De Sumatraanse bruid - Bernard Lovink - E-Book

De Sumatraanse bruid E-Book

Bernard Lovink

0,0
13,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

Mijn Sumatraanse bruid vertelt over de relatie tussen een oudere man (de verteller) en een meisje. De 17-jarige Imke de Vries zit in het laatste jaar van haar opleiding en meent in haar stagebegeleider Andreas Damstra de ware jacob te hebben gevonden; hij wil met haar aanvankelijk zijn jeugd herbeleven. Wat volgt, is een harde confrontatie met de omgeving; haar stiefouders, zijn dochters, maar ook de prikkende blikken van anderen wanneer Andreas en Imke zich in het openbaar begeven. De heersende moraal en conventie zetten de relatie stevig onder druk en zullen die uiteindelijk vernietigen. Vervolgens zien beide protagonisten maar één uitweg: deze conventie ontvluchten.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
MOBI

Seitenzahl: 291

Veröffentlichungsjahr: 2022

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhoud

Colofon 3

Inleiding 4

1. 6

2. 8

3. 13

4. 19

5. 21

6. 26

7. 30

8. 38

9. 43

10. 50

11. 53

12. 61

13. 63

14. 66

15. 67

16. 70

17. 73

18. 77

19. 79

20. 85

21. 86

22. 87

23. 90

24. 97

25. 104

26. 114

27. 121

28. 129

29. 132

30. 133

31. 141

32. 147

33. 151

34. 157

35. 161

36. 165

37. 170

38. 176

39. 179

40. 182

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2022 novum publishing

ISBN drukuitgave:978-3-99131-206-2

ISBN e-book: 978-3-99131-207-9

Lectoraat:Ine van Gerwe

Vormgeving omslag:Denis Tevekov, Paop | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing

www.novumpublishing.nl

Inleiding

Lieve Andreas (André)

Ik ga niet in op de reden van mijn vertrek. Als je die niet vermoedt, zullen Petra en Monique je die vertellen; dat heb ik destijds met ze afgesproken. Ik bied je mijn excuses aan voor de manier waarop ik uit jouw leven ben geglipt. Elke andere ma-nier zou mijn hart hebben gebroken, en misschien breekt het binnenkort alsnog. Ik woon voorlopig bij mijn moeder en haar man. Ik heb een tijdelijke baan als receptioniste in een hotel in Palembang. Het is dom werk maar ik heb tenminste iets. Na verloop van tijd, als ik vast werk heb gevonden, ga ik op mezelf wonen. Ik kon terug naar Indonesië omdat mijn moeder het een en ander heeft ‘geregeld’ en omdat ik net voldoende geld had voor het ticket. Mijn nieuwe stiefvader heeft al gezorgd voor een verblijfsvergunning. Ik wil me tot Indonesische laten naturaliseren. Omdat ik hier geboren ben, en dat aan kan tonen, zal dat allemaal een stuk makkelijker gaan. Ik denk spoedig vast werk te vinden want hier in de stad zijn heel wat firma’s die zaken doen met Europese bedrijven, waaronder ook Nederlandse. Mijn stiefvader weet dit allemaal. Ze zitten hier nogal verlegen om mensen die de Engelse en ook de Nederlandse taal goed kunnen. Maar voor ik een vaste baan kan aannemen moet er eerst uitzicht zijn op mijn naturalisatie. Met al die politieke en sociale onrust in Indonesië op het moment (ook hier op Sumatra heerst een zekere buitenlanderhaat) kan dat allemaal nog een tijdje duren. Ook zijn er op het moment overal bosbranden, soms moet zelfs overdag het licht op.

Lieve Andreas, ik vind het vreselijk dat het allemaal zo gelopen is. Voor mij omdat ik zo van je hou, en veel meer nog voor jou omdat ik zomaar, op kousenvoeten, uit jouw leven ben weggeslopen en omdat ik weet hoeveel ik de afgelopen tijd voor jou ben gaan betekenen. Ik had je zo graag naast me gehad, jouw stem, jouw adviezen, jouw warmte. Ik heb een heel moeilijke tijd hier en ik klamp me vast aan wat moeder, die erg met me te doen heeft, een paar dagen geleden tegen me zei. Ze is ervan overtuigd dat jij en ik van die mensen in de wereld zijn die werkelijk bij elkaar horen, elkaar hebben getroffen, bij elkaar hebben stilgestaan, elkaar omarmd en elkaar toch weer laten gaan. Moeder kan daar verdrietig om worden, en ze is daarom eigenlijk ook niet blij met m’n besluit, hoe fijn ze het ook vindt dat ik nu bij haar terug ben. Ze had jou willen zien, in haar armen sluiten, je schoonmoeder willen worden. Ze zei (en ik weet Andreas dat je nu je hoofd schudt, maar dat kan me niks schelen), ze zei dat ze gelooft in een leven na de dood. Een leven waarin die mensen die echt bij elkaar horen – zeg maar voor elkaar bestemd zijn zoals jij en ik –, dat die mensen dan ook voorgoed bij elkaar zullen zijn en dat in dat hiernamaals (ik zie je nog steeds je hoofd schudden) tijd en leeftijdsverschil niet meer bestaan. Een tijdloos iets dus. Je weet Andreas, ik ben niet zo gauw onder de indruk van zulke verhalen, maar ik klamp me er gek genoeg nu toch aan vast. Ze zijn op het moment mijn enige houvast.

Lieve André, ik zou willen dat je me de dingen die zijn gebeurd niet al te kwalijk neemt. Misschien word ik een keer gestraft voor wat ik je heb aangedaan. Dat is dan mijn verdiende loon. Ik geef jou niet mijn adres omdat ik vrees dat je dan dingen gaat doen waar we allebei spijt van kunnen krijgen. Ik zal na verloop van tijd nog één keer weer naar Nederland komen. Ik zal vanuit de verte naar je huis kijken en wachten tot ik je thuis zie komen of je de deur uit zie gaan. Ik wil dan een glimp van je lieve ge-zicht opvangen en op grond van jouw gezichtsuitdrukking oordelen of je gelukkig bent. Ben je (weer) gelukkig, dan ben ik dat ook; zie je er ongelukkig uit, dan zal ik ook ongelukkig zijn en het mijn leven lang blijven. Dat is dan mijn lot, mijn straf.

Saja tjinta padamoe,

je Imke.

Palembang, 18 maart.

P.S. Familie De Vries heeft intussen ook een levensteken van me gehad.

1.

“Jammer dat je er al vandoor moet, André.”

Ze zit op de rand van het bed, is wat moeizaam overeind geko-men. Ze heeft de leeftijd waarop het al inspanning kost om het lichaam van horizontaal naar verticaal te verplaatsen. Zesender-tig telt ze, de eerste onbestemde bladzijden van het middelbaar. Niettemin, hoeveel frisser dan mijn capitulerende jaren.

Lena trekt een paar nieuwe tissues uit het doosje, drukt ze te-gen haar kruis om het weglekken van mijn sperma tegen te gaan. Ooit kon haar dat niets schelen, vandaag wil ze het risico van een vlek in het laken uitsluiten. Toch weigert ze een handdoek, ‘omdat hoeren dat doen’.

“Dat was wel een hele lading trouwens,” grinnikt ze. “Een vol-treffer. Eentje als vanouds. Zo heb ik ze ’t liefst.”

Als vanouds? Vluggertjes zijn bij mannen altijd voltreffers, dame. De perfecte regeling van moeder natuur om ook bij haastig seksueel contact nageslacht veilig te stellen. De doortrekkende frontsoldaat en ander kwetsbaar passantenvolk dienen wel nog de kans geboden hun erfelijk materiaal door te geven.

Als vanouds. Na al die jaren waarin de relatie… Want het pijnlijke gezegde wil dat mevrouw je wel heimelijk en bij voorkeur op onregelmatige tijdstippen aan de achterdeur moet blijven ontvangen omdat anders de lol er gauw af is. Ons stiekeme en aanvankelijk onregelmatige treffen is allang verworden tot een arrangement van vaste ontmoetingen op voor ons beiden meest geschikte uren. Onscinq-a-septbeslaat overwegend de maandag- en donderdagmiddagen.

“Ik hoop dat het een beetje gezellig wordt,” zeg ik ontwijkend. Ze is in een stemming om uitgebreid invulling te geven aan het naspel, het haar altijd heilige naspel, dat dan onveranderlijk eindigt met nóg een coïtus. Maar ik moet me haasten; zelfs voor een douche ontbreekt me vanmiddag de tijd.

“Wanneer hoor ik iets van je?” Ze staat nu achter me; met haar vrije hand borstelt ze mijn colbert af, pikt een grijze haar weg. Ze laat me omdraaien om de knoop van m’n stropdas te inspec-teren. Ik beloof haar morgen te bellen, leg mijn armen om haar middel, trek haar tegen me aan, vlij mijn wang tegen de hare. Zij slaat háár armen om me heen; eerst de ene die ze vrij heeft, dan ook de andere, waardoor het propje tissues met het bleekgele vocht uit mijn scrotum op m’n schouder komt te rusten.

Lena ziet wat ik vanuit m’n ooghoeken zie, laat het propje val-len. Dan zeg ik, naar beneden knikkend: “Daar ligt een toekom-stig Damstraatje.” Dat waren haar woorden toen ze een paar jaar geen pil gebruikte en we wel onbeschermd vreeën voordat ze me een condoom aanreikte: “Oppassen lief, anders woont er straks een Damstra in me.” En dan beschreef ze met haar hand die golfbeweging over haar buik die me zo lief is en die de suggestie moest wekken dat ze hoogzwanger van me droeg.

Ze drukt haar knie tegen m’n kruis. “Hoe laat denk je te bellen, grote minnaar? Je weet dat ik morgenmiddag de stad in ben.”

Ik noem een tijdstip, zoen haar, loop de trap af de hal in, trek de voordeur van het huis van m’n maîtresse achter me dicht. Een blik op m’n horloge zegt dat ik me moet haasten. Ik kijk nog een keer om, hoewel ik ervan mag uitgaan dat mijnPhyllisal onder de douche staat. Ze zal zich vervolgens snel aankleden en thee gaan zetten voor Marjon die dadelijk van school thuiskomt.

De auto startend, realiseer ik me dat het nog droog is, hoewel al vóór de middag regen is voorspeld; veel en langdurige regen. De loodkleurige lucht boven de stad dempt elke illusie omtrent een onjuiste weersverwachting. Ik schakel naar de derde versnelling als de eerste druppels op de voorruit te pletter slaan.

2.

“… als er dan niemand meer uit kwam, hij tenslotte de oplossing aandroeg, die op de hem karakteriserende manier op tafel legde… Henk, menige collega hier aan tafel – ik niet op de laatste plaats – we zullen ze missen: de vanzelfsprekendheid waarmee op jouw kennis en ervaring een beroep kon worden gedaan, het nestorschap dat jij de afgelopen jaren met veel betrokkenheid en geduld hebt vormgegeven.”

Een stroom onbezielde leugenwoorden die ik uit mijn clichékabinet opdiep en zo’n tien minuten als lauwe, bedorven adem uit m’n mond laat komen. Ik heb de indruk dat ze steeds laffer klinken, dat ik mijn omgeving met ze besmeur. Gericht tot de man die ik nooit anders heb gekend dan als lijntrekker en profiteur, iemand die zich op cruciale momenten drukte en op wie je eigenlijk nooit een beroep kon doen omdat hij óf ziek was óf zogenaamd ‘zó druk, zó druk, het spijt me’. Bovendien de afgelopen drie jaar wettelijk arbeidsongeschikt vanwege onbestemde maar chronische pijnen aan hoofd en rug. Ik was hem al vergeten toen ik eraan werd herinnerd dat nog een officieel afscheid van Henk Baljé op het programma stond.

Ik ben uitgesproken, ga weer zitten, laat m’n blikken door het sfeerloze restaurant gaan, langs de muren met voorstellingen bedacht door een plaatselijke penseelartiest, over de tafels met kunstbloemen in metalen vazen, over het gebruikte bestek waartussen zo dadelijk het nagerecht zal worden opgediend.

De man die aan de overkant van de rij aaneengeschoven tafels in z’n paasbest naar mijn valse woorden luistert, is voor mij altijd de verpersoonlijking geweest van alles wat verkeerd is aan mensen in de openbare dienst, incarnatie van dat waar de zogenaamde ambtenarenmoppen op van toepassing zijn. Een archetype. Eigenlijk zou ik hem dát hebben moeten zeggen, hoe ik, en met mij velen, werkelijk over hem denken. Z’n zelfingenomen kop van ‘nou hoor je het ’s van de baas zelf’, die kop laten inzakken tot het stukje prul dat hij is. Dat gans voldane gezicht van zijn vrouw die erbij zit als de vleesgeworden overtuiging dat haar man een uitermate belangrijke bijdrage aan de organisatie heeft geleverd, om dat geborneerde gelaat tot een vraagteken van ongeloof of erger te verbouwen. Je doet het niet. De droom, de daad en daartussen de praktische bezwaren, inderdaad. Hoeveel valse noten hoor je daarom dagelijks om je heen, hoe keurig speel je je stukjes in het gemankeerde symfonieorkest dat ons samenleven is.

Ik frommel een sigaret uit het voor me liggende pakje, neem een slok wijn die me bitter smaakt ineens. Een verstolen blik op m’n horloge leert dat deze marteling nog minstens een uur zal duren. Van het sectorhoofd wordt weliswaar niet verwacht dat hij tot het einde blijft (integendeel, als die z’n hakken heeft gelicht kan er pas goed van wal worden gestoken). Maar ik weet dat, als ik opsta, nu het hele gezelschap op zal staan, vage excuses mompelend, iedereen als de dood als laatste met de afscheidsjubilaris en z’n opgedofte hen over te blijven. Eigenlijk zitten we allemaal met dit afscheid in onze maag.

Er valt een stilte als het nagerecht wordt binnengebracht. Ik kijk opzij, in het beregende vensterglas, tracht m’n spiegelbeeld te vangen. Maar dat is door druppels en condensdeeltjes onherkenbaar. Sinds de aankomst bij dit café-restaurant is het niet meer opgehouden met regenen. Achter de vochtsluiers zie ik af en toe koplampen langs schieten, in het licht voor de bumpers spat te regen op het asfalt. Het giet.

“Bent u met de auto of met de fiets?”

Ik heb haar dikwijls gevraagd me in de tweede persoon enkelvoud aan te spreken, en me bij de voornaam te noemen, maar ze blijft volharden in de beleefdheidsvormen. Ze is na het samenzijn in de bar meteen naast me aan tafel komen zitten, heel bewust en nogal haastig, als was ze bang dat iemand haar voor zou kunnen zijn. Imke de Vries, leerlinge voortgezet onderwijs, administratieve richting, onder mijn hoede bezig in de organisatie een half jaartje mee te lopen.

“Ik ben met de auto. Ik hoorde vanochtend dat ze regen voorspelden.” Ze knikt en ik vervolg: “Wordt dat voor jou geen probleem als we hier zo meteen weggaan? Ik denk dat het voorlopig niet ophoudt met regenen.” Ik had haar met de fiets zien aankomen.

“Meneer de Jong heeft beloofd me naar huis te brengen.”

Misschien zijn het de vier of vijf glazen rode wijn. Ze deelt weliswaar al vier maanden mijn kamer, maar pas deze avond, eerst aan de bar en nu, nu ze informeel naast me zit en nog weer een keer met me klinkt, word ik, lijkt het, me bewust dat achter deze aantrekkelijke stagiaire een individueel wezen steekt. Heel geleidelijk aan je horizon verschijnen, je leven binnenwandelen, langzaam aan elkaar wennen, aan elkaar gehecht raken. Vormt dat niet het beste fundament voor…

“En jij Damstra, wanneer denk jij op te rotten… om plaats te maken voor een jonge, ambitieuze kerel?”

Deze vraag die ik ervaar als een obscene handeling wier groezelige vingers in m’n gedachteleven dringen, wordt door de vertrekkende op haast triomfantelijke toon gesteld. Het ‘je’ en ‘jou’ van de man met de jenevermoed die in hiërarchisch opzicht niets meer van me te vrezen heeft. (Z’n vele absenties hadden me wel ‘s het dreigement ontlokt dat ik gedwongen was maatregelen te nemen, hoewel ik weet dat die me nauwelijks ter beschikking staan). Ik zie terstond alle, dat wil zeggen dertig ogenparen aan de lange tafels op me gericht, sommige sensatiebelust. Maar het sterkst op me gerichtvoelik de ogen van Imke de Vries die geen ‘Imke’ zou moeten heten en nog minder ‘de Vries’, maar met een mooie insulaire naam zou moeten zijn getooid.

“Op het moment, Henk, dat ik meen geen nuttige bijdrage meer aan de organisatie te kunnen leveren.”

Besmuikt gegrinnik hier en daar, teken dat het werkelijke antwoord is aangekomen. Ik verwacht een per omgaande reactie van de jubilaris, maar die blijft uit. Misschien broedt hij nu op de mij wegvagende, mij volstrekt vernietigende respons.

De rest van de avond die zich nog ongeveer anderhalf uur voortsleept, glijdt als een kakofonie van door alcohol opgepepte gesprekken, lachsalvo’s, uitroepen voornamelijk langs me heen. Ik concentreer me meer en meer op het meisje met die onmogelijke naam. Ik keuvel wat met haar, luister naar haar stem die zachter is geworden, met de steeds persoonlijker klank van onzepetite intimité. We drinken allebei nog twee glazen wijn, stoten daarbij verschillende malen aan, praten, lachen om niets. Ik knipoog tegen haar op momenten dat de situatie het toestaat, zij glimlacht tegen me. Even houdt ze mijn arm vast, net boven de pols, in een schaterlach nadat ik haar iets flauws vertel. Ze belooft me vanaf nu met ‘je’ aan te spreken. Ik beloof haar zoveel mogelijk ‘Imke’ te noemen. Dé winst uit deze verder zo jammerlijk verloren uren.

(Glim)lach, zoete gulle lach, kon je de tijd maar stoppen, deze avond laten voortduren, in ander opzicht laten voortduren…

Maar buiten blijft het heden de toekomst tot verleden vermalen, buiten staat niets stil, buiten blijft de regen met bakken uit onzichtbare wolken vallen.Panta rei… In het duister achter het vensterglas is er af en toe nog een langsglibberende auto. In een deel ervan dat minder beslagen is, zie ik nu mijn gezicht. Het staat verlopen, met kringen onder de ogen. Flarden van het rendez-vous vanmiddag schieten door de mistige buitengebieden van m’n brein. Als ik mijn ogen sluit, zie ik Lena naakt op me zitten,horse riding – haar favoriete standje als ze in de gaten krijgt dat ik haast heb; om het samenzijn plagend te rekken. Ik zie haar door concentratie en contractie misvormde gezicht, de plooi onder haar kin (eerste uiterlijke teken van verval), haar buik met de fijne striaelijnen, haar opspringende borsten, haar navel die zich met zweetdruppels vult, het kletsnatte toefje als ze omhoog komt in het zo bloedserieuze spel dat haar orgasme moet bewerkstelligen, en ik denk – geamuseerd –: hoe in godsnaam zouden ze hier aan tafel reageren als mijn voorstellingen opeens zichtbaar werden, op eendrive-inscherm bijvoorbeeld, daar plotseling meer dan levensgroot zichtbaar werden? Ik glimlach inwendig, maar voel me ook moe, doodmoe, gepaard aan een lichte misselijkheid opeens. Ik heb de behoefte mijn hand op de arm van m’n tafelgenote te leggen, haar te zeggen hoezeer ik het waardeer dat juist zij naast me is komen zitten, de enige in dit gezelschap mij over ‘t algemeen zo weinig zeggende dames en heren (overwegend kerels trouwens) die nog rein en zuiver is, nog niet door het leven getekend en onbetrouwbaar en huichelachtig geworden, en…

Het is ongeveer half elf (de feestelijke bijeenkomst is om half vijf begonnen) als ik opsta, niettemin in een totaal andere stemming dan ik had verwacht, en opmerkend: “Natuurlijk hoeft dit niet het einde van het gezellige samenzijn te betekenen, maar ik moet morgen vroeg naar Den Haag.” Dit geldige excuus kan niet voorkomen dat iedereen (en misschien mijn rechterhand nog het vlugst) als aan touwtjes uit de stoel omhoogkomt om het voorbeeld van de chef te volgen. Ik geef de pensioen’gerechtigde’ een hand, krachtiger dan in mijn bedoeling ligt. In m’n vreugde dat het voorbij is, druk ik de vrouw der jubilaris wier gezicht me doet denken aan het door François Clouet vastgelegde gelaat van Maria Stuart (dezelfde arglistig-wantrouwige uitdrukking), zowaar een zoen op beide wangen. Een paar minuten later sta ik onder de overkapping van de entree naar het café-restaurant. Het regent nog steeds pijpenstelen.

3.

Ik ben Andreas Damstra, vandaag negenenveertig, geboren in de vijftiger jaren van de oude eeuw, ik bezit een normaal postuur, meet één meter tachtig, weeg tachtig kilo, heb grijze ogen, donker uiterlijk, enigszins kalende schedel, een Frans-Duitse moeder (helaas overleden), een Friese grootvader. Ik ben André voor intimi; heb met een van hen in de stad afgesproken.

Ik zou bij haar langskomen om weer een tandemtocht naar de toppen van Eros te ondernemen. Maar toen was er haar telefoontje, tussen de middag op kantoor – ik stond op het punt om naar de bedrijfskantine af te dalen, samen met Imke, om er een kop soep en een broodje te nuttigen.

Haastige, beetje schuldig klinkende stem. “Schat, dat van vanmiddag hè… Rood… twee min… mag… wel zedvee…” (Ben ongesteld – twee dagen te vroeg – je mag wel als je wilt).

Souvent femme varie, surtout leur corps; en hoe trefzeker, deze cryptiek die de betreffende boodschap nog intiemer maakt. De op dit punt berekende Lena weet welke gevaren dreigen. Een telefoniste die zomaar het gesprek kan afluisteren als ze wil. Eén simpele druk op een knop volstaat om naam en faam voorgoed te verwoesten. Hoog tijd eigenlijk om dergelijke gesprekjes uitsluitend nog mobiel te laten verlopen.

Ik keek naar Imke die toen het belletje kwam weer op haar bureaustoel ging zitten, zogenaamd iets beredderend maar ongetwijfeld meeluisterend.

We vrijen wel vaker als ze haar periode heeft, zo kieskeurig zijn we niet, geen van beiden. Maar vanmiddag zou me dat niet lukken, ik voorvoelde dat ik het vanmiddag niet voor elkaar zou krijgen. Die zedvee (zondvloed, vloed der zonden, twee dagen te vroeg)…

“Zullen we ergens…?” Bij voorkeur hield ik het gesprek hier kort.

“Waar… en hoe laat?” Samengestelde vraag, zodat ik alleen adres en tijdstip in één adem hoefde te noemen. Onderdeel van de afgesproken strategie.

Ik moest even nadenken, té onverwacht was deze decorwisseling… “Op de hoek bij de… èh… je weet wel. Van daaruit naar Rosen…? Ik moet trouwens toch nog een paar boodschappen doen.”

“Je vindt het toch niet erg, hè?” Verontschuldiging, volstrekt misplaatste verontschuldiging. Voor mij horen de maandstonden bij de vrouw als de liefde. Ze zijn de kern van het feminine.

“Hoe laat?”

Ik keek met één oog op de wandklok, opperde: “Drie dertig?” Legde daarna op, stapte met Imke aan mijn zij richting kantine die in een ander deel van het gebouw ligt.

“Dat was mijn dochter,” loog ik. En er was geen enkele reden me nader te verklaren, noch om te liegen.

Zonovergoten winkelstraat, mooi en ongekend zacht aprilweertje opeens, teer groen hier en daar. Maandagmiddag, het tijdstip waarop een enkele etalage nog donker is, een blind oog waarin ik me weerspiegeld zie, met naast me een mooie vrouw met een uitstekende smaak van kleden. Lena is een meer zuidelijke, donkere schoonheid met, net als ik, langs haar moeders kant Franse voorouders. Slank en rijzig is ze; met haar één meter achtenzeventig nagenoeg net zo groot als ik. Ze beweegt met krachtige maar ook soepele tred.

“Ik ben blij dat de krokusvakantie staat aan te komen, ik heb soms het gevoel op m’n tandvlees te lopen,” zei ze toen we elkaar klokke half vier op een hoek van het marktplein troffen. Lena is deeltijdlerares klassieke talen aan een gymnasium in een provincieplaatsje twintig kilometer zuidelijker.

Dat het gister is begonnen terwijl het pas morgen werd verwacht, dat ze… Dat alles vertelde ze met haast triomfantelijke zwier. Ik prijs me gelukkig met een vrouw te zijn die haar humeur niet laat beïnvloeden, althans naar mij toe niet, door het vierwekelijkse ongemak. In dat opzicht merk ik bij haar nooit iets.

Deze overwegingen en de gedachte dat ik een van de weinigen ben die zelfs de intiemste delen van deze door zo menige masculiene begeerte aangegaapte vrouw kent en heeft doorvoeld, dit alles vervult me deze middag bij elke volgende stap met een op het laatst overweldigend geluksgevoel dat me op een haar na laat instemmen met haar volgende voorstel:

“Zullen we… zullen we… (ze schudt aan mijn mouw opeens, alsof het idee nu pas bij haar opkomt) zullen we volgende week een dagje Maastricht doen?”

Maar ik kreun: “In de vakantie? Ben je niet bang dat we daar dan over de koppen kunnen lopen?” Ook los daarvan voel ik er weinig voor. Vanuit het noorden is Maastricht zo ongeveer een wereldreis, zelfs in dit onnozele kikkerlandje. Te omslachtig voor één dag.

“Je hebt gelijk lief, dat is niet ‘t beste moment. Ik bedenk nog wel iets anders. Kun je je tenminste een dag vrijmaken?”

Ik bromgrom iets, zij glimlacht naar me. Ik zie haar glimlach eerst in een etalageruit. Dan draai ik mijn hoofd opzij en antwoord met een kus.

Rosenbaum, Konditorei Rosenbaum. Een begrip voor velen. Omdat vader, moeder, grootvader en overgrootmoeder in dit etablissement hun koffie, thee, namiddagaperitief hebben gedronken, er een petit-four of zo hebben gesmaakt, of er de lunch gebruikten. En op de maandagmiddagen niet minder dan de recreatiezaal van een verzorgingstehuis. Trefpunt van de zeventigplusbourgeoisie die de stad rijk is. De pensioenuitkeringen, aow’s, opbrengsten van spaarrekeningen, kapitaalverzekeringen, erfenissen, effecten, koopsommen omgezet in lijfrentes zorgen voor een fraaie jaarlijkse omzet.

Midden tussen het ‘weet je nog van toen’, ‘vroeger was het toch allemaal heel anders’, ‘de tijden worden er niet beter op’, hele en halve seniorenflatroddels en de uitwisseling van de laatste nieuwtjes over kinderen en kleinkinderen die dit weekend al dan niet geweest zijn, zit ze ‘n beetje verloren – Marjon, Lena’s vijftienjarige schoonheid. Ongemakkelijk, nagelbijtend en ongetwijfeld reikhalzend uitziend naar de mensen op wie ze hier wacht (mijn hemel, redt me uit deze bewaarplaats voor tachtigjarige kleuters!). Er kringelt sigarettenrook vanaf haar vingers die ze in de lucht klauwt om ons naar haar tafeltje te dirigeren.

“Marjon, jij al hier? Waar ben je…”

“Het laatste lesuur viel uit. Ik kon je niet meer bereiken mams.”

De dochter staat op, geeft haar moeder een zoen op de mond, en mij twee, op elke wang een. Ik neem Lena’s jas, raak hem sa-men met de mijne met moeite aan een uitpuilende kapstok kwijt, bestel drie koffie met croissants en ga ook aan Marjons tafeltje zitten. Op afstand volg ik het gesprek dat zich tussen moeder en dochter ontwikkelt en dat vooral niet verschilt van de ge-bruikelijke gesprekken tussen moeders en dochters. Tevens ben ik me het geroezemoes bewust van de discussies om me heen, discussies die heftiger worden naarmate stokoude geheugens zich moeten inspannen het verdere verleden aan te spreken. Ik haal me het gesprek voor de geest, omgeven door eenzelfde soort geroezemoes, een paar uur eerder in het bedrijfsrestaurant.

Zij: “Waarom stop je niet met werken, Andreas, waarom help je niet zelf ergens aan zo’n project? Je hebt nu nog de leeftijd.” Ze doelt op door de Nederlandse overheid betaalde onderwijsontwikkelingsprojecten waar ik ambtelijk bij betrokken ben, waarover ik haar tussen de middag wat informatie verschafte en waarvoor ik, als afgelopen vrijdag, gemiddeld één keer per maand naar de residentie afreis.

Ik had haar sinds het afscheidsdiner van Baljé niet meer ge-zien. Vanochtend was ik nauwelijks op m’n werkkamer. Toen zij kwam, was ik alweer vertrokken. Pas tegen een uur of twaalf, kort voor het telefoontje van Lena, liep ik haar tegen het lijf. Ze was opgemaakt, voor het eerst sinds ik haar ken; een lichte rouge, aangezette lippen. Het verraste me nauwelijks, iets in mij waarschuwde dat ik dit kleine accent in mijn voordeel moest uitleggen. Haar glimlach was té nadrukkelijk tot me gericht, op-dat deze details me toch vooral niet zouden ontgaan.

Ook haar zo pertinent geformuleerde suggestie verbaasde me niet. Alsof ik haar verwachtte, als aansluitend bij gedachten die ik me het afgelopen weekend (bewust? onbewust?) omtrent Im-ke vormde. Ze zijn vaag, nauwelijks omlijnd, maar omcirkelen de indruk dat ze iets van (met) me wil. Het waren haar blik, die avond in het café-restaurant, soms zo aanhoudend op me ge-richt, haar vertrouwelijke glimlachjes aan mijn adres, haar don-kere ogen die de mijne leken te willen doorboren, de aanraking in de auto voor het uitstappen ook, die me de voorbije dagen onder hun betovering brachten. Een gevoel van sneeuwklokjes, krokussen, hyacinten (maar de tijd van deze vroegste voorjaars-kleuren is alweer voorbij), kortom het gevoel van een nieuwe lente met een jongedame. Heel het verregende weekend gaf ‘t kleur en zin. Ik kwam tot niets, een vrolijke lethargie…

“…moe, aan een korte vakantie toe…” dringt dit rijm m’n geest binnen. Twee paar vrouwenogen kijken me geamuseerd aan. De voorstellingen in mijn hoofd verbleken.

“Nietwaar, André?”

“Misschien moeten we er in elk geval een dag uit volgende week” haak ik min of meer op goed geluk aan. “Als je wilt mag je mee, Marjon.”

“Ik ben de hele week op kamp” zegt dezebelle fille d’une belle mère, “ik kan alleen als jullie in het weekend iets ondernemen.”

Ik (natuurlijk moet ze mee): “We bedenken vast wel iets,” met een blik op de moeder en vervolgens naar Marjon opziend. Want ze heeft haar stoel achteruitgeschoven, wil niet nóg een kopje koffie of iets anders en verontschuldigt zich met iets waarmee alle mooie jonge meisjes zich op een dag verontschuldigen en dan hun papa’s en vooral hun pseudo-papa’s met een knagend gevoel achterlaten: haar vriend zal haar om half vijf ergens afhalen omdat ze daar en daar (heel belangrijk, ongelofelijk interessant) samen heen zullen gaan.

Ze pakt haar over de stoelleuning hangende demi, slaat hem om de schouders, slalomt, lenige billen in nauwe spijkerbroek, door al het oude goud, vervolgens door de draaideur, steekt nog een keer haar hand op.

“En ik moet even naar een zekere plaats, dan zullen we ons om jouw boodschappen bekommeren. Bestel je nog een koffie, lief?”

Natuurlijk schat. <De tot de m. aanleiding gevende processen worden door het ovarium en de daarin gevormde hormonen op gang gebracht. Zij staan in nauw verband met de ovulatie die normalerwijze veertien dagen voor de m. plaatsvindt. De m. betekent (geachte heer) dat een onvruchtbaar gebleven eicel (al uw krachtige, hartstochtelijke pogingen, acht in totaal, ten spijt) weer verloren is gegaan en samen met het voor de zwangerschap voorbereide slijmvlies is afgestoten>.

Lena is opgestaan, met ietwat gekwelde blik. Ze wordt on-zichtbaar achter de sigaren- en sigarettenrook, op weg naar de plek om in alle rust te tamponneren. Ze zal met opgelucht gelaat en mogelijk een beetje rode wangen weer in mijn gezichtsveld verschijnen, met naar mij toe een blik van: jij weet wat ik heb gedaan, en alleen jij mag het weten. Ze zal haar koffie opdrin-ken, ik zal afrekenen. We zullen samen boodschappen doen, levensmiddelen en groenten die zij voor me uitzoekt omdat ze voor me zorgen wil, en om erop toe te zien dat Petra en ik voldoende voedingsstoffen en vitamines binnen krijgen.

4.

“Waarom trouw je haar niet?”

Petra, mijn dochter, tijdens het avondeten, een paar dagen later. Ze kijkt me weer ‘s aan met die bevreemde blik die ik nooit goed plaatsen kan. Alsof ze maar niet kan begrijpen waarom ik haar destijds in de wereld heb gezet – zo’n blik ongeveer. Ze blaast over de lepel soep, zit onfatsoenlijk met haar ene been onder haar gat op de stoel tegenover me.

Gaat het om verbale aanvallen, om insinuaties, confrontaties, verregaande bemoeizucht met mijn zaken, dan ben ik van mijn twee dochters, Monique m’n oudste, en Petra, ‘t nodige gewend. Ik breng dit gemakshalve in verband met het feit dat ze allebei een zogenaamde anti-autoritaire opvoeding en vrij en vervolgens speciaal onderwijs hebben genoten. Gevolg van het een of andere niet te vermurwen denkbeeld van Anna. Dat mijn dochters door de schuld van dit exclusieve onderwijs ook als kind al dag in dag uit dwars door de stad moesten fietsen terwijl een in mijn ogen prima openbare schoolvoorziening op een steenworp afstand ligt, dat heeft me in het verleden best wel eens zeer gedaan. Maar voor mijn ex was dit werkelijk belachelijke argument van geen enkele feitelijke betekenis. Zij houdt er de Spartaanse opvatting op na dat je van fietsen door weer en wind sterk en gezond wordt – waar ik weinig tegenin te brengen vermag.

Resultaat van dit vrije onderwijs is in elk geval twee krachtige, door en door gezonde kinderen die er in sommig opzicht nogal ruime opvattingen op na houden. Dus ‘trouwen’? Bestaat zo’n werkwoord in Petra’s vocabulaire? Of denkt ze: papa is langzamerhand een ouwe kerel, hij moet maar gauw onder de pannen voordat hij straks misschien nog een blok aan mijn been wordt ook.

Deze veronderstelling leg ik mijn jongste ongeveer letterlijk voor – we zijn bezig met het hoofdmaal intussen. Ze kijkt me lang aan, en naarmate ze me langer aankijkt met steeds grimmiger blik. Het is alsof ze dwars door mijn ogen in m’n vunzige hersenkamer wil boren om te zien hoe dergelijke aapachtige gedachten gebrouwen worden.

“Nee, ik dacht meer, jullie kennen elkaar al zo lang. Je zult vast wel van haar zijn gaan houden. En… nou ja, mama heeft immers ook weer een vriend. Ik zie haar ook nog wel een keer weer in het huwelijksbootje stappen.”

“Wat heeft dát er nou mee te maken?”

“Niets, feitelijk niets. Maar als je maar weet dat als Lena hier bij je in mocht trekken ik meteen voorgoed weg ben.”

“Wat haal je je in godsnaam nou in je hoofd?”

“Niks, ik heb alleen geleerd verder te kijken.”

“Ik weet niet of jij het weet, maar Lenaisgetrouwd” spreekt de grote moralist.

“Waarom gaat ze niet scheiden? Dat is niks bijzonders hoor, vandaag de dag.”

Dezelfde vorsende, verstoorde, om niet te zeggen gekwelde blik die ik niet plaatsen kan. Ik stop een hap voedsel in m’n mond, kauw, slik, bauw:

“Waarom scheiden? Een vriend, dat is niks bijzonders hoor, vandaag de dag.”

Ik probeer een triomfantelijk gezicht. Maar m’n dochter is al van tafel opgestaan, nukkig, maakt een wegwerpgebaar.

“Paps, wil jij wel afwassen? Ik moet om zeven uur op volley zijn. Het is tegenwoordig een half uur eerder.”

Huize Damstra beschikt niet over een vaatwasmachine.

5.

Mijn gedachten zijn regelmatig terug geweest bij de afscheidsreceptie van mijn senior medewerker en dan in het bijzonder bij de discussie die ik daar met mijn stagiaire voerde.

Zij (na Baljé’s insinuatie): “U bent nu achtenveertig?”

“Negenenveertig” moest ik het nog erger maken, en het is de nu volgende korte dialoog die in mijn geheugen gegrift blijft. “Als je belooft me vanaf nu met ‘je’ aan te spreken, drink ik nog een glas wijn, speciaal met jou.”

Bij gelegenheid ben ik determinist. Zoals wanneer ‘t me goed uitkomt te veronderstellen dat ook dingen die bij oppervlakkige beschouwing geen enkel verband met elkaar houden wel al keu-rig in elkaars verlengde liggen. Dan kan ik me vinden in Voltai-res opvatting waar hij meent dat wat wij toeval noemen slechts de uitwerking is van een oorzaak die we niet zien. Belangrijk voor de ontwikkeling van de hierna te beschrijven situatie was het eerste duwtje, het voorzichtig in beweging zetten van het causaliteitsmechanisme, opdat deze dingen wel hun samenhang behouden. Welnu – en dit is mijn overweging – mijn vraag (u herinnert zich haar nog) of er als gevolg van de gestage regen misschien een probleem was als we dadelijk het pand gingen verlaten, beschouw ik als zo’n duwtje. Sterker nog, vandaag denk ik dat met deze vraag, die niet belangeloos was zoals ik aanvankelijk meende, maar vast en zeker is gesteld vanuit de lichte hunkering naar eenpetite affaire d’amour, dát in gang is gezet waar de komende honderd of tweehonderd treurige pagina’s van willen getuigen. Met het keurig in elkaars verlengde liggen van dingen bedoel ik, mijn kleine ‘affaire’ betreffend, dat de nu volgende belofte van mijn tafelgenote in alle opzicht m’n al zacht kloppende verwachting overtrof. Mijn gedienstige rechterhand zei – en ze zou die woorden moeten herhalen en herhalen omdat ik nooit,nooitgenoeg van ze krijg – ze zei:

“Ik drink graag nog een glas wijn metjou. Ik wil je ook wel tutoyeren, maar dan moet je wel vaker mijn voornaam noemen, me niet altijd alleen met ‘je’ en ‘jou’ aanspreken.”

Dat was dus het probleem, het probleem der pronomen. Het lag aan mij, natuurlijk lag het aan mij, altijd aan mij, onhandige, hunkerende calvinist met z’n kleine grote verwachtingen. Niet aan haar, Imke de Vries, die zich al zo vaak bleek te hebben geërgerd aan mijn afstandelijkheid.

Ik zie nog haar blik, haar ogen die op me gericht waren; met daarin gevat het twinkelende: “Heb ik je dát niet even goed gezegd?”