8,99 €
Geschreven in 1829 en door Lev Tolstoj geciteerd als een favoriet uit zijn kindertijd; De Zwarte Kip of het volk onder de grond is een fantasierijk en zeer toegankelijk sprookje met een tijdloze morele boodschap.
Het verhaal gaat over Aljosja, die zijn weekenden eenzaam doorbrengt op een jongensinternaat in Sint-Petersburg. Op een dag redt hij zijn lievelingskip uit de handen van de kokkin, waarna de kip ’s nachts aan zijn bed komt en hem meeneemt naar een ondergronds koninkrijk. Het zwarte kippetje blijkt de minister te zijn van de koning, en omdat Aljosja zijn leven heeft gered, mag hij een bijzondere wens doen…
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 60
Veröffentlichungsjahr: 2021
DE ZWARTE KIP
OF HET VOLK ONDER DE GROND
Antoni Pogorelski
Vertaald uit het Russisch door Ineke Zijlstra-Nanninga
Proeflezer: Ekrem Dursun
Illustrator: Ivanna Hodak
Uitgevers Maxim Hodak & Max Mendor
© 2021, Uitgeverij Glagoslav
www.glagoslav.com
ISBN: 978-1-914337-09-3 (Ebook)
Voor het eerst gepubliceerd in Nederland door Uitgeverij Glagoslav in juni 2021
Op dit boek rust copyright. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever, noch anderszins worden verspreid in een andere band of omslag dan die waarin het is gepubliceerd, zonder dat een soortgelijke voorwaarde, inclusief deze voorwaarde, aan de volgende afnemer wordt opgelegd.
DE ZWARTE KIP
Geachte Lezer
Uitgeverij Glagoslav
Een jaar of veertig geleden - dit sprookje is geschreven in 1829 - stond op het Vasili-eiland in Petersburg een jongensinternaat. Veel mensen herinneren zich dat waarschijnlijk nu nog heel goed, al bestaat het gebouw waarin het internaat gevestigd was niet meer en lijkt het gebouw dat er voor in de plaats gekomen is totaal niet op het vorige. Ons Petersburg stond toen al in heel Europa bekend om haar schoonheid, maar het was nog lang niet zo mooi als het nu is. Toen waren de boulevards van het Vasili-eiland nog geen gezellige en schaduwrijke lanen. In plaats van de prachtige trottoirs van nu lagen er wat vermolmde planken die tot een soort houten vlonders in elkaar geflanst waren. De Izaäkbrug was nog smal en hobbelig, wat een verschil met nu, en ook het Izaäkplein zelf leek niet op wat het tegenwoordig is. Tussen het standbeeld van Peter de Grote en de Izaäk Kathedraal liep een kanaal. De bomen bij de Admiraliteit stonden er nog niet. Kortom, het Petersburg van die dagen was niet wat het nu is. Steden hebben trouwens het voordeel dat ze, in tegenstelling tot mensen, soms mooier worden met de jaren. Maar daar gaat het nu niet over. Misschien zal ik jullie een andere keer nog eens uitgebreid vertellen over de veranderingen die Petersburg ondergaan heeft tijdens mijn leven. Laten we nu teruggaan naar het internaat dat zo’n veertig jaar geleden op het Vasili-eiland stond.
Het huis dat, zoals ik al zei, er nu niet meer staat, telde twee verdiepingen, een Hollands pannendak en een houten veranda aan de straatkant. Vanuit de hal liep een nogal steile trap naar de bovenverdieping waar zich een stuk of acht, negen kamers bevonden. Aan de ene kant woonde de kostschoolhouder en aan de andere kant lagen de klaslokalen. Beneden, aan de rechterkant van de hal lagen de slaapzalen voor de kinderen, aan de linkerkant woonden twee stokoude Hollandse vrouwtjes, die allebei al over de honderd waren en tsaar Peter de Grote nog met eigen ogen gezien, ja, zelfs met hem gesproken hadden.
Een van de dertig of veertig leerlingen van het internaat was een jongetje dat Aljosja heette. Hij was toen dit verhaal speelde hooguit negen of tien jaar oud. Zijn ouders woonden heel ver van Petersburg en hadden hem twee jaar daarvoor naar de hoofdstad gebracht. Ze hadden hem bij het internaat afgeleverd en waren teruggegaan naar huis, nadat ze het afgesproken bedrag voor enkele jaren vooruitbetaald hadden. Aljosja was een slim en lief jongetje, hij kon goed leren en iedereen hield van hem en was aardig voor hem. Maar ondanks dat vond hij het vaak saai in het internaat en soms was hij ook verdrietig. Vooral in het begin had hij het moeilijk met het idee dat zijn ouders niet bij hem waren. Maar daarna raakte hij beetje bij beetje aan de situatie gewend en waren er zelfs momenten dat hij het een stuk leuker vond met zijn vriendjes op de kostschool dan bij zijn ouders thuis.
De dagen waarop hij les had waren gezellig en vlogen voorbij. Maar op zaterdag maakten al zijn vriendjes haast om naar huis te gaan. Dan voelde Aljosja heel scherp hoe eenzaam hij was. Op zondag en op feestdagen was hij de hele dag alleen en troostte hij zich met het lezen van boeken die hij van de onderwijzer uit zijn kleine bibliotheek mocht lenen. De onderwijzer kwam oorspronkelijk uit Duitsland en in die tijd waren Duitse ridderromans en tovenaarsverhalen nogal in de mode. De bibliotheek waar Aljosja gebruik van maakte stond vol van dit soort boeken.
Dus kende Aljosja als tienjarige al de heldendaden van roemrijke ridders uit zijn hoofd, zoals die in de romans beschreven waren tenminste. Hij hield ervan om op die lange winteravonden, op de zondagen en andere vrije dagen in gedachten naar die lang vervlogen tijd te reizen… Vooral in de vakanties, wanneer hij lang gescheiden was van zijn vrienden en hele dagen in zijn eentje doorbracht, zwierf zijn kinderlijke fantasie door ridderkastelen, door griezelige ruïnes of door donkere, ondoordringbare wouden.
Ik vergat jullie te vertellen dat bij het gebouw een vrij grote binnenplaats hoorde, die van de steeg ernaast gescheiden werd door een schutting van scheepsplanken. De deur naar de steeg was altijd op slot en het was Aljosja nog nooit gelukt in die steeg komen, terwijl hij er verschrikkelijk nieuwsgierig naar was. Iedere keer wanneer hij in de pauze mocht buiten spelen, was het eerste wat hij deed naar de schutting rennen.
Daar stond hij dan op zijn tenen door de ronde gaatjes te turen waarmee de schutting was bezaaid. Aljosja wist niet dat die gaatjes afkomstig waren van de houten pinnen die vroeger in de scheepsbouw in plaats van spijkers gebruikt werden, en hij dacht dat een goede fee die gaatjes er speciaal voor hem in geboord had. Hij geloofde er heilig in dat die fee vroeg of laat in de steeg zou verschijnen en hem door zo’n gaatje een speelgoedje of een talisman zou toestoppen, of een briefje van papa of mama van wie hij al heel lang niets meer gehoord had. Maar tot zijn grote spijt verscheen er niemand die ook maar leek op een toverfee.
Wat Aljosja ook graag deed was het voeren van de kippetjes die in het speciaal voor hen gebouwde huisje bij de schutting woonden en de hele dag vrij rondscharrelden op de binnenplaats. Aljosja kende al gauw iedere kip bij naam, hij haalde ze uit elkaar als ze vochten en soms kregen de vechtersbazen straf, dan gaf hij ze een paar dagen achter elkaar niets van de kruimeltjes die hij na het ontbijt en de middagmaaltijd altijd van het tafellaken veegde. Hij had ook een lievelingskip: Tsjernoesjka, dat betekent Zwartje, want het was een zwarte kip met een kuif. Van Tsjernoesjka hield hij meer dan van de andere kippen, ze liet zich soms zelfs aaien en daarom gaf Aljosja de lekkerste kruimeltjes aan haar. Ze had een zacht karakter, ze hield zich wat afzijdig van de andere kippen en het leek of ze meer van Aljosja hield dan van haar vriendinnen.
