DE NOOT - Kristien Houthuys - E-Book

DE NOOT E-Book

Kristien Houthuys

0,0

Beschreibung

De verhalen in DE NOOT bieden vensters op unieke werelden, waar de grenzen tussen het alledaagse en het buitengewone vervagen. Laat je meevoeren op de golven van de verbeelding. Ontmoet een kloosterzuster die geconfronteerd wordt met de gevolgen van haar eigen principes, een mysterieuze vrouw die de grenzen van de logica verkent en twee collega's met een meningsverschil over subtiel racisme op het werk terwijl ze de ochtendkrant bespreken. Elk verhaal onthult een glimp van de menselijke psyche. Laat je inspireren door de kracht van het korte verhaal.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 177

Veröffentlichungsjahr: 2024

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



DE NOOT

DE NOOT

Kristien Houthuys

De verhalen in dit boek zijn gedeeltelijk gebaseerd op waargebeurde feiten, met wijzigingen en toevoegingen voor het dramatische effect.

Auteur: Kristien Houthuys

Coverdesign: Kristien Houthuys

ISBN: 9789403743899

© Kristien Houthuys

DE NOOT

Op 9 oktober 1975 was zuster Zeralda net zo principieel als anders. Al sinds haar kindertijd gaf ze alle overleden dieren uit de tuin een christelijke begrafenis, inclusief een kruis op hun graf. Dat deed ze door twee stevige takken van de notenboom met touwtjes dwars over elkaar te binden. Zelfs ongedierte als ratten kregen een begrafenis. Niet omdat ze van die dieren hield, maar omdat alle schepselen gelijk waren voor God. Uitzonderingen waren uit den boze. Zoals ook vandaag. Slecht nieuws brengen was niet prettig, maar soms een noodzakelijk kwaad. Ze moest principieel blijven en vooral geen uitzondering maken. Zelfs wanneer het een vervelende klus was. De heer Franciscus was immers een aangenaam man. Verstandig ook. Hoe moest ze het aanleggen? Misschien kon ze maar beter ronduit zeggen waar het op stond. Haar knokige hand trilde als een espenblad. Ze wreef over haar smalle zilveren wenkbrauwen en ademende diep in en uit. Nu moest ze haar masker opzetten. Een muur optrekken. Principieel zijn. Als er een eigenschap was waar zuster Zeralda in uitblonk, dan was het wel zelfbeheersing. Uit haar gezichtsuitdrukking kon niemand afleiden of ze iets oervervelend, beangstigend of net prettig vond. Haar dunne lippen verrieden geen enkele emotie en haar diepliggende blauwe ogen stonden net zo strak als het zwarte habijt om haar magere lijf.

‘Roep de heer Franciscus maar binnen,’ zei ze, haar armen alvast streng over elkaar heen kruisend.

Een jong uitziende man met lachrimpels om zijn ogen die bewezen dat hij in werkelijkheid al ver over de dertig was, liep enthousiast het lokaal in. Ondanks de grijze haren bij zijn slapen, had zijn gezicht iets jongensachtigs. Hij knikte joviaal.

‘Beste heer Franciscus,’ zei zuster Zeralda, ‘wees welkom, maar ach, ik heb slecht nieuws te melden.’

De man keek haar nieuwsgierig aan. Met een gezwinde beweging maakte de zuster een uitnodigend gebaar naar de stoel bij haar lessenaar.

‘Gaat u zitten.’

Nadat hij tegenover de zuster plaatsgenomen had, was het even stil, alsof ze diep nadacht. De lucht was warm en klam, ondanks de intrede van de maand oktober, en er hing een zware geur van natte herfstbladeren in het lokaal. Op haar ellebogen steunend, liet de zuster haar vingertoppen tegen elkaar rusten. Ze zocht naar de juiste woorden.

‘U moet weten, heer Franciscus,’ begon ze haar relaas, ‘dat het ochtendgebed het belangrijkste ritueel in onze klas is. Het is de uitdrukking van onze persoonlijke verantwoording tegenover God. De kinderen internaliseren de waarden die we als school uitdragen. Door herhaling van onze gebeden worden de goddelijke principes onderdeel van hun natuur. Barmhartigheid, broederlijk delen, dankbaarheid, nederigheid en rechtschapenheid zijn eigenschappen die het karakter sterken. Ik vind het jammer om u dit te moeten zeggen, heer Franciscus, maar Gerdje heeft vandaag laten zien dat de christelijke waarden voor haar van geen tel zijn. Ze was werkelijk brutaal. De directrice en ik hebben een moeilijke beslissing moeten nemen. Ze wordt drie dagen geschorst, op voorwaarde dat ze zich herpakt. Zo ze dat niet wil, wordt ze definitief van school gestuurd.’

Zuster Zeralda sloot de ogen en maakte een kruisteken.

‘Wat is er dan precies gebeurd?’ vroeg de heer Franciscus.

Met een diepe zucht sloeg de zuster haar oogleden naar hem op.

‘Tijdens het ochtendgebed heb ik mijn pupillen duidelijk gemaakt dat we veel hebben om dankbaar voor te zijn. Ieder van ons beschikt over luxe, degelijk onderdak en verwarming in de winter. We krijgen allemaal drie maaltijden per dag en het water loopt zomaar uit de kraan. Liefhebbende familieleden, vrienden en buren omringen ons met de beste zorgen. De katholieke kerk hangt als een beschermende koepel over ons heen. Die dingen zijn allesbehalve vanzelfsprekend. Toch weigerde Gerdje expliciet om God te bedanken.’

Met een ruk stak de zuster haar wijsvinger in de lucht en liet hem terug zakken, alsof ze de heer Franciscus wilde berispen maar zich bijtijds bedacht. Ze greep naar het houten doosje met papieren zakdoekjes dat naast het Mariabeeldje op de lessenaar stond, nam er eentje uit en snoot haar neus. Zwijgend tuurde ze een tijdje door het raam. Even later verfrommelde ze de zakdoek en liet ze hem in de prullenmand vallen. Haar gezichtsuitdrukking bleef vlak. Er viel niet veel uit op te maken.

‘Wij krijgen alles zowaar in de schoot geworpen, heer Franciscus,’ hernam ze haar betoog. ‘Dit in tegenstelling tot het merendeel van de wereldbevolking. Is het dan zoveel gevraagd om drie kleine woordjes te formuleren? Dank u, God. Dat is het enige wat ik van haar verlang. Welnu, Gerdje weigerde resoluut om die woorden uit te spreken. Meer nog, ze zei expliciet dat ze God niet dankbaar was. Ze toonde geen enkele waardering voor de uitingen van Gods goedheid. Met veel liefde en geduld heb ik haar de vreselijkste verhalen verteld over de arme kindjes. Zonder resultaat. Ze haalde haar neus op. Arrogantie en ondankbaarheid zijn geen mooie karaktereigenschappen, heer Franciscus. Maar goed, misschien heeft u meer invloed op haar dan ik. Ze zit momenteel in een aparte klas. Haar drie dagen schorsing gaan in, zodra ze God bedankt heeft. Als ze blijft weigeren, mag ze niet meer terugkeren naar onze school. Het is buigen of barsten.’

De heer Franciscus dacht na in plaats van de zuster onmiddellijk bij te vallen. Dat stelde haar teleur. Knarsetandend stond ze op. Met reeds een lichte irritatie op haar gezicht begeleidde ze de heer Franciscus naar de deur.

‘Dat is bizar,’ antwoordde de man toen ze het lokaal uit stapten. ‘Ik ken mijn dochter niet als een brutaal of ondankbaar kind, wel integendeel. Ze is aardig, loyaal en komt altijd op voor de zwakkeren.’

‘Zullen we?’ vroeg zuster Zeralda met een zuinig lachje. Ze wees naar het uiteinde van de gang.

Zwijgend liepen ze naar de klas waar Gerdje haar straf uitzat. De zuster ging de heer Franciscus voor in de klas. Het meisje zat te frunniken aan haar jurk. Haar gezichtje was een donderwolk. De zuster richtte zich tot het meisje en verhief haar stem.

‘Gerdje, maak je vader niet ten schande en dank God!’

‘Waarvoor?’ vroeg het kind scherp.

Haar grote donkere ogen fonkelden als sterren in de nacht. Met een wilde beweging zwierde ze haar lichtbruine paardenstaart over haar rug.

De zuster plaatste haar handen in haar zij.

‘Voor alle goedheid die jou ten deel valt, Gerdje.’

Het meisje perste haar lippen stijf op elkaar en richtte haar blik strak op de kleine kamerplant die voor haar op de lessenaar stond, zonder verder nog acht te slaan op de andere aanwezigen in het leslokaal.

‘Ik verzoek je nogmaals vriendelijk om God te danken,’ herhaalde de zuster met ergernis in haar stem. ‘Daarna mag je met je vader mee naar huis gaan.’

Gebiologeerd bleef Gerdje naar het plantje staren, alsof het eensklaps haar interesse gewekt had en ze het wilde onderwerpen aan een nader onderzoek.

De zuster trok haar habijt strak, keek verontschuldigend naar de heer Franciscus en richtte zich opnieuw tot Gerdje.

‘Je moet God eren, kind. Tel je zegeningen! Je bent omringd door een liefhebbende familie. Honger ken je niet en ‘s nachts slaap je in een warm bedje. Je hoeft niet moederziel alleen op straat te leven. Dit in tegenstelling tot vele straatkinderen in de grote gevaarlijke steden. Zet je trots opzij. Denk aan die straatkinderen en besef hoe goed jij het hebt. Wees nederig en dankbaar.’

Gerdje deed alsof ze het niet gehoord had. De plant kreeg haar volle aandacht. Het meisje strekte haar hand uit en liet haar vingers zachtjes over de ronde bladeren en steeltjes glijden.

‘Doe het nu, Gerdje. Dank God!’

‘Waarom?’ vroeg het kind onbewogen.

‘Je weet donders goed waarom,’ zei de zuster koud.

Met een ruk keek het meisje op.

‘Omdat ik het goed heb en die straatkinderen niet?’ vroeg ze met een boze intonatie in haar stemmetje. ‘Waar moeten zij dankbaar om zijn? Moeten zij God dan bedanken voor hun armoede? Zijn ze arm omdat ze iets verkeerd gedaan hebben? Nee, zuster, zo’n God wil ik niet bedanken. Met die poppenkast doe ik niet mee.’

Zuster Zeralda keek veelbetekenend naar de vader van het meisje. Ze beet op haar onderlip en liet haar handpalmen zien om uit te drukken dat de hele zaak onbegrijpelijk was.

‘Ziet u, heer Franciscus, bij ons hier op school is Gerdje de … eh … de noot.’

‘De noot?’ vroeg de heer Franciscus verwonderd.

De zuster wierp aarzelend een vluchtige blik op het meisje. Dan haalde ze diep adem.

‘Een harde noot om te kraken. De valse noot in ons heilige lied. In de zieltjes van mijn pupillen verenigen de klanken zich op het ritme van Gods muziek. Gerdje is helaas een dissonant geluid in het koor van hemelse kinderklanken. Ze distantieert zich uitdrukkelijk van God. Hoe moeten we tot haar doordringen?’

‘Ach,’ zei de heer Franciscus gemoedelijk, ‘mijn dochter heeft nu eenmaal een scherpe geest. Maar ze is ook eerlijk, trouw en vergevingsgezind. Ze hoeft toch niemand anders te zijn dan wie ze is?’

Zuster Zeralda wist niet onmiddellijk wat te antwoorden. Deze reactie had ze niet verwacht. Ze merkte dat ze transpireerde. Het was net iets te warm voor een ochtend in oktober.

‘Hoe bedoelt u?’ vroeg ze ontdaan. ‘U begrijpt toch dat ze van school gestuurd wordt als ze niet plooit?’

De heer Franciscus keek haar een tijdlang zwijgend aan. Dan stak hij zijn arm uit naar zijn dochter.

‘Kom Gerdje, neem je jas van de kapstok. We gaan naar huis.’

Verontwaardigd ging zuster Zeralda in de deuropening staan. Ze probeerde hen de weg te versperren.

‘Bij elke beslissing maakt de mens een keuze, heer Franciscus,’ zei ze met schrille stem. ‘Een keuze die kleine of grote gevolgen heeft. Deze heeft grote gevolgen. Gerdjes beschouwingen staan diametraal tegenover de waarden die wij als school uitdragen. Het is vervelend om dit te moeten zeggen, maar het komt me zelfs voor dat de ondergang van Gods wet in de natuurlijke orde der dingen haar als muziek in de oren klinkt. Zulke hartstochten moeten beteugeld worden. Als u geen paal en perk stelt aan haar gedrag, loopt het nog eens slecht met haar af.’

De heer Franciscus nam zijn dochter bij de hand en kwam vlak voor de zuster staan, maar ze week niet uit de deuropening. Hij zette nog een stapje vooruit. Onbewogen als een zoutpilaar bleef ze staan. Haar onverbiddelijke houding sterkte hem in zijn overtuiging.

‘Ik ben van het principe dat mijn dochters handelswijze niet beteugeld moet worden. Ze mag haar eigen weg gaan,’ antwoordde hij besluitvaardig.

Zuster Zeralda leek niet van plan te zijn om uit de deuropening te wijken.

‘Met zo’n houding kan ik precies voorspellen welke duistere toekomst er haar wacht!’ klonk het kil.

De groeven rond haar mondhoeken gaven haar gezicht een air van vastberadenheid.

De sterke arm van de heer Franciscus duwde haar zachtjes opzij.

‘Neen, zuster,’ antwoordde hij rustig. ‘Gerdjes toekomst is net als dat van elk ander kind een vraagteken. U heeft geen glazen bol. Maar ik kan u wel vertellen dat zij vandaag gekneed is naar wat wij haar geleerd hebben. Ook u heeft daarin een rol gespeeld. Als een spons heeft ze uw principes in zich opgezogen. Gefeliciteerd! Het is u gelukt. Haar rechtvaardigheidsgevoel is goed ontwikkeld. Neem dan ook verantwoordelijkheid voor de consequenties daarvan.’

Even sloeg zuster Zeralda haar oogleden omhoog, alsof ze nadacht of bij de hemel te rade ging. Dan viel ze eensklaps uit haar koelbloedige rol. Haar ogen vlamden als explosieven. Als een woesteling trok ze met enkele hevige rukken aan haar habijt op de plaats van haar hals, alsof de stof te strak was aangespannen en zij geen lucht kreeg. Vervolgens liep ze gejaagd naar buiten.

De heer Franciscus knipoogde bemoedigend naar zijn dochter.

‘Van het concert des levens krijgt niemand een program,’ declameerde hij zijn favoriete spreuk.

Haar schoudertjes rechtten zich en er verscheen een glimlach op haar lippen. Dan trokken ze, hun eigen weg bewandelend, de wereld in.

DWALENDE HOOS

Leon besteeg de smalle trap met een stevige tred. Het was een hele klim tot de vijfde verdieping. Telkens opnieuw kreeg hij het benauwd van de doffe lucht, alsof er een warm, vochtig microklimaat in het gebouw hing dat door onzichtbare wanden afgescheiden was van de omgeving. Buiten adem bonsde hij op de groene afgebladderde deur. Zodra de deur open zwaaide, kwam de muffe geur van de woonkamer hem tegemoet.

‘Dag papa,’ zei hij, ‘is Lev thuis?’

De norse blik van zijn vader priemde in zijn ogen.

‘Heb je het nieuws gezien, Leonid? Het is altijd hetzelfde. De media schilderen de Russische president alweer af als een monster. Zelfs nu de jaren twintig aangebroken zijn, is er nog niets veranderd.’

Leon volgde zijn mopperende vader naar het kleine grijze keukentje. Zijn oog viel op de puinhoop op het aanrecht.

‘Heeft Lev gedronken?’ vroeg hij.

Isidor wierp een geërgerde blik op zijn zoon.

‘De NAVO veroordeelt de Russische militaire ontplooiing aan de grens met Europa en beweert dat het om een verontrustende evolutie gaat. Er wordt geïnsinueerd dat de Russen zonder enige aanleiding of provocatie willen ingrijpen in het Westen. President Poetin reageerde al met de vraag wat de Verenigde Staten zouden doen als Rusland in de wateren vlak voor New York militaire oefeningen zou organiseren? Want dat is precies wat de NAVO doet aan de grens met Rusland. Uiteraard worden er dan troepen naar het grensgebied gestuurd!’

Leon opende de kast waar de medicijnen stonden.

‘Neem je je pillen voor je hart?’

Nijdig sloeg Isidor het apotheekkastje dicht. Zijn wangen liepen rood aan.

Leon zuchtte, haalde zijn schouders op en draaide zich om. Zodra hij de woonkamer betrad, zag hij hoe laat het was. De gesloten gordijnen hulden het smalle vertrek in het halfduister. Leon knipperde met zijn ogen om aan het duister te wennen. Zijn broer Lev lag languit in de sofa en ademde zwaar. De sterke geur van alcohol en zweet drong zijn neusgaten binnen. Hoofdschuddend haastte hij zich naar het raam, trok de gordijnen open en opende het venster. Een frisse wind waaide door de kamer, als een koele zeebries over een warm strand.

Lev opende zijn ogen en maakte luid kreunende geluiden alsof hij aan helse pijnen leed. Zodra hij in de gaten kreeg dat zijn broer hem geringschattend stond te observeren, richtte hij zijn romp op. Hij wuifde met zijn hand door de lucht. Langzaam kwam hij uit de sofa. Hij kon slechts met moeite zijn evenwicht bewaren. Zijn blik gleed langs Leon heen.

‘Zijn de flikken eindelijk weg?’ vroeg hij, in de richting van de keuken zwalpend.

Behendig deed Leon een stap opzij om hem te ontwijken.

‘Heb je problemen met de politie?’

‘Ach, laat maar,’ antwoordde Lev, en keerde terug met een halfvolle fles whisky.

Leon keek kritisch naar de rommel die verspreid lag over de kleine ronde mahoniehouten tafel, de stoelen, de leuning van de cognackleurige sofa en zelfs de vloer. Het leek wel of er inbrekers aan het werk geweest waren die niet hadden gevonden wat ze zochten.

‘Volgende week wordt in Studio’s Fractal een workshop georganiseerd over lichtinval in de schilderkunst. Ik kwam vragen of je graag wil meegaan,’ zei Leon en keek afkeurend naar de blonde bles van Lev terwijl die zijn glas met whisky vulde.

‘Prima. Ik werk aan een nieuw schilderij. Dat zal ik meebrengen,’ lispelde Lev en hij dronk met gulzige slokken zijn glas leeg.

Een ogenblik was het stil.

‘Heeft het eigenlijk wel zin als je voortdurend stomdronken of high bent?’ vroeg Leon.

Lev glimlachte.

‘Natuurlijk wel, het spel van licht en schaduw kan zeker nog verbeteren in mijn werk.’

Hij vulde zijn glas opnieuw en dronk het in één teug leeg.

Leon voelde ergernis opborrelen. Stilaan kreeg hij genoeg van het onvolwassen gedrag van zijn broer.

Lev was naar eigen zeggen een bohemien. Een vrije geest. In Leons ogen was dat een smoes om te ontsnappen aan de eisen die het leven stelde en een vlucht voor de dagelijkse realiteit. Lev bewaakte zijn vrijheid als een schatkist en ploeterde al jaren verder zonder verantwoordelijkheden of verplichtingen. Een vaste baan had hij nog nooit gehad. Onder het mom van het vrije leven en de kunst leefde hij van dag tot dag en weigerde hij rekening te houden met de toekomst of de gevolgen van zijn gedrag.

‘Nu heb je wel genoeg op,’ protesteerde Leon en hij nam Lev de fles whisky af.

Lev lachte luid, griste de fles uit zijn broers handen en schonk zijn glas opnieuw vol. Nonchalant trok hij het gordijn opzij waarachter zijn schildersezel met doek opgesteld stond. Met een verwachtingsvolle glimlach wees hij naar het schilderij.

‘Het heet DwalendeHoos en het is nog niet helemaal klaar, maar wat vind je er tot dusver van?’

Leon verstijfde. Hij wist al jaren dat Lev getalenteerd was, maar dit sloeg alles. Het schilderij was gelaagder en donkerder dan ooit. De onbeteugelde passionele vlagen die Lev in hun greep hielden, vonden een opmerkelijke weerklank op het doek. Het was alsof de afbeelding van het landschap, dat zich op grote afstand bevond, telkens andere impressies vertoonde, al naargelang de lijnen die je in gedachten op de voorgrond plaatste. De verschillende versies hadden allen een hartverscheurende desolaatheid gemeen. In het midden stond een verschijnsel afgebeeld dat de indruk wekte uit het schilderij te springen. Het bestond uit ronde en ovale lijnen die leken op te lichten in een kolkende en wild schuimende beweging. Uit het werk sprak een geheimzinnige melancholie, dat tegelijk iets lugubers had, als een voortdurende droefgeestigheid waarin een dreigende woede verborgen zat.

Leon voelde een vlijmscherpe pijn van jaloezie door zich heen gaan. Lev had al heel wat beproevingen doorstaan en putte daar vermoedelijk inspiratie uit. De reputatie van de getormenteerde ziel van de kunstenaar stond Leon nochtans tegen. Hij wilde immers zelf wat graag voor kunstenaar doorgaan, maar kleurde nooit buiten de lijntjes. Hoewel hij zijn broers levenswandel afkeurde, was hij heimelijk nieuwsgierig naar de diepe duistere spelonken in de ziel van Lev en bewonderde hij zijn werk.

De aanblik van Levs lach irriteerde hem plots, alsof er leedvermaak en hoon uit sprak. Bruusk kwam hij in beweging en bracht zonder iets te zeggen de fles whisky naar de keuken om hem leeg te gieten in de gootsteen.

Lev volgde hem grinnikend.

Intussen praatte Isidor onverstoorbaar verder.

‘De Amerikanen beweren dat Rusland zich illegaal mengt in de aangelegenheden van andere soevereine staten. Ze hebben nochtans geen recht van spreken. Het zijn immers net de Amerikanen die zich omwille van hun eigen agenda altijd bemoeid hebben met andere volkeren, van hulp aan Pinochet in Chili tot het helpen veroordelen tot de doodstraf van Sadam Hoessein in Irak. Dat is tegenwoordig niet anders. Kijk maar naar Syrië. De zogenaamde Amerikaanse bezorgdheid om de bevolking is slechts een voorwendsel. De Verenigde Staten willen een Amerikaans gezinde marionet als staatshoofd in Syrië installeren! Dat is hun enige motief om daar te zijn.’

Zwijgend leunde Leon met zijn rug tegen de koelkast en keek van zijn broer naar zijn vader. Hij voelde zich een toeschouwer van een schouwspel in het theater en vroeg zich af hoe het mogelijk was dat zijn familieleden zulke marginale figuren waren. Daarenboven begreep hij niet hoe zijn drankzuchtige broer erin slaagde om innerlijke chaos op zo’n briljant kunstzinnige wijze tot uiting te brengen. Een mengeling van diepe ergernis en hartenpijn maakte zich van hem meester.

‘Jullie bekijken het maar,’ zei hij misnoegd en liep de keuken uit in de richting van de trappenhal.

‘Schol!’ riep Lev hem brutaal na terwijl hij zijn glas in de lucht hief.

Leon wandelde geïrriteerd door het stadscentrum. Ze konden allemaal ontploffen. Zijn lastige werkgever werd te veeleisend. Daardoor moest hij vaak overwerken en hield hij minder tijd over om te schilderen. Zijn vader nam het voortdurend op voor een dictator die nooit president had mogen worden en zijn broer was door zijn buitensporig bandeloos gedrag de nagel aan zijn doodskist. Vooral Lev was een bron van ergernis. Hij leek almaar verder weg te zinken in de poel van drank en verdovende middelen. Hoe was het mogelijk dat zij zo verschillend waren? Ze waren immers tweelingbroers!