertigste jaar—zowat de helft van ons aardse leven—kost het zeer veel inspanning om je te hoeden voor het kwaad. Velen spelen dat niet klaar en keren zich af van de rechte weg om hun eigen neigingen te volgen”.
Wat moet men nu doen om vol te houden? Een reeks raadgevingen aan een postulant werpt een zeker licht op de jonge jaren van Prochoor de timmerman.
“Hoe je hier ook in het klooster zijt binnen gekomen, verlies de moed niet: God is daar. Het monastieke leven is niet gemakkelijk. Maar bij de eerste ontmoediging moet men niet zomaar overwegen van klooster te veranderen. De novice moet de wil hebben om te volharden.
“Ben je eenmaal in dit heilige huis, dan moet je als volgt te werk gaan: wees aandachtig in de kerk, maak je vertrouwd met de officies, de vespers, completen, nachtwaken, metten en de uren. Blijf tijdens de liturgie staan, de ogen gericht op een icoon of een kaars. De slechte geur van je verstrooiingen mag zich niet mengen met de wierook van de psalmodie. In je cel moet je je toeleggen op de lezing, vooral op de psalmen. Herlees elk vers meerdere malen om het in je geheugen te bewaren. Heb je werk te doen, doe het. Geeft men je een opdracht, ga erheen. En tijdens het werk, herhaal onophoudelijk het gebed:
‘Heer Jezus Christus, Zoon van God,
ontferm U over mij, zondaar’.
“Als je bidt, luister dan naar jezelf, dit wil zeggen concentreer je en laat geest en hart zich verenigen. Bid in het begin, dit wil zeggen, één, twee of meerdere dagen, met je verstand door elk woord afzonderlijk uit te spreken. Als dan de Heer je hart met zijn genade heeft verwarmd, zal je gebed in eenheid met de Geest zonder onderbreking opwellen en altijd met je zijn, je verblijden en je voeden. Als je dan in het bezit zult zijn van dit geestelijk voedsel, dit wil zeggen, deze samenspraak met de Heer zelf, waarom zou je dan nog op bezoek gaan bij de broeders in hun cellen, zelfs als zij je uitnodigen? Voorwaar, praatzucht staat gelijk met luiheid! Als je jezelf niet begrijpt, waarover kun je dan met anderen van gedachten wisselen, wat kun je hun dan nog leren? Zwijg liever! Zwijg altijd en denk steeds aan de tegenwoordigheid van God en aan Zijn Naam. Knoop met niemand een gesprek aan, maar wacht je ervoor lachers en mooipraters te hekelen. Wees doof en stom.
“Kijk in de refter niet naar wat de anderen eten, oordeel niet, maar let op jezelf, terwijl je je ziel voedt met het gebed. ‘s Middags kun je eten zoveel als je nodig hebt, maar beperk je ‘s avonds. Gulzigheid past een monnik niet. Neem op woensdag en vrijdag zo mogelijk slechts één maaltijd en de Engel van de Heer zal je nabij zijn. Maar toch moet je voldoende eten opdat het lichaam, aldus versterkt, een hulp zijt voor de mens bij het vervullen van zijn plicht. Het zou anders kunnen gebeuren dat het lichaam, eenmaal verzwakt, de ziel aan het wankelen brengt. Vasten bestaat er niet alleen in zelden te eten, maar in weinig te eten. Het is niet redelijk dat degene die vast, na ongeduldig het uur van de maaltijd te hebben afgewacht, zich lichamelijk en geestelijk met vraatzucht op het voedsel werpt. Het ware vasten bestaat overigens niet alleen in het beheersen van zijn eigen lichaam, maar ook in het zich iets ontzeggen, om brood te kunnen geven aan wie het niet heeft.
“Slaap ‘s nachts niet minder dan vier uur; vanaf negen uur tot een uur na middernacht. Voel je je vermoeid, dan kun je ‘s namiddags een siësta houden. Dat heb ik sinds mijn jeugd gedaan. Door dit te doen zul je je niet bedrukt voelen maar gezond en opgewekt. En je zult tot het einde van je dagen in het klooster blijven.
“De eerste deugd van de novice moet gehoorzaamheid zijn, het beste geneesmiddel tegen de lusteloosheid. Deze gevaarlijke ziekte is voor een beginneling moeilijk te vermijden, tenzij hij strikt de richtlijnen van zijn oversten opvolgt. Samen met de gehoorzaamheid moet de jonge monnik zich toeleggen op het geduld; zonder te mopperen moet hij kwellingen en beledigingen weten te verdragen.
“Het habijt is het aanvaarden van beledigingen en laster. Een monnik moet gelijken op een oude slof, die tot op de draad versleten is. Hij moet zijn als een stuk laken dat de lakenwever slaat, met de voeten treedt, uitkamt en wast, om het zo wit als sneeuw te maken: zonder beproeving geen zaligheid. Zonder gebed en geduld wordt men geen monnik, zoals men niet ten strijde trekt zonder wapens”.
Eén klip! De vrouwen.
“Vlucht als het vuur voor die geschilderde kraaien. Dikwijls veranderen ze een soldaat van de koning in een slaaf van satan. En de deugdzamen moeten we evenzeer vermijden als de anderen. De was van een kaars, zelfs als deze is uitgedoofd, moet wel smelten als ze omgeven is door brandende kaarsen. Zo zal het hart van een monnik altijd verslappen in de omgang met het vrouwelijk geslacht.
“Vanaf zijn intrede in het klooster tot aan zijn dood is het leven van de monnik één zware strijd tegen de wereld, het vlees en de duivel. Een ware monnik houdt er niet van zijn gemak te nemen en zich lui uit te strekken; hij is geen monnik die in tijden van strijd ter aarde valt en zich zonder slag of stoot overgeeft”.
Dit zijn raadgevingen van een gerijpt man. Maar ze weerspiegelen de problemen van de jonge religieuzen van alle tijden.
Een stem uit een ver verleden schijnt te antwoorden: “Monnik is hij, die zijn hart sterk maakt en ernaar hunkert de Onlichamelijke in een lichamelijke woning te omvatten”. Het is een uitspraak van Johannes Climacus, die in de zevende eeuw abt was van het St. Catharinaklooster aan de voet van de berg Sinaï. De jaren hebben niets veranderd aan de eisen der ascese, althans in de orthodoxie.
HET ERFGOED VAN HET HESYCHASME
“Herhaal onder het werk voortdurend het gebed: ‘Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar’. Denk steeds aan de tegenwoordigheid van God en zijn heilige Naam”. Had de grijsaard Dositheos in Kiev niet hetzelfde gezegd?
De voortdurende herinnering aan de goddelijke tegenwoordigheid en de aanroeping van de heilige Naam van God, niet uit te spreken omwille van de schrikwekkende macht waarmee hij geladen is en die men verving door namen als Jahweh, Elohim, Adonaï, gaan terug tot de alleroudste Bijbelse traditie. In het gebed dat Christus aan zijn leerlingen gaf is de eerste bede: “Uw Naam worde geheiligd”. De Naam Jezus, waarop de apostelen vanaf het begin van hun verkondiging de nadruk legden en die zij aanriepen om de zieken te genezen, vertegenwoordigde een kracht en was een bron van heil. Daarom verboden de leden van het Sanhedrin die Naam te verkondigen (vgl. Hand. 4, 17-18; 5,28.40-41). In zijn brief aan de Filippenzen schrijft de heilige Paulus, sprekend over Christus: “God heeft Hem hoog verheven en Hem de Naam verleend die boven alle namen is, opdat bij het noemen van Zijn Naam zich iedere knie zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader, Jezus Christus is de Heer” (Fil. 2,9-11). De verheerlijkte Jezus is de Gezalfde, de Heer. In de Naam Jezus, die zijn glorie uitdrukt, ligt een reddende en levendmakende kracht, vandaar de steeds toenemende verspreiding van het ‘Jezusgebed’ onder de monniken en vervolgens onder alle christenen.
De Naam Jezus sluit zijn tegenwoordigheid in. “Tussen de Naam en Hem die men aanroept zou men zelfs niet de snede van een scheermes kunnen wringen”, heeft een hedendaags Russisch theoloog eens gezegd.2
Tot iemand die aanwezig is spreekt men. Spreken tot God is bidden. “Bidt zonder ophouden” zegt de heilige Paulus (1 Tess. 5,17). Overgeleverd aan zichzelf echter heeft de mens moeite om te bidden, hoe weinig en hoe zelden ook. Gelukkig “komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want we weten niet eens hoe we behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom. 8,26). We kunnen Jezus niet losmaken van de Heilige Geest.
Zal de Geest echter zijn intrek nemen in een wezen vol afdwalende gedachten, met een kleed bezoedeld door de zonde? Zeker niet. Om te beginnen moet men zijn zonden betreuren. Daarna zal men zijn hart bewaken om de toegang te beletten aan de bekoringen, de schadelijke gedachten en aan de verbeelding (deze ‘folie du logis’), waarvan de vijand zich bedient om de onervarenen op een dwaalspoor te brengen door pseudo-hemelse visioenen. Vandaar de raadgevingen aan genoemde postulant: “Als je bidt, luister dan naar jezelf, dit wil zeggen, concentreer je en laat geest en hart zich verenigen” (de vereniging tussen verstand en hart, als middelpunt beschouwd, is noodzakelijk). “Als de Heer dan je hart zal hebben verwarmd door Zijn genade, in eenheid met de Geest, zal je gebed zonder onderbreking opwellen. Deze wijze van bidden, ontstaan in de woestijn en in de loop der eeuwen in de kloosters van het Oosten uitgewerkt, werd een echte leer, door de Kerk bekrachtigd: zij werd hesychasme genoemd naar het Griekse woord ησυχια—innerlijke vrede, kalmte, rust.
Dit gebed heeft twee toppen. De eerste wordt bereikt als het gebed, dat een wezenlijk deel van de mens is geworden, niet meer iets is wat de mens zégt, maar wat in hem gezegd wordt: “Als de Geest zijn woning vestigt in de mens, kan deze niet meer ophouden te bidden, want de Geest houdt niet op in hem te bidden. Voortaan beheerst hij het gebed niet slechts gedurende bepaalde tijden, maar altijd. Zelfs als hij uitwendig rust neemt, duurt het gebed op verborgen wijze voort want “de stilte van hem die tot volmaakte rust gekomen is, is gebed” zegt Isaak de Syriër (1). “Zijn gedachten zijn goddelijke stuwingen, de bewegingen van het gezuiverde verstand zijn als onhoorbare stemmen die in het verborgen deze psalmodie zingen voor de Onzichtbare”. Maar de Syriër haast zich er aan toe te voegen: “Het zal echter moeilijk zijn om op een hele generatie één mens te vinden, die deze kennis van Gods glorie heeft benaderd”.3
De tweede top wordt overstroomd door een licht dat de orthodoxie ‘ongeschapen’ noemt. Ondanks het verbod om te ‘mediteren’ over bepaalde episodes uit het leven van Christus en toe te laten dat beelden zich zouden vormen in hun geest, werden de beoefenaars van het ‘Jezusgebed’ soms begiftigd met lichtende visioenen, die noch het effect waren van hun verbeelding, noch van een lichtend natuurverschijnsel dat symbolisch uitgelegd werd, maar een theofanie.
Die goddelijke openbaring was even reëel als die van de berg Tabor, die de glorie van de Verrezene voorafbeeldde, evenals het nooit ondergaande licht dat het hemelse Jeruzalem zal verlichten en waarvan “het Lam haar lamp zal zijn” (Apok. 21,23). Een groot mysticus uit de elfde eeuw, abt van het klooster van Sint-Mammas van Constantinopel, de heilige Simeon die door de Kerk vereerd werd met de titel ‘Nieuwe Theoloog’, werd de geïnspireerde zanger van deze Licht- Geest-theologie.
Waren de monniken van Sarov op de hoogte van de leer en de praktijken der hesychasten? Volgens de reeds genoemde raadgevingen aan de postulant is het antwoord bevestigend. Vanaf het begin van de veertiende eeuw verspreidden geschriften over het hesychasme zich over de Slavische landen en bereikten zij Rusland. Of de heilige Sergius van Radonez (1334-1392) deze geschriften kende, weten wij niet, maar de ervaring van het ongeschapen Licht was hem niet vreemd. In de vijftiende eeuw liet de heilige Nilus van Sora (1433-1508), kluizenaar uit de ‘Thebaïs van het Noorden aan de overzijde van de Wolga, een geleerde die vlot Grieks sprak en lange tijd op de Athos had verbleven, aan zijn geestelijke nakomelingen een regel na, geïnspireerd door de grote meesters van de leer van het hesychasme: Johannes Climacus, Isaak de Syriër, Simeon de Nieuwe Theoloog ... De teksten die bewaard zijn gebleven “geven tegelijk een treffend voorbeeld van absolute trouw aan de hesychastische traditie uit Byzantium, én van een opmerkelijke geestelijke eenvoud die de persoon van Nilus zelf kenmerkte en die de in het oog vallende trek van de latere Russische heiligen zal uitmaken”. Dit moeten we onthouden. “Door minder belang te hechten aan theologische beschouwingen droegen de Russische heiligen er vaak toe bij de mystiek van de hesychasten te vermenselijken; veel meer dan de Grieken legden zij de nadruk op de sociale betrokkenheid van het eremitisme”.4
De moeilijkheden, ja zelfs de vervolgingen die de Russische Kerk gedurende de achttiende eeuw doormaakte, slaagden er niet in, zoals we gezien hebben, de Russische ziel haar verlangen naar God te ontnemen. Talrijker dan ooit doorkruisten pelgrims het keizerrijk, op zoek naar deze Waarheid-Rechtvaardigheid, die het aardse leven scheen af te wijzen. Het was in die tijd dat sommigen onder hen uitstekende berichten uit Moldavië meebrachten. Aan de grenzen van Roemenië woonde een Russische monnik, een echte ’starets’, Païssy Velitsjkovsky (1722-1794) rond wie het monastieke leven zich had gereorganiseerd overeenkomstig de meest authentieke tradities. Duizenden monniken hadden zich reeds in zijn klooster verzameld. Wat Païssy zelf betreft: hij sprak meerdere talen en vertaalde onvermoeibaar uit het Grieks, op een ogenblik dat de monniken in Rusland het recht was ontnomen om te studeren en te schrijven, de werken van de Griekse Vaders en vooral die van de heilige hesychasten, waarmee hij vertrouwd was geraakt tijdens een langdurig verblijf op de Athos. Het enige portret dat men van hem heeft, stelt hem voor als een tengere figuur onder de brede plooien van een monniksmantel en met een paar verbazend grote ogen in zijn lieflijk gezicht. Men zei dat hij dikwijls ziek was. Liggend op zijn bed, ineengedoken als een kind, maar omgeven door woordenboeken, dicteerde hij dan aan verschillende secretarissen zijn vertalingen. Zijn invloed in Rusland was buitengewoon groot. Aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw ontmoet men overal zijn leerlingen of leerlingen van deze laatsten. Een van hen was Dositheos van Kiev, die de aandacht van Prochoor Mosjnien op de Woestijn van Sarov richtte. Maar geen der vertalingen van Païssy kende zo’n succes als zijn ‘Philokalia’—in het Grieks ‘Liefde voor het schone’, in het Russisch ’Dobrotoljoebie’: ‘Liefde voor het goede’. Dit was een verzameling van Vaderspreuken die in 1782 te Venetië werd gepubliceerd door een Griekse bisschop die door de Ottomaanse autoriteiten verbannen was van zijn bisdom. Zijn naam was Macarios van Corinthe (1731-1805). Voor deze uitgave werkte hij samen met een monnik van de heilige berg, Nicodemus de Hagioriet (1749-1809). Zonder zich te bekommeren om herhalingen, bevatte deze verzameling een reeks teksten, afkomstig van de grote contemplatieven onder de hesychasten, vanaf de woestijnvaders tot aan de ‘hervormers’ uit de veertiende eeuw.5 De Russische vertaling verscheen in 1793 te Sint-Petersburg tegen het einde van de regering van Catharina II, dankzij de inspanning van de voortreffelijke metropoliet Gabriël. Doch, zoals men ziet, was Dositheos van Kiev, zestien jaar vóór de officiële uitgave ervan, reeds geheel vertrouwd met de geest die ze bevatte.
DE ZIEKTE
Of hij zich al dan niet bewust is hesychast te zijn, de ijver die Prochoor de timmerman in de Woestijn van Sarov ontplooit, dreigt in ieder geval zijn graf te worden. Men veronderstelt dat hij aan waterzucht lijdt. Drie jaar lang worstelt hij ermee en tenslotte kluistert de ziekte hem aan zijn bed. Zijn toevlucht nemen tot de geneeskunde lag niet in de monastieke traditie. De Athos kende geen dokters. Maar wanhopend aan het leven van zijn meest geliefde novice, staat Vader abt, die niet van zijn bed wijkt, op het punt om in de stad een dokter te laten halen, wanneer tot verwondering van allen de zieke geneest. Wat is er gebeurd? Pas veel later zal men het te weten komen.
De Heilige Maagd, die in Koersk door middel van een icoon het zieke kind was komen genezen, was dit keer persoonlijk teruggekomen om de jonge novice van de Woestijn van Sarov te redden. Ze was vergezeld van de apostelen Petrus en Johannes. Zich tot hen wendend sprak ze, daarbij wijzend op de stervende, de vreemde woorden: “Hij is van ons geslacht”. Zoiets wordt niet verzonnen. Hoe zouden ze zijn opgekomen in de geest van iemand die de nederigheid nastreeft. Hij was al op leeftijd toen hij het vertelde: “Zij legde haar rechterhand op mijn voorhoofd. In haar linker hield zij een scepter. En met die scepter raakte zij de arme Serafim aan. Op deze plaats, mijn rechterheup, ontstond een opening en daarlangs vloeide het water weg. Zo redde de Koningin van de Hemel de nederige Serafim”. Een diep litteken in zijn zijde getuigde van het wonder.
MONNIK, DIAKEN, PRIESTER SERAFIM
