Alles naar wens - Myra Slot - E-Book

Alles naar wens E-Book

Myra Slot

0,0
3,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

Barbara runt samen met haar moeder een klein hotel in Zuid-Duitsland. Ze is op en top gastvrouw en doet alles om het anderen naar de zin te maken. Dus als haar vader, die ze al tien jaar niet in het echt heeft gezien, haar vraagt om op haar zesjarige halfbroertje en -zusje te passen, terwijl hij en zijn vrouw naar Spanje moeten voor een begrafenis, aarzelt ze geen moment.


Barbara reist af naar Giethoorn, waar ze ontdekt dat haar grootouders een vervallen zomerhuisje bezitten. En omdat Alec Frank, de beroemde sexy muzikant die ze vorige zomer ontmoette, een rustige plek nodig heeft om nieuwe liedjes te schrijven, biedt ze aan om het voor hem weer bewoonbaar te maken.


Alec besluit haar te helpen en haalt gevoelens bij haar naar boven die ze sinds de breuk met haar ex diep weggestopt heeft. Gevoelens die ze eigenlijk niet wil voelen. Want vallen voor een wereldster: dat kan toch nooit goed gaan?


Alsof dat allemaal nog niet voor genoeg hectiek in haar leven zorgt, vinden ze in het huisje ook nog een hartverscheurende brief die allerlei vragen oproept. Barbara is vastbesloten het geheim dat het huisje verbergt, te ontdekken. Maar wil ze de waarheid wel weten?

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern

Veröffentlichungsjahr: 2021

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Alles naar wens

Myra Slot

Alles naar wens

is een uitgave van

Dutch Venture Publishing

Copyright © 2021 Dutch Venture Publishing

Auteur: Myra Slot

Omslagontwerp: Jen Minkman

Tekstredactie: Famke Prins & Cathinca van Sprundel

Eerste uitgave juni 2021

NUR 343

––––––––

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave

Titelpagina

Copyright Pagina

-1-

-2-

-3-

-4-

-5-

-6-

-7-

-8-

-9-

-10-

-11-

-12-

-13-

-14-

-15-

-16-

-17-

-18-

-19-

-20-

-21-

-22-

-23-

-24-

-25-

-26-

-27-

-28-

-29-

-30-

-31-

-32-

-33-

-34-

-35-

-36-

-37-

-38-

-39-

-40-

-41-

-42-

-43-

Epiloog

-1-

Met klamme handen en wangen rood van de snijdende wind loop ik over het laatste van de vele bruggetjes die Giethoorn rijk is. Een weekendtas met daarin alles wat ik de komende weken nodig heb, hangt over mijn schouder en bungelt tegen mijn rug. Bij iedere stap krijg ik een schop van mijn eigen ingepakte wandelschoenen, die achteraf beter hadden volstaan dan de mooie hoge zwarte laarzen die ik speciaal voor vandaag heb aangeschaft. De hakken tikken vrolijk op het hout; een schril contrast met hoe ik me voel.

Aan de andere kant van het bruggetje doemt de monumentale woonboerderij van mijn vader op, half verscholen achter de kale takken van struiken en de dikke stammen van een paar stokoude eikenbomen.

Tien jaar heb ik hem niet gezien, beeldbellen niet meegerekend. Toen hij mijn moeder en mij verliet en naar Nederland terugging, was ik kwaad en verbrak ik het contact tussen ons. Hij begreep dat en liet me met rust, hopend dat ik na verloop van tijd milder gestemd zou raken en ook zijn kant van het verhaal wilde horen. En dat wilde ik na een paar jaar ook wel, maar toen werd mijn moeder ziek en kwam het runnen van Gasthof Gloria voor een groot deel op mijn schouders terecht. Uiteindelijk is het er nooit van gekomen om hem op te zoeken, om allerlei redenen.

Maar nu ben ik hier, met kriebels in mijn buik van de spanning. Zal het ooit weer voelen zoals vroeger? Zal ik met zijn nieuwe vrouw Connie overweg kunnen? Zal het hem lukken al mijn vragen te beantwoorden zonder dat ik in huilen uitbarst? Scheisse. Wat als er geen enkel zinnig woord uitkomt?

Ik pep mezelf in gedachten op en sla een kruisje. Ik ben een volwassen vrouw van bijna vijfentwintig met een eigen bedrijf. Ik ben geen tiener meer. Dit kan ik best.

Met een diepe zucht loop ik het grindpaadje op. Er hangt een bel waar je zelf aan moet klingelen, dus dat doe ik dan maar. Ik ben een beetje bang om meteen via de achterdeur naar binnen te gaan, zoals we thuis altijd doen. Daarvoor heb ik mijn vader te lang niet gezien. Bovendien is Connie praktisch een vreemde voor me.

Het geluid lijkt door het hele huis te galmen. Een windvlaag blaast mijn lange vlechten in mijn gezicht en met een rilling zet ik de kraag van mijn winterjas omhoog. Mijn handen stop ik zo diep mogelijk in mijn zakken. Het is veel te koud voor begin april, zeker in combinatie met dat laagje ijs in mijn maag dat met de seconde lijkt te groeien.

Er klinken voetstappen in de hal. Mijn wild bonzende hart herinnert me er nogmaals aan dat het niet niks is wat ik vandaag doe. Mijn vader en Connie moeten naar Spanje voor de begrafenis van Connies moeder, die al jaren in Marbella woonde. En omdat het niet handig is om hun zesjarige tweeling mee te nemen, zochten ze iemand aan wie ze die twee bengeltjes met een gerust hart konden toevertrouwen. Dat ik Tygo en Jip nog nooit in het echt gezien heb, leek niet uit te maken. En omdat ik nu eenmaal ben wie ik ben en het niet over mijn hart kon verkrijgen om mijn halfbroertje en -zusje de rug toe te keren, zei mijn mond al ‘ja’ voordat mijn brein besefte waar ik ja tegen zei. Als de nood niet zo hoog was geweest, was ik nooit gegaan, daar ben ik van overtuigd. Dan was ik gewoon doorgegaan met de dagelijkse dingen en had ik stoïcijns volgehouden dat mijn vader geen plek meer had in mijn leven. Mijn kop in het zand steken, zegt Mutti altijd. Ook al voelt ze nog altijd bitterheid jegens hem; ze wil niet dat ik hem niet meer zie. ‘Er wird immer dein Vater sein,’ zei ze, toen ik haar vertelde over zijn verzoek. Ze heeft natuurlijk gelijk, maar nu de voetstappen dichterbij komen, vraag ik me serieus af of het niet beter is om de struisvogel uit te hangen en zo snel mogelijk terug te rijden naar Irschenberg, mijn veilige thuishaven in Zuid-Duitsland.

Te laat. De deur gaat open. In de deuropening verschijnt een man die ik herken als mijn vader, maar dan een stuk grijzer. Het is net alsof je dat tijdens het beeldbellen niet goed ziet, denk ik bij mezelf. Of hij verdoezelde het door de verlichting aan te passen. Hij heeft kraaienpootjes bij zijn slapen en hij lijkt een stuk slanker dan toen hij nog met mijn moeder was. Maar zijn blauwe ogen sprankelen net als vroeger.

Hij glimlacht naar me en dan grijpt het me plotseling bij mijn strot. Het liefste wil ik me in zijn armen storten en de afgelopen tien jaar vergeten. Ik wil dat hij me Barbie noemt en door mijn haar streelt, zoals vroeger.

‘Hallo Vati,’ is echter het enige wat ik eruit krijg, en mijn lichaam komt ook niet in beweging. Ik blijf houterig staan, terwijl de vlechten om mijn gezicht zwiepen door de harde wind.

‘Barbara,’ zegt hij met zijn kenmerkende hese stem. De glimlach is er nog steeds. Zijn ogen glinsteren als hij mijn naam noemt. ‘Je bent er.’

‘Ik ben er,’ herhaal ik.

Een beetje ongemakkelijk staan we tegenover elkaar. Dan gebaart hij naar de hal achter hem. ‘Wil je binnenkomen?’ Ook hij is zenuwachtig, dat zie ik aan zijn trillende vingers.

‘Graag.’

Ik stap over de drempel op de zwart-witgeblokte tegelvloer van de hal en staar naar de kroonluchter aan het plafond, de hagelwitte muren en de grote spiegel met een lijst van sierlijke gouden krullen. De jassen aan de kapstok en de schoenen eronder zijn netjes gerangschikt, alsof iemand vlak voor mijn komst de puntjes op de i heeft gezet.

Mijn vader neemt mijn jas aan en terwijl ik mijn handen warm wrijf, volg ik hem naar de keuken. Er staat een grote houten tafel te midden van antracietkleurige keukenkastjes en een groot zwart fornuis. Het is het soort keuken waar ik van droom, maar die we ons niet kunnen veroorloven.

‘Is Connie er niet?’

Mijn vader schudt zijn hoofd. ‘Het leek me beter om eerst met z’n tweetjes af te spreken. Ze is aan het varen met de kinderen.’ Hij grinnikt. ‘Ze kunnen niet wachten om winkeltje met je te spelen. Wil je koffie?’

‘Lekker. Met melk en suiker, graag.’

Mijn vader pakt twee kopjes uit een kastje en gaat aan de slag met de ingewikkeld uitziende koffiemachine waar zo te zien verse koffiebonen in moeten. Al snel vult koffiegeur de keuken en mijn zenuwen verdwijnen een beetje naar de achtergrond. Koffie ruikt naar thuis, naar ontspanning. Een genietmomentje aan het begin van de dag, als er nog niemand wakker is. Zwart goud noem ik het, en dat is het echt.

Mijn vader geeft me mijn koffie aan en gaat zitten, dus doe ik dat ook.

‘Heb je een goede reis gehad?’ vraagt hij.

‘Ja hoor.’ Het is weer even stil.

Hij glimlacht. ‘Ik ben blij dat je “ja” zei. Ik wist niet hoe we het anders hadden kunnen regelen. Opa Geert en oma Froukje hebben hun eigen leven. Ik wil hen niet opzadelen met twee druktemakers.’ Hij zegt het met een liefdevolle blik in zijn ogen, maar dat is niet wat me dwarszit. Wat me dwarszit, is dat ik óók een eigen leven heb – had – en dat hij dat niet lijkt te beseffen. ‘En de kinderen meenemen is geen optie,’ gaat hij verder. ‘Ik moet er zijn voor Connie. Ze wil haar broer en zus er niet alleen voor laten opdraaien. Ze wil er graag voor hen zijn. En om dat te doen, heeft ze mijn schouder nodig om op uit te huilen. Maar ik wil Tygo en Jip niet achterlaten bij een vreemde.’

‘Ik bén een vreemde voor ze.’

Ze hebben het altijd over je. Over hun grote zus die in Duitsland woont en allerlei spannende dingen in de bergen beleeft. Ze aanbidden je, Barbara. Dat ze je nooit in het echt gezien hebben, betekent niet dat ze niet weten wie je bent. Jij bent net zo goed mijn dochter. Juist daarom leek het me een goed idee om je dit te vragen. Ik had liever gehad dat je om een andere reden hiernaartoe was gegaan, zodat we samen boottochtjes konden maken. Hoe spijtig die begrafenis ook is, het spijt me niet dat je hier bent. En ik hoop dat je nog een tijdje blijft als we weer terug zijn.’

Ik zou me geroerd moeten voelen door die woorden, maar dat is niet zo. Het steekt, omdat hij er nooit voor mijn moeder is geweest toen ze zijn schouder nodig had. Omdat hij meer van Connie houdt en hun kinderen wél ziet opgroeien. Tenminste, voor zo lang als het duurt. Misschien worden zij als tieners ook wel in de steek gelaten. Wie zal het zeggen?

Meteen heb ik spijt van die giftige gedachten. Mensen kunnen veranderen, dat weet ik best.

Ik kijk om me heen, naar de keuken van mijn dromen en de raamkozijnen die geen enkele lik verf nodig hebben. Het is een huis waarin ik tot rust zou kunnen komen. Simpelweg omdat die eindeloze to-dolijst hier niet nodig is.

‘Ja,’ zeg ik afwezig. ‘Dat zou fijn zijn.’

Een paar minuten lang zeggen we niets. We drinken koffie en lijken allebei in gedachten verzonken. Ik weet niet wat ik verder nog moet zeggen, en hij blijkbaar ook niet. Neemt hij het me kwalijk dat ik hem te lang heb genegeerd? Is hij teleurgesteld in mij, zoals ik teleurgesteld was in hem toen hij ervandoor ging?

De harde woorden die ik hem voor de voeten smeet toen ik veertien was, moeten nog ergens in zijn geheugen zitten. Ik heb hem destijds zo hard mogelijk geprobeerd te raken. Ik wilde hem net zo erg kwetsen als hij mij en Mutti had gekwetst. En nu ben ik doodsbang dat die woorden een barrière zijn geworden waar we niet meer overheen kunnen stappen.

‘Wil je een koekje?’ Vati pakt een trommel uit het kastje en schuift hem over de tafel naar mij. ‘Heb ik zelf gebakken met de tweeling. Ze zien er niet uit, maar ze smaken best goed.’

Mijn blik glijdt over de inhoud van de trommel. Er zijn koekjes die voor een hartje moeten doorgaan en koekjes die lijken op een ster, maar met een rare bolling aan één kant. Voor het eerst deze dag voel ik een glimlach opkomen. ‘Graag, dank je.’ Ik kies een hartje uit en hap er een stukje af. ‘Ze zijn lekker.’

Mijn vader ademt diep in en uit, alsof hij bang was dat ik dit gebaar zou afslaan. Dan zet hij zijn kopje neer en neemt me aandachtig op. ‘Ben je gelukkig daar, in Irschenberg?’

Ik frons mijn wenkbrauwen. ‘Hoezo? Waarom zou ik daar niet gelukkig zijn?’

‘Nou, het is hard werken, zo’n pension. Altijd andere mensen over de vloer en nauwelijks privacy. Ik maak me een beetje zorgen af en toe. Dat je niet aan jezelf toekomt, zeg maar.’

‘Dat valt wel mee. Ik heb genoeg vrienden in het dorp en in het laagseizoen komen er niet elke dag gasten. Ik hou van die plek, van onze kippen, en het uitzicht op de Alpen in de verte. Dus maak je alsjeblieft geen zorgen om mij. Nergens voor nodig.’

‘En je moeder? Hoe gaat het met Gemma?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Goed, naar omstandigheden.’

‘Al een nieuwe man in haar leven?’

‘Nee.’

Mijn vader roert zwijgend door zijn koffie en lijkt naar woorden te zoeken, net als ik. Wat vervelend is dit. Hoe graag ik hem ook wilde zien; ik was niet voorbereid op deze afstandelijkheid. Van beide kanten.

Het was lastig om mijn moeder achter te laten in het Gasthof, ook al is ze als lid van het Chorgemeischaft Irschenberg verzekerd van voldoende steun wanneer dat nodig is. In november heb ik om die reden Nora’s uitnodiging afgeslagen om een weekje naar Nederland te komen. Ze was vorige zomer bij ons te gast en door alles wat er toen gebeurd is, kregen we een speciale band. Zo speciaal, dat we nu nog steeds contact hebben. Ze heeft beloofd om een keertje bij me langs te komen en omdat Nora altijd doet wat ze belooft, kan ik erop rekenen dat ze binnenkort op de stoep staat. Ik weet alleen niet wanneer, want ze heeft als accountant een drukke baan.

Het had me best leuk geleken om er voor de kerstdrukte even een weekje tussenuit te gaan, maar er was te veel achterstallig onderhoud en het terrein moest nog lenteklaar worden gemaakt. Ik heb het gras gemaaid, onkruid weggehaald, het terras opgeruimd en tegels vernieuwd, de ramen grondig gewassen en zelfs de terrasdeuren voorzien van een nieuwe lik verf. Ondanks de kerstmarkten waren er niet veel boekingen binnengekomen, dus ik had ook nog tijd om de antieke kast bij de receptie te maken en de hal te sauzen. En dat zie ik de leden van het koor niet doen.

De werkzaamheden waren dus zo goed als afgerond, maar toch voelde het nog steeds raar om weg te gaan. Ik beloofde Mutti dat ik begin mei weer terug zou zijn om ons voor de volle honderd procent in het nieuwe seizoen te kunnen storten.

Maar zoals het nu gaat, wil ik niet tot mei wachten.

‘In mijn gedachten ging dit een stuk soepeler,’ zegt mijn vader opeens. Hij slaakt een diepe zucht. ‘Ik wilde je zo graag weer zien, Barbara. Je lijkt in niets meer op de tiener die je toen was en ik vind het verschrikkelijk dat ik zoveel van jouw leven gemist heb. Ik snap dat je boos was, en misschien nog steeds bent. Ik hoop alleen dat je er nu wat genuanceerder naar kunt kijken. Het werkte niet tussen je moeder en mij. Niet alleen omdat we zo jong waren toen we elkaar ontmoetten, maar ook omdat ik een luxepaard ben, en nogal gesteld op mijn privacy. Ik ben niet gemaakt voor een leven in dienst van anderen. Ik wil dat je weet dat ik het geprobeerd heb, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan.’

‘Dat weet ik,’ zeg ik zachtjes. ‘Toen niet, nu wel. Ik heb zelf een gebroken hart overleefd. Ik weet hoe dingen kunnen lopen. Ik ben niet meer boos, Vati. Ik ben alleen bang dat het nooit meer wordt zoals het was. Dat je boos bent op míj.’

‘Waarom zou ik in vredesnaam boos zijn op jou?’

‘Omdat ik erge dingen heb gezegd die ik niet meende.’

De blik in mijn vaders ogen wordt heel zacht. Zachter dan ik had verwacht. Zachter dan toen ik voor de deur stond. ‘Je handelde uit emotie, dat is normaal. En ik had het verdiend, dat wist ik. Ik wist alleen niet dat het tien jaar zou duren voordat ik je weer zou zien.’

Er verschijnen tranen in mijn ogen. Tranen die niet meer gevloeid hebben sinds de breuk met mijn ex-vriend Rens. Tranen waarvan ik niet wil dat ze op dit moment tevoorschijn komen.

Een paar seconden heb ik nodig om ze terug te dringen. Om mezelf weer onder controle te krijgen. Hoe impulsief en sentimenteel ik ook kan zijn; huilen is nu echt geen optie.

‘Het spijt me,’ zeg ik uiteindelijk zachtjes, maar wel met redelijk vaste stem. ‘Ik wilde wel eerder komen, maar het Gasthof...’

‘Nee, het spijt míj,’ onderbreekt hij me. ‘Ik had ook naar jou toe kunnen komen. In een café in de buurt afspreken was best een optie geweest. Maar ik durfde niet. Ik was bang dat je nee zou zeggen en dat ik je definitief kwijt zou raken.’

‘Dus stak je je kop in het zand en hoopte dat het vanzelf goed zou komen.’

‘Ik denk het.’

‘Dan weet ik nu van wie ik dat heb.’

Grinnikend zet hij onze kopjes opnieuw onder de koffiemachine. Het malende geluid van de koffiebonen maakt ons hernieuwde samenzijn net ietsje losser. Vooral omdat er geen muziek klinkt, zoals thuis altijd het geval is. Mijn moeder en ik doen alles dansend en zingend, maar mijn vader vond dat altijd herrie. Hij houdt meer van de stilte dan van muziek. Van in zijn eentje door de natuur trekken en watervogels op de foto zetten. Dat soort dingen.

Eigenlijk is het best grappig dat hij en Connie een tweeling hebben gekregen. Tygo en Jip zijn luidruchtiger dan ik ooit op mijn wildste dagen ben geweest. Wat de stilte betrof had hij dus beter bij ons kunnen blijven.

Mijn blik valt op een foto van de tweeling aan de muur. Allebei breed lachend, zonder voortanden, en met ondeugende blauwe ogen en wilde blonde haren. Ze lijken totaal niet op mij, alsof we in de verste verte geen familie zijn.

Jij bent net zo goed mijn dochter.

Ik focus me op het nieuwe kopje koffie voor mijn neus en roer afwezig wat met het lepeltje. Dan herpak ik me. ‘Hoe laat gaat jullie vlucht eigenlijk?’

‘Om zeven uur. De koelkast en vriezer liggen vol met eten, dus daar hoef je je geen zorgen om te maken. Twee keer per week komt Guusje, onze schoonmaakster. Ze is de dochter van goede vrienden van ons en ze doet alles; van de was tot dweilen. Je hoeft je alleen maar met de kinderen en het eten bezig te houden.’

Jee, wat een luxe. Ik kijk naar het brandschone aanrecht en de glimmende tegels op de vloer. Het zal raar zijn om niets te hoeven doen. ‘En als de kinderen naar school zijn? Wat dan? Heb je nog klusjes die gedaan moeten worden?’

‘Niet nodig.' Hij overhandigt me een papier. ‘Kijk, hier staat alles op wat je moet weten over Tygo en Jip. Hun school, telefoonnummers van vriendjes, van opa en oma in Lemmer... Ze hebben gezegd dat ze langs willen komen. Vind je dat goed?’

‘Natuurlijk.’ Dat ik mijn opa en oma de afgelopen jaren vaker heb gezien dan mijn eigen vader, laat ik achterwege. Ze trokken regelmatig met hun caravan naar Duitsland en hebben zelfs een paar keer op ons erf gebivakkeerd toen we vol zaten met andere gasten. Voor opa Geert en oma Froukje ben ik geen vreemde en dat voelt fijn. ‘Dat zou ik heel gezellig vinden.’

Mijn vader knikt. ‘Gelukkig. O. En je hoeft je geen zorgen te maken over het water. Ze hebben allebei drie zwemdiploma’s. En het meer is niet diep, hooguit een meter of zo. Maar doe ze voor de zekerheid toch maar een zwemvest aan als je gaat varen. In de tuin ligt een fluisterbootje aangemeerd dat je mag gebruiken.’

Met mijn koffie in de hand sta ik op en loop naar de woonkamer, waar een vloer ligt van verschillende kleuren tegeltjes. Of ze origineel zijn, weet ik niet, maar het past goed bij de stijl van de woning. In het midden van de ruimte staat een enorme zandkleurige bank met aan twee kanten een uitsteeksel om je benen op te leggen. Er is een naam voor, maar ik weet even niet meer hoe zoiets heet. Het ziet er in ieder geval zeer comfortabel uit, zeker als je de gigantische tv ziet die aan de wand is bevestigd. Het lijkt wel een bioscoopscherm. Eronder is een houten plank bevestigd die op kniehoogte langs de gehele bakstenen muur loopt. Behalve de ontvangstkastjes van de tv en toebehoren, staan er een paar legobouwwerkjes, een stapel tijdschriften, wat boeken en een grote cactus op.

Tegenover de tv – achter de bank – kijk ik door ramen van vloer tot plafond zo de groene tuin in. De glazen wand is wel vijf meter breed en tevens voorzien van openslaande tuindeuren. Aan de rechterkant van de tuin zie ik een klein aanlegsteigertje. En omdat de bomen en struiken nog niet zo dichtbegroeid zijn, kan ik er dwarsdoorheen kijken naar de gracht erachter, waar net op dit moment een enkel bootje vaart.

Achter in de tuin staat een tuinhuisje, waarnaast een leuk zitje is gemaakt met loungebanken, tafeltjes en stoelen, aangekleed met planten in grote potten (zowel hangers als staanders), borden met teksten erop en een spiegel. Aan de tak van een dikke boom hangt een houten schommel en midden in de tuin is een trampoline ingegraven. En behalve gras, zijn er een heleboel struiken, bloemen en bomen waarvan ik weet dat ze binnenkort prachtig gaan bloeien.

Mijn vader komt naast me staan, ook met zijn koffie in de hand. ‘Onder de indruk?’

‘Jullie hebben een mooi huis met een prachtige tuin. Het enige wat mist, zijn de bergen in de verte,’ grijns ik.

‘Wij hebben water,’ zegt hij grinnikend.

‘Dat is waar. Jullie hebben water.’ Véél water. En ik hou niet van water. Het duurde eeuwen voordat ik niet meer in paniek raakte en ternauwernood mijn zwemdiploma Brons haalde. Die ring opduiken vanaf de bodem van het zwembad... ik krijg er nog de rillingen van. Het was geen verrassing dat ik daarna niet meer verder ben gegaan voor Zilver. Ik kon zwemmen en daarmee was de kous af. Er was toch nauwelijks water in Irschenberg, en als we met vrienden naar een meertje of een zwembad in de buurt gingen, bleef ik altijd in het ondiepe gedeelte. Waarom ik zo bang ben voor water, weet ik niet. Waarschijnlijk heb ik gewoon niet mijn vaders genen geërfd, die alles leuk vindt dat met water te maken heeft: zwemmen, varen, duiken, vissen, schaatsen... Je kunt het zo gek niet bedenken of hij heeft het gedaan.

Voordat ik met de tweeling ga varen, wil ik dus zeker weten dat het veilig is.

Ik kijk opzij, naar mijn vader die met een strakke blik naar de tuin staart. Wat gaat er door hem heen? Wat doet het met hem dat ik na jaren weer naast hem sta? Hij zei dat hij het fijn vindt dat ik hier ben en dat hij me niets kwalijk neemt, maar is dat echt zo? En ben ik echt ‘net zo goed zijn dochter?’ Ik weet het niet. Tien jaar is een lange tijd, zelfs met beeldbellen. Bovendien ben ik in een ander land opgegroeid, in een andere cultuur. Hij heeft mijn vrienden nooit ontmoet. Alleen mijn beste vriend Henrik een paar keer toen hij bij me was en we elkaar via Skype spraken. Hij heeft de tranen die vloeiden om de breuk met Rens niet gezien, laat staan gedroogd. Want in de kostbare tijd waarin we gesprekken voerden, liet ik hem mijn tranen niet zien.

Betekent dat dan ook dat ik het hem niet kwalijk mag nemen? Want als ik hem niet liet weten hoe verdrietig ik was, hoe kon hij dat dan weten?

Hij draait zijn hoofd en vangt mijn blik. Er schuilen zorgen achter die blauwe ogen. Zorgen om mij? Om de tweeling? Om Connie, vanwege haar moeder? In ieder geval wil ik niet dat hij zich zorgen maakt. Ik wil ze wegnemen, zoals ik altijd de zorgen van anderen wegneem. Zo was het met Henrik toen hij toegaf op mannen te vallen, en met Nora toen ze in ons Gasthof verbleef. Eigenlijk ben ik altijd zo geweest, zo lang ik me kan herinneren. Het is iets waar ik goed in ben, en eerlijk gezegd ben ik er nog trots op ook.

Ik glimlach en steek bij wijze van proost mijn koffiekopje omhoog. ‘Je hoeft je geen zorgen te maken, Vati. Ik run thuis een Gasthof, weet je nog? Dan kan ik een week met mijn eigen broertje en zusje ook wel aan. Het komt goed, echt.’

Als antwoord glimlacht mijn vader terug en tikt knipogend met zijn kopje tegen het mijne.

Dan hoor ik opgewonden kinderstemmetjes, en terwijl ik achter mijn vader aan door de tuindeuren naar buiten loop om Connie en de tweeling te begroeten, sla ik in gedachten een kruisje en hoop ik dat ik die belofte waar kan maken.

De kinderen zien mij eerder dan ik hen. Ik heb geen idee waar ik naar moet kijken en zie het witte bootje pas als het voorbij de struiken vaart. Tygo en Jip weten natuurlijk allang waar de doorkijkgaten zitten en zwaaien naar me vanuit de boot. Dan legt Connie aan en helpt ze de kinderen om aan wal te komen.

Ik had niet echt verwacht dat ze meteen op me af zouden stormen, maar ook niet dat ze als standbeelden op de steiger zouden blijven staan. Achter hen stapt Connie uit en maakt het bootje vast met een touw. ‘Kom, kinderen,’ zegt ze lachend. ‘Ga Barbara eens begroeten.’

Voetje voor voetje schuifelen ze dichterbij. Tygo met een ondeugende glans in zijn ogen en Jip met een ietwat angstige blik. Connie zucht en stapt met grote passen langs ze heen om mij de hand te schudden. ‘Wat fijn om je eindelijk in het echt te zien,’ zegt ze met een warme glimlach. ‘Daar heeft je vader erg naar uitgekeken.’

‘Ik weet het.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Gecondoleerd met je moeder.’

‘Dank je wel. Ze was nog veel te jong om te gaan, maar zo gaan die dingen soms.’

‘Hoe oud was ze dan?’ Ik staar naar haar glanzende, golvende lichtblonde haar dat tot halverwege haar bovenarmen komt en op de een of andere manier vloeiend overgaat in een zachtgele blouse met een wit bloemenmotief. Haar donkergrijze spijkerbroek zit strak om haar benen gespannen, alsof ze is gebodypaint. Jaloersmakend slank. Je hebt van die mensen die helemaal niets voor hun figuur hoeven te doen en Connie lijkt me zo iemand. Waarom ik dat denk, weet ik niet, maar oneerlijk is het wel. Ik werk me iedere dag het apezuur om niet aan te komen. En aangezien ik hier weinig klusjes hoef op te knappen, zal ik de komende week extra op mijn eten moeten letten.

‘Net zeventig geweest. Heeft je vader je verteld dat ze in Marbella woonde?’

‘Ja.’

‘Nou, daar had ze dus net een mooi clubje mensen om zich heen verzameld en toen kreeg ze nota bene op het strand een hartstilstand. Het was meteen afgelopen.’

‘Dat spijt me.’

‘Mij ook. Ik ben er de laatste tijd veel te vaak niet geweest. Maar goed, ik heb nog een zus en een broer die daar ook wonen en ik wil ze niet alles alleen laten regelen.’

‘Dat snap ik. Ik heb al tegen Vati gezegd dat ik ervoor zorg dat het hier allemaal goedkomt.’ Ik kijk naar de tweeling, die inmiddels op het gras staat, op zo’n twee meter afstand. Ik zak op mijn knieën en glimlach. ‘Jullie zijn toch niet bang voor mij?’ Ik trek een raar gezicht. ‘Want ik ben zooooo ontzettend eng!’

Tygo begint te grinniken en wil naar me toe lopen, maar Jip pakt zijn hand om hem tegen te houden. ‘Waarom noem jij papa Vati?’

Ik kijk over mijn schouder naar Connie en pap, die van een afstandje toekijken hoe ik dit oplos. Ik heb in het Gasthof zo vaak kinderen onder mijn hoede gehad, dus dit zou geen problemen op moeten leveren. ‘Jip,’ zeg ik zo vriendelijk mogelijk. ‘Vati betekent papa in het Duits. In Duitsland, waar ik woon.’

‘Kom je nu bij ons wonen? Net als Hammie?’ Jip houdt haar hoofd scheef. Ze heeft net als ik twee vlechten in haar haar.

‘Wie is Hammie?’

‘Onze hamster. Hij woont in de kamer.’

Hm. Die had ik even gemist. Te veel in beslag genomen door de nieuwe situatie, denk ik.

‘Dat heb ik jullie toch verteld,’ zegt pap. ‘Barbara komt een weekje hier logeren, omdat papa en mama iets belangrijks moeten doen.’

Jip knikt. ‘Jullie moeten Spanje-oma begraven en wij kunnen niet mee, want wij moeten naar school.’ Ze kijkt een beetje beteuterd.

‘Ik wil mee naar Spanje,’ moppert Tygo. ‘Ik wil naar het strand.’ Dan lijkt hij zich iets te bedenken en beginnen zijn ogen te schitteren. ‘Als wij bij opa Tjeerd en oma Froukje gaan logeren, mogen we altijd een heleboel snoepjes scheppen. Want dat hoort bij logeren. Dus als Barbara bij ons komt logeren, mag zij dan ook snoepjes?’

Ik knipoog naar hem. ‘Laat jij me dan zien hoe dat moet? Want ik weet niet hoe dat allemaal gaat in Nederland.’

Achter mij schiet Connie in de lach. ‘Jij wordt zelf nog eens een snoepje, Tygo.’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee hoor, dat kan niet. Daar ben ik veel te groot voor.’

Jip giechelt en laat de hand van haar tweelingbroertje los. ‘Stel je voor dat je een heel groot spekkie bent, dan kan ik hapjes van jou nemen. Weet je wat? We doen net alsof.’ Jip doet een dreigende stap naar Tygo en ontbloot haar tanden. Tygo bedenkt zich niet en rent keihard weg, met Jip achter zich aan. Ze rennen de hele tuin door, gierend en lachend, tot ze zich languit op de trampoline laten vallen en mij alweer vergeten lijken te zijn.

‘Je moet ze even leren kennen,’ zegt Connie. ‘Vooral Jip kijkt echt de kat uit de boom.’

‘Geloof me,’ grinnikt pap. ‘Als ze je niet aardig vonden, had je dat al gemerkt.’

Ik staar naar de twee stuiterballetjes die inmiddels bezig zijn met de schommel – Jip duwt Tygo – en bedenk een plan om hun vertrouwen te winnen. Het is natuurlijk goed dat ze niet zomaar iedereen vertrouwen, maar dat maakt het voor mij wel een stuk lastiger. En hoe je het ook wendt of keert; ik ben en blijf hun grote zus. Dat kan ik vast in mijn voordeel laten werken.

-2-

Het werkt níet in mijn voordeel. Ze lopen compleet over me heen. Ze denken dat ze alles kunnen maken, omdát ik hun zus ben. Omdat ze er kennelijk van overtuigd zijn dat ik niet alles verklap aan pap, zoals een vreemde oppas misschien zou doen.

Als ze na een badkamerspektakel met veel schuim, speeltjes en afwasbare badkuipstiften eindelijk in bed liggen en slapen, plof ik met een zucht neer op de bank. Ik wist niet dat je zo moe kon worden van spelen met kinderen. Ze denderen maar door, alsof ze op batterijen lopen die niet leeggaan. Eerst moest ik uitgebreid kennismaken met dwerghamster Hammie – gelukkig zonder staart – en toen gingen we verstoppertje spelen, waardoor ik minutenlang kromgebogen onder een struik heb staan wachten tot ze me vonden. Ik ben het gewend om de handen uit de mouwen te steken, maar dit is heel iets anders.

Toch had ik er lol in. Hoelang is het geleden dat ik verstoppertje heb gespeeld? Ooit, met kinderen in de buurt? Minstens vijftien tot twintig jaar geleden.

Net als ik een biertje opentrek en op de bank plof voor een rustig avondje Netflix – in tegenstelling tot Hammie, die als een bezetene rondrent in zijn radje – krijg ik een berichtje. Ik zet het flesje op tafel en reik naar mijn telefoon.

Hé Bar, vind je het goed dat ik nog even langskom voor een drankje? Het is al een tijdje geleden dat we elkaar gezien hebben en nu je in Nederland bent... Tenminste, als je niets anders gepland hebt. x Nora

Glimlachend typ ik terug dat ik dat niet erg vind. Stiekem grinnik ik een beetje om Nora, die zelf altijd alles plant en daardoor soms vergeet dat anderen nauwelijks plannen maken. Ik denk terug aan de staat waarin ze vorig jaar juni bij ons Gasthof aankwam: totaal in paniek, in een oldtimer van haar oma die ze had geërfd en met grote letters op haar voorhoofd: IK WIL NAAR HUIS. Gelukkig deed ze dat niet, anders was ze de liefde van haar leven misgelopen. Mijn reislustige en wispelturige ex, Rens, bleek bij Nora de rust te vinden die hij blijkbaar zocht en hoewel het best nog even moeilijk was in het begin om hem te zien stralen bij de aanblik van iemand anders, ben ik nu oprecht blij voor hen. Ze maken elkaar gelukkig en dat is wat telt. Uiteindelijk zal er ook iemand zijn die míj gelukkig maakt, daar ben ik van overtuigd.

Mijn telefoon piept weer.

Gelukkig, want we staan al voor de deur.

We? Verbaasd sta ik op, loop naar de gang en doe de voordeur open. Vervolgens blijf ik geschokt staan als ik zie dat ze niet alleen is. Ze heeft haar broer Alec meegenomen. Haar superaantrekkelijke, wereldberoemde broer met zijn mooie donkerblauwe slaapkamerogen, die ik afgelopen zomer ontmoet heb toen hij samen met Nora een nachtje in onze Gasthof verbleef. Toen hij destijds uit de auto stapte, schrok ik me te pletter. Het was zo raar om iemand die je alleen maar van een beeldscherm kent, opeens in het echt te zien. Best wel intimiderend eigenlijk, ook al deed ik mijn best om dat niet te laten merken. Toch durf ik te zweren dat er vanaf het eerste moment een klik was. Een connectie. Of zoiets.

Hoe dan ook; ik had niet verwacht hem ooit nog terug te zien.

Nora geeft me drie zoenen op mijn wangen. ‘Verrassing!’ Dan werpt ze een blik op Alec, die vermomd met een grote zonnebril en de capuchon van zijn hoody over zijn hoofd naast haar staat. ‘Hij wilde mee.’ Ze grinnikt. ‘En hij is een idioot, want hij denkt dat hij zo niet herkend wordt.’

‘Hé Barbara.’ Alec zet zijn zonnebril af. ‘Wat leuk je weer te zien.’ Zijn ogen schitteren, maar er schemert ook iets anders in door. Iets waardoor mijn hart op hol slaat en mijn mond droog wordt. Net als toen. En de manier waarop hij naar me kijkt, maakt me verlegen.

‘Hallo,’ weet ik ternauwernood uit te brengen.

Alec glimlacht op een manier alsof hij precies weet wat zijn blik met me doet. En het gekke is: het voelt meteen alsof er geen tien maanden zijn verstreken. Alsof het gisteren was dat we samen in ons café-restaurant een biertje dronken, en daarna...

Ho, stop. Niet doen. Niet aan denken.

Wat er die nacht verder is gebeurd, heb ik geprobeerd te vergeten. Ik weet heus nog wel wat er gebeurd is, maar de gevoelens die daarbij horen, heb ik achter slot en grendel gestopt. Voor mijn eigen bestwil. Maar scheisse, nu staat hij hier op de stoep. Waarom staat hij hier op de stoep? Hij hoort in het buitenland te zitten om een nieuwe platendeal te bemachtigen, of bij vrienden om liedjes te schrijven. In ieder geval niet hier. Niet bij mij. In Giethoorn, op het grindpaadje bij het huis van mijn vader.

In gedachten schud ik mezelf door elkaar. Kom op, Bar. Sta daar niet zo stom te staan. Laat ze binnen. Je bent toch gastvrouw van beroep?

Ik produceer een glimlach die meestal voor gasten bedoeld is en maak een welkomstgebaar met mijn arm. ‘Kom binnen. Daar is het warm.’

Nora loopt langs me heen naar binnen en laat meteen weten dat ze onder de indruk is van de authenticiteit en charme van het huis. Alec volgt haar, en ik doe met trillende vingers de deur achter ons dicht.

‘Je klonk net als toen we aankwamen bij Gasthof Gloria,’ merkt Nora op, terwijl ze haar jas – zo’n mooie lange vrouwelijke wollen jas – aan de kapstok hangt.

‘Ja,’ beaamt Alec, die zijn jas over een keukenstoel hangt. ‘Alsof je het pension hebt ingeruild voor dit prachtige huis. Ik bedoel, het Gasthof is prachtig, maar dit...’ Hij fluit. ‘Dit lijkt me niet bepaald een straf.’

‘Ach ja...’ Het zijn niet de intelligentste woorden, maar mijn brein is nog bezig te verwerken dat Alec Frank hier opeens voor de deur stond.

Nora haalt een fles witte wijn uit haar tas en zet hem op de keukentafel. ‘Ik moet wel even iets uitleggen. Je weet dat ik normaal nooit dit soort spontane dingen doe, maar ik had het beloofd, en ik dacht dat je ons vanavond wel eens nodig kon hebben. Voor morele steun of luisterend oor, of wat dan ook.’ Ze grijnst. ‘Rens heeft een goede invloed op me.’

‘Het wordt nog wel eens wat met jou, zusje.’ Alec blaast haar een luchtkusje toe en richt zijn prachtige ogen dan op mij, en ik moet mijn best doen om niet ter plekke te smelten. Ik heb namelijk iets met ogen. Kijk naar mij zoals Alec nu en je kunt me opvegen. Dat heb ik altijd gehad, al zolang ik me kan herinneren. Alleen haat ik die eigenschap van mij op dit moment, want ik wil niet smelten voor een wereldster. Ik wil niet dat alle gevoelens van die ene nacht tevoorschijn komen. En ik wil al helemaal niet zijn zoals zijn fans, die met bosjes aan zijn voeten vallen.

‘En jij?’ weet ik uit te brengen, terwijl ik mezelf probeer te herpakken. ‘Heb je het niet te druk met liedjes schrijven? Je bent toch op zoek naar een nieuwe platenmaatschappij?’

Toen hij afgelopen zomer vertelde dat hij eruit geschopt was, kon ik mijn oren niet geloven. Zo’n goede stem en zulke looks aan de kant schuiven alsof hij niets is. Ik kan me er nog steeds kwaad om maken. Ik kan niet goed tegen onrecht, en al helemaal niet als het slachtoffer van dat onrecht Alec Frank heet die mijn hart sneller kan laten kloppen met één mooie blik.

Er glijdt een schaduw over Alecs gezicht. ‘Klopt, maar het lukt niet zo goed,’ zegt hij. ‘Mijn vrienden vinden het veel te gezellig dat ik terug ben en ik word van feest naar feest gesleept. Gezellig, maar inspiratie krijg ik er niet echt van.’

Nora draait de dop van de wijnfles en neemt drie wijnglazen van me aan, die ik in de loop uit een keukenkastje heb gepakt. ‘Die vrienden maken misbruik van je, dat heb ik je al vaker gezegd, Alec. Ze pronken met je, alsof je een mascotte bent of zo.’

Alec haalt zijn schouders op en wacht tot Nora zijn glas heeft gevuld. ‘Ik laat het zelf toe. Ik kan ook nee zeggen, maar dan zit ik in dat tuinhuisje te wachten op inspiratie die niet komt. Dat is ook saai.’

‘Je wordt toch juist creatief als je je verveelt?’ vraagt Nora. ‘Dat zei oma Ellie altijd.’

‘Oma Ellie zei wel meer,’ antwoordt Alec. ‘En meestal had ze gelijk, maar in dit geval niet. Als ik me verveel, komt er geen letter op papier.’

‘Jullie oma stuurde jou na haar dood in een oldtimer op reis om haar as uit te strooien op de plek waar ze gelukkig was met haar jeugdliefde,’ zeg ik tegen Nora. ‘Dat is best creatief.’

Nora glimlacht. ‘Ja,’ zegt ze zachtjes. ‘Kennelijk kende ze me beter dan ikzelf. Die reis heeft mijn leven veranderd.’

‘En het mijne,’ zegt Alec. ‘Rens is een goeie gast. We kunnen prima samen naar de kroeg.’ Hij neemt een slokje en schudt zijn hoofd. ‘Wat die wijn betreft... Het ziet er mooi en chic uit, zo’n fles, maar dat past bij jou, zusje.’ Voor ik met mijn ogen kan knipperen slaat Alec een arm om mijn schouders. ‘Wij zijn biertypes.’ Grijnzend zet hij zijn glas op de keukentafel. ‘Heb je bier in huis, Bar?’

O Himmel, zijn arm om me heen. Waarom slaat hij zijn arm om me heen? Ik weet dat het niets betekent, maar het voelt zo... goed. Alsof die arm daar hoort. Of zo. Ach, ik weet het niet. Ik maak mezelf helemaal gek. Als er iets is wat ik goed kan, dan is het mezelf gek maken.

Nora kijkt haar broer met grote ogen aan. ‘Alec! Gedraag je. We zijn hier te gást.’

‘Maakt niet uit, hoor,’ zeg ik snel. ‘Het is lief van je dat je iets hebt meegenomen, ook al is wijn niet helemaal mijn ding.’ Uit zelfbescherming duik ik weg vanonder Alecs arm, zet mijn glas ook neer en trek de koelkast open. Ik haal er een biertje uit. ‘Alsjeblieft. De mijne staat nog op de salontafel.’

Alec pakt het aan en grijnst naar Nora. ‘Zie je wel, Noor? Als je iets wilt, moet je er gewoon om vragen. En ik doe Barbara er nog een plezier mee ook.’ Hij knipoogt en houdt zijn flesje in de lucht. En ik bloos opnieuw. Scheisse. Wat is er toch met me aan de hand? Waarom brengt Alec me zo van mijn stuk? En waarom láát ik me zo van mijn stuk brengen? Ik dacht dat ik dat soort gevoelens veilig had opgeborgen. Het is verdorie al tien maanden geleden.

Nora rolt met haar ogen en drinkt een slokje van haar wijn. ‘Zullen we ergens gaan zitten?’ vraagt ze. ‘Want mijn benen zijn een beetje moe. Ik heb afgelopen weekend een nachtje op het zoontje van mijn vriendin Simone gepast. Ze waren toe aan een avondje uit, maar poeh, wat is een baby zwaar als je er de halve nacht mee moet rondsjouwen. En al dat kwijl!’ Ze trekt een vies gezicht. ‘Blijkbaar krijgt hij tandjes.’ Zuchtend neemt ze nog een slok. ‘Nou ja, hoef ik deze week niet zo vaak naar de sportschool.’

Alec grinnikt. ‘En je hielp je vriendin uit de brand. Misschien doet ze het ook een keer voor jou als jij ooit moeder wordt.’

‘Ik moet er niet aan denken,’ zegt ze. ‘Het zou de doodsteek zijn voor mijn carrière.’

‘Je carrière,’ zegt Alec. ‘Yeah right.’

Nora fronst haar wenkbrauwen. ‘Je weet hoe belangrijk mijn carrière voor me is. Dat mijn baan mijn leven niet meer beheerst, betekent niet dat ik alles zomaar aan de kant schuif.’

‘Dat zeg ik ook helemaal niet. Joh, ik had het over “ooit.” Niet over volgende week.’

Ik schiet in de lach bij de blik op Nora’s gezicht en stort ondertussen een hele zak paprikachips in een grote schaal om iets te doen te hebben. ‘Kom, we gaan naar de woonkamer. De bank van mijn vader is perfect voor vermoeide benen.’

Ik loop de keuken uit en leid iedereen naar de enorme plofbank. Nora bedenkt zich niet en trekt haar schoenen uit. Vervolgens nestelt ze zich in een hoekje van de bank met haar wijnglas nog in de hand, zonder ook maar een druppel wijn te morsen. Alec ploft neer in de andere hoek.

Ik blijf even staan – als enige – en voel me opeens weer de gastvrouw in Irschenberg. Toen Alec zei dat wijndrinken is voor mooie en chique mensen, stak dat een beetje. Ja, ik heb liever bier, maar maakt me dat minder mooi? Ben ik one of the guys als ik uit het flesje drink, zoals hij? Want ik wil niet one of the guys zijn. Ik ben een vrouw die het best fijn vindt, zo’n arm om mijn schouders, maar ik verlang naar de dag dat het ook echt iets betekent.

‘Blijf je daar de hele avond staan?’

Ik schrik op uit mijn gedachten. Alec klopt op de lege plek naast zich. ‘De bank is groot genoeg, hoor.’

Dat is waar. De bank is inderdaad groot genoeg. Maar als ik ga zitten, ben ik wel heel dicht bij Alec. Aan de andere kant – blijven staan lijkt ook zo stom, zo mogelijk nog stommer.

Snel neem ik een grote slok bier. Als mijn wangen vanavond weer rood worden, kan ik tenminste de alcohol de schuld geven.

Voorzichtig ga ik naast Alec zitten en blokkeer de gedachte aan hoe het zou voelen om tegen hem aan te liggen. Om mijn handen onder zijn trui te begraven en zijn haar voor zijn mooie ogen weg te halen.

Zo onopvallend mogelijk schud ik mijn hoofd. Doe normaal, Bar. Kom op.

‘Voelt vreemd, of niet?’ zegt Nora. ‘Nu we voor het eerst weer met z’n drieën bij elkaar zijn.’

‘Best wel,’ geef ik toe. ‘Maar dat komt misschien ook omdat we in het huis van mijn vader zijn, en niet in Gasthof Gloria.’

‘Dat denk ik niet,’ zegt Alec. ‘De vorige keer kwam alles samen. Nora’s reis liep ten einde, we stonden op het punt om oma’s as uit te strooien, en ik had net een paar rooitjes verdiend met een privé-optreden in Milaan. Geld dat ik goed kon gebruiken sinds mijn faillissement. We waren in een feeststemming, en het voelde goed omdat oma daar in een bepaalde vorm nog bij was. Alsof we dat feest voor háár gaven. Als afscheid.’

‘Jullie hadden je oma geen mooier afscheid kunnen geven,’ zeg ik zachtjes. Ik doe mijn uiterste best om Alec niet aan te raken en hem vooral niet aan te kijken. Mein Gott, ik voel me net een ballon die op het punt staat te knappen, zo gespannen ben ik. ‘Ik denk dat ze trots zou zijn geweest.’

‘Dat hoop ik maar,’ zegt Nora met een glimlach. ‘Want ik ben er nog steeds niet van overtuigd dat iemands as uitstrooien terwijl je dronken bent, een goed afscheid is.’

‘Ach, juist wel,’ grinnikt Alec. ‘En ik denk dat ze vooral trots was toen die tafel het begaf. Wat een klap was dat. De volgende dag kon ik mijn rug nauwelijks meer bewegen. Weet je nog wat we zongen, Bar?’

Ja, natuurlijk weet ik dat nog. Ik weet alles nog als de dag van gisteren.

‘The winner takes it all, van ABBA.’

Alec zet het flesje aan zijn mond en neemt een slok. ‘O, ik dacht Waterloo.’ Hij zet zijn bier op de brede leuning van de bank en legt zijn hand op mijn onderarm. Geen blote onderarm, want ik draag een trui, maar toch voelt het alsof er geen laag katoen tussen zit. Alsof zijn vingertoppen rechtstreeks mijn huid aanraken.

‘En weet je ook nog hóe we dat liedje zongen?’ vraagt hij met zijn gezicht opeens veel te dichtbij. Ik voel zijn warme adem op mijn wang, en ik durf absoluut niet meer opzij te kijken. Als ik dat doe, raken onze neuzen elkaar misschien en hoe plagend en niet-serieus hij het ook bedoelt, het doet meer met de zenuwen in mijn lichaam dan ik aan mezelf durf toe te geven.

‘Ja,’ mompel ik. ‘We deden karaoke.’

‘Met één denkbeeldige microfoon,’ fluistert hij in mijn oor.

Mein Gott. Ik kan het niet. Ik kan dat deksel niet op mijn vat vol emoties houden. Niet met zijn gezicht zo dicht bij het mijne. Allerlei herinneringen aan die avond flitsen als een film voorbij, en de gevoelens die daarbij horen, komen er als een vloedgolf achteraan.

Ik voel weer hoe mijn maag een salto maakte tijdens dat bijzondere oogcontact, toen we samen vol overgave ‘Waterloo’ zongen, alsof de rest van de wereld niet bestond. Ik herinner me hoe ik me voelde toen we shotjes in elkaars mond goten, en de rillingen die vervolgens door mijn lichaam gingen toen Alec mijn vingers aflikte. Hoe zijn wang tegen mijn wang voelde toen we in mijn vuist zongen, die bij gebrek aan beter dienstdeed als microfoon. Zijn ongeschoren kaak tegen mijn huid, het vibrato van zijn stem tegen mijn mondhoeken. Het was bijna nog intiemer dan een kus, en Nora merkte het niet eens, of ze deed alsof ze het niet merkte. Toen zakten we door de tafel en werd alle lucht uit mijn lijf geperst. Ik viel half boven op Alec, en na het zien van zijn verbaasde blik, had ik hem bijna gekust. Écht gekust. Tenminste, als we alleen waren geweest, en dat waren we niet. En toen ik zag hoe verwilderd we eruitzagen, moest ik zo hard lachen, dat ik in mijn broek plaste, tot mijn grote schaamte.

Later die ochtend ging ik ervan uit dat het wat het dan ook tussen ons was, in het niets was opgelost, maar vlak voordat Alec bij Nora in de auto stapte voor de terugreis, was er die magische blik die nog weken als stroop aan me bleef plakken. Want het was niet zomaar een blik. Het was iets anders. Iets kostbaars. Ik overtuigde mezelf ervan dat Alec het vergeten was. Vanwege de drank of vanwege het feit dat hij wel vaker zulke momenten mee had gemaakt. En dus liet ik het achter me. Ik vergat hoe het voelde.

Tot nu.

Mein Gott, wat heb ik het opeens warm.

‘Alec, doe eens even normaal. Bewaar die sterrencharme van je alsjeblieft voor je fans, en leef je niet zo uit op Barbara. Zie je niet dat ze helemaal van slag raakt door wat je doet?’

‘Dat ik wat doe?’ Alec veert terug en neemt zijn warme adem mee. ‘Ik doe helemaal niets. We halen toch gewoon herinneringen op?’

Nora trekt haar wenkbrauwen op. ‘Je weet heel goed wat ik bedoel.’

‘Oké oké,’ zegt hij. ‘Sorry, Bar. Het gaat vanzelf. Ik kan het niet helpen.’

‘Het is niet erg,’ zeg ik snel. ‘En ik raak niet zo gemakkelijk van slag, hoor. Daar is veel meer voor nodig.’ Met een inwendige zucht sta ik op. ‘Wil je nog een biertje?’

‘Graag.’ Alec geeft me zijn lege flesje aan en op het moment dat onze vingers elkaar raken, is daar die blik weer. Hij kijkt alsof hij erachter probeert te komen of ik echt niet van slag ben. Want natuurlijk ben ik dat wel. Vooral nu ik weet dat ook hij zich alles nog herinnert van die nacht. Maar het vervelende is, dat ik geen idee heb wat hij met dat geflirt probeerde te bereiken. Áls het al geflirt was. Want hij is natuurlijk een wereldster die weliswaar aan de kant is gezet door zijn platenlabel, maar die nog steeds de wereld aan zijn voeten heeft liggen. En ik ben slechts een plattelandsmeisje uit een klein dorpje in Zuid-Duitsland met geringe levenservaring. Ik moet mezelf geen illusies gaan maken over dingen die er niet zijn en ook nooit gaan gebeuren.

Het is tijd dat het deksel weer op het vat gaat, en daar ook blijft liggen.

-3-

De volgende ochtend word ik, zoals gewoonlijk, om zes uur wakker. Zo te horen liggen de kinderen nog te slapen en daar ben ik dankbaar voor. Want het was me nogal een avond gisteren. Toen Alec niet meer zijn best deed om me van mijn stuk te brengen en ik mezelf herpakte, werd de sfeer beter, maar me helemaal ontspannen kon ik niet. Uiteindelijk zijn ze tegen middernacht weggegaan met een taxi die een tarief rekende waar mijn oren van gingen klapperen. En ik bleef achter met een raar gevoel in mijn maag dat me belette om in slaap te vallen. Ik geloof dat ik het vier uur heb zien worden vannacht.

Luid gapend sjok ik naar de keuken om koffie te zetten en schrik een beetje van het lawaai dat het apparaat maakt als het koffiebonen maalt. Als ik mijn kopje heb volgeschonken, neem ik een slokje en loop naar de woonkamer, waar zelfs Hammie nog in diepe rust is. Met een zucht vis ik een leeg bierflesje en een lege fles wijn van de grond en zet ze op tafel. Ik open de gordijnen, zet een stoel voor de glazen wand en staar naar buiten, ook al is het nog hartstikke donker. Regen tikt tegen de ramen en de wind giert om het huis. Water uit de lucht en water op de grond. Ik mis de bergen nu al.

Ik mis Mutti en ook Henrik, met wie ik lief en leed deel. Kort na aankomst heb ik hem een berichtje gestuurd met een foto van het huis. Nu pas krijg ik een lang appje terug waaruit blijkt dat hij de geschiedenis van Giethoorn heeft bestudeerd. Hij stuurt een aantal linkjes mee over het dorp tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ik heb nu geen tijd om te lezen.

Eerst moeten Tygo en Jip ontbijten en naar school worden gebracht. Ik kijk op het rooster dat Vati me liet zien en dat Connie op het magneetbord heeft gehangen. Ze hebben van half negen tot twee les vandaag. Langer dan ik op die leeftijd. Nou ja, dan heb ik in de tussentijd de mogelijkheid om de omgeving een beetje te verkennen. Dat ik daarvoor al dat water en de harde wind moet trotseren, neem ik voor lief.

Dus ik neem een douche, kleed me aan en stort me op het ontbijt zoals ik dat ook altijd voor onze gasten doe.

Om zeven uur loop ik naar boven om de tweeling te wekken. Hun vredige, slapende gezichtjes doen iets met mijn binnenste. Het is moeilijk te bevatten dat ze familie van me zijn. Jips lange blonde vlechten liggen uitgewaaierd over haar kussen en Tygo’s schouder. Blijkbaar hebben ze gisteravond hun bedden tegen elkaar aangeschoven, waardoor dat kan. Tygo heeft vannacht liggen woelen, want zijn dekbed ligt half van het bed en zijn kussen op de grond. Ik glimlach als ik me voorstel in welke avontuurlijke dromen hij allemaal verzeild is geraakt.

Ik aai Jip zachtjes over haar wang. ‘Goedemorgen,’ fluister ik. ‘Opstaan meisje, je moet naar school.’

Jip reageert door zich op haar andere zij te draaien en verder te slapen alsof er niets gebeurd is. Tygo daarentegen hoort me praten en is meteen klaarwakker. ‘Mama?’ Hij wrijft in zijn ogen en gaat rechtop zitten. Dan ziet hij mij en lijkt het alsof er een lichtje aangaat in zijn hoofd. ‘O ja.’ Hij springt uit bed en loopt naar de aangrenzende badkamer – er zijn er twee in huis; één boven en één beneden, grenzend aan de logeerkamer – om zijn gezicht te wassen.

Jip is nu ook wakker en pakt mijn hand. ‘Barbara?’ vraagt ze. ‘Breng jij ons vandaag naar school?’

Ik knik. ‘Ja, maar ik weet niet waar het is, dus eigenlijk brengen jullie míj naar school.’ Ik knipoog en strijk met mijn duim over haar warme hand.

‘Dus als we de andere kant op lopen, heb je dat niet door?’

Ik schiet in de lach. ‘Kom, kleiner Schlingel, wassen en aankleden. Ik heb ontbijt voor jullie gemaakt.’

Tygo komt terug uit de badkamer. ‘Welke kleren moeten we aan? Mama legt altijd alles klaar.’

‘Ja.’ Jip slaat haar armen over elkaar. ‘We mogen nooit zelf kiezen.’

Ik haal mijn schouders op. ‘Van mij wel.’ Ik steek mijn vinger op. ‘Zolang het warm genoeg, niet kapot en schoon is. Oké?’

De tweeling geeft elkaar een high five. ‘Oké.’