7,49 €
Hoofdagent Sara treft een jongen aan met blauwe plekken rond zijn enkels en een raadselachtige tatoeage op zijn pols. Wanneer hij weigert te spreken, probeert ze het symbool te ontcijferen. Hoe verder ze graaft, hoe dichter ze komt bij een verleden dat ze zelf probeerde te begraven. De waarheid blijkt pijnlijker dan zwijgen over wat zich recht onder haar neus afspeelt. Maar hoe lang houdt ze de druk nog vol? Ondertussen worstelt Nancy, Sara's pleegzus, met haar eigen jeugdtrauma. Haar drang om loyaal te blijven brengt haar in de buurt van Aaron, die na de dood van zijn vader antwoorden zoekt in dozen vol oude tijdschriften. Wat hij daarin vindt, had hem rust moeten geven — maar trekt Nancy juist een gevaarlijke wereld in. Wanneer Sara's onderzoek, Aarons zoektocht en Nancy's impulsieve keuzes elkaar raken, beseft Sara dat ze niet alleen een jongen probeert te redden, maar ook zichzelf. Het laatste puzzelstuk dat de waarheid onthult, ligt bij iemand die liever sterft dan spreekt. Een beklemmende, karaktergedreven literaire thriller vol psychologische spanning, duistere geheimen en een sterke vrouwelijke hoofdpersoon die haar eigen demonen moet trotseren.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 419
Veröffentlichungsjahr: 2026
LichaamseigenMijn waarheid… mijn donkerblauwe zonde…
LichaamseigenMijn waarheid… mijn donkerblauwe zonde
Diantha Heimgartner
Eerder verschenen
(2023) Gedachteloos – Ik vind je terug, hoe dan ook
(2024) Stresssyndroom – Voor altijd gevangen…
Disclaimer
Dit boek is een fictief werk dat geïnspireerd is door elementen uit bestaande misdaadzaken. Overeenkomsten met bestaande personen of gebeurtenissen zijn toevallig of het gevolg van literaire verwerking.
© 2025 Diantha Heimgartner Alle rechten voorbehouden. Geen enkel onderdeel van dit boek mag worden gereproduceerd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
Eerste druk 2025
Auteur: Diantha Heimgartner
Coverdesign: Diantha Heimgartner
ISBN: 9789403850382
Uitgeverij: Bookmundo
Er zijn mensen die handelen
waar anderen wegkijken.
Hun keuzes vormen de waarheid
die niemand anders durft te dragen.
Het is de stilte,
of het wegkijken
die het hardst schuldig maakt.
Het diepe is donker. Het koude water stroomt sneller dan normaal. Of het zijn mijn laatste gedachten die me aanmoedigen te doen wat ik moet doen – springen. Zodra ik in het water duik, zullen demonen mijn enkels grijpen en me het duister in sleuren. Ze zullen me niet loslaten. Ik heb het verdiend. Ik hád een keuze. Ik kón luisteren, maar ik dééd het niet. De drang om mijn wil te volgen was sterker.
‘Je verdient dit,’ zeg ik. Mijn hese stem drijft me naar de stenen rand. Ik kijk omlaag naar mijn naakte lichaam. De donkere haren op mijn armen staan overeind van de kou. Mijn buik is vol van mijn laatste maaltijd. Ik koos warme soep, die mij niet zal verwarmen in de koude stroom naar mijn einde. Ik voel me vies van zonden. Ik kwam hierheen zonder me te wassen. Mijn naakte huid schreeuwt schuld. Ik werp nog een blik op de stapel kleding, netjes opgevouwen, eenzaam achter mij op de grond, als een stille grafsteen. Onder mijn schoenen ligt een baksteen met een brief: het enige tastbare dat overblijft van mijn bestaan. Een anonieme brief vol spijt. Nog één keer kijk ik wanhopig om me heen. Is er iemand die me kan redden? Redden van mezelf?
Mijn tenen steken over de rand. Onder mij kolkt de donkere stroom. Aan de overkant gloeien de lichten van het bedrijventerrein. Wazig, alsof er zeep in mijn ogen prikt. De slaapmiddelen krijgen langzaam vat op me. Het is niet de bedoeling dat ik mezelf kan redden, ook al ben ik een goede zwemmer. Daardoor viel ik door de mand, mijn voorliefde voor zwemmen… Als ik er goed over nadenk, heb ik het verdiend. Ik zie de verwoestende beelden opnieuw en opnieuw. De pijn, de angst, de duidelijke nee…
De stemmen die tegen me spreken zijn hard. Ze praten over de impact, de zelfmoorden en de pijn die ik heb veroorzaakt. Het leed dat ik met mijn geboorte de wereld inbracht. Ik kan het niet meer terugdraaien. Ik ben een machtsbeluste, egoïstische wolf. Er is niemand die mij kan vergeven. Ik heb dingen gedaan die ik nooit meer kan vergeten. Mijn bestaan moet gewist worden.
Ik spring niet. Ik laat me voorover vallen, mijn handen op mijn rug. Wanneer mijn lichaam het water raakt, voelt het als gewapend beton. Ik prevel een gebed, woorden die in mijn leven nooit waarde hebben gehad. Ik smeek om vergiffenis, waarvan ik weet dat ik die niet zal krijgen. De wereld zal van mij verlost zijn, maar ik weet: er zijn nog vele anderen. Vandaag één minder.
Mijn adem stokt door de kou. Ik laat me meeslepen totdat ik de kramp voel die gedempt lijkt door de medicijnen. Mijn gebed eindigt. Tot in de eeuwigheid, amen.’
De verwarmde loods, gebouwd voor blinkende oldtimers, was immens, met grote roldeuren aan de voor- en zijkanten. Aan de linkerzijde stond een brug, waar liefhebbers hun auto brachten om eraan te sleutelen. Het was specialistisch werk; reclame was niet nodig. Men vond het bedrijf via mond-tot-mondreclame.
Aaron staarde naar de glimmende lak. Oldtimers waren de grote liefde van Aarons vader, Max. Elk van de zevenentwintig voertuigen straalde perfectie uit: elk detail, elk stukje glanzend chroom. Er stond een fortuin, maar Aaron zag geen geld. Hij zag herinneringen. De trots van Max. Vandaag zouden ze allemaal verdwijnen, één voor één. Aaron beet op zijn lip. De glans raakte hem, zoals alleen herinneringen dat kunnen. ‘Zijn we er zeker van dat we dit willen?’ vroeg hij zacht.
‘Ja, natuurlijk,’ antwoordde Eric zakelijk. ‘Ik heb nooit iets met het bedrijf gehad. Als we iets voor onszelf willen, dan is dit de enige optie. Ook met het oog op de toekomst.’
‘Ja, maar…’
‘Ja. We begrijpen het, papa’s kleine lieveling,’ zei Eric met een lichte sneer. Hij wendde zijn hoofd meteen af en streek door zijn bijna zwarte haar.
Wanneer het over Aaron en de band met zijn vader ging, hoorde hij vaak steken onder water. Hij had nooit goed kunnen plaatsen waar de opmerkingen vandaan kwamen. Het verstandigste was ze te negeren.
Mathias, de middelste zoon, zag Aarons gezicht vertrekken. Broederlijk sloeg hij zijn arm om Aarons schouders en trok hem naar zich toe. ‘Grapje, broertje, Eric bedoelde het niet zo. Maak je niet druk. Je kunt straks doen wat je wilt: start een bedrijf, koop een huis, ga op vakantie. Weet ik veel. Geniet. Leef!’
Drie maanden geleden had Aaron zijn vader dwangmatig de velgen zien poetsen met een speciale doek, die ervoor zorgde dat ze glommen als spiegels. Dat was meteen de laatste keer geweest, exact vijf weken nadat Max had besloten het autobedrijf over te dragen aan zijn drie zonen. Na de laatste handtekening hadden ze hem levenloos in de keuken gevonden. Het enige wat Eric zei: ‘Gelukkig hier en niet liggend op een motorkap.’
Nu waren de drie musketiers overgebleven. Als weeskinderen, want hun moeder Dolly was al jarenlang niet meer in beeld. Aaron was zeven toen ze onverwacht vertrok. De vrouw die hem had gebaard, had hij nooit meer gezien. Ze was verdwenen met een flinke dot geld van Max’ bankrekening. Een bedrag waarover zijn vader met pijn in zijn stem sprak, alsof Dolly zijn favoriete auto – een Austin Healey 3000, bouwjaar 1966, cabrio, kleur rood – uit de garage had gereden. Max wist de waarde van alles keer op keer te vergelijken met die auto, waar hij ooit met leren handschoenen grijnzend achter het stuur had gezeten.
Aaron zou zijn vader het meeste missen, maar het werk in de autobranche niet. Het was nooit zijn roeping geweest. Als een timmermanszoon had hij alle kennis opgezogen die werd overgedragen, maar dat deed hij alleen om bij zijn vader te zijn. Hij luisterde trouw naar de verhalen over onderhoud, onderdelen en het reviseren van motoren. Max bezat een heel netwerk van contacten en partners, en daar onderhield hij regelmatig contact mee. Achter gesloten deuren, want hij vertrouwde niet zomaar iedereen. ‘Ik weet het niet,’ zei hij uiteindelijk.
‘Je hebt over je toekomst nagedacht. Je moet niet twijfelen. Als je iets met dieren wilt doen, doe dat dan nu. Koop dat asiel waar je al maanden over praat. Dan kun je iets goeds doen. Je kunt alle trouwe viervoeters een naam geven en een aai over hun vlooienkop. We zien elkaar nog steeds. We laten je niet aan je lot over, kleintje.’
‘Noem me geen kleintje,’ mompelde Aaron tegen Mathias. Hij wurmde zich onder de arm van zijn broer uit. ‘Hoe laat komen ze de auto’s halen?’
‘Over een minuut of twintig. Het wordt druk. Laten we in de tussentijd een biertje pakken in de kantine.’ Zwijgend liepen ze samen naar binnen, terwijl ze wachtten op de eerste koper.
Ergens was Aaron het er niet mee eens dat het bedrijf zo gemakkelijk van de hand werd gedaan. Het was hun nalatenschap en een deel van zijn jeugd. Alle andere plekken waar hij ooit kwam, zoals zijn oude basisschool en de kroeg, waren inmiddels met de grond gelijkgemaakt en vergeten. Hij miste die locaties, omdat het hem had gevormd. Een stuk tastbare geschiedenis, die verdween en niet meer terugkwam.
De verkoop was, zoals altijd, democratisch besloten: twee tegen één. Zowel zijn vader als zijn broers waren ervan overtuigd dat hij het karakter van zijn moeder had. Was hij daarom zijn vaders lieveling? Als dat zo was, dan was het een twijfelachtige eer. Dolly was ervandoor gegaan toen het haar kennelijk te zwaar werd, en liet haar minderjarige zoon zonder pardon achter.
De eerste trailer kwam het terrein stapvoets oprijden. Mathias liet zijn biertje op de tafel staan en liep naar buiten. Aaron keek verbaasd toe toen een deel van de verkoop contant werd gedaan. Hij zag Mathias tevreden knikken, terwijl hij de stapel biljetten dubbelvouwde en in de binnenzak van zijn jas stak. Het doel was om de auto’s zo snel mogelijk de deur uit te krijgen. Mathias keek oplettend toe hoe de wagens één voor één werden geladen. Hij was als de dood dat de verkoop niet zou doorgaan. Voordat de kopers kwamen, had hij elke auto na laten kijken en testen. De schuur had urenlang vol giftige dampen gestaan.
Eric keek uit het raam en telde langzaam mee. ‘Nog zesentwintig te gaan. Nog vijfentwintig, nog vierentwintig.’
‘Ja,’ zei Aaron, terwijl zijn kaken zich verstrakten. ‘Nu weet ik het wel. Je kunt tellen!’
‘Je kunt wel zo negatief zijn,’ zei Eric, zijn blik sarcastisch en hatelijk, terwijl hij met zijn felblauwe ogen over de groene hals van het bierflesje keek. ‘Ach, laat ook… Man, wat ben je toch een softie,’ reageerde hij met rollende ogen, in plaats van zijn zin af te maken.
Aaron zou Eric niet veel meer zien. Dat had hij op voorhand al besloten. Het was een bewuste keuze. Ze hadden geen band, er was geen klik, en hij voelde geen liefde voor zijn broer. Er waren momenten dat hij Eric haatte om zijn gedrag. En dat gevoel vond Aaron al erg genoeg.
Angstvallig keek Aaron weer naar buiten. Er kwam een nieuwe trailer, waar negen voertuigen in konden. De kopers zwommen in het geld. Waar had Mathias ze vandaan gehaald? Hij zag zichzelf in de weerspiegeling van het raam. Hij leek zelfs op zijn moeder, met zijn blonde haar en bruine ogen. En hij was een softie. En dat had ervoor gezorgd dat hij voor zijn neus alles kwijtraakte. Hij had niets ondernomen. Hij was een mietje. Een slappeling. Een…
Opgetogen kwam Mathias de keuken weer binnen. ‘Dat waren de eerste. Als het zo snel gaat, is die loods zo leeg. Als de laatste slee weg is, moeten we de champagne laten knallen,’ zei hij grijnzend. ‘Papa koopt een boot voor zichzelf! Mij zie je voorlopig alleen met een kapiteinspet en een biertje, vastgelijmd in mijn hand.’
‘Ja. Ik ga maar eens naar huis,’ mompelde Aaron vlak. Hij was de aanblik van glimmend chroom en zijn oudere broers meer dan zat.
‘Dag, kleine broer.’ Eric zwaaide nonchalant in zijn richting. Hij wist precies hoe hij Aaron kon raken.
Aaron gooide een vuile blik in Erics richting. Hij kon de grijns wel van Erics gebruinde gezicht afrukken. Wat was het toch een eikel. Een twee koppen grotere eikel. Boos verliet hij de kantine. Alles wat ze hadden geregeld en tot nu toe hadden gedaan, was in eigen belang geweest. Het voelde als een klap in zijn gezicht. Hij voelde zich verraden. Was dit nou familie?
‘Wat bedoel je? Gaat het asiel in de verkoop? Méééh!’ Ergens wist Nancy dat ze het zakelijke gesprek niet had moeten afluisteren, maar haar nieuwsgierigheid won het van het fatsoen. ‘Dat meen je toch niet? En de dieren dan? En wij dan?’ riep ze, terwijl ze boos met haar voet stampte.
‘Er is geen personeel te krijgen, en de kosten zijn hoger dan de inkomsten. Je hebt de stapels facturen gezien. We kunnen niet meer. De rek is eruit,’ antwoordde Erna, hoofdschuddend. ‘Nog twee maanden, Nans. Maximaal.’
‘Er zijn toch fondsen en subsidies? We kunnen iets anders doen. Een crowdfunding?’ ging Nancy met luide stem verder.
‘Ja, die zijn er. En er is nog spaargeld, maar dat is geen bodemloze put. De zomer komt er weer aan, en je weet wat dat betekent: meer gedumpte dieren en meer kosten. We kunnen het niet meer aan. Luister, Nancy, dit is voor ons ook geen gemakkelijke keuze.’ Ontdaan keek Erna naar haar schoenen om Nancy’s wanhopige gezicht te ontwijken. Ze had het zwaar, haar oogleden waren gezwollen van het huilen. ‘Alles is duurder geworden.’
Uit frustratie stampte Nancy opnieuw. Ze was woest, en het idee dat ze niets aan de situatie kon veranderen, maakte haar nog bozer. Wie wilde er nou een gedateerd asiel overnemen? Het was onmogelijk. De stekker zou eruit getrokken worden. Met tranen in haar ogen stormde ze het kantoor uit. Met een klap sloeg ze de deur dicht. Dikke tranen stroomden over haar wangen toen ze naar de kennels liep, op zoek naar het kleine hondje op wie ze vanaf de eerste aanblik verliefd was geworden. Buddy, de kleine pluizige terriër die meer blafte dan alle anderen, kwispelde meteen toen hij haar zag. Ze opende het deurtje van de kennel. Met een korte aanloop sprong het dier in haar armen. ‘Wat gebeurt er dan met jou?’ snikte Nancy.
De tachtigjarige eigenaresse had de kleine hond een paar weken eerder achtergelaten toen ze naar een verzorgingstehuis ging. Het dier was lief en verwend, kon alleen ‘zitten’ op commando en blafte flink. Desondanks had Nancy een zwak voor zijn keffende karakter. Ze knuffelde en aaide hem totdat de woede een beetje gezakt was. ‘Ik moet een goed huis voor je vinden, vriendje. En ook voor de anderen.’
Machteloos keek ze om zich heen. Haar aanwezigheid zorgde voor tumult onder de anderen. De honden keken haar verwachtingsvol aan. Hun staarten zwiepten enthousiast op en neer. Allemaal wilden aandacht en een rondje door het bos rennen. Nancy voelde zich schuldig dat ze de dieren niet allemaal tegelijk mee kon nemen. ‘Ik weet het. Ik weet het. Jullie willen allemaal uitgelaten worden. We gaan allemaal buiten een stukje wandelen.’ Nog één keer aaide Nancy de zachte vacht. ‘Braaf, Buddy, je bent een braaf hondje. Heel braaf.’ Een kleine tong likte liefkozend haar gezicht. ‘Een kusje, dat is lief. Rocco, Rex, Iwan en Jo, jullie mogen eerst mee naar buiten. Ik ga de hondenriemen halen. Dan gaan we samen een stuk rennen. Ik doe met jullie mee. Even alle energie eruit.’ In een vluchtige beweging streek Nancy haar korte asblonde haar achter haar oren en liep naar de kleedkamer met kluisjes, waar ze een paar regenlaarzen aantrok die een maat te groot voor haar waren. Die neem ik mee als we sluiten, dacht ze baldadig. ‘Wie zou dit nou willen kopen… Wie zou voor hen zorgen als ik het niet doe?’ zei ze tegen haar pluizige vriend. ‘Nee. We gaan de strijd aan, kleine man.’
Aan Nancy’s voeten trippelde Buddy braaf mee. Hij piepte kort en hief trots zijn kleine kop naar haar op.
Aaron had de koffiemomenten bij de notaris het liefst zo snel mogelijk achter de rug. Het waren saaie en beladen gesprekken. Hij wist dat elk woord geld kostte. Vermoeid had hij voor zijn kledingkast gestaan om na lang zoeken een colbert, overhemd en nette broek te vinden. De set kleding zou hij voortaan op een vaste plek leggen voor toekomstige afspraken en andere treurige aangelegenheden.
Na de verkoop had Aaron zijn broers niet meer gesproken. Zuchtend keek hij naar de wijzerplaat op zijn horloge. Zoals gewoonlijk kwamen ze te laat, iets wat hem mateloos irriteerde, en wat hij zelf nooit zou doen. Zes minuten na klokslag tien uur kwam Mathias binnen. Hij mompelde een goedemorgen en een excuus over het verkeer, en ging met een slaperig gezicht zitten. Hoewel hij zich gehaast had en half wakker oogde, zag hij er onberispelijk uit. Zijn liefde voor merkkleding en charmante gedrag zorgden ervoor dat zijn te laat komen hem werd vergeven.
Een brommend geluid klonk in de verte. Aaron spitste zijn oren. Hopend, maar tegen beter weten in, keek hij met samengeknepen billen naar het raam. Hij wist dat het Eric was. Hij keek vanaf het notariskantoor langs de parkeerplaats, waar een lange man op een ijzeren ros kwam aangereden.
Geïrriteerd perste Aaron zijn lippen op elkaar. Ja, het was Eric. Hij zuchtte gefrustreerd toen hij besefte dat zijn broer al zijn geld had uitgegeven aan een nieuwe motor. Als klap op de vuurpijl parkeerde hij het racemodel recht voor het raam. Ongemanierde macho, dacht hij boos. Ergens hoopte hij dat de motor om zou vallen en kennis zou maken met de tegels. Deze gedwongen ontmoeting zou door de krassen op de lak dan meer jeu krijgen.
Alsof de motor niks woog, zette Eric hem op zijn standaard en klikte zijn beschermende schedel los. Ondanks de rit en het dragen van de motorhelm kwam Erics donkerbruine Elvis-haar er perfect onderuit. Als een filmster draaide hij zich om, waarbij hij de blik ving van twee passerende vrouwen die op een afstand naar hem keken. Niet om het asociale gedrag, dat zo kenmerkend was voor zijn karakter, maar om giechelend naar hem te zwaaien.
Aaron wist dat Eric aantrekkelijk was. Het irritante was dat zijn broer dat zelf ook wist. Zijn bescheidenheid had hij met hoge snelheid op het wegdek gelaten. Vriendelijk lachend zwaaide hij terug, om vervolgens vertraagd met zijn helm onder zijn zwartleren arm naar binnen te lopen. Met een ‘mogguh’ en het uitblijven van een excuus plofte hij op een vrije stoel, waarbij hij zijn krakende leren jas losritste, maar wel aanhield. De spanning in de ruimte stond zo strak als het thermoshirt dat om Erics borst spande.
Gegeneerd keek Aaron weg. Hij was blij dat hij zijn broers goed genoeg kende om de officiële afspraak een kwartier later te laten beginnen. De notaris zou zich vandaag minimaal aan de broers ergeren.
Met een gespannen gezicht keek Aaron naar het houten bureau, waar een map de papieren verborg als een schat. De documenten lagen klaar om getekend te worden. Dit was het dan. Ergens had hij verwacht dat de laatste afhandelingen langer op zich zouden laten wachten. Het kostte een aantal maanden om de laatste rotte euro te verdelen. Het ging te snel. Sneller dan Aaron had verwacht. Heel even vroeg hij zich af of hij niet afstand zou doen van alles in zijn leven.
Op de bankrekening van Aarons vader stond een vermogen. Het financiële proces voelde zwaar. Het was een vreemde afsluiting van zijn jeugd. Het geld dat hij zou krijgen was nooit zijn eigendom geweest. Hij wist dat het bedrijf goed liep, maar kon niet verklaren hoe zijn vader zo vermogend was geworden. Hij wist dat hij dankbaar moest zijn, maar baalde dat hij iets kreeg zonder er hard voor te werken. Er stond hem een financiële injectie te wachten, die hij kon investeren in een gekoesterde droom die nu de ruimte kreeg.
De documenten werden voorgelezen en uitgelegd. Een bedompt gezoem vulde Aarons hoofd. Hij kreeg maar de helft mee van wat er werd gezegd. Met moeite haalde hij zichzelf terug naar het moment, toen hij in de verte de stem van de notaris hoorde die begon over een kopie voor de administratie.
‘Bedankt voor jullie komst. De rest van de bijzonderheden zal via de e-mail en post volgen.’
Alle informatie was langs Aaron heen gevlogen. De papieren verdwenen in een leren map en werden meegenomen. Had hij al getekend? Dit gedeelte was kennelijk afgerond. Zijn overgebleven familie had de strijd om de erfenis overleefd. Nog in een roes schudde hij de notaris de hand en bedankte hem met een stem die niet van hem was. Buiten het kantoor keek Aaron naar de uitgestreken gezichten van zijn broers. Ook Eric en Mathias leken in hun eigen gedachten verstrengeld. Alsof ze op een andere planeet waren, leken ze zich niet bewust van elkaars aanwezigheid. Stiekem hoopte Aaron dat ze aan hetzelfde dachten als hij. ‘Gaan jullie mee naar het huis om het een en ander uit te zoeken?’ vroeg hij afwachtend.
‘Er is niets wat ik daar nog van zou willen hebben. Ik heb alles wat ik wilde.’ Eric maakte aanstalten om te vertrekken, maar liet zich afleiden door een vrouw met een indrukwekkende voorgevel, die langs hen heen liep.
Aaron had Eric opgegeven. Met zijn gladde uiterlijk, bouw en met zijn Yamaha-weet-ik-veel kon hij wat hem betreft door naar het circuit. Vanaf daar mocht hij de zee in rijden, rechtstreeks door naar de boortorens.
‘Mathias?’ Met een laatste sprankeltje hoop keek hij naar de oudste broer, in de hoop dat hij minder egoïstisch zou zijn.
‘Aaron…’ begon Mathias aarzelend. ‘Thuis ligt niet veel meer. Pak wat je wil. De administratie is afgehandeld nu. Kies wat meubels of de verzameling van de miniatuurauto’s. Over twee weken komt een bedrijf, en dat haalt de woning leeg. Er ligt niks meer van waarde.’ Net als bij de verkoop van de auto’s probeerde Mathias weer een arm om Aaron heen te slaan.
‘Wat?’ reageerde Aaron verward. Hij voelde de spieren in zijn lichaam aanspannen van schrik. ‘We zouden toch wachten totdat dit afgehandeld was, voordat…’ Boos sloeg hij het sussende gebaar weg. ‘Hoe kan je dit doen?! Je kunt toch niet zonder mij beslissen om de woning leeg te laten ruimen! Het was onze vader! Hij heeft ons alles gegeven! Hoe kun je dit doen!’
‘Ja.’ Eric trok zich niets aan van Aarons uitbarsting. ‘Duidelijk tijd om te gaan. De dame met de boobs is verdwenen, en ik heb afspraken. Toedeloe.’ Nonchalant deed hij zijn motorhelm op en reed zonder zich verder om Aarons boosheid te bekommeren weg. Zoals gewoonlijk liet hij Mathias de moeilijke gesprekken voeren.
‘Laat het los. We hebben daar niks meer. Het is emotioneel zwaar om alles te bekijken. Zeker voor jou. Denk erover na. Misschien is het ook beter om het ruimingsbedrijf gewoon zijn ding te laten doen.’
‘Dit meen je toch niet serieus, Math.’ Aaron zag zichzelf zitten naast zijn vader, bladerend door de tijdschriften, terwijl hij bewonderend wees op de mooiste auto op de pagina. Momenten die nooit meer terug zouden komen. ‘Misschien liggen er nog oude foto’s? Iets van mama? Heb je daar wel eens aan gedacht?’
‘Mama?!’ Mathias’ gezicht verwrong zich alsof hij iets smerigs op zijn dure blouse kreeg geworpen. ‘Kom op man.’ Een luide, sarcastische lach bleef niet uit. ‘Je bedoelt die vrouw die ons achter heeft gelaten toen je nog geen haar op je zak had? Die vrouw,’ klonk het bitter. ‘Dat je haar nog mama noemt. Aaron, je bent een lieverd, maar wel een enorme emotionele lul.’ Mathias’ broederlijke toon veranderde in een zakelijke. Emotieloos, met focus op de cijfers. ‘Als je denkt dat er in de woning wat te vinden is, ga je gang. Ik heb niets, maar dan ook niets, wat ik van daar zou willen hebben. Voor mij is het klaar, afgerond, basta. Begin er bij mij niet meer over. Mijn leven begint nu. We houden contact. Ik bel je.’
Verbijsterd zag Aaron ook zijn andere broer vertrekken. Voor hen was het verwerkingsproces al afgerond. Ze hadden hun centen. De ene broer vertrok op zijn motor, met een paar onbekende tieten op zijn netvlies. De ander vond het allemaal ook best en wilde hem niet eens helpen. Hij keek nog eenmaal om naar het notariskantoor. Bij de balie stond de notaris. Aan zijn medelevende geknik had hij een deel van het gesprek meegekregen. Het emotieloze gesprek onder deze familieleden was ook voor hem geen verrassing, en waarschijnlijk dagelijkse kost.
Met hangende schouders zwaaide Aaron nog één keer. Daarna slofte hij naar de parkeerplaats. Tijd om zijn laatste herinneringen te redden, voordat ook die verdwenen.
In tijden van verandering was er alertheid geboden. Slapen in de kantine kon stiekem, maar dan moest Nancy wel tijdig haar spullen weghalen en verstoppen. Ze had goed gegokt: ze had haar slaapzak en matje op tijd opgerold en in een kluis verborgen. Er was geen aanwijzing dat ze regelmatig in de kantine sliep na sluitingstijd.
Achterdochtig keek Nancy naar de twee mannen die het kantoor uitliepen. De ene was Aaron. Ze had zijn naam horen vallen, toen Erna met hem naar het kantoor liep. Vandaag droeg hij een bij elkaar geraapt blauw pak van twee kleuren en een wit overhemd. Naast hem liep een oudere man in een driedelig pak en een stropdas. In zijn hand droeg hij een aktetas. Nancy bestudeerde hem vanaf een afstand. Ze kende de man niet. Zou dat de advocaat zijn, of een notaris? Had deze Aaron ervoor gekozen om het asiel over te nemen?
Geïrriteerd haalde Nancy haar neus op. Ze hoefde zichzelf niet in de spiegel te zien om te weten dat haar gezicht op naderend onweer stond. Ze was nerveus en bang tegelijk, en dat uitte zich op deze manier. Wie zou in godsnaam dit asiel overnemen? Er zaten geen ontwikkelkansen in, geen muziek, geen toekomst. Geen winst. De voorgaande potentiële kopers hadden bij het zien van de verouderde kennels, de grote hondenren waar het dorre gras vol kuilen zat die bijna naar China gegraven waren, hun neus opgehaald. De gedateerde kasten, kapotte speeltjes en het achterstallige onderhoud hielpen ook niet. Het resultaat was dat de vraagprijs daalde. Een grommend geluid kwam uit Nancy’s keel. En daar profiteerde deze Aaron gretig van. Oud geld van een verwend joch, dacht ze gemeen. Voor hem was het een leuke hobby, zolang het duurde. Dan zou het bedrijf net zo makkelijk van de hand worden gedaan.
Nancy richtte een dodelijke blik op hem. Bij het zien van het kreukelige blauwe colbert, waarvan aan de mouw een knoop miste, had ze al een mening over hem gevormd. Zijn witte overhemd was net iets te netjes voor kantoor, en zijn gebruinde handen verrieden dat hij meer gewend was aan golfclubs dan aan hondenriemen. Conclusie van Nancy, de zelfuitgeroepen mensen-kennisspecialist: Aaron is een geldbeluste klootzak met slechte kledingsmaak. Misschien kon ze het kantoor barricaderen met zakken hondenvoer. Of de honden op hem afsturen. Nee, dat was gekkenwerk. Maar wat dan? Buddy, stevig in haar armen geklemd, blafte. Ook hij had mensenkennis en had de schijnvertoning doorzien. Ze grijnsde trots naar de kleine hond.
Erna en Rob kwamen opgetogen naar buiten. Erna gaf Aaron een sleutel van het pand, met daaraan een sleutelhanger van een hondenkop.
Ongeduldig trappelde Buddy met zijn pootjes, waarop Nancy hem op de grond zette. Ze lachte toen hij ging zitten en met zijn kleine voorpoten in de lucht trappelde. ‘Zo, dat is knap, ventje. Jij krijgt straks een snoepje. Die komen straks binnen. Er is nu toch geld zat,’ voegde ze er net iets te hard aan toe, in de hoop dat Aaron het sarcasme in haar stem zou horen.
Buddy kreeg Aaron in het vizier, draaide zijn kleine kop opzij en sprintte op hem af. De advocaatfiguur, die net afscheid nam door Aaron een hand te schudden, haalde zijn neus op toen hij de enthousiaste Buddy zag – die als een wollig bolletje rond zijn enkels manoeuvreerde – om vervolgens naar Aaron te trippelen.
Als de omhooggevallen rechtenbundel alleen was geweest, had hij het hondje vast een schop gegeven. Nancy wist het zeker. Hij had zijn geld verdiend en hij hoefde niet meer vriendelijk te doen. Waag het eens, dacht ze gemeen, dan krijg je van mij een rotschop.
Als een circusartiest sprong Buddy in de lucht en deed hetzelfde als wat hij bij Nancy deed.
Glimlachend keek Aaron naar het hondje.
‘Buddy, hier!’ riep Nancy, haar stem een octaaf hoger van irritatie.
Aaron liet de advocaat de deur uit en wendde zich tot het kleine hondje voor hem. ‘Buddy?’ Als bevestiging kefte hij. Voorzichtig aaide hij hem over zijn kleine kop.
Nancy beet boos op haar lip. Het voelde als verraad toen Buddy Aarons gebruinde hand vriendelijk likte.
‘Is deze van jou?’
‘Nee, van hier,’ antwoordde Nancy bits. ‘Buddy, kom!’
‘Lief beest.’
Buddy rende nog eenmaal enthousiast om Aarons benen heen voordat hij terugging naar Nancy.
‘Ja.’
‘Het is vandaag woensdag.’
‘Ja,’ antwoordde Nancy stug.
‘Ik heb jou nog niet gesproken. Heb je zo even tijd?’
Nancy’s handpalmen begonnen te zweten. Dit was het dan. Aaron zou nu een wisseling maken in het personeel. Ze voelde het. Ze zou een oprotbedrag krijgen en er zouden mooie chalets worden gebouwd langs het bosterrein. En de dieren? De dieren zouden allemaal een spuitje krijgen of worden vergast, of… wist zij veel. ‘Waarom?’ vroeg ze achterdochtig.
‘Over een uurtje? In het kantoor? Na het gebak?’
Nancy gaf geen antwoord. Ze keek hem aan en hoopte dat hij spontaan vlam zou vatten. Wat vreselijk als Erna en Rob zouden horen dat het asiel zou verdwijnen. En dat zij er niets tegen had gedaan. Haar ogen lichtten op. Ze had nog een uur om de kennels open te zetten. Ja! Ze kon zich gedragen als een activiste. Nee, slecht idee, dacht ze. Een frons kwam terug op haar gezicht. Daar red je geen enkele hond mee. Vergeten Nans, meteen vergeten.
Aaron wachtte op een antwoord. Toen dit niet uit Nancy’s mond leek te komen, draaide hij zich om en liep het kantoor in. Het voormalige kantoor van Erna en Rob was nu van de nieuwe vreemdeling.
In de kantine werd de overdracht gevierd met HEMA-tompoezen en een fles goedkope cava. Nancy had de plakkerige roze bovenlaag van de tompouce laten staan en het halfvolle glas in één keer opgedronken. Ze hield helemaal niet van cava. De zurige bubbeltjeswijn smaakte naar kots. De combinatie met de zoete, gelige vulling maakte haar misselijk. Bij het proosten raakte ze het glas van haar nieuwe baas niet aan, die met een gemaakte, verlegen glimlach haar en vooral Erna en Rob in de ogen keek. Ze zouden nog een paar maanden blijven om Aaron in te werken en dan met gekozen pensioen gaan.
Bla, bla, bla, dacht Nancy, driftig met haar vorkje in de resten van het gebakje prikkend. Over een half uur was Nancy ook met pensioen. Over dertig minuten had ze geen baan meer.Nancy haatte hem.
Het kantoor had niet meer dan een bureau, met een kast waarop een pot, halfvol gevuld met snoep, stond. Nancy staarde ernaar vanaf de deuropening. De pot zou vannacht verdwijnen en worden leeggegeten. De laatste nacht in het asiel. Als de zon op zou komen zou ze op twee manieren buikpijn hebben. Met een gepijnigde blik richtte ze zich op Aaron, die op de versleten bureaustoel had plaatsgenomen. Even bleef ze bij de deuropening staan. Elke vezel in Nancy’s lichaam schreeuwde dat ze weg moest lopen, maar haar benen bewogen toch, alsof Buddy aan de lijn trok. Met lood in haar schoenen ging ze aan de andere kant van het bureau zitten. Ze zou beginnen met een staarwedstrijd. Alleen een blik die zei: ‘Jij eerst.’
‘Hoe lang heb je hier gewerkt?’ begon Aaron, terwijl hij alle antwoorden intypte op zijn laptop.
Daar gaan we dan, dacht Nancy boos. Aaron sprak in verleden tijd. Ze zou worden afgekocht en weggewerkt. Hij sprak alsof ze al weg was. Ze werkte bijna vijf jaar in het asiel. Het was haar eerste bijbaan. Ze was hier opgegroeid, en het was haar veilige haven geworden.
Aaron keek in zijn papieren. ‘Vier jaar, dit jaar vijf jaar? Klopt dat?’
‘Ja.’
‘Dan kan ik mij voorstellen dat je je zorgen maakt. Je zit in over de toekomst van het asiel en natuurlijk ook over je baan.’
Stoïcijns keek Nancy naar buiten. Woede, verdriet en wanhoop wisselden elkaar razendsnel af en overspoelden haar. ‘Het gaat toch niet alleen om mijn baan!’ Boos sloeg ze haar vuist op tafel. De tranen die ze probeerde tegen te houden, stroomden over haar wangen. Als ze dan toch alles kwijt zou raken, dan zou ze vertrekken met een hoop bombarie. ‘Het gaat om de dieren en alles wat hier is opgebouwd! Alles! En jij komt hier! Met je... O, ik ken jouw type wel!’
‘Mijn type?’ De verwondering uit Aarons stem was hoorbaar. Vergrootte ogen van verbazing keken naar de brutale jonge vrouw voor hem.
‘Ja, jouw type,’ reageerde Nancy bits. ‘Hoe je loopt, hoe je lacht, geld strooit alsof het niets is. Het is niet zomaar een bedrijf dat je maar gewoon koopt!’ Haar tirade werd onderbroken door een voorzichtige klop op de deur.
Erna stak haar hoofd om de hoek en staarde bezorgd naar Nancy, die haar gebalde vuist op het tafelblad had liggen. ‘Gaat alles goed hier?’
Nancy las de moederlijke blik van Erna, die ze kon dromen. “Ademen Nancy. Tel tot tien. Een keer of honderd.”
‘Er zijn geen problemen hier, Erna. Dankjewel,’ antwoordde Aaron kalm. Hij bloosde of verkleurde niet. Zijn gezicht stond ontspannen, ook na de ondoordachte beschuldigingen die Nancy hem zonder gêne gaf.
Twijfelend sloot Erna de deur. Ze kon Nancy lezen als een boek en wist hoe licht ontvlambaar ze kon zijn.
‘Goed, laten we verder gaan. Je werkt hier dus al vier jaar.’ Vluchtig tikte Aaron iets in op de laptop. Toen hij klaar richtte hij zich direct weer op Nancy. ‘Als jij veranderingen zou doorvoeren, wat zou dat dan zijn?’
‘Wat heeft het voor zin.’ Nancy’s hart bonkte in haar keel. Er zat een boze ontlading aan te komen. Ze voelde haar benen onrustig heen en weer bewegen over de vloer. Uit alle macht probeerde ze zich te beheersen. ‘Wat heeft het voor zin om veranderingen door te voeren, als ik straks geen baan meer heb?!’
‘Wie heeft jou gezegd dat je je baan kwijtraakt? Ik heb juist mensen nodig die het bedrijf zo lang kennen,’ antwoordde Aaron vriendelijk.
Bedremmeld keek Nancy van Aaron naar haar vuist, die als een stuk steen op tafel lag. De boze, dikke wenkbrauwen in haar gezicht ontspanden even. Nu had ze een keuze. Ze kon antwoord geven op de vraag, of ze kon haar hakken in het zand zetten, met het risico dat hij haar alsnog zou ontslaan. Hoor en wederhoor was één van haar aandachtspunten. Altijd al geweest. ‘Hmm.’
‘Je hebt nu de kans, Nancy.’
Nancy besloot te luisteren. ‘Als ik de eigenaar zou zijn, dan zou ik de hondenren uitbreiden,’ begon Nancy voorzichtig. Toen ze Aaron zag knikken, ging ze voorzichtig verder: ‘En het gras vervangen.’
‘Ja, ik zag al een aantal plekken zonder gras inderdaad,’ Aaron nam de informatie in zich op, voordat hij het intypte.
‘De honden en de katten hebben nieuwe speeltjes nodig.’
‘Goed, goed.’
‘De voeding voor een aantal katten is niet toereikend. Er zijn er twee met hartruis. Die hebben meer nodig dan de standaardvoeding die ze nu krijgen. Dat maakt ze fitter en beter plaatsbaar.’
‘Heb je een idee hoe we meer mensen kunnen trekken naar het asiel?’ Het ritmische getik op het toetsenbord ging verder.
Nancy dacht aan het pleeggezin waar ze was opgegroeid. Ze had het goed gehad, maar ondanks dat, voelde zich vaak alleen en onbegrepen. De liefde die ze van de honden in het asiel kreeg, was onvoorwaardelijk. ‘Als ik het voor het zeggen had, zou ik jonge kinderen hierheen halen om met honden en katten te knuffelen. Sommigen hebben dat echt nodig. Zowel de kinderen als de dieren.’
Aaron keek op van zijn beeldscherm en keek haar recht aan. Zijn donkerbruine ogen werden omrand door een groene ring. Het irriteerde Nancy dat hij zulke mooie ogen had. Ogen die deden alsof ze écht luisterden. Ze geloofde er niks van. Nog niet. En het feit dat hij zweeg, dat vond ze ook vervelend. Haar rechterhand, die ze van de tafel naar haar schoot had getrokken, begon zich weer tot een vuist te vormen. Aan de blik in zijn ogen vond hij Nancy’s ideeën duidelijk dom.
‘Is er een speeltuin hier?’
‘Nee, natuurlijk niet.’ Dramatisch draaide Nancy met haar ogen. Haar idee was misschien dom, maar deze vraag nog veel dommer.
‘Maar er is een wandelgebied dichtbij, toch?’
‘Ja, waar wil je heen?’
‘Ik vind jouw idee helemaal niet verkeerd. Ik denk dat kinderen inderdaad baat kunnen hebben bij contact met dieren, maar dan zouden we ook wat meer moeten doen aan de buitenkant van het asiel. Ik zag dat er nog wat ruimte was aan de zijkant.’
‘Ja, dat zou ooit voor een uitbouw zijn, maar daar is nooit iets van gekomen.’
‘Hoe zit het met het personeel?’
‘We missen twee schoonmakers en een klusjesman. Ik kan aardig wat, maar mis soms de kracht om te tillen bij grotere klussen. Tot nu toe red ik mij wel.’
‘Oké. Dank je. Ik weet voor nu genoeg, denk ik.’
‘Dat was het al?’
‘Ja.’
Nancy stond op en liep het kantoor uit. Tot haar schaamte ontsnapte haar een ongemakkelijk, schaapachtig geluid: ‘Mèèèèh.’ Al was ze al jaren weg uit haar ouderlijk huis, waar de dierlijke geluiden een verplichting waren, bij heftige emotie kreeg ze het aangeleerde gedrag nog steeds niet onder controle. Aaron had het gehoord. Haar nieuwe contract was nog niet getekend, en ze stond al bekend als het personeelslid dat niet spoorde. Het meisje dat dierengeluiden maakte en idiote ideeën had. Dit gesprek had ze totaal verpest. Met hangende schouders en tranen in haar ogen haalde ze Buddy uit de kennel om buiten te gaan wandelen.
Wat Sara het meest stoorde aan Schiphol, was de ontvangsthal. Het moment waarop je door de geblindeerde schuifdeuren liep, en dan het hek zag met daarachter verheugde familieleden en vrienden die zwaaiden met bossen bloemen en naamborden. De ballonnen, die het zicht belemmerden, benadrukten juist dat niemand op háár stond te wachten. Het sneed door haar ziel.
Zacht vloekend keek Sara naar haar verzonden berichten. Nancy reageerde niet. Sterker nog, haar berichten kwamen niet eens aan. ‘Je zou me ophalen! Ik ben verdorie drie maanden weggeweest,’ mopperde ze tegen het scherm. Boos schopte ze tegen haar plastic koffer. Gefrustreerd belde ze haar pleegmoeder op de vaste lijn. Nadat de telefoon zeven keer was overgegaan, werd er opgenomen. ‘Ma?’
‘Hé lieverd. Hoe gaat het daar?’
‘Ik ben net geland. Kun je mij komen halen?’
‘Nee, dat weet je toch. Ik zit met de kinderen, en kan ze niet alleen achterlaten. Dan breken ze het hele huis af.’
‘Laat maar ma. Kan ik blijven slapen?’ Sara’s stem klonk smekend, en dat was juist niet de bedoeling.
‘Er is nog een plek op de bank voor een paar nachten.’
De verouderde bank klonk aantrekkelijker dan de krappe vliegtuigstoel naast de toiletten, waar ze de hele reis had gezeten. ‘Bedankt, ma, geen probleem. Ik probeer wat anders. Ik zie je snel.’ Een oude teleurstelling borrelde op. Niet groot genoeg om te huilen, maar te bekend om te negeren. Teleurgesteld hing ze op. De bank. Geen bed. Nadenkend ging ze op de rand van haar paarse koffer zitten. Ze zou haar vriendinnen kunnen bellen, maar die hadden de afgelopen tijd genoeg voor hun kiezen gehad. Kon ze het maken om Gwen en Esther te bellen? Of Merel? En dan meteen vragen om een slaapplaats? Ze zuchtte vermoeid. Wat voor opties had ze nog? Ze kon altijd terugvallen op de bank naast de tikkende radiator. Ze waagde het erop en belde Merel.
‘Vrouwtje! Ben je weer terug op aarde? Welkom terug!’ Merel klonk zoals altijd vrolijk.
‘Ja, net geland.’ Sara was niet vrolijk. Ze was moe en overwoog de koffer plat te leggen en in het midden van de ontvangsthal in slaap te vallen.
‘Dat weet ik toch. Ik heb je nog gesproken voordat je vertrok én een goede reis gewenst, muts.’ Merel grinnikte even. ‘En nu. Laat me raden: Nancy is je vergeten, en Omi had alleen plek op de bank met de kuil.’
Een ongemakkelijke lach verscheen op Sara’s gezicht toen ze zich bedacht hoe vaak ze over de bank had gemopperd tegen Merel. ‘Het loopt weer ouderwets op rolletjes, als je dat bedoelt,’ verzuchtte Sara.
‘Rolletjes? Meid, wat ben je toch een woordenwonder.’ Merel schoot in de lach. ‘En dan breekt ook nog eens dat wieltje van je koffer af. Zo balen! Maar vertel eens? Wat heb je allemaal mee teruggenomen van de andere kant van de wereld? Bedbugs en termieten? Of heeft de douane je vuile was niet doorgespit? Je kijkt zo gepikeerd, als een aangereden kangoeroe.’
Verbaasd keek Sara naar haar gehavende koffer. Merel had altijd een goed inschattingsvermogen, maar zó goed? Het plastic wieltje was inderdaad op de terugweg afgebroken, terwijl ze de koffer net nieuw had aangeschaft. Haar backpack, waarin al haar kleding zat, was tijdens haar reis gestolen. Hoe wist Merel dit? Dit weten was zelfs voor haar onmogelijk.
Speurend keek Sara om zich heen, totdat ze hun lachende gezichten vond. Vanaf het terras zaten Gwen, Merel en Esther op een rij aan hun koffie te lurken en quasi-onnozel naar haar te zwaaien. Ze was zo met zichzelf bezig dat ze hen niet eens had zien zitten. Luid joelend stonden ze op en renden ze op haar af. Als middelpunt sloten ze Sara in hun armen. Ze kon wel janken van blijdschap. ‘Jongens, wat fantastisch is dit.’
‘Je gekozen familie is er toch altijd.’ Esther lachte. ‘Meid, wat zie je er goed uit. Maak je geen zorgen, er is een slaapplek voor je. Je kan zo lang blijven als je wilt. Tenzij,’ ging Esther verder, ‘je liever in de kuil bij je ma crasht.’
‘Even wat spullen pakken, een autootje of zo…’ imiteerde Aaron Mathias met een sarcastisch vertrokken gezicht. Het zweet gutste over zijn rug, terwijl hij de een-na-laatste doos naar boven tilde. Het bezoek aan zijn ouderlijk huis had zijn zolder gevuld met zijn vaders inboedel. Elke vierkante meter stond nu vol: archiefdozen met herinneringen. Het voelde als een taart met twee smaken: wrang en zoet tegelijk. Aan de ene kant had hij spijt dat hij zijn woning vol had staan met oude troep, aan de andere kant was hij blij dat hij op zijn gemak alles uit kon zoeken, zonder bemoeienis van zijn broers.
Met de boedelbak die Aaron had gehuurd bij het dichtstbijzijnde pompstation had hij alles wat hij wilde hebben naar huis kunnen verslepen. Het enige wat hij in het huis had achtergelaten, waren de grote meubels: het tweepersoonsbed, kasten en de grote eettafel waar ze nooit gezamenlijk aan hadden gegeten.
Aaron kon niet anders. Het was het enige wat hij kon doen om afscheid te nemen en invloed uit te oefenen op de situatie. Het was het enige tastbare dat hij nog van zijn vader had. Hij wilde én kon er niet zomaar afstand van doen. Dus zou hij de tijd nemen.
Aaron pakte de laatste doos, die hij op de begane grond had laten staan, en opende de deksel voorzichtig. Tot aan de nok zat de doos vol met papier: tijdschriften over auto’s. Het gewicht weerspiegelde de liefde van Aarons vader voor alles wat op wielen reed. Die liefde was even zwaar als de pijn in zijn rug, ontstaan door het tillen. In de komende tijd zou Aaron alles één voor één door zijn handen laten gaan, op zoek naar een waardig afscheid.
Gedachteloos bladerde Aaron de eerste stapel door. Hij vroeg zich af welke artikelen zijn vader ooit had gelezen, en ook waar hij de tijd vandaan haalde met drie kinderen en een bloeiend bedrijf. Zijn vader was een harde werker. Dat had hij van huis uit, met harde hand, meegekregen. ‘Niet zeuren, doorgaan.’ Zelfs met rugklachten werkte zijn vader door, totdat hij er letterlijk bij doodviel. In de avond, na een handjevol paracetamol, lag hij compleet uitgeteld op de bank.
Nadenkend legde Aaron de doorgebladerde tijdschriften opzij. Er was niks wat de inhoud hem vandaag zou brengen. Geen geschiedenis of jeugdige herinneringen met Pa Max. Alleen een vervormd beeld van wie zijn vader ooit was. Aaron trok een nieuwe doos naar zich toe. Verrassing. Ook vol: jaargang 1970 tot 1981. Wat moest hij er allemaal mee? Misschien was er nog iemand die interesse had in de gedateerde voertuigen. Hij moest er doorheen, maar als hij dacht aan de overvolle zolder, zakte de moed hem in de schoenen. Waar was hij aan begonnen? Had Mathias gelijk gehad?
Aarons blik viel op de sleutel van het asiel. De kraalogen van de pluizige hondenkop aan het sleutelhangersieraad keken hem zwijgend aan. Hij moest het huis uit. Slapen zou hij sowieso niet kunnen na deze krachttraining.
Met de geur van stof in zijn neus stapte Aaron afwezig zijn auto in en reed naar het asiel. De radio, die hij normaal aan zou zetten, liet hij uit. In stilte volgde hij de slingerende weg met aan weerszijden dikke bomen, totdat hij bij het asiel kwam. Een pand dat in de jaren negentig naast het wandelbos van een landgoedeigenaar was gebouwd. Voordat hij via de zijingang naar binnen liep, bewonderde hij op een afstand zijn gedateerde aankoop. Dit bedrijf was van hem alleen. Hij was trots op elke hond en kuil zonder gras.
De ingang werd gebruikt op het moment dat er honden werden gebracht, of dat er goederen zoals voer werden afgeleverd. Verbaasd keek Aaron naar de twee schakelaars bij de ingang. De lampen in de kantine en ook in het kantoor waren aan. Was er iemand binnen?
Kort geblaf. Driftig tikkende leidingen van de radiatoren. Gespannen luisterde Aaron naar de geluiden die hij nog niet kende. Voorlopig waren het pand en de omgeving nog onbekend terrein. Hij liep verder naar binnen. Bij de kantine bleef hij staan. Op de grond lag een slaapmat met daarop een samengedrukte slaapzak, die nog dunner leek dan een dik gesneden boterham. De slaapzak kon er maar van één zijn: Nancy.
Erna had hem aangesproken over de jonge vrouw. Ze vond het belangrijk voor hem om te weten dat Nancy veel had meegemaakt en was opgegroeid in een pleeggezin. Ze omschreef haar als: “Koppige lieverd. Loyaal, met een immens groot hart.”
Aaron hoefde de details niet te weten. Hij zou geduldig met haar zijn. Aandachtig luisterend liep hij op zijn tenen door naar de hondenren, dankbaar dat er nog geen camera’s in de hal hingen. Bij de deur, die uitkwam op het omheinde speelveld, bleef hij staan. Door het smalle raam gluurde hij naar buiten. Hij zag grote modderige laarzen met daarin smalle benen. Nancy zat wijdbeens op het bankje langs de muur. De geur van wiet rook hij al, nog voor hij de joint zag. Waarschijnlijk dacht ze dat niemand haar zou betrappen. Langzaam opende Aaron de deur en keek in haar richting. ‘En wat ben je aan het doen?’
Nancy proestte het uit. Van schrik verscheen er een rode kleur op haar wangen, die normaal zo wit waren als gekoelde kippendijen. ‘Ik… eh… ik…’ Ze kon geen excuus bedenken. Het was een heterdaadje: betrapt met blowen op de werkplek van haar nieuwe baas. Ze slikte alle woorden in en zweeg.
Boos was Aaron niet. Sterker nog, meer dan eens snapte hij het idee om aan de realiteit te ontsnappen – het opsteken van een joint als je niet kon slapen. Dat had hij vroeger vaak zat gedaan. ‘Had je dienst?’
‘Nee…’
‘Oh. Schuif eens op.’
Toen Nancy haar grote regenlaarzen naast elkaar zette, schoof ze een stuk opzij zodat Aaron naast haar kon zitten. ‘Mag ik een trekje?’
Even dacht Nancy dat hij een geintje maakte. Toen Aaron nogmaals knikte, reikte ze hem verbaasd de strak gedraaide vloei aan. Beneveld en met rooddoorlopen ogen keek ze toe, benieuwd of haar nieuwe baas echt een trekje zou nemen.
Het zou een statement zijn om als nieuwe eigenaar een scène te maken en de wiet te vertrappen, maar Aaron hield zich in. In plaats daarvan blies hij aan de top, die maar voor de helft oplichtte, en vroeg om een aansteker. ‘Ik kom net van huis.’ Hij stak de joint aan en nam een trek. ‘Ik was de inboedel van mijn overleden vader aan het doornemen. Ik heb vandaag alles wat ik wilde hebben uit zijn huis gehaald. Het is bij hem nagenoeg leeg. En bij mij een gigantische puinhoop nu.’
‘Oh.’ Beschaamd keek Nancy van hem weg. Ze vroeg zich waarschijnlijk twee dingen af: Eén, moest ze wat reageren op deze bekentenis? Twee, was haar nieuwe baas verslaafd aan blowen?
‘Ik kan er niet van slapen. Ik vraag me af waar ik mee bezig ben.’
Nancy draaide haar gezicht bij. Een gezicht zonder oordeel. Een korte knik van begrip. ‘Ik kan ook niet goed slapen. Als dat zo is, dan kom ik hier. Op de een of andere manier vind ik hier rust, ook al is het soms vreselijk rumoerig.’
‘Och,’ Aaron wuifde achter zich. ‘Ik zag het matje en de slaapzak al in de kantine liggen.’
‘Ja,’ Nancy had duidelijk geen zin om in discussie te gaan. ‘Die zijn van mij.’
‘Dat dacht ik al. En het is oké. Ik zal het niet verder vertellen,’ zei Aaron knipogend.
De situatie voelde vreemd ontspannen, ook toen ze beiden zwegen. Samen keken ze naar de lege hondenren, met vergaan gras en de gegraven ondiepe kuilen. Morgen weer een dag. Dan zouden ze beginnen met de doorstart van het asiel. Daar zou Aaron de energie vandaan halen om thuis af te ronden waarmee hij was begonnen.
De smalle middenwoning had een kleine schuur aan de voorkant. Er was nog weinig ruimte over om er een auto te parkeren. De stenen oprit lag bezaaid met kinderfietsen en speelgoed.
Vier dagen geleden was Nancy voor het laatst over de drempel gestapt van wat zij haar ouderlijk huis noemde. Zo voelde het ook: de plek die ze in haar hart had gesloten en waar ze ‘echte’ liefde en opvoeding had gekregen. Ze woonde bij Omi en Co sinds haar negende levensjaar, nu al tien jaar.
Met een ruk aan het smoezelige touwtje, dat door de brievenbus naar buiten hing, opende Nancy de deur. In deze wijk kon dat nog. Zwijgend trok ze haar schoenen uit en zette ze, zoals van haar verwacht werd, bij de voordeur. De rij schoenen, netjes van groot naar klein, deed haar glimlachen. Het was een georganiseerde chaos, zoals altijd. Dat zag je aan de schoenenrij en aan de afgesleten neuzen van het buitenspelen.
Twee peuters van een jaar of drie renden op haar af. ‘Nancy! Nancy!’ De smalle armpjes sloegen zich direct om haar benen. Hoge piepstemmen, als vogeltjes in een nest. ‘Omi, kijk! Nancy thuis!’
