17,99 €
Hoe gaat het eigenlijk met de bossen in Nederland? Hoe zijn onze bossen de afgelopen 125 jaar veranderd? Jac. P. Thijsse, een van de oprichters van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, bezocht in 1896 de bossen op de heuvels van het Montferland. Met diens boekje 'Hei en Dennen' in de hand deed Thijs Willems de reis nog eens over en bracht de veranderingen die in de tussentijd hebben plaatsgevonden in kaart. In het reisverslag neemt hij zijn lezers mee op zijn ontdekkingstocht door de Montferlandse bossen. Op zoek naar de locaties en de soorten waar Thijsse over schreef. Niet alleen beschrijft Willems de soorten en ecosystemen die willekeurig op zijn pad komen, maar hij plaatst ze ook in een ecologische, ethische, politieke en sociale context.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 245
Veröffentlichungsjahr: 2022
Inhoudsopgave
Colofon 5
Voorwoord 6
Inleiding 7
Donderdag 9 juli 2020 8
1 Aankomst 8
1.1 Meer boomsoorten in het Montferlandse bos 9
Vrijdag 10 juli 2020 12
2 De Galgenberg en het twaalfjarig pijnbos 12
2.1 Het twaalfjarig pijnbos anno 2020 12
2.2 Het belang van dood hout 22
2.3 Complexe systemen 25
2.4 Oud-bosplanten 27
2.5 De open plek op de Galgenberg 28
3 ’s Heerenberger Straatweg 32
3.1 Stikstof 32
3.2 Recreatiedruk 35
4 In de richting van Terborg 37
4.1 De ecologie van het maïsveld 37
4.2 De waarde van het wespennest 41
4.3 Krekels verdwenen waar sprinkhanen verschenen 42
4.4 Ingenieus landbouwsysteem 44
4.5 De terugkeer van de vogel der doden 46
5 Het pompstation: Aankomst 50
5.1 Zeldzame begroeiing op leembodem 52
5.2 De zoektocht naar het pompstation 54
5.3 Het distelveld 55
5.4 Het belang van bosbermen 59
6 De akkers tussen Zeddam en Beek 63
6.1 Agrarisch natuurbeheer 63
6.2 De Nederlandse steppe 65
7 Het pompstation: Avondbezoek 66
7.1 Parkachtig landschap 66
7.2 Schuwe bosvogels 67
7.3 Avondschemer 71
Zaterdag 11 juli 2020 74
8 Diepsheultje Sprong 74
8.1 Mestverwerking 75
8.2 Verdroging 76
9 De omgeving van de Hettenheuvel 80
9.1 Ecologisch belang van boskap 80
9.2 Het bedreigde naaldbos 82
9.3 Kleine open plekjes 84
9.4 Amerikaanse vogelkers: vloek of zegen? 89
9.5 Graflucht 91
9.6 Beukenbos 92
9.7 Over varens en zwijnen 92
9.8 De kracht van de menging 94
10 Ten noorden van de Hettenheuvel 96
10.1 De gangbare graanvelden 96
Zondag 12 juli 2020 101
11 Het Korterbosch 101
11.1 Plukplaatsen 102
11.2 Compleet ecosysteem naast dode berk 103
11.3 Hinderlaagjagers 105
11.4 De kapvlakte als waardevol biotoop 107
11.5 Het braamstruweel 112
12 De Keulsche Slagen 115
12.1 Bosrandsoorten 115
12.2 Samenwerkingsverband tussen bomen en schimmels 117
12.3 Stinkende bosbloemen 123
12.4 Zaadeters 124
12.5 Hagedissen en ratenrovers 126
13 Het Pompstation: Derde bezoek 129
13.1 Mimicry 129
13.2 Blauwe juffers 131
14 Het Bergerbos 133
14.1 Boshoning 133
14.2 Over hommelboorders en vlinders die van kleur veranderen 135
14.3 Beukenmoordenaar 139
15 Bossen en akkers ten oosten van de Oude Eltenseweg 141
15.1 Zeldzaamheden komen letterlijk aanwaaien 141
15.2 Insectenafname 143
15.3 Nectardieven 146
15.4 De schoonheid van het gewone 147
Maandag 13 juli 2020 151
16 De bossen rond de Boterweg 151
16.1 Mezengroepen 152
16.2 De medische wetenschap van bosmieren 154
16.3 Eetbare paddenstoelen 155
16.4 Roofdierhaat 156
16.5 Rewilding 158
16.6 Sparrensterfte 159
16.7 De ecologie van de akkerrand 162
16.8 Nestbouw bij wespen en mieren 164
16.9 Hoe een boomparasiet mieren inhuurt 166
16.10 Tredplanten 168
16.11 Respect voor de rijkdom 170
17 Het Pompstation: Laatste bezoek 173
17.1 Het dierenleven van de leembegroeiing 173
17.2 Wespendoders 176
17.3 Plaagdieren 178
18 De Dassenboomse Allee en de Kruisallee 181
18.1 Orchideeën 182
Samenvatting en vooruitzicht 185
Nawoord 190
Literatuur 194
Over het boek 212
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2022 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99131-063-1
ISBN e-book: 978-3-99131-064-8
Lectoraat:Ine van Gerwe
Vormgeving omslag:Thijs Willems
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
Foto’s binnendeel:Thijs Willems
www.novumpublishing.nl
Voorwoord
De bosgebieden van het Montferland, in het zuidoosten van de provincie Gelderland, vormden voor Jac. P. Thijsse een geliefde vakantiebestemming. Hij deed deze regio in 1896 aan omdat er in die jaren al grote oppervlakten met naaldbos aanwezig waren en omdat hij van vroegere jaren wist dat deze bossen niet al te best werden onderhouden. Zijn liefde voor de Montferlandse bossen komt wellicht het best tot uiting in de volgende zin:
”Er is veel gesproken en geschreven over’t sombere naaldenwoud, waar alom doodsche stilte heerscht … Maar even waar is het, dat op honderd plaatsen in ons land nog dennebosschen gevonden worden, waar ’t rijke, poëtische woudleven in al zijn volheid en verscheidenheid in zomer of winter in de herfst of in de lente te genieten valt. Zoo zijn de Montferlandsche bosschen”1
Zijn boek is een van de eerste ecologische beschrijvingen van de Nederlandse bossen, en juist doordat hij zo nauwkeurig zijn waarnemingen bijhield en zijn locaties noteerde, is het voor mij mogelijk zijn reis over te doen om te ervaren hoe de Nederlandse bossen in al die jaren zijn veranderd.
Omdat onze bossen zo divers zijn en ik niet zou weten waar te beginnen heb ik besloten dit boek in de vorm van een reisverslag te schrijven en jou als lezer mee te nemen tijdens mijn vakantie in het Montferland. Zoveel als mogelijk bezoek ik dezelfde locaties als Thijsse, en wanneer hij geen concrete locatieduiding heeft toegevoegd, heb ik op basis van literatuur en interpretatie geprobeerd de locaties te achterhalen of bezocht ik een vergelijkbaar terreindeel.
Inleiding
In 1897 verscheen een boekje genaamd ’Hei en Dennen’ van de hand van Eli Heimans en Jac.P. Thijsse, de oprichters van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten2 die vandaag de dag grote oppervlaktes natuurgrond in handen heeft. Heimans bracht een bezoek aan de toen nog immense heidevelden van ons land en Thijsse aan de naaldbossen van het Montferland. Thijsse beschreef dat hij het gebied in 1896 bezocht, 125 jaar geleden.
Voor dit boek heb ik de reis die Thijsse in 1896 ondernam in de zomer van 2020 zo goed mogelijk overgedaan om te ervaren in welke mate de Montferlandse bossen in de tussentijd zijn veranderd. Hoe heeft dit gebied, en in bredere zin het Nederlandse bos, zich de afgelopen 125 jaar ontwikkeld? Wat hebben al die jaren van bosbouw, grootschalige ontginning, schaalvergroting in de landbouw, zure regen, stikstofdepositie en klimaatverandering uitgehaald met de bossen waar Thijsse zo lyrisch over schreef?
Het Tolhuis waar Thijsse destijds verbleef, bestaat nog steeds, maar is tegenwoordig ingebouwd in het dorp Zeddam en niet langer als overnachtingsplaats in gebruik. Zelf sta ik op camping het Peeske, die net als het vroegere Tolhuis in de bosrand is gelegen, zodat ik een idee krijg van de ervaring die Thijsse destijds gehad moet hebben. Mijn verblijf zal een kleine week duren en in die tijd zal ik proberen een zo uitgebreid mogelijk beeld te schetsen van de soortenrijkdom van deze bossen en de verschillen met een ruime eeuw geleden. Alle plaatsen waarvan Thijsse beschreef dat hij er was geweest, heb ik opnieuw bezocht en ik heb actief gezocht naar de soorten die hij benoemde. Aan het einde van het boek wordt de vastgestelde verandering van de soorten in het Nederlandse bos samengevat en wordt een blik op de toekomst geworpen.
Donderdag 9 juli 2020
1 Aankomst
Op een regenachtige dag bepak ik mijn fiets om de reis naar de uitgestrekte bossen van het Montferland te beginnen. Met net de laatste tentamens achter de rug en de vakantie in het vooruitzicht is de tijd aangebroken om de Montferlandse heuvels te betreden, zoals een van de oprichters van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, Jac. P. Thijsse, dat in 1896 ook deed. Vanuit mijn woon- en studieplaats Velp ligt het gebied slechts een ruime twintig kilometers van mij verwijderd, maar de regen en de wind die door het vlakke rivierenland razen, maken de tocht allesbehalve gemakkelijk. Al van verre zijn de groengetooide heuvels met hun gouden kransen van graan aan de horizon te zien. En al spoedig verschijnen de plaatsnamen op de borden waarvan Thijsse beschreef dat hij er was geweest, waardoor de roep van het lonkend achterland sterker wordt.
De vragen rijzen in mij op, in welke mate hier nog aanwezig is, wat Thijsse hier destijds mocht aantreffen. Brede wespenorchissen, groene spechten, moerasviooltjes, zwarte mezen en dennenboktorren; in hoeverre hebben zij de tand des tijds doorstaan en hebben zij weten stand te houden in het groene eiland in de zee van verstedelijking, intensieve landbouw en infrastructurele projecten? De komende dagen zullen het leren.
Eenmaal aangekomen zet ik mijn tent op, op een klein trekkersveld aan de westkant van de Montferland-groep, op natuurkampeerterrein het Peeske. Het oude tolhuis waar Thijsse verbleef, aan de voet van de Galgenberg, is niet langer in gebruik als overnachtingsplaats, maar mijn locatie is in vele opzichten vergelijkbaar met zijn verblijf. Aan de rand van hetzelfde bosgebied, met een uitzicht over vergelijkbare graanvelden als die hij daar destijds aantrof. Het enige verschil is wellicht dat Thijsse het er een stuk luxer vanaf bracht in z’n droge tolhuis. De regen vloeit van de helling alsof de drie jaren van ongekende droogte die ons land hebben geteisterd even in enkele dagen ingelost dienen te worden. Na enig ploeterwerk staat de tent dan toch, en juist op dat moment houdt de regen op. Later begint deze echter weer, en wel in die mate dat van mij schijnbaar wordt verwacht een compleet waterbouwkundig netwerk van greppels te graven om mijn tent ten minste een beetje droog te houden.
1.1 Meer boomsoorten in het Montferlandse bos
Nu alles eenmaal uitgepakt op zijn plaats terechtgekomen is, en de greppels goed afwateren, kan ik starten met beschrijven hoe het bos er op het eerste oog bij ligt. Want al vlak na mijn komst in de Montferlandse heuvels valt mij op dat het bos dat Thijsse eens beschreef, niet meer ter plaatse aanwezig is. Hij schrijft over hoge lariksen (Larix spec.) die in grote regelmaat diagonaalsgewijs zijn aangeplant op de steile hellingen van de heuvels met in het achterland een onafzienbaar dennenbos (Pinus sylvestris) met sparren (Picea abies) ertussen1. Vandaag de dag is voor de leek amper nog zichtbaar dat dit bos überhaupt ooit is aangeplant; geen bomenrij is nog te herkennen in de weelderige begroeiing die de heuvels bedekt. Het is enkel dat ik afgelopen jaar van een gids in het Poolse oerbos van Bialowieza heb geleerd dat er in een natuurlijk bos geen denkbeeldige liniaal gelegd kan worden langs de toppen van de bomen, omdat zij allen van hoogte, ouderdom en dikte verschillen, waardoor ik wist dat dit bos eens aangeplant moet zijn. Ook doordat er boomsoorten voorkomen die van nature niet thuishoren op een Nederlandse stuwwal, is deze historie nog goed zichtbaar.
Afbeelding 1 Enkele loofbomen uit het Montferland
De aanwezigheid van slechts drie boomsoorten die veel voorkomen, behoort tot een ver verleden. Alleen al in de bosrand, in de directe omgeving van mijn tent, tref ik gewone esdoorns (Acer pseudoplatanus), gewone vlieren (Sambucus nigra), wilde lijsterbessen (Sorbus aucuparia) en zomereiken (Quercus robur) aan, om maar te zwijgen over de rijkdom van de bossen zelf. Door elkaar gemengd, vormen beuk (Fagus sylvatica) en wintereik (Quercus petraea) een uitgestrekt loofbos op de helling ten noorden van de Beekseweg, en de overige bossen zijn begroeid met allerlei boomsoorten, inheems zowel als uitheems, naald zowel als loof, gemengd zowel als gescheiden. Thijsse zou eens moeten zien van welk een schoonheid zijn geliefde Montferland vandaag de dag getuigt. De rijkdom en de verscheidenheid van de Montferlandse bossen is veelbelovend te noemen voor de dagen die zullen volgen.
Vrijdag 10 juli 2020
2 De Galgenberg en het twaalfjarig pijnbos
De Galgenberg en het daarop gelegen ’twaalfjarig pijnbos’ is een vaak terugkerend thema in Thijsses beschrijvingen. Reden te meer om op de eerste dag van mijn verblijf een kijkje te nemen op deze heuvel.
2.1 Het twaalfjarig pijnbos anno 2020
Pijnbossen zijn bossen bestaande uit de grove den (Pinus sylvestris), die vroeger nogal eens pijnboom genoemd werd. Naast de ’s Heerenberger Straatweg, tegenwoordig Drieheuvelenweg genoemd, zou een dubbele rij lariksen aanwezig zijn geweest en tegen de helling van de Galgenberg zou ’een tamelijk nuchter op rijen gepoot, twaalfjarig pijnbos’ hebben gestaan. Thijsse beschreef de bossen die tegen de Galgenberg waren gepoot al als uiterst vogelrijk. Hij prees de Montferlandse bossen omdat ze ’niet al te best onderhouden’ werden en begroeid waren met ’blauwbes (Vaccinium myrtillus) en allerhande onkruid.’ In het twaalfjarig pijnbos merkte hij de aanwezigheid op van grasmussen (Sylvia communis), roodborsten (Erithacus rubecula) en in de avonduren zelfs nachtzwaluwen (Caprimulgus europaeus) die de zwarte mesttorren uit de lucht grepen. Langs de weg naar Terborg zouden tussen het mos brede wespenorchissen hebben gestaan die de hoogte van een meter bereikten en soms wel zes stengels hadden. Hij beschreef hoe hij deze orchis in heel het land aantrof, maar nergens zo hoog als hier. Deze orchissen werden voornamelijk bestoven door boswespen (Toen Vespa sylvatica, nu Dolichovespula sylvestris), die in deze regio zeer algemeen waren1.
Nu ik de heuvels van de Galgenberg beklim, tref ik een totaal ander bos dan dat Thijsse in zijn tijd ooit heeft kunnen zien in Nederland. In motregen gehuld ligt daar een hoog opgeschoten bos met grove dennen, waarschijnlijk meer dan een halve eeuw oud, met een weelderige ondergroei van ruwe berk (Betula pendula), wilde lijsterbes, sporkehout (Frangula alnus) en Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina). De hogere larikspercelen die her en der gestaan hebben, zijn recentelijk gekapt en vervangen door jonge aanplant met sparren. Zo liggen er opengekapte plekken in het hoge dennenbos met vreemd uitziende, verticale buizen waarbinnen sparren zijn aangeplant. Deze zogeheten plantkokers zijn bestemd om de lokale reeën (Capreolus capreolus) en hazen (Lepus europaeus) ervan te weerhouden de frisgroene loten van de jonge aanplant te nuttigen. Als ze de hoofdscheut van de jonge boompjes eten, zullen deze in de toekomst onherroepelijk kromme staken vormen, tot verdriet van de bosbouwer die het liefst rechte staken ziet om kwaliteitshout te kweken3. De begroeiing op de open plekken verschilt in redelijke mate van die in het besloten dennenbos. Opvallend zijn de golvende stengels van de bochtige smele (Deschampsia flexuosa), die met hun prachtig uitziende oranje kleur de open plek markeren. Ook het wit van de rankende helmbloem (Ceratocapnos claviculata), een tere bodembedekker die de resterende boomstobben volledig overgroeit, is een opvallende verschijning. Deze stikstofminnende planten doen het goed op opengekapte plaatsen. Omdat de dikke strooisellaag, die in vele decennia in het dichte bos is gevormd, door het overvloedig zonlicht in enkele jaren zal verteren, zal deze alle opgeslagen voedingsstoffen in een paar jaar aan de bodem prijsgeven4.
Voorbij de open plek kruis ik een jonge laan, beplant met beuken van gelijke leeftijd. Wanneer een oude beukenlaan niet meer als zodanig herkenbaar aanwezig is, bijvoorbeeld doordat veel beuken zijn afgestorven en de gaten zijn opgevuld door andere bomen, besluit men vaak om de gehele laan in een keer te kappen en te herplanten. Alleen op deze manier kan het karakteristieke laanbeeld behouden blijven5. Om de aanplant succesvol te laten verlopen, is hier een brede strook bos gekapt en de bodem gefreesd. De begroeiing vertelt dat dit slechts kortgeleden gebeurd moet zijn. Een echte pioniersvegetatie met perzikkruid (Persicaria maculosa) en waterpeper (Persicaria hydropiper) met her en der een hoger opgeschoten Canadese fijnstraal (Conyza canadensis) groeit op de bodem van de pas geplante laan. Een waar onderschatte plant betreft deze, het perzikkruid, dat maar al te vaak als onkruid wordt afgedankt. Met zijn prachtige, roze bloemen trekt hij veel insecten en zijn blad is in trek bij talloze nachtvlinderrupsen waaronder de perzikkruid-uil (Melanchra persicariae). Een oude, Christelijke legende vermeldt dat deze plant de zwarte vlekken op zijn bladeren heeft verkregen doordat hij onder het kruis zou hebben gestaan toen Christus werd gekruisigd. Zijn bloed zou op de bladeren terecht zijn gekomen en tot op de dag van vandaag een zwarte vlek vormen6. Een heel ander beeld zul je nu hopelijk hebben van dit ’onkruid’ als het in je tuin opkomt.
Afbeelding 2 Flora in de jonge beukenlaan en open plekken
Nu ik de jonge laan heb doorkruist, betreed ik opnieuw een oud dennenbos. Ik besluit eens te noteren welke vogels er zoal zingen in het hoge, gelaagde bos. Thijsses grasmussen (Sylvia communis) zijn verdwenen en vervangen door een bont gezelschap aan bosgebonden zangvogels. De volgende vogelsoorten tref ik slechts in dit ene bosperceel:
Afbeelding 3 Bosvogels op de Galgenberg
Boomklever (Sitta europaea)Boomkruiper (Certhia brachydactyla)Buizerd (Buteo buteo)Gaai (Garrulus glandarius)Goudhaan (Regulus regulus)Grote bonte specht (Dendrocopos major)Houtduif (Columba palumbus)Matkop (Poecile montanus)Merel (Turdus merula)Roodborst (Erithacus rubecula)Tjiftjaf (Phylloscopus collybita)Vink (Fringilla coelebs)Winterkoning (Troglodytes troglodytes)Zanglijster (Turdus philomelos)Zwartkop (Sylvia atricapilla)In vergelijking met het twaalfjarig dennenbos uit Thijsses tijd is dit een zeer soortenrijk bos, vol bosgebonden soorten. En de aanwezigheid van al deze vogels zegt iets over het bos; iedere soort bezet zijn eigen plaats in het meest complexe ecosysteem wat in ons land maar mogelijk is. Wat zou Thijsse hebben genoten van dergelijke gevarieerde bossen, die we tegenwoordig ’normaal’ zijn gaan vinden in ons land.
Het twaalfjarig pijnbos dat Thijsse hier aantrof was een relatief soortenarm bos dat zich in de zogeheten stakenfase bevond. Hij beschreef hoe hier wel een paar honderd meter ver gekeken kon worden en hoe er op de bodem niets meer groeide dan enkel wat geelgroen mos1. Uit de literatuur is bekend dat deze bosontwikkelingsfase de meest soortenarme fase betreft7. De vogelsoorten die Thijsse beschreef (nachtzwaluw, grasmus en roodborst) zijn soorten van jong bos en bosrandgemeenschappen8. In feite was het ’bos’ dat Thijsse op de helling van de Galgenberg aantrof dan ook nog helemaal geen echt bos te noemen. Dat is het later pas geworden, en vanaf de stakenfase neemt de soortenrijkdom van het bos langzaam toe7. De bomen worden hoger, her en der gaan bomen dood en onder de bomen ontwikkelt zich een struiklaag. In wezen heeft het bos zo meerdere ’etages’ waar weer andere vogelsoorten tot broeden kunnen komen. Daarnaast ontstaan er verspreid in het gebied holtes in de bomen, al dan niet bevorderd door spechten, die op hun beurt weer broedgelegenheid bieden aan holenbroeders zoals de boomklever en de koolmees (Parus major). Verticaal wordt het bos ook interessanter doordat oudere bomen, afhankelijk van de boomsoort, een ruwere schors krijgen waartussen zich tal van ongewervelde dieren kunnen verschansen die op hun beurt gegeten worden door stamfoerageerders als boomklever en boomkruiper. De aanwezigheid van een voldoende complete vogelgemeenschap biedt op zijn beurt plaats aan roofvogels zoals de sperwer (Acipiter nisus) en de havik (Acipiter gentilis).
Afbeelding 4 Links, van boven naar beneden: Het bostype zoals Thijsse het beschreef, boven het bostype dat ik aantrof en onder het Poolse oerbos van Bialowieza
Indien er geen vlaksgewijze eindkap zal plaatsvinden in dit bos – dat wil zeggen dat alle bomen in een keer worden gekapt zoals we bij de beukenlaan hebben gezien – zal het bos op termijn in de aftakelingsfase terechtkomen waarin de oude boomgeneratie geleidelijk afsterft en plaatsmaakt voor een nieuw bos7. De struiklaag zal dan uitgroeien tot een nieuwe boomlaag en de gaten die zijn gevallen door afstervende dan wel omgezaagde bomen opvullen. Het absolute summum van de bosontwikkeling vormt dan ten slotte een gevarieerde mozaïek waar alle ontwikkelingsfasen van het bos door elkaar voorkomen zoals het geval is in het Poolse oerbos van Bialowieza, het laatste overgebleven oerbos van de Noordwest-Europese laagvlakte en zodoende het Nederlands referentiegebied. Voordat de Nederlandse bossen zover zijn, zijn we echter vele eeuwen verder. De ontwikkeling gaat op veel plaatsen echter wel de goede kant op, mede omdat de struiklaag in veel oude productiebossen uit boomsoorten bestaat die van oorsprong in Nederland thuishoren9. Ook de kruid- en de moslaag van het bos zijn vele malen soortenrijker dan in Thijsses tijd. Waar hij schreef dat er op de grond niets anders leek te liggen dan wat geelgroen mos, tref ik er vandaag de dag brede stekelvarens (Dryopteris dilatata), adelaarsvarens (Pteridium aquilinum) en blauwe bosbessen. Wat betreft de mossen groeien er soorten als bronsmos (Pleurozium schreberi), gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en kussentjesmos (Leucobryum glaucum).
Mijn nieuwsgierigheid wordt gewekt door een smal paadje. Het paadje kruist het pad waarover ik loop en lijkt over een omgevallen den het bos in te verdwijnen. De regen maakt het helaas nagenoeg niet mogelijk om aan de hand van prenten op het pad te achterhalen welk dier hier verantwoordelijk voor is, maar een vermoeden heb ik wel. Aangezien de meeste grotere zoogdieren hier ontbreken, liggen er eigenlijk nog drie opties open. Ree (Capreolus capreolus), vos (Vulpes vulpes) of das (Meles meles). Doordat de volledige moslaag van de omgevallen boom ter hoogte van het paadje is verdwenen valt uit te sluiten dat het alleen door reeën wordt gebruikt, die zijn met hun kleine hoeven en hoge poten niet in staat om zulke ’schade’ aan te richten. Vossen staan er niet om bekend telkens eenzelfde route te bewandelen, zodat de das als juiste kandidaat overblijft, die juist bekend staat om vaste looproutes, wissels geheten, te gebruiken10. De rand van het Montferlands heuvelland is erg geschikt voor dassen. Voedselrijke graslanden die met enige regelmaat worden bemest en zo een hoog aandeel grijze regenwormen bevatten, liggen op korte afstand van reliëfrijke bossen, waar het dier zijn ondergrondse burchten uitgraaft10. Vreemd genoeg heeft Thijsse niets geschreven over de das, terwijl er juist rond 1900 zo’n twaalfduizend van moeten hebben rondgelopen in Nederland11. Wellicht was de das destijds zo’n algemene verschijning dat hij het niet waard was te beschrijven, of hij is Thijsse niet opgevallen door zijn nachtelijke levenswijze en zijn verblijf in ondergrondse holen.
Even verderop doorsnijdt een asfaltweg die heel toepasselijk ’Montferland’ heet de heuvel van de Galgenberg. Ik steek de weg over, en aan de overzijde is het pad omzoomd door een hoge, oude beukenlaan. Ook de bossen zien er anders uit aan deze kant van de weg. Niet de grove den, maar een groot beukenbos (Fagus sylvatica) begroeit dit deel van de Galgenberg. Het zogenoemd bochtige smele-beukenbos vormt het eindstadium van de bosontwikkeling op de hogere zandgronden van Nederland12. Dit bostype heet geen bochtige smele-beukenbos omdat er zoveel bochtige smele (Afbeelding 2) groeit, maar omdat dit nagenoeg de enige vaatplant is die er met enige regelmaat kan groeien. Toen Thijsse hier in 1896 ronddwaalde, trof hij waarschijnlijk in zijn geheel geen beukenbossen aan. Wellicht een aantal jonge beukenlanen die de dennenvakken van elkaar scheidden, want wel schreef hij over eekhoorns die beukennootjes verstopten, en dat gaat knap lastig zonder beuken. Waar de meeste beukenbossen op het eerste oog iets weg lijken te hebben van een woestijn van dood blad met dikke beuken en geen struiken of mossen, is dat hier anders. Het bos is namelijk niet uitsluitend met beuken begroeid. Her en der staan hoge dennen die voldoende licht doorlaten voor een rijke struiklaag. Ook liggen er een aantal dode beuken in het bos waarvan de brede stammen de bodem bedekken.
2.2 Het belang van dood hout
Wanneer we naar de voet van zo’n omgevallen beuk lopen, zien we een vreemde ringvormige wond die zijn gehele stam lijkt te omringen. Je vraagt je misschien af welk dier in staat is om een volwassen beuk te doden door zijn dikke stam in te snoeren, maar dit is duidelijk mensenwerk. Het zogenoemde ’ringen’ van bomen is een beheermaatregel om het aandeel dood hout in een bosgebied te verhogen13. Doordat de bastvaten van de boom worden onderbroken, kan hij niet langer glucose dat in de bladeren is gemaakt, transporteren naar zijn wortels waardoor hij als het ware verhongert. Het idee daarachter is vervolgens dat de dode boom rechtop blijft staan, maar dat heeft bij deze beuk duidelijk gefaald.
Dood hout is dermate belangrijk voor de biodiversiteit van het bosgebied dat het in het huidige Nederland, waar de bossen nog altijd overwegend ’jong’ zijn, regelmatig nodig wordt geacht meer dood hout in het bos te brengen door bomen te doden. De uitspraak ’dood hout leeft’ is dan ook een vaak terugkerend thema in de opleiding bos en natuurbeheer. En rechtopstaand dood hout trekt weer meer soorten aan dan liggend dood hout, hoewel ook dat laatste een breed scala aan soorten huisvest13. Van ieder stadium van de afbraak van een boom zijn weer net wat andere soorten afhankelijk. Een dode boom is een op zichzelf staand mini-ecosysteem dat zoveel soorten herbergt dat zo ongeveer de helft van alle diersoorten die in bossen voorkomen in meer of mindere mate afhankelijk is van dode bomen13. Een dode boom bevat in z’n totaliteit, wanneer we naar schimmels, dieren en planten kijken, zelfs meer levende cellen dan een levende14.
Het is dus vanuit de biodiversiteit bekeken zeker aan te bevelen het aandeel dood hout in de Nederlandse bossen te verhogen, mede omdat in ons land slechts 13,8 kuub dood hout per hectare voorkomt15 terwijl dit in een natuurlijk bossysteem meer dan 40 kuub per hectare kan zijn13. Maar wanneer we eerlijk zijn, kunnen we ook gewoon geduld hebben, want de toename van het aandeel dood hout is een natuurlijk proces dat samengaat met het ouder worden van het bos. Alleen willen we als mens het liefst zo spoedig mogelijk resultaten zien van onze inspanning, zelfs in het natuurbeheer. Het is daarom erg lastig honderd of zelfs duizend jaar geduld te hebben en de ontwikkeling die gaande is te volgen zonder hierop in te grijpen.
In Thijsses tijd kwam dood hout in z’n geheel niet voor in de Nederlandse bossen. Tot aan 1985 werden vrijwel overal alle dode bomen opgeruimd16. Het kon beter worden verkocht, het werd geacht een broeinest voor ziekten en plagen te zijn en het zag er rommelig uit17. In feite bleek het omgekeerde waar te zijn. Dood hout huisvest een grote biodiversiteit waaronder ook tal van sluipwespen en andere natuurlijke vijanden van ’plaag’dieren die in bossen voorkomen.
En zo’n dode beuk zoals hier nu voor mijn voeten ligt, is ook ontegenzeggelijk wel een uniek ecosysteem. Rijkelijk is hij begroeid met talloze soorten slaapmossen (Hypnales spec.), en de elfenbankjes (Trametes versicolor) versieren het boomlijk met een prachtige zwart-witte tekening.
De grootste rijkdom vinden wij echter onder de schors. Wanneer de beukenschors wordt verwijderd, ontluikt een verborgen, donkere wereld waar het zelfs in de droogste jaren vochtig blijft. Vochtig genoeg zelfs voor kreeftachtigen, die we normaal enkel in zee zullen aantreffen. Pissebedden, welteverstaan de ruwe pissebed (Porcellio scaber) en de kelderpissebed (Oniscus asellus), vormen een enorme kolonie op de plaats waar eens de bastvaten van de beuk het suiker uit de bladeren naar de wortels vervoerden. Voor velen is wellicht onbekend dat de pissebed nauwer verwant is aan krabben en garnalen dan aan insecten. Wanneer we de onderkant van de pissebed bekijken zijn zelfs zijn kieuwen zichtbaar. Het is ook niet verwonderlijk dat deze diertjes alleen kunnen overleven op voldoende vochtige plaatsen. Ook de gewone platrug (Polydesmus denticulatus), een veel voorkomende maar onbekende duizendpootsoort, komt voor onder de beukenschors. Anders dan andere duizendpoten is dit een herbivore diersoort die zich hoofdzakelijk voedt met dood, plantaardig materiaal, evenals de pissebedden dat doen.
Afbeelding 5 Ruwe pissebed, gewone platrug en gewone pad
Roofdieren die op dergelijke plaatsen leven, zijn duizendpoten zoals de gewone steenloper (Lithobius forficatus) en insecten zoals de gewone oorworm (Forficula auricularia). Waar die eerste een echt roofdier is, is die laatste meer een alleseter te noemen. Als het ware zijn het de wolf en de das in het klein. Dieper in het boomlijk, in het vermolmde hout dat onder de bast ligt, vinden we een groter dier: de gewone pad (Bufo bufo). Ook zij benut graag het vochtige microklimaat in de dode boom als schuilplaats. Amfibieën drogen sneller uit dan bijvoorbeeld reptielen en zoogdieren doordat hun huid waterdoorlatend is, dus zijn zij ook voor hun voortbestaan afhankelijk van vochtige schuilplaatsen om zich van het ene naar het andere open water te verplaatsen. En zoals Thijsse al schreef, is open water een schaars artikel in de Montferlandse bossen1.
2.3 Complexe systemen
De vogelbevolking van het beukenbos wijkt in lichte mate af van die van het dennenbos. Een vogelsoort die te herkennen is aan zijn opvallende roep betreft de holenduif (Columba oenas). Deze duivensoort broedt voornamelijk in boomholtes en zijn aanwezigheid in een bosgebied vermeldt dan ook dat het een relatief oud bos betreft omdat zulke grote dieren niet in het minste of geringste gleufje tot broeden zullen komen. Ongetwijfeld profiteert hij evenals de eerder benoemde houtduif van de overvloedig aanwezige graanakkers in de directe omgeving van het bosgebied. Doordat grote delen van deze akkers biologisch worden beheerd door Natuurmonumenten, die ook in de winterperiode een deel van het gewas laat overstaan, is er jaarrond voldoende voedsel voor de duiven. Ook de eerder beschreven buizerd die her en der in de bossen broedt is voor zijn voedselvoorziening direct afhankelijk van de graanakkers en cultuurgraslanden rond de heuvels. Zijn voedsel bestaat goeddeels uit veldmuizen (Microtus arvalis) die juist in deze systemen massaal kunnen voorkomen.
Anders dan de buizerd zijn de sperwer (Acipiter nisus) en de havik (Acipiter gentilis), die ik alle twee heb waargenomen in de Montferlandse bossen, voornamelijk afhankelijk van zangvogels, hoewel met name haviken ook zoogdieren tot de grootte van een konijn kunnen eten18. De mannelijke havik en de sperwer eten voornamelijk de kleinere zangvogels19 terwijl de vrouwelijke havik het veelal op duiven heeft gemunt18
