12,99 €
Twaalf korte verhalen waarin de thema's dood, afscheid, eenzaamheid en angst een centrale rol spelen, zonder zwaarmoedig te worden. De dood als verlossing voor iemand die het zwaar heeft, maar ook voor een vrouw die aan het eind van haar leven is, een eenzame nachtwandelaar die op een bizarre manier contact maakt, afscheid van een geliefde plek in Frankrijk, een sciencefictionachtig verhaal dat doet denken aan de coronacrisis, een laatste reis van een zoon met zijn overleden moeder, een verhaal over verwarring en het begin van dementie, angsten die iemands leven compleet overheersen, een moord uit (eigen)liefde. Elk verhaal belicht op een andere manier bovengenoemde thema's.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 145
Veröffentlichungsjahr: 2022
Inhoudsopgave
Colofon 2
1. De verlossing 3
2. Dans in het licht 9
3. Het krukje 17
4. De nachtwandelaar 19
5. Lieve Vence 30
6. Het verraad 32
7. Een glaasje ranja 43
8. Grijs 47
9. De laatste reis 48
10. De ontmoeting 62
11. De lift 69
12. Het verhoor 78
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2022 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99131-055-6
ISBN e-book: 978-3-99131-056-3
Lectoraat:M. Moors
Vormgeving omslag:Sarayut Thaneerat, Mykola Lukash | Dreamstime.com
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
www.novumpublishing.nl
1. De verlossing
“Wenn du lange in einen Abgrund blickst,
blickt der Abgrund auch in dich hinein.”
Friedrich Nietzsche
Het was moeilijk om de kleur van het wateroppervlak dat onder haar lag te omschrijven. Het was niet grijs en het was ook niet zwart. Het had de kleur van een oneindige somberheid. De kleur van het onbestemde einde. De kleur van het niets. De rillingen gingen door haar lijf. Ze stond te trillen op haar benen. Ze had de hele dag niets gegeten en gedronken. Haar droge tong plakte tegen haar verhemelte. Haar snelle hartslag werd vergezeld door een even snelle ademhaling, waardoor haar lippen begonnen te tintelen. Het was steeds moeilijker om haar gedachten op een rijtje te zetten. Kriskras liepen de woorden in haar overspannen brein door elkaar. Het lukte haar niet om de stroom van al die woorden en zinnen tot stilstand te brengen. Hoewel de woorden geen geluid maakten, stopte ze als ultieme poging om rust te krijgen haar vingers in haar oren. Maar niets hielp. Zo kon ze niet langer doorgaan. Het vloeibare donkere monster dat onder haar rustig lag te wachten, moest haar verlossen uit haar ondragelijke lijden.
Zou het water erg koud zijn? Zou het pijn doen als ik op het wateroppervlak stort? Hoelang zou het duren voordat ik dood ben? waren de gedachten die als scherpe messen in haar brein sneden en haar onzeker maakten.
Ze had zich voorgenomen om zodra ze in het water zou vallen diep in te ademen, zodat ze zo snel mogelijk haar bewustzijn zou verliezen. Het was vandaag bijzonder koud. De kans was groot dat ze door het ijskoude water direct een hartstilstand zou krijgen.
Het verlangen naar de dood was groot, maar de angst voor het lijden was nog groter. Angst stond met grote en vetgedrukte letters op haar harde schijf geprogrammeerd. Het leek of haar angst steeds groter werd. Wat ooit begonnen was als een onschuldig, kortdurend vervelend gevoel was nu uitgegroeid tot een gemene, verstikkende, verlammende en meedogenloze achtervolger die haar op elk moment van de dag de pas afsneed. Ze had het hele internet afgestruind naar methoden om een eind aan haar leven te maken. Ze had gezocht naar een pil die ze rustig in haar bed liggend met haar favoriete muziekje op de achtergrond kon innemen waarna ze in het eindeloze niets zou verdwijnen. Maar zo’n pil kon ze nergens krijgen. Uiteindelijk had ze gekozen voor een sprong in het diepe. Best wel een gewaagde poging voor iemand met een angststoornis.
Nog niet zo lang geleden had ze een opiniestuk gelezen over zelfverwoesting. Het stuk was geschreven door een internist. Het woord “zelfverwoesting” had haar geïntrigeerd. Het woord trok haar aan. Hoewel het een negatieve uitstraling had, leek het alsof die term haar een hand toereikte en haar naar zich toe probeerde te trekken. In het stuk beschreef de internist de stempel die op zijn patiënten die te zwaar waren, te veel dronken, te veel rookten of die te veel stress hadden, drukte. Ze kregen het label dat ze bezig waren met de zelfverwoesting van hun lichamelijke gezondheid. Dat gold ook voor al die jongeren die steeds vaker verslaafd waren aan de multimedia en die geen moment rust kregen en daardoor al op jonge leeftijd een burn-out ontwikkelden. Ook zij kregen het verwijt dat ze hun geestelijke gezondheid aan het verwoesten waren. De internist plaatste hier vraagtekens bij. Hij legde de schuld niet neer bij zijn patiënten, maar bij de maatschappij die er alles aan deed om de mensen te misleiden en in de val van het alsmaar meer consumeren te laten lopen.
Tijdens het lezen van het artikel verscheen er een kortdurende glimlach op haar gezicht. Niet de glimlach van vreugde of hoop, maar de glimlach die op het eind van het leven op het gezicht van een terminale patiënt verschijnt als die de nederlaag erkent en de fase van berusting betreedt. Ze vond het een verfrissend stuk, maar het was niet op haar van toepassing. Haar geestelijke gezondheid was niet verwoest door de consumptiemaatschappij. Zij was van nature een optimistisch ingestelde meid geweest die het leven omarmde. Maar haar weg naar het geluk werd continu afgesneden door allerlei tegenslagen. Weerbaar als ze was wist ze de eerste tegenslagen te overwinnen en ging ze onverstoorbaar door, maar op een gegeven moment was ze op. Ze had geen reserves meer. Hoezeer ze ook probeerde om verder te komen, de weg werd steeds steiler en het aantal hindernissen nam met de dag toe. Er was geen ontkomen meer aan. Kruipend door de modder, met bloeddoorlopen ogen, schreeuwde ze om hulp, maar het landschap waarin ze zich bevond was desolaat. Niemand die haar hoorde. Niemand die haar kon helpen.
De laatste weken kon ze niet meer slapen. Ze had allerlei pogingen ondernomen om te kunnen slapen. Maar niets had geholpen. Ze had zelfs een zelfhulpboek over slapeloosheid gekocht. Maar na vijf bladzijden gelezen te hebben had ze het woedend in een hoek gegooid. De inhoud sloeg nergens op en was geschreven door een geldwolf die over de rug van de hulpeloze slapelozen snel rijk wilde worden. Dat boek stond nota bene tussen allerlei onzin verkopende dieet-rotzooi in de top 10 van de bestverkochte boeken. Ze had ook via internet allerlei tabletten gekocht. Maar al die valeriaan en melatonine bevattende capsules hielpen niet.
Ze sprak met niemand over haar slaapproblemen. Van al die voorspelbare reactie zoals, je moet naar de huisarts of psychiater gaan, wilde ze niets weten. Tijdens de slapeloze nachten kwam ze steeds dichter bij haar ware-ik terecht. De ik die op zoek was naar zelfverwoesting. Zelfmoord of zelfdoding vond ze vreselijke woorden. Zelfverwoesting was het woord dat de kern raakte. Tijdens de eindeloze nachtdiensten, zoals ze haar nachtelijke traag verlopende uren ging noemen, smeedde ze plannen om een eind aan haar lijden te maken.
Ze kreeg al snel in de gaten dat je de ingewikkelde machinerie die het lichaam is niet zomaar kunt stoppen. Je kan niet aan een eenvoudig knopje draaien om het leven uit het lichaam te deleten. Er is een immense, alles verwoestende kracht voor nodig om die klomp levende cellen, die geprogrammeerd is om door te gaan met leven, tot andere gedachten te brengen. Ophangen, polsen doorsnijden, een kogel door het hoofd jagen, vergassen, een overdosis nemen, voor een trein springen, elektrocuteren in het bad, van een brug springen waren de opties die ‘s nachts als wilde paarden door haar hoofd renden. Soms lag ze met wijd opengesperde ogen naar het plafond te kijken. Soms vergat ze bijna te ademen, zo opgewonden was ze van al die gedachten over al die manieren om uit het leven te stappen. Eindeloos duurden de hersenspinsels totdat ze uiteindelijk besloten had dat het springen van de brug haar verlossing zou zijn.
In de stad waar ze woonde waren drie bruggen waaruit ze kon kiezen. De eerste brug, die ongeveer tien jaar geleden gebouwd was, viel meteen af. Het was een moderne brug die alleen toegankelijk voor auto’s was. Het was schier onmogelijk om als voetganger deze brug te betreden. De tweede brug lag helemaal aan de andere kant van de stad. Aan beide kanten van de brug was een gecombineerd fiets- en voetpad aanwezig. Het nadeel van deze brug was dat hij niet hoog was. De afstand tot het water was waarschijnlijk te klein om het leven uit haar lichaam te vagen.
De derde brug was de oudste brug van de stad en was de brug waar ze uiteindelijk voor koos. Dat was de brug die haar naar het oneindige zou leiden. De brug die een eind zou maken aan de ondragelijke pijn in haar ziel. De brug was over zijn hoogtepunt heen. Er reden geen auto’s meer overheen. Soms waagde een fietser of een brommer met tegenzin de overtocht. Voetgangers meden ook de brug. De mistroostige uitstraling van het verweerde beton en de zwarte, door regen en wind aangetaste beelden werkten afstotend op de bewoners van de stad. In de volksmond werd het ook wel de losers-brug genoemd. Diverse keren was al besloten om de brug af te breken, maar er waren altijd verschillende dwarsliggers die dit onder het mom van het behoud van cultuurerfgoed wisten te voorkomen. Ze was dan ook blij dat deze brug, nog voordat hij zou verdwijnen, haar toevluchtsoord was naar de uitgang van het leven.
Het begon al te schemeren en hoewel de brug niet verlicht was zag ze het zwarte monster in de verte liggen. De hele dag was het al aan het regenen. Een straffe noorderwind sloeg de druppels met kracht in haar vertwijfelde gezicht. De regendruppels voelden vreemd op haar gezicht. Ze deden haar denken aan al die ontelbare tranen die in het verleden veelvuldig over haar wangen hadden gerold. De laatst maanden had ze niet meer gehuild. Ze was leeg vanbinnen. De emoties waren opgedroogd. Kon ze nog maar huilen. Dat gaf haar altijd een vorm van opluchting. Nu was er geen gevoel meer. Geen toekomst. Geen optimisme. Alleen nog maar die allesverslindende drang om er een einde aan te maken.
Haar hart begon te bonzen toen ze steeds dichter bij haar bevrijding kwam. Het dik pak donkere wolken dat boven de brug hing had een woest uiterlijk. Door de wind vooruit gestuwd veranderden ze continu van vorm. Het leek alsof ze haar begeleidden naar het eindeloze niets. De laaghangende monsters waren bezig met een dodendans.
Voordat ze er erg in had stond ze in het midden van de brug. Geen fietsers. Geen voetgangers. Helemaal niemand. De ijzige stilte gaf haar een misselijk gevoel. Ze begon te kokhalzen. Ze leunde tegen de reling van de brug en probeerde te braken. Haar maag was leeg. Ze had de hele dag niet gegeten. Zwarte gal viel op de natte versleten stenen van de brug. Haar hele lichaam begon te trillen. Haar lippen tintelden en ze had het gevoel dat ze flauw zou vallen. Terwijl ze voorovergebogen over de reling van de brug hing, keek ze het donkere gat in. Opeens kreeg ze het gevoel dat ze ontzettend moest plassen. Vreemd, want ze had de hele dag niets gedronken. Instinctief keek ze om zich heen of er niemand stond te kijken. Toen ze zag dat ze alleen was plaste ze in haar broek. Het kon haar allemaal niets meer schelen. Ze voelde hoe het warme vocht haar koude bovenbenen even opwarmde, waarna de koude wind de laatste warmte uit haar lichaam wegjoeg.
Ze wist niet hoelang ze op de brug gestaan had toen ze uiteindelijk besloot om op de reling te klimmen. Ze hield zich vast aan een monsterlijk beeld. Door de regen waren de hoorns van het gedrocht glad geworden en kon ze geen goede grip krijgen om omhoog te klimmen. Ze probeerde het drie keer, waarna ze besloot om het op te geven. Teleurgesteld trapte ze een aantal keren tegen het stuk zwarte beton aan. Waarom wordt zelfs mijn einde een drama, dacht ze bij zichzelf. Ze was inmiddels doorweekt door de alsmaar aanhoudende regen. Haar armen en benen voelden zwaar. Door de opwinding van het mislukken van haar klimpartij hijgde ze alsof ze een trap opgerend was.
Met gebogen hoofd liep ze verder. Het leek alsof de beelden die aan beide kanten van de brug stonden haar uitlachten. Ze voelde zich vernederd door de beelden, door de regen, door de hele wereld. ‘Ik ben een loser die het niet verdient om verder te leven,’ prevelde ze op een desolate manier terwijl ze haar doorweekte lichaam vooruit sleepte over de natte grauwe brug die elke vorm van optimisme uit haar leven wiste.
Op een gegeven moment viel haar oog op een stuk afgebroken reling. Als in een reflex bleef ze staan. Langzaam liep ze ernaartoe. Met haar rechterhand wreef ze langzaam over de beschadigde stenen. Ze zag al snel dat ze hier zonder probleem op zou kunnen stappen. Reactief begon haar hart sneller te kloppen. Haar ademhaling volgde de razendsnelle hartslag. Met grote ogen keek ze naar de kapotte reling. Zo moest een wild dier, dat jaren in een kooi opgesloten gezeten had, zich voelen zodra er een gat in de kooi zichtbaar was.
Het leek alsof ze als een magneet naar de afgebrokkelde stenen toegetrokken werd. Voordat ze het wist stond ze op de reling. De koude wind zorgde ervoor dat haar zwarte haren alle kanten opwaaiden. Haar koude lichaam voelde nu als versteend. Ze had pijn in al haar spieren. Weer het gevoel dat ze moest braken. Ze kokhalsde een aantal keren. Niets dan zwarte gal. Met haar rechterhand wreef ze haar mondhoeken schoon. Ze sloot haar ogen toen ze zich omdraaide. Haar beide armen hield ze gekruist voor haar rillende lichaam. Het duurde even voordat ze haar ogen durfde te openen. Ze keek het zwarte gat in. De verlossing lachte haar tegemoet. Het eindeloze niets fluisterde haar naam.
2. Dans in het licht
De eerste zonnestralen van de lente vielen op een geruisloze, zachte en troostende manier door het raam op het tafeltje dat voor haar rolstoel stond. Ze keek naar buiten en er verscheen een zuinige glimlach op haar door de tijd getekende gezicht toen ze in de tuin de roze bloesem van de Japanse sierkers zag. Een mengelmoes van herinneringen schoten door haar hoofd. Ze waren niet allemaal even duidelijk, maar ze veroorzaakten wel een prettig gevoel. Ze zag de bakken met kleurige geraniums die ooit in haar tuintje stonden en de prachtige bloeiende magnolia waar ze zo graag onder zat in deze tijd van het jaar. Ze rook de bloeiende boerenjasmijn die zijn witte bloemen over de tuin uitstrooide. Ze miste de gele forsythia naast de voordeur van haar huis die als een trouwe wachter haar altijd verwelkomde als ze thuiskwam. Bittere tranen rolden over verweerde wangen. Ze wist dat ze nooit meer thuis zou komen.
Aan de muren van haar woonkamer hingen de herinneringen uit haar verleden. Op een foto zag ze een angstige vrouw samen met haar onzekere man op een witte bank voor een groen schuurtje zitten. Ze hielden elkaar stevig vast alsof ze bang waren om elkaar los te laten. Ze hadden elkaar nodig. Samen waren ze sterk. Op een andere foto stond het statige vrijstaande huis waarin ze jarenlang gewoond had. Een huis met veel gezichten. Heimwee, vreugde, somberheid, angst en pijn keken haar vanachter de donkere ramen van het huis indringend aan.
Plotseling keek ze naar buiten. In de verte hoorde ze iemand zingen. Het was de stem van een kleine jongen. Het was een prachtige melodie. Zachtjes neuriede ze het liedje mee. Soms leek het alsof het geluid uit haar kamer kwam. In de hoek van de kamer zag ze opeens het zingende jongetje staan dat naar haar zwaaide. Ze probeerde terug te zwaaien, maar haar schouders en bovenarmen waren te pijnlijk om haar hand te kunnen optillen. Het jongetje was alweer verdwenen.
Haar aandacht werd getrokken door de grijze schimmen die over het balkon aan de overkant van haar kamer liepen. Ze had gehoord dat er vannacht drie kinderen vermoord waren. Waarschijnlijk werden vandaag de lichaampjes geborgen. Niemand geloofde haar verhaal. De verzorging zei dat ze het allemaal verzonnen had. Ze voelde zich niet begrepen. Zij wist zeker dat ze gelijk had.
Haar mond was droog. Ze had dorst. De blauwe drinkbeker met water stond uitdagend voor haar op het tafeltje. Zo dichtbij, maar ook zo ver weg omdat ze niet in staat was om de beker vast te pakken. ‘U moet goed drinken, mevrouw,’ had de verzorgster vanochtend tegen haar gezegd en was daarna voordat ze antwoord kon geven weer verdwenen.
Gefascineerd keek ze naar de bruine klok die op de kast stond. De wijzers van de klok bewogen steeds sneller heen en weer. Het leek alsof de twee vazen die ernaast stonden aan het dansen waren. De klok begon haar uit te lachen. De tijd was haar grootste vijand geworden. Ze probeerde iets te zeggen, maar daar was haar mond te droog voor.
Door de tuin liep een oude man met een bloem in zijn hand. Ze had het gevoel dat ze die man kende, maar ze wist het niet zeker. Hij was te ver weg om hem goed te kunnen zien. De man draaide zich naar haar om en hield de bloem in de lucht. Een witte roos. Daarna was hij weer verdwenen.
Ze sloot haar ogen en viel in slaap. Een eindeloze duisternis, zonder beelden en zonder geluid. Ze werd na een poosje wakker door de pijn in haar stuit. Het leek alsof de metalen buizen van haar rolstoel als scherpe pijlen dwars door haar huid heen prikten. Ze deed verwoede pogingen om anders te gaan zitten, maar dat lukte niet. Ze zat gevangen in haar steeds verder aftakelende lichaam. Ze had de regie over haar leven verloren.
