Stresssyndroom - Diantha Heimgartner - E-Book

Stresssyndroom E-Book

Diantha Heimgartner

0,0

Beschreibung

Het zou een kalme ochtend worden, waarbij Franks getraumatiseerde brein tot rust kon komen, en dan doet juist hij een lugubere ontdekking… Zowel Frank als zijn dochter Esther kampen met psychische problemen door hun werk bij de politie en allebei worstelen ze afzonderlijk om de dag door te komen. Frank werkt buiten, met zijn handen, terwijl Esther een nieuwe hobby zoekt in de hoop dat haar onrustige gedachten daarmee naar de achtergrond verdwijnen. Bij toeval blijken hun levenspaden zich op een levensgevaarlijk spoor te kruisen. Frank moet alles op alles zetten om zijn dochter te redden uit handen van een gewetenloze moordenaar. Hoewel Esther blijkt te beschikken over meer overlevingskracht dan ze zelf dacht, weet ze dat haar laatste uur bijna geslagen heeft. Zal Frank op tijd zijn om haar te bevrijden?

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Veröffentlichungsjahr: 2024

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.


Ähnliche


StresssyndroomVoor altijd gevangen…

Stresssyndroom

Voor altijd gevangen

Auteur: Diantha Heimgartner

Omslagontwerp: Diantha Heimgartner

ISBN: 9789403738659

Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personages berust op louter toeval.

Eerste druk 2024

Uitgegeven via Mijnbestseller.nl

Copyright © Diantha Heimgartner

Fotografie auteur: Studio Christl

Voor vragen, opmerkingen en/ of wijzigingen kun u een bericht sturen naar [email protected]

Voorwoord

‘Ik heb nachtmerries… Ik ben volledig afgekeurd… Ik durf de straat niet meer op… Ik heb paniekaanvallen… Ik ben nooit meer vrolijk… Ik wil niet meer… Ik voel niks… Ik zie het steeds voor me… Ik kan niet meer lezen vanaf een computer… Ik ben roekeloos… Ik eet niet meer… Ik drink te veel… Mijn spieren staan altijd op spanning… Ik slaap niet meer… Ik ken mijzelf niet meer… Ik heb zoveel woede… Mijn relatie is voorbij, omdat ik zo ben afgestompt… Ik voel mij precies zoals de omslag er uit ziet… deels kapot en de ledematen verwisseld…’

Dus…

Het schrijven van dit boek ging anders. Normaliter zou ik om inspiratie met mijn oude garde naar de kroeg gaan om na een aantal alcoholische versnaperingen de herkenbare vraag: ‘Hey Diant weet je nog?’ te horen. Schaterend en onderbouwd met de benodigde geluiden en uitspraken, hoorde ik de uiteenlopende herinneringen die tijdens de dienst hadden afgespeeld aan. Herinneringen die soms naar de achtergrond waren verdwenen. Nu moest het anders. Nu mocht ik niet in het passeren vragen hoe het ging. Nu moest ik de diepgang in, wetende dat er misschien zaken zouden zijn die ik zou herkennen. Gedrag dat ik in mijzelf zou herkennen. ‘Hoe gaat het met je?’ zou zich op een vervelende manier kunnen ontvouwen. De vraag zou mij plotseling kunnen spiegelen en mij verplichten om ook naar mijzelf te kijken.

Ik vond het proces naar een eindproduct toe pittig en heb meerdere malen voor de kast gestaan om de boel daarin veilig op te bergen. De verhalen, de uitwerking en de impact die PTSS op sommige levens heeft raakte mij. Ik zal je eerlijk zeggen, en dat zal niet iedereen begrijpen, ik was blij dat dit mij nog kon raken.

Op de dag dat ik besloot om het tweede deel van mijn politieserie online beschikbaar te stellen, telde ik nogmaals mijn oud-collega’s en vrienden met stressachtige verschijnselen of Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS) 1,2,3… zijn volledig afgekeurd… 4,5,6… hebben intensieve begeleiding…. 7,8… is het vertrouwen in zichzelf of in de organisatie kwijt… 9,10… weten we niets meer van… 11,12… had ik graag willen spreken, maar ze zijn er niet meer… 13,14,15… kunnen ermee omgaan en het maakt deel uit van hun leven… 16,17,18… balen van het gekregen label … 19,20,21… ken ik niet persoonlijk…Raakt PTSS of trauma alleen de Nationale Politie? Natuurlijk niet! Trauma in welke vorm dan ook uit zich op verschillende manieren en komt binnen onze maatschappij, en verschillende bevolkingsgroepen en lagen voor. Ik mag terecht spreken vanuit de ervaringen die ik tijdens het politiewerk heb opgedaan en wat dat deed met mijn oud-collega’s, betrokkenen of mijzelf. Die ene heftige melding voelde je met knikkende knieën de dagen erna nog. Als professional pak je de meldingen zo goed mogelijk op en uit loyaliteit doe je dat jaren achter elkaar. Het is immers je werk en uiteindelijk worden de meldingen normaal. Toch? Daar slapen we uiteindelijk geen nacht minder om. Of toch wel?

Mijn opa was getraumatiseerd door de Tweede Wereldoorlog. Zodra hij de motoren van overvliegende vliegtuigen hoorde, kroop hij rillend van angst onder de eettafel. Zou dat alles zijn geweest waar hij mee kampte en wat fysiek tot uiting kwam? Zweeg hij bewust over de pijn en de angst die hij voelde? Was spreken over gevoelens een teken van zwakte? Na hoeveel generaties is dit trauma nog voelbaar? Zijn we onszelf niet verplicht om daar wat aan te doen of er een moment bij stil te staan?

Voordat ik ten onrechte aangeef dat iedere politieagent kampt met een vorm van PTSS, wat gelukkig NIET het geval is, brengen we voorgaande WEL ouderwets terug naar de praktijk:

Bij een melding van een huiselijk geweldsituatie, dat helaas in het gebied waar ik werkzaam was veelvuldig voorkwam, hoefde ik maar twee vragen aan het slachtoffer te stellen: Hoe was je eigen jeugd? En… Wil je dat je eigen kinderen een soortgelijke relatie krijgen?

Het was een moment van bewustwording. Vaak volgde er stilte en daarna kwamen de tranen. De tranen zeiden mij genoeg.

In februari ‘24 zag ik een documentaire die veel indruk op mij maakte. De documentaire genaamd: “Stemmen van Naoorlogse Generaties” vatte in anderhalf uur samen, wat er in mijn hoofd al maanden rondspeelde. Trauma, speelt generaties door. Alles viel op zijn plaats.

Ik schreef dit boek met een reden en ik sta er volledig achter om dit boek kosteloos beschikbaar te stellen, zodat het door een ieder gelezen kan worden. Een liefhebber kan het boek altijd bestellen. Ik waardeer een mail met een reactie altijd en zal persoonlijk aan je reageren. Wil je toch iets geven? Ik wil het niet. Doneer dan aan een stichting die ‘het leven met een diagnose’ mogelijk maakt of een ander goed doel dat je een goed gevoel geeft.

Mam,Jouw gevecht aanschouw ik vanaf de zijlijn.Dit boek is ook voor jou, omdat je altijd in mijn gedachten bent.Ik hou van je.

Liefs Diantha

-1-

De rechterkant van haar hoofd gloeide. Een hard voorwerp had haar gemeen geraakt. Ter hoogte van haar slaap zou snel een bult of een blauwe plek verschijnen. Ze neuriede zacht, hopend dat ze het bonkende gevoel van de zwelling mee zou mogen maken. Het horen van haar eigen stem werkte kalmerend als ze niet lekker in haar vel zat. Ze paste het toe, ook al wist ze dat het lied niet passend was bij dit moment. Het hoorde meer bij een veilige omgeving, bij thuis, waar ze dan met sportsokken dansend en zingend over de gladde vloer zou glijden.

Ze schrok door een plotselinge aanraking en haar nekharen sprongen overeind. Van angst schokten haar stembanden. Ze stopte met neuriën toen de onbekende man haar voorhoofd zacht begon te strelen. Vreemde lange vingertoppen streken voorzichtig door de onderkant van haar gekamde haren, en gleden langs de huid van haar oren en nek, door naar beneden. Juist haar oren konden zo gevoelig zijn, als ze gestreeld werden door een geliefde. Maar die liefkozingen, waaraan ze zoveel mooie herinneringen had, lagen nu ver in het verleden. Ze waren in een enkele aanraking verdwenen als sneeuw voor de zon.

De man ademende krachtig in door zijn neus.

Ze hoefde hem niet te zien om te weten dat hij zoveel zuurstof naar binnen zoog dat zijn neusvleugels zijn neusgaten afsloten.

Er klonk een verlekkerd gekreun.

Kippenvel van walging verscheen op haar armen, gevolgd door rillingen die golvend door haar lijf trokken. Ze voelde zich vies, gebruikt maar ze kon zich er in deze positie niet tegen verweren. Gillen had geen zin. Het geluid dat ze door haar afgeplakte mond produceerde was slechts een gedempt, paniekerig gepiep. Huilen moest ze voorkomen. De zoute tranen zorgden ervoor dat haar keel opzwol. Toch stroomden de tranen alsnog over haar wangen, terwijl ze half stikkend haar angst onder controle probeerde te krijgen. Een onmogelijke taak. Nee, gillen was geen optie meer. Neuriën was de enige manier om zichzelf gerust te stellen en het enige nummer wat in haar gedachten opkwam was: You Was Born to Die. Keer op keer hetzelfde refrein met dezelfde catastrofale tekst. Zo mooi als ze het nummer had gevonden, zo haatte ze het nu.

‘Zo vreselijk mooi,’ giechelde de man.

Het was het meest beangstigende lachje dat ze ooit had gehoord. Een lachje als geen ander. Uniek, gruwelijk en misselijkmakend. Een lach die in een andere setting amusant zou zijn. ‘Ik denk dat ik dit keer geluk heb. Nee, ik weet het zeker! Dit keer heb ik geluk. Eindelijk! Wat fijn!’ Het strelen ging door. Hij zou doorgaan, totdat alle haren door hem waren beroerd.

Gal kwam omhoog. Haar lijf protesteerde en wilde als reactie alle stress en walging uitbraken. Niet overgeven, dacht ze, dat overleef je niet!

‘Het is tijd. We kunnen niet langer wachten.’ De man stond op. ‘Het is perfect.’ Het strelen hield op en het licht werd uitgedaan.

Haar maag kwam tot rust.

Achter haar klonk een deur die werd geopend en gesloten. Het geluid van het piepen van de scharnieren en het dichtvallen van zwaar hout in het kozijn had ze vaker gehoord. Het was weer donker in de klamme ruimte. Ze luisterde aandachtig. Het gestommel ging over in een allesoverheersende stilte. Ze was weer alleen. Haar laatste poging om los te komen was aangebroken. Ze trok, duwde en draaide totdat ze snikkend van wanhoop opgaf. Het waren stuk voor stuk kansloze pogingen. Hoorde ze daar wat? Het gekraak van de houten vloer kwam weer binnen het bereik van haar gehoor.

Het gebonk van de voetstappen werd luider en kwam dichterbij.

Ze hield haar adem in, terwijl de zware deur piepend openging en het licht weer werd aangedaan. In de korte tijd dat de ontvoerder weg was geweest, was ze alweer gewend geraakt aan het veilige donker. Vlug vormde ze haar ogen tot spleetjes. Ze kon nog net zien dat de smoezelige handdoek over haar gezicht werd getrokken en daarna zag ze niets meer. De stof van de handdoek was ruw en schuurde langs haar huid, en toch voelde hij klammig en warm.

Nog een mooie herinnering, de laatste. Die van haar schoonheidsspecialiste die haar gezicht warm inpakte zodat de stoom haar poriën kon openen.

Het was voorbij. Ze wist wat er komen ging en sloot haar ogen. Haar geduld werd niet op de proef gesteld. Ze hoefde niet lang te wachten. Langzaam werd er iets over haar hals getrokken. De laatste ademteug die ze nam was kort. De rest werd met geweld weggedrukt. De laatste woorden van haar favoriete lied: You Was Born to Die.

-2-

Op de stoep voor de voordeur stond een kleine, zwarte vrachtwagen. Esther had het gepruttel van de diesel al van verre horen aankomen. Toen het schelle geluid van haar deurbel te lang aanhield en het met nerveus geklepper van de brievenbus werd voortgezet, besefte ze pas dat het vervoermiddel voor haar en Merel was bedoeld.

‘Joehoe, uw chauffeur staat aan de deur madam.’

Esther draaide met haar ogen, voordat ze de deur opendeed en Merels olijke gezicht zag. ‘Ja?’ begon ze droog. Het was te vroeg voor deze herrie.

Merels enthousiasme werkte aanstekelijk toen ze voor de deuropening een deftige buiging maakte in de richting van het voertuig en vervolgens weghuppelde als een vijfjarige met een ijsje. ‘Kom mee op avontuur! Ben je er klaar voor?’ vroeg Merel grijnzend en met sprankelende ogen. ‘Besef wel, dat als je instapt, je de komende vier dagen compleet bent overgeleverd aan een rollercoaster aan belevenissen en onbekende bestemmingen.’

‘Ja, ja, ik weet het. De enige tegenvaller die er nog kan zijn, is dat er geen thermoskan koffie ligt in dat rijdende, ronkende woonhuis.’ In gedachten telde Esther het aantal koppen dat ze in de ochtend al gedronken had. ‘Koffie is nog altijd de motor van de dag.’

Merel trok de deur open, bukte zich voorover en pakte iets van de mat aan de bestuurderskant. Triomfantelijk stak ze een metalen koffiekan de lucht in.

‘Esther,’ Merel sprak haar naam uit zoals alleen zij dat kon doen, ‘poept een beer in het bos?’

‘Ja, ja. Laat maar. Ik weet het antwoord al.’ Esther gooide haar tas in de cabine van de zwarte vrachtwagen en stapte in. Het uitzicht over de straat was een stuk beter dan wat ze normaliter zag vanuit haar eigen lage koekblik. Het voelde alsof ze op vakantie ging en dat gevoel was fijn. Ze had rust nodig en wilde dit weekend niet bereikbaar zijn voor vrienden, collega’s en zeker niet voor familie. Esther liet een vermoeide zucht door haar lippen ontsnappen en keek naar Merel die achter het stuur plaatsnam.

Het was een vreemd gezicht om haar kleine vriendin achter het stuur te zien zitten van zo’n groot gevaarte. ‘Fijn dat ik mee mag, Merel,’ zei ze dankbaar.

‘Het enige wat ik kan zeggen is dat ik weet hoe je je voelt, en bovendien hadden we dit honderd jaar geleden al afgesproken.’ Merel maakte met haar hand een gebaar naar achteren om het verre verleden uit te beelden. ‘Voordat dit allemaal begon te spelen. Het enige wat ik kan zeggen is,’ ze haalde haar schouders op, ‘geniet er gewoon van. Je hoeft niks, je moet niks. We gaan er een toffe tijd van maken. Ik heb er een goed gevoel over.’ Merel draaide de sleutel die nog in het contact zat een klein stukje om, liet de dieselmotor voorgloeien totdat het lampje van de motor op het dashboard uitging en startte de vrachtwagen. Ze glimlachte naar het stuur. ‘We gaan als eerste naar Louis. Louis woont alleen in zijn idyllische boerderijtje net over de grens in het mooie België.’ Merel keek naar Esther en sprak de woorden uit alsof ze een sprookje begon te vertellen. ‘Kent u dat land? Het land van de Bourgondiërs en uiterst vriendelijke mensen met een hele zachte “G”.’

Louis is alleen, dacht Esther. Ze liet haar gedachten afdwalen. Een gevoel van eenzaamheid overviel haar. De laatste tijd voelde ze zichzelf ook vaak alleen. Als ze de eenzaamheid in woorden zou moeten vatten, dan zou ze haar omschrijven als de maan. Alleen zwevend in het donkere heelal met af en toe een verhelderend moment door de stralen van de zon of een paar twinkelende sterren. Ze schudde haar hoofd kort heen en weer en negeerde de dramatische inhoud. Bah, dacht ze, lekker begin zo.

Vandaag voelde Esther zich goed, maar tegelijkertijd vond ze het ook spannend om niet te weten waar ze heen ging. Ze had geen invloed op wat Merel had verzonnen voor het weekend. Ondanks alle spanning die ze in haar lijf voelde, had ze besloten om de veiligheid van haar thuisomgeving los te laten en dit weekend met Merel mee te gaan. Ze moest uit haar besloten kleine wereld, waar ze zich al wekenlang vermoeid in voortbewoog.

Gewoonlijk waren haar dagelijkse bezigheden gestructureerd. Iedere ochtend volgde Esther hetzelfde ritueel. Na een onderbroken nacht wakker om half zeven. Eenmaal wakker stapte ze nog moe uit bed om zonder ontbijt een stuk te gaan hardlopen. Meestal jogde ze een kilometer of zeven. Het maakte haar geest en lijf goed wakker en belangrijker nog, het dwong haar om naar buiten te gaan. De dag begon pas echt, nadat de voordeur achter haar dichtsloeg, met de eerste hap buitenlucht en de eerste stappen buiten de deur. Dat waren ook meteen de moeilijkste stappen, waarbij ze een moment pakte om haar ademhaling, en de stress die telkens in haar lijf opkwam als acute griep, onder controle te krijgen. Ze dwong zichzelf iedere ochtend dit ritueel te doen. Als ze dat oversloeg dan bleef ze binnen. Het liefst zou Esther de hele dag thuisblijven, verborgen achter de gesloten gordijnen, gedrenkt in zelfmedelijden en angst. De terugkerende angst.

Een rilling kroop vanaf haar stuitbeen langs haar rug omhoog, ondanks dat de verwarming van de vrachtwagen op standje sambal stond. Esthers verwarde brein teisterde haar al weken door continu alarmsignalen naar haar lijf en geest te sturen, ze had het gevoel dat er altijd gevaar op de loer lag. Gevaar dat haar kon grijpen op een onverwacht moment als ze even niet oplette. Een straatrover, psychopaat of een zedendelinquent. Èn dan was er ook nog de onmacht die Esther voelde en haar eigen rol daarin. Het gevoel dat ze nergens invloed op had en dat de wereld niets dan ellende voortbracht. Dat de mens in- en inslecht was en dat zijzelf eerdaags met de hele berg stront geconfronteerd zou gaan worden. Ze kon het soms wel uitschreeuwen van ellende. Waar was dit allemaal begonnen? Ze was nog geen fractie van de persoon die ze vijftien jaar geleden was toen ze met het politiewerk begon. Een lege patroon waaruit in haar dienstjaren al het kruit was verschoten. Slechts een goudkleurige wegwerphuls bleef over. De vraag was vooral waar ze zou eindigen: in de kliko of werd ze gerecycled?

Merel onderbrak haar gedachten. ‘Waar denk je aan? Praat met me.’

‘Ik vind het spannend,’ antwoordde Esther voorzichtig.

‘Je bent bij mij. Het komt goed. Echt. Ik laat je niets overkomen. Je kan niet de rest van je leven thuis zitten sikkeneuren en een kluizenaar worden. Dat is toch geen leven, Esther?’ Merel kuchte even. ‘Je leeft NU! Het leven is zo kort en deze vervelende periode is echt niet voor eeuwig. De meeste mensen gaan door een dal in hun leven. Sommigen meerdere malen. Het is vreselijk klote, maar volkomen normaal.’

Esther had zuurstof nodig. Met de hendel draaide ze het raam van het portier een stuk naar beneden. Dankbaar zoog ze de verse lucht diep haar longen in. De frisse wind van de ochtend deed haar meteen goed. ‘Ik weet het ook wel.’

Een aangeboren kracht die Merel bij geboorte had meegekregen was haar onuitputtelijke positiviteit. Ze leefde voor nieuwe ervaringen en droeg de energie die ze daarmee verwierf over aan anderen. Dat was ook een van de redenen dat ze Esther overal mee naartoe nam. Merel sprak nog net niet de zin ‘positiviteit kun je manifesteren’ uit. Dat was maar goed ook, want al was het goed bedoeld, op een slecht moment had Esther haar dan misschien wel geslagen.

‘Louis heeft aangegeven een flinke schuur vol te hebben met leuke spullen. Hij heeft veel te veel en omdat het laatste contact zo goed was verlopen,’ Merel wees met een duim naar haar borst, ‘belde hij mij als eerste! Ik denk dat het komt door mijn onmetelijke charme en sprankelende persoonlijkheid.’ Ze grijnsde breed. ‘Ik weet zeker dat het je gedachten af zal leiden en anders dit wel.’ Vanuit het vakje in het portier pakte ze een dichtgevouwen papieren zak en gooide die in Esthers schoot.

Esther voelde direct de vettigheid aan de onderkant. Voorzichtig opende ze de zak en zag vier dikke croissants met stukjes chocola. Merel had haar favoriete broodjes gehaald, die gevuld waren met pudding en chocola. Dat was pas eetbare positiviteit. Dit weekend zou er een kilo of twee bij komen maar dat maakte Esther niet uit. Ze kon het extra spek goed gebruiken nu ze zoveel was afgevallen. ‘Je kan mijn gedachten lezen,’ grijnsde ze naar haar eveneens grijnzende vriendin. Ze pakte een croissant uit de zak en stopte hem meteen in haar mond, daarna schonk ze twee bekers koffie in. De pudding was zo heerlijk zoet dat ze nog een tweede calorieënbom uit de zak pakte en deze ook meteen naar binnen werkte. Ze voelde zich al een stuk beter toen ze verlekkerd naar het derde exemplaar in de papieren zak keek. Nog eentje dan, dacht ze luid slurpend aan haar koffie. ‘Louis dus. Vertel mij eens wat over hem.’

Merel was zowel afleider als een verhalenverteller. De meest saaie gebeurtenissen wist ze om te toveren tot een sprookje of een hels avontuur. De schuine grappen en zwarte humor die ze zonder gêne toevoegde waren grof en soms geen aandacht waardig, maar Esther genoot ervan. Humor had Merel altijd al gehad, maar was in haar dienstjaren bij de politie grover geworden. Op de werkvloer werden haar grappen en vuilbekkerij door collega’s gestimuleerd. Ze bleven maar vragen om nog meer bizarre verhalen of gebeurtenissen die ze had gehoord of waar ze zelf bij was geweest. Ze vonden Merel, met haar onschuldige voorkomen, maar wat grappig. Gierend van de lach, met tranen rollend over hun wangen, vielen sommigen bijna achterover van hun stoel. Waren het de woorden niet, dan was het wel haar gezicht van elastiek dat ze regelmatig inzette als een vrouwelijke Jim Carrey.

‘Weet je waarom ze hem lange Louis noemen?’ Ze keek Esther strak aan, maar kneep haar ogen een beetje dicht om raadselachtig over te komen. De glans van simpel vermaak verscheen in haar ogen. Het was duidelijk een vunzige aanwijzing.

Esther hoefde niet lang na te denken. Ze schaterde het uit, waardoor ze zich bijna verslikte in het laatste stuk van haar croissant. ‘Ik heb er een beeld bij.’ Ze wuifde het snel weg. ‘Laat maar gewoon, ik wíl het niet eens weten.’

Merel ademde diep in. Ze liet zich niet van de wijs brengen. ‘Omdat je het zo vriendelijk vraagt zal ik het je vertellen. Lange Louis woont in een boerderij met een lange oprijlaan. Hij heeft lang krullend haar in een vlecht, omdat hij al zijn hele leven weigert om naar de kapper te gaan.’ Fluisterend voegde ze eraan toe: ‘In zijn lange haren zitten ultieme krachten. Net als bij Simson uit de bijbel.’ Ze sperde haar ogen wijd open. ‘Het is eigenlijk ongelofelijk wat die man allemaal kan!’

Schaterend sloeg Esther op haar benen. ‘Doe eens normaal man! Bij jou zit echt een steekje los.’

‘Wat dacht jij dan?’ Merel keek quasi-onschuldig naar Esther. ‘O! Nu zie ik het! Lange Louis! Ik snap het al. Jij viespeuk!’ Ze probeerde Esther aan te stoten met haar elleboog, maar de afstand naar Esthers stoel was te breed. Het stuur schoot naar rechts, waardoor de vrachtwagen over de doorgetrokken streep naar de vluchtstrook reed.

Esthers hart sloeg over toen ze de berm en de sloot dichterbij zag komen. ‘Merel, let nou maar op de weg!’ riep ze terwijl ze zich met een hand vastgreep aan de passagiersstoel.

Merel grijnsde onnozel en maakte zich niet druk. Ze wist dat ze een goede chauffeur was, ongeacht of ze in haar Mini reed, in een dienstauto of dit vrachtwagentje van haar neef. Soepel en zonder moeite stuurde ze het zwarte gevaarte weer terug naar de juiste plek op de rijbaan.

Esther keek naar de koffievlek op haar broek, die door de plotselinge stuurbeweging was ontstaan. Het was een geluk dat ze een extra spijkerbroek had meegenomen. De koffie verspreidde zich en verwarmde een deel van haar dij. De vorm van de vlek maakte deel uit van een herinnering, waar ze moeilijk bij kon. Afwezig staarde ze uit het raam naar de weilanden met grazende, zwart-wit gevlekte koeien. De herinnering was dicht aan de oppervlakte, maar haar geheugen leek hem duidelijk te willen vergeten en drukte hem de kop in.

-3-

Van ver weg drong een zachte vrouwenstem tot haar door die met de radio meezong. ‘Workin’ nine to five, what a way to make a livin.’

Het zachte gepruttel van de vrachtwagen had ervoor gezorgd dat Esther in slaap was gesukkeld. Met de mouw van haar jas veegde ze langs haar mond, omdat ze niet zeker wist of ze had gekwijld. Nog slaperig keek ze voor zich naar de snelweg. Aan de groeven in het betonnen wegdek zag ze meteen dat Merel al over de Belgische grens was gereden.

‘Hallo slaapkop! We zijn er bijna. Ik denk nog vijf minuten.’ Merel pakte de eerstvolgende afslag en verliet de snelweg.

Zoals Merel had verteld, woonde Louis aan een lange oprijlaan net over de grens in een klein, bruin huisje met witgeschilderde kozijnen. De bescheiden woning was omringd door een lap grond met groene struiken, gras en bomen. Op het moment dat de vrachtwagen het grindpad met witte en grijze kiezels opreed, verscheen vanaf de zijkant van de woning een oudere man. Zijn grijze haren zaten vastgebonden in een staartje in zijn nek. Esther schatte de leeftijd van de man op een jaar of vijfentachtig. De zwartlederen schoenklompen die hij droeg zaten onder de modder, toen hij licht hinkend met zijn linkerbeen hun kant op kwam. De oude man wees op een plek voor hem op het pad.

Merel parkeerde op de aangewezen plek. ‘Daar is hij dan. Magisch toch?’ Ze proestte het uit bij het zien van Esthers verbaasde gezicht, die Louis al had geobserveerd vanaf het moment dat hij in het zicht was gekomen. Waarschijnlijk had Esther daarbij haar linker wenkbrauw opgetrokken, een trekje dat haar moeder ook had. Merels verhaal was dit keer maar voor een klein deel gebaseerd op de waarheid. De krachten van deze Simson waren al jaren geleden vervlogen.

Merel trok de sleutel uit het contact en stapte uit.

Esther volgde haar voorbeeld.

Joviaal liep Merel naar Louis toe. ‘Goedemorgen Louis. Alles goed? Wat is het lang geleden zeg! Wat goed om je te zien. Ik zal je eerst aan een vriendin van me voorstellen. Dit is Esther. Ze was zo nieuwsgierig naar jou en je antiekverzameling dat ze vanmorgen, bij het krieken van de dag, al in het ruim was geklommen. Die kleine stiekemerd,’ ze draaide zich met stralende ogen om naar Esther en knipoogde.

Louis glimlachte naar Merel en gaf Esther een stevige hand. ‘Hallo Esther. Ik ben Louis. Is het een beetje vol te houden met dat eeuwige gekwebbel tijdens zo’n lange rit?’ Ook hij knipoogde vriendelijk naar haar. Hij had een lichaam dat het misschien begaf, maar zijn lichtgroene ogen stonden helder en vriendelijk in zijn gebruinde gezicht.

Esther keek naar de verzorgde tuin, met daarin groene planten en bloeiende bloemen die er netjes bij stonden. Zijn bruine huid was te verklaren doordat hij veel buiten aan het werk was. De goed onderhouden tuin was het zichtbare bewijs. ‘Het was een lange zware weg. Als ik dit allemaal van tevoren had geweten. Dan...’ Ze maakte haar zin niet af, maar draaide haar handpalmen naar boven en trok een wenkbrauw omhoog. ‘… lag ik nog in mijn bed.’

Louis sloeg zijn hoofd naar achteren en lachte luid. Een rij witte tanden en een stuk van zijn gehemelte werden zichtbaar. ‘Ik heb er een beeld bij. Komen jullie alsjeblieft mee naar binnen. Ik zal eerst thee- of koffiezetten. Jullie hebben er al een uurtje of twee op zitten, toch?’

Merel keek op haar horloge. ‘Bijna een uur of twee lekker Lou.’

‘Lou, noemt ze mij nou Lou?’ mompelend liep Louis voor hen uit naar de zijkant van de woning waar Esther hem vandaan had zien komen. Achter de woning stond een grote schuur met daarnaast een grote ren. Dikke, bruine kippen konden door een gat in het gaas naar een grasveld kruipen en scharrelden rond. Verrukt pikten ze in het zonnetje van de lange grassprieten.

Plotseling pakte Louis Esther bij haar arm.

De neiging om direct haar arm terug te trekken en hem hard van zich af te duwen onderdrukte ze met moeite. Paniekerig zocht ze naar Merel en vond haar sussende blik.

Merels ontspannen gezicht en ogen spraken zwijgend: ‘Niets aan de hand meid. Hij is oké. In Louis zit niks kwaads. Anders waren we hier nooit geweest.’

‘Zie je die kip daar’? Louis wees naar een bruine kip in het gras. ‘De enige met een lange staart? Zie je die? Dat is me een dame. Zij denkt dat ze een haan is. Elke ochtend voordat de zon opkomt begint ze te kraaien. En niet vanuit de ren. Nee hoor. Dat mormel klimt via het dak van de ren de schuur op en presteert het om bij mijn slaapkamerraam te komen. En een hels kabaal dat ze maakt!’ Met een teleurgestelde gelaatsuitdrukking schudde hij zijn hoofd, waarbij zijn smalle staartje op en neer deinde. ‘Het is vreselijk, maar die moet de soeppan in. Die neemt me gewoon in de maling.’ Hij zwaaide met zijn vinger in de lucht en liep verder langs de woning.

Esther keek naar de oproerkraaister, een onschuldige kip, die ontspannen met haar poten door het zand heen schraapte en zaadjes oppikte. Vervolgens zag ze een grote pan met kokend water voor zich, waarbij de kromme kippenklauwen onder de deksel uitstaken. Ze gruwde bij de gedachte. ‘Meent u dat nou?’

Louis knipoogde naar haar. ‘Jazeker dat ik dat meen. Vandaag nog als het moet!’ grapte hij. Ook Louis nam Esther vandaag in de maling. Lekker stel die twee, dacht ze, terwijl ze een vrolijke stemming voelde opkomen.

Louis deed een zijdeur open en schopte zijn klompen op de mat. ‘Kom binnen, maar doe wel je schoenen uit, want je loopt anders allemaal troep naar binnen. Dat heb ik liever niet.’

Esther dacht dat Louis weer een grapje maakte, maar zag dat Merel haar schoenen op de mat in de bijkeuken uit deed en op haar sokken naar binnen liep. Ze begreep nu waarom boeren klompen dragen. Zuchtend haalde ze haar schoenveters los en stapte uit haar schoenen. Een gat in haar sok bij haar grote teen verraadde een afgebladderde roodgelakte teennagel die al een tijdje geen aandacht had gehad. Ze sjokte achter Merel en Louis aan naar binnen. Eenmaal over de drempel van de woonkamer, stapte Esther terug in de tijd. Verwonderd keek ze rond in de woonkamer die overging in een bescheiden vierkante keuken. In het keukentje paste alleen een tweepersoons eettafel met twee stoelen. De wanden waren beige en daarlangs hingen vanaf plafondhoogte grote en kleine olieschilderijen. Diverse personen en dieren keken zwijgend in haar richting. De keuken bestond uit een L-vormig keukenblok met daarboven een reling waaraan al het kookgerei hing. Op het gasfornuis stond een oranje, emaillen pan te pruttelen. Uit de pan kwam de heerlijk scherpe geur van prei, uien en kruiden. Normaal zou Esther in de pan kijken wat er werd gekookt, maar ze durfde het niet aan. Ze was bang om er een geplukte kip in aan te treffen die in de ochtend te luid had gekraaid.

Louis wees op de vrije stoelen. ‘Ga zitten alsjeblieft. Merel lust vast wel een kopje koffie. Jij ook Esther?’Esther knikte bescheiden.

Louis pakte een fluitketel van het aanrecht, vulde die met water en zette hem op het gasfornuis. Toen de ketel begon te fluiten haalde hij hem van het vuur met een gehaakte rode pannenlap. Gecontroleerd gooide hij het hete water in een filter met daarin vier afgestreken scheppen gemalen koffiebonen. Vrijwel meteen begonnen de bruinige druppels de bodem van de glazen koffiepot te vullen.

Gefascineerd keek Esther naar Louis, die blijkbaar zo’n type was dat het gebruik van een Senseo pertinent weigerde. ‘Wat bent u aan het koken?’

Louis liet zijn blik even langs de kanten gordijnen naar buiten dwalen voordat hij antwoord gaf. Vervolgens haalde hij de deksel van de pan en keek aandachtig naar het kokende water. ‘Preisoep. Ik had te veel prei vorig jaar. Ook dit jaar wordt een goed jaar voor groente, maar ik kan het niet meer kwijt en dan maak ik soep. Preisoep, met knoflook, aardappel, een dikke wortel en ui. De vriezer ligt helemaal vol. Wil je wat?’

Twijfelend of dat verstandig was keek Esther naar Merel.

Merel twijfelde geen moment en knikte. ‘Lekker hoor, graag.’

Als Merel het aandurfde dan zij ook. ‘Graag Louis, bedankt.’

Terwijl Louis twee borden soep oplepelde keek hij nogmaals naar buiten. ‘Ik dacht het al: die vervelende geit!’ Met een dramatisch gebaar stak hij de soeplepel in de lucht, zwaaide er mee rond en gooide hem in de wasbak. Vervolgens zette hij de twee volle borden soep met zo’n klap op tafel dat de soep deels over het tafelkleed golfde. ‘Ik ben zo terug. Lepels liggen in die lade daar,’ en hij haastte zich naar buiten.

Grijnzend trok Merel Esther mee naar het raam. Ze schoof het kanten gordijntje opzij, totdat ze zicht kregen op Louis die buiten achter een geit aan jaagde.

Het beest stond midden in de groentetuin, die afgezet was met een hek en een touw waaraan diverse belletjes hingen. De geit kreeg Louis in het oog, nam nog snel een aantal happen van het groen en huppelde weg. Het beest mekkerde speels terwijl ze tussen de groentebedjes door rende. Esther en Merel vonden het een komisch gezicht en stonden lachend achter het raam. Na twee rondes kreeg Louis het touw te pakken dat om de geit haar nek hing. Door het enkele glas was het eenrichtingsgesprek dat Louis met de geit voerde goed te horen.

‘Hoe kom jij nou weer hier? Heb je stiekem vleugels gekregen, dame? Het is dat ik geen vlees meer eet, maar anders ging jij in de soep!’

De geit liet zich liefdevol over haar witte kop heen aaien en mekkerde nog een keer terwijl ze naar haar baasje opkeek.

Merel schoof glimlachend het gordijn terug, pakte twee eetlepels en ging weer aan de tafel zitten. ‘Wat een zacht ei,’ mompelde ze zacht.

Esther volgde haar en ging tegenover Merel zitten. Ongemakkelijk pakte ze de lepel die voor haar op de tafel lag. Voorzichtig nam ze een hap van de soep. De eerste hete hap deed haar glimlachen. Dit was lekkerste preisoep die ze ooit had gegeten. De pure smaak van verse groenten en kruiden deed haar goed.

Hoofdschuddend en glimlachend kwam Louis weer de keuken binnen. ‘Bekkie is weer terug naar haar plekkie. Ze is zo slim. Ze weet dat ze daar nieuwe oogst kan gaan eten, maar hoe ze steeds over dat hek heen komt is mij een raadsel.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Dames, hier nog een kop koffie en dan moeten we echt aan de slag. Het loopt anders helemaal uit de hand hier.’

-4-

Frank voelde de kramp opkomen in zijn armen. Ondanks dat de handzaag scherp was, leek hij soms te haperen in het hout. Hij liet de zaag even in de forse tak zitten en strekte zijn armen naar achteren. Hij kreunde toen hij zijn vermoeide armen oprekte en daarbij zijn rug liet kraken. De pijn in zijn rug was op sommige momenten moordend en het kraken zou de pijn maar voor even verlichten. Eigenwijs als hij was, zaagde hij door. Als hij fysiek bezig was, werd hij rustig in zijn hoofd en dat was hem meer waard dan de pijn in zijn rug.

Om zes uur ’s ochtends was Frank begonnen. Op dit vroege tijdstip was er nog niemand op het terrein. Zijn collega’s lagen voorlopig nog op één oor.

Het handgereedschap dat hij nodig had, kon hij uit de schuur pakken. Hij wist waar de sleutel lag en mocht er gebruik van maken. De opdracht was hem duidelijk. Het maakte niet uit wanneer hij het zou doen of waar hij zou beginnen. Van achter de pruimenboom, die als een eenling tussen de overige fruitloze bomen stond, pakte hij zijn met water gevulde bidon en nam een slok. Hij wist dat hij ervoor moest waken om niet elke dag zo vroeg te beginnen. Hij was hier met een reden begonnen: hij wilde zijn aangeleerde vaste patronen én de eenzaamheid doorbreken. Hij zette de bidon terug op zijn plek bij de boom en pakte een appel uit zijn tas. Hij nam een hap en proefde het zoetzure sap in zijn mond. Hij at de appel met klokhuis en al op. Het overgebleven steeltje gooide hij in de bosjes. Nog even doorzagen en dan zou de dikke tak loslaten. Dan kon hij aan de slag met de woekerende bramenstruiken, die het wandelpad zo langzamerhand volledig hadden overgenomen. Nog eenmaal strekte hij zijn armen naar achteren en omhoog, zette zich schrap en pakte de zaag. Het geluid van metalen tanden die door hout vraten ontspande zijn geblokkeerde en afgestompte geest. Toen hij de laatste vier centimeter doorzaagde, groeiden de zweetdruppels op zijn voorhoofd en gleden ze over zijn slaap langs zijn gezicht naar beneden.

Moe maar voldaan pakte hij de afgezaagde tak en trok hem met beiden handen achter zich aan op het bospad. Hij slaakte een diepe zucht. ‘Eindelijk!’ De tak zou hij straks in stukken zagen, maar eerst zou hij met de snoeischaar de bramenstruiken een kopje kleiner maken. Frank was blij dat hij een paar werklaarzen had meegenomen om zijn enkels te beschermen. De gemeen scherpe doornen haakten op kniehoogte in zijn spijkerbroek. Hij stapte achteruit en bekeek hoeveel werk er nog te doen was. Als hij de vijf meter wilde afkrijgen, dan zou hij flink door moeten snoeien. Het was een fysieke uitdaging en dat beviel hem wel. Hij pakte de snoeischaar vast aan beide handvaten en hief hem hoog boven zijn hoofd. Hardop riep hij: ‘Is iedereen klaar voor de beste en snelste bramensnoeier van het universum?!’ Hij keek om zich heen en luisterde aandachtig, hij kreeg zoals verwacht geen antwoord. Het enige wat hij hoorde was een ritmisch tik, tik, tik, tik. Slechts het kenmerkende geluid van een specht, die ook al vroeg wakker was en al hamerend met zijn snavel op zoek was naar zijn ontbijt.

Als iemand Frank hier zo hardop zou horen praten, dan zou diegene denken dat hij gek geworden was. De laatste weken was hij opvallend stil en had hij weinig met mensen in zijn omgeving gesproken. Waar een ander de behoefte had om veel te praten, had hij dat zelf totaal niet. Ze zouden zich over zijn harde stemgeluid hebben verbaasd. Hij sprak zelden met luide stem en maakte nog minder grapjes. In ieder geval stukken minder dan dat hij vroeger deed. Het lachen om het leven was hem al jaren geleden vergaan.

Iets zachter zei hij de woorden nogmaals tegen zichzelf. Hoofdschuddend keek hij naar de scherpe delen van de snoeischaar, terwijl hij zich afvroeg waarom hij het deed. Het maakte de eenzame situatie nog gênanter. Met het schaamrood op zijn kaken begon hij vlug te snoeien. Het was een regel van de stichting dat er alleen gebruikgemaakt mocht worden van je eigen spierkracht en handgereedschap.

Gemotoriseerd gereedschap was uit den boze, ook als het weinig lawaai produceerde. Iedereen hield zich aan deze afspraak. Soms was het een rotklus en zat Frank aan het einde van de dag gebroken bij te komen, vol met schaaf- en blauwe plekken op zijn lichaam. Ook deze klus was vermoeiend, maar gaf hem tegelijkertijd een oppeppende dosis energie. Het was gek dat fysieke inspanning hem zoveel meer opbracht dan het gebruiken van zijn beschadigde hersenen. Frank boog voorover en knipte de dikke stammen van de bramenstruik tien centimeter van de grond af. Om de tien takken trok hij ze los en legde ze bij de afgezaagde tak van de perenboom neer. De lange strengen samen stapelden zich snel op. Frank schatte de situatie in. Het zou efficiënter zijn als hij een kruiwagen zou gebruiken, dan hoefde hij het groen niet nog drie keer door zijn handen te laten gaan. Met ferme pas liep hij naar de schuur en pakte daar een van de groene kruiwagens die netjes in het gelid rechtop tegen de zwart geschilderde houten wand stonden. Op de zijkant stond een nummer geschreven. Kruiwagen nummer 1 mocht vandaag met hem mee op pad.

Frank zette de kruiwagen op zijn wiel en reed hem behendig de schuur uit. Buiten de schuurdeur bleef hij staan en overzag de groene vlakte. Naast wat voorzichtig fluitende vogels was alles nog volledig in rust. Het was onvoorstelbaar dat deze groene vlakte vroeger zee was geweest. Mensenhanden hebben hier groen en leven gecreëerd, peinsde hij. Als dat mogelijk is, dan kan ík mijn leven toch ook aanpassen en opnieuw inrichten? Hij moest alleen een manier vinden om de gedachten die hem zo belemmerden om normaal te functioneren, als water weg te pompen. Pas dan kon hij weer gelukkig zijn in zijn lijf en hoofd. ‘Simpel toch,’ mompelde Frank tegen zichzelf toen hij verder liep.

De kruiwagen piepte bij elke volledige ronde die het wiel draaide. Het gepiep werkte hem op zijn zenuwen en met een klap gooide Frank de kruiwagen ondersteboven. Tegen het kleine wiel zat een tak met bladeren geklemd die het gepiep veroorzaakte. Hij trok de tak tussen het wiel vandaan en nu draaide het wieltje soepel rond. Het storende geluid was weg. Hij zette de kruiwagen weer overeind en reed hem naar de wachtende berg bramenstruiken. Nog gefrustreerd van de prikkels die het geluid bij hem had opgeroepen, pakte hij de snoeischaar. Zonder te stoppen knipte hij de doorntakken los van hun stammen, tot aan het einde van het pad dat langs een smalle sloot liep. Een deel van de doornige strengen bleef achter zijn laarzen haken. Hij schopte ze van zich af en ging aan het eind van het pad zitten om bij te komen en zijn opkomende woede onder controle te krijgen. Bokkig trok Frank zijn knieën op en keek voor zich uit naar de kleine open plek met het hoogstaande gras. Hij had zichzelf aangeleerd om de vormen in de natuur te observeren en te herkennen. Het leidde zijn gedachten af. Als dat niet werkte, dan had hij een plan B: het luisteren naar de geluiden om hem heen. De boom voor hem had een groene kroon als een halve maanvormige cirkel. Als een denkbeeldige reuze Japanse bonsai overgroeide hij een deel van de open plek voor hem. Hij voelde zijn boosheid minder worden. Hij verwonderde zich wederom om het moois dat hij zag in de natuur. De mens kan maken en de mens kan breken, dacht hij. Hoe was het toch mogelijk?

Frank pakte vanuit zijn fleecevest een antiek, rechthoekig blikje waarin een aantal bruine slechte gewoontes op een rij lagen. Natuurlijk wist hij dat hij moest stoppen met roken. Sigaretten rookte hij niet meer, maar zo nu en dan een sigaartje hielp hem de dag door. Er was niemand die het hem afraadde of verbood. Het blikje was van zijn opa geweest. Het was meer dan honderd jaar oud en was overgedragen aan Franks vader. Frank zuchtte bij de gedachte aan zijn vader, die het afgelopen jaar plotseling ter aarde was gestort en niet meer opstond. Hij pakte een dunne sigaar uit het blikje, dat een reliëf van paarden had, en stak deze op.

Met slechts het getik van de specht op de achtergrond, keek Frank zwijgend langs de bomen over de grasvlakte. Zijn blik werd als een magneet getrokken naar een beweging verderop in het veld. Er waren loslopende paarden in het gebied. Zijn collega’s hadden ze vaker zien ronddraven. Soms waren de dieren zo nieuwsgierig dat ze dichtbij durfden te komen. Een enkele keer hadden ze zich aan laten raken. ‘Paarden,’ mompelde Frank wederom zacht tegen zichzelf, ‘gevoelige dieren die bewustwording kunnen creëren en je in contact kunnen brengen met je gevoel.’ De hulpverlening had hem deze vorm van therapie verschillende keren aangeraden. Frank had geweigerd. Hij kon zich niet voorstellen dat deze methode voor hem werkte. Hoofdschuddend nam hij een trek van zijn sigaartje. In de tijd dat hij buiten werkte, was er nog nooit een paard naar hem toe gekomen. Zelfs, of beter gezegd, juist een edel dier kon aanvoelen dat hij dagelijks met een verdoofd gevoel rondliep. Op voorhand had de kudde de hoop al opgegeven.

Langzaam stond Frank op en liep gebogen de bonsaiboom voorbij, zodat hij een beter zicht kreeg op de uitgestrekte vlakte. Met zijn tong maakte hij een klakkend geluid. Een dier dat stond te grazen stak geschrokken zijn kop of hoofd op en rende uit zijn gezichtsveld. Frank nam een laatste trek van zijn sigaartje en stak nadenkend de filter in de grond. Wat het ook was, het had een typisch loopje toen het er vandoor ging. Misschien was het mank en moest het afgeschoten worden. Hij had geen verstand van de jachtwet en wist niet of paarden daar ook onder vielen.

Door het hoogstaande gras en de afstand kon Frank niet inschatten welk dier het was geweest. In een ver verleden had Frank verplicht bij de scouting gezeten. Zijn vader zag dat als een belangrijk onderdeel van zijn opvoeding. Hij herinnerde zich de saaie lessen en verhalen van Eduard, die met een korte broek, opgetrokken legergroene kousen en een rond brilletje vertelde over sporen zoeken en knopen leggen. Het enige nuttige wat Frank aan de tenenkrommende bijeenkomsten had overgehouden was dat hij op basis van sporen een dier kon identificeren. ‘Ach, waarom zou ik nu ook niet even kijken wat voor dier ik gezien heb?’

Frank liet de snoeischaar en de afgeknipte bramenstruiken achter zich en sprong over een tweede, ondiepe sloot. Voorzichtig drukte hij het hoge gras opzij en stapte er tussendoor, waarbij hij niet kon voorkomen dat het scherpe gras dunne sneetjes in zijn polsen achterliet. Na een meter of honderdvijftig keek hij om. De plek waar hij stond lag lager dan de plek waar hij net had gezeten toen hij het dier voor het eerst zag. Hij keek voor zich uit en zag een open plek, waar het gras plat leek te liggen. Nog een meter of vijf dan was hij er. ‘Wel gloeiende…’ bracht Frank uit toen zijn laars in een kuil met omhoog gegroeide, verharde wortels bleef steken. Hij struikelde voorover waardoor hij met een doffe klap languit op de open plek kwam te liggen.

Mopperend keek hij voor zich uit en zocht met zijn armen naar een stevige ondergrond om weer op te kunnen staan. Franks adem stokte en werd oppervlakkig toen zijn blik iets onverwachts en verdachts zag. Zijn blik werd smaller terwijl zijn ogen zich focusten op het mogelijke gevaar voor hem. Zijn gezicht lag zo dicht bij het gezicht van de vrouw dat hij zeker haar warme adem op zijn huid had kunnen voelen als ze nog geleefd had. Ze had hem bij wijze van spreken bijna kunnen kussen. Een rilling trok van zijn nek door zijn ruggenwervels naar zijn onderrug. Het was onmogelijk dat ze nog leefde. Hij wilde achteruitkrabbelen, maar zijn lijf weigerde.

Frank knipperde een paar keer snel met zijn ogen. Hij had altijd één regel gehad als hij een lijkvinding had: kijk nooit, maar dan ook NOOIT in de ogen. De ogen zijn de spiegels van de ziel. Zelfs hij had dit, met al zijn ervaring, nu niet kunnen voorkomen. Nog liggend in het gras keek hij vanaf nog geen 20 centimeter in de wijd opengesperde ogen met grote pupillen. Er was geen ontkomen meer aan, hij keek recht in haar ziel. Dit was een van dingen die hij nooit meer had willen zien. De fout om in de dode ogen van een slachtoffer te kijken had hij één keer gemaakt. Hij had er toen nachtenlang niet van kunnen slapen.

Als verlamd lag Frank in het gras. Zijn ogen registreerden de wimpers, de wenkbrauwen, de doodse blik en de kenmerkende kleur van het gezicht waaruit het leven voorgoed was verdwenen. Toen zijn ogen alle informatie hadden gevonden en vastgelegd, en zijn hersenen elk detail als een spons hadden opgezogen, kon hij zijn oogleden pas sluiten. Maar het was niet gewoon sluiten. Frank perste z’n ogen dicht, alsof er een storm op komst was. Een moment van rust en bezinning volgde. Hij had een keuze. Hij kon handelen, maar ook weggaan en het overlaten aan een ander. Het was een simpele keuze. Hij kon en mocht gewoon weg. Niemand dwong hem om te blijven.

Dit was het moment dat hij van de grond omhoog moest krabbelen en de politie moest gaan bellen. Ook al wilde hij het niet, het was al te laat en er was geen houden meer aan: Franks politiebrein kwam op gang. Zijn ogen openden zich en flitsten onderzoekend over het plaats delict voor hem. Dit beheerste hij; hij had dat zo lang gedaan. Hij bevond zich op een plek die te maken had met een nog te duiden gebeurtenis en die informatie bevatte die hij in een ogenblik aan elkaar zou kunnen koppelen. Met zijn oog voor onregelmatigheden, bewijs en detail, zou hij uiteindelijk tot een conclusie van dat moment kunnen komen.

Nogmaals bekeek Frank de details die hij al had gezien, maar nog niet had geregistreerd met de blik

van de rechercheur die hij in het verleden was geweest. De ogen van de vrouw waren blauw en ze droeg geen make-up. Haar mond met volle lippen stond deels open en ze had een litteken van een centimeter boven haar lip, rechts van het snotgootje of filtrum. Hij zag een klein stukje van haar voortanden, waarvan die rechtsboven iets naar achteren stonden. Hij zag de kleine roze pareloorbellen in beide oren.

Geconcentreerd ademde hij in en uit. Zijn neusvleugels klapten iets naar binnen toen hij zeep rook. Het was wasmiddel of shampoo. De geur was niet bloemig. Het was fris, zonder te zware parfum.

Zorgvuldig krabbelde Frank naar achteren, waarbij hij nauwlettend keek of zijn handen geen sporen raakten. Eenmaal op zijn knieën schatte hij in dat de vrouw rond de vijfentwintig jaar oud was. Het gras waarop ze lag was platgelegd of -gerold. Haar nek was omhoog gericht, alsof ze op het laatste moment om hulp had geschreeuwd. Maar niemand zou nog woorden van haar horen. Ze was dood, morsdood. Er zat geen beweging meer in.

Een sprinkhaan sprong van het gras op haar schouder, tjirpte even en sprong aan de andere kant van het levenloze lichaam af. Voor de rest was het lange gras dat meewaaide met de wind het enige wat te horen was.

Frank bekeek haar kleding. De jonge vrouw droeg een spijkerbroek, gympen en een wollen trui met ruime hals. Haar onderlichaam was niet ontkleed, waardoor de kans op een zedenmisdrijf kleiner was, maar nog niet volledig uitgesloten. Hij stond op en keek nog eens goed. Hij fronste terwijl hij de zijkant van haar hoofd aanschouwde. Een diepe rimpel verscheen op zijn gezicht. Wat hij zag had hij één keer eerder gezien.

-5-

‘Pas op je hoofd als je naar binnen loopt. Het plafond is hier niet hoog en steekt uit.’ Louis liep de schuur in en bukte bij de eerste houten balk met een uitstekende punt.

Esther, die achter Louis aan naar binnen wilde lopen, werd door Merel bij haar arm gepakt.

‘Wacht maar even,’ zei Merel zacht, ‘hij doet de zijkant zo open.’ Vervolgens trok ze Esther mee naar de zijkant en wachtte totdat de houten schuifdeur krakend openging. In het naar binnen vallende zonlicht kwam een schuur vol met oude spullen in beeld, terwijl een oude-mensen-lucht naar buiten ontsnapte. Houten secretaires, Franse fauteuils waarvan op het zitvlak of leuningen de ooit luxe stof deels vergaan was of begon te scheuren. Een houten spinnewiel, porseleinen potten en vazen, houten tafels en banken en meerdere schilderijen met gedateerde landschapstafereeltjes.

‘Wow!’ Esther wist niet waar ze kijken moest en registreerde haastig wat er in de rechthoekige ruimte allemaal opgeslagen stond. Het was een eeuw aan verzamelde meubelen die eigenlijk in een museum of antiekwinkel zouden moeten staan.

‘Vorige week hebben ze weer een vrachtwagentje gebracht,’ zei Louis dromerig, terwijl hij over een geborduurde leuning van een stoel aaide. ‘Ik snap niet hoe ze aan mijn naam komen. Ik neem het allemaal maar aan. Het is werkelijk zonde als dit allemaal in de kraakwagen terechtkomt.’

‘Kraakwagen?’ Esther kende het woord niet.

‘Ja,’ antwoordde Louis, ‘de kraakwagen is zo’n vuilkar met perscontainer. In Nederland noemen jullie het een vuilniswagen. Maar wat nog erger is, is als al het hout de kachel ingaat.’

Merel bleef bij een oude, houten kast staan, bekeek hem bewonderend en liet haar vingers over de gladde rug van een uitgesneden edelhert glijden. Het reliëf van het dier maakte deel uit van een groter wildtafereel, dat tot in detail uit het hout was gesneden. ‘Wat onvoorstelbaar mooi zeg.’

‘Kijk maar wat je kan gebruiken,’ grinnikte Louis. ‘Als betaling mag je de geit meenemen. Of we houden het op het standaardtarief.’

Schaterend stak Merel haar duim omhoog. ‘De geit, heel graag de geit, Lou.’

Een antieke fauteuil met gecapitonneerde knopen trok Esthers aandacht. Als gehypnotiseerd bleef ze staan. Het meubel met bordeauxrood velours was ooit ongetwijfeld een blikvanger geweest. Nu zat er een gat in de zitting en de vulling piepte naar buiten langs de opgekrulde stof.

‘Vind je hem mooi?’

‘Ja, heel mooi.’ Esther zakte zwijgend op haar hurken om de slijtage van de zitting te bekijken. ‘En tegelijkertijd zo triest dat een stuk geschiedenis er zo bij staat.’ Ze bestudeerde de in hout uitgesneden rozen aan de bovenkant van de rugleuning. Melancholisch bekeek ze de rozenblaadjes, waarvan zelfs de kleine karteltjes zichtbaar waren. ‘Zo gedetailleerd en met liefde gemaakt, en zo zonde.’

‘Jij bent hier voor het eerst,’ zei Louis terwijl hij naar de stoel wees. ‘Als je hem mee wilt nemen, dan moet je dat zeker doen. Geen probleem, de eerste is een gift.’ Hij stak een tweede vinger op. ‘Als je hier een tweede keer komt, dan is die kraaiende kip voor jou.’

‘Meent u dat nou?’ Esther negeerde de opmerking over de kip en keek van Louis naar de stoel.

‘Zeker dat ik dat meen. Ik heb veel te veel en als je zo vol bewondering naar een meubel kan kijken, dan zijn jullie voor elkaar gemaakt.’

‘Nou graag, wat ontzettend aardig,’ zei Ester. ‘Ik neem ‘m mee.’

In een mum van tijd vond Merel wat ze zocht. Samen met Esther tilde ze een drietal secretaires, twee fauteuils en een kerkbankje met leeuwenpoten de bus in.

Esther zag Merel honderdvijftig euro in briefgeld aan Louis betalen. Het was veel te weinig voor het erfgoed dat hij van de hand deed, maar Louis keek tevreden. Hij wist dat ze de meubels waar nodig zou restaureren en doorverkopen. Ze kregen weer een plek in een woning bij een antiekliefhebber en niet in een achteraf gelegen schuur, een vuilnisbelt of open haard. Twijfelend liep Esther weer terug naar de fauteuil. Wat moest ze eigenlijk met een kapotte stoel met hooi?

‘Waarom twijfel je nog? Je kan hem toch opnieuw laten stofferen? Beetje krijn of kokosvulling erin. Hoppatee, klaar,’ zei Merel, terwijl ze naast haar kwam staan en ongevraagd meedacht.

‘Krijn?’ Esther stootte Merel met haar schouder aan. 'Ik weet niet eens wat je zegt. Weet je wel wat het kost om een stoel te laten opknappen?’

‘Dan doe je het toch zelf? Ik weet zeker dat je het kan. Tenminste,’ zei ze, terwijl ze Esther terugstootte tegen haar schouder, ‘als je het geduld op kan brengen.’

Pruilend keek Esther naar de fauteuil, ging weer door haar hurken en mompelde het nieuwe woord dat ze had geleerd. ‘Krijn’. Merel had gelijk. Ze kon een poging wagen, zeker nu de fauteuil op zijn Vlaams weggeven werd. Beter dan gratis zou het niet worden. Als het niet zou lukken, dan liet ze hem alsnog door een stoffeerder afhalen of kon ze hem wegbrengen. ‘Nogmaals heel graag Louis, het is een eer om de stoel mee te nemen.’

Verheugd klapte Louis in zijn handen. ‘Helemaal mooi! Met liefde en bewondering.’

Esther tilde met moeite de stoel op, die door het massieve hout verrassend zwaar was. Ze liep schuifelend naar de vrachtwagen, waar ze hem samen met Merel naar binnen tilde. Merel verschoof de stoel naar een vrije plek in de laadbak en zette alles vast met spanbanden. Louis liep naar het laadruim.

‘Was dat alles, Merel? Willen jullie nog wat eieren mee? Verser en biologischer dan deze bruine rakkers kun je ze niet krijgen. De dames hebben er zelf vrije uitloop van gemaakt.’

‘Doe er maar tien.’ Merel sprong uit het ruim en opende het portier van de cabine. Van onder de stoel pakte ze een kartonnen eierdoos en gaf hem aan Louis. Vervolgens stak ze hem nog vijf euro toe.

Louis schudde zijn hoofd. ‘Dat hoeft niet. Dat is te veel.’

‘Doe nou niet zo en neem het gewoon aan.’ Merel stopte het briefje in zijn hand. ‘Je helpt mij zo goed en je matst mij al zo vaak. Als het kon, dan had ik honderd eieren van je meegenomen, maar ik ben bang dat die de reis niet overleven.’

‘Nou goed dan.’ Louis pakte het geld aan en verdween richting het kippenhok.

Esther glimlachte. ‘Wat een vriendelijke man.’

‘Ja.’ Merel knikte bevestigend. ‘Te vriendelijk die ouwe. Zo zijn ze lang niet allemaal.’

Na enkele minuten kwam Louis terug met een gevulde doos. Voordat hij de eieren aan Merel gaf, opende hij de doos en controleerde voor de zekerheid nog even of de eierschalen geen breuken hadden of beschadigd waren.

Nadat Merel hem op haar overdreven enthousiaste manier bedankt had voor de goede zorgen, stapten ze in de vrachtwagen. Op naar de volgende locatie. Uitbundig zwaaide Louis hen na toen ze van de woning wegreden.Achter Louis’ rug zag Esther de geit naar de zijkant van de woning rennen, haar slanke achterpoten tegen een houtblok afzetten. Moeiteloos sprong ze over het houten hek de groentetuin in. Ze draaide haar raam open. ‘De geit Louis! Ze springt op het houtblok!’

Verschrikt draaide Louis zich om, zwaaide nog eenmaal naar hen en liep vervolgens quasi-mopperend naar de speelse Bekkie, die doelgericht naar de jonge, groene slablaadjes rende.

-6-

Het kantoor was een stuk minder goed onderhouden dan het groen buiten. Het had gedateerd bruinig behang, waarvan de lijm zo uitgedroogd was dat het op een aantal plekken los begon te laten. Een vijftig jaar oude opgezette vos staarde met zijn ingezette glazen ogen de ruimte in, net als zijn buurman, een rode eekhoorn met een stoffige, rode staart. Beide waren ooit in beslag genomen. Ook stond er een dossierkast, met daarin oude ordners, volgepropt met handgeschreven administratie die terugliep tot begin jaren ‘90, en dit alles bepaalde dit de sfeer van het kantoor. Het was saai met oude troep waar niemand meer naar omkeek, maar voelde wel veilig en vertrouwd.

In het kantoor zat Frank peinzend te wachten. Voor zich zag hij nog steeds de jonge dode vrouw met de kortgeknipte donkere haren in het gras liggen. Hij had eerder een soortgelijke situatie gezien tijdens een unieke huiselijk-geweldzaak. Die kwam een aantal jaren geleden op zijn bureau terecht, in de periode dat hij coördinator van alle huiselijk-geweldzaken van zijn district was. In die jaren had hij veel zaken onderzocht en de onderste steen proberen boven te halen voor de slachtoffers: vrouwen en kinderen, maar ook mannen, die binnen de huiselijke kring, fysiek of psychisch werden mishandeld. ‘Tegenwoordig heb je voor alles een opleiding nodig, behalve voor een kind opvoeden of een relatie onderhouden,’ mopperde hij, terwijl hij een slok nam van zijn koffie, die al aardig afgekoeld was.

Eén keer wist Frank nog precies, hij had net een complexe zaak afgerond waarbij een aangeefster voortdurend door haar partner werd bewerkt met sigaretten en een tacker.

Er was een vrouw aan de balie van het politiebureau gekomen. De baliemedewerkster probeerde haar naar huis te sturen, omdat er volgens haar geen sprake was van huiselijk geweld. Het was achteraf onwetendheid van de medewerkster en bovendien was de huiselijk-geweldmaterie complex. Over de juiste kennis beschikken en de vaardigheid hebben om de juiste vragen te stellen waren bij dit soort zaken essentieel. Als het ging om het opzettelijk pijn en letsel toebrengen, dan kon Frank de beoordeling makkelijk maken.

De baliemedewerkster had deze vaardigheid duidelijk niet. Ontdaan door de reactie van de baliemedewerkster, weigerde de vrouw het pand te verlaten. De situatie in de centrale hal leek te escaleren, waarop Frank werd gebeld met het verzoek om de situatie verder uit te leggen aan de vrouw.

Zoals vaker reageerde Frank in eerste instantie mopperend maar liep vervolgens toch naar de entree. Dat was de eerste en de laatste keer in zijn leven dat hij een vrouw zag die rondzwaaide met een lange haarvlecht in haar hand. De vlecht zat niet meer vast aan haar hoofd. Enigszins verbaasd over de setting had hij haar naar een aparte ruimte meegenomen, waarbij ze schreeuwend bleef herhalen dat het vandaag haar haren waren en morgen haar nek! Kokend van woede was ze tegenover hem gaan zitten.