5,99 €
Na een moeilijke periode besluit Mare in haar eentje de kerstdagen in het huisje van haar opa en oma in Zeeland door te brengen. Tijdens een wandeling belandt ze in de strandtent waar ze als kind vaak kwam. Daar ontmoet ze Boris, de kok van het paviljoen. Er ontstaat een bijzondere vriendschap tussen hen en wanneer dat voorzichtig uitbloeit tot meer, blijkt de man van weinig woorden juist een heel verhaal met zich mee te dragen.
Door een ontmoeting met Wannes, Boris' opa én een oude jeugdvriend van Mares eigen grootvader, ontstaat er echter niet alleen een zoektocht naar de geschiedenis van haar familie, maar ook naar zichzelf. Lukt het Mare om haar weg te vinden wanneer blijkt dat Boris' verleden haar dromen onmogelijk maakt? “De Zeeuwse kust komt tot leven in Bij hoog en laag, net als de krachtige personages en hun intense verhaal. Dit boek is... wauw! I love it.” Chantal Claassen, feelgoodauteur
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 356
Veröffentlichungsjahr: 2024
Bij hoog en laag
Bij hoog en laag
is een uitgave van
Dutch Venture Publishing
Copyright © 2024 Dutch Venture Publishing
Auteur: Jacodine van de Velde
Omslagontwerp en zetwerk: Mariska Maas (Rubre Art)
Tekstredactie: Britt Zwijnenberg
Eerste druk januari 2024
NUR 343
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud
Woord vooraf
Proloog
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17
Epiloog
Nawoord
Chinese tomatensoep zoals mama die maakte
Woord vooraf
Het was nooit mijn bedoeling (of wens) om een boek te schrijven dat zich afspeelt in het dorp waar ik woon. Toch is dat nu gebeurd. Allereerst was het ontzettend leuk om mijn eigen omgeving met andere ogen te bekijken en bepaalde plekken in het verhaal op te nemen. Maar… het maakt tevens dat de release van dit boek extra spannend is.
Voordat je begint met lezen wil ik benadrukken dat de plaatsen die in het boek voorkomen echt bestaan. Ook historische gebeurtenissen zijn op waarheid gebaseerd. Ik heb ze zo integer en waarheidsgetrouw mogelijk geprobeerd te beschrijven. Desondanks is en blijft Bij hoog en laag fictie. Alle personages in dit boek, en hun achtergronden, zijn verzonnen. Eventuele overeenkomsten tussen personages en reële personen berusten op toeval.
Heel veel leesplezier gewenst!
Er is verrekte veel te zeggen
En te liegen nog veel meer
Heel veel bagger bloot te leggen
Al doet het graven nog zo’n zeer
Oceaan – Racoon
Proloog
‘Australië? Maar Jorrit, dat is letterlijk aan de andere kant van de wereld!’ Verbijsterd staar ik mijn vriend aan.
Hij knikt en probeert zijn gezicht neutraal te houden, maar het enthousiasme valt niet te missen. En dat snap ik, echt. Jorrit heeft altijd al de wens gehad om door te groeien en in het buitenland gedetacheerd te worden. De timing is alleen… ronduit klote.
‘Wanneer moet je zeggen of je het doet?’ vraag ik terwijl ik probeer overzicht te krijgen in de plotselinge chaos in mijn hoofd. Ik kan nu niet weg. Mijn moeder is hartstikke ziek; onder geen beding laat ik haar alleen. En al mijn kleuters. Hij kan toch niet zomaar van me verwachten dat ik midden in het schooljaar… ‘Per wanneer zou het zijn?’
‘Ik heb al besloten, Mare.’
Natuurlijk heeft hij dat.
‘Ik vertrek over vier weken.’
‘Wat?’ Uitdrukkingsloos staar ik hem aan. Vier weken. Hij heeft al besloten en vertrekt over vier weken. ‘Wanneer hebben ze je dit aanbod gedaan?’ Ik vermoed dat het antwoord me niet zal bevallen.
‘Een paar weken geleden,’ bekent hij. Hij heeft in ieder geval het fatsoen om er enigszins schuldig bij te kijken. ‘Luister, jij was bijna de hele tijd bij je moeder en…’
‘Ze zit midden in haar chemobehandelingen, Jorrit. Kom nou niet aanzetten met een of andere slap excuus dat ik geen tijd voor jou had en je me niet kon vertellen dat ons leven op het punt staat drastisch te veranderen. Dit kun je toch niet in je eentje beslissen? Maakt het nog iets uit wat ík wil?’ Ik gooi mijn handen in de lucht. ‘Kangoeroes zijn best schattig hoor, maar dat betekent niet per se dat ik ze in mijn achtertuin wil hebben.’
Langzaam schudt hij zijn hoofd en hij strijkt met zijn hand door zijn korte, donkere haren. ‘Ik weet dat je ze niet in je achtertuin wilt hebben. Mare, luister.’ Hij zet een stap dichterbij, neemt mijn hand in de zijne en leidt me naar de bank waar we samen al zo veel momenten op hebben doorgebracht. ‘Ik denk dat het tijd is dat we onder ogen zien dat we allebei andere dingen willen in het leven.’
Ik trek mijn wenkbrauwen op en schuif iets bij hem vandaan. ‘Is dat zo?’ Ik kijk in die vertrouwde, donkere kijkers van hem en vraag me af wat ik heb gemist.
‘Ja, dat is zo. Ik wil de wijde wereld in, verder groeien. Jij wilt… dat niet.’
‘En dat weet je zonder dat je het me vraagt? Zonder dat je dit met me overlegt?’
Hij houdt zijn hoofd scheef. ‘We zijn bijna twaalf jaar samen. Ik ken je goed genoeg om te weten dat jij het liefst hier wilt blijven, dicht bij je moeder, je kleuters, je vrienden.’
Nou ja zeg! ‘Juist omdat we bijna twaalf jaar samen zijn, zou je moeten weten dat ik je zou volgen. Alleen niet nu. Je kunt niet van me vragen mijn moeder alleen te laten.’ Mijn stem schiet iets omhoog.
Doordat Nora op Sicilië woont, heeft mijn moeder alleen mij om voor haar te zorgen. Ik kan niet geloven dat hij daar totaal niet mee bezig is.
‘Dat weet ik. Dat is precies waarom ik het je niet vraag. Jij blijft hier, ik ga daarnaartoe.’
Kan hij me zomaar missen dan? Ik hem in ieder geval niet, zeker nu niet. Je laat me gewoon alleen achter, zou ik verwijtend willen zeggen. Hij laat me in een van de moeilijkste periodes in mijn leven in de steek. Ik weiger de woorden mijn strot uit te laten komen. Ik ga zijn dromen niet dwarsbomen, maar verdorie, het doet wel pijn.
‘Oké,’ zeg ik aarzelend terwijl ik probeer mijn emoties in toom te houden, aangezien Jorrit daar helemaal niets mee kan. Ik doe een poging te bevatten hoe het verder moet. ‘En dan? Voor hoelang is het de bedoeling dat je daar naartoe gaat? Kom ik daarheen als…’ Mijn adem stokt. Als mijn moeder dood is.
Nee, dát weiger ik al helemaal mijn strot uit te laten komen.
Hij schraapt zijn keel. ‘We weten allebei dat dat niet gaat gebeuren. Jij wilt je settelen, ik wil dat niet. Nog niet. Ook niet in Australië of waar ik daarna ook heen mag gaan.’
Wezenloos staar ik hem aan. ‘Dit meen je niet.’
Zijn blik verzacht en hij maakt aanstalten om zijn handpalm tegen mijn wang te leggen, maar ik trek mijn hoofd weg.
‘Dit meen je niet,’ herhaal ik. Ik sta op en loop voor de salontafel heen en weer.
Hij kan niet zomaar besluiten dat onze wegen hier scheiden. Dat zijn weg naar Australië leidt en de mijne gevuld is met ziekenhuisbezoeken waarin ik toekijk hoe mijn moeder bij me vandaan glijdt en háár weg zal eindigen, want we weten dat dat is wat er gaat gebeuren. Over niet al te lange tijd. En die weg laat hij me nu alleen bewandelen. Na alles wat we hebben gedeeld. Na hoe ik er voor hem was toen zijn vader onverwachts overleed en hij…
‘Wat vindt je moeder hiervan?’
‘Mijn moeder is blij voor me,’ antwoordt hij kalm. ‘Ze weet dat dit is wat ik wil en ze is van plan me daar op te komen zoeken.’
Ik schuif mijn vingers door mijn blonde haren en grijp mijn hoofd beet. Hij heeft het allemaal al uitgedacht. Overal heeft hij een antwoord op, hij moest het alleen nog even uitmaken met mij en dan kan hij zijn koffers gaan inpakken. Dit is toch niet te geloven?
Verbijsterd laat ik mijn armen zakken en klem ze om me heen als een gevoel van verslagenheid alle boosheid in me overstemt. Het is de zoveelste dreun in korte tijd. Ik geloof niet dat ik nog energie in mijn lijf heb om me te verzetten of te vechten voor onze relatie.
Wezenloos blijf ik voor het raam van de woonkamer staan en staar naar buiten, waar een zwak septemberzonnetje schijnt. Ik ben altijd dol geweest op de herfst; de bomen die prachtige goudbruine tinten krijgen, de bladeren die uiteindelijk loslaten en daarmee ruimte geven voor nieuw leven in het voorjaar, de wind die je hoofd zo lekker leegmaakt. Volgens mij is dit de eerste keer in mijn leven dat ik niet uitkijk naar het najaar.
Hoofdstuk 1
DRIE MAANDEN LATER
Shit, wat is het koud. Ik duik wat dieper in de kraag van mijn jas als ik het laatste stukje door het mulle zand naar de trap van de strandtent ploeter. Met tegenzin haal ik mijn rechterhand uit mijn relatief warme jaszak om de trapleuning beet te pakken. Het zachte schijnsel van het snoer met kerstlichtjes biedt nauwelijks zicht op de treden, waarvan de onderste drie bedekt zijn met opgewaaid zand.
Halverwege mijn klim blijf ik een moment staan om met mijn hoofd in mijn nek naar boven te kijken. Bovenaan de hoge trap, bij de ingang naar het terras, slingert een verweerd houten bord hevig heen en weer in de gure wind.
De Strandjutter.
Opa’s favoriete strandpaviljoen. Hij was bevriend met de eigenaar. Vroeger, wanneer we bij opa en oma in Westkapelle waren, fietste hij regelmatig met Nora en mij naar Zoutelande om hier een ijsje te gaan kopen. Tenminste, mijn zus en ik kregen een ijsje, hij nam een borreltje aan de bar.
Ik klim verder omhoog en steek snel het terras over naar de deur. Zodra ik die opentrek, word ik verwelkomd door een warme gezelligheid en de bekende kerstdeuntjes die al een maand lang op de radio te horen zijn. Het verbaast me hier op eerste kerstdag zoveel mensen aan te treffen. De zaak zit niet nokvol, maar het is ook geen trieste bedoening met slechts één zielige zuipschuit aan de bar, zoals ik vreesde.
Kennelijk ben ik niet de enige die niet aan een chic kerstdiner zit.
Er wordt volop gekletst en gelachen en overal waar je kijkt, hangt kerstversiering. Naast de deur staat een uitbundig versierde kunstboom met kitscherige lichtjes die je bijna een epileptische aanval bezorgen door het snelle en felle geknipper.
Hoe anders is de sfeer hier dan in Hosternokke, het voormalige huis van opa en oma. Toen ik daar een paar dagen geleden aankwam, was het een pijnlijke ervaring dat het er ontbrak aan de gebruikelijke gezelligheid die mijn moeder altijd creëerde. Zelfs als we er een paar weken niet waren geweest, wist ze ervoor te zorgen dat het huisje als een ‘thuis’ voelde. Maar deze keer niet. Ik zag er het nut niet van in om de boel voor mij alleen te versieren en pas nu besef ik dat ik het mezelf daar alleen nog maar moeilijker mee heb gemaakt.
Opgelucht door de prettige sfeer die me hier omringt, adem ik een keer diep in en uit. Ik zoek een vrije tafel en schuif op de bank. Even overweeg ik mijn jas aan te houden, maar dan trek ik hem toch uit. Anders heb je er straks buiten niets aan, Mare, zei mam vroeger altijd. Weemoedig glimlach ik bij de herinnering. Ik vond dat altijd zo’n gekke opmerking. Inmiddels hoor ik het mezelf regelmatig tegen de kinderen uit mijn kleuterklas zeggen.
Terwijl ik probeer mijn handen warm te wrijven, tuur ik door het raam naar buiten. Er valt niets te zien, alleen duisternis. Dat geeft niet; mijn gedachten zijn toch heel ergens anders.
Ik ben nog maar een dag aan de Zeeuwse kust en begin nu al te vermoeden dat het niet slim was om hierheen te komen. Ik had kunnen weten dat ik op deze plek overspoeld zou worden door herinneringen. Herinneringen aan de logeerpartijtjes bij opa en oma en de vakanties die ik hier jaren geleden met mijn ouders en zus doorbracht. Het is pijnlijk om nu, zo kort na het overlijden van mam, terug te denken aan gelukkigere tijden die in schril contrast staan met mijn huidige situatie; sinds enkele weken ben ik wees en na die actie van Jorrit ben ik…
‘Zo, jongedame. Vrolijk kerstfeest. Wat kan ik voor je doen?’
Ik schrik op uit mijn gedachten en draai me om naar de enorme kerel die wordt weerspiegeld in de ruit. Hij is van middelbare leeftijd, heeft een grote, grijzige snor die aan de uiteinden opkrult en borstelige wenkbrauwen. Lachrimpeltjes sieren zijn gezicht. Mijn sombere overpeinzingen verdwijnen enigszins naar de achtergrond door zijn vrolijke uitstraling.
‘Ja, vrolijk kerstfeest, meneer. Een kop thee, graag. En ik vroeg me af of ik hier een hapje kan eten.’
‘Natuurlijk kan dat, zolang je geen chic kerstdiner verwacht,’ zegt hij met een guitige knipoog.
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee hoor, als het maar iets warms is.’
‘Prima, die thee komt eraan en dan neem ik de kaart voor je mee.’ Hij loopt terug naar de bar en wanneer de telefoon gaat, zegt hij iets tegen het meisje achter de tap, waarna hij met het toestel tegen zijn oor gedrukt de keuken inloopt. Het meisje zet een kop thee en komt vervolgens met de menukaart onder haar arm geklemd mijn kant op.
‘Hoi,’ begroet ze me opgewekt. ‘Een thee en deze.’ Ze wappert met de menukaart naar me en zet het grote glas op tafel.
‘Dank je wel.’ Ik glimlach naar haar, pak de kaart aan en leg hem op tafel, zodat ik mijn handen om het aanlokkelijk warme glas kan vouwen. Mijn vingers beginnen meteen te tintelen en door de aangename temperatuur hierbinnen gloeit mijn neus.
Ik bekijk de ruimte om me heen. Het ziet er nog precies uit zoals ik me herinner, alleen wemelt het tussen de vissersnetten en miniatuurboten aan het plafond nu van de glinsterende kerstballen. Boven de bar is door de visnetten eenzelfde knipperend snoer als in de boom gedraaid. De kerstversiering bestaat uit een bonte verzameling spulletjes en is zeker niet van een decoratief hoogstaand niveau met al die verschillende kleuren door elkaar, maar in mijn ogen heeft het wel iets.
Jorrit had een heel andere smaak, dus de afgelopen jaren, áls we al eens een weekendje in Zeeland waren, gingen we naar de ‘hippere’ strandtenten.
Gelaten kijk ik om me heen, voordat ik met een zucht de menukaart openklap en me afvraag waarom het me in godsnaam een goed idee leek om alle uitnodigingen voor de kerstdagen af te slaan. Ja, oké, ik had geen zin om mezelf beter voor te doen dan ik me voelde omdat ik de feestdagen niet wilde verpesten voor anderen. Ik dacht dat ik in het huisje van opa en oma tot rust kon komen na de emotionele rollercoaster van de afgelopen maanden.
Wat op dat moment een goed idee leek, voelt nu niet meer zo geweldig.
Waarschijnlijk had ik beter het vliegtuig kunnen pakken om naar mijn zus te gaan. Geen idee wat erger was geweest: een kleine week met Nora, haar man Luca en hun twee schatjes Enzo en Sienna op een Italiaans maffia-eiland doorbrengen of in m’n uppie aan de Zeeuwse kust bivakkeren in Hosternokke, waar ik door herinneringen word geplaagd.
Ik gok het laatste, al weet ik dat ik me op Sicilië ook ellendig zou hebben gevoeld. Met name door mijn neefje en nichtje, hoe erg ik het ook vind om dat te moeten bekennen. Ze zijn gek op me en doen niets liever dan tijd met hun tante doorbrengen, alleen vind ik het op dit moment te pijnlijk om in hun jonge gezin mee te draaien.
Door de breuk met Jorrit vraag ik me af of ik ooit moeder zal worden. Ik ben eenendertig, wat op zich natuurlijk nog jong genoeg is, maar ik kan me op dit moment niet voorstellen dat er ergens iemand rondloopt die voor mij is voorbestemd. Ik dacht echt dat Jorrit de ware voor me was. Hij is helemaal mijn type: donker haar, draagt vaak een pak, doet zijn best om er verzorgd uit te zien, misschien zou je hem zelfs een tikkeltje ijdel kunnen noemen. Maar ik viel vooral op hem vanwege zijn humor, zijn gedrevenheid en het zelfvertrouwen dat hij uitstraalde.
Helaas ben ik blijkbaar niet de ware voor hém…
Wanneer de klapdeuren van de keuken met een rotgang openvliegen, ben ik onmiddellijk terug in het hier en nu. De man die net met een vrolijk gezicht aan mijn tafel stond, beent nors kijkend naar binnen. Hij werpt een blik mijn kant op en als hij de menukaart voor me ziet liggen, komt hij met grote passen naar mijn tafel.
Shit, ik heb nog niet gekeken.
Snel laat ik mijn blik over de pagina met hoofdgerechten dwalen.
‘Keuze gemaakt?’ Hij strijkt met zijn duim en wijsvinger over zijn snor.
‘Eh…’ Met een schuin oog kijk ik naar de menukaart. ‘De erwtensoep graag.’
‘Een kom snert voor de jongedame. Bruin of wit brood erbij?’
‘Bruin, alsjeblieft.’
Na een bevestigend knikje schenkt hij me een geforceerde glimlach, die deze keer zijn ogen niet laat glinsteren. Ik kijk hem na en zie hem iets tegen het meisje zeggen, dat met een rood hoofd ‘nee’ schudt en hem verontschuldigend aankijkt. De man loopt boos naar de keuken en duwt wederom hardhandig de klapdeuren open. Hij is nog geen tel uit het zicht of hij komt terug, grist de telefoon van de bar en is weer weg.
Die klapdeur heeft het zwaar te verduren.
Zelf pak ik ook mijn telefoon en open Facebook om de tijd te overbruggen tot mijn maaltijd komt. Op mijn startpagina verschijnt een opeenvolging van sfeervolle plaatjes van mijn tweehonderdzesendertig ‘vrienden’, die kerstcadeaus uitpakken of schuilgaan in een mist van rook, veroorzaakt door gourmetstellen die op volle toeren op uitgebreid gedekte eettafels staan te draaien. Met weemoed denk ik terug aan vorig jaar rond deze tijd.
Mijn moeder leefde nog, Nora en haar gezin waren overgevlogen vanuit Sicilië en ik was met Jorrit.
Wie had toen kunnen vermoeden dat alles een jaar later zo anders zou zijn?
Ik sluit Facebook en open in plaats daarvan WhatsApp.
Jorrit: Hi, Mare. Hoe gaat het? Hier alles oké.
Jorrit: Gek om in de zomer kerst te vieren, maar het is hier fantastisch.
Jorrit: Hoop dat jij de feestdagen ook goed doorkomt.
Jorrit: Merry Christmas.
Ik staar weer naar de vier berichtjes van Jorrit, die twee uur geleden binnenkwamen en de aanleiding waren om een strandwandeling te maken.
Soms vraag ik me af of er nog een kans is voor ons.
En soms vraag ik me af of ik niet goed bij mijn hoofd ben.
Er wordt een houten plank op tafel geschoven, met een grote kom dampende erwtensoep en twee grofgesneden stukken boerenbrood erop. Dankbaar kijk ik op. Ik glimlach naar het meisje terwijl ik mijn telefoon met het scherm naar beneden neerleg.
‘Eet smakelijk,’ zegt ze vriendelijk. Voordat ik iets kan terugzeggen, is ze al naar een lege tafel gelopen om af te ruimen.
Hoewel mijn eetlust de laatste tijd te wensen overlaat, begin ik met smaak van mijn soep te eten. De warmte die zich door mijn lichaam verspreidt, veroorzaakt een loom gevoel na de kou van net. Ik moet er eigenlijk niet aan denken dat ik straks dat hele stuk terug moet door die snijdende kou. Het was niet mijn bedoeling om helemaal hierheen te lopen, maar toen ik in het donker over het uitgestorven strand liep, was ik zo in gedachten verzonken dat ik niet in de gaten had dat ik al bijna in Zoutelande was. De soep is verrassend lekker, zeker niet uit blik, en het brood is lauwwarm, alsof het vers gebakken is. Wanneer de kom leeg is, schuif ik de houten plank een stukje verder de tafel op en leun met een voldaan gevoel achterover.
‘Volgens mij hoef ik niet te vragen of het heeft gesmaakt.’ Snorremans is weer terug, nog steeds met een frons op zijn gezicht.
‘Het was heerlijk.’
‘Mooi. Nog iets anders?’
‘Nee, ik zit propvol. Als het mag, blijf ik een poosje zitten om uit te buiken voordat ik terugloop naar Westkapelle.’
Zijn wenkbrauwen schieten omhoog. ‘Terugloop naar Westkapelle? Dat meen je niet. Ben je in je eentje helemaal hierheen komen lopen?’
Ik haal mijn schouders op en veins een nonchalance die ik niet voel. ‘Ja, het is maar een uurtje.’
‘Het is hartstikke koud, laat en pikkedonker.’ Hij schudt bijna berispend zijn hoofd. ‘Het lijkt me geen goed idee dat je in je eentje terugloopt.’ Hij denkt even na en ik wil net zeggen dat het geen probleem is als hij meldt: ‘Er zijn niet veel klanten meer, dus straks breng ik Sophie,’ hij gebaart met zijn duim over zijn schouder naar het meisje dat me net mijn maaltijd kwam brengen, ‘naar huis. Je kunt meerijden?’
‘O… Nou…’ Ik overweeg zijn aanbod.
‘Echt, je moet op dit tijdstip niet alleen over het strand lopen. Daarnaast is het straks hoog water, dus dat loopt veel zwaarder dan op het harde zand. Laat mij je thuisbrengen,’ dringt Snorremans aan, die mijn aarzeling opmerkt.
‘Weet je het zeker? Ik wil niemand tot last zijn.’
‘Geen enkele moeite, ik rij toch die kant op,’ wuift hij, letterlijk, mijn laatste twijfels weg door met zijn grote hand te wapperen.
En zo komt het dat ik me een goed uur en twee koppen thee later naast Sophie op de voorbank van de Jeep van Snorremans wurm, die overigens Sjors blijkt te heten.
Het voertuig schommelt hevig heen en weer als we over het hobbelige strand rijden, waardoor achter ons een paar lege bierfusten schrapend door de laadbak schuiven. De koplampen schijnen als een paar schele ogen voor ons uit.
Terwijl ik me ergens aan vast probeer te houden om niet steeds tegen Sophie aan te botsen, vraagt zij aan Sjors of het probleem voor morgen is opgelost. Uit hun gesprek maak ik op dat iemand van het personeel vanavond heeft laten weten morgen niet te kunnen komen werken. Schijnbaar is het op tweede kerstdag altijd een gekkenhuis in het strandpaviljoen. Ze geven koud, maar mooi weer af, dus er worden veel wandelaars verwacht. Daarnaast komen er op tweede kerstdag ook veel mensen uit de omliggende dorpen een kop koffie of een borrel drinken.
‘Sophie, ik begrijp dat je morgen plannen met je familie hebt. Het is niet jouw schuld, maar we stonden al krap en met nog een persoon minder wordt het echt een ramp,’ bromt Sjors.
Voordat ik erover heb nagedacht, knal ik eruit: ‘Ik kan morgen komen helpen.’
Het is even stil voordat ik Sjors hoor grinniken. ‘Ik denk niet dat je daarop zit te wachten. Je bent hier op vakantie, toch?’
Ik leun een stukje naar voren, zodat ik voor Sophie langs naar hem kan kijken. ‘Ja, dat klopt. Maar ik verveelde me eerlijk gezegd vandaag al en ik heb toch niets beters te doen.’ Ik moet er niet aan denken om morgen weer een hele dag alleen thuis te zitten piekeren en me te wentelen in zelfmedelijden. ‘Vroeger heb ik vakantiewerk in de horeca gedaan, dus ik kan vast wel iets voor jullie betekenen. Al is het maar tafels afruimen, glazen spoelen of afwassen.’
Met zijn duim en wijsvinger strijkt Sjors over zijn snor, zoals ik hem eerder heb zien doen. ‘Meen je het serieus?’ Hij klinkt nu net als ik daarnet na zijn aanbod om me naar huis te brengen: aarzelend en hoopvol tegelijk.
‘Ja.’ Ik knik er driftig bij. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer het idee me aanstaat. Ik ben kleuterjuf, maar een dagje horecawerk lijkt me best weer eens leuk.
‘Als je het zeker weet…’ klinkt het vanaf de linkerkant van de Jeep. ‘Ik zou je halverwege de ochtend kunnen ophalen, alleen wordt het waarschijnlijk laat voordat iemand je naar huis kan brengen.’
‘Dat is geen probleem,’ zeg ik snel. ‘En je hoeft me niet op te halen, want ik heb mijn auto in Westkapelle staan.’
‘Ooo, wat super,’ jubelt Sophie. Ze stuitert op en neer op de bank, deze keer van enthousiasme; het hobbelige strand is inmiddels al een poosje verruild voor de doorgaande weg.
Wanneer we bij Sophies huis aankomen, spring ik uit de cabine, zodat zij kan uitstappen. Ze overvalt me met een spontane omhelzing, waarschijnlijk opgelucht omdat ze nu verzekerd is van haar vrije dag. ‘Fijn dat je hem uit de brand helpt. Veel plezier morgen.’
Zodra Sophie door de garagedeur naar binnen is gegaan, rijden we de B-weg uit, terug naar de doorgaande weg. Sjors vraagt het adres waar hij heen moet rijden.
Verbaasd kijkt hij me aan. ‘Is dat niet het huis van…’
‘Kobus en Christina Gabriëlse,’ vul ik aan.
‘Heb je dat gehuurd?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Ik ben Mare Beekman, hun kleindochter,’ licht ik toe.
‘Wauw… Wat een kleine wereld toch.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Mijn vader was de beste vriend van je opa.’
Mijn ogen worden groot. ‘Ben jij de zoon van…’ Ik moet even graven om me zijn naam te herinneren.
‘Wannes Dingemanse, alias de Strandjutter,’ vult hij aan.
Dat is waar: veel mensen hier hebben een bijnaam en die van opa’s vriend was de Strandjutter, omdat hij vaak langs de vloedlijn liep te strandjutten, op zoek naar schatten uit de zee. Later, toen Wannes het strandpaviljoen begon, zei hij dat het zijn grootste schat was en gaf het zijn bijnaam. Tenminste, dat is wat ik me herinner van opa’s verhalen.
Sjors zei ‘was een vriend’, dus voorzichtig vraag ik: ‘Ik neem aan dat je vader… ook niet meer leeft?’
‘O, jawel hoor. Die oude strandjutter is net zeewier; niet stuk te krijgen, alleen uitgedroogd en verrimpeld.’ Hij grijnst en ik lach om het beeld dat het bij me oproept.
We rijden Westkapelle in en zonder verdere aanwijzingen weet hij Hosternokke te vinden.
‘Nou, Mare Beekman.’ Sjors stopt naast het trottoir en de motor ronkt zwaar als hij zich mijn kant opdraait. ‘Ik vind het geweldig om je te leren kennen en ben heel blij met je aanbod om morgen te komen helpen. Misschien kunnen we regelen dat mijn vader je even te zien krijgt. Dat zal hij geweldig vinden.’ Dan voegt hij er snel aan toe: ‘Als jij dat ook leuk vindt, natuurlijk.’
Ik knik. ‘Ja, heel graag.’
We nemen afscheid met de afspraak dat ik er morgen tegen twaalf uur ben.
Hoofdstuk 2
Met een aanzienlijk beter humeur dan gisteren word ik de volgende dag wakker. Beneden in het kleine keukentje maak ik op het ouderwetse, grijs met zwart gespikkelde granieten aanrechtblad een ontbijtje klaar. Ik pers wat sinaasappels – iets wat mam ook altijd deed op zon- en feestdagen – voor bij mijn yoghurt met muesli en ga aan de ronde eettafel zitten, met mijn gezicht naar de achtertuin gericht.
Eigenlijk is het zonde dat we het huis zo weinig gebruiken. De tuin ziet er onverzorgd uit. Onbewoond bijna, met voornamelijk bestrating die de ruimte tussen het huis en het schuurtje bij de poort vult. Mijn oma zou dit vreselijk hebben gevonden, maar het afgelopen jaar zijn we hier door de omstandigheden nog minder geweest dan daarvoor. Voordat mijn vader bij een bedrijfsongeval overleed, kwamen mijn ouders hier vaker. Nora en ik gingen na onze puberteit steeds meer onze eigen weg en die leidde niet per se naar het kleine dorp dicht bij de zee.
Ik neem me voor om in de lente wat tegels te verwijderen, zodat ik bloemen en planten in de volle grond kan zetten. Bloemen in potten overleven de zomer niet, is inmiddels gebleken. Of ik zou iemand moeten zoeken om ze regelmatig water te geven.
Mijn schaaltje is nauwelijks leeg geschraapt wanneer mijn telefoon overgaat. Hoewel ik Nora gisteren ook al heb gesproken, zou het me niet moeten verbazen dat ze me vandaag weer belt. Mijn zus is vier jaar ouder dan ik en heeft altijd al de neiging gehad een beetje over me te moederen. De laatste tijd meer dan anders, al snap ik dat wel.
Met het geluid van spelende kinderen op de achtergrond – aan haar kant van de lijn uiteraard – vertel ik haar over mijn bezoek aan De Strandjutter en de plannen van vandaag. Het is fijn om haar even te spreken en nog fijner om voor de verandering eens iets leuks te kunnen vertellen. Ik krijg de indruk dat ze zich daardoor minder zorgen om me maakt, dus uiteindelijk hangen we allebei met een goed gevoel op.
De rest van de ochtend vermaak ik me voornamelijk met mijn boek. Mijn collega Hatice, die inmiddels een van mijn beste vriendinnen is, kwam vlak voor de kerstvakantie bij me langs om haar exemplaar van De wensenwinkel aan me uit te lenen en ze had gelijk: het is een heerlijk verhaal.
Wanneer ik tegen twaalf uur het strandpaviljoen binnenkom, is het er in tegenstelling tot gisteren stampvol. Er heerst een gezellige chaos; kinderen rennen rond, een hond staat water uit een bak te slobberen en een meisje van de bediening probeert met een dienblad hoog boven haar hoofd getild tussen de mensen door te manoeuvreren. De bar zit vol met kletsende gasten die elkaar allemaal lijken te kennen en er wordt uitbundig gelachen. De kerstdeuntjes die gisteren duidelijk te horen waren, komen nu nauwelijks boven de gezelligheid uit.
Ik adem diep in. Het is niet eens zozeer om me schrap te zetten voor wat waarschijnlijk een drukke dag wordt, maar vooral om als een uitgedroogde spons al die levendigheid op te zuigen.
Zodra Sjors me in het oog krijgt, verschijnt er een brede grijns op zijn gezicht en wenkt hij me met zijn reusachtige armen. Achter de bar duwt hij een schort in mijn handen terwijl hij me voorstelt aan de twee meiden die al druk aan het werk zijn. Ze groeten me gehaast tussen hun werkzaamheden door.
Hoewel ik enigszins overdonderd ben door wat ik hier aantref, heeft de hectiek een stimulerende invloed op me. Mijn handen jeuken om aan de slag te gaan en afgaande op de opgestapelde glazen naast de spoelbak hoef ik me niet te vervelen.
Ik heb nauwelijks mijn schort vastgestrikt als de klapdeur naar de keuken openzwaait en er een man de keuken uitkomt. Hij is net zo’n boom van een kerel als Sjors en komt al even ruig over. Zijn zwarte T-shirt spant over zijn brede torso en de spieren van zijn bovenarmen bollen op doordat hij twee opgestapelde kratten frisdrank in zijn handen heeft.
‘Zo, oom Sjors,’ hij bukt en schuift de kratten onder de bar, ‘is dit de knappe dame die je gisteren in die Jeep van je hebt weten te strikken?’ Wanneer hij weer overeind komt, twinkelen zijn ogen plagerig en trekt er een scheve grijns over zijn gezicht.
‘Mare, deze nietsnut hier is Boris. Als ik jou was, zou ik bij hem uit de buurt blijven, want hij heeft er een handje van om mensen in de maling te nemen.’
Boris veegt zijn hand af aan de theedoek die door een lus van zijn koksbroek hangt en steekt hem naar me uit. ‘Niets van waar, hoor.’ Zijn grote, eeltige vingers sluiten zich om de mijne.
‘Hoi, ik ben Mare.’
‘Welkom aan boord,’ zegt hij voordat hij terug de keuken in verdwijnt.
Ik ga aan de slag en stort me eerst op de glazen bij de spoelbak en probeer me daarna op zo veel mogelijk manieren nuttig te maken in een overvolle zaak waar ik niets weet te staan en de kaart niet ken.
Wanneer de ergste drukte van de lunch achter de rug is en ik halverwege de middag met een stapel vieze borden de keuken inkom, roept Boris naar me dat hij de dichte gaatjespan nodig heeft. Hij gebaart richting het rek onder de spoelhoek. Geen idee wat hij precies bedoelt, dus uiteindelijk trek ik een groot vergiet tevoorschijn.
‘Deze?’ roep ik naar hem.
‘Een vergiet is niet dicht,’ klinkt zijn droge commentaar.
Achter hem staat Tim, de keukenhulp, te schudden van het lachen. Mijn blik gaat van hem naar Boris, die geen oogcontact maakt en vis aan het fileren is. Ik kijk weer naar Tim, die zijn lippen op elkaar perst en zich ook weer over zijn werk buigt.
Verdorie.
Ik mik het vergiet terug tussen de andere spullen en vlucht de keuken uit.
Een poos later vraagt Boris me of ik aan Sjors wil vragen waar de visschaar is. Ik kijk hem recht in zijn ogen. Hij trekt een wenkbrauw naar me op en houdt het stuk zalm in zijn hand omhoog.
‘Dacht het niet,’ zeg ik.
Tim schatert het uit en slaat Boris op zijn schouder.
Terug achter de bar help ik Sjors met een grote bestelling van koffie, thee, cappuccino en warme chocomel. Hij gebaart naar de roestvrijstalen bus met slagroom, zo een die van die échte, stevige slagroom geeft.
‘Kun jij slagroom op de chocomel spuiten? Op allemaal behalve een.’
Ik knik en ga aan de slag. Wanneer ik klaar ben, pak ik het zware blad op en loop er meteen mee naar de tafel waar een groot gezelschap heeft plaatsgenomen.
‘Kom maar hier, hoor. We geven het wel door,’ biedt een van de mannen tot mijn opluchting aan.
Voorzichtig plaats ik het blad op de tafel en binnen een mum van tijd schuiven de mokken over het hout. Sjors verschijnt achter me met de rest van de bestelling, die even vlot wordt uitgedeeld.
Ik loop net met mijn lege dienblad terug naar de bar wanneer het belletje in de keuken klinkt.
‘Ik ga wel,’ meld ik. Ik duw de klapdeuren open.
‘Tafel zestien,’ roept Boris.
Ik knik, pak de tosti en de soep op en loop terug door de zwiepende klapdeuren. Vertwijfeld blijf ik staan. De tafel in de hoek is elf. Ik tel verder en frons. Tafel vijftien, dan de stamtafel en vervolgens vanaf de andere hoek tafel twintig.
‘Wat zoek je?’ vraagt de jongen achter de tap.
‘Tafel zestien.’
‘Die bestaat niet meer,’ zegt hij voordat hij onder de tap duikt om een nieuw fust aan te sluiten. ‘Zestien en zeventien zijn nu de stamtafel.’
Ik kijk naar de stamtafel, waar bier wordt gedronken en een schaal bittergarnituur op tafel staat. Hm, het lijkt me niet logisch dat die soep en een tosti hebben besteld.
Met mijn billen duw ik de klapdeur open.
‘Sorry, zestien zei je toch?’ roep ik de keuken in.
‘Ja.’
‘Maar…’ Ik klap mijn mond dicht als Boris me grijnzend aankijkt.
Shit.
Hij komt achter het roestvrijstalen werkblad vandaan, pakt me zachtjes bij mijn bovenarm en leidt me naar een kruk in de hoek bij de koeling. ‘Ga zitten. Deze bestelling is voor jou.’
Ik maak aanstalten om van de kruk af te komen, want het is nog hartstikke druk, maar hij steekt zijn hand op en kijkt me streng aan.
‘Zitten blijven. Je moet nog een paar uurtjes door, dus je hebt een break en iets te eten nodig.’
‘Het zou een hoop schelen als jij haar niet voor niets laat lopen,’ bromt Sjors, die met een stapel vuile borden de keuken is binnengekomen, tegen zijn neef. ‘Kappen met die geintjes van je, daar hebben we vandaag geen tijd voor.’
‘Ja, ja.’ Boris wuift Sjors en zijn opmerking weg en loopt terug naar zijn werkplek. ‘Als jij dit braaf opeet, zal ik me verder gedragen.’ Over zijn schouder werpt hij me een vluchtige blik toe voordat hij drie borden van de stapel op de plank pakt en ze razendsnel opmaakt.
‘Oké,’ zeg ik, enigszins verlegen door zijn zorgzaamheid. Ik neem een eerste hap van mijn tosti en gluur zo onopvallend mogelijk naar hem.
Boris is ouder dan ik, vermoed ik. Hij is net zo reusachtig als Sjors, met zijn brede schouders en forse armen. Op zijn rechterarm piept een tattoo onder de mouw van zijn zwarte shirt vandaan. In combinatie met zijn enigszins wilde bos blonde krullen en zijn stoppelbaard geeft dit hem een ruige uitstraling, maar volgens mij is hij het type ‘ruwe bolster, blanke pit’.
Hij werpt me een goedkeurende blik toe als hij merkt dat ik aan het eten ben. Blozend sla ik mijn ogen neer.
Terwijl hij onverstoorbaar verdergaat met het klaarmaken van bestellingen en instructies geeft aan het keukenpersoneel – en dan zeggen ze dat mannen niet kunnen multitasken! – informeert hij naar mijn vakantieplannen. Ik houd me een beetje op de vlakte, niet van plan om mijn trieste verhaal hier over de keukenvloer uit te rollen. Snel eet ik de rest van de tosti en de helft van de soep op, om vervolgens van de kruk te springen en de net klaargezette bestelling mee te nemen, voordat hij op de bel kan drukken.
De rest van de dag houdt Boris zich aan zijn belofte en haalt hij geen geintjes meer met me uit. Rond acht uur zijn de meeste gezinnen met kleine kinderen vertrokken en heeft het grootste deel van de achterblijvers een hapje gegeten. De bar zit nog gezellig vol, maar de ergste drukte is achter de rug. Sjors stelt voor dat ik ermee stop voor vandaag. Ik moet eerlijk bekennen dat ik mijn benen en rug behoorlijk voel als ik mezelf op een kruk hijs. Dit ben ik duidelijk niet meer gewend. In de klas ben ik ook de hele dag actief in de weer, maar dat is niet te vergelijken met de fysieke inspanning van vandaag.
Sjors zet een salade met verschillende soorten vis en een schaaltje friet voor me op de bar. ‘Met de complimenten van Boris,’ voegt hij eraan toe terwijl hij het bord mijn kant op schuift.
‘O, wat lekker!’ Uitgehongerd doop ik een frietje in de mayonaise. Ik geniet van mijn maaltijd en als mijn buik vol zit en het bord leeg is, laat ik me van de kruk glijden om mijn jas te pakken en buiten een frisse neus te halen.
Ik loop naar de rand van het terras en leun met mijn voorhoofd tegen de koele ruit van de afzetting. Ik sluit mijn ogen en luister naar het ruisen van de zee. Op de achtergrond klinken de muziek en het geroezemoes uit het paviljoen. Rust daalt over me neer. Ik ben moe, maar voel me zoveel beter dan gisteren. Het was oprecht een fijne dag.
‘Alles oké?’ klinkt Boris’ diepe stem plotseling vlak achter me.
Ik schiet overeind en druk mijn hand ter hoogte van mijn hart op mijn jas. ‘Jemig, ik schrik me kapot!’
‘Sorry,’ lacht hij. ‘Ik wilde checken of het goed gaat. Het is steenkoud, wat doe je hier?’
‘Naar de zee luisteren. Een frisse neus halen.’ Nadenken, maar dat zeg ik niet hardop.
Hij komt naast me staan en in een gemoedelijke stilte turen we allebei voor ons uit de duisternis in. Dan zegt hij behoedzaam: ‘Dit is geen gezellig-naar-zee vakantie, of wel?’
‘Nee, niet echt…’ geef ik schoorvoetend toe. Geen idee hoe hij die indruk heeft gekregen, maar ik ga er niet over liegen.
‘Dacht ik al.’ Hij draait zijn hoofd mijn kant op, zijn beide handen in zijn broekzakken gestoken. ‘Kan ik iets doen?’
‘Behalve me naar een dichte gaatjespan laten zoeken?’ probeer ik met een grapje van onderwerp te veranderen.
‘Ja, behalve dat.’ Zijn lippen krullen zich op tot een lome grijns. Zijn krullen waaien half in zijn gezicht en mijn blik schuift bestuderend van zijn mond naar zijn donkere ogen.
Zijn uiterlijk, de manier waarop hij praat; hij is zo anders dan Jorrit.
Moeizaam slik ik de brok emoties in mijn keel weg als ik denk aan mijn ex en hoeveel verdriet hij me heeft gedaan. Ik draai mijn hoofd terug naar het pikzwarte uitzicht aan de andere kant van het glas en forceer een glimlach voordat ik zeg: ‘Nee hoor, het gaat wel.’
Wederom valt er een stilte en allebei lijken we in gedachten verzonken.
De mijne dwalen af naar mijn moeder, die afgelopen kerst nog kerngezond was. Tenminste, voor zover wij wisten. Zodra ze in de medische molen belandde, brak er voor ons allebei een heftige tijd aan. Nora vond het ingewikkeld dat ze op Sicilië zat. Ze kwam zo vaak mogelijk naar Nederland, maar het grootste deel van de zorg voor mijn moeder kwam op mij terecht. Het viel niet mee om een balans te vinden in het zorgen voor haar en mijn fulltimebaan in het onderwijs. Jorrit gaf me de ruimte, maar vaak had ik het gevoel het allemaal alleen te doen. In die periode heb ik me in onze relatie echt eenzaam gevoeld, al besefte ik dat toen niet zozeer.
De laatste weken voor hij naar Australië vertrok waren een drama. Hij had de relatie beëindigd, was van alles aan het regelen, terwijl hij tussendoor vaker dan in de periode daarvoor vroeg of hij iets voor me kon doen. Misschien voelde hij zich schuldig, vooral omdat het snel bergafwaarts ging met mijn moeder, geen idee. Ik had geen ruimte om er veel bij stil te staan.
Pas na de begrafenis van mijn moeder was er tijd om na te denken over onze breuk. Soms vraag ik me af of de eenzaamheid die ik op het laatst voelde er al niet langer was. Ik weet het allemaal niet meer. Op sommige momenten lijkt het alsof mijn hersenen in de slaapstand staan en slechts de helft van hun normale functioneren aankunnen. Wat ik wel weet, is dat het verdomd veel pijn doet dat Jorrit er ogenschijnlijk geen enkele moeite mee had om me aan de kant te zetten en alleen verder te gaan.
‘Ik hou van de zee.’ Boris’ stem klinkt opmerkelijk zacht voor zo’n grote kerel, alsof hij meer tegen zichzelf praat dan tegen mij. Zijn woorden zijn een welkome onderbreking van mijn deprimerende gedachten.
‘Ik ook.’ Op de een of andere manier heeft de zee een rustgevende uitwerking op me.
‘Het leven is net als de zee.’
Vragend kijk ik hem aan, maar zijn blik is recht vooruit gericht. Ik hoef niet te vragen wat hij bedoelt, want hij praat alweer verder.
‘Door de stroming en het getij drijven er voorwerpen weg, maar er spoelen ook dingen aan. We raken dingen kwijt in het leven, maar er komt ook weer iets nieuws voor terug.’
Moeizaam slik ik de brok in mijn keel weg. Ondanks mijn dikke winterjas voel ik me naakt, alsof hij dwars door me heen kijkt en alle pijn en verdriet in me ziet woekeren. Ik klem mijn armen om mezelf heen.
‘Dat is een mooie gedachte.’ Mijn stem klinkt schor, dus ik schraap mijn keel. ‘Ik weet alleen niet… of dat het verlies minder pijnlijk maakt.’
‘Nee, absoluut niet. Maar het geeft hoop.’
Dat gevoel deel ik eerlijk gezegd niet, daar heeft Jorrit wel voor gezorgd. Met zijn vertrek beroofde hij me van alle hoop op het leven waarnaar ik verlangde.
Ik wilde dolgraag een gezin stichten, maar hij bleef de volgende stap in onze relatie steeds uitstellen, omdat hij ons te jong vond en eerst “allerlei dingen” wilde doen in het leven. Hoewel we daar regelmatig woorden over hadden – zo jong waren we niet meer en mijn biologische klok begon ondertussen steeds luider te tikken – had ik er vertrouwen in dat we daarnaartoe werkten.
Niet dus, want blijkbaar “wilden we niet hetzelfde in het leven”.
