19,99 €
Rugchirurg Guy Declerck dacht, leefde en handelde naar wat hij zelf wenste en wilde. Stap aan boord van zijn eigenaardig en ingrijpend levensverloop dat borrelt van een mysterieuze, voortstuwende levenskracht en een soort zelfbedrog te wijten aan ultiem geloof en vertrouwen in eigen kunnen. Dool mee in zijn dwaas idealisme, verraad, het beest in de mens, foltering en doodslag. Maak kennis met domheid, intelligentie, onderzoek, analyse, ontdekking, ontwikkeling, erkenning en miskenning. Beleef zijn lust, genot en extase meer dan liefde en erotiek. Met enige humor worden enkele incidenten als fantastische fictie uitvergroot om de tragiek ervan bloot te leggen. Velen zullen de binnenpretjes niet kunnen onderdrukken en af en toe in bulderlach uitbarsten.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 473
Veröffentlichungsjahr: 2023
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2023 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99131-742-5
ISBN e-book: 978-3-99131-743-2
Lectoraat:Ine van Gerwe
Vormgeving omslag:Steven Van Hasten
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
Foto’s binnendeel:Steven Van Hasten
www.novumpublishing.nl
VOORWOORD
Het was te midden van de ‘sixties’, en of dit nu gouden of bronzen jaren waren, het doet er niet toe. Een mysterieuze kracht stuwde me voort en bepaalde wie, wat, hoe, waarom en waar ik zou worden wat ik uiteindelijk geworden ben. Maar ik had me nooit gerealiseerd dat het gevaarlijk was om te slagen in mijn ambities.
Sinds mijn 16dehield ik een dagboek bij. Ik hoefde slechts te bladeren in mijn aantekeningen en mijn geheugen. De herinneringen kwamen zo terug. Ik hoefde me bijzonder weinig te verbeelden en weerhield me ervan te wissen wat de ouderdom in de vergetelheid had geduwd. Over veel privacyzaken wilde ik niet meer spreken en ik voelde me vrijer door er slechts over te schrijven. Maar schrijven over je persoonlijk leven houdt inherente risico’s in. Het is de ultieme oefening in introspectie. Ik heb geprobeerd te begrijpen wat ik gedaan en niet gedaan heb, en wat men met mij gedaan heeft. Het schrijven van dit boek was alsof ik voor de zoveelste maal kankeruitzaaiingen uit een wervelkolom verwijderde en het geheel reconstrueerde.
Het leven dat ik leidde is niet wat me is overkomen. Steeds probeerde ik het te sturen. Het verlangen om te bereiken waartoe ik me geroepen voelde, was intens. Ik had mijn sportschoenen en mijn boeken om mijn ambities te verwezenlijken. Mijn ratio werd mijn geluk.
Mijn levensverhaal kende een uniek verloop. Het was niet rechtlijnig, wel uitdagend, ongelofelijk rijk en boeiend, maar het is niet moeiteloos verlopen. Ik heb mijn leven niet gebaseerd op vooroordelen en raadgevingen uit mijn omgeving. Ik had gelijk want het bleken slechts luchtbellen. Te allen tijde wilde ik autonoom blijven om ‘iets’ te realiseren zoals ik het wilde, maar dat toentertijd compleet ondenkbaar en onhaalbaar leek. Ik dacht, leefde en handelde anders dan de anderen, en ik heb willen illustreren waarin precies ik van hen verschilde.
Dit boek borrelt van tomeloze ambitie, egocentrisme, koppigheid, doorzettingsvermogen, een soort zelfbedrog te wijten aan ultiem geloof en vertrouwen in eigen kunnen, vrijheid liever dan broederlijkheid; veel minder liefde en erotiek dan genot en extase; dwaas idealisme, verraad, hetbeest in de mens, foltering en verwondingen; tegenslagen op familiaal vlak en slechts enkele hechte vriendschappen; domheid, kennis en intelligentie, onderzoek, analyse, ontwikkeling en uitvinding, erkenning en miskenning; geen materiële ambitie; en deregulering van mijn lichaam dat niet zal gedwongen worden nutteloos langer te functioneren wanneer de normaal te verwachten fysische of psychische gebruiksdatum overschreden wordt.
Met enige humor worden enkele situaties als fantastische fictie uitvergroot om de tragiek ervan bloot te leggen. Velen zullen de binnenpretjes niet kunnen onderdrukken en af en toe in bulderlach uitbarsten. Had ik al mijn ervaringen kunnen verkopen voor wat ze me gekost hebben, dan was ik nu miljonair.
Ik dank de vele – inmiddels vergeten bekenden – die me aanspoorden het verloop van mijn eigenaardig en ingrijpend leven te boek te stellen. Enkele enigmatische Hippocratische en Galenische behandelingsexperimenten, up-to-date heelkundige ingrepen en zogenaamde interessante ontmoetingen-maar-met-bijbedoelingen zorgden voor tijdelijk oponthoud.
Ik wist niet dat het mogelijk was iemand levenslang dankbaar te zijn. Ik kon gebruik maken van het talent van goede kameraden om mijn levensverhaal taalkundig grondig bij te schaven en deskundig te illustreren. Ik dank de geapprecieerde medewerking van de heer Filip Vanhaecke PhD en illustrator Steven Van Hasten.
Guy Declerck (2022)
SAMENVATTING
In het leven hangt veel af van waar iemands wieg stond. Ik geloofde rotsvast in mijn geërfde talenten, maar mijn vader heb ik nooit willen kennen. Mijn mama maakte me vroeg duidelijk dat hard werken en excelleren belangrijker zijn dan overdreven zelfvertrouwen. Mijn grootvader was mijn levensfilosoof en leermeester. Continu wees hij me op mijn ontluikende talenten. Zijn doel was mij tot een evenwichtige persoon op te leiden die zichzelf niet overschatte, maar zeker nietonderschatte. Ik herinner me nog ons afscheidsgesprek toen ik kort voor zijn overlijden als jonge orthopedische chirurg naar Australië vertrok om me te verdiepen in alle facetten van de vele wervelkolomaandoeningen omhet mysterie van lagerugpijnte doorgronden:
”De kunst van het leven bestaat erin het kaf van het koren te scheiden. Maar inmiddels heb je reeds geleerd je te verzetten tegen onterechte beslissingen. Je persoonlijkheid was te sterk om mee te gaan in de simpliciteit van anderen. Nu moet je verder datgene waarvan je altijd overtuigd was realiseren. Weet echter dat, mocht je een lang leven beschoren zijn, je pas op oudere leeftijd een kans zal gegund worden die professionele bijdrage te leveren. Niemand zal het je in dank afnemen. Je bent teveel einzelgänger. Maar ook omdat in jouw medische wereld veinzen en dreigen omwille van het voordeel schering en inslag is.”
De deuren heb ik zelf geopend, niet steeds voorzichtig, en dus faalde ik af en toe, maar mijn vertrouwen in mijn ambities is nooit gecrasht. De studie van de antieke Latijnse en Griekse filosofen leerde me kritisch nadenken, complexe problemen analyseren, synthetiseren, communiceren, en schrijven. Ik had geen masker nodig om mijn persoonlijkheid en moeilijk te aanvaarden karakter te verhullen. Levenslang volgde ik mijn passie, bleef trouw aan mezelf, volhardde waar het kon en liet al de rest los. Mijn karakter moet mijn lot geweest zijn. Vrij snel besefte ik dat het wellicht niet helemaal zou goedkomen en dat ik kon afgerekend worden op mijn jeugdige naïviteit of onwetendheid. Maar als adolescent had ik reeds ingezien datde ark gebouwd was door een amateur en de Titanic door experten. Het maakt niet uit hoeveel maal ik gevallen ben, maar het was éénmaal minder dan het aantal keren dat ik opgestaan ben.
Ik probeerde te leven zonder familiale en sociale heroïek en werd nooit verslaafd aan kameraden. Nooit kwam het in me op om via mijn job of functie een liederlijk of mondain leven te leiden. Vastroesten in een vooraf min of meer bekend en veilig patroon was nooit een finale optie. De huisje-vrouwtje-kindje-tuintje-beestje-centjes-mentaliteit zit niet in mijn genen. Ik verkoos mijn intellectuele hartstocht boven verliefdheden. Nog steeds denk ik nawat liefde met wie dan ook heeft betekend. Steeds spiegelde ik me aan de levensregels die Gilgamesj bijna vijfduizend jaar geleden als volgt verwoordde:
”Ik at wanneer ik honger had, stimuleerde mezelf tot het uiterste, zorgde dat ik voornaam gekleed was, en onderhield altijd een perfecte hygiëne. Ik was zacht voor de kinderen die mijn hand vasthielden en probeerde de vrouwen gelukkig te maken die met mij wilden slapen.”
Maar ik maakte een grote fout met mijn exotisch avontuur. Gedurende een drietal jaren volgde ik mijn naïef idealisme en dacht ik een stukje van de wereld te kunnen veranderen. Toewijding aan medische noden van anderen is veel te lang mijn enig criterium geweest. Ik zette me in voor zware zieken en gewonden, en ving slachtoffers op van extreem geweld. Ik gaf echter snel op te geloven dat goeddoen rendeert en werd onverschillig voorhet beest in de mens. Sluwheid was nodig om te overleven in de gruwelijkste omstandigheden, om te kunnenkiezen tussen ik of hen. Ik weet niet meer wie volgend citaat schreef, maar:
”Glamoureuze liefdadigheid in verre landen moet door de lokale overheden beoefend worden, zo niet lopen deze overheden weg met de liefdadigheid van genereuze mensen.”
Fundamentele research via autoptische analyse van menselijke wervelkolommen liet me toe de tip van de sluier te lichten over hetMysterie Lage Rugpijn. Dit onderzoek nam het grootste deel in van mijn leven. Ik ben ervan overtuigd dat de nu nog experimentele, innovatieve biologische behandelingsprocedure kan slagen.
Gedurende vele jaren mocht ik getuige zijn van de emoties van sportlui met Europese, Wereld- en Olympische medailles in het fenomenale Belgische judoteam.
Op mijn hoge leeftijd van 70 jaar kijk ik tevreden terug en vind ik me volledig terug in de lyrics van deLogical SongdoorRoger Hodgson. Ik parafraseer:
”… at school they teached me how to be sensible, logical, responsible, practical. Since years, they have been calling me a radical, a liberal, oh fanatical, and criminal.”
Nu is mijn leven voltooid. Ik heb me professioneel niet bedrogen en vond vreugde en genot in de realisatie van al mijn adolescente dromen. Ik heb geen openstaande herinneringen aan onvervulde wensen.
Guy Declerck (2022)
Papa!
De continue verschillende uitdagingen in Uw leven,
zowel de positieve als negatieve,
bleven Uw levensgeest in alle opzichten voortstuwen.
U ontwikkelde, o zo verschillend van anderen,
een originele intelligentie,
een opmerkelijk, maar zeer selectief observatievermogen,
een fantastische analytische geest
en buitengewone zin voor synthese,
een ijzersterk rationeel geheugen,
uitzonderlijke wetenschappelijke spinale kennis
en gouden vingers.
U bleef al het stupide, artificiële
en pseudo-intellectuele minachten.
U gruwelde van de gemakzuchtige sms- en
e-mailculturen.
U gruwelde van iedereen die voor U geen
gemeende interesse uitstraalde.
Het kuddedenken was niet aan U besteed.
Nooit konden vreemde scharen Uw behoeften
en voorkeuren kortwieken.
U ontwikkelde een nietsontziende onverschilligheid
tegen diegenen die ervan genoten
U te beledigen en U te vernederen. Hun gratuite opmerkingen behoefden zelfs geen reactie.
U had hun bekendheid niet nodig. Scoren op hun sociale ladder kon U worst wezen.
Initieel dacht U Uw levensvervulling
te vinden in de liefde.
Nochtans was U thuis uitgelegd hoe het kon eindigen
in een vroegtijdige gevangenschap.
Maar Uw intellectuele passie ondermijnde nooit
Uw seksuele lusten.
Veel tijdelijk geïnteresseerde dames boden
U een intens libertijns genot.
Jullie bedreven hoofdzonden, maar het heeft geen
enkel belang dat U hun naam vergeten bent.
Stilzwijgend ontdekte U hun onnodig sérieux,
leugens, en hypocrisie.
Gelukkig vond iedereen zichzelf veel belangrijker.
Van jongs af aan werden al Uw verzuchtingen
met argusogen gadegeslagen.
Nooit gaf U Uw koppigheid op en niemand
kon Uw levensambities kelderen.
Met telkens dat klein beetje meer inspanning,
maakte U het verschil tussen goed en uitstekend.
U vond Uw evenwicht in Uw onderzoek naar feiten,
Uw heelkundige ingrepen en Uw daden.
U wilde excelleren. Voor Uzelf had U weinig tijd.
U had dus succes!
Al Uw ervaringen bleven Uw leven continu
herformuleren.
Maar te veel kennis bleek gevaarlijk.
En Uw wereld draaide niet om materieel bezit.
U stond vooral stil bij het verlies van dingen die
U niet met geld kon verdienen.
Daarom heeft men U zelden begrepen. Daarom kon men
U zelden begrijpen.
Of beter, daarom wilde niemand U begrijpen.
Toch werd in U de intellectuele revolutionair herkend.
U hield van rebelleren maar met passie.
Omwille van Uw kritische opvattingen,
hield men er ook van U te bekritiseren.
En toch bleef men U ontbieden omwille van
Uw unieke opgestapelde kennis.
Toch schonk uw leven U te veel pijn, te veel
ontgoochelingen en te veel wantrouwen.
In den vreemde worden uw realisaties reeds gelezen.
In eigen land blijft iedereen altijd sant.
In hypnotische trance liet U destijdse,
intense momenten uit Uw geheugen wissen.
Nieuwe, korte belevenissen zonder
toekomstperspectief hadden evenmin nog vat op U.
Af en toe ontdekte iemand Uw diep verscholen,
warme hart.
De geborgenheid in een warm thuis,
zoals bij Uw mama, werd U aangeboden.
Maar U verdiende zoveel meer,
was U ook veel milder geweest voor Uzelf.
{1952} – Levenslessen doordat ik mijn vader niet gekend heb
Mijn vader was de laatste in een rij van negen en had zes zussen. Zeven loeders als moeders en dus bedorven als een stront. Hij kon noch lezen noch schrijven, maar hoopte op een leidinggevende functie om snel veel geld te verdienen. Zijn handtekening bestond uit een simpele x. Zijn grootheidswaanzin en mannelijke fierheid-in-de-broek waren voor veel vrouwen veelbelovende eigenschappen. Als vliegen naar een stront waren ze begerig naar zijn gespierde lichaam. Eén voor één waren ze van oordeel dat de atletische Dionysus hén toebehoorde. Met volle teugen genoten de muzen van zijn satermanieren tot ze doorhadden dat zijn hersenen minder gespierd waren. Toen ik tijdens mijn rebelse adolescentiejaren iets vroeg over dat ventje-dat-mijn-vader-was, verklapte mijn mama:”Je vader had een prachtig glanzend lichaam, maar zijn kop zat vol zand en cement.”
”Vergelijk me nooit met die klootzak!” barstte ik telkens in woede uit.
”Kalmeer, jongen,” stelde ze me steeds gerust. ”Jouw meisjes zullen eerst je brein moeten veroveren vooraleer ze bij jou een kans zullen maken.”
Hoe mijn mama dit kon voorspellen wist ik niet. Nooit was ze naar Griekenland gereisd om bij de orakelende hoofdpriesteres Pythia in Delphi advies te vragen over de toekomstige levensloop van haar zoon. Haar moederinstinct fluisterde haar echter in dat haar Dionysus-junior zelden compatibele heldinnen zou ontmoeten. Ze was er zelfs van overtuigd dat ik me ooit in één of ander religieus instituut zou afzonderen. Maar ze vervolgde:
”Je vader had ook capaciteiten. Hij kon lopen, fietsen, boksen, voetballen en zwemmen. In een café was hij niet te kloppen in het zuipen en verkondigen van zijn waarheden! Had hij met dezelfde intensiteit een intieme vriendschap met mij opgebouwd, dan hadden we voor jou ook iets moois kunnen opbouwen. Zijn handen waren groot en sterk genoeg. Maar in ’t leven is nu eenmaal veel meer nodig dan sensationele spierkracht en drankzucht!”
Het duurde vele jaren vooraleer ik de ware betekenis van mama’s wijsheid aan den lijve kon ervaren. Met veel vrouwen voelde ik hooguit een vorm van camaraderie. Ze poogden krampachtig als een diamant uit te blinken, maar waren in een bedwelmende alcoholroes slechts in staat tijdelijk als liefdesparel te schitteren. De camaraderie was doorgaans zeer broos en uit hun aangeboden liefde kon ik slechts halen wat ze toelieten er zelf in te investeren. Het bleef gevaarlijk hen persoonlijke geheimen toe te vertrouwen. Om toch na te gaan of ik hen iets zeer persoonlijks kon vertellen, verkocht ik eerst een leugen. Slechts na verloop van tijd, toen bleek dat ze dat geheim konden bewaren, begon ik hen te vertrouwen. Het bleef dus levensnoodzakelijk de kunst aan te leren slechts die liefdesladders te beklimmen die meer treden aan de achter- dan aan de voorzijde bevatten. Het behoedde me er meestal voor om zonder kleerscheuren de trappen af te dalen. Ik leerde ook vrij snel inzien wat de Russische schrijver en artsAnton Tsjechov(1860-1904) aan mannen duidelijk had willen maken:
”Het geluk een vrouw als hechte vriendin te mogen kennen en haar langere tijd als oprechte geliefde te behouden, blijft voor iedere man een van zijn grootste levensuitdagingen.”
Mama moet met stomheid zijn geslagen toen ze als 27-jarige moeder-met-Dionysus-junior definitief door mijn vader werd verlaten. Mijn marraine, een brouwersvrouw met een nuchtere kijk op de wereld, had haar nochtans gewaarschuwd. Toch had de lichamelijke uitstraling van Adonis het hoofd van de eigengereide en zeer vrouwelijke rijkemansdochter op hol doen slaan.
”Meisje, meisje toch! Zie je zijn gebreken niet? Dommer kan niet! Hoe kan je nu als begaafde pianiste in godsnaam een leven beginnen met een ongeletterde? En denk je nu echt dat hij zijn vroegere vriendin voor jou zal verlaten? Wees toch alert, want de duivel slaapt nooit.”
Stiekem bleef mijn vader een hechte relatie onderhouden met zijn jeugdvriendin. Zijn ouders weerhielden hem ervan haar te huwen wegens haar lage sociale status, maar lieten ook niet na zijn professionele illusie aan te wakkeren. Zoals het zichzelf overschattende families eigen is, bleef zijn moeder aandringen op een huwelijk met de brouwersdochter. Zo hoopte ze op een makkelijke manier de pronkzuchtige toekomst van haar ongeletterde zoon te kunnen regelen. Maar marraine was gewiekster en sluwer. Ze doorzag de financiële machinaties. De pogingen om ook de brouwerij contractueel op beide namen van het toekomstige huwelijkspaar te registreren, mislukten. Jammer genoeg bleek haar hogere intelligentie niet in staat de machinatie van de Natuur te verijdelen.
Mijn grootouders hadden de Eerste Wereldoorlog overleefd en waren erin geslaagd een bloeiende brouwerszaak uit de grond te stampen. Door hard werken en vroeg opstaan, maar veel meer nog door het geslepen optreden van marraine, konden ze gedurende de Tweede Wereldoorlog aanden Duitsduizenden liters bier verkopen, weliswaar onder de verplichting van de bajonet. De Duitse bankbiljetten werden verborgen in biertonnen met dubbele bodem en naar Engeland verscheept. Na de oorlog werden ze welgesteld. Menig Duitse soldaat kwam nog eens terug om in een melancholische bui dealcoholische pis-van-die-tijdte degusteren.
Met toch wat financiële middelen van hun ouders, werden de jonggehuwden uiteindelijk gelanceerd in een soort shoppingcenter avant-la-lettre. Op een plezierreisje naar de USA hadden ze gemerkt dat behoeften en koopgedrag konden gestimuleerd worden door mensen doorheen een galerij van gangen te jagen waar een verscheidenheid aan koopwaren ten toon werd gespreid. Het onmiddellijke succes smaakte zoet. Te zoet! Mijn mama en een inderhaast aangenomen kantoorbediende werden overrompeld door een toenemende papierberg. Mama werkte dag en nacht en vond geen tijd meer om zich verder te vervolmaken in het pianospel. Mijn vader had geen kaas gegeten van discipline en administratie, en uit zijn schoolresultaten bleek dat hij vooral had uitgemunt in onlogisch denken. In het begin schepte hij vooral plezier in het aanwenden van zijn zwierige spierkracht tijdens het laden en lossen van vrachtwagens. Maar al snel vond hij dit werk te min en werd hovaardig. Door de snel toenemende rijkdom begonnen zijn hersencellen tureluurs te draaien en kreeg hij snobistische allures. Maar op zijn komaf kon hij geen beroep doen om tot elitekringen door te dringen. Hoe dan ook, ondanks zijn beperkte intellectuele vermogens schopte hij het toch tot voorzitter van een lokaal voetbalploegje. De nieuwe ‘God-in-Frankrijk’ liet zich aldaar omringen door lokale deernen die niet aarzelden zijn geld erdoor te jagen. Alleen een dwaas volhardt in zijn stommiteiten. De afgrond was niet veraf.
Mijn mama besloot haar toekomstige deugniet alleen op te voeden, te kneden en er een gerespecteerd man van te maken. Soms springen me de tranen in de ogen wanneer ik terugdenk aan die jeugdjaren. Maar ze hebben me gehard! Ik leerde bijzonder weinig tijd, geld en energie te spenderen aan hen met wie ik niet op dezelfde golven kon deinen. Hun gedrag was me geen mentale marteling waard en nooit is iemand erin geslaagd mij tegen mezelf in het harnas te jagen. Ik ervaarde zelfs geen plezier door hen definitief mijn rug toe te draaien. Maar wie dacht me toch nog te moeten krenken, botste op weerwraak en de daaropvolgende muur van onverschilligheid.
1952 – Oorsprong van mijn genen
De bouwblokken van het genetisch materiaal ontstonden ongeveer vier miljard jaar geleden. Onder extreme hoge druk, temperaturen tot 4200 °C en een cascade van UV- en XR-golven, bombardeerden meteorieten gedurende 150 miljoen jaar de atomen koolstof, waterstof, stikstof en zuurstof in de meest eenvoudige molecule (carbonzuuramide of CH3NO). Hierdoor ontstonden de essentiële bouwstenen die ook mijn DNA codeerden. Toch is er iets verkeerd gegaan. Mijn brein kan zich niet aanpassen aan de ‘modus vivendi’ van de meeste aardbewoners rondom mij. Mijn geluk zoek ik veeleer in de hoge concentratie connecties tussen mijn triljard (1018) hersencellen dan in brood en spelen. Toch was ik nieuwsgierig van wie ik afstamde. Ik wilde weten wie van de zeven dochters van betovergroottante Eva of Lilith uiteindelijk verantwoordelijk was voor mijn dierbaarste kundigheden. Analyse van mijn DNA in de energieproducerende organellen (mitochondriën) uit cellen van mijn neussnot verduidelijkte dat ik mijn genetisch oermateriaal geërfd had van een homo sapiens die menharde tante Ursulanoemde. Naar ’t schijnt was Ursula een fantastisch aantrekkelijke vrouw, mentaal sterk en onvermurwbaar, maar ze bezat ook sterke armen en benen. Ze onderscheidde zich van haar zussen Helena, Jasmin, Katrien, Tara, Velda en Xenia door vriendschap hoger te schatten dan liefde.
Ursula kon lange tijd overleven omdat ze zich geen enkele partner wilde herinneren. Nochtans was haar onderbuik gulzig en werd ze razend als hij niet werd gevoed. Ursula wist dus dat ze in open veld zowel een verkoudheid als verliefdheid kon oplopen, maar kon niet verdragen dat een Neanderthaler-met-de-pet haar onder haar rieten rokje wilde grijpen. Veel verstokte aanbidders wilden niet haar hart maar slechts haar lichaam bezitten. Maar wie haar, in zijn verlangen naar zalige consumptie van haar gespierd gestel slechts banale liefkozingen kon aanbieden, werd zonder veel omhaal een kopje kleiner gemaakt. Zelfs een slang werd met een knuppel de schedel ingeslagen. Toch slaagde ze erin haar erotische driften te bevredigen toen ze onder een betoverende olijfboom eindelijk een hartverwarmende Adam met een appel wist te strikken. Hij mocht voor altijd zijn pijlen op haar roos blijven richten om zo het sleutelgat tot haar liefdesparadijs te ontsluiten. Het Ursuliaans karaktertje kon intens genieten en liet haar Adam toe ongestoord van haar aanlokkelijke vruchten te proeven. De zonden van haar genen werden via haar welriekend pruimensap doorgegeven. Had zeDiane Dufresne(1944-) kunnen ontmoeten, dan neuriede ze:
”Aujourd’hui, j’ai rencontré l’homme de ma vie.”
Ursula was een stilzwijgende leidster. Eéntje met ballen en niet alleen vanboven! Bijna al haar afstammelingen beschikten over een geniaal overlevingsmechanisme. Velen werden uiteindelijk in hun ambities beloond, maar hebben daarvoor een grote prijs betaald. Tot haar nakomelingen behoorden wereldveroveraars zoals Alexander de Grote en Genghis Khan. Recent vond men bij de nazaten van de Hertog van Alva eveneens sporen van Ursula’s mitochondriaal DNA.
Men kan het standbeeld van mijn betovergrootvader Alexander de Grote (356-323 v.Chr.) bewonderen in Skopje in Macedonië. Hij was een intelligent man, filosoof, fysiek sterk maar vooral sluw. Toch heeft men zich in Alexander vergist toen men na de dood van zijn vader dacht van hem een slaaf te moeten maken. Alsfascinerende maar bloeddorstige wereldheerservermoordde hij zonder enig medelijden al zijn erfgenamen en tegenstanders. In mijn bloed circuleert ook nog steeds een drang om korte metten te maken met pretendenten die menen mij te moeten ridiculiseren. Regelmatig overmand door wijn liet Alexander graag van zijn lichaam genieten tijdens extatische, gemengde orgieën ter ere van de Griekse God Dionysos. Maar hij viel eerder op mannen en had daardoor minder kopzorgen. Diegenen die er niet in slaagden hem de nodige erecties te bezorgen, werden simpelweg onthoofd. Men wist toen reeds dat een mond niet alleen dient om te eten en te spreken. Toch liet Alexander zich ringeloren door enkele opdringerige aanbidsters. Deze keiharde man heeft weinig geleden toen pijlen zijn linker long en hart doorboorden. Hij nam zijn gehele erfenis mee in zijn graf. Zijn nakomelingen konden de pot op. Eentje kon vluchten en bleef hangen in het Spaanse León.
Niet ver van Ulan Bator in Mongolië staat het standbeeld van een andere betovergrootvader. Genghis Khan (ca. 1158-1227) werd verbannen nadat zijn vader vermoord werd. Na een moeilijke jeugd revancheerdede Gengzich alsmeedogenloze wereldleider. De gouverneurs die hem hadden verbannen, vermoordde hij op een weinig verhullende manier. Hij goot hoogstpersoonlijk heet gesmolten zilver in hun ogen en oren. Hun verzilverde schedels werden teruggevonden. Eentje blinkt nog steeds in mijn bibliotheekkast. Genghis bouwde een groot Oosters rijk uit. Hij vrijde met honderden vrouwen en zijn bijdrage aan de geschiedenis beperkt zich dus niet tot een paar druppels zaad. Maar ook hij werd geringeloord. Hij bloedde dood nadat één van zijn vele jaloerse prinsessen hem castreerde. Ik heb het niet zien gebeuren, maar naar ’t schijnt was het een soort guillotinewonde. De scherpte van de gevonden gouden dolk diende als voorbeeld voor mijn vele chirurgische en andere snijmaterialen. In mijn kast-vol-memories staat zo’n dolk naast de foto van betovergroottante Ursula. Ook voor Gengs vele kleinzonen bleef er na de verdeling van zijn rijk niets meer over. Eentje kon nog vluchten naar Castilië in Spanje.
Op koopvaardijschepen trokken nakomelingen van Alexander en Genghis op avontuur naar Léon en Castilië. Zo ontstond in Spanje één van de oudste adellijke koopmansfamilies. Fernando van Alva (1507-1582) werd door zijn grootvader opgevoed. Ook voor die betovergrootvader richtte men een standbeeld op. Men kan het in Antwerpen bewonderen. Op het einde van de middeleeuwen behoorde Fernando tot de zichzelf respecterende adel, vocht graag, werd militair en later generaal. Hij was eveneens genadeloos wreed. Fernando deed een paus zwijgen en hield grote kuis in de Nederlanden. Omdat het allemaal ietwat te gortig verliep, had deijzeren hertoggeen andere keuze dan zijn ontslag aan te bieden bij zijn koning, Filips II. Op de terugweg naar Spanje hield hij nog wel even halt in Veurne. In ‘t Spaans Paviljoen op de hoek van de markt genoot hij van een paar liefdesvluggertjes met lekkere Vlaamse deernen. Mijn marraine heeft steeds beweerd dat zij een deel van Fernando’s genen aan mij heeft doorgegeven. Analyse van mijn kern-DNA uit mijn neussnot heeft dit bevestigd.
De oeroude genen van Ursula bleven me leiden. Via de evolutionaire erfenis stuurden haar oude drijfveren ook mijn gedrag. Ik ben fier dat al mijn kundighedenvrij zijn gebleven van elk gevoel van minderwaardigheid. Zoals mijn betovergrootouders bezat ik evenmin veel lovenswaardige sociale vaardigheden. Maar dit gebrek werd ruimschoots gecompenseerd door andere aangename overgeërfde competenties. Ze lieten me toe mijn vooropgestelde doelen op mijn eigen persoonlijke wijze te bereiken: sportief, cultureel, intellectueel, privé, maar vooral professioneel.
1956 – In de kleuterklas met zusters Stanislas en Marinée
Het moet 1956 geweest zijn. Mijn moeder vertelde me dat ik me aanvankelijk voorbeeldig gedroeg toen ze mij na een tocht doorheen een lange donkere gang vol kruisen, metershoge Jezus- en andere heiligenbeelden afleverde aan twee oude, zwartgeklede nonnen met de verontrustende namen Stanislas en Marinée. Voordien, ter gelegenheid van een bezoek aan zijn eveneens in ’t zwart geklede zus Marinée in Nancy, had mijn grootvader ooit uitgelegd dat er lang geleden uit het verre Polen een koning naar die stad was gekomen om er een marktplein aan te leggen. Van diens standbeeld herinner ik me nog steeds het schrikaanjagend aangezicht. Die koning heette ook Stanislaus. De lange, donkere schoolgang deed me denken aan het verhaal van de arme Hans uit de sprookjes van Grimm. Zou mij hetzelfde overkomen? Zouden ze me ook opsluiten? Hoe sympathiek ze ook leken, Stanislas en Marinée boezemden me weinig vertrouwen in.
Mijn fiere moeder had haar vierjarige kleuter uitgedost in een kort blauw broekje met groen jasje, een geruit rood hemdje en een geel petje. Het wandelende kleurrijke pakje contrasteerde sterk met de inhoud van de kille, donkere gang. Ik vermoed dat dit een van de vele moederlijke trucs was om ervoor te zorgen dat haar roezemoezig zoontje niet uit het oog verloren zou worden.
Het schooltje bevond zich naast de markt. Men had destijds blijkbaar lang moeten zoeken naar een naam. Na woelige politieke discussies op en rond ’t gemeentehuis slaagde mijn grootvader, die politiek actief was, erin de naam ‘Marktschooltje’ ingang te laten vinden. Alhoewel het hem veel moeite had gekost, kreeg hij het uiteindelijk ook geregeld dat de zandbak voorzien werd van voldoende zand en dat de drie bomen op de speelplaats jaarlijks gesnoeid werden. Hij wilde voorkomen dat kinderen pogingen ondernamen erin te klimmen. Mij is het nooit gelukt. Maar de boom waar ik ondanks alle verbod toch af en toe tegen plaste, staat er nog. Misschien onder invloed van het gezigzag van mijn plasbeurten is het een stevige boom geworden die in zijn ontwikkeling een eigenaardige S-vorm heeft aangenomen.
Mijn grootvader vertelde me ooit dat het hem water, zweet en bloed had gekost het ‘Marktschooltje’ na de Tweede Wereldoorlog voor iedereen toegankelijk te maken. Hij had een gruwelijke afkeer van politiek gekonkel dat slechts tot doel had uit futiliteiten munt te slaan. Hij was de mening toegedaan dat een school neutraal diende te zijn, maar het ‘Marktschooltje’ bleef uitsluitend toegankelijk voor kinderen van christelijke afkomst. Zijn politieke tegenstanders hebben hem zijn mening nooit vergeven en gunden hem de burgermeestersjerp niet. Men liet hem het ambt van eerste schepen, maar hij koos voor grotere macht in hoedanigheid van OCMW-voorzitter. Als welstellende brouwer kon hij iedereen helpen die bij hem kwam aankloppen. Uren heeft hij met mij gefilosofeerd over de ambigue houding van de doorsneemens.Voortdurend begon hij zijn monologen met:
”De wereld is een schouwtoneel waar de machtsrollen meestal slecht vertolkt worden. Mensen die op het eerste gezicht vriendelijk lijken, kunnen in een wip boosaardig worden. Velen zijn bezeten door de eigenaardige drang andermans dromen in de grond te boren. Zelf bezitten ze echter geen greintje intelligentie om ook maar iets te verwezenlijken. Daarom blijft het in de maatschappij zo moeilijk om voor iedereen goed te doen. Urenlang zit men rond de tafel te palaveren en het enige doel van zo’n praatbarak is elkaars capaciteiten te doorgronden. Het uitgangspunt is doodsimpel. Niemand mag beter scoren en niemand mag gezichtsverlies lijden. Blijven stilstaan en niet willen vooruitgaan is meestal het meest nagestreefde motief. Is er toch iemand die een uitzonderlijke prestatie leverde, dan wordt dit aanvankelijk op minachting of hoongelach onthaald.”
Als kind werd ik vrij vroeg geconfronteerd met meningsverschillen onder volwassenen. Met diepchristelijke overtuiging zei marraine dat het ‘Marktschooltje’ hoog aangeschreven stond.
”Niet overdrijven, hé,”repliceerde mijn grootvader met de zelfverzekerdheid van een niet-gelovige. Om een voor mij onduidelijke reden werd ik nooit weggestuurd wanneer het er tijdens discussies luidruchtig en theatraal aan toeging. Met opengesperde flaporen en heen en weer spiedende ogen luisterde ik mee naar de meest uiteenlopende en zelfs compleet tegenovergestelde opinies over alles en nog wat. Hoe groter het aantal aanwezige volwassenen, hoe luidruchtiger er geargumenteerd en gegesticuleerd werd om het eigen standpunt kracht bij te zetten. Al snel leerde ik dat je om op te vallen op een terrein waar je totaal onkundig bent, je vooral een grote mond moet opzetten en stroomopwaarts roeien. Toehoorders die even weinig of niks afweten van het besproken onderwerp zijn sowieso niet in staat afwijkende foutieve meningen te onderscheiden van de waarheid. En wie zijn stem verheft, valt nu eenmaal meer in de smaak dan diegene die de waarheid verkondigt. Of zoalsCicero, de briljantste advocaat uit de geschiedenis (106-43 v.Chr.), het zich in een ludiek ogenblik liet ontvallen:
”Je moet als advocaat alleen maar hard kunnen roepen en steeds maar hetzelfde herhalen. Luidroepers worden blindelings vertrouwd door diegenen die van een gebeuren niets afweten.”
In de kleuterklas vatte ik dus mijn langdurig studieleven aan. Ik had in de familie veel oude tantes die me graag over mijn bol aaiden. Hierin vond ik welbehagen, maar pogingen hiertoe vanwege Stanislas en Marinée probeerde ik terstond in de kiem te smoren. Wat mij bij die twee oude nonnen vooral intrigeerde, waren de uitgesproken bochels in hun sterk naar voren gekromde wervelkolommen. Mijn grootouders, groottantes en grootooms waren ook op leeftijd, maar liepen nog min of meer rechtop. Alleen in sprookjes hadden heksen kromme ruggen. Ik bleef dus twijfelen aan hun christelijke bedoelingen. Maar wat was de reden waarom ze niet in staat waren rechtop te zitten of te lopen? Hoe zag datgene op hun rug wat ze voortdurend met een zwart nonnenkleed bedekten, er eigenlijk uit? Stiekem hoopten mijn handjes die bochels ooit even te kunnen aanraken. Was het ook daarom dat hun witte kap nooit sierlijk en recht op hun hoofd stond? Tijdens hun activiteiten stonden die kappen inderdaad schots en scheef, waardoor hun voorhoofden onzichtbaar bleven. Maar religieuzen mogen hun voorhoofd niet laten zien. Eenmaal lid van een kloosterorde, moeten ze hun voorhoofd (net als tal van andere zones) voor eeuwig bedekt houden. Wilde ik daarover ooit meer te weten komen, dan moest ik eerst arts worden. Maar psychologen in de humaniora oordeelden dat dit voor mij te hoog gegrepen was.
Maandenlang deed ik bij iedereen navraag naar de reden van zo’n rugbochel onder die zwarte tenues. Het fascineerde mij, maar mijn nieuwsgierigheid was ongepast en werd meestal beloond met eenpatatrond mijn oren. Grote mensen kunnen het nu eenmaal niet hebben dat kinderen hen de oren van hun kop zagen om hun zin te krijgen. Toch hield ik vol, maar vanop een steeds grotere afstand. Het duurde dan ook nog een tijdje vooraleer me uiteindelijk werd uitgelegd dat een wervelkolom veel kalk kan verliezen. Ik vond dat eigenaardig. Kalk, wat was dat? Waar zat dat ergens in de wervelkolom? En hadden sommigen dan zoveel meer kalk? Later werd me in de biologielessen uitgelegd waarom je er goed aan doet veel melk te drinken, kaas te eten en dagelijks te bewegen. Maar hoe zo’n rugbochel zich uiteindelijk ontwikkelde, daarvan kreeg ik slechts dertig jaar later een afdoende verklaring. Autopsiestudies maakten me duidelijk dat die osteoporotische bochel te wijten is aan het inzakken van enkele wervellichamen. Nog later werd dit ‘inzakken’ verklaard door het afbrokkelen van de (collagene) eiwitten in het beenweefsel waardoor het kalk niet langer opgestapeld of vastgehouden kon worden. De wervel valt in duigen.
Toch liet ik mij af en toe door de oude Stanislas overdonderen. De kleuterklas was het kader waar ik, weliswaar ongevraagd, mijn eerste ervaringen opdeed met een subliem soort damesgedrag. Als kleuter was ik vaak verplicht een aantal doodsimpele, maar voor mij nog onmogelijke taken uit te voeren, zodat ik noodgedwongen de assistentie van een volwassene moest inroepen. Ondanks het groeiende respect voor mijn eigen zaken, duurde het steeds een poosje vooraleer ik in staat was mijn blauwe jasje op het juiste nummer aan de kapstok op te hangen. Ik was te klein en de haak hing te hoog. Zuster Marinée kon me niet helpen, want haar rug was te krom en te stijf. De wervelkolom van zuster Stanislas die mijn hoofd ook intenser aaide, was iets flexibeler. Tijdens het ophangen van het jasje aan de juiste haak duwde ze regelmatig mijn neus tussen de voorzijde van haar linker bil en een middenzone waarvan ik de betekenis nog niet kende. De warme zijden stof van haar zwarte schort gaf me een zalig gevoel in de oren. Maar haar muffige geuren moeten mijn aversie aangewakkerd hebben voor vrouwen die zich verpakken tot zonderlinge mummies.
Toch ben ik ooit kortstondig verliefd geweest op twee jongere nonnen en op een hemelsmooie kleuterleidster. Ook zij deed rare dingen voor haar uiterlijk, maar droeg steeds bijzonder opwindende, welriekende en uitdagende lingerie. Haar sublieme pogingen mij tijdelijk te veroveren, kon ik niet weerstaan. Keer op keer moest ik ervaren hoe het routinespel van de Natuur mijn ratio kon vermurwen. Ik mocht een tijdje haar speelkameraadje blijven.
1957 – Mijn grootvader had een unieke persoonlijkheid
Mijn grootvader-brouwer Marcel bekommerde zich altijd om mij. Hij was enorm belezen en had een veelzijdige kennis. Ik waardeerde en respecteerde hem enorm. Zijn wijze doordenkertjes bevorderden de volle bloei van mijn latente genen. Toen ik de leeftijd bereikt had waarop een jongmens begint te revolteren, slaagde hij erin me zover te krijgen dat ik mijn energie niet louter concentreerde op banaal amusement, maar veeleer op de voorbereiding van mijn toekomst:
”Wees Aristoteles (380-322 v.Chr.) indachtig wanneer je in je leven iets hoogstaands wil bereiken. Probeer dan zo veel mogelijk te plannen en je aan die planning vast te houden, liever dan je tijd te verbeuzelen met goedkoop vertier en plezier in bijzijn van opdringerige kameraadjes. Als ze je toch meer dan normale aandacht willen schenken, is de kans groot dat ze je slechts zoeken om je te dwarsbomen.”
Lange tijd bleef ik een betweter en volgde ik zijn raadgevingen niet altijd op. Ik wilde te veel en tot eigen scha en schande heb ik veel tijd verloren. Te laat las ik datVoltaire(1694-1778) ooit aanhaalde dat voor velen:
”het overbodige uiterst noodzakelijk blijkt.”
Maar ik heb wel veel miserie vermeden door oppervlakkigheden en hersenloos plezier naast me neer te leggen. Ik had trouwens ooit maar een paar hechte vrienden. Anderen mochten hun armen in de lucht blijven steken om daar een andere vogel te pakken. Toch verveelde ik me zelden, maar het klopt dat naarmate de jaren vorderden, de dagen dat iemand me wilde liefhebben steeds schaarser werden.
Mijn grootvader genoot ervan sprookjes te vertellen. Urenlang kon ik aandachtig naar hem luisteren. Sprookjes, leerde hij, verbergen slechts de zinnelijke genotsfantasieën van grote mensen. Ik vermoed dat hij me wilde hoeden voor zowel toekomstige prinsesjes als boze heksen en absoluut wilde vermijden dat ik een mislukte kloon van Casanova zou worden.
”Niet zoals je vader hé, vriend!” waarschuwde hij me honderden malen.
Hij kreeg binnenpretjes toen hij tijdens het vertellen op mijn gelaat een verwonderde en onderzoekende uitdrukking bemerkte. Ik kreeg kop noch staart aan die vreemde gebeurtenissen met wonderbare afloop. Wellicht concludeerde hij hieruit dat ik niet al te veel geloof hechtte aan die brave verzinsels:
”Vergeet het maar dat alles perfect verloopt in het leven! De veiligste attitude is de schijn hoog te houden dat je een prins op het witte paard bent. Verkoop dus nooit zomaar je ziel wanneer je je uitleeft!”
Dat sprookje waar zeven kleine knapen zich ontfermen over een zogezegd weggelopen, mooi lief meisje vond ik maar niets. Met zeven tegelijk in hetzelfde bed duiken, lijkt mij iets te veel van het goede. Indien dat sneeuwwitte meisje zo’n aantrekkelijk ding was, dan had ik zeker de andere kabouters de loef afgestoken. Maar iedere man laat zich wel eens verleiden door allumeuses. Gelukkig vormen ze niet het minste gevaar want ze zijn helemaal niet geïnteresseerd in echte liefde.
En dan dat sprookje van een opgedirkte prins-op-het-paard-met-vleugels die een poetsmeisje-met-slechts-één-schoen rond zijn vinger kon draaien. Flauwerik! Ik heb veel verwende mannetjes-op-jacht gekend die slechts met de macht van hun geld een meisje konden veroveren. Als ik meisje was, zou geen cel onder mijn hersenpan eraan denken me door zo iemand te laten verleiden. Maar velen koesteren de illusie dat materiële welstand hen het ultieme geluk zal brengen. Anderen zijn ervan overtuigd dat het gezinsleven louter een kwestie is van wiskunde en financies. Voor die vakken toonde ik weinig interesse en dus ben ik nooit geslaagd in mijn familiale examens.
Tijdens zijn humaniora had mijn grootvader Latijn, Grieks, Frans, Engels en Duits geleerd. In zijn laatste schooljaar – hij was toen zeventien – werd hij verplicht zich tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18)voor vorst en vaderland in de vuurlijn te laten slachtofferen. Hij vertelde me dat hij vier jaar lang alle notie van tijd verloren had:
”Emoties en gevoelens waren niet in staat mijn hersenen aan te tasten, zelfs niet tijdelijk. Mijn ratio bleef steeds intact en zo heb ik het gehaald. Mijn vriend Louis was te nieuwsgierig, stak in de trancheeën onnodig eens zijn hoofd uit en kreeg een kogel door de schedel. Hij had ook een veel te hoog EQ!”
Ook zijn uitgebreide talenkennis en culturele achtergrond hebben hem geholpen. Door bemiddeling van zijn vader-burgermeester in Sint-Rijkers bij Veurne werd hij uitverkoren om in het Franse Honfleur af en toe als foerier te fungeren voor het Belgisch koninklijke hof. Als beloning werd hij na de Eerste Wereldoorlog benoemd tot lokale voorzitter van de Nationale Strijdersbond en gedecoreerd met alle soorten eretekens. Ondanks het gewicht van al die onderscheidingen in goud, zilver en brons bleef hij pal rechtop staan in zijn speciaal daartoe ontworpen zwarte regenjas. Als eerbetoon voor zijn overleden kompanen trotseerde hij ieder jaar – en tot zijn negenstigste – op 11 november één uur lang regen, wind en koude. Hij ontwikkelde nooit een voorovergebogen houding.
”In de loopgraven kregen we schijterij en zongen we ‘est-ce que cela est de la ratatouille? De la tatfricouille? Non, c’est du pain caca, du pain caca’. Wat een verschil met wat de koning voorgeschoteld kreeg! We were only shit!”
Nog regelmatig denk ik na over zijn rationele verklaringwaarom oorlogen nodig zijn en mensenlevens moeten kosten:
”Een oorlog is een bewust opgevoerd misdaadspelletje om de politieke of religieuze overtuigingen van machthebbers te handhaven en zo de wanorde in de wereld te behouden. Het is een akelig spel om grond, geld, en ijdelheid. Ik heb twee wereldoorlogen meegemaakt. Telkens werd op onze emoties ingespeeld om een stuk land te verdedigen dat sowieso slechts een ongelukje was in de geschiedenis. De historie van de mens wordt aangestuurd door boosaardige driften die in machthebbers verborgen zitten. We waren slaven in een onverschillige sfeer van leugen en valsheid. De geschiedenisboeken staan er bol van. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat je ooit veel wreedheden onder ogen zult moeten zien!”
Hij noch ik konden toen vermoeden dat ik wél rechtstreeks tal van wreedheden zou zien en er zelfs voor een deel slachtoffer van zou worden.
Na de oorlog behaalde mijn grootvader het diploma van brouwer mede omdat hij over de talenten beschikte om vragen diplomatisch te beantwoorden met korte, krachtige en deskundige opmerkingen. Dankzij die welbespraaktheid werd hij politiek actief, maar was veel te braaf en te eerlijk om het tot burgermeester te schoppen. Hij had het moeilijk om de waarheid te verdoezelen. Hij vertegenwoordigde daarenboven alle kleuren van de regenboog. Nooit heb ik begrepen wat zijn diepste filosofische levensovertuiging was, voor zover hij die überhaupt bezat. Hij was zeker geen katholiek of socialist, maar mogelijk wel liberaal:
”Ik vergelijk politiekers met hoe de Oud-Griekse filosoof Plato (427-347 v.Chr.) het reeds 2000 jaar geleden in zijn allegorie omschreef,” zei hij. ”De meeste onder hen leven doorgaans in een grot waar ze ver van de realiteit hun fantasieën kunnen idealiseren. Anderen gaan verder, en zoals Thomas More (1478-1535) het in zijn Utopia portretteerde, hopen ze mensen een verschrikkelijk deugdzaam leven te laten leiden in een soort ideale samenleving.”
Toen ik later steeds meer de wereld rondreisde, werd het duidelijk dat dit alleen kon nagestreefd worden in Noord-Korea, Cuba en Rusland. Maar mijn grootvader was de mening toegedaan dat iedereen mocht bereiken wat hij wilde zolang hij er maar een inspanning voor leverde. Hij aanvaardde niet dat de maatschappij tot plicht had continu materieel in te staan voor hen die weigeren de nodige kennis en kunde op te doen om zo in eigen onderhoud te voorzien.
Omdat mijn grootvader in staat was de gedachten van tegenstanders als het ware te lezen en zelf opnieuw te verwoorden, was hij niet te kloppen in de discussie. Zijn oordelingsvermogen was scherp en adequaat. Zelden slaagde iemand erin iets in te brengen tegen zijn spijkerharde argumenten. Wie het toch probeerde, verzoop in zijn eigen redeneringen en maakte zichzelf onsterfelijk belachelijk. Het verheugt me dat ik ook deze genen erfde. Zijn overtuigingskracht en gevatte opmerkingen waren nochtans afhankelijk van de windrichting. Kwam de wind uit het westen, dan waren het vooral warme ludieke kanttekeningen die iedereen deden bulderen van het lachen. Was er uitsluitend zuidwestenwind, dan hield iedereen zich gedeisd bij zijn kritische commentaren. Waaide er een noorden- of noordoostenwind, dan had hij het overvadertje Stalin. Op zo’n momenten was hij niet te vertrouwen en wou hij iedereen aanpakken. Een zeldzame keer woei er een zuidoostenwind, en dan begon hij in Oud-Griekse trant te filosoferen, waarbij niemand hem nog kon volgen. Was het windstil, dan kon je een speld horen vallen en was iedereen een en al aandacht. Ik bewonderde zijn bravoure en zijn vaak te ingewikkelde argumentaties. Zijn charisma en vooral zijn uitdagende houding waren aanstekelijk. Ik bemerkte dikwijls hoe toehoorders, die niets van zijn orakels begrepen, geen andere keuze hadden dan ja te knikken. Hij creëerde een sfeer die tegelijk gezelligheid en verontwaardiging uitlokte. Van hem leerde ik de kunst slechts te spreken wanneer ik voldoende kennis bezat en zo te wachten om betweters monddood maken.
Tussen mijn grootouders werden oeverloze woordenwisselingen gevoerd over Kerk en alles wat daarmee te maken had. Nooit hoorde ik hierover een gelijklopende opinie.
”Altijd goed luisteren maar niet alles geloven wat ze je in de godsdienstlessen vertellen. Je zal gaandeweg ervaren dat ze ons veel blaasjes wijsmaken”, zei hij met geheven vinger. ”Godsdiensten zijn goedgeoliede machines. Sinds mensenheugenis weet men maar al te goed dat mensen in hun leven een houvast zoeken en geleid willen worden. De meesten zijn immers gewoontedieren. Mocht iedereen zomaar zijn eigen weg gaan, dan zou het leven niet leefbaar zijn. Zoals de meeste dieren, moet bijna iedere persoon in gemeenschap leven en zich aan de kuddementaliteit aanpassen. Wie er niet wil toe behoren, is, zoals een leeuw, een einzelgänger of gaat zich te buiten aan ongeregeld gedrag. Ik denk dat jij een einzelgänger wordt maar dan één van de intelligente soort.”
Ook hier kreeg hij gelijk. Nooit werd ik vrijwillig lid van een of andere organisatie. Werd ik er toch toe verplicht, dan maakte ik handig gebruik van hun eigen argumenten om mij van hen te ontdoen.
”Niet waar, Marcel!” repliceerde mijn grootmoeder streng. ”Je moet altijd doen wat de Kerk zegt en niet luisteren naar het tegenovergestelde. Slechts dan zullen de poorten van de Hemel zich voor je openen.”
Toen vergrootten mijn pupillen en staarden haar aan. Twijfel maakte zich van me meester omdat ik nog geen inzicht had in dit belangrijk maar ambivalent probleem. Inmiddels hebik het moeilijk met vanzelfsprekende, verklarende ideeënen leerde ik feiten te beschouwen zoals ze in werkelijkheid zijn en niet zoals men ze zich inbeeldt.
”Marraintje,” counterde mijn grootvader, ”jij zou beter wat vaker lezen en je oefenen in filosofisch denken. Wat staat ook weer geschreven in het oudste boek ter wereld? ’t Is bijna veertig eeuwen oud!” Hij citeerde enkele verzen:
”O Gilgamesj, het eeuwige leven dat je zoekt, zal je nooit vinden! Toen de Goden de mensen schiepen, hebben ze hen slechts de dood toebedeeld. De onsterfelijkheid hielden ze voor zichzelf.”
Het duurde wel even vooraleer hun uiteenlopende bedenkingen over de Hemel echt tot me doordrongen. Maar misschien heeftPeter Framptongelijk wanneer hij in zijn‘Show me the way’(1975) orakelt dat toch iemand de weg dient te tonen:
”Who can I believe in? There has to be a force. Who do I phone? The stars are out and shining. There has to be a fool to play this part. And all I really want to know. Oh, won’t you show me the way. I want you to show me the way.”
Ik was de enige die tot zijn sobere privékamer toegang kreeg. Hij zonderde er zich zeer regelmatig af om er rustig te kunnen lezen, nadenken, analyseren, concluderen en schrijven. De nieuwe uitvinding stond er ook, maar hij waakte er angstvallig over dat ik niet geïndoctrineerd raakte door de bewegende TV-beeldjes:
”Je bent nog te jong om te leren dat er in ieder mens ook een duivel verscholen zit!”
Maar als reactie op die stroom van negatieve beelden groeide in mij toch het naïef idealistisch verlangen me ooit professioneel in te zetten voor een harmonieuze, liefdevolle wereld waar iedereen zich zou thuisvoelen. Als jonge knaap droomde ik zelfs luidop van een wereld met een menselijk gelaat.
”Hier!”, daagde hij me uit, ”teken op een blad papier datgene waarvan je droomt! Niet denken, maar tekenen! Laat je maar gaan. Krabbel maar iets. Je zal zien dat je brein niet méér aankan dan datgene waarover je nadenkt. Snel ga je ondervinden dat je veel dingen niet aankunt! Hopelijk blijf je niet verder dromen!”
Slechts veel later heb ik begrepen welke intellectuele inspanningen mijn grootvader zich getroostte om mijn jonge ontluikende talenten, ambities en passies niet als ongeleide projectielen te pletter te laten storten in de tijdsgeest van de jaren 1960-1970. Hij leek te weten hoe hij mijn energie en kracht in bedwang kon houden om zo te vermijden dat ik ’s morgens de deur zou uitgaan om me telkens onder te dompelen in een wereld van vertier en plezier. Hij confronteerde me met mijn sterke punten maar nog veel meer met mijn zwakheden. Magistraal hoe hij ze kon bijstellen! Hij was er ook rotsvast van overtuigd dat om te slagen in het leven meer nodig is dan intelligentie, persoonlijkheid, vlijtig studeren en werken.
”Wat is er dan meer nodig?” vroeg ik.
”Karakter, manneke! Karakter! Altijd maar willen en er vooral voor zorgen dat je niet teveel kameraden hebt, wel een paar hechte vrienden. Beter eerst een kop vol kennis dan een volle zak en veel geld. Weet dat meisjes graag veel aandacht krijgen. Maar wees gerust. Wanhoop nooit om die ene die je zal verliezen. De visvijver is ongelooflijk uitgestrekt! Macht en respect krijg je niet door het aantal meisjes dat je zal veroveren! Macht krijg je door je verzamelde kennis. Maar van kennis heeft men schrik en kennis kweekt vijanden. Je veroverde kennis zal je helpen bij het maken van keuzes!”
”En als ik er niet in slaag?” bleef ik aandringen na deze onthutsende woordenvloed.
”Dan word je maar filosoof zoals Socrates (469-399 v.Chr.)!”
”Wie is dat nu weer?”
”De Griekse filosoof vereerde de ‘Goden’ en werd gedwongen de gifbeker te drinken.”
”Toch niet omwille van ‘Godinnetjes’?”
”Let maar op dat ook jij geen langzame dood moet sterven”, glimlachten zijn doordringende ogen.
1957 – Mijn marraine
Op de marmeren schouw boven de open haard stond een fotootje van haar broertje Gilbert. Hij stierf in 1909 op 11-jarige leeftijd. Uren heb ik dat fotootje bestudeerd. Het straalde eenvoud uit. Gilbert droeg een opgesjorde broek en een zwart vestje. Zijn hoofd werd bedekt met een scheefstaand petje. Ook zijn rug stond krom. Hij stierf aan tuberculose. Om verlost te worden van mijn niet-aflatend gezaag verklaarde men dat Gilberts longen en rug aangetast waren door een beestje, bacterie genaamd. Een geleerde meneer had dat beestje ontdekt onder zijn microscoop.
”Men wist in ‘t begin van de 20ste eeuw nog niet wat aan te vangen met de Koch-ziekte behalve het advies veel verse lucht naar binnen te happen,” lichtte marraine mij toe.
”Hoe kan een kromme rug nu rechtkomen door lucht te happen?” vroeg ik verwonderd.
”Ze wisten toen nog niets,” weende ze ”maar ik heb vernomen dat men nu in Hongkong een kromme rug kan rechtkappen.”
”Ben je daar zeker van, marraine?”, vroeg ik vol verwonderd enthousiasme.
”Waarom? Wil je dat ook kunnen misschien?” vroeg ze me onderzoekend.
”En waarom niet? Als ik dat zou kunnen, zou niemand nog naar Hongkong moeten en moet niemand nog al die zeelucht happen!”
Tot mijn grote verwondering lag Hongkong nogal ver van waar ik woonde. Terwijl marraine verbaasd mijn vastberaden gelaatsuitdrukking bestudeerde, vond ze toch dat bidden voor haar overleden broertje de enige manier was om zijn zielenzaligheid te garanderen. Daarenboven vond ze de illusie van haar kleinzoon maar niets! In haar analyses vergiste ze zich zelden, maar nu sloeg ze de bal toch mis. Vertrouwen geven aan opkomend talent, is bij volwassenen een zeldzame eigenschap. Niemand kon op dat moment bevroeden dat ik mijn jeugdige ambities effectief zou realiseren al zou het ten koste zijn van uiterst zware en pijnlijke inspanningen. Marraine besefte toen nog niet dathet werkwoord opgeven niet in mijn woordenboek stond.
Marraine hield van heiligen. Op bijna elke vensterbank stond een gipsafdruk van één of andere bekende gecanoniseerde. Ze sloeg vaak kruistekens en prevelde om de haverklap een gebed. Terwijl ze dagelijks de paternosterbolletjes tussen haar vingers liet glijden, kon ze haar hoofd in zo’n pose kronkelen dat ze warempel als twee druppels water leek op het grootste beeld in haar bezit, de Heilige Maagd Maria. Ondanks haar voornaam Mariette, die ze regelmatig en wellicht met opzet in Maria veranderde, was marraine allesbehalve een heilige, maar wel een nietsontziende en staalharde businessvrouw. Ze was te gierig om in de Kerk vóór de hoogmis ook maar één kaarsje aan te steken. Nochtans was ze een devote kerkgangster. Ze vertoonde trekken van Moeder Theresa van Calcutta, die ook bekroond werd met een heiligentitel ondanks haar status van miljardair die ze via duistere mysterieuze wegen verworven had. Inmiddels besef ik reeds lang dat devotie en business hand in hand kunnen gaan. Nooit is marraine erin geslaagd mij met haar mirakelverhalen te overtuigen. Net zoals de vele sprookjes van mijn grootvader waren ze te mooi om waar te zijn. Ze boezemden me gewoon geen vertrouwen in.
”Ze gaan het wel uitleggen op school! En zie maar dat je goed oplet, anders geen feest voor je Plechtige Communie!”
Niet dat dit zo erg was geweest. Ik heb nooit echt van feestjes gehouden. Mij lijken het theaterstukjes waar niets is wat het lijkt. In zo’n sfeer van verplichte ontspanning slaagde ik er zelden in tot een deftige conversatie te komen. Het is nu eenmaal weinigen gegeven eerst bewust na te denken vooraleer te spreken. Probeerde ik het toch weleens, dan kreeg ik meestal een gemene opmerking naar mijn hoofd geslingerd. Daarom had ik al vroeg besloten geen tijd meer te verspillen aan hen die niet tot mijn soort behoorden. Ik heb trouwens liever dat men mij toelacht dan uitlacht. En wie me niet kan aanzien, moet maar een andere richting uitkijken.
Mijn marraine was fan van wijwater. Ze bezat enkele kristallen bollen speciaal gevuld met Heilig Vocht uit Lourdes, het Las Vegas der christelijke gelovigen. Inmiddels bezocht ik wereldwijd tal van Las Vegassen, heilige plaatsen waar aanhangers van verschillende levensopvattingen graag een vrijwillige duit in het zakje doen ter meerdere eer en glorie van een bovenaardse God. In hun Oldsmobile, gekocht met het geld dat ze verdiend hadden via de verkoop vanbier-pis aan den Duits, ondernam marraine samen met mijn grootvader regelmatig een boetetocht naar ’t zuiden van Frankrijk. Althans, dit was telkens háár bedoeling! Op de lange toegangsweg naar de Heilige Grot verkoos mijn grootvader halt te houden in de vele bistrootjes om er met andere niet-gelovigen picon-vin-blancs te nuttigen en over de vele mirakels te discussiëren. Ik twijfel er sterk aan of de brave man vervolgens nog in de juiste stemming was om het gipsbeeld van de Heilige Maagd Maria te aanbidden. Wie weet, zag hij tijdens zijn zigzaggende wandeling wel twee blauwe beelden of begon hij luidkeels en in een helse toonladder het Ave Maria te zingen. Ooit legde hij mij uit dat hij niet de minste reden had om boete te doen en zich daarom helemaal niet verplicht voelde in een onmenselijke hitte al biddend op zijn knieën voort te bewegen. Daarenboven had hij ook al herhaaldelijk vastgesteld dat een liter duur betaald Heilig Water, dat via de stedelijke waterleiding naar de grot gevoerd werd, niets veranderde aan de kniewonden die zijn echtgenote opliep tijdens haar bewust gekozen zelfpijniging. Haar knie-artrose verergerde alleen maar.
In haar mystieke ijver staakte marraine nooit haar pogingen mij ervan te overtuigen dat het Heilige Water haar wel degelijk van enkele gezondheidsproblemen had verlost. Als niet-gelovige rugchirurg heb ik nooit kunnen achterhalen over welke kwalen het precies ging. En die artrose in haar knieën was daarenboven veroorzaakt door een val van de trap toen ze over een van haar bollen Heilig Water was gestruikeld. Ik ben steeds wantrouwig gebleven ten overstaan van speciale watertherapieën. En zo heilig was het Water in dat bolletje nu ook weer niet. Het werd al maar troebeler naarmate de tijd vorderde. Door het koepelvormige grotminiatuurtje harder en harder te schudden kon je in de Grot, waar eveneens een kopie van de Heilig Maagd prijkte, geleidelijk aan de kunstmatige sneeuwval doen afnemen. De meeste sneeuw bleef immers overal aan de glazen binnenwand plakken. Ik kreeg argwaan van dat Water. Daar ik wilde onderzoeken waar alle sneeuw naartoe was, wrikte ik de bodem los van het glazen omhulsel. Het Heilig Water vloeide over de tafel in de living. Enkele dagen hield ik de opgedroogde vlek in de gaten. Er gebeurde niets. Toen ik er in geslaagd was het bollig geheel opnieuw in elkaar te prutsen en te vullen met gewoon kraantjeswater, sneeuwde het bij schudden nooit meer. Het water werd ook nooit meer troebel.
Een ander geliefkoosd gebruik van Heilig Water was toen mijn marraine een kerk binnentrad en naar goede katholieke gewoonte een kruis sloeg. Uiteraard werd ik moreel verplicht dezelfde nattigheid op mijn voorhoofd te sprenkelen. Gefascineerd door dit mysterie klom ik ooit op een stoel om te zien wat er zoal in die marmeren waterbak rondzwom. Behalve Water vond ik niets. Ik kwam uiteindelijk tot de conclusie dat dat Heilig Water de reden was van mijn regelmatige snotneus. Als arts overtuigde ik daarom tal van patiënten ervan deze voorhoofdbevochtiging op grond van hygiënische redenen te vermijden.
Alles wat in haar macht lag, heeft mijn marraine aangewend om mij de begrippen van ‘hoop, geloof en liefde’ in mensentaal uit te leggen. Blijkbaar was ze de overtuiging toegedaan dat deze essentiële deugden nodig waren om later als brave, voorbeeldige burger aan het maatschappelijke leven te kunnen deelnemen. Maar geleidelijk aan ontwikkelde ik wel een andere visie ophopen op iets,geloven in iets, en vooralliefde voor iets of iemand. Al werd ik steeds meer geboeid door de biologische mysteries van het leven, toch moest ik vaststellen dat de uitingen van mijn marraine geenszins strookten met wat ik zelf hoorde, las, vaststelde en ervaarde.
”Hoop,” schreef Aristoteles (384-322 v.Chr.), ”is de droom van een ontgoochelde persoon.”
Blindelings in iets of iemandgelovenheb ik door mijn vele levenservaringen afgeleerd, enliefdeis inmiddels synoniem geworden van een tweerichtingsbusinessmodel zonder garantie op succes.
1957 – Opvoeding en levenswijsheid van mijn mama
