De Reis om de Wereld - Charles Darwin - E-Book

De Reis om de Wereld E-Book

Charles Darwin.

0,0
1,99 €

oder
-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

In 'De Reis om de Wereld' beschrijft Charles Darwin zijn opzienbarende expeditie aan boord van de HMS Beagle, die hem naar onontdekte gebieden en diverse ecosystemen bracht. Het boek combineert wetenschappelijke observaties met persoonlijke ervaringen en reflecties, waardoor een diepere waardering voor de natuur en de diversiteit van het leven ontstaat. Darwin's literaire stijl is helder en goed gestructureerd, wat bijdraagt aan de toegankelijkheid van zijn complexe ideeën. Het werk valt binnen de context van de 19e-eeuwse wetenschappelijke ontdekkingen en het debat over evolutie, wat als een scharnierpunt diende voor de opkomende theorieën van biologie en natuurlijke selectie. Charles Darwin, geboren in 1809, was een Britse natuuronderzoeker die natuurwetenschappen studeerde. Zijn passie voor de natuur en zijn verlangen om de oorsprong van soorten te begrijpen, werden versterkt door zijn reis met de Beagle van 1831 tot 1836. Deze ontdekkingstocht leidde niet alleen tot de verzameling van fundamentele gegevens, maar ook tot de ontwikkeling van zijn revolutionaire theorieën, waaronder de basis van evolutietheorie. Deze achtergrond gaf zijn werk de wetenschappelijke diepgang en de persoonlijke flair die het zo waardevol maken. 'Een Reis om de Wereld' is een must-read voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van de wetenschap en de oorsprong van de evolutietheorie. Het boek biedt inzicht in de manier waarop observatie en reflectie leiden tot diepgaand begrip en biedt een indringende blik op de reis van een van de grootste denkers uit de geschiedenis. Door zijn meeslepende verhalen en waardevolle inzichten is dit werk niet alleen van historische waarde, maar ook een inspiratie voor moderne wetenschappers en natuurliefhebbers. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Een beknopte Inleiding plaatst de tijdloze aantrekkingskracht en thema's van het werk in perspectief. - De Synopsis schetst de centrale verhaallijn, waarbij belangrijke ontwikkelingen worden uitgelicht zonder cruciale wendingen te verklappen. - Een uitgebreide Historische context dompelt u onder in de gebeurtenissen en invloeden van die tijd, die de totstandkoming van het werk hebben gevormd. - Een Auteursbiografie onthult belangrijke mijlpalen uit het leven van de auteur en biedt persoonlijke inzichten achter de tekst. - Een grondige Analyse ontleedt symbolen, motieven en karakterontwikkeling om verborgen betekenissen bloot te leggen. - Reflectievragen nodigen u uit om persoonlijk in te gaan op de boodschappen van het werk en deze te verbinden met het hedendaagse leven. - Zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten benadrukken momenten van literaire genialiteit. - Interactieve voetnoten verduidelijken ongewone verwijzingen, historische allusies en archaïsche uitdrukkingen voor een soepelere en meer geïnformeerde leeservaring.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Charles Darwin

De Reis om de Wereld

Verrijkte editie.
Inleiding, studies en commentaren van Emiel van Dam
EAN 8596547475279
Bewerkt en gepubliceerd door DigiCat, 2023

Inhoudsopgave

Inleiding
Synopsis
Historische context
Auteursbiografie
De Reis om de Wereld
Analyse
Reflectie
Gedenkwaardige citaten
Aantekeningen

Inleiding

Inhoudsopgave

Een jonge onderzoeker stapt een klein schip op en ontdekt dat de wereld groter is dan zijn vragen—en juist daarom gaan die vragen open. Dit boek opent met de belofte van beweging: golven, kusten, geuren van onbekende planten, en een hoofd dat leert kijken. De Reis om de Wereld van Charles Darwin is geen roman met een plot, maar een reisverslag waarin aandacht zelf de motor is. Wat hier telt, is de voortdurende verschuiving van perspectief: van kajuit naar klif, van schelpen naar sterrenhemel. De eerste bladzijden vragen de lezer niet om geloof, maar om geduld, scherpte en bereidheid tot verwondering.

De Reis om de Wereld is geschreven door Charles Darwin, geboren in 1809, een Engelse natuuronderzoeker die later bekend werd door zijn baanbrekende werk over het ontstaan van soorten. Dit boek, voortgekomen uit zijn veldnotities en brieven, vormt de verhalende neerslag van jarenlange waarneming tijdens een wereldomspannende reis. Het is zowel een dagboek als een laboratorium, een plek waar zintuiglijke indrukken en exacte beschrijving elkaar ontmoeten. Darwin noteert landschappen, gesteenten, planten, dieren en menselijk handelen met een opmerkelijke combinatie van discipline en openheid. Deze mengvorm van literaire scherpte en wetenschappelijke soberheid draagt veel bij aan de status van klassieker.

De reis die aan dit boek ten grondslag ligt vond plaats tussen 1831 en 1836, aan boord van de HMS Beagle, onder commando van Robert FitzRoy. De eerste publicatie verscheen in 1839 als Darwins deel van het meerluik Narrative of the Surveying Voyages of His Majesty’s Ships Adventure and Beagle, toen onder de titel Journal and Remarks. In 1845 bracht Darwin een herziening uit die bekend werd als The Voyage of the Beagle. De Nederlandse titel De Reis om de Wereld verwijst naar deze verhalende reis door oceanen en continenten. Deze publicatiegeschiedenis is essentieel: zij toont hoe een veldjournaal uitgroeide tot een zelfstandig geliefd boek.

De centrale premisse is eenvoudig en onweerstaanbaar: een jonge natuuronderzoeker vaart mee met een maritieme expeditie om kusten in kaart te brengen en gebruikt die gelegenheid om de natuur te bestuderen. Darwin observeert de geologie van nieuwe kusten, de verspreiding van soorten en de omgang van mensen met hun omgeving. Hij reist langs delen van Zuid-Amerika, bezoekt eilanden in de oceaan, en zet de reis voort tot aan Australië en verder, om uiteindelijk in Europa terug te keren. De lezer volgt hem van aanlegplaats naar aanlegplaats, zonder dat de uitkomst vooraf is ingevuld. Het is de wereld zelf die het verhaal stuurt.

Als literair werk onderscheidt dit boek zich door het timbre van de stem: kalm, nieuwsgierig, vaak spaarzaam, en dan plots verrassend beeldrijk. Darwin schrijft met het oog van een geoloog en het oor van een reiziger, waardoor zijn proza zowel structuur als muzikaliteit heeft. Hij koppelt nauwkeurige metingen aan zintuiglijke details, zodat een klif niet alleen hoogte en lagen krijgt, maar ook kleur, licht en vochtigheid. Het resultaat is een tekst die gelaagd blijft: je kunt hem als avontuurlijk reisverhaal lezen, als wetenschappelijke momentopname, of als oefening in aandacht. Die veelzijdigheid verklaart een deel van de klassieke status.

Klassiekers blijven omdat ze meer geven dan een enkel antwoord, en dat geldt hier bij uitstek. Dit boek toont hoe systematische observatie en bescheidenheid tegenover de feiten samen kunnen gaan met verbeeldingskracht. Het dwingt niet, maar verleidt de lezer om mee te kijken, te vergelijken en verbanden te zoeken. De beweging van het schip wordt een beweging van het denken: van losse indruk naar patroon, van patroon naar tijdelijke uitleg. Dat proces is niet triomfantelijk, maar proefondervindelijk, stap voor stap. Zo ontstaat een vorm van spanning die niet afhangt van sensatie, maar van groeiende helderheid.

In het landschap van genres neemt De Reis om de Wereld een brugfunctie in. Het is reisverhaal, natuurhistorische studie en cultuurhistorische momentopname tegelijk. Waar veel wetenschappelijke teksten abstraheren, begint Darwin bij het concrete: modder, basalt, veren, windrichting. Waar veel reisverhalen anekdotisch blijven, bouwt hij aan een kader waarin observaties kunnen worden getoetst en vergeleken. Deze dubbele gerichtheid—ervaring én ordening—heeft talloze lezers aangesproken. Ze maakte het boek tot een model voor latere populaire wetenschappelijke vertelling, waarin exactheid en toegankelijkheid elkaar niet uitsluiten maar versterken.

Tegelijkertijd ademt de tekst de negentiende eeuw, met haar maritieme expedities, imperiale routes en botendecks als drijvende werkplaatsen. De beschrijvingen van plaatsen en bevolkingen zijn waardevolle historische documenten, maar vragen ook om lezing met hedendaagse gevoeligheid en contextbewustzijn. In de wetenschapsgeschiedenis resoneert het debat over geologische tijd en langzame processen, destijds prominent uitgedragen door denkers als Charles Lyell. De Reis om de Wereld registreert dit intellectuele klimaat zonder pamflettair te worden. Het is een tekst die de eigen tijd zichtbaar maakt—sterk, productief, maar ook begrensd.

Waarom een klassieker? Omdat het boek een toon zet die sindsdien nauwelijks is verstomd: onderzoek als avontuur, en avontuur als vorm van kennis. Deze koppeling heeft zowel lezers als wetenschappers gevormd. De pagina’s bieden een arsenaal aan beelden en methoden voor iedereen die wil leren kijken: hoe je selecteert, vergelijkt, terugkeert naar een vraag, en schrijft zonder de werkelijkheid te forceren. Het werk liet zien dat nauwkeurigheid niet droog hoeft te zijn, en dat vervoer—de emotie van op weg zijn—de concentratie juist kan vergroten. Daarmee werd het een maatstaf in reis- en wetenschapsproza.

De invloed reikt bovendien buiten de literatuur. De observaties in dit boek droegen bij aan Darwins latere wetenschappelijke arbeid, waaronder publicaties die jaren na de reis het licht zagen. Wie De Reis om de Wereld leest, ziet geen finale theorie ontvouwen, maar wel de manier waarop vragen zich verzamelen, toetsen ondergaan en soms nieuwe vragen worden. Deze houding—open, onderzoekend, iteratief—werd exemplarisch voor modern veldwerk. Ze heeft bijgedragen aan de publieke verbeelding van wetenschap als een menselijke onderneming: feilbaar, correcteerbaar, maar richtinggevend door haar methodische hartslag.

Als leeservaring is het boek opmerkelijk goed gedoseerd. De journalenvorm creëert een ritme van aankomst en vertrek, van momentopnames die samen een lang panorama vormen. De lezer wordt meegenomen in de traagheid van zeereizen, de scherpe concentratie van korte landingen en de onverwachte rijkdom van alledaagse details. Het is geen script dat naar een climax toewerkt, maar een mozaïek dat reliëf krijgt door herhaling, variatie en geduld. Juist die structuur maakt herlezing lonend: andere patronen lichten op naarmate je eigen kennis en aandacht veranderen.

Vandaag blijft De Reis om de Wereld relevant omdat het een methode van kijken belichaamt die we hard nodig hebben. In een tijd van snelle berichten en grote mondiale vragen herinnert dit boek aan de waarde van ter plaatse zijn, van meten, vergelijken en leren van wat zich aandient. Het toont hoe reizen begrip kan verdiepen zonder te vervlakken, en hoe verwondering en discipline elkaar versterken. De blijvende aantrekkingskracht schuilt in die combinatie: een open blik, zorgvuldig opgetekend. Wie dit boek oppakt, stapt niet alleen aan boord van een schip, maar ook in een houding die de toekomst kan dragen.

Synopsis

Inhoudsopgave

De Reis om de Wereld van Charles Darwin is het geordende reisjournaal van een vijfjarige ontdekkingstocht. Darwin nam deel aan de tweede expeditie van de HMS Beagle, uitgevoerd tussen 1831 en 1836. Het boek verscheen in 1839 als onderdeel van het officiële verslag en in 1845 in herziene, zelfstandige vorm. De tekst verenigt levendige reisimpressies met nauwgezette observaties over geologie, flora, fauna en menselijke samenlevingen. De verhaallijn volgt de route van het schip en Darwins uitstapjes landinwaarts. Daarbij bouwt hij van plaats tot plaats een vergelijkend beeld op van natuur en landschap, zonder vooraf gezette theorie te forceren.

De opening schetst het doel van de expeditie: hydrografische opmetingen en kaartverbetering onder kapitein Robert FitzRoy. Darwin, als jonge natuuronderzoeker zonder officiële marinerang, gebruikt de reis om te verzamelen, te meten en te noteren. Hij ontwikkelt routines voor het beschrijven van gesteenten, dieren en planten, en ordent specimens voor later onderzoek. Het dagboek toont hoe de wetenschappelijke methode in het veld werkt: herhaald waarnemen, vergelijken en voorzichtig concluderen. Tegelijkertijd tekent het een maritieme leefwereld met wachtroutines, beperkte ruimte en afhankelijkheid van weer en getij, die de timing en reikwijdte van elke excursie bepalen.

De eerste etappes voeren via Atlantische eilanden naar de oostelijke kusten van Zuid-Amerika. Op vulkanische eilanden observeert Darwin gelaagde lava, verweringsstructuren en de plantengroei op jonge bodems. Deze notities over eilandgeologie en klimaatcontrasten vormen een methodische aanloop voor latere vergelijkingen. Aan boord werkt hij zijn veldschetsen uit, labelt monsters en reflecteert op de samenhang tussen gesteente, bodem en levensvormen. De wisselwerking tussen korte landingen en lange zeetrajecten geeft het relaas een ritme van momentopnamen en overdenkingen. Zo groeit gaandeweg een raamwerk waarin afzonderlijke waarnemingen betekenis krijgen door hun plaats in een groter patroon.

Langs de Braziliaanse kust en rond de Río de la Plata verdiept Darwin zich in tropische bossen, rivierdelta’s en kustvlaktes. Hij beschrijft de rijkdom aan insecten, vogels en planten, en noteert hoe vegetatie en bodemgesteldheid elkaar beïnvloeden. In Argentinië en Uruguay onderzoekt hij sedimentlagen en verzamelt hij fossielen van uitgestorven zoogdieren, die hij zorgvuldig relateert aan de omringende geologie. Tegelijkertijd registreert hij sociale en economische verhoudingen in havensteden en op het platteland, zonder het wetenschappelijke verslag te verlaten. Deze combinatie van natuurhistorie en reisobservatie verbindt lokale details met vragen over verspreiding, uitsterven en landschapsvorming.

Verder zuidwaarts, in Patagonië en Vuurland, verschuift de aandacht naar steppe, ruige kusten en subantarctische weersomstandigheden. Het contrast met tropische regio’s scherpt Darwins vergelijkende blik: soortarme maar gespecialiseerde fauna, schrale vegetatie en sporen van oude mariene afzettingen op hooggelegen terrassen. Op zee en aan wal beschrijft hij getijdengebieden, koudwaterfauna en de logistieke beperkingen van expeditiewerk in ontoegankelijke streken. Hij ontmoet lokale gemeenschappen en noteert hoe leefwijze en omgeving op elkaar inwerken, zonder zijn observaties te generaliseren buiten wat het bewijs toelaat. Zo krijgt het reisverslag diepte door geografische spreiding en systematische beperking.

De verplaatsing langs de westkust brengt Darwin in contact met de Andes en de seismische activiteit van Chili en Peru. Hij beschrijft bergpassen, erosievormen en mariene schelpen op grote hoogte, en relateert die aan processen van opheffing en afzetting. Een zware aardbeving en haar naschokken leveren directe gegevens over kustverplaatsing en infrastructuurschade. Door veldmetingen, ooggetuigenverslagen en vergelijking met eerdere notities bouwt hij een beeld op van geleidelijke en plotselinge geologische veranderingen. Het dagboek blijft daarbij beschrijvend en toetsend; hypothesen worden aangeduid, maar steeds teruggekoppeld aan waargenomen feiten en meetbare toedracht.

Een kernafdeling behandelt de Galápagoseilanden, waar nabijheid en isolatie van eilanden subtiele verschillen in flora en fauna tonen. Darwin vermeldt hoe verwante soorten per eiland in kenmerken variëren, en hoe vegetatiezones samenhangen met hoogte, vocht en bodem. Hij verzamelt vogels, reptielen en planten met nauwkeurige herkomstlabels, om latere vergelijking mogelijk te maken. De beschrijving blijft bij patronen en vragen: wat verklaart gelijkenis en variatie, en hoe verhouden eilanden zich tot nabije continenten? De eilandhoofdstukken illustreren de kracht van systematisch vergelijken op korte afstand, zonder definitieve verklaringen te presenteren.

Na de oostelijke Stille Oceaan volgen trajecten via Polynesië naar Nieuw-Zeeland en Australië, waar Darwin zowel natuurlijke gemeenschappen als koloniale nederzettingen observeert. Hij bespreekt marsupialen en monotremen in relatie tot regionale fauna, en noteert landschappelijke contrasten tussen kust, savanne en bos. Op koraalriffen en atollen verzamelt hij gegevens over riffen, lagunes en diepteprofielen, die hij later in een afzonderlijke studie zal uitwerken. De combinatie van nautische meetgegevens en landwaarnemingen laat zien hoe zee en land elkaar vormen. Tegelijk blijft het boek een reisverhaal, waarin logistiek, gezondheid en seizoenen de onderzoeksmogelijkheden sturen.

De terugreis via de Indische Oceaan en het zuidelijk Atlantisch gebied bundelt de thema’s van het werk: tijdschaal, verspreiding, verandering en beschrijving. Laatste hoofdstukken behandelen oceaaneilanden, kuststeden en open zee, met nadruk op consistenter methoden en het ordenen van collecties voor thuisonderzoek. Zonder finale these presenteert het boek een overtuigend portret van empirisch veldwerk op wereldschaal. De blijvende betekenis ligt in de nauwgezette combinatie van reiservaring en toetsbare waarneming, die latere wetenschappelijke discussies richting gaf. Als leeservaring biedt het een breed panorama dat nieuwsgierigheid wekt en systematisch denken bevordert.

Historische context

Inhoudsopgave

De Reis om de Wereld van Charles Darwin is verankerd in de vroege negentiende eeuw, in een Britse wereldorde gevormd door maritieme macht, commercie en een snel professionaliserende wetenschapscultuur. De Royal Navy bereed de oceanen om handel te beschermen en kusten te karteren, terwijl instellingen als de Admiralty, de Royal Society en universiteiten als Cambridge wetenschappelijke reputatie en patronage structureerden. Religie, vooral het Anglicaanse kader en natuurlijke theologie, leverde morele en intellectuele kaders waarbinnen natuuronderzoek maatschappelijk werd gewaardeerd. Tegen deze achtergrond vormen industriële groei, koloniale expansie en een leescultuur die hunkerde naar reisverhalen de institutionele coulissen van Darwins reisverslag.

De concrete aanleiding voor Darwins wereldreis is de tweede expeditie van HMS Beagle, een Britse brik, belast met hydrografische opmetingen rond Zuid-Amerika en met het testen van chronometers voor nauwkeurige lengtemetingen. De kapitein, Robert FitzRoy, zocht een beschaafd reisgenoot en naturalist. Via de botanist John Stevens Henslow werd Charles Darwin, toen nog een jonge geleerde, aanbevolen. Hij bekostigde zijn deelname grotendeels zelf, conform de patronagepatronen van de tijd. De expeditie was militair en commercieel nuttig, maar bood tegelijk ruimte voor systematische observatie van geologie, flora en fauna, hetgeen het literaire en wetenschappelijke profiel van het boek zou bepalen.

Darwin vertrok niet als beroemd theoreticus, maar als afgestudeerde met gemengde opleidingservaringen in Edinburgh en Cambridge. In Cambridge leerde hij veldwerk bij geoloog Adam Sedgwick en werd hij gevormd door Henslow’s netwerk. De intellectuele bagage van natuurlijke theologie, zoals geformuleerd door William Paley, bood een esthetisch en moreel kader voor natuurbeschouwing. Tegelijkertijd las Darwin tijdens de reis Charles Lyells Principles of Geology, dat geleidelijke geologische processen benadrukte. Ook Alexander von Humboldts reisverslag diende als model voor observeerbare natuur en aardrijkskunde. Deze referentiekaders bepalen de toon van Darwins verslag: nauwgezet, empirisch en toch gevoelig voor grotere, ordende principes.

Het boek past in een bloeiende negentiende-eeuwse traditie van wetenschappelijke reisverhalen die kennisvergaring, avontuur en morele reflectie combineerden. Uitgever John Murray bracht omvangrijke expeditiereeksen op de markt; Darwins bijdrage verscheen eerst als onderdeel van de officiële Beagle-publicaties en werd later als zelfstandige Journal of Researches herzien. De Reis om de Wereld verbindt het pittoreske met het analytische: landschapsbeschrijvingen en ontmoetingen worden ingekaderd door metingen, specimenlijsten en vergelijkingen. Het werk reflecteert daarmee zowel de smaak van een groeiend, geletterd publiek als de opkomst van veldwetenschap als sociaal prestigieuze activiteit.

De route van de Beagle maakte gebruik van imperiale knooppunten en internationale havens, wat het boek een cartografie van negentiende-eeuwse globalisering geeft. Van de Atlantische oversteek via Kaapverdië en Brazilië naar de Río de la Plata, zuidwaarts langs Patagonië en Vuurland, via Chileense havens naar de eilanden in de Grote Oceaan, en vervolgens naar Australië, Indische Oceaan en terug via de Zuid-Atlantische eilanden: elk aanlooppunt onthult de infrastructuur van consulaire netwerken, proviandering, post en informatie-uitwisseling. De Reis om de Wereld documenteert hoe wetenschappelijke reizen materieel leunden op dezelfde maritieme en handelsroutes die het Britse rijk en de wereldhandel schraagden.

Zuid-Amerika vormt het politieke toneel waarop Darwin tal van observaties baseert. De voormalige Spaanse koloniën waren sinds het begin van de eeuw onafhankelijk geworden en zochten institutionele stabiliteit. In de Río de la Plata-regio beschrijft Darwin het gezag van regionale caudillo’s, met name de macht van Juan Manuel de Rosas. Hij reist door de pampa’s, ervaart logistiek en veiligheid op de frontier, en noteert het spanningsveld tussen stedelijke autoriteit en ruraal geweld. Deze context van staatvorming, burgerconflicten en infrastructuurontwikkeling geeft zijn opmerkingen over herkomst van goederen, reizen, en politiegezag historische diepte in het reisverslag.

Tegen deze achtergrond belicht Darwin ook slavernij en emancipatie. Terwijl het Britse rijk de wettelijke afschaffing net had ingevoerd, trof Darwin in Brazilië een slavensamenleving aan. In het boek spreekt hij zich uit tegen de wreedheid van het instituut, gebaseerd op concrete waarnemingen en getuigenissen. Hij zet zijn morele afkeuring af tegen tijdgenoten die slavernij verdedigden, een controverse die in Britse en internationale debatten sterk leefde. Daarmee fungeert De Reis om de Wereld als moreel document van een tijd waarin abolitionisme politieke werkelijkheid werd, maar waarin economische en sociale structuren van slavernij elders nog diep verankerd waren.

Een tweede moreel-politiek thema is de omgang met inheemse volkeren en de missionaire beweging. De Beagle keerde naar Tierra del Fuego met enkele personen die tijdens een eerdere expeditie naar Engeland waren gebracht en nu met een zendeling terugkeerden. Darwin registreert de spanning tussen beschavingsidealen, religieuze motieven en de harde realiteit van klimaat, middelen en culturele miscommunicatie. Zijn verslag waardeert menselijke waardigheid, maar is ook gevangen in de categorieën van zijn tijd. De moeilijkheden en uiteindelijke mislukking van vroege missieprojecten in het gebied, zoals later bekend werd, kleuren de interpretatie van deze passages.

Wetenschappelijk gezien ademt het boek de grote geologische discussies van de eeuw. Tegenover het catastrofisme van Georges Cuvier plaatste Lyell een wereld gevormd door trage, cumulatieve processen. Darwin leest, observeert en vergelijkt: kustterrassen, versteende schelpen op hoogte, alluviale vlakten en vulkanische landschappen worden als puzzelstukken behandeld. De Reis om de Wereld belichaamt de overgang van speculatieve natuurbeschouwing naar methodisch, ter plaatse gegrond onderzoek. De notities tonen hoe een maritieme expeditie, uitgerust met instrumenten en tijd, empirische fundamenten kon leggen voor grotere verklaringen over de vorming van aarde en zee.

Een keerpunt in Darwins geologische bewustzijn vormt een zware aardbeving in centraal Chili, die hij kort na het gebeuren documenteert. Hij beschrijft ingestorte steden, versgeschonden bergflanken en tekenen van kustverheffing. Deze waarnemingen sloten aan bij het uniformitarianisme: ook plotselinge schokken maken deel uit van lange reeksen natuurlijke processen. In De Reis om de Wereld verbindt Darwin ooggetuigenverslaggeving aan structurele interpretatie, waarbij hij niet enkel het spektakel van de catastrofe geeft, maar vooral de implicaties voor bergvorming, kustlijnveranderingen en langzame opheffing benadrukt.

Naast geologie maakt de ontdekking van grote fossiele zoogdieren in de pampa’s diepe indruk. Darwin vindt botten van uitgestorven reuzen, begraven in sedimenten nabij rivieroevers en kustduinen. Hun overeenkomst met, maar ook verschil ten opzichte van hedendaagse fauna, voedt contemporaine debatten over uitsterving, opvolging en geografische spreiding. De context is hier cruciaal: musea en anatomische collecties in Europa werden gevoed door specimens uit het rijk en daarbuiten, terwijl specialisten de vondsten duidden. Darwins zorgvuldige documentatie in het veld gaf deze collectieve onderneming cruciale gegevens.

Op de Galapagoseilanden, toen onder Ecuadoraans bestuur en gedeeltelijk gebruikt als strafkolonie, noteert Darwin patronen in flora en fauna die eilandbiogeografie tot een thema maken. Hij hoort dat lokale kennis eilandspecifieke verschillen bij reuzenschildpadden herkent en verzamelt vogels waarvan variatie per eiland suggereert. In Londen zouden ornithologen, onder wie John Gould, later de taxonomische strekking uitwerken. In het boek blijven de observaties nuchter en beschrijvend, maar de impliciete vraag naar verspreiding en aanpassing weerklinkt. De Galapagospassages tonen hoe maritieme expedities de comparatieve methode mogelijk maakten door discrete, van elkaar geïsoleerde biota te inventariseren.

Verder de Grote Oceaan in zijn Tahiti en Nieuw-Zeeland knooppunten van zeelieden, handelaren en zendelingen. Missionaire genootschappen hadden er aanzienlijke culturele invloed, zichtbaar in taal, kleding en bestuur. Tegelijk beschrijft Darwin de ambivalente effecten van contactzones: economische kansen, maar ook alcohol, geweld en ziekte. In de Bay of Islands in Nieuw-Zeeland ontmoet hij een samenleving in transitie, nog vóór formele koloniale verdragen vaste vorm kregen. Deze passages illustreren hoe De Reis om de Wereld sociale verandering registreert zonder het te romantiseren, en hoe religieuze en commerciële netwerken samenwerkten en concurreerden in de Stille Oceaan.

In Australië ziet Darwin een andere frontier: een strafkolonie die uitgroeit tot nederzettingssamenleving, met steden als Sydney en nederzettingen in Van Diemensland. Het boek beschrijft infrastructuur, landbouw en veeteelt, maar ook de morele schaduw van gedwongen arbeid en de gewelddadige marginalisering van Aboriginalgemeenschappen. Darwins observaties, hoewel tijdgebonden, veroordelen misbruik en zetten de lezer aan tot reflectie over bezit, recht en beschaving. Economisch tonen deze hoofdstukken hoe landontginning, wolproductie en wereldmarkt elkaar in de zuidelijke hemisfeer vonden, ingezet door imperiale logistiek en koloniale instituties.

Een wetenschappelijk zwaartepunt vormt Darwins analyse van koraalriffen. Bij oceaanatollen en kustriffen, onder meer op de Cocos (Keeling) eilanden, verzamelt hij gegevens over diepte, groei en sediment. De Reis om de Wereld presenteert veldnotities die later zouden uitmonden in een theorie van rifvorming door geleidelijke bodemdaling, met successieve stadia van franje-, barrièrerif en atol. De methodologische les is historisch: nauwkeurige, reeksgewijze waarnemingen in verschillende oceanische contexten konden een algemeen model opleveren, gedragen door meetpraktijken die de negentiende-eeuwse hydrografie mogelijk maakte.

De laatste etappes, via onder meer de Kaap, St. Helena en Ascension, situeren Darwins verslag in een Atlantisch geheugen: van Napoleons verbanning tot strategische kolen- en bevoorradingspunten. Terug in Groot-Brittannië ordent Darwin zijn collecties, consulteert specialisten en presenteert resultaten in wetenschappelijke genootschappen. Het reisverslag verschijnt eind jaren 1830 binnen de officiële Beagle-publicatie en ontvangt daarna in een herziene uitgave brede lezersrespons. De institutionele context – Geological Society, musea, uitgeverijnetwerken – maakt van De Reis om de Wereld zowel een publieksboek als een schakel in de circulatie van specimens, data en interpretaties.

Dat netwerk-karakter blijkt uit samenwerkingen met deskundigen die fossielen, vogels en ongewervelden beschrijven, en uit de rol van correspondentie bij determinaties en herzieningen. Het boek is geen geïsoleerd auteurssignaal, maar de redactiebare neerslag van een collectief proces dat de negentiende eeuw definieert: gentleman-science, ondersteund door instellingen, lezersmarkten en imperiale logistiek. Tegelijk toont Darwins stijl een eigen norm: voorzichtig redeneren, expliciete verwijzing naar onzekerheden en een afkeer van overhaaste verklaringen. Zo wordt het werk een exemplarische casus van hoe empirische voorzichtigheid en institutionele mogelijkheden samenkomen in tastbare kennisproductie.

Auteursbiografie

Inhoudsopgave

Inleiding

Charles Darwin (1809–1882) geldt als een van de invloedrijkste natuurhistorici uit de moderne tijd. Met On the Origin of Species (1859) introduceerde hij een overtuigend, empirisch onderbouwd kader voor evolutie door natuurlijke selectie, waarmee hij de biologische wetenschap blijvend hervormde. Zijn oeuvre omvat daarnaast The Variation of Animals and Plants under Domestication (1868), The Descent of Man (1871) en The Expression of the Emotions in Man and Animals (1872), aangevuld met geologische en botanische studies. Darwins werk beïnvloedde niet alleen biologie en geologie, maar ook filosofie, antropologie en maatschappelijke discussies over de plaats van de mens in de natuur.

Als Victorianus bewoog Darwin zich in een tijd van snelle wetenschappelijke professionalisering. Zijn jarenlange observaties, verzameld tijdens de wereldreis met HMS Beagle en verder uitgewerkt in Down House, vormden de basis voor een methodische schrijfstijl: behoedzaam, rijk aan voorbeelden en open over onzekerheden. De publicatie van On the Origin of Species veroorzaakte onmiddellijk debat en brede belangstelling. Terwijl sommigen zijn theorieën verwierpen, omarmden anderen ze met kracht, wat leidde tot een vernieuwd programma voor natuurhistorisch onderzoek. Zijn nalatenschap schuilt in het combineren van minutieuze empirische arbeid met een brede, verenigende visie op het leven.

Opleiding en literaire invloeden

Darwin groeide op in Shrewsbury en toonde al vroeg belangstelling voor natuurlijke historie, gesteund door een vaardigheid in verzamelen en observeren. Aan de Universiteit van Edinburgh begon hij aan een geneeskundestudie, maar chirurgie en colleges spraken hem weinig aan. In plaats daarvan vond hij aansluiting bij natuurhistorische kringen, waar discussies over mariene biologie, geologie en veranderlijkheid van organismen zijn aandacht trokken. De ontmoeting met uiteenlopende wetenschappelijke benaderingen verbreedde zijn blik en leerde hem het gewicht van directe observatie. Deze vormende jaren maakten duidelijk dat zijn talent eerder lag bij systematisch natuuronderzoek dan bij de medische praktijk.

Na Edinburgh ging Darwin naar Christ’s College, Cambridge, waar hij een brede academische vorming ontving. Cruciaal waren de invloeden van mentorfiguren als de botanicus John Stevens Henslow en de geoloog Adam Sedgwick, die hem veldwerkdiscipline en taxonomische nauwkeurigheid bijbrachten. Intellectueel werd hij uitgedaagd door William Paley’s Natural Theology, die een orde in de natuur veronderstelde, en door het werk van Alexander von Humboldt en John Herschel, die hem inspireerden tot grootschalige, empirisch gestutte natuurverklaringen. Deze combinatie van theologische, filosofische en wetenschappelijke lectuur verscherpte zijn gevoel voor methodische bewijsvoering.

Een bijzondere invloed tijdens de voorbereiding op en uitvoering van de Beagle-reis was Charles Lyells Principles of Geology. Lyells uniformitarisme—het idee dat geleidelijke processen door de tijd landschap en leven vormen—stimuleerde Darwin om lange tijdschalen serieus te nemen en systematische veranderingen te herkennen. De leer van geleidelijke oorzaken paste hij zowel op geologische verschijnselen als op biologische variatie toe. Het leverde hem een kader om lokale observaties te verbinden met algemene principes. Dit intellectuele gereedschap, gevoed door veldwerk en begeleid door gezaghebbende mentoren, zou uiteindelijk de theoretische ruggengraat vormen voor zijn latere evolutieonderzoek.

Literaire loopbaan

Darwins intellectuele doorbraak vond zijn voedingsbodem tijdens de reis met HMS Beagle (1831–1836). Als naturalist verzamelde hij specimina, noteerde geografische verspreiding en observeerde geologische structuren in Zuid-Amerika en op eilanden in de Grote Oceaan. De combinatie van nauwgezet veldwerk en vergelijking van verwante vormen in uiteenlopende omgevingen bracht hem tot vragen over soortvorming en aanpassing. Terug in Engeland ordende hij zijn materialen en gedachten, wat resulteerde in Journal of Researches (1839), een levendige reisbeschrijving die tegelijk een analytisch verslag van natuurhistorische patronen bood en zijn reputatie als zorgvuldige waarnemer versterkte.

In de jaren veertig publiceerde Darwin gezaghebbende geologische monografieën, waaronder The Structure and Distribution of Coral Reefs (1842), gevolgd door werken over vulkanische eilanden en Zuid-Amerikaanse geologie. Deze studies demonstreerden zijn vermogen om disparate gegevens tot elegante verklaringen te synthetiseren, bijvoorbeeld in zijn koraalriftheorie. Intussen werkte hij in stilte aan de vraag naar soortverandering. Hij verzamelde casussen uit de dieren- en plantenfokkerij en hield uitgebreide notities bij over variatie, erfelijkheid en selectie, met het doel een mechanisme voor evolutie te formuleren dat stoelde op observeerbare processen.

In 1858 werd Darwins langdurige onderzoek plots urgent toen Alfred Russel Wallace onafhankelijk een verwant idee over natuurlijke selectie formuleerde. Een gezamenlijke mededeling aan een wetenschappelijke vereniging presenteerde beide inzichten in grote lijn. Het daaropvolgende jaar verscheen On the Origin of Species, waarin Darwin met voorbeeldrijke argumentatie de realiteit van evolutie en het mechanisme van selectie uiteenzette. Het boek vermeed speculatieve claims en bouwde op cumulatief bewijs, van fossielen en geografische verspreiding tot kunstmatige selectie. De ontvangst was gemengd maar intens: het werk verkocht snel, leverde stevige kritiek en genereerde tegelijkertijd overtuigde aanhangers.

In de decennia erna verdiepte Darwin en verbreedde hij zijn theorie. The Variation of Animals and Plants under Domestication (1868) documenteerde uitgebreid hoe fokkers variatie sturen, terwijl The Descent of Man (1871) de mens binnen het evolutiekader plaatste. The Expression of the Emotions in Man and Animals (1872) onderzocht continuïteit in gedrag en expressie. Daarnaast verschenen invloedrijke botanische studies, waaronder Insectivorous Plants (1875), The Power of Movement in Plants (1880) en zijn slotwerk over regenwormen (1881). Samen toonden deze boeken een auteur die bewijslast systematisch uitbreidde en de reikwijdte van evolutiebiologie en experimentele plantkunde aanzienlijk vergrootte.

Overtuigingen en engagement

Darwins persoonlijke overtuigingen ontwikkelden zich geleidelijk. Opgevoed in een cultureel milieu waarin christelijke opvattingen wijdverbreid waren, groeide hij later uit tot een agnostische houding, vooral door wetenschappelijke reflectie en het probleem van lijden in de natuur. Hij vermeed doorgaans publiek-theologische polemiek, maar erkende dat zijn onderzoek religieuze vragen raakte. Tijdens de Beagle-reis nam hij openlijk afstand van slavernij, een morele positie die in zijn reisverslag zichtbaar is. Zijn wetenschappelijke methode, waarbij hij onzekerheden benoemde en alternatieve verklaringen woog, weerspiegelde een intellectuele integriteit die zijn reputatie zelfs bij critici respectabel maakte.

In het publieke debat over evolutie trad Darwin zelden op als polemist. Hij correspondeerde intensief met collega-onderzoekers, deelde materiaal en ideeën, en toonde zich coöperatief in kwesties van prioriteit, zoals zijn erkenning van Wallaces bijdrage. Medestanders verdedigden zijn theorie in lezingen en controverses, terwijl Darwin zelf bewijs bleef verzamelen en publiceren. Deze terughoudende, op gegevens gerichte houding versterkte de geloofwaardigheid van zijn werk. Hij droeg bij aan de opbouw van een internationale wetenschappelijke gemeenschap via briefwisselingen en specimenuitwisseling, wat de verspreiding van evolutieonderzoek bevorderde zonder dat hij het politieke podium hoefde te zoeken.

Laatste jaren en nalatenschap

In zijn latere jaren werkte Darwin grotendeels vanuit Down House in Kent, waar hij ondanks chronische gezondheidsklachten een opmerkelijke productie behield. Zijn belangstelling verschoof deels naar experimentele botanie, culminerend in studies over plantbeweging en bodemvorming door wormen. Hij overleed in 1882 en werd bijgezet in Westminster Abbey, een teken van brede waardering binnen de Britse cultuur. Darwins nalatenschap is immens: hij verankerde evolutie als organiserend principe van de biologie en leverde een methodisch model voor het koppelen van veldobservatie, experiment en theorie. In de twintigste eeuw werd zijn werk verder verdiept door genetisch onderzoek, waarmee de blijvende kern van zijn ideeën werd bevestigd.

De Reis om de Wereld

Hoofdinhoudsopgave
Inleiding.
Voorwoord van den schrijver.
Hoofdstuk I.
St.-Jago. De Kaap-Verdische Eilanden.
Hoofdstuk II.
Rio de Janeiro.
Hoofdstuk III.
Maldonado.
Hoofdstuk IV.
Van de Rio Negro naar Bahia Blanca.
Hoofdstuk V.
Bahia Blanca.
Hoofdstuk VI.
Van Bahia Blanca naar Buenos Aires.
Hoofdstuk VII.
Van Buenos Aires naar Santa Fé.
Hoofdstuk VIII.
Oost-Banda en Patagonië.
Hoofdstuk IX.
De Santa Cruz, Patagonië en de Falklands-Eilanden.
Hoofdstuk X.
Tierra del Fuego of Vuurland.
Hoofdstuk XI.
De Straat van Magelhaen.—Het klimaat der zuidelijke kusten.
Hoofdstuk XII.
Midden-Chili.
Hoofdstuk XIII.
Chiloë en de Chonos-Eilanden.
Hoofdstuk XIV.
Chiloë en Concepcion. Eene hevige aardbeving.
Hoofdstuk XV.
Overtocht van de Cordilleras.
Hoofdstuk XVI.
Noord-Chili en Peru.
Hoofdstuk XVII.
De Galápagos-Archipel.
Hoofdstuk XVIII.
Tahiti (of Taïti) en Nieuw-Zeeland.
Hoofdstuk XIX.
Australië.
Hoofdstuk XX.
Keeling-Eiland—Koraalvormingen.
Hoofdstuk XXI.
Mauritius—Terugkeer naar Engeland.

Inleiding.

Inhoudsopgave

Darwin’s reis om de wereld als natuuronderzoeker op de Beagle was, volgens zijn zeggen, verreweg de belangrijkste gebeurtenis zijns levens, die zijne geheele verdere carrière bepaald heeft.

Ook was zij een allergewichtigst voorval in hare gevolgen op het hedendaagsche denken.

“Toch,” zegt Darwin, “hing zij slechts af van het onbeduidende feit, dat mijn oom mij aanbood mij 30 mijlen ver naar Shrewsbury te rijden, en van zoo’n bagatel als den vorm van mijn neus.”1

De reis maakte Darwin met zekere feiten bekend, welke “eenig licht schenen te werpen op het ontstaan der soorten—dat grootste aller mysterieën.” Darwin’s groote theorie der Natuurkeus was een uitvloeisel van deze reis, en die theorie—gelijk Grant Allen zegt—bracht eene algeheele omwenteling teweeg in de wetenschappen der plant- en dierkunde, en maakte de leer der Organische Evolutie, die toen slechts door een klein getal scherpzinnige wijsgeerige biologen was aangenomen, tot het algemeene geloof van alle mannen der wetenschap.

Huxley verklaart, dat het “te voorschijn treden van de wetenschap der Evolutie uit den limbus van haat en—zooals velen hoopten—van vergeten dingen, in de houding van kroonpretendente van het rijk der gedachte, het meest beteekenende feit is in de negentiende eeuw.”

De Beagle, onder bevel van kapitein Fitz-Roy, had een inhoud van 235 ton, was “uitgerust als brik en voerde tien kanonnen.” Lang na Darwin’s reis (in 1888), werd het te Yokosoeka door de Japanners als oefeningsvaartuig gebruikt.

Darwin’s hut, welke hij met een officier deelde, was zeer klein. “Kapitein Fitz-Roy zegt er voor te zullen zorgen, dat de eene hoek zóó zal worden ingericht, dat ik mij daar op mijn gemak zal voelen alsof ik thuis was, maar dat ik ook den zijnen zal mogen gebruiken. Mijne hut is de receptiehut; en in het midden staat eene groote tafel, waarboven wij beiden in hangmatten slapen.”

“Mijn vader placht te zeggen,” schrijft Francis Darwin in “Het Leven” van zijn vader, “dat het de volstrekte behoefte aan netheid was in de beperkte ruimte van de Beagle, die hem “zijne methodische gewoonte van werken hielp verkrijgen.” Ook placht hij te zeggen, dat hij op de Beagle leerde, wat hij als den gulden regel voor tijdsbesparing beschouwde, namelijk—op de minuten te letten.”

Na afloop van de reis, vertelde hij kapitein Fitz-Roy, dat hij zijne herinneringen en wat hij van de Natuurlijke Historie geleerd had, voor geen £ 20,000 per jaar zou willen ruilen.

1 Darwin’s vader had namelijk geen zin zijn zoon deze reis te laten ondernemen, dan op voorwaarde, dat deze een man vond, die het hem ernstig aanried. Deze man was Darwin’s oom. Voorts had kapitein Fitz-Roy, commandant van de Beagle, aanvankelijk er op tegen, dat Darwin als natuuronderzoeker meêging, om reden diens neus, waarin hij gebrek aan energie meende te lezen, hem niet beviel. Kapitein Fitz-Roy was namelijk een leerling van Lavater[1]. (Noot van den vertaler.)

Voorwoord van den schrijver.

Inhoudsopgave

Ik heb in de voorrede bij de eerste uitgaaf van dit werk en in de Zoology of the Voyage of the Beagle medegedeeld, dat een door Kapitein Fitz-Roy geuite wensch om een wetenschappelijk man aan boord te hebben, vergezeld van zijn aanbod om een deel zijner eigen gemakken op te offeren, reden waren waarom ik mijne diensten aanbood, die door de vriendelijkheid van den hydrograaf, Kapitein Beaufort, de goedkeuring der Lords of the Admiralty verwierven. In het bewustzijn, dat de gelegenheid welke mij te beurt viel tot het bestudeeren van de Natuurlijke Geschiedenis der verschillende door ons bezochte landen, geheel aan Kapitein Fitz-Roy te danken is, hoop ik, dat het mij vergund zij hem te dezer plaatse mijne dankbaarheid opnieuw te betuigen, met de bijvoeging, dat ik gedurende de vijf jaren van ons samenzijn de hartelijkste vriendschap en de duurzaamste hulp van hem genoot. Zoowel Kapitein Fitz-Roy als alle officieren van de Beagle zal ik steeds ten hoogste dankbaar zijn voor de onverflauwde welwillendheid, waarmeê zij mij op onze lange reis bejegenden.1

Dit deel bevat, in den vorm van een Dagboek, eene geschiedenis onzer reis en eene schets van die waarnemingen in de Natuurlijke Geschiedenis en Aardkunde, welke ik denk dat voor den algemeenen lezer van eenig belang kunnen zijn. In deze uitgaaf heb ik sommige gedeelten aanmerkelijk bekort en verbeterd, en aan andere iets toegevoegd, om het boek zoodoende meer voor eene populaire lezing geschikt te maken; ik vertrouw echter, dat natuuronderzoekers zullen begrijpen, dat zij voor bijzonderheden de grootere uitgaaf moeten naslaan, die de wetenschappelijke uitkomsten van den tocht bevatten. De “Dierkunde van de Reis van de Beagle” bevat een verslag van de Fossiele Zoogdieren, door Prof. Owen; van de Levende Zoogdieren, door Waterhouse; van de Vogels, door Gould; van de Visschen, door Rev. L. Jenyns, en van de Kruipende Dieren, door Bell. Aan de beschrijving van elke soort heb ik een verhaal van hare leefwijze en verspreiding toegevoegd. Deze werken, die ik te danken heb aan de talenten en den belangeloozen ijver der bovengenoemde schrijvers, hadden niet ondernomen kunnen worden zonder de milde vrijgevigheid der Lords Commissioners van H. M. Schatkist, die, vertegenwoordigd door den Edelhoogachtbaren Kanselier der Rijks-Schatkist,2 zoo goed zijn geweest eene som van £ 1000 beschikbaar te stellen, om de kosten van uitgaaf gedeeltelijk te bestrijden.

Zelf heb ik verscheidene deelen in het licht gegeven, als: The Structure and Distribution of Coral Reefs; The Volcanic Islands visited during the Voyage of the Beagle, en The Geology of South America. Het zesde deel der Geological Transactions bevat twee bijdragen van mij over de Zwerfblokken en Vulkanische Verschijnselen van Zuid-Amerika. De heeren Waterhouse, Walker, Newman en White hebben verscheidene goede geschriften uitgegeven over de Insecten, die toen verzameld werden, en ik vertrouw, dat vele andere hierna zullen volgen. De planten uit de zuidelijke gedeelten van Amerika zullen door Dr. J. Hooker behandeld worden in zijn groot werk: The Botany of the Southern Hemisphere. De Flora van den Galápagos-archipel is het onderwerp eener afzonderlijke verhandeling van hem in de Linnean Transactions. De Rev. Professor Henslow heeft eene lijst in ’t licht gegeven van de planten, die ik op de Keeling-Eilanden verzameld heb; en de Rev. I. M. Berkeley heeft mijne kryptogamische planten beschreven.

Gaarne erken ik de groote hulp, die ik in den loop van dit en mijne overige werken van verscheidene andere natuuronderzoekers ontvangen heb; tevens zij het mij vergund hier mijn oprechtsten dank te betuigen aan den Rev. Professor Henslow, die toen ik undergraduate3 te Cambridge was, een der hoofdpersonen was, die mij neiging voor de Natuurlijke Historie inboezemde; die gedurende mijne afwezigheid zorg droeg voor de verzamelingen welke ik naar huis zond, en door zijne briefwisseling mijne pogingen leidde; en die mij sedert mijne terugkomst al de hulp heeft bewezen, zooals de hartelijkste vriend ooit bieden kon.

Down, Bromley, Kent. Juni 1845.

1 Ik moet deze gelegenheid aangrijpen om mijn oprechten dank te betuigen aan den heer Bynoe, arts op de Beagle, voor zijne zeer vriendelijke zorgen jegens mij, toen ik te Valparaiso ziek was.

2 De Britsche Minister van Financiën.

3 Een student, die zijn eersten graad nog niet bereikt heeft.

(Vert.)

Hoofdstuk I.

St.-Jago. De Kaap-Verdische Eilanden.

Inhoudsopgave

Na tweemaal door hevige stormen uit het zuidwesten te zijn teruggedreven, zeilde H. M. Beagle[2], een brik van tien kanonnen onder bevel van Kapitein Fitz-Roy[3] der Koninklijke Marine, op 27 December 1831 uit Devonport.

Het doel der expeditie was de opmeting van Patagonië en Vuurland (Tierra del Fuego), welke in de jaren 1826–1830 onder Kapitein King begonnen was om de kusten van Chili, Peru en eenige eilanden in den Stillen Oceaan in kaart te brengen, te voltooien en eene reeks van chronometer-waarnemingen om de wereld te volbrengen. Den 6den Januari 1832 bereikten wij Teneriffe, doch konden niet landen doordien de bevolking vreesde, dat wij de cholera medebrachten. Den volgenden morgen zagen wij de zon achter de oneffen kim van het Groote Kanarische Eiland opgaan en plotseling de Piek van Teneriffe verlichten, terwijl de lagere gedeelten in vlokkige wolken gehuld waren. Dit was de eerste van vele verrukkelijke dagen, die onvergetelijk voor mij zullen zijn. Den 16den Januari 1832 ankerden wij te Porto Praya op St.-Jago, het hoofd-eiland van den Kaap-Verdischen Archipel.

De omtrek van Porto Praya, van uit zee gezien, biedt een troosteloozen aanblik. De vulkanische uitbarstingen uit vroegeren tijd en de verschroeiende hitte eener tropische zon hebben op de meeste plaatsen den grond ongeschikt gemaakt voor plantengroei. Het land stijgt in opvolgende terrassen van tafelland, afgewisseld door enkele afgeknot-kegelvormige heuvels, terwijl de horizon begrensd wordt door eene onregelmatige keten van hoogere bergen. Gezien door de dampige atmospheer van dit klimaat, is het tooneel zeer belangwekkend, althans wanneer men, pas uit zee en voor het eerst in een boschje met kokosboomen wandelende, over iets anders dan over zijn eigen geluk kan oordeelen. In ’t algemeen zou het eiland als zeer onbelangrijk worden beschouwd; maar voor iemand, die alleen aan een Engelsch landschap gewoon is, bezit de nieuwe aanblik van een geheel onvruchtbaar land eene grootschheid, welke door meer plantengroei bedorven zou kunnen worden. Op de uitgestrekte lava-velden kan met moeite een enkel groen blad worden ontdekt, wat niet belet, dat kudden geiten en een klein getal koeien hier een bestaan pogen te vinden. Regen is zeer zeldzaam; maar gedurende een korten tijd van het jaar vallen hevige buien, en onmiddellijk daarna schiet dan uit elke spleet eene lichte vegetatie op. Deze verwelkt spoedig, en het is van dit natuurlijk gevormde hooi dat de dieren leven. Nu had het een geheel jaar lang niet geregend.

Toen het eiland ontdekt werd, was de onmiddellijke omgeving van Porto Praya met boomen bedekt,1 waarvan de roekelooze vernieling hier, evenals op St.-Helena en enkele der Kanarische Eilanden, bijna algeheele onvruchtbaarheid veroorzaakte. De breede, vlakke dalen, waarvan vele slechts enkele dagen in het seizoen als waterloopen dienen, zijn met kreupelboschjes van bladerlooze struiken bedekt. Weinig levende wezens bewonen deze dalen. De meest voorkomende vogel is een ijsvogel (Dacelo Jagoensis), die gedwee op de takken van den Ricinus communis zit, en van hier op sprinkhanen en hagedissen jacht maakt. Hij is helder gekleurd, maar niet zoo fraai als de Europeesche soorten; ook in zijne vlucht, zijne gewoonten en woonplaats, die zich in ’t algemeen tot de droogste vallei bepaalt, bestaat een groot verschil.

Op zekeren dag reed ik met twee officieren naar Ribeira Grande, een dorp enkele mijlen oostwaarts van Porto Praya gelegen. Alvorens wij de vallei St.-Martin bereikten, vertoonde het land zijn gewoon dof bruin aanzien; maar hier brengt eene kleine waterbeek een alverfrisschenden zoom van welig plantenleven voort. Na verloop van een uur kwamen wij te Ribeira Grande, en werden hier verrast door den aanblik van een groot vervallen fort en eene kathedraal. Voordat hare haven verzandde, was deze kleine stad de hoofdplaats van het eiland; nu biedt zij een droefgeestigen, maar zeer schilderachtigen aanblik. Nadat wij een zwarten Padre als gids, en een Spanjaard, die in den Peninsulairen Oorlog[4]2 gediend had, als tolk hadden aangenomen, bezochten wij eene groep gebouwen, waarvan eene oude kerk het hoofdgedeelte vormde. Hier is ’t, dat de gouverneurs en kapitein-generaals der Eilanden begraven zijn. Enkele grafsteenen vermeldden datums uit de 16e eeuw.3 De heraldieke versieringen waren de eenige voorwerpen op deze afgelegen plek, welke ons aan Europa herinnerden. De kerk of kapel vormde de zijde van een vierkant, in welks midden eene breede groep banaanboomen groeide. Aan eene andere zijde stond een hospitaal, dat een twaalftal bewoners bevatte, die er ellendig uitzagen.

Wij keerden naar de vénda terug om onze maaltijden te gebruiken. Een groot aantal mannen, vrouwen en kinderen, allen gitzwart, schoolden samen om ons aan te gapen. Onze metgezellen waren uiterst jolig; en al wat wij zeiden of deden werd van hun kant door een hartelijk gelach gevolgd. Voordat wij de stad verlieten, bezochten wij de kathedraal. Deze ziet er niet zoo rijk uit als de kleinere kerk, maar boogt op een klein orgel, dat zonderlinge wanluidende tonen voortbracht. Wij schonken den zwarten priester enkele shillings, waarna de Spanjaard, hem op het hoofd kloppende, zeer openhartig de opmerking maakte, dat hij dacht dat zijne kleur niet veel verschil maakte. Toen keerden wij, zoo snel onze ponies loopen wilden, naar Porto Praya terug.

Op een anderen dag reden wij naar het dorp St.-Domingo, bij het midden van het eiland gelegen. In eene kleine vlakte, die wij overtrokken, groeiden enkele schrale acacia’s; hare toppen waren door den aanhoudenden passaatwind op zonderlinge wijze gebogen—bij sommige zelfs loodrecht op den stam. De richting der takken was nauwkeurig NNO–ZZW; en deze natuurlijke vaantjes moeten de overheerschende richting der kracht van den passaat aanduiden. De tocht had op den kalen grond zoo weinig indruksels achtergelaten, dat wij hier ons spoor kwijtraakten en den weg naar Fuentes insloegen. Dit laatste bemerkten wij niet eer voordat wij er aankwamen; doch later hadden wij pleizier van onze vergissing. Fuentes is een aardig dorp aan een kleinen stroom gelegen; en alles scheen welvarend, behalve zij die dit het meest moesten wezen, namelijk—de bewoners. De zwarte spiernaakte kinderen zagen er zeer armzalig uit, en droegen bosschen brandhout half zoo groot als zij zelven.

Dicht bij Fuentes zagen wij eene groote schaar paarlhoenders4—misschien wel vijftig of zestig in getal. Zij waren zoo schuw, dat wij hen niet konden naderen, ontweken ons door evenals patrijzen op een regenachtigen Septemberdag met opgeheven kop weg te loopen, en spreidden onmiddellijk de vleugels uit als wij hen vervolgden.

De natuur van St.-Domingo bezit eene schoonheid, die men volstrekt niet verwacht te midden van het overwegend mistroostige karakter van het overige deel van het eiland. Het dorp is gelegen in de kom eener vallei, die door hooge, uitgetande muren van in lagen afgezette lava begrensd is. Dit zwarte gesteente vormt eene treffende tegenstelling met de lichtgroene plantenwereld, die de oevers van een kleinen helderen waterstroom omzoomt. Juist was het een groote feestdag, en het dorp vol menschen. Op onzen terugkeer haalden wij een troepje in van omstreeks 20 jonge zwarte meisjes in zeer smaakvolle kleeding, wier zwarte huid en sneeuwwit linnen met gekleurde tulbanden en groote shawls waren afgezet. Nauwelijks kwamen wij dichterbij, of allen keerden zich plotseling om, spreidden hare shawls op den weg en zongen met groote levendigheid een wild lied, waarbij zij met de handen op de beenen de maat sloegen. Wij wierpen haar eenige vintéms toe, die zij onder gillend gelach aannamen; en toen wij ze verlieten, vervolgden zij haar gezang met verdubbelde kracht.

Op zekeren morgen was het uitzicht bijzonder helder: de verwijderde bergen teekenden zich met de scherpste omlijning op eene zware bank van donkerblauwe wolken af. Te oordeelen naar het voorkomen en naar dergelijke gevallen in Engeland, meende ik, dat de lucht met waterdamp verzadigd was. Doch juist het tegengestelde was waar. De hygrometer wees een verschil van 29°6 tusschen de luchttemperatuur en het dauwpunt. Dit verschil was ongeveer het dubbele van wat ik op vorige ochtenden had waargenomen. Deze ongewone graad van atmospherische droogte werd door aanhoudende bliksemflitsen vergezeld. Is het geen zeldzaam verschijnsel eene merkwaardig doorschijnende lucht zoo gepaard te zien gaan met zulk eene weersgesteldheid?

In ’t algemeen is de dampkring mistig, hetgeen veroorzaakt wordt door den val van ontastbaar fijn stof, dat op de sterrekundige instrumenten eenigszins schadelijk bleek gewerkt te hebben. Den morgen voordat wij te Porto Praya ankerden, verzamelde ik een klein pakje van dit bruingekleurde fijne stof, dat door het gaas van het vlaggetje aan den top van den mast bleek heengezift te zijn. Ook heeft Lyell mij vier pakjes stof gegeven, dat op een schip enkele honderden mijlen ten noorden van deze eilanden gevallen was. Prof. Ehrenberg5 vindt, dat dit stof voor een groot deel bestaat uit infusoria met kiezelhoudende schalen en uit kiezelskeletten van planten. In vijf kleine pakjes, die ik hem zond, heeft hij niet minder dan 67 verschillende organische vormen geconstateerd! Met uitzondering van twee zee-species, zijn alle infusoria zoetwater-bewoners. Ik heb niet minder dan 15 verschillende berichten gevonden over stof, dat op schepen ver in den Atlantischen Oceaan gevallen was. Uit de richting van den wind toen het viel, en uit het feit dat het steeds gevallen is in maanden, waarin de harmáttan[5], naar men weet, wolken stof hoog in den dampkring voert, mogen wij veilig besluiten, dat al dit stof uit Afrika komt.6

Het is intusschen een zeer zonderling feit, dat, ofschoon Prof. Ehrenberg vele soorten infusoria kent welke in Afrika tehuisbehooren, hij geen enkele dezer in het stof vindt dat ik hem zond; daarentegen vindt hij er twee soorten in, waarvan hij tot nu toe weet, dat zij alleen in Zuid-Amerika leven. Het stof valt in zulke hoeveelheden, dat het alles aan boord vuil maakt en de oogen van den mensch zeer doet; zelfs is het gebeurd, dat schepen ten gevolge van de duisternis op het strand geloopen zijn. Dikwijls viel het op schepen, die verscheidene honderden en zelfs meer dan duizend mijlen van de Afrikaansche kust verwijderd waren, en op punten 1600 mijlen in noordelijke of zuidelijke richting. In eenig stof, dat 300 mijlen ver van land op een schip verzameld was, vond ik tot mijne groote verbazing stukjes steen ter grootte van ruim het duizendste deel van een □ inch, vermengd met fijnere materie. Na dit feit behoeft men zich niet te verwonderen over de verspreiding der veel lichtere en kleinere sporen van kryptogamische planten.

De geologie van dit eiland is het belangrijkste deel van zijne natuurlijke geschiedenis. De haven binnenkomende kan men tegenover het rotsachtig zeestrand een volkomen horizontalen witten band zien, die omstreeks 45 voet boven het water uitsteekt en eenige mijlen ver langs de kust loopt. Bij onderzoek blijkt deze witte laag uit eene kalkachtige stof te bestaan met talrijke ingesloten schelpen, waarvan de meeste of alle dieren thans op de naburige kust leven. Zij rust op oude vulkanische gesteenten en is met een basaltstroom bedekt, die in zee gevloeid moet zijn toen de witte schelpenlaag op den bodem lag. Van belang is het de veranderingen na te gaan, door de hitte der bovenliggende lava op de broze massa teweeg gebracht, welke deels in kristallijnen kalksteen, deels in een compact gevlekt gesteente is omgezet. Toen de kalk door de slakvormige fragmenten aan de ondervlakte van den stroom werd opgenomen, veranderde zij in fraai gestraalde vezelgroepen, op arragoniet gelijkend. De lavabeddingen stijgen in opvolgende zachtglooiende vlakten landwaarts in, vanwaar de stroomen gesmolten steen oorspronkelijk kwamen. Naar ik geloof, heeft men nergens op St.-Jago sporen van vulkanische werkzaamheid in historische tijden aangetroffen. Zelfs de vorm van een krater kan maar zelden op de toppen der talrijke uit roode sintels bestaande heuvels worden ontdekt; niettemin kan men de jongere stroomen op de kust onderscheiden, waar zij klipreeksen vormen van geringere hoogte doch meer naar voren reikend dan die, welke tot eene oudere reeks behooren. De hoogte der klippen levert dus een ruwen maatstaf voor den ouderdom der stroomen.

Gedurende ons verblijf nam ik de leefwijzen van enkele zeedieren waar. Een groote Aplysia (Zeehaas) is hier zeer algemeen. Deze zeeslak7 is circa 5 inches lang en heeft eene vaalgeele kleur met purperkleurige aderen. Ter wederzijden van het onderlijf bevindt zich een breed membraan, dat soms als ventilator schijnt te werken, doordien het een stroom water over de rugkieuwen of longen doet vloeien. Zij voedt zich met het fijne zeewier, dat in modderig en ondiep water tusschen de steenen groeit; en zoo vond ik in haar maag een aantal kleine steentjes, evenals in den krop van een vogel. Gestoord, scheidt deze slak eene zeer fijne purperroode vloeistof af, die het water een voet in den omtrek kleurt. Behalve dit verdedigingsmiddel, is er nog een bijtend vocht, dat over het lichaam verspreid, eene scherpe, prikkelende gewaarwording opwekt, evenals men waarneemt bij de Physalia (Blaaskwal of Spaansch Fregat, tot de orde der Siphonophorae of Zwempoliepen behoorende).

Met zeer veel belangstelling sloeg ik bij verschillende gelegenheden de gewoonten van een Octopus of inktvisch gade. Ofschoon algemeen in de waterpoelen voorkomende, die door de eb worden achtergelaten, waren deze dieren niet licht te vangen. Door middel van hunne lange armen en zuigers, konden zij hun lichaam in zeer nauwe spleten wringen; en eenmaal zoo vastgehecht, werd er groote kracht vereischt, om hen los te werken. Een ander maal schoten zij, met den staart naar voren, pijlsnel van de eene zijde van den poel naar de andere, waarbij zij tegelijk het water met een donker-kastanjebruinen inkt kleurden. Ook onttrekken deze dieren zich aan de waarneming door een zeer bijzonder vermogen om hunne kleur te veranderen, waarin zij op het kameleon gelijken. Zij schijnen hunne tint te wijzigen naar den aard van den grond waarover zij gaan: in diep water was de tint meestal bruinachtig purper; maar op het land of in ondiep water gezet, veranderde die donkere tint in eene geelachtig grijze. Onderzocht men de kleur aandachtiger, dan was zij parelgrijs met talrijke kleine heldergele vlekjes; de eerste veranderde in intensiteit, de laatsten verschenen en verdwenen beurtelings. Deze verandering geschiedde zóó, alsof er gestadig wolken over het lichaam trokken, welker tinten afwisselden tusschen hyacinthenrood en kastanjebruin. Bracht men ergens op het lichaam een galvanischen schok voort, dan werd die plek bijna geheel zwart; en een dergelijk effect, ofschoon minder sterk, werd teweeg gebracht als men de huid met eene naald krabde. Men beweert, dat deze wolken of blozingen, gelijk wij ze zouden kunnen noemen, worden voortgebracht door de beurtelingsche uitzetting en contractie van kleine blazen, die verschillend gekleurde vloeistoffen bevatten.

De intkvisch openbaarde zijn kameleonachtig vermogen zoowel gedurende het zwemmen, als wanneer hij stil op den bodem lag. Kostelijk vermaakten mij de verschillende manieren, waarop een dezer dieren, hetwelk ten volle besefte dat ik het bespiedde, de aandacht poogde te ontwijken. Gedurende een poos lag het roerloos, om dan steelswijs een paar inches naar voren te komen, evenals een kat eene muis beloert, waarbij het soms van kleur verwisselde. Zoo kroop het voort, totdat het een dieper gedeelte bereikt had, en schoot dan eensklaps weg met achterlating van een donker spoor inkt, dat het hol verborg waarin het gekropen was.

Terwijl ik zoo, met het hoofd omtrent twee voet vooruit over het rotsachtig strand naar zeedieren keek, werd ik meer dan eens door een straal water begroet, vergezeld van een zwak knarsend geluid. Eerst kon ik niet begrijpen wat dit was; doch later zag ik, dat het deze inktvisch was, die, ofschoon in een hol verborgen, mij zoodoende meer dan eens tot de ontdekking er van leidde. Dat hij het vermogen bezit om water uit te werpen, valt niet te betwijfelen; en het kwam mij voor dat hij, door den tubus of siphon aan den onderkant van zijn lichaam te richten, wel in staat was zijn doel goed te bepalen. Wegens de moeite, waarmeê deze dieren het hoofd ophouden, kunnen zij, op den grond geplaatst, niet gemakkelijk kruipen. Ik merkte op, dat een exemplaar hetwelk ik in de hand had, in donker zwak phosphoresceerde.

De St.-Paulus-Rotsen. Op onzen tocht over den Atlantischen Oceaan, voeren wij op den morgen van 16 Februari 1832 dicht langs het St.-Paulus Eiland. Deze groep rotsen is gelegen op 0°58′ N.B. en 29°15′ W.L., of wel 540 mijlen van de Amerikaansche kust en 350 van het eiland Fernando Noronha. Het hoogste punt van het eiland ligt slechts 50 voet boven den zeespiegel, en de geheele omtrek meet nog geen driekwart mijl. Dit kleine punt rijst loodrecht uit de diepten van den Oceaan. De mineralogische samenstelling van het eiland is niet eenvoudig: in sommige gedeelten is het gesteente kwarts- of hoornsteenachtig, in andere veldspaatachtig, waarin fijne aderen van serpentijn. Het is merkwaardig, dat al de vele kleine eilanden, ver van eenig vasteland in de Stille, Indische en Atlantische Oceanen gelegen (met uitzondering van de Seychellen8 en dit kleine rotspunt), naar ik meen òf uit koraal òf uit eruptie-stoffen bestaan. De vulkanische gesteldheid dezer oceaan-eilanden is blijkbaar een uitbreiding van de wet, en het gevolg van dezelfde hetzij chemische of mechanische oorzaken, volgens welke eene groote meerderheid der thans werkende vulkanen in de nabijheid van zeekusten of als eilanden midden in zee is gelegen.

De St.-Paulus Rotsen schijnen van verre eene schitterend witte kleur te hebben. Deels is die toe te schrijven aan den mest eener groote menigte zeevogels, deels aan eene harde glinsterende zelfstandigheid met parelachtigen glans, welke de oppervlakte der rotsen bekleedt en nauw daarmeê verbonden is. Met den microscoop onderzocht, blijkt dit bekleedsel te bestaan uit talrijke uiterst dunne lagen, welker gezamenlijke dikte omstreeks het tiende van een inch bedraagt. Zij bevat veel dierlijke materie, en ongetwijfeld is de oorsprong er van toe te schrijven aan de werking van regen of fijnverdeeld zeeschuim op vogelmest. Op Ascension en op de Abrolhos Eilanden vond ik onder eenige kleine hoeveelheden guano zekere vertakte stalactietachtige lichamen, die op dezelfde wijze gevormd schenen als het dunne witte bekleedsel op deze rotsen. Het algemeen voorkomen dezer vertakte lichamen geleek zoo nabij op zekere Nulliporae (eene familie van kalkhoudende zeeplanten), dat ik, onlangs in haast mijne collectie naziende, het verschil niet opmerkte. De bolvormige uiteinden der takken bezitten een parelachtig weefsel, evenals het verglaassel van tanden, maar zoo hard, dat het in spiegelglas krast. Ik wil hier vermelden, dat op een deel der kust van Ascension, waar groote hoeveelheden schelpzand zijn opgehoopt, het zeewater eene korst op de getijrotsen heeft afgezet, overeenkomende met zekere kryptogamische planten (Marchantiae), die dikwijls op vochtige muren worden gezien. De oppervlakte van het loof is fraai glanzig; en die deelen, welke onder de volle werking van het licht gevormd zijn, hebben eene gitzwarte, andere, daarentegen, die door klipranden beschaduwd worden, alleen eene grijze kleur. Aan verscheidene geologen heb ik monsters van deze korst laten zien; en allen meenden, dat zij van vulkanischen of plutonischen oorsprong waren! In hare hardheid en doorschijnendheid; in hare polijsting, welke die van de fraaiste oliva-schelp evenaart; in den onaangenamen geur, dien zij verspreidt, en in het verlies van hare kleur onder de blaaspijp, vertoont die korst eene nauwe verwantschap met nog levende zeeschelpdieren. Bovendien zijn bij zeeschelpen, naar men weet, die deelen welke door den mantel van het dier gewoonlijk bedekt en beschaduwd zijn, bleeker van kleur dan die welke aan het volle licht zijn blootgesteld, juist zooals ook met deze korst het geval is. Bedenken wij, dat kalk, hetzij als phosphorzuur- of als koolzuurzout, een bestanddeel vormt der harde deelen (als beenderen en schelpen) van alle levende dieren, dan is het een belangrijk physiologisch feit, stoffen te vinden harder dan het verglaassel van tanden, en gekleurde oppervlakken even goed gepolijst als dat eener nieuwe schelp, welke door anorganische middelen uit doode organische stof getransformeerd zijn, en bovendien in vorm sprekend op enkele lagere plantaardige producten gelijken.9

Wij vonden op St.-Paulus slechts twee soorten vogels: Bóbo en Nodí.10 De eerste is eene soort rotspelikaan, en de laatste eene zeezwaluw. Beiden zijn tam en dom van aard, en zoo weinig aan bezoekers gewoon, dat ik er zooveel ik wilde met mijn geologischen hamer had kunnen dooden. De bóbo legt zijn eieren op de naakte rots; maar de nodí maakt een zeer eenvoudig nest van zeewier. Naast vele dezer nesten was een kleine vliegende visch gelegd, naar ik vermoed door het mannetje voor zijne gezellin hierheen gebracht. Het was vermakelijk te zien, hoe vlug eene groote en wakkere krab (Graspus), die de spleten der rots bewoont, den visch naast het nest wegstal, zoodra wij de oude vogels verjaagd hadden. Sir W. Symonds, een van de weinige personen die hier geland zijn, deelt mij mede, dat hij de krabben zelfs de jonge vogels uit hunne nesten had zien sleuren en verslinden. Geen enkele plant, geen mos zelfs, groeit op dit eiland; niettemin is het door verscheidene insecten en spinnen bewoond. De volgende lijst omvat, naar ik geloof, de geheele landfauna: eene vlieg (Olfersia), die op den bóbo parasiteert, en eene groote mijt, die als vogelparasiet hierheen gekomen moet zijn; verder een kleine bruine mot, behoorende tot eene soort die op vederen teert; een kever (Quedius) en een houtluis onder den mest; en eindelijk tal van spinnen, die vermoedelijk op deze kleine metgezellen en tafelschuimers der watervogels jacht maken. De vaak herhaalde beschrijving van den statigen palmboom en andere edele tropische planten, van vogels, en eindelijk van den mensch die de koraaleilanden in den Stillen Oceaan terstond na hunne vorming in bezit nam, is waarschijnlijk niet geheel juist. Ik vrees, dat de poëzie van dit verhaal gestoord wordt door de wetenschap, dat vederen- en mestetende, alsmede parasiteerende insecten en spinnen de eerste bewoners van nieuw gevormd oceaanland zijn.

De kleinste rots in de tropische zeeën, als vormende eene basis voor den groei van talrijke soorten zeewier en velerlei dieren, onderhoudt ook een groot getal visschen. De haaien en de zeelieden in de booten voerden een aanhoudenden strijd, wie van beiden het grootste deel van den buit zou behouden, die met de vischsnoeren gevangen was. Ik heb hooren zeggen, dat eene rots nabij de Bermudas, welke vele mijlen ver in zee en op aanzienlijke diepte was gelegen, ontdekt werd door de omstandigheid, dat er visch in de nabijheid was gezien.

Fernando Noronha, 20 Februari 1832. Voorzoover ik in de weinige uren, gedurende welke wij op deze plaats vertoefden, kon nagaan, heeft dit eiland eene vulkanische samenstelling, doch waarschijnlijk niet van jonge dagteekening. Het merkwaardigste dat de natuur hier te zien geeft, is een kegelvormige heuvel van omstreeks 1000 voet hoogte, welks bovendeel buitengewoon steil is en aan eenen kant over zijne basis helt. Het gesteente is phonoliet, en is verdeeld in onregelmatige zuilen. Bij het zien van een dezer geïsoleerde rotsmassa’s, is men eerst geneigd te gelooven, dat zij plotseling in half vloeibaren staat omhoog is gestuwd. Maar op St.-Helena overtuigde ik mij, dat enkele toppen van bijna gelijke gedaante en samenstelling gevormd waren geworden door inspuiting van gesmolten gesteente in weeke aardlagen, die zoodoende als vormen hadden gediend voor deze reusachtige obelisken. Het geheele eiland is met houtgewas bedekt; maar wegens de droogte van het klimaat is er geen overvloed van groen. Halverwege op den berg gaven eenige groote zuilvormige rotsmassa’s, beschaduwd door boomen die op laurieren geleken, en versierd met andere welke met fraaie anjelieren waren bedekt doch geen enkel blad hadden, een aangenaam effect aan de naburige gedeelten van het landschap.

Bahia, of San Salvador.Brazilië, 29 Februari. De dag is genotvol voorbijgegaan. Genot op zichzelf is echter een zwakke term om de gevoelens van een natuuronderzoeker uit te drukken, die voor het eerst in eigen persoon een Braziliaansch woud heeft bezocht. De sierlijke grasgewassen, het nieuwe der parasiteerende planten, de schoonheid der bloemen, het glanzend groen der bladeren, maar bovenal de algemeene rijkdom der plantenwereld, vervulden mij met bewondering. Een zeer zonderling mengsel van geluid en stilte heerscht in de belommerde deelen van het woud. Het geraas der insecten is zoo luid, dat het zelfs gehoord zou kunnen worden op een schip, dat vele honderden yards van de kust voor anker ligt. In de diepten van het woud schijnt echter eene algemeene stilte te heerschen. Voor iemand, die de natuurlijke historie liefheeft, brengt een dag als deze grooter vreugde dan hij ooit mag hopen opnieuw te smaken.