19,99 €
De volkeren van de vier gewesten leven in harmonie, tot de komst van demonen de vrede dreigt te verstoren. Samen met een select genootschap, zijn de elfen Nowa en Nayomi uitverkoren om redding te brengen. Onder leiding van mysticus Amal Kotay vertrekken ze op queeste. Het doel is om alle onderdelen van de staf te bemachtigen waarmee Tribor in een ver verleden de delroc, een machtige demon, had verslagen. Onderweg moeten ze afrekenen met gnomen en vijandige trollenstammen. Bovendien circuleren er geruchten dat de uitgestorven gewaande varda en draks weer onder de levenden zouden zijn. Gelukkig kan de groep op de hulp van bondgenoten en de moeraskat Noss rekenen. Om te kunnen slagen in hun missie, moet het reisgezelschap het belangrijkste element van de staf terugvinden: de magische bloedsteen.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 1091
Veröffentlichungsjahr: 2024
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2024 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99131-887-3
ISBN e-book: 978-3-99131-888-0
Lectoraat:Bram Slembrouck
Vormgeving omslag:Tillike Laban
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
Illustraties: Mischa Nafzger en Tillike Laban
www.novumpublishing.nl
Hoofdstuk I
Het was nog vroeg in de ochtend, toen Nowa en Nayomi op een mooie nazomerse dag op hun gemak door het bos liepen. Zwijgend, ieder in hun eigen gedachte verzonken, wandelden de kinderen langs de rivier De Vlas. Ze volgden de grote rivier stroomopwaarts richting het noorden naar het mooie Rivan, de hoofdstad van de elfen en woonplaats van hun grootouders. Ze ondernamen deze reis éénmaal per jaar, altijd rond dezelfde tijd. De route naar Rivan is eigenlijk vrij eenvoudig, maar de tocht was lang en zoals altijd, behoorlijk vermoeiend. Zeker dit jaar, nu het nog altijd zo warm was zo laat in het jaar. Toch beviel dit Nowa en Nayomi eigenlijk wel. De zomer was altijd al hun favoriete jaargetijde geweest en deze zomer behoorde ongetwijfeld tot één van de mooiste en warmste in de afgelopen tien jaar. Normaal gesproken zouden de kinderen tijdens deze tocht bijna de helft van de reis in de regen hebben gelopen, aangezien de nazomers meestal erg regenachtig waren in dit gedeelte van de wereld. De tocht te voet naar Rivan duurde ongeveer drie weken, tenzij je per paard kon reizen. Dit was echter slechts voor een handvol mensen uit hun dorp weggelegd. Tamme paarden waren zeldzaam en zeer kostbaar. Alleen de burgervader en zijn zoon bezaten er een. De ouders van Nowa en Nayomi hadden geen paard, al zouden ze zich dat best kunnen veroorloven, maar het was geen noodzaak en dus moesten ze elk jaar deze lange reis te voet maken. De kinderen hadden proviand voor ruim tien dagen bij zich, want ze wisten uit ervaring dat ze na een dag of negen de herberg Wel te Vreden zouden bereiken. Hier onderbraken ze hun reis altijd een paar dagen, afhankelijk van het weer en het soort gasten die in de herberg verbleven. De kinderen konden het goed vinden met de herbergier, een hele grote man met een dikke buik, bolle wangen en een enorme, krullende snor. Zijn bijnaam was dan ook heel toepasselijk: Bromsnor. Niet alleen vanwege dat borstelig gewas dat zich stevig op zijn bovenlip had genesteld, maar ook omdat hij voortdurend in zichzelf loopt te praten. Zijn echte naam is Ben Grootvoets. De achternaam is waarschijnlijk ooit eens aan één van zijn voorouders gegeven vanwege de uitzonderlijk grote voeten, die in zijn familie overigens heel normaal waren. Iets wat ook nog heel kenmerkend is aan het uiterlijk van deze grote, vriendelijke man, zijn de kleine ogen. Die waren net blauwe kraaltjes waarin je altijd pretlichtjes kon zien stralen, want hij was altijd goed geluimd. En in deze tijd van het jaar des te meer. Ieder jaar als Nowa en Nayomi in de herberg logeerden, vertelde Bromsnor hun de grappigste en spannendste verhalen die je maar kon bedenken. Ook vond de grote man het geweldig om zijn gasten te vermaken met moppen, alhoewel hij meestal zelf het hardste moest lachen om zijn eigen grappen en grollen. Ook vandaag was hij weer zeer goed gemutst, want hij wist dat zijn twee favoriete gasten weldra weer een paar dagen onder zijn dak zouden vertoeven. De waard was al druk bezig om de twee kamers voor de familie Nasir in gereedheid te brengen. Hij was heel erg gesteld op het gezin en dan met name op de kinderen. Ondanks de recente gebeurtenissen en alle poeha rondom zijn herberg, verheugde hij zich weer heel erg op hun komst. Op datzelfde moment in Vlasdorp, bijna 400 kilometer zuidelijker, liep Mica Nasir zeker voor de vijftiende keer de woonkamer heen en weer. Mica, de vader van Nowa en Nayomi vroeg zich wederom af of hij er wel goed aan had gedaan om zijn kinderen alleen op reis te laten gaan. Mica was een vrij opmerkelijke man. Hij was niet zo heel groot, maar wel breedgeschouderd en behoorlijk gespierd, zeker voor een elf. Hij had scherpe gelaatstrekken en was al jaren de beste smid van Vlasdorp en omstreken. Hij genoot het respect van vrijwel alle dorpelingen. Hij stond namelijk niet alleen bekend als een zeer goed vakman, maar ook als een eerlijke en integere persoon én een bijzonder bekwame zwaardvechter. Dit laatste was misschien een beetje vreemd voor een smid, maar Mica was dan ook niet zomaar de eerste de beste. Zijn passie bestond eruit om de mooiste en sterkste zwaarden te maken en hier vervolgens, voor hij ze verkocht, enkele dagen mee te oefenen. Het was dan ook niet vreemd dat er in de wijde omgeving geen enkele zwaardvechter was die ook maar in de buurt van hem kwam als het ging om behendigheid met allerlei soorten zwaarden en andere steekwapens. Echter voor wie Mica al kende voordat hij en zijn vrouw Mira zich in Vlasdorp hadden gevestigd, kwam dit nu niet bepaald als een verrassing. Hij was tenslotte een voormalig kapitein in het elfenleger geweest en stond bekend als één van de beste zwaardvechters in het elfenrijk. Dit was echter iets waar hij niet graag over sprak en wat hij ook zo lang mogelijk voor de andere dorpelingen geheim had proberen te houden. Het duurde echter niet lang of vrijwel iedereen in de wijde omgeving wist wie hij was en vooral ook wie hij was geweest. Er was de meeste dorpelingen dan ook veel aan gelegen om hem tot vriend te houden. Gelukkig was dat niet zo moeilijk, want Mica was een gemoedelijke man en bleef altijd zeer kalm onder welke omstandigheden dan ook. Alleen vandaag was dat duidelijk niet het geval en Mira had dit al door vanaf het moment dat ze die ochtend waren opgestaan. Zijzelf was de hele ochtend druk in de weer geweest in de tuin, die achter het huisje lag. Nu zat ze op de veranda en was lekker aan het genieten van het heerlijke zonnetje dat aangenaam warm aanvoelde. Mira was een mooie vrouw met lange, rossige haren en opvallende, felgroene ogen. Ze had een mooi, gaaf gezicht en een bijzonder innemende lach. Wat ook meteen aan haar opviel, waren de puntige oren die zo kenmerkend waren voor het nobelste en op één na oudste ras in de vier gewesten: de elfen. Haar vader, koning Argon was dan ook een elf, maar haar moeder behoorde tot het zigeunervolk. Mira begreep heel goed waarom haar man zo liep te ijsberen. Zelf had zij inmiddels haar toevlucht gezocht in een breiwerk. Op deze manier probeerde ze zichzelf wat af te leiden, maar ook zij was bezorgd om haar kinderen. Toch verscheen er een glimlach op haar gezicht terwijl ze naar de ijsberende Mica keek. Heel even moest ze terugdenken aan de dag dat Nowa en Nayomi geboren werden. Als de dag van gisteren herinnerde zij zich hoe haar man, bijna negentien jaar geleden, de beide kinderen in zijn armen gedrukt kreeg. Daar stond hij dan, met zijn twee pasgeboren kindjes in zijn gespierde armen. Hij had een verbaasde maar gelukzalige blik in zijn ogen en plotseling liep er één enkele traan over zijn linkerwang. Nog nooit had Mira zoveel van hem gehouden, dan op dat moment. Weer moest ze even glimlachen en liep vervolgens naar haar man. Ze pakte hem vast en kuste hem liefdevol op zijn mond. “Het komt wel goed liefste. De kinderen zijn slim en verstandig genoeg om niet in problemen te geraken.” Mica keek zijn vrouw dankbaar aan en probeerde een bemoedigende glimlach tevoorschijn te toveren. Nowa en Nayomi waren tot dusver inderdaad nog geen enkel obstakel of probleem tegengekomen. Ze schoten aardig op en genoten met volle teugen van hun nieuwe, pasverworven vrijheid. Dit was namelijk het eerste jaar dat ze deze lange tocht naar hun grootouders in Rivan alleen mochten ondernemen. Voorheen waren hun ouders altijd met hen meegegaan tot aan de herberg Wel te Vreden. En na een kort oponthoud in de herberg werden de kinderen gedurende de rest van de reis naar Rivan door een groepje elfenwachters begeleid. Ook dit jaar zou dit weer het geval zijn en daarom moesten de kinderen het er nu maar van nemen. Op dit moment kon Nowa echter niet echt genieten. De jongen was diep in gedachten verzonken en moest terugdenken aan hun vertrek, zo’n drie uur geleden. Hij had namelijk een behoorlijk heftige woordenwisseling met zijn vadergehad en hij had dingen gezegd waar hij nu alweer spijt van had. Hij hoopte maar dat zijn vader er hetzelfde over dacht. Nowa was altijd al een vrij gevoelige jongen geweest, alhoewel hij absoluut niet zo overkwam. Helaas waren er maar weinig mensen die hem goed genoeg kenden om door zijn koele en zelfverzekerde gedrag heen te kunnen prikken. Veel dorpsgenoten en mensen van buitenaf vonden hem dan ook zo nu en dan zelfs arrogant. Misschien was dit wel enigszins terecht, maar er waren simpelweg ook heel veel jongens en mannen jaloers op Nowa.
Hij was immers een knappe jongen om te zien. Hij was een beetje groter dan zijn vader, bijna net zo breedgeschouderd en ook net zo atletisch.
Hij had blond haar en dezelfde felle groene ogen als zijn moeder. Hij had ook een aantal andere gelaatstrekken van zijn moeder, maar toch leek hij verreweg het meest op zijn vader. Uiteraard hadden hij en zijn zus ook puntige oren, wat zo kenmerkend was voor elfen. Zijn zus leek overigens in alle opzichten sprekend op hun moeder. Zowel qua uiterlijk als karakter was het meisje een evenbeeld van Mira. Ze was lief, zachtaardig en heel edelmoedig. En voor iemand met elfenbloed in zich was ze bovendien verrassend emotioneel, alhoewel dit zonder enige twijfel te danken was aan het zigeunerbloed van haar grootmoeder dat het meisje natuurlijk ook in zich had. Erla, de grootmoeder van de kinderen, was namelijk even emotioneel. Zelfs nu, na meer dan veertig jaar te midden van de elfen te hebben geleefd, was ze nog altijd net zo gepassioneerd als de dag waarop ze Argon leerde kennen.
Heel ver van Vlasdorp, ruim 900 kilometer naar het noorden, liep Erla op dit moment langs de oever van het Nassarimeer. Het enorme meer was naar Paladijn Nassari vernoemd, de legendarische elfenkoning van weleer. Erla kwam wel vaker naar het meer om te wandelen en na te denken. En door de geruchten van wat zich de laatste maanden allemaal had voorgedaan in de Vier Gewesten was ze nogal ongerust over haar dochter en kleinkinderen. Ze had er dan ook bij haar man op aangedrongen dat hij een patrouille elfenwachters erop uit zou sturen om naar hen op zoek te gaan. Uiteraard had Argon haar verzoek maar al te graag ingewilligd. Hij kon niet snel nee zeggen tegen zijn vrouw. Zelfs nu ze binnen een paar weken haar tweeënzestigste verjaardag zou vieren, was Erla nog altijd een bijzonder mooie vrouw. Ze was klein van stuk en haar eens gitzwarte haar was inmiddels zilvergrijs geworden, maar ze had nog altijd een mooi, gaaf gezicht. En haar grote, zwarte ogen waren nog net zo helder en hypnotiserend als toen Argon Nassari haar leerde kennen. Het waren die mooie ogen die de koning der elfen het eerst waren opgevallen en waar hij zichzelf al heel snel in zou verliezen.
De normaliter zo gedisciplineerde elf was als een blok graniet gevallen voor de knappe zigeunerin. Erla was immers ontzettend verleidelijk met haar mooie, grote ogen, gave gezicht en vrouwelijke rondingen. In eerste instantie zag men er in Rivan geen kwaad in. Dergelijke affaires kwamen wel vaker voor tussen elfen en mensen. Maar na de eerste paar hartstochtelijke dagen werd het al snel duidelijk dat dit meer was dan een kortstondig avontuurtje. Er volgden voorzichtige protesten vanuit de raad der ouderen, maar Argon wuifde alle bezwaren weg. De koning was ondertussen zo verliefd op Erla dat hij brak met de traditie van zijn trotse volk. Nog datzelfde jaar trouwde hij met de mooie zigeunerin.
Voor de jonge vrouw was het in het begin heel moeilijk om zich aan te passen aan de gebruiken en levensstijl van de elfen. En het duurde ook een hele tijd eer de elfen gewend waren aan het idee dat iemand van buitenaf naast hun koning op de troon zat, maar uiteindelijk wist de charmante jonge zigeunerin vrijwel iedereen voor zich te winnen. Door hun huwelijk werd ook de omgang met het mensenras langzaam maar zeker weer wat aangehaald en de jonge koningin introduceerde door de jaren heen ook meerdere feestdagen in het elfenrijk. In gedachten verzonken ging Erla op het gras aan de oever van het meer zitten. Ze dacht terug aan vroeger en er verscheen een glimlach op haar gezicht. Ze ging op haar rug liggen en keek naar de wolken die hoog boven haar traag voorbijdreven. Ze deed haar ogen dicht en droomde weg. Lissan en Ilyas, twee van de in totaal twintig koninklijke lijfwachten die over haar veiligheid moesten waken, stonden op een afstandje naar haar te kijken.
“Waar zou ze over dromen?” “Ik weet het niet Ilyas, maar ik weet wel dat ze zich zorgen maakt over haar kleinkinderen.” Plotseling werd het ijskoud en de elfen keken verschrikt om zich heen. Het vrolijke gezang van de vogels en het getjilp van de krekels verstomde. Lissan en Ilyas renden naar de koningin en ook de andere elfenwachters haastten zich naar de oever waar Erla lag te slapen. Toen werd het donker, alsof er een grote donkere wolk voor de zon schoof. Maar toen ze omhoogkeken, zagen ze echter dat de hemel gevuld was met grote zwarte wezens. “Wat zijn dat voor een vogels?” “Dat zijn geen vogels, dat … dat zijn draks!!” Plotseling maakte een aantal van de wezens zich los van de zwerm. “Ze komen op ons af!” De grote reptielachtige vogels kwamen inderdaad pijlsnel recht op het groepje elfen afgevlogen. Lissan riep naar de koningin dat ze wakker moest worden. Erla opende haar ogen en keek verschrikt om zich heen. “Majesteit! We worden aangevallen door draks!” De koningin keek omhoog en zag een stuk of tien van de grote zwarte wezens op zich afkomen. Ilyas pakte zijn boog en schoot een pijl af op de voorste drak. De pijl ketste echter gewoon af op de dikke, leerachtige huid. “Schieten heeft geen nut van deze afstand. Wacht tot ze dichterbij zijn!” Alle elfen hadden inmiddels hun boog in de hand. “Ze komen nu wel erg dichtbij!” De koningin werd inmiddels helemaal door haar wachters omringd.
“Nu!” Alle elfen schoten op de voorste draks en twee dieren vielen met meerdere pijlen door hun schedel naar beneden. Drie andere raakten gewond en stortten op de grond en in het meer. De elfen hadden ondertussen al een tweede en sommige zelfs een derde pijl afgeschoten. Er werden nog drie dieren gedood en twee andere werden ernstig verwond. Twee van de draks stortten zich nu op de elfen en ze konden de draakachtige dieren maar nauwelijks ontwijken. Onmiddellijk verruilden de elfen hun bogen voor lansen en gingen ze op de grote reptielachtige vogels af.De elfen hadden hen volledig omsingeld en vielen onophoudend, beurtelings aan. Al gauw hadden de draks er genoeg van. Schril krijsend vlogen ze de lucht in en verdwenen in de verte. “Koningin we kunnen maar beter terug naar de veiligheid van het paleis gaan.” Erla knikte ietwat afwezig. Ze was toch een beetje van haar stuk gebracht door de aanval van daarnet. De koningin en haar wachters liepen zo snel als ze konden naar hun paarden en even later waren ze in volle galop op weg naar Rivan. “Ik wil wel dat de lijken van die smerige wezens worden verbrand.” “Dat komt goed majesteit. Ik zal straks met een aantal wachters teruggaan. Nu moeten we er eerst voor zorgen dat u in veiligheid bent.”
Nowa en Nayomi, de kleinkinderen van de koningin, hoefden zich gelukkig geen zorgen te maken over draks, maar er waren echter genoeg andere gevaren waar ze rekening mee moesten houden. Ze wandelden nog altijd op de grote bosweg die evenwijdig aan de rivier De Vlas liep. Onder het dichte bladerdak was het relatief koel en waren ze ook veilig voor spiedende ogen vanuit de lucht. De kinderen waren zich echter heel goed bewust van de gevaren die schuilgingen in deze bossen. Er leefden namelijk allerlei roofdieren en sommige van deze carnivoren vormden ook voor mensen en elfen een serieus gevaar. Gelukkig lieten zelfs de grootste van hen zich maar zelden aan de reizigers op de bosweg zien. Dat nam echter niet weg dat de reizigers maar beter op hun hoede konden zijn. Toch waren roofdieren niet eens het grootste gevaar in deze contreien. Nee, het grootste gevaar vormden wellicht de rivierpiraten. Mica had zijn kinderen er dan ook nadrukkelijk voor gewaarschuwd om de rivier in de gaten te houden en hij had hen ook geadviseerd om niet te dicht bij de rivieroever te overnachten. Het liep inmiddels tegen het einde van hun eerste reisdag en het was al behoorlijk donker geworden. Het was nog altijd lekker warm en er was geen wolk aan de lucht te bespeuren. “We zullen maar eens langzaam voor een slaapplek gaan uitkijken.” “Ja, maar we hoeven de tent niet op te zetten, of wel?” Nowa schudde zijn hoofd. “Dat hoeft inderdaad niet.” Even later hadden de kinderen een mooi plekje gezien. Ze liepen een aantal meter het bos in en spreidden elk hun slaapzak uit. Nowa maakte een kampvuurtje, zodat Nayomi wat soep kon opwarmen. De kinderen aten rustig hun tomatensoep op en daarna bleven ze nog een hele tijd vertellen. Toen gingen ze op hun slaapzak liggen en Nayomi probeerde een geeuw te onderdrukken. De tweeling had die dag een behoorlijke afstand afgelegd en slechts twee keer ee halfuurtje gepauzeerd. Ze waren daarom behoorlijk moe en vielen al snel in slaap. Zelfs Nowa, die nog weleens moeite had om in slaap te geraken, was nu slechts enkele minuten na zijn zus ingedommeld. Nayomi had die dag overigens wel wat vaker of langer willen rusten, maar haar broer wilde zo snel mogelijk Rivan bereiken.
De jongen was namelijk heel erg gesteld op zijn grootvader en diens zoon: prins Aron. Aron was altijd al als een broer voor Nowa geweest. De jongens hadden in het verleden heel wat kwajongensstreken uitgehaald. Nowa kon dan ook niet wachten, om zijn oom weer te zien. De avond verliep rustig en ging langzaam over in de nacht. Het kampvuur was al lang uitgegaan en de tweeling lag vredig te slapen. In Vlasdorp kon hun vader echter de slaap niet vatten. Hij staarde door het open raam naar de stralende sterrenhemel en vroeg zich af of zijn zoon ook niet kon slapen. Vast weldacht hij bij zichzelf. Hij wist namelijk maar al te goed hoe vermoeiend de voetreis naar Rivan kon zijn. En zeker nu, met dit warme weer. Het duurde nog lang eer hij in slaap viel en hij werd de volgende ochtend dan ook pas laat wakker. Hij wreef de slaap uit zijn ogen, rekte zich langzaam uit en stond op. Beneden in de keuken hoorde hij zijn vrouw zingen. Mira was altijd opgewekt en ook deze morgen was dat niet anders. Toen ze haar man de trap af hoorde komen, liep ze meteen naar hem toe en gaf hem een dikke kus. “Eindelijk wakker schat?” Mica wilde antwoorden, maar toen hij naar haar keek en die ontwapenende glimlach zag, pakte hij zijn vrouw vast en omhelsde haar innig. “Ik hoop dat ik er goed aan heb gedaan om niet zelf achter de kinderen aan te gaan.” Mira keek haar man even aan en schudde haar hoofd. “Ik weet zeker dat ze veilig zullen zijn bij de mysticus. En heb je Noss gisteren eens goed bekeken?” Mica knikte instemmend. “Ja, ik weet het lieverd. Je zult vast wel gelijk hebben.” Mira glimlachte. “Dat hoor ik ook niet zo vaak uit jouw mond komen.” Haar man glimlachte nu ook. “Tja, ik kan het ook niet helpen dat ik vaker gelijk heb dan jou.” Mira gooide haar armen theatraal de lucht in, alsof ze een hogere macht om hulp vroeg. Toen keek ze haar man lachend aan. “Ik ga een lekker ontbijtje voor ons klaarmaken.” Hierop liep ze terug naar de keuken en ging aan de slag. Nowa en Nayomi hadden inmiddels alweer de nodige kilometers afgelegd. De tweeling was die ochtend heel vroeg wakker geworden en na een eenvoudig ontbijt, dat bestond uit brood, kaas en melk, waren ze meteen weer op pad gegaan. De kinderen hadden heerlijk geslapen en waren goed uitgerust. Vol goede moed liepen ze wederom een paar uur stevig door, zonder te rusten of hun pas in te houden. Ze hadden al bijna vijf uur gelopen en waren druk aan het vertellen toen Nayomi plotseling stil bleef staan. Nowa hield nu ook halt en keek achterom naar zijn zus. “Wat is er Nana? Heb je honger of ben je moe? Zullen we even gaan pootjebaden in de rivier en wat eten?” Het meisje reageerde echter niet. Ze zette grote ogen op en Nowa zag duidelijk dat ze bang was.
“Wat is er zusje?” Toen wees ze in de richting van de rivier. Haar broer volgde haar hand en keek nu ook naar het water. Vrijwel onmiddellijk zag hij wat zijn zus zo had laten schrikken en meteen ging hij op zijn hurken zitten en trok Nayomi met zich mee. De jongen liep gehurkt richting het bos en gebaarde zijn zus hem te volgen. Toen ze eenmaal in de beschutting van de bomen waren, stond hij weer op. “Ik ga even een kijkje nemen van wat dichterbij. Blijf jij maar hier zus.” “Zou je dat wel doen Nono? Je weet wat vader heeft gezegd.” Nowa keek zijn zus even vriendelijk aan, gaf haar een knuffel en liep vervolgens op zijn hurken in de richting van de rivier. Toen hij dichterbij kwam liet hij zich op zijn knieën zakken en kroop toen verder naar een grote bessenstruik. Voorzichtig duwde hij de struik wat uit elkaar. Hij had nu een duidelijk zicht op de rivier. Hij zag wat verderop een kleine rivierschuit en drie ruig uitziende mannen die op het dek zaten. De mannen waren één of andere pap of brij aan het eten en één van hen liet zo’n harde boer dat Nowa het zelfs op die afstand nog duidelijk kon horen. Op dat moment zag de jongen een vierde figuur op het dek verschijnen. Het was een meisje, waarschijnlijk nog wat jonger dan hemzelf. Ze had een zwarte ketel in haar hand en vroeg zo te zien iets aan de mannen. Die negeerden haar echter volledig. De man die de harde boer had gelaten, hield zijn kom nu omhoog en het meisje vulde hem opnieuw met het goedje uit de ketel. Vervolgens ging ze in een hoekje zitten en begon zelf ook gulzig te eten. Nowa had genoeg gezien en baande zich voorzichtig een weg terug naar zijn zus. “Gelukkig, daar ben je weer. En?” De jongen pakte zijn bagage op en nam zijn zus bij de hand. “Kom Nana, we gaan een stuk door het bos.” Hij stopte echter alweer snel en keek het meisje aan. “Ik denk dat het rivierpiraten zijn” Nayomi keek haar broer geschrokken aan maar zei niets. Toen liepen ze stilletjes verder. Na ongeveer vijfhonderd meter gingen ze weer de bosweg op. “We moeten nu even stevig doorstappen. Over een halfuur zullen we wel stoppen om te rusten en wat te eten.” En dus wandelden de kinderen verder en na ruim drie kwartier op een flink tempo te hebben doorgelopen, gingen ze weer van de weg af en liepen het bos in. Toen de kinderen even later met hun rug tegen een dikke boom aan zaten en wat gegeten hadden, deed Nayomi haar ogen even dicht. “Ben je moe?” Het meisje knikte, maar zei niets.Nowa zei ook niets meer en zat een hele tijd voor zich uit te staren. “Ik begrijp het niet,” zei de jongen opeens. Zijn zus opende haar ogen en keek hem vragend aan. “Vader zei dat we de eerste paar dagen niet bang hoefden te zijn om rivierpiraten tegen te komen.” Nayomi knikte. “Ik weet het. Dat heb ik hem inderdaad ook horen zeggen. Blijkbaar had hij het mis.” Ze bleven nog een tijdje praten en na ongeveer een halfuur gingen ze weer verder. De tweeling hield het tempo er goed in en ze hielden de rivier scherp in de gaten. Tot hun beider opluchting zagen ze de rivierpiraten echter niet meer. Toch praatten ze niet meer zoveel als de vorige dag en met name Nayomi was behoorlijk gespannen. Haar broer had het in de gaten en probeerde haar wat gerust te stellen. Het meisje bleef echter nerveus en schrok van ieder onverwacht geluid dat ze hoorde. Nowa dacht even na en had toen een idee. “Ik weet wat.” Het meisje keek hem verbaasd aan. “We gaan het bos in en blijven vandaag daar lopen. We komen dan waarschijnlijk niet zo snel vooruit als op de weg, maar we lopen veel minder risico om gezien te worden door de rivierpiraten. Zijn zus vond dat een goed idee, maar wilde ook weer niet te ver het bos in gaan omdat ze bang was dat ze dan zouden verdwalen. Nowa wist zijn zus er echter van te overtuigen dat dit niet zou gebeuren. Toen ze een tijdje door het bos hadden gelopen, begon het plannetje van de jongen te werken. Nayomi was nu duidelijk rustiger en vroeg hem op een gegeven ogenblik wat hij precies had gezien. Haar broer vertelde dat hij drie ongure kerels en een meisje op de boot had gezien en dat het meisje door de mannen genegeerd werd en zich erg onderdanig gedroeg. Nayomi dacht dat het meisje een slavin was. “Misschien is ze wel ontvoerd.” “Tja, wij kunnen daar nu toch niks aan doen, maar als we bij de herberg aankomen geven we het wel door aan de elfenpatrouille die ons moet begeleiden. Goed?” Nayomi knikte afwezig en moest denken aan het arme meisje op de boot. Toen ze een paar uur door het bos hadden gewandeld, vond Nowa het wel welletjes. “Kom, we gaan weer naar de weg terug.” De kinderen zochten zich een weg tussen de bomen en het dichte struikgewas door en nog geen tien minuten later liepen ze weer op de bosweg. Ondanks dat ze behoorlijk moe begonnen te worden en honger hadden, liepen ze nog ongeveer een uur verder. Toen gingen de kinderen weer een eindje het bos in en lieten zich op de grond ploffen. Nowa vond dat ze beter geen kampvuur konden maken en dus aten ze een eenvoudige maaltijd van kaas, gedroogd fruit en noten. Ze dronken wat melk en water en na ongeveer een halfuur gingen ze weer verder. Nayomi was erg stil en moest voortdurend denken aan het meisje. “Misschien zijn het wel gewoon zigeuners.” “Hoe bedoel je?” “De mensen op de boot.” “Tja, daar had ik ook al aan gedacht, maar iets zegt me dat het niet zo is.” Toch hield Nayomi vol dat het een zigeunerfamilie kon zijn. Hun grootmoeder had haar immers verteld dat in de meeste van deze nomadenfamilies vrouwen niet als gelijkwaardig werden beschouwd. Zigeuners trokken ook door vrijwel alle uithoeken van de Vier Gewesten. Soms met paard en wagen en soms over de rivier. Ze zagen er vaak ook een beetje verwilderd uit. Het kon ook verklaren waarom het meisje pas als laatste mocht eten. Dat is namelijk ook heel normaal bij zigeuners. In veel families werden de vrouwen minder goed behandeld dan de paarden. Gelukkig waren er ook steeds meer progressieve families waarin vrouwen meer rechten hadden en soms zelfs bijna als gelijkwaardig werden beschouwd. Helaas zijn er wel nog altijd bepaalde tradities waar je als dochter van een zigeuner niet onderuit komt. De belangrijkste is zonder enige twijfel het uithuwen van meisjes aan een man van een rijkere familie. Het kan namelijk zomaar voorkomen dat een zigeuner van een belangrijke familie een mooi meisje ziet en haar dan simpelweg wil hebben. Als het desbetreffende meisje tot een traditionele familie behoorde, was dit meestal geen probleem. Het arme meisje werd dan gewoon letterlijk verkocht. Heel af en toe kwam het voor dat ze er zelf mee instemde en uiteindelijk bij haar nieuwe familie een beter leven had. Helaas kwam het echter veel vaker voor dat het meisje in kwestie probeerde weg te lopen of in het ergste geval zichzelf van het leven beroofde. Als het om een modernere familie ging, dan leidde dit in heel veel gevallen tot een ware vete tussen de twee families. Deze vete werd vaak van generatie op generatie overgedragen en werd steeds heviger. Plotseling pakte Nowa zijn zus bij haar arm. “Hallo Nana, waar ben je geweest?” Het meisje schrok op uit haar overpeinzingen en probeerde te glimlachen. “Ik kan maar niet stoppen met aan dat meisje te denken. En ik herinnerde me wat oma ons allemaal heeft verteld over haar mensen. Ik hoop echt dat je het mis hebt.” Haar broer knikte.
“Ja, ik weet het. Ik hoop het zelf ook. Probeer er voorlopig niet meer aan te denken. Het komt vast wel goed met haar.” Nowa bleef even staan en gaf zijn zus een stevige knuffel. Hij keek haar nog even bemoedigend aan en toen liepen ze weer verder. Ze besloten om, op een wat rustiger tempo, zolang mogelijk door te lopen en dan een geschikte kampeerplaats voor de nacht te zoeken. De tweeling kwam die dag verder niemand tegen op de bosweg en ook op de rivier was niets of niemand te zien. Na nog ruim vier uur te hebben doorgelopen, was Nayomi zo moe dat ze begon te struikelen. Haar broer ving haar de eerste keer nog op, maar toen ze voor de tweede keer struikelde, was hij te laat. Hij ging even naast zijn zus op de grond zitten en liet zijn hoofd tussen zijn knieën hangen. “Ik ben ook moe Nana. Laten we maar een slaapplaats gaan zoeken. Het begint trouwens ook al te schemeren.” Het meisje knikte en stond samen met haar broer op. Ze liepen vervolgens het bos in en zochten een tijdje naar een geschikte kampeerplaats. Ten slotte besloten ze om op een kleine open plek in het bos hun kamp op te slaan. Nowa vond dat ze het er wel op konden wagen om een kampvuur te maken en ging meteen op zoek naar brandhout. Toen hij terug was en het vuur had gemaakt, bereidde Nayomi een lekker groentestoofpotje. De kinderen lieten het zich goed smaken en Nowa was al aan zijn tweede portie bezig toen zijn zus een stuk brood tevoorschijn haalde en in tweeën brak. Ze gaf een stuk aan haar broer en schepte ook nog een keer op voor zichzelf. “Morgenvroeg moeten we wel de nappen even schoonspoelen in de rivier.” Nowa knikte. “Dat komt wel goed zus.”
Na de laatste hap liet het meisje zich voldaan onderuit zakken. “Dat was lekker hé?” “Ja inderdaad, we boffen maar met moeder.” Nowa rolde een boomstam wat dichterbij en ging er samen met zijn zus tegenaan zitten. De kinderen vertelden nog een tijdje, maar toen Nayomi begon te geeuwen, stond haar broer op. “Ga jij maar lekker slapen Nana. Ik ga nog even wat houtsprokkelen.” “Het is nog niet eens helemaal donker. Ik wacht wel op je.” Nowa glimlachte naar zijn zus en liep dieper het bos in. Toen hij een kwartiertje later terugkwam, lag het meisje te slapen. Hij gooide een gedeelte van de takken op het kampvuur, rolde de slaapzak van zijn zus uit, tilde haar op en legde haar op de slaapzak. “Slaap lekker zusje.” Daarna rolde hij zijn eigen slaapzak ook uit en ging zitten. Hij staarde door de bomen naar de heldere hemel en zag dat het inmiddels helemaal donker was geworden. Zijn gedachten dwaalden af naar de gebeurtenissen van eerder die dag. Hij realiseerde zich hoeveel geluk ze hadden gehad en was blij dat het allemaal goed was afgelopen. Langzaam maar zeker begon hij ook te begrijpen waarom hun vader er in eerste instantie zo op tegen was geweest om hen alleen te laten gaan. Aanvankelijk had het er ook niet naar uitgezien dat de kinderen hun zin zouden krijgen. Echter, de avond voor ze zouden vertrekken, riep hun vader hen bij zich.
Nowa zag hem nog in zijn schommelstoel op de veranda zitten. Hij zat naar de weerspiegeling van de ondergaande zon in het Vlasmeer te staren en was diep in gedachten verzonken. Het was erg warm die avond en alleen het zachte koele briesje verraadde dat de zomer langzaam ten einde liep. Toen Nowa en Nayomi voor hem gingen staan, sloot hij zijn ogen even en keek zijn kinderen vervolgens vriendelijk aan. “Jullie moeder en ik hebben besloten … dat jullie alleen mogen gaan.” Nowa en Nayomi keken eerst elkaar en daarna hun vader vragend aan. Ze hadden alle hoop al opgegeven en waren er al vanuit gegaan dat ze de volgende ochtend, zoals altijd, samen met hun ouders richting Rivan zouden vertrekken. “Wat heeft u van gedachten doen veranderen vader?” Mica keek zijn kinderen beurtelings aan en zag de verbazing in de ogen van de tweeling. Er verscheen een brede glimlach op zijn gezicht.“Dat hebben jullie aan je moeder te danken.” Toen stond hij op en liep langs zijn kinderen de veranda af richting het Vlasmeer. Een eindje verderop ging hij in kleermakerszit op de steiger zitten en keek zwijgend uit over het water. Het was net of er een immens grote, gouden spiegel voor hem op de grond lag. De kinderen stonden nog altijd op de veranda naar hem te kijken. Het was niet vreemd dat hun vader bij het meer ging zitten. Dat deed hij immers wel vaker als hij alleen wilde zijn of ergens goed over na wilde denken. Wat echter wel nieuw voor hen was, was het feit dat hun vader van gedachte was veranderd. Als hij eenmaal een besluit had genomen, dan kon normaalgesproken niks of niemand het hem uit zijn hoofd praten, zelfs hun moeder niet. “Ik geloof er niks van. Als pap een beslissing heeft genomen, kan niemand dat nog veranderen, ook mam niet.” Nayomi zei niets, maar wist dat haar broer gelijk had. “Ik ga het aan haar vragen.”
Ze draaide zich om en liep naar de deur, maar net toen ze de deurklink naar beneden wilde doen, ging de deur open en stond hun moeder in de deuropening. “En, heeft vader al met jullie gesproken?” De kinderen knikten en keken hun moeder nu vragend aan. Mira liep naar het bankje op de veranda en ging zitten. De kinderen vlijden zich voor haar op de grond neer. “Mam, is het waar? Mogen we echt alleen naar Rivan gaan?” Hun moeder knikte. “Ja inderdaad, dat klopt.” Nowa kon wel juichen, maar de jongen hield zich in. Nayomi veerde echter op en maakte wel een vreugdesprongetje om vervolgens haar moeder om de nek te vliegen. “Bedankt mam! Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?” Mira lachte geheimzinnig. “Ik heb zo mijn manieren … maar als jullie het echt willen weten: ik heb hem gewoon aan zijn eigen jeugd laten herinneren, meer niet.” De kinderen keken haar nu wederom verbaasd aan, maar toen herinnerde Nowa zich de verhalen die zijn vader hem vroeger altijd vertelde als hij hem naar bed bracht en begreep wat zijn moeder bedoelde. Toen stond Mira op en liep weer richting de deur. “Ik ga de rugzakken in orde maken. En als ik jullie was, dan zou ik vanavond maar lekker vroeg gaan slapen.”
Plotseling schrok Nowa op uit zijn gedachten door het geluid van een dorre tak die brak. Onmiddellijk stond hij op en keek speurend om zich heen. De jonge elf kon echter niet verder zien dan de lichtkring van het kampvuur. Hij vroeg zich af wat het geluid kon zijn geweest en bleef nog een paar minuten lang gespannen staan luisteren. Hij hoorde echter niets meer, maar juist toen hij weer wilde gaan zitten, hoorde hij vlak achter zich opnieuw takjes kraken en bladeren ritselen. Onmiddellijk draaide hij zich razendsnel om en trok tegelijkertijd met één vloeiende beweging zijn priss. Een vlijmscherpe dolk, met een gebogen lemmet van ruim veertig centimeter lang. Nowa keek in de richting van waar het geluid was gekomen, maar hij kon nog altijd niet verder kijken dan de lichtkring om het kampvuur. Hij vloekte zachtjes in zichzelf en kneep toen zijn ogen samen, alsof hij zo door de duisternis kon priemen.
Toen hij na een tijdje niks meer had gehoord, pakte de jongen een brandende tak uit het vuur, die als fakkel dienst moest doen. Vervolgens liep hij voorzichtig in de richting van het struikgewas, waar hij het geritsel had gehoord. Hij vond hier echter niets en liep vervolgens in een steeds groter wordende cirkel om hun slaapplaats heen. De jonge elf kon echter niets ontdekken. Uiteindelijk liep hij dan ook weer terug naar het kleine kamp waar zijn zus nog altijd vredig lag te slapen. Hij stookte het kampvuur op en gooide er vervolgens nog wat dikke takken op.Waarschijnlijk een dier dat geschrokken was toen hij zich zo snel had omgedraaid met het grote mes in zijn handendacht de jongen bij zichzelf. Hij moest nu ook geeuwen en ging op zijn slaapzak liggen. Een tijdje lag hij op zijn zij naar het vuur te staren … Niet veel later viel de jongen in slaap.
De zon was nog niet lang ten tonele verschenen toen een kleine hand Nowa bij zijn schouder vastpakte en rustig wakker schudde. Toen hij zijn ogen opende, keek hij recht in de mooie, felgroene ogen van zijn zus. “Goedemorgen, lekker geslapen?” Nowa keek slaperig om zich heen en ging rechtop zitten. Hij wreef de slaap uit zijn ogen, rekte zich uit en ademde de ochtendlucht in. Terwijl ze een eenvoudig ontbijt nuttigden, vertelde de jongen zijn zus wat er zich gisterenavond had voorgedaan. Nayomi nam het gelukkig luchtig op en dacht dat haar broer gelijk had gehad in zijn veronderstelling dat het waarschijnlijk een nieuwsgierig dier was geweest. Het verbaasde Nowa toch wel enigszins dat zijn zus het allemaal zo luchtig opnam, maar misschien had ze wel gelijk en had hij zich te veel zorgen gemaakt. Toch kon hij de gedachte niet van zich afzetten dat er gisteren iets héél anders dan een onschuldig dier rondom hun kamp had geslopen. Hij wilde zijn zus echter niet onnodig ongerust maken en hield zijn vermoeden voor zich. Na het ontbijt baanden de kinderen zich weer een weg terug richting de rivier. Even later liepen ze dan ook weer op de grote bosweg. Ze hielden de rivier nauwlettend in de gaten en keken uit naar de boot die ze de vorige dag waren tegengekomen. De jongen en het meisje zagen echter geen enkel teken van leven op de rivier en dus ging Nayomi bij de eerste de beste geschikte plek op haar knieën zitten en haalde de vuile kommetjes tevoorschijn. Snel maakte de elfin de twee kommen schoon en stopte ze weer terug in haar rugzak. Daarna liepen ze nog een eindje langs de rivier verder en gingen toen voor de zekerheid toch maar weer terug naar de bosweg. De kleinkinderen van de elfenvorst liepen vervolgens bijna vier uur stevig door. Ze wilden net van de weg afgaan om even wat uit te rusten en te eten, toen ze in de verte een wagen zagen aankomen die door een groot, zwart paard werd voortgetrokken.
“Zou dat Malek zijn?” “Ik weet het niet Nana, maar dat is heel goed mogelijk. Laten we ons voor de zekerheid toch maar even inhouden.” De kinderen gingen achter een dikke berkenboom staan en wachtten geduldig af. Na een paar minuten keek Nowa voorzichtig om de boom. Meteen verscheen er een glimlach op zijn gezicht en hij stapte achter de boom vandaan de weg op. Hij draaide zich om naar zijn zus. “Het is Lokem.” Lokem Malek was de eigenaar van De Vuurvlieg, een kleine herberg midden in hun dorp. De herbergier kwam zo te zien net terug van zijn driemaandelijkse bevoorradingstrip. De waard sloot zijn herberg vier keer per jaar gedurende twee á drie weken en ging dan nieuwe voorraad bij zijn neef halen. Zijn neef Ben Grootvoets was de eigenaar van de herberg Wel te Vreden.De olijke waard wist zijn neef iedere keer opnieuw over te halen om een paar dagen bij hem te blijven, zodat hij kon genieten van wat welverdiende rust. Lokem en zijn neef communiceerden middels postvogels. Zo wist Ben Grootvoets altijd precies wanneer zijn neef bij hem op visite zou komen. Dat was wel zo handig aangezien Bromsnor op zijn beurt de goederen in Rivan moest gaan halen. Gelukkig had de waard een regeling kunnen treffen met de ouderenraad van de elfenhoofdstad. Voor een kleine vergoeding lieten zij namelijk de gewenste goederen bij de herbergier bezorgen. Het enige dat Ben hoefde te doen, was een postduif met hetboodschappenlijstje naar Rivan sturen en enkele dagen later werden de gevraagde goederen voor zijn deur afgeleverd. Inmiddels was Nayomi naast haar broer op de bosweg gaan staan. Ze wachtte samen met hem tot Lokem Malek bij hen was. Lang hoefden ze niet te wachten, want even later stopte de wagen vlak naast de tweeling. “Hallo kinderen, wat doen jullie hier? En waar zijn jullie ouders?” “Waarschijnlijk thuis,” zei Nowa ietwat triomfantelijk. De dikke man keek de jongen verbaasd aan en keek toen naar zijn zus. Het meisje knikte. Lokem trok een van zijn wenkbrauwen scheef omhoog en kneep zijn ogen samen tot kleine spleetjes. Toen begon hij opeens heel hard te lachen, zo hard dat zijn dikke buik op en neer schudde. De man had een heel guitig gezicht en was helemaal kaal. Hij was lang niet zo groot als zijn neef, maar was wel altijd net zo opgewekt en goedlachs. “Ik wilde net stoppen om wat te eten. Hebben jullie zin om mij gezelschap te houden?” De kinderen accepteerden het aanbod van de vriendelijke man maar al te graag. Ze wisten namelijk maar al tegoed, dat wanneer hij terugkwam van zijn bevoorradingsreis, hij altijdboterkoek bij zich had. Dit was één van de favoriete lekkernijen van beide kinderen. Nowa stond normaal gesproken de herbergier altijd in het dorp op te wachten. Hij was er dan als de kippen bij om de dikke man te helpen met het uitladen en opbergen van de goederen. Als beloning kreeg de jongen altijd een flinke plakboterkoekvoor hemzelf en zijn zus. Lokem was inmiddels al achter in de wagen geklommen. Hij gaf Nowa één voor één drie tonnetjes aan om op het gras naast de bosweg te zetten. Toen maakte hij een kist open die volledig gevuld was met op elkaar gestapelde platen. Op elke plaat lag een plak boterkoek van vijftig cm breed en vijftig cm lang. De dikke man sneed drie grote stukken uit de bovenste plak en gaf beide kinderen er één. De dikke man klom voorzichtig van de wagen af en ging ook op een tonnetje zitten. Samen zaten ze nu lekker te smullen van de heerlijkeboterkoek. De lekkernij smolt bijna vanzelf op je tong zodra je het in je mond stopte. De kinderen waren nog altijd aan het genieten toen Malek zijn koek al lang op had. De dikke man zat te glunderen terwijl hij naar de kinderen keek. Plotseling stond hij op, rende naar de voorkant van de wagen en klom op de bok. Hij bewoog zo snel en soepel, dat de kinderen hem verbaasd met grote ogen nakeken. De herbergier ging rechtop op de wagen staan en tuurde over de bosweg in de richting waar hij zojuist vandaan was gekomen. Hij hield zijn handen boven zijn ogen, alsof hij zo beter of verder kon zien. Hij bleef zo een tijdje staan kijken en klom toen weer langzaam van de bok af. Hij aaide zijn trouwe ros over zijn hoofd en liep toen weer naar de kinderen. “Wat is er Lokem?” “Oh niets hoor. Ik zag stofwolken in de verte en wilde even weten wie of wat eraan komt. Je weet tegenwoordig maar nooit. Ik bedoel, met alles wat je de laatste tijd hoort.” De kinderen keken hem nu vragend aan. “Ach, luister maar niet naar mij, dat doe ik zelf ook niet.” De man moest nu hard lachen en knipoogde naar de kinderen. “Maar wie komt er dan aan Lokem?” “Goed volk, jullie volk om precies te zijn. Ze zullen wel zo hier zijn.” En inderdaad, slechts enkele minuten later hield een elfenpatrouille naast hen halt. Het was een grote patrouille van meer dan dertig elfenwachters.
Één van de elfen stapte van zijn paard af en maakte een kleine, beleefde buiging toen hij voor de drie reizigers stond. Hij stelde zich in de gemeenschappelijke taal voor als luitenant Sela en vroeg of alles in orde was. Lokem en de kinderen knikten. Sela babbelde nog heel even met hen en klom toen weer in zijn zadel. Hij maakte wederom een kleine buiging en trok toen verder met zijn mannen. Plotseling herinnerde Nayomi zich het meisje op de boot. Ze stond op en riep de wachters iets in de elfentaal na. Sela stak zijn arm omhoog en meteen kwam de hele patrouille tot stilstand. Het meisje rende naar de luitenant en praatte een paar minuten met hem. Toen liep ze weer terug naar haar broer en Lokem. “En, wat heb je tegen Sela gezegd?” Ze keek haar broer aan alsof hij gek was. “Wat? Waarom kijk je zo naar me?” Toen viel het hem in en hij knikte begrijpend. Nayomi ging weer bij hen zitten en begon de herbergier te vertellen over de mannen en het meisje op de boot. “Wacht even,” zei de dikke man en hij stond snel op en klom weer achter in de wagen. Even later kwam hij terug met drie stenen kruikjes. Hij gaf de kinderen er ieder één en ging weer zitten. “Bij een spannend verhaal hoort een lekker drankje.” Hij haalde de kurk uit het kruikje en nam een flinke slok van de honingmelk. De kinderen volgden zijn voorbeeld en toen ging Nayomi verder met haar verhaal. De dikke man zette grote ogen op en hij knikte een paar keer goedkeurend. Toen het meisje was uitverteld, zei hij dat ze zich geen zorgen meer hoefden te maken. “Ik weet zeker dat luitenant Sela en zijn mannen de zigeuners, piraten of wat het ook zijn zullen vinden. Je zult wel bang zijn geweest, niet?” Nayomi knikte en gaf toe dat ze zich inderdaad allesbehalve prettig had gevoeld. Ze zei ook dat ze op dat moment vurig had gewenst dat haar vader bij hen was geweest. Ze keek verontschuldigend naar haar broer, maar de jongen keek haar begripvol aan. “Gelukkig is je broer rustig gebleven en heeft hij goed gehandeld. Dat zal ik zeker tegen jullie ouders zeggen.” Nowa begon een beetje te blozen en dacht toen aan wat er de vorige nacht was gebeurd. Eerst wilde hij dat ook nog aan de herbergier vertellen, maar ten slotte bedacht hij zich. Hij wist dat Malek alles zou doorvertellen aan zijn ouders en hij wilde niet dat ze nog meer ongerust zouden worden dan zeongetwijfeld al waren. De jongen nam zich op dat moment wel voor om iedere avond een groot kampvuur te maken. Op die manier zouden de grote roofdieren wel uit de buurt van hun kamp blijven. Toen stond de dikke man op, pakte het tonnetje en droeg het terug naar de wagen. Nowa volgde zijn voorbeeld en bracht eerst zijn eigen tonnetje en daarna dat van zijn zus. Lokem zette de tonnetjes weer op zijn plaats en zocht vervolgens nog wat lekkernijen bij elkaar. Toen klom hij met een bundeltje weer van de wagen af. “Hier, dit is nog voor onderweg.” De vriendelijke man overhandigde Nayomi het bundeltje en gaf haar een knuffel. Vervolgens wendde hij zich tot Nowa. Hij pakte de hand van de jongen, hield deze wat langer vast en keek hem in de ogen. “Moet ik nog een boodschap overbrengen aan je ouders?” Nowa wilde al nee zeggen, maar bedacht zich. “Vertel hun dat het goed met ons gaat en zeg tegen mijn vader dat ik hem begrijp.” De dikke man trok weer één van zijn borstelige wenkbrauwen scheef omhoog en keek de jongen even aan. Toen begon hij te lachen en knikte. “Dat komt goed jongen.” “Zeg ook maar dat we hen missen en dat ze zich geen zorgen hoeven te maken,” voegde het meisje er nog aan toe. “Dat zal ik doen meid.” Daarop liep de man naar de voorkant van de wagen en nam weer plaats op de bok. Hij riep iets tegen zijn paard en meteen begon de grote knol te lopen. De kinderen zwaaiden hem na en toen de dikke man al wat verder weg was, riep hij nog iets wat ze niet meer helemaal konden verstaan. Volgens Nayomi was het iets van: “Zorg goed voor je zus.” Pas toen de wagen al bijna helemaal uit het zicht was verdwenen, draaiden Nowa en Nayomi zich om en vervolgden hun eigen weg. De kinderen liepen na het plezierige oponthoud enkele uren achter elkaar door en vertelden vrijwel de hele tijd over hun ontmoeting met de herbergier en de elfenwachters. Volgens Nowa was Sela nog heel jong en onervaren. Nayomi was het hier wel gedeeltelijk mee eens. Ze vond het eigenlijk ook vreemd dat de luitenant blijkbaar niet wist wie zij en haar broer waren. De zon stond al hoog aan de hemel toen de tweeling besloot om weer even te pauzeren en een hapje te eten. Toen ze een geschikt plaatsje hadden gevonden en gingen zitten, vroeg Nayomi aan haar broer wat deelfenpatrouille zou doen wanneer ze de mannen in de boot zouden vinden. Volgens Nowa zou Sela met alle vier de personen apart spreken om zo te bepalen of het meisje inderdaad ontvoerd was. Als dit het geval bleek te zijn, dan zouden de mannen gearresteerd worden en mee naar Rivan worden genomen. Als het gewoon een zigeunerfamilie betrof, zouden ze hun tocht ongehinderd mogen voortzetten. “En als de mannen zich nu verzetten?” De jongen keek zijn zus even aan en kreeg een cynische blik in zijn ogen. “Niemand is zo dom om weerstand te bieden aan elfenwachters. Één van die elfenkrijgers zou al te veel zijn voor die drie mannen, laat staan een hele patrouille.” Nowa moest even in zichzelf lachen bij de gedachte. De jongen wist uiteigen ervaring hoe zwaar de opleiding van de elfenkrijgers was en dan had hij slechts een gering aantal trainingsdagen met de wachters meegetraind. Alleen al de opdrachten tijdens de toelatingsselectie waren ongelooflijk zwaar. Zowel mentaal als fysiek werd het uiterste van de jonge elfen geëist. De mannen en vrouwen die uiteindelijk tot de elfenwachters mochten toetreden, konden uitkijken naar een opleiding die minimaal vijfentwintig jaar zou duren en die uit loodzware fysieke en mentale uitdagingen bestond. De elfenkrijgers werden zeven dagen in de week, ongeveer tien uur per dag, getraind in: zwaardvechten, boogschieten, speerwerpen, paardrijden, oorlogsstrategie, diverse soorten man-tegen-mangevechten, acrobatiek en nog veel meer onderdelen. In veruit de meeste gevallen mochten ze pas na zo’n vijfentwintig jaar voor het eerst aan echte gevechten deelnemen. Nowa had zoals gezegd al vaker met de krijgers meegetraind en hij had al heel wat schijngevechten met zijn oom uitgevochten. Volgens Aron had hij alles in zich wat nodig was om een uitstekende elfenkrijger te worden. Ook zijn grootvader was hiervan overtuigd, maar naar alle waarschijnlijkheid zouden zijn ouders er toch niet mee akkoord gaan dat hun zoon een krijger zou worden. In deze tijd was dat eigenlijk ook helemaal niet nodig. Gelukkig duurde het nog ruim vijf jaar eer die keuze gemaakt hoefde te worden. Elfenkinderen moesten namelijk pas op de dag dat ze vijfentwintig werden, beslissen op welke manier ze hun bijdrage in de samenleving wilden invullen. De kinderen werden wel al vanaf zeer jonge leeftijd geschoold in ontzettend veel verschillende onderwerpen. Zo konden ze, als de tijd daar was, beter beslissen welke rol ze uiteindelijk wilden gaan vervullen in de samenleving der elfen. Wanneer bleek dat een kind bijzonder veel aanleg had voor een bepaald ambt, kon het gebeuren dat de elfenouderen de keuze voor het desbetreffende kind maakten in het belang van de elfengemeenschap. Als de elf of elfin desondanks toch een ander vak wilde beoefenen, dan kreeg het kind in kwestie tien jaar de tijd om te laten zien dat hij of zij net zo bekwaam hierin kon worden als in het andere beroep. In feite maakte het ook niet veel uit welk vak men uiteindelijk ging uitoefenen, want alle beroepen werden evenveel gerespecteerd. De enige uitzondering hierop waren zonder enige twijfel de elfenkrijgers. Deze elfen dwongen toch verreweg het meeste respect af. Eigenlijk was dat ook wel logisch, aangezien het de krijgers waren die altijd hun leven riskeerden in conflicten en veldslagen. Misschien was dat ook wel de reden waarom Nowa ook graag een krijger wilde worden, tot grote ergernis van zijn vader. Die zag dat absoluut niet zitten. Het was dan ook een hekel onderwerp in huize Nasir en werd, als het even kon, gemeden door zowel vader als zoon. Nayomi was inmiddels naar de rivier gelopen om een keteltje water te halen. Het meisje had zin in een lekker kopje thee en had aan haar broer gevraagd of hij een klein kampvuur wilde maken. Nowa was echter door het vertellen over zijn zwaardtraining met hun oom, prins Aron, en zijn grootvader, koning Argon, volledig in gedachten verzonken. Hij moest denken aan de tijd toen zijn vader hem wilde inwijden in de kunst van het zwaardvechten, boogschieten en man-tegen-mangevechten.
Het was ongeveer vijf jaar geleden dat Mica was begonnen met zijn zoon te trainen. De voorkeur van de jongen ging uit naar het vechten met allerlei zwaarden, waarschijnlijk omdat hij hier verreweg het beste in was. Hij kon ook heel aardig boogschieten, maar in man-tegen-mangevechten was hij minder bekwaam. In eerste instantie was zijn vader aangenaam verrast door de snelheid waarmee zijn zoon vooruit ging. Hij was sterk, snel, lenig en heel gretig. Al gauw moest zijn vader hem zelfs afremmen en ging hij wat minder praktijkles geven en wat meer tijd investeren in strategie en filosofie. Nowa vond dat aanvankelijk natuurlijk niet zo leuk, maar naarmate de lessen vorderden, begon hij wel het nut en de voordelen ervan in te zien. De jongen vond het heel erg fijn om samen met zijn vader te leren, trainen of andere dingen te ondernemen. Zijn vader was dan ook een heel goede leermeester en had, zoals de meeste elfen, heel veel geduld. Toen Nowa wat later dat jaar in Rivan bij zijn grootouders op vakantie was, wilde hij uiteraard meteen uittesten hoeveel hij had geleerd en op welk niveau hij nu eigenlijk zat. Zijn vader had hem meer dan eens gezegd dat hij in een half jaar tijd meer had geleerd dan de meeste elfenkrijgers in hun eerste drie jaar leren op de militaire academie. Natuurlijk had de jongen ook heel vaak met zijn vader gespard, maar dat was nu niet echt een goede graadmeter, aangezien Mica Nasir Één van de beste zwaardvechters van het elfenrijk en waarschijnlijk zelfs van alle Vier Gewesten was. Toen hij en zijn zus dat jaar in Rivan waren aangekomen, ging Nowa dan ook direct op zoek naar zijn oom, prins Aron. Hij hoefde niet lang te zoeken, aangezien zijn oom meestal op een van de trainingsvelden te vinden was.
En dat was ook deze keer weer het geval. Nowa zag dat zijn oom in zijn eentje aan het trainen was met zijn twee korte kromzwaarden, die hij altijd op zijn rug had. “En, wil niemand meer met je sparren?” Meteen nadat Aron de stem van zijn neefje hoorde, verscheen er een brede glimlach op zijn gezicht. Hij draaide zich onmiddellijk om en liep met grote passen naar Nowa toe. Hij begroette hem uitbundig en de twee jonge elfen begonnen uitgelaten te vertellen. Het was dan ook alweer een hele tijd geleden dat ze elkaar gezien hadden. Toen Aron vernam dat zijn neef les kreeg van zijn vader in het zwaardvechten, was hij direct ontzettend enthousiast. En toen Nowa hem vroeg of hij met hem wilde sparren, was hij meteen van de partij. De kroonprins was al wat ouder dan zijn neefje en trainde nu al bijna tien jaar, onder het toeziend oog van Ton Kali, met de koninklijke garde mee. Dat waren de persoonlijke lijfwachten van het koninklijk gezin en alleen de allerbeste elfenkrijgers kwamen hiervoor in aanmerking. Prins Aron had evenals zijn neefje ontzettend veel aanleg en was in de afgelopen tien jaar uitgegroeid tot één van de beste leerlingen die Ton Kali de laatste eeuw onder zijn hoede had genomen. Even nadat de neven met sparren waren begonnen, kwam de oude elfenkrijger aangelopen. Hij was behoorlijk groot voor een elf, bijna één meter tachtig en hij was ook wat zwaarder gebouwd.
Dat gegeven deed echter niets af aan zijn souplesse en snelheid. De wapenmeester had een groot litteken, dat dwars over zijn imposante kin liep en hij had zoals gewoonlijk een norse blik in zijn ogen. Toen hij de jonge elfen bezig zag, bleef hij geïnteresseerd toekijken. Het was dan ook een indrukwekkend schijngevecht en Nowa deed absoluut niet onder voor zijn oom. Prins Aron moest zijn uiterste best doen om door de verdediging van zijn neefje heen te komen. Nowa ging zelf uiteraard ook af en toe in de aanval en de kroonprins had de grootst mogelijke moeite om de aanvallen van zijn neefje te pareren. Uiteindelijk wist de prins toch een gaatje in de verdediging van Nowa te vinden en hij drukte de punt van zijn zwaard in diens zij. Met een bezweet gezicht keek hij lachend naar zijn neef en legde zijn arm om hem heen. “Ik denk dat we van jou wel een elfenkrijger kunnen maken.” Pas op dat moment merkten de jongens dat er minstens dertig elfenkrijgers hun gevecht hadden gevolgd. Toen ze naar hen keken, begonnen sommige krijgers te klappen of ze maakten een kleine buiging ten teken van respect. Één van deze toeschouwers was Ton Kali. De oude leermeester kwam nu naar hen toegelopen en zelfs hij was onder de indruk. “Volgens mij herkende ik zojuist duidelijk de stijl van Mica Nasir, is het niet?” Nowa knikte. “Dat is mijn vader, meester Kali.” De oude oefenmeester glimlachte. “Dat weet ik jongeheer Nasir. En ik weet ook dat als jij je op deze manier blijft door ontwikkelen, je zonder enige twijfel, één van de beste zwaardvechters van de Vier Gewesten zult worden.” Hij maakte een kleine buiging voor de jongens en liep toen weer verder. Prins Aron keek zijn neef vol bewondering aan.
“Je bent echt enorm vooruitgegaan Nono!” De jongen begon te glunderen en schudde zijn hoofd. “Dan heeft mijn vader toch weer gelijk gehad. Ik had het ook kunnen weten.” “Natuurlijk heeft je vader gelijk.
Je weet niet half hoeveel geluk jij hebt met een leermeester als wapenmeester Mica Nasir.” Nowa knikte instemmend. “Ja, ik weet het, maar jij krijgt les van Ton Kali, de beste zwaardvechter sinds Paladijn.” “Dat is waar, maar weet je wat meester Kali een tijdje terug tegen mij heeft gezegd?” Nowa schudde zijn hoofd. “Hij vertelde me dat er maar één persoon in de Vier Gewesten was die hij als zijn gelijke beschouwde. En die persoon is jouw vader.” Bij het horen van deze woorden zette de jonge elf grote ogen op en schudde vol ongeloof zijn hoofd. “Ik weet het Nono. Ik was er altijd vanuit gegaan dat mijn vader of kapitein Alda, het hoofd van de koninklijke garde, na wapenmeester Kali …
