Inhoud
Colofon 2
Voorwoord (een gedicht) 3
1. 4
De zieke koning 4
2. 15
Het moeras 15
3. 24
Malinda en het gouden ei (een paasverhaal) 24
4. 44
De drie heksen 44
5. 57
Hartman en de rechter 57
6. 64
De speelman 64
7. 77
Jeannettes toekomstreizen 77
8. 88
De verloren schat 88
9. 97
De natuurgeesten en ik 97
10. 107
De gebroken ring (een kerstverhaal) 107
11. 120
De oude ezel 120
12. 124
De redding 124
13. 128
Het spook 128
14. 137
Violet 137
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2021 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99107-545-5
ISBN e-book: 978-3-99107-546-2
Lectoraat:M. Moors
Omslagafbeelding: Marianne Carolus
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
www.novumpublishing.nl
Voorwoord (een gedicht)
De letter leeft
hij zoekt zijn weg
kruipt op mijn blad
mijn wit papier
ligt onder mijn pen
voelt naar mijn hand
ik roep hem toe
ik hou van je
hij wacht
eventjes
en lacht
zó
oneindig
zacht
1.
De zieke koning
Persoonlijke transformatie
van gevangenschap naar vrijheid
van donker naar licht
Er was eens een koning, een goede koning. Maar de koning werd ziek, en in plaats van dat hij spoedig weer opknapte, werd het erger. Nu is hij doodziek en het hele land houdt zijn adem in, maar het wordt het lot van een onbekende jongen, Sven, om in deze kwestie een belangrijke taak te verrichten.
Het is heel erg geheimzinnig rond de koning, maar men weet al wel dat hij elke morgen een heel speciaal fris bed moet krijgen. De pers speculeert dagelijks vrijuit op grond van de verschillende specialismen van de rond de zieke vorst verzamelde artsen. Omdat er achtereenvolgens zowel een specialist voor parasitaire ziekten, voor infectieziekten, voor auto-immuunziekten, voor maag-, darm- en leverziekten, voor huidziekten alsook tenslotte nog een psychiater werden ingeschakeld, en omdat ze daarna als team verder werkten, kwamen de nieuwsbladen met de wildste vermoedens.
Het meest hadden ze het mis wat betreft de psychiater. Die was namelijk niet geroepen vanwege het lijden van de koning, maar om de artsen geestelijk te ondersteunen. Maar vanuit het paleis laat men de pers volop fantaseren en beperkt men zich officieel tot het vaste wekelijkse protocol: ‘De toestand is zorgelijk, maar het medische team verwacht een gunstig effect van het gezamenlijke behandelplan’.
Dat behandelplan betekent dat elke ochtend opnieuw een geheel steriel en fris geurend bed naar het afgesloten slaapvertrek van de vorst wordt gebracht. Het door de koning beslapen bed wordt, let wel, niet gesteriliseerd of anderszins gereinigd, maar vernietigd. Zijn artsen hopen dat men er niet achter zal komen waarom. Zij houden krampachtig geheim dat er elke dag en vooral elke nacht meerdere pikzwarte springlevende kevers uit het koninklijke lichaam tevoorschijn kruipen, dwars door ‘s konings huid heen. De dokters vangen ze op, met lakens en beddengoed en al, en onderzoeken ze in hun laboratoria.
Maar zodra de kevers worden bevroren of anderszins geconserveerd, verdwijnen ze. Zelfs als men het allemaal op foto, film en video vastlegt, zijn beeld en geluid al na een paar seconden verdwenen en is er niets anders dan wat zwart zand. Men heeft daarvan de juiste formule nog niet kunnen vaststellen, kortom, men is het niet eens.
Sven werkt als tuinknecht in de tuinen die grenzen aan een van deze laboratoria. De jonge tuinman draagt groene kleren, maar met een grappig rood hoedje, zodat je hem toch nog makkelijk kunt zien tussen al het groen. Op dat rode punthoedje draagt hij een goudgroen veertje en een fazantenveertje.
Hij staart naar de muur. Een kleurig mozaïek is hier op de muur aangebracht. Het is een staf die van boven een klein zonnetje wordt. Om de staf heen kronkelen twee slangen omhoog, een lichte en een donkere. In dit gedeelte van de tuin kweekt hij de geneeskruiden, en de grote gele gentiaan, die hier vlak voor het lab groeit, is zijn mooiste resultaat. Gele gentianen krijgen pas na tien jaar hun eerste bloemen en deze staat groot en in prachtige schalen langs de hoge stengel te bloeien, Svens trots, zijn werk en geduld van jaren. Hij komt er geregeld even naar kijken. Als de plant oud genoeg is, vijfentwintig jaar, dan wordt de wortel geoogst om er bitterstoffen tegen een zwakke adem- en spijsvertering van te maken. Misschien is dat wel het beste geneesmiddel voor de koning. Maar nu?
Hij bewondert de rozetten en de bloemen nog eens en wil juist weer verder gaan, maar blijft dan als aan de grond bevroren staan en staart naar de muur. Verbijsterd ziet hij hoe dikke zwarte kevers (diezelfde namelijk die in het laboratorium verdwenen waren – maar wat hij niet wist!) zomaar uit de muur tevoorschijn kruipen en de tuin in komen. Ze eten in een ommezien de zo traag groeiende gele reuzengentiaan op. Maar wat nu!
Tien jaar had hij hem verzorgd! Hij was te diep getroffen. Toch kon hij, en juist daardoor, alsof hij boven zichzelf uitsteeg, haast als een automaat, meteen handelen. Hij ving onmiddellijk de kevers in een grote glazen pot met een glazen deksel, een oud weckglas, want door glas kwamen ze niet heen. Hoe wist hij dat? Hij wist het gewoon. Of waren de beesten er niet meer toe in staat na het eten van de grote gele gentiaan? Hij maakte zich daar niet druk over, maar ging regelrecht het bos in om dit zwaar geworden en nu zwartglanzende voorwerp op zijn plaats te brengen.
Hij was met zijn weckglas het bos in gelopen omdat hij daar een oude dwerg kende, die op zijn beurt weer alle kevers kende, omdat hij zelf ooit, al eeuwen geleden, het bos had aangelegd. In de loop van de jaren waren er steeds meer kleinere en grotere dieren in het bos komen wonen, en hij kende ze allemaal.
Toen Sven de oude Hamsterak met zijn kreukelige gezicht zijn pot liet zien, schrok deze zichtbaar.. Zijn grote dwergenkop verbleekte en verstrakte.
‘Dus je kent ze?’ vroeg Sven.
Hamsterak knikte: ‘Ze horen thuis in de diepste grotten onder de aarde,’ zei hij, ‘en ze mogen daar niet uit vandaan komen.’
Ze besloten daarom dat Sven ze terug zou brengen naar hun eigen plek. Hamsterak maakte wat eten klaar, deed het in een rugzakje en bracht Sven naar de ingang van de grot.
Daarin waren grote treden uitgehakt, het begin van een lange, wijde en bochtige trap naar beneden. Hij gaf Sven de rugzak mee, met het glas en het voedsel, en gaf hem een kostbare ster, die op zijn hoedje kon. Hamsterak zette zelf de ster vóór op het hoedje stevig vast, want het was een ster die helder licht zou geven zodra het donker werd.
Het was een heel wijde grot, wat een geluk was, want anders zou hij al gauw bang zijn geworden, zo diep onder de aarde. Maar het was wel een bijzonder lange trap, zodat Sven na enige uren behoorlijk moe was geworden en ook honger kreeg. Hij wilde daarom wat rusten en wat eten en liet zich zakken op een tree waar die breed was in de bocht en hij opende zijn rugzak. De ellende was toen dat de pot eruit viel. Het glas brak en de kevers verdwenen razendsnel. Maar pas op – ze waren in Svens lichaam naar binnen gekropen.
Hij wist het niet, hij had niets gezien, zo snel was het gegaan, maar hij voelde het. Het wriemelde, borrelde en sidderde van binnen. En hij had absoluut geen honger meer, wel werd hij warm en ook zijn vermoeidheid leek wel in één klap verdwenen. Hij keek verbaasd om zich heen. Waar was hij? Had hij nou geslapen? Hij zat op een eindeloos lange trap, zo leek het wel, en om hem heen lagen glasscherven. Was hij uit het glas ontsnapt? Daar leek het wel op. Wat een geluk. Hij voelde dat hij naar beneden moest. Hij zette de pas erin.
De koning kreeg ondertussen koorts en hij voelde zich alsof hij gekookt werd. Hij kreeg rode bulten en dat werden blazen en die braken stuk. Een smerige vloeistof droop eruit naar buiten… Geen kevers meer dus… maar, was dit beter? De dokters schreven nóg zachtere en frissere bedden voor en de hofmagister, die zich ongevraagd ook overal mee bemoeide en meestal gelijk had, meende zelfs dat de koning naar vogels moest luisteren. Er was een hangmat, op een geschikte plek.
Gelukkig had geen enkele journalist durven vermoeden dat de koning buiten in zijn tuin zou kunnen liggen, doordat het rond de koninklijke slaapvertrekken nog steeds heel geheimzinnig was gebleven. De vensters op kieren open, met dichte gordijnen en overal stramme, bezorgd een andere kant op kijkende lijfwachten die elkaar om de drie uren moesten aflossen. Zij waren ook niet op de hoogte. Alleen een paar vrouwen, die zeer goed konden zwijgen, wisten ervan.
Zij tilden, gewapend met mattenkloppers, ondertussen de sterk vermagerde koning ongemerkt met zijn beddengoed en al door de gangen en door een kleine werkdeur de tuin in. Ze legden hem zo in de mooie grote hangmat tussen de bomen van de paleistuin waarin de mooiste en zoetst fluitende vogels woonden. Het leek te helpen. De vorst voelde zich wat beter. Een kleine glimlach ontplooide zelfs even zijn sterk vermagerde en diep doorgroefde gezicht.
En Sven? Die liep maar door, steeds verder de stille diepte in. Hij voelde zijn benen allang niet meer. Maar toen hoorde hij iets, eerst heel zachtjes, maar langzaamaan steeds luider. Het is nu na een nieuwe bocht echter opeens een luid geronk, alsof er ergens vlakbij een reusachtig wezen ademhaalt. Hij wordt ineens ijskoud en blijft zo abrupt en geschrokken staan dat hij bijna omvalt. Ja, het is duidelijk een ademhaling. Een heel grote en langzame ademhaling. Dichtbij. Heel dichtbij. Hij durft zich niet meer te bewegen. Hij voelt hoe het zweet overal door zijn huid barst. In één keer is hij kletsnat. Hij durft niet te kijken en is als verlamd. Trillend voelt hij zich in elkaar zakken en hij maakt zich zo klein mogelijk.
Dan voelt hij het. Wat een hitte. Wat een stank. Alles hier lijkt wel te trillen. Alsof de hele lucht vol zit met angst. Sidderende hete stinkende lucht. Maar Sven valt niet flauw. Wakker, alleen wel half verlamd, zo zit hij daar. Dan ziet hij het. Het beest.
Een reusachtige zwarte draak die nog het meest lijkt op een gigantische rups. Maar zó zwart, zó zuigend zó diep roetzwart. Hij lijkt op een overmaatse rups omdat hij uit ringen, het lijken wel een soort enorme autobanden, is opgebouwd. Een paar van die dikke opgeblazen roetzwarte ribben wijken wat uiteen, en uit die kieren schijnt een onrustig vuilrood licht. Langzaam wendt het ondier zijn kop naar Sven toe.
Sven wil en kan aan niets anders denken dan aan zijn ster, aan Hamsterak en aan de tuin met de gentianen. Zijn gele gentiaan. Met beide handen houdt hij zijn ster vast. Dan denkt hij aan de zon. Zon! Je hoort het niet maar zijn hart roept om de zon en zijn handen grijpen de ster en zijn ogen houdt hij weer dicht, en dan ziet hij de tuin; hij is veel te bang om het monster aan te kijken. Hij hoort helemaal niets. Behalve het ademen. Heel lang alleen dat ademen, dat niet verandert en niet dichterbij komt. Niet sneller wordt, niet gaat hijgen… maar wel… een beetje… schokkerig wordt?
Langzaam doet Sven zijn ogen op een kiertje… en ziet dikke tranen uit de ogen van het monster stromen. Hij ziet ook dat de kieren tussen de delen van het beest wijder zijn geworden en heel rood. Zouden het wonden zijn? Maar er komt geen bloed uit, alleen een soort viezig rood licht. Alsof de draak van binnen een vuur heeft, waarvan de bruinzwarte rook door die kieren naar buiten komt. Wat zou er aan de hand zijn?
Sven voelt dat hij meer nieuwsgierig en minder bang wordt nu hij die tranen ziet, maar wat nu? Hij houdt zijn ster nog steeds stijf vast, maar in zijn bonzende hart begint de zon wat helderder te schijnen. Hij zou willen dat al zijn angst weg was en dat de zon en het sterrenlicht dan ongehinderd ook op de draak konden schijnen. Hij voelt hoe de zwarte kevers zich tot een bal samenklonteren in zijn keel. Ze willen er door zijn mond uit komen. Zijn tong is droog. Hij opent zijn mond. De kevers stromen naar buiten, zó dicht bij elkaar en tegen elkaar aan dat ze wel golfjes lijken van een stromende vloed van teer. Ze kruipen recht op de draak af en ze beginnen te eten. Ze eten zich naar binnen in de draak. Ze drinken zijn tranen en kruipen door alle kieren en plooien naar binnen. Wat doen ze daar?
De draak begint hevig te trillen, maar hij wordt ook steeds lichter, het zwart is nu donkerrood, wordt lichtrood, en de ringen blijven tenslotte rustig, helder, stralend rood. Hij is ook kleiner geworden. Hoe kleiner en hoe lichter de draak wordt, hoe warmer de zon schijnt in Svens hart en hoe helderder de ster straalt op zijn hoofd. Het allermooiste is dat er uit de twee scheuren op de rug van de draak vleugels beginnen te groeien. Sven is er stil van. Heel stilletjes zit hij nu met grote ogen te kijken hoe het verder zal gaan.
De koning slaapt ondertussen. Onder de bomen, tussen de zingende vogels, is hij in een slaap gevallen, zo heerlijk als hij sinds zijn babytijd niet meer had meegemaakt. De dokters waren zó blij dat ze hem niet durfden te wekken. Hij slaapt al twee dagen achter elkaar en iedereen loopt op zijn tenen.
Sven voelt iets in zijn benen… ze prikkelen alsof het leven erin terugkomt. Ze voelen niet langer verlamd. Ze voelen ook niet langer de drang om verder te gaan, dieper de trappen af. Ze voelen… ze voelen gewoon weer als zijn eigen stevige benen, die van de tuinknecht. Ze willen zich strekken en rechtop staan. Zou zijn taak voorbij zijn? Wat had Hamsterak daarover gezegd? ‘De kevers mogen niet uit de grotten vandaan komen.’ Zou dat betekenen dat ze nu op de goede plek terug zijn? Dat dit is waar ze zouden moeten blijven? Hij kijkt naar de draak. Die draagt nu zelfs een kroon.
Van de kevers zelf leek wel niets meer over te zijn en de draak… met die vleugels… Ze was mooi geworden, als een koningin. Ze leek een vrouwelijk wezen, dat zich behaaglijk draaide, als een kat die zichzelf gaat wassen.
Nu opende de draak langzaam haar ogen en daarna haar muil. Er kwamen vlammen uit, als tongen van vuur, maar ook klanken. Zelfs uit haar ogen kwamen nu klanken en uit haar oren. Het was een vreemde, maar mooie, zelfs haast betoverend mooie muziek. Met een sierlijke beweging van haar voorpoot beduidde het dier dat Sven op haar rug mocht gaan zitten en dat deed hij.
Langzaam steeg de draak op en kalm zweefde ze boven de brede stenen wenteltrap in flauwe spiralen omhoog, dan naar buiten, tussen de bomen door verder omhoog en traag vlogen ze nog wat hoger.
Ergens boven het bos bleef ze zweven en daarvandaan cirkelde ze weer naar beneden, nog langzamer nu, en al zingend daalde ze neer naast het bed van de koning. Die werd wakker.
Sven gleed snel van de drakenrug af, maakte een kleine buiging en trok zich stilletjes terug. Alle aandacht was voor de machtige rode draak. En de draak, zij kuste de koning. Op dat moment werd de koning helemaal wakker en meer dan dat: hij was weer kerngezond. Hij sprong zijn bed uit, sprong met een stralende lach op zijn gelaat in één keer op de drakenrug en samen stegen ze tot grote hoogten, zo hoog dat ze niet meer te zien waren, zelfs niet met de verrekijkers.
Toen alle aandacht op de vorst en de draak was gericht, was Sven stilletjes weer tussen de planten verdwenen. Men keek omhoog. Men vreesde reeds een moment de vorst verloren te hebben, maar de hofmagister zei dat hij zou terugkomen.
Pas toen de zon begon te dalen, daalden zij weer neer. Toen steeg de koning af en de draak boog voor hem. De koning nam haar daarop met een plechtig gebaar haar purperen vleugels af. Zij werden tot een kostelijke koningsmantel die hij om zijn schouders sloeg. De draak kreeg op advies van de hofmagister nu manden vol pas geplukte appels te eten en ook noten en werd vervolgens in een feestelijke optocht de grotten weer ingejaagd.
Sven, die natuurlijk toch wel door enige hovelingen herkend en gezien was, mocht voorop lopen, net als de koning, naast de draak, elk aan een kant. Alle dappere jagers van het koninkrijk en niet te vergeten de eindelijk niet langer tegengehouden verzamelde journalisten volgden en hielpen om haar de grotten weer in te jagen. Toen ze weer in de diepste diepten verdwenen was, bouwden de beste timmerlieden van de koning een sterke en fraaie eikenhouten deur, die door de knapste smeden in de rotsopening werd vastgezet.
Sven liep die herfst nog vaak naar de plek waar de gentiaan zo mooi geel in haar hogere etages had gebloeid. Er bleef toch iets vreemds aan die plek. Hij ging er ook een keer heen toen het al nacht was, maar met een heldere volle maan.
Hij kende de eerste regel van het geneeskruidenboek uit zijn hoofd.Planten worden gevoed door het licht van zon, maan en sterren. Zet dus geen kunstlicht op geneesplanten!Hij hield zich daaraan, maar dat betekende dat het bij een bewolkte hemel of nieuwe maan zo donker werd in de tuinen dat je er helemaal niets meer zag.
Vanavond wel, en al vanuit de verte zag hij dat er ook nog iemand anders was. Een studente van de kunstacademie. De tuinen waren namelijk gesloten voor publiek, maar studenten van de kunstacademie hadden toestemming om door de seizoenen heen planten te mogen schilderen, het hele etmaal door. Zou zij de pech hebben gehad dat ze nou juist de gele gentiaan had uitgekozen? Ze was druk aan het schilderen. Wat zou ze in vredesnaam nog schilderen van die lege plek?
Hij keek nieuwsgierig naar de plek en zag niets wat hem interessant leek.
‘Wat schilder je?’ Ze liet als antwoord haar aquarelblok zien. Hij zag een stengel van licht, met op de top een zon en twee slangen, een donkere en een lichte, die zich er omheen kronkelden. Het mozaïek van de muur? Ja, dat kon je nu weer helemaal zien. Grappig, dat ze dat zo gedaan had. Ze had er zelfs een lichte gevleugelde gestalte bij geschilderd. Of was dat de god Mercurius zelf misschien? Bij die Mercuriusstaf?
Ze wees met de achterkant van haar penseel. ‘De engel Raphaël, zie jij hem ook?’ Hij keek. Zag hij die? Bewoog daar iets in de lucht? Was het er iets lichter? Nee, hij zag toch alleen maar het maanlicht. Hij schudde langzaam zijn hoofd. Hij hoorde haar achter zich verder praten: ‘Jullie hebben de wortel zeker laten zitten, hè? Die straalt nu natuurlijk dit mooie licht naar boven.’ Ze haalt een blad uit haar map. Haar stem is rustig.
Misschien heeft ze wel gelijk. Hij zou in elk geval weer een nieuwe gele reuzen- gentiaan gaan kweken, vlak naast die plek van de vorige, en wie weet, konden ze toch ook nog wat met die wortel beginnen? Want het geneesmiddel van de gele gentiaan werd gewonnen uit de wortel. Het werkte bij spijsverteringszwakte.
Opeens zag hij de draak weer voor zich, toen ze nog een gigantische zwarte rups was. Alleen veranderde ze nu in een wortelstok. Hamsterak had gezegd dat de draak maar eens in de duizend jaar naar buiten kon komen en dat dan voor de koning een nieuw leven ging beginnen. Je had meikeverlarven, engerlingen, hoe lang zaten die wel niet onder de grond? Een ramp voor sommige van zijn planten. Daar had die draak misschien nog wel het meest op geleken, op een enorme zwarte engerling. Hij schudde nog eens zijn hoofd. Hij was stomverbaasd dat hij, Sven, zo’n grote rol had mogen spelen in de magische genezing van hun koning. Maar dat het kwam door zijn grote gele gentiaan, dat besefte hij wel.
De schilderstudente liet hem nu de twee schilderingen naast elkaar zien, één van de plant en één van de Mercuriusstaf. Ze leken op elkaar. Het was grappig. De schalen van groene bladeren waren nu de plekken waar de twee slangen elkaar tegenkwamen.
‘Mooi,’ knikte hij, ‘de plant groeide dus precies op de goede plek,’ en hij wijst naar het mozaïek op de muur. Ze knikt.
Hij groet haar en gaat naar huis. Hij verlangt naar zijn vriendin. Daar zou het gezellig zijn en kon hij de vreemde avonturen vergeten. Ze zou misschien wel pannenkoeken bakken, die lustte hij graag.
En de koning zelf? Hij was nu een kwieke jongeman, die regeerde dat het een lieve lust was.
2.
Het moeras
Er woont iemand in het moeras. Het is Maurits, een man die eigenlijk nog een kind is dat speelt met zijn speelgoed. Hij speelde er altijd al graag, omdat je je er goed kon verstoppen tussen de hoge planten. Hij kende de weinige paden op zijn duimpje, en bijna iedereen meed het moeras. Het was er gevaarlijk. En nu hij volwassen is, is tenslotte het moeras helemaal zijn eigendom, en zo pas echt tot zijn speelgoed geworden.
Hij zit er altijd op zijn hurken of op zijn knieën in, op een van de stevige plekken en dan lijkt hij zelf wel een kubus, een dik vierkant rotsblok. Toch is hij ook helemaal een echt mens. Hij ruikt een beetje naar bleekmiddel en hij is wat moeilijk aanspreekbaar, hij lijkt zelfs nauwelijks tot spreken in staat. Hij spreekt een beetje als een machine en zo beweegt hij ook, precies zoals spelende kleine kinderen die helemaal opgaan in hun spel.
Dan maakt hij geluiden alsof hij speelt dat hij een snoepautomaat is. Je zegt iets, en dat is voor hem alsof je er een muntje in doet. Je hoort het vallen, dan volgt een schuifgeluid, een plofgeluidje en tenslotte kun je aan het vakje trekken en het bestelde komt eruit. Een geluid, een antwoord, of een beweging. Hij speelt, net zo prachtig als een kleuter, maar het is veel meer dan dat. Hij heeft grootse plannen. Hij wil het moeras veranderen. Het heel erg mooi maken.
Het moeras om hem heen is nu nog grotendeels donkergrijs en verraderlijk zuigend. Je zakt er op de meeste plaatsen diep in weg. Te diep om er ooit op eigen kracht weer uit vandaan te kunnen komen, dat is algemeen bekend. Alleen Maurits, die kan je dan helpen. Hij heft dan als een graafmachine zijn linkerarm en zet je druipend op de rand – en duwt je er meteen weer in. Hij speelt.
Myra is een meisje dat met een mooi zomers groen truitje en een lila rokje aan over de heide loopt. Ze heeft een mandje aan haar arm, want ze komt bessen plukken. Ze heeft er al heel veel gevonden en geplukt. Ze kent hier allerlei vogels bij naam en die duikelen om haar heen. Soms gooit ze ze bessen toe en die vangen ze al vliegend op in hun snavels. Zo loopt ze, genietend van het spel met de vogels, over de heide en stapt regelrecht in het moor.
Even schiet er een brok in haar keel, een besef dat het gevaarlijk is, maar opeens ziet ze, ín dat moeras, een struik met de kostbaarste bessen die ze maar kan bedenken. Ze kent ze niet. Ze zijn goudachtig van kleur en ze lijken wel allemaal plooien te hebben, als lampionnetjes. Met haar mandje voor zich, begeeft ze zich er lichtjes lopend heen, amper bemerkend dat onder haar voeten elke vaste grond al verdwenen is.
Vlakbij de wonderstruik gekomen, strekt ze haar hand uit, maar de tak met de bessen wijkt terug en op hetzelfde moment zakt haar linkervoet de diepte in. De rechter zoekt haastig houvast op datgene wat toch ook de struik zelf houvast moet geven en raakt beklemd in een deel van zijn wortels. Daarbij zakt ze steeds verder achterover. Met grote inspanning en door het mandje los te laten, slaagt ze er ten slotte in met beide handen een tak te grijpen. Ze voelt en ziet tot haar grote teleurstelling dat het gewone kruisbessen zijn waar de zon doorheen geschenen had, wat ze tot zulke mooie lampionnetjes had doen oplichten.
Nu zit ze met haar handen in de doornige takken en met haar rechtervoet in de wortels. De linkervoet vecht tegen de diepte. Daar zit iets wat de voet naar beneden zuigt. Een zuigvis? Een grote bloedzuiger? Het voelt zo. Het is verschrikkelijk.
Zodra ze ‘help!’ roept, komt de linkerarm van Maurits, die als een kleuter het machinegeluid erbij maakt, en plukt haar omhoog, zweeft even boven het moor, en laat haar weer los. Myra dacht een kort moment dat ze gered werd, maar niets blijkt minder waar. Ze is niet alleen nog veel verder van de kant af, maar ze is nu ook haar mandje kwijt, en het kleine beetje stekelig houvast van de struik is nu ook weg.
Ze probeert te zwemmen, maar het lukt niet; het is geen water, maar slijk. Het kost ook veel te veel kracht. Haar natte kleren maken haar ledematen loodzwaar.
‘Help dan toch!’ roept ze nu luider. De inmiddels op zijn knieën zittende reuzenkleuter pakt haar opnieuw bij de kraag, tilt haar hoog op, draait met machinegeluiden een wijde boog, en laat haar weer vallen.
Au! Dat is een keihard kurkdroog eilandje of paadje met een paar veenbessen, twee kleine struikjes midden in het moeras. Wat nu? Want het is weliswaar een stukje droge grond, maar de veilige heide is ver weg en dit droge stukje lijkt eerder deel te zijn van een doolhof. Myra weet dat ze hier even kan uitrusten en kan bekomen van de schrik. Ze zal proberen Maurits te leren op te letten waar en hoe hij haar moet loslaten. Ze wil hem leren haar los te laten boven de heide. Maar…