Het verleden slaapt niet - Marten Withaar - E-Book

Het verleden slaapt niet E-Book

Marten Withaar

0,0
10,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

Midden jaren 60, twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, vindt Jan van Dijk in zijn vrachtwagen met zand een schedel met een kogelgat. Dat is het begin van een zoektocht. Als dan ook nog het met kogels doorzeefde lijk van havenmeester Johan Popov wordt gevonden, en het lijkt of beiden met hetzelfde pistool zijn omgebracht, komt de recherche in actie. Dit is een van de vier spannende detectiveverhalen die Marten Withaar bundelde in Het verleden slaapt niet en waarin het koppel Sjoerd Brandsma en Erica Withaar samen op onderzoek gaan. Rode draad in de verhalen is de Tweede Wereldoorlog. Brandsma en Withaar volgen nauwgezet alle sporen en beetje bij beetje worden de mysteries ontrafeld. Wat vaststaat, is dat de Tweede Wereldoorlog bepaald niet voor iedereen was afgelopen op 5 mei 1945.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
MOBI

Seitenzahl: 517

Veröffentlichungsjahr: 2020

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhoud

Colofon 2

9 Millimeter dum Dum 3

HOOFDSTUK 1 3

HOOFDSTUK 2 7

HOOFDSTUK 3 11

HOOFDSTUK 4 28

HOOFDSTUK 5 34

HOOFDSTUK 6 41

HOOFDSTUK 7 49

HOOFDSTUK 8 62

HOOFDSTUK 9 67

HOOFDSTUK 10 75

HOOFDSTUK 11 83

“FORE” 98

VOORWOORD 98

HOOFDSTUK 1 100

HOOFDSTUK 2 113

HOOFDSTUK 3 125

HOOFDSTUK 4 129

HOOFDSTUK 5 141

HOOFDSTUK 6 149

DE TELLER MIJN 157

HOOFDSTUK 1 157

HOOFDSTUK 2 169

HOOFDSTUK 3 174

HOOFDSTUK 4 182

HOOFDSTUK 5 190

HOOFDSTUK 6 194

HOOFDSTUK 7 200

HOOFDSTUK 8 212

HOOFDSTUK 9 225

DE SPAARNDIJK 241

HOOFDSTUK 1 241

HOOFDSTUK 2 249

HOOFDSTUK 3 259

HOOFDSTUK 4 266

HOOFDSTUK 5 279

HOOFDSTUK 6 285

HOOFDSTUK 7 293

HOOFDSTUK 8 302

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2020 novum publishing

ISBN drukuitgave:978-3-99107-190-7

ISBN e-book: 978-3-99107-191-4

Lectoraat:Ine van Gerwe

Vormgeving omslag:Galexi | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing

www.novumpublishing.nl

9 Millimeter dum Dum

HOOFDSTUK 1

Boven op de berg zand die Jan van Dijk in zijn vrachtwagen had gestort, lag een schedel van een mens. Hij lag er zo natuurlijk, dat het net leek of een geraamte rechtop in het zand stond. Jan was wel het een en ander gewend, hij had al vaker vreemde voorwerpen in zand en grind gevonden. Vooral veel botten van uitgestorven dieren. Ooit zelfs een mooie, gave slagtand van een mammoet, die, en daar dacht hij nog vaak met genoegen aan terug, 500 gulden had opgebracht. In die tijd een kapitaal.

Nee, het was niet de schedel zelf die hem even deed slikken. In het voorhoofd zat nóg een gat en op afstand leek het net of de kop niet met twee, maar met drie ogen grijnzend de wereld in keek.

Een ding was zeker, zo kon hij het zand niet afleveren bij de stadse mensen die het nodig hadden om een terras op te hogen. Gelukkig was de berg zand niet hoog en kon hij met de steel van een schop de schedel net bereiken en een zetje geven. Tot zijn grote verbazing ratelde de schedel, toen hij naar beneden rolde, als een rammelaar. En toen Jan zorgvuldig, als bij een spaarpot, het voorhoofd leegschudde, kwam er niet alleen een beetje zand uit, maar ook een klompje metaal.

Hij herkende het voorwerp onmiddellijk. In zijn militaire diensttijd had hij op een schietbaan gewerkt en een van zijn taken was het aanharken van de kogelvangers en het verzamelen van de afgevuurde kogels. Negen millimeter handvuurwapen, zei zijn geheugen. Maar dat hield ook in dat de eigenaar van de schedel niet natuurlijk aan zijn einde was gekomen en dat er niet veel anders op zat dan zijn vondst bij de politie in te leveren. Maar dat kon later wel. Eerst het zand afleveren en dan het vaste zaterdagmiddagprogramma: de vrachtauto en het schip schoonspuiten en na de douche een lekker koud biertje.

Toen hij nog voer met zijn zandschip was zoiets onmogelijk. Er moest gevaren worden, desnoods ook op zondag, en alcohol werd er nauwelijks gedronken. Daar had Jan te veel ellende van gezien.

Toch verlangden hij en ook zijn vrouw Lena weleens terug naar het vrije leven op het water. Zeker toen zij genoeg geld hadden verdiend om het grote motorschip, met achterop een comfortabele woning, te kunnen kopen. Heel Nederland en een groot deel van België was hun leefgebied. Een van hun favoriete aanlegplaatsen was het dorp Ulfen, waar zij zoals het in schipperstermen heet “aan de wal” waren gaan wonen. Niet in een huis, maar nog steeds op het schip.

Het was een grote stap geweest. Zij hadden er al eerder over gesproken, want beiden waren als schipperskinderen voor een groot deel in een internaat opgegroeid en dat wilden zij hun eigen kinderen niet aandoen. Helaas kwamen er geen nakomelingen en bleven zij varen.

Maar toen Jan hoorde dat de loswal in het dorp Ulfen te koop was, twijfelden zij niet lang. Zij waren er vaak geweest om zand te brengen voor de aanleg van de nabije hoofdweg en Jan zag er wel brood in om hier een zandhandel te beginnen.

Ulfen wordt door een rivier gesplitst in een noordelijk en zuidelijk deel.

Het noordelijk deel is het grootst. Het zuiden maakte oorspronkelijk deel uit van het landgoed dat bij een eeuwenoud kasteel hoorde. Verderop aan de oostkant waren er in de uiterwaarden van de rivier, door het graven naar zand en grind, grote diepe plassen ontstaan. Al jarenlang vrijwel niet meer in gebruik en nu een schuilplaats voor watervogels en in het vaarseizoen voor plezierjachtjes.

In de Tachtigjarige Oorlog met Spanje was dit het grensgebied met het Spaanse zuiden en om de invloed van de rooms-katholieke kerk te beperken, had de Nederlandse Republiek hier aan streng calvinistische boeren grond gegeven.

Streng waren zij nog steeds. Inmiddels gereformeerd en zelfs daar weer van afgescheiden. Zo verdeeld dat er twee gemeentes waren. Een in de grote kerk in het noordelijk gedeelte en een in het kleine eeuwenoude kerkje in het zuiden. De beide dominees hadden hun eigen aanhang, maar één ding hadden zij gemeen: beiden wilden absolute zondagsrust.

Daarom werd de jachthaven niet uitgebreid en was er maar een kleine boerencamping bij het eerste zandgat. Daar lag ook de grote woonark waar, na veel discussie in de gemeenteraad, een duikschool was gevestigd. Voer het veerpontje ‘s zondags niet voor normaal verkeer, wel twee keer per dag voor kruisende kerkgangers.

Gelukkig ging dit alles in redelijke harmonie en was er in het normale dorpsleven weinig van de splitsing te merken en begonnen ook de scherpe kantjes van het geloof te vervagen. De jeugd voelde er helemaal niet voor en ook de televisie bracht andere denkbeelden in de huiskamers.

Jan en Lena hadden geen spijt van hun beslissing. De zaken gingen goed en natuurlijk was er altijd de mogelijkheid om de zware Mann-diesel weer te starten en weg te varen.

Toen Jan terugkwam van zijn rit, stond er op de werf de bekende Volvo van Sjoerd Brandsma. Natuurlijk, dat hij daar niet eerder aan had gedacht.

Sjoerd was inspecteur van politie en hoofd van de regionale recherchedienst. Aan hem kon hij mooi de schedel geven, dat bespaarde een hoop tijd en gedoe.

Hij had Sjoerd leren kennen in de eerste zomer dat zij aan de wal woonden. Op een dag was hij met zijn motorvlet langszij gekomen en had Jan

gevraagd of hij een paar dagen mocht blijven liggen, tot hij in de omgeving een ligplaats had gevonden. Jan vond dat hij een mooi schip had en toen Sjoerd hem vertelde dat hij uit een oud Fries geslacht van binnenschippers stamde, was het ijs snel gebroken.

Het beviel zo goed dat Sjoerd met zijn schip was gebleven. Veilig gemeerd aan de walkant van het grote schip, en het liggeld was zo weinig, dat Sjoerd er altijd een mooie bos bloemen voor Lena en een fles cognac voor Jan bij deed.

Sjoerd zat bij Lena in de stuurhut een kopje koffie te drinken en om vooral zijn vrouw niet al te veel aan het schrikken te maken, begon Jan eerst te vertellen hoe hij geschrokken was van zijn vondst in het zand, voordat hij de schedel uit de plastic zak haalde waar hij hem zolang had in gedaan.

Lena schrok toch wel even. ‘Jakkes Jan,’ zei ze, ‘wat een engerd en ga er asjeblieft mee naar buiten want ik wil geen zand op mijn schone vloer.’

Sjoerd werd onmiddellijk de politieman. ‘Absoluut een schotwond,’ was zijn commentaar, ‘en aan de kogel te zien, denk ik ook aan negen millimeter. Heb je enig idee waar de partij zand met de schedel vandaan komt?’

‘Van Bart van Pol,’ antwoordde Jan. ‘Normaal baggert hij verderop in de rivier en hij komt naar de zandgaten toe als ik grof zand nodig heb. Hij heeft het zand vorige week hier gebracht en toen was de vultrechter zo goed als leeg. Dus vrijwel zeker uit het achterste gat, want dat is zo’n beetje de enige plek waar dit soort zand nog zit.’

‘Wel, als het nodig is kunnen wij hem het altijd vragen,’ zei Sjoerd. ‘De schedel is mooi gaaf en zo te zien is het bovengebit onbeschadigd. Ik denk wel dat het mogelijk is om achter de identiteit van de eigenaar te komen. Wij hebben sinds kort een eigen forensische afdeling en dit is een mooie gelegenheid voor hen om te tonen wat zij kunnen. Maar nu even niet. Ik ben vrij tot zondagmiddag en ik ga met de vlet vissen en kom pas morgenochtend terug.’

Wat heeft vrijgezel zijn toch voordelen, dacht Jan. Maar hij wist dat Sjoerd weduwnaar was. Zijn vrouw was kort na hun huwelijk overleden en Sjoerd had om overplaatsing uit Friesland gevraagd om zijn verdriet achter te kunnen laten.

Of dat gelukt was betwijfelde Jan, want Sjoerd besteedde al zijn tijd aan zijn werk en zijn grote hobby’s: varen en vissen met de motorvlet en golf.

Van vrouwen in zijn leven was geen sprake. Ondanks alle aanvallen, want Sjoerd had niet alleen een goede baan, hij zag er ook goed uit. Niet al te groot, maar slank en gespierd met blond haar en blauwe ogen. Een plaatje van een Fries.

HOOFDSTUK 2

Een paar weken later was Jan daar niet meer zo zeker van, want Sjoerd kwam op bezoek in gezelschap van een jongedame.

‘Jan, dit is Erica Withaar en haar rode krulhaar is absoluut echt. Zij is het hoofd van ons nieuwe forensisch bureau en zij kan je meer vertellen over de schedel.’

‘Dag mijnheer van Dijk, let maar niet te veel op de inspecteur. Dat grapje over mijn haren ben ik gewend en over veertig jaar doe ik waarschijnlijk mijn naam wel eer aan.’

Wat een mooie meid, dacht Jan, en zo te zien kan ze goed voor zichzelf zorgen, dat zal ook wel nodig zijn bij al die politiemacho’s. ‘Kom verder, Lena heeft net koffiegezet.’

In de ruime stuurhut wist Erica niet wat ze zag. ‘Wat mooi, mevrouw van Dijk, wat gezellig ingericht en wat een uitzicht.’

Lena bloosde van genoegen en haar mening over vrouwen bij de politie begon een beetje te veranderen. Ook omdat zij als vrouw onmiddellijk doorhad dat Sjoerd er duidelijk vrolijker uitzag. Wie weet? Het zou een mooi koppel zijn. Hij met blond haar en blauwe ogen en zij rood met grijsgroen.

Nadat zij eerst een kopje koffie hadden gedronken, zei Sjoerd: ‘Wij zijn langsgekomen om te vertellen wat wij weten over de schedel die Jan gevonden heeft. En omdat wij eerst met een forensisch onderzoek zijn begonnen, kan Erica beter beginnen.’

‘Het eerste wat ons opviel,’ begon zij, ‘naast natuurlijk het gat in het voorhoofd, was het bovengebit. Het was redelijk gaaf, met maar een paar vullingen. Deze vullingen zijn van een loodverbinding, die vroeger door goedkopere tandartsen werd gebruikt en ook in het leger. Omdat dit gebied tot het eind van de oorlog in Duitse handen is gebleven, dachten wij onmiddellijk aan een Duitse soldaat. Wij hadden al vastgesteld dat het om een volwassen blanke man ging, ongeveer 1 meter 80 lang, en dat de schedel geruime tijd in het water heeft gelegen. Wij hebben daarom eerst de gebitsgegevens opgestuurd naar de Duitse Oorlogsgraven Stichting en binnen een week hadden wij antwoord. De eerste eigenaar van de schedel, om het zo maar eens te noemen, was Karl Bauer, een beroepsmilitair bij de Duitse Kriegsmarine. Geboren in 1915, opgegroeid in een weeshuis in Hamburg en op vijftienjarige leeftijd vrijwillig in dienst gegaan. Zijn hele diensttijd heeft hij bij de kustwacht gevaren en zijn laatste rang was wat wij “bootsman” noemen. De hoogste rang van onderofficier die je als gewoon matroos kunt bereiken.

In 1943 is zijn schip op een mijn gelopen en daarbij is de rug van Bauer zo beschadigd, dat hij werd afgekeurd voor dienst op zee. Begin 1944 werd hij overgeplaatst, je zult het niet geloven, naar Ulfen. Mijnheer Van Dijk, Karl werkte hier op uw werf. Hij was de baas van een eenheid van de Kriegsmarine, die verantwoordelijk was voor de voorraadschepen van het Duitse leger die hier in de oorlog in de zandgaten voor anker lagen. Van hieruit werden de bewakingspatrouilles gevaren en de lading van de schepen op vrachtwagens geladen. Een heel bedrijf, en Karl had dan ook ruim vijftig man in dienst. Zijn laatste rapport, over de marine-operatie uit Ulfen, is van maart 1945 en daarna is er niets meer van hem vernomen en is hij als vermist opgegeven, waarschijnlijk gesneuveld. Er is, zo ver bekend, geen naaste familie, en daarom is er geen nader onderzoek gedaan. En nu denk ik dat onze inspecteur het beter kan overnemen, want nu wordt het werk van de recherche.’

Dat klonk heel formeel, maar de toon waarop het gezegd werd deed Lena weer denken aan die blauwe en groene ogen.

‘De beste plaats om iets in een dorp te weten te komen,’ zei Sjoerd, ‘is natuurlijk de dorpskroeg. Ook hier. Van Willigen, de eigenaar, kon zich de Duitse marinemannen nog goed herinneren. Het blijkt namelijk, dat zijn café regelmatig werd bezocht door de mensen van de marine en dat zij er zelfs een eigen stamtafel hadden. Volgens Van Willigen absoluut geen nazi’s en zeker Karl Bauer niet. Zij waren allemaal gedeeltelijk afgekeurd en hadden het hier best naar hun zin en stonden zeker niet te trappelen om weer te gaan vechten. Van Willigen had zelfs nog een foto uit die tijd, genomen op het terras van het café. Dit is een kopie. Karl is de grote man helemaal links. De laatste keer dat zij hem gezien hebben, was in februari 1945. De streek is toen tot oorlogsgebied verklaard en alle bewoners werden naar het noorden geëvacueerd. De meeste schepen waren toen al weggesleept en alleen Karl en twee matrozen waren er nog om toezicht te houden. Toen de dorpelingen in juni weer terugkwamen, bleek dat de Duitsers veel hadden vernield. Alle hoge gebouwen, die als observatiepost gebruikt konden worden, waren opgeblazen. Geen kerktoren of molen stond nog overeind. Het pontje over de rivier was verdwenen en het kasteel vrijwel geheel afgebrand. Het café was geplunderd door de Duitsers, of door de Poolse bevrijders, waarschijnlijk door beiden. Alle drank uiteraard op en het meubilair opgestookt in de kachel. Ook alle schepen waren weg en de loswal lag vol met achtergelaten, kapot oorlogstuig. Het herstel ging redelijk snel. Vooral omdat er in plaats van Duitse, nu Nederlandse binnenschepen kwamen liggen. Met voorraad voor de legers van de NATO, bij een eventuele aanval van de Russen. De installaties op de loswal werden weer hersteld en het café werd nu de pleisterplaats voor de Nederlandse geniesoldaten, die voor het toezicht moesten zorgen. Ook de rest van het dorp profiteerde van deze bedrijvigheid, want de meeste Nederlandse schippers hadden hun vrouwen en kinderen aan boord. Die moesten te eten hebben, gingen naar school en de kerk. Een hele economie, die draaide op de angst voor de Koude Oorlog. Er kwam abrupt een einde aan toen bleek dat de Russen absoluut niet van plan waren om te komen en het dorp werd weer als vanouds. ‘s Zomers wat fiets- en wandeltoerisme, passantenbootjes en verder rust, zeker op zondag. De loswal werd overgenomen door Rijkswaterstaat en uiteindelijk verkocht aan Jan. Er was niets meer wat nog aan de oorlog deed denken. Tot ineens de kop van Karl Bauer op dook, met een kogel erin. En over de kogel kan Erica meer vertellen.’

‘Wij hebben in ons team een ballistisch expert en het is niet alleen zijn vak, maar het is ook zijn hobby. Hij weet er verschrikkelijk veel van en Jan heeft gelijk. Hij zegt ook: kaliber 9 millimeter. Jammer genoeg is de kogel zwaar vervormd en daarom is er niets met enige zekerheid over te zeggen, maar twee dingen vallen op. De kogel is niet dwars door de schedel gegaan en is dus niet op korte afstand afgeschoten, anders was dat met een dergelijk zwaar kaliber zeker gebeurd. Terugrekenend met allerlei ballistische formules is de schootsafstand zeker vijftig meter geweest. Erg veel voor een nauwkeurig schot met een handvuurwapen, ook voor een scherpschutter. De voor de hand liggende conclusie is dan ook, een toevalstreffer. Dat komt wel meer in oorlogen voor, als de kogels in het rond vliegen. Onze expert heeft echter nog een verklaring. De kogel is zwaar beschadigd en dat duidt op “dumdum”-munitie. Een speciaal soort kogel dat bij het treffen vervormt en zo zware wonden veroorzaakt. En dat niet alleen, door de vervorming is ook het penetratievermogen minder, wat zou verklaren dat de kogel in de schedel is blijven steken. De kogel is vrijwel zeker van Duitse makelij en het is bekend dat Duitse executiecommando’s vaak deze speciale munitie gebruikten. Hij voegde er ook nog aan toe dat er waarschijnlijk geschoten is met een Walther P3. Het meest gebruikte pistool in het Duitse leger. Zoals ik al zei, de man weet echt veel van vuurwapens. Het zou dus kunnen dat Karl is geëxecuteerd. Er is echter niet genoeg bewijs en de zaak wordt gesloten. De schedel gaat naar Duitsland, voor een herbegrafenis, en de kogel gaat voorlopig bij ons in het depot. En nu wil ik het schip van de inspecteur weleens van binnen zien.’

Het werd een mooie zomer en Lena had het goed gezien, want meestal als Sjoerd met zijn boot ging varen, was Erica erbij en toen bleek dat zij ook goed kon golfen, ging de vrijgezel overstag.

Sjoerd kon er niet meer onderuit. De officieuze verloving werd gevierd, met veel champagne, op het achterdek van de vlet.

HOOFDSTUK 3

Eind september werd Sjoerd opgebeld door de politiemeldkamer van de regio.

‘Inspecteur, met brigadier de Bruin. Het spijt me dat ik u op zondag moet storen, maar ik ben opgebeld door de pontbaas van het veer in Ulfen en hij vertelde dat hij een lijk van een man heeft gevonden vlak bij de veerstoep van het pontje. Ik heb er al twee politiewagens naartoe gestuurd en omdat u op de meldlijst staat in dit soort gevallen, ben ik bang dat u er ook naartoe moet gaan. U moet wel omrijden via de brug, want de pont ligt aan de zuidkant en ik heb de schipper verteld dat hij tot nader order moet blijven liggen.’

‘Goed gedaan brigadier. Ik ga ernaartoe.’

‘Nog even dit, meneer Brandsma. De man is herkend door dorpelingen, het is ene Johan Popov. En dat niet alleen. Er is een dokter onder de passagiers van het pontje en die heeft vastgesteld dat de man is neergeschoten.’

‘Popov ken ik ook,’ antwoordde Sjoerd, ‘en als er geschoten is, moet ook het forensisch team erbij komen. Ik zal mevrouw Withaar waarschuwen, wilt u de rest bellen?’

Het was op slag van vijven en Sjoerd wist waar hij Erica kon bereiken. Op de golfbaan. Om twaalf uur was zij begonnen met spelen en ze zou nu wel op het terras zitten, om nog even van de zon te genieten.

‘Ik heb haar net een glas wijn gebracht, mijnheer Brandsma, en ik zal haar roepen,’ was het antwoord uit het café van de club.

Sjoerd vertelde haar wat hij van de meldkamer had gehoord en dat hij op weg ging naar Ulfen zuid en dat haar team al was gewaarschuwd.

‘Verdorie wat jammer. Wij hebben echt goed gespeeld en zitten na te genieten met een glas wijn, maar ik kom zo snel mogelijk. Wel moet ik eerst naar het bureau om mijn spullen te halen. En als straf voor het verstoren van mijn zondagsrust wil ik, als wij klaar zijn, van jou als compensatie iets te eten hebben.’

‘Hierbij aangenomen en met genoegen. Misschien lukt het nog wel op de club en anders gaan we naar de brasserie in de stad. Tot straks.’

Toen Sjoerd bij de veerstoep kwam, werd hij opgevangen door adjudant Nielsen, die de leiding had over de twee politieteams.

‘Goedemiddag inspecteur,’ was de begroeting, ‘zo zie je maar weer. Ga bij de politie, dan ben je nooit vrij, ook niet op zondag, zelfs niet in dit dorp. Niet dat het slachtoffer daar iets aan kan doen, want volgens de arts, die u daar ziet staan, is de man al zeker 24 uur dood en gezien de gaten in zijn bast niet vrijwillig. Ik zal hem aan u voorstellen.’

Dat was niet nodig, want Sjoerd herkende hem onmiddellijk. ‘Dag Bart de Koning, dit is toch wel een heel andere plaats dan de golfbaan.’

‘Ja Sjoerd, dat kan je wel zeggen, ik had jou eerlijk gezegd ook niet verwacht. Ik wist wel dat je bij de politie werkt, maar niet dat je zo’n hotemetoot bent.’

‘Wel, dat is waar en het eerste wat jij mij uit moet leggen is hoe het komt dat een heiden zoals jij zich onder het kerkvolk bevindt.’

‘Dat is niet zo moeilijk. De dominee aan deze kant is een vriend van mij en ik ga regelmatig bij hem op bezoek en op zondag blijf ik ook weleens om naar zijn preek te luisteren. Ik doe hem daar een groot plezier mee, want hij denkt nog steeds dat hij mij kan bekeren. Toen wij uit de kerk kwamen legde het pontje net aan en toen wij in wilden stappen, zag de veerman het lijk drijven, daar bij die rietkraag. En ik heb hem geholpen om de man op de stoep te trekken. Het was voor mij duidelijk dat hij dood was en al een poos in het water had gelegen. Maar om absoluut zeker te zijn, heb ik hem wat beter onderzocht en toen vond ik de twee schotwonden. Een in zijn buik en een in zijn rug. Dat heb ik aan de veerman verteld, om aan jullie door te geven. Als dat de reden is dat ze jou hebben opgetrommeld, mijn excuses.’

‘Er valt niets goed te maken, want voor iedere rechercheur is een moordzaak koren op de molen, zeker als erbij geschoten is. Daar is Erica met haar circus en als de foto’s gemaakt zijn, mag wat mij betreft de pont weer varen en kunnen de kerkgangers naar huis. Bart, bedankt voor je hulp. Geef nog even je adres aan de adjudant en dan zal je toch morgen naar het bureau moeten komen voor een officiële verklaring. Datzelfde geldt voor de pontjesbaas, maar dat zal ik hem zelf wel vertellen.’

Verstraten, de politiedokter, was inmiddels met zijn onderzoek begonnen en het lijk lag gedeeltelijk ontkleed op zijn rug. Ja, dat was Johan Popov, de havenmeester. Sjoerd had hem een paar jaar geleden leren kennen, toen hij een ligplaats voor zijn vlet zocht. Daarna had hij nooit meer iets met hem te maken gehad. Dat was ook niet nodig, want het schip lag prima bij Jan van Dijk.

‘Weet u al waar hij woont, adjudant?’

‘Jazeker, dat hebben wij gehoord van de dorpelingen. Hier vlakbij, in het oude koetshuis van het kasteel en ik heb er een wagen naartoe gestuurd. Zij rapporteerden zojuist dat alles op slot zit en dat het huis op het oog leeg is.

Wel zit er aan de gevel een draailicht van een alarminstallatie en er zit een sticker met de naam en het telefoonnummer van de alarmcentrale op de deur,Firma Securelock. Ik ken die lui, want de eigenaar is een gepensioneerde politieagent.’

‘Goed werk, adjudant. Het wordt te laat voor een huiszoeking, dat doen wij morgenochtend. Het lijkt mij wel verstandig dat het huis tot die tijd bewaakt wordt. Laat de auto daar blijven en organiseer aflossing, want ik wil niet dat iemand, om welke reden dan ook, ons voor is. Als dat al niet gebeurd is. Bel ook die ex-collega op om te zeggen dat hij morgenochtend iemand stuurt om de alarminstallatie uit te zetten en eventueel de deur te openen.’

Verstraten, de politiedokter, was zoals altijd voorzichtig met zijn conclusies. Hij was het met collega de Koning eens dat de man geruime tijd in het water had gelegen, maar omdat het water vrij warm was, moeilijk te bepalen hoe lang.

‘Morgen na de autopsie weten wij meer,’ was zijn antwoord, terwijl hij zich uit de overall wrong, die hij voor het onderzoek had aangetrokken. ‘Tot die tijd moet je geduld hebben, inspecteur.’

Het is nog een wonder dat hij er geen “tje” achter zegt, dacht Sjoerd, maar zonder rancune. Verstraten was een zeer capabele politiedokter en hij was zijn manier van spreken wel gewend.

Op een stuk plastic had het forensisch team de bezittingen van de dode man neergelegd. Een grote ouderwetse portefeuille, een sleutelbos, wat losgeld en een rode boerenzakdoek. Erica opende voorzichtig de portefeuille en haalde er met een pincet een doorweekt rijbewijs uit. De foto was nog zeer duidelijk en de naam ook. Het was Johan Popov, geen twijfel mogelijk.

‘Dat is in ieder geval iets,’ zei ze. ‘De rest zoeken we morgen in het laboratorium wel uit.’

Toen het lijk was opgehaald werd het al zo donker dat een verder sporenonderzoek niet meer mogelijk was en Sjoerd liet iedereen inrukken. Met de opdracht aan het forensisch team morgenochtend om acht uur weer aanwezig te zijn om de omgeving beter af te zoeken.

‘Weet je wat,’ zei hij tegen Erica. ‘Wij gaan in het café Van Willigen in Ulfen eten. Dat is vast nog open en zij hebben een prima biefstuk, dat weet ik uit ervaring. De kroegbaas kent iedereen in het dorp en misschien kan hij ons iets meer over Popov vertellen.’

‘Zo, inspecteur,’ was de begroeting, ‘u bent op zondag nog aan het werk, heb ik gehoord.’ Kennelijk waren er kerkgangers in het café geweest om de schrik te verdrinken en wist de kroegbaas alles.

‘Ja, dat hoort bij ons vak, Van Willigen, en wij komen om iets te drinken en te eten.’

‘Dat kan allebei, want dat is míjn vak. Zeg het maar.’

‘Twee glazen witte wijn en als het nog kan twee rood gebakken biefstukken, met sla en friet en als u tijd hebt een paar vragen.’

Zij waren de enige gasten in het café en van Willigen was zo weer terug met de wijn en de mededeling dat zijn vrouw aan het werk ging, maar dat het wel even zou duren.

‘Fantastisch, en bedankt. Wij hebben geen haast en willen graag iets meer weten over Popov. Kende u hem?’

Van Willigen trok een stoel bij en ging er eens goed voor zitten. ‘Ik kende hem zelfs vrij goed, want hij heeft een poosje voor mij gewerkt. Ik zal vertellen hoe dat allemaal zo gekomen is. Hij is vlak na de oorlog hier aan komen lopen. Hij komt uit Polen en zijn echte naam is Johannis Popovski. Hij sprak goed Duits en hij vertelde dat hij in 1943 was opgepakt door de Duitsers voor de Arbeitseinsatz en in het Ruhrgebied had gewerkt. Hij is door de Amerikanen bevrijd en ook verpleegd, want hij was bij een van de laatste bombardementen gewond geraakt aan zijn rug. Na zijn ontslag uit het hospitaal is hij gaan zwerven en via België hier terecht gekomen. Hij had geen zin om naar Polen terug te gaan, omdat zijn hele familie was omgekomen en hij wilde graag hier blijven. Hij vertelde ook dat hij van zijn vak timmerman was en zo iemand konden wij goed gebruiken, want hier was zo’n beetje alles kapot. Hij kon inderdaad redelijk timmeren en zo heeft hij bij mij een paar maanden kost en inwoning verdiend. Hij was er in die begintijd lichamelijk niet best aan toe. Hij had nog veel last van zijn rug en kon maar een paar uur per dag werken. Nu bestond er na de oorlog een soort hulpprogramma voor gewonden en invaliden uit de oorlog en zo is hij bij de gemeente in dienst gekomen. Eerst bij het herstel van de jachthaven en later als havenmeester.

Hoe dat allemaal precies gegaan is, kunt u beter op het gemeentehuis vragen en misschien kunnen zij dan ook vertellen, waarom hij wel de vergunning voor de duikschool heeft gekregen en ik nog steeds moet wachten op toestemming om mijn terras uit te breiden. In die tijd is hij ook Nederlander geworden en heeft hij zijn naam veranderd in Johan Popov. Het was geen onaardige vent, maar hij vertelde nooit over zijn jeugd in Polen en al helemaal niets over zijn tijd als gevangene van de Duitsers. Eén ding is zeker, dom was hij niet. Hij sprak al vrij snel goed Nederlands en hij paste zich goed aan bij het leven hier in het dorp. Hij ging weliswaar niet naar de kerk, maar hield zich redelijk aan de zondagsrust. Dat moest hij ook wel als gemeentemedewerker. Hoe hij het voor mekaar heeft gekregen weet ik niet, maar na ruim een half jaar is hij in het koetshuis van het kasteel gaan wonen en werd hij daar ook, zeg maar, de bewaarder. Hij heeft mij ooit verteld dat hij de Poolse eigenaar kende en door hem was gevraagd om op zijn eigendommen te letten tot er een besluit genomen was, wat er met het kasteel zou gebeuren.’

‘Hebt u enig idee hoe hij er financieel voor stond? Die grote ark voor de duikschool heeft toch een aardige duit gekost.’

‘En het restaureren van het koetshuis ook,’ antwoordde Van Willigen.

‘Ik vermoed dat hij op een of andere manier geld van zichzelf had. Het kan ook zijn dat hij alleen maar heel zuinig was, want hij rookte niet en dronk niet veel en met een vrouw heb ik hem nooit gezien. Maar zoals ik al zei, hij vertelde niet veel. De duikschool gaat altijd op 15 september dicht en in de winter was hij vaak maandenlang weg. Ah, daar komen de biefstukken. Eet smakelijk en laten we hopen dat u kunt ontdekken wie Johan heeft doodgeschoten.’

‘Dat hoop ik ook,’ zei Sjoerd, ‘maar eerst de biefstukken.’

Als toetje namen zij nog een glas wijn en Sjoerd somde nog eens op wat er morgen gedaan moest worden. ‘Ik wil niet alleen in zijn huis huiszoeking doen, maar ook in het kantoor van de jachthaven en de ark van de duikschool. Genoeg te doen dus en daarom gaan wij nu naar huis. Wat doe je? Ga je met mij mee, dan krijg je morgenochtend koffie op bed.’

‘Lijkt mij een heerlijk voorstel,’ zei Erica, ‘zeker nu we zo vroeg op moeten.’ Zij bleef al bijna alle weekenden bij Sjoerd slapen, dus zo raar was zijn voorstel niet. Zijn flat was groot genoeg en vele malen comfortabeler dan haar huurkamer.

De volgende dag begon, zoals was afgesproken, met het sporenonderzoek in de omgeving waar het lijk was aangespoeld. Sjoerd had er niet veel van verwacht en, afgezien van wat lege bierblikjes, leverde het dan ook niets op.

‘Wat misschien wel mogelijk is,’ merkte hij op tegen Erica, ‘als wij tenminste de tijd van overlijden weten, is de plaats te vinden waar hij te water is geraakt. Er staat hier stroom van de rivier en ook nog een klein tijverschil van ongeveer een halve meter. Misschien een leuk karweitje voor jouw kogelexpert. Ik heb begrepen dat hij van puzzelen houdt en dan is dit zijn kans. En nu op naar het huis van Popov. Misschien vinden wij daar meer.’

Toen zij daar aankwamen, stond de eigenaar van Securelock al op hen te wachten. ‘Goedemorgen, inspecteur, ik ben Nico Bos. Ik was net met pensioen toen u bij het korps kwam. Prettig met u kennis te maken.’

‘U bent mooi op tijd, mijnheer Bos. Wij hebben toestemming voor huiszoeking en willen graag naar binnen. Heeft u de alarminstallatie uitgeschakeld?’

‘Dat is gebeurd, inspecteur, en ik heb ook de sleutel bij me.’

‘Dat is waarschijnlijk niet nodig, want als het goed is, zit hij ook aan deze bos die Popov in zijn zak had. Welke is het volgens u?’

Bos bekeek de sleutels nauwkeurig. ‘Kijkt u maar, deze is dezelfde als die ik bij me heb. Het is een bijzonder type, dat moeilijk na te maken is en die tweede die er erg op lijkt, is van de ark van de duikschool. Daar is het hang- en sluitwerk ook door onze firma geleverd. Twee sleutels zijn zo te zien van hangsloten, de lipssleutel is ook van een deurslot en de kleine waarschijnlijk van een contactschakelaar van een motor. Niet van een auto, ik denk eerder van een boot of een generator.’

Niet alleen de voordeur was voorzien van een veiligheidsslot, ook de ramen waren door sloten beveiligd. Allemaal bedienbaar door dezelfde sleutel.

‘Ruim tien jaar geleden, samen met de alarminstallatie door Securelock aangelegd,’ vertelde Bos. ‘Dat wil zeggen door de vorige eigenaar. Twee jaar geleden heb ik wel de alarminstallatie hier vernieuwd en een contract voor betere surveillance gesloten. Dat houdt in dat bij langere afwezigheid van Popov, en dan praat ik over langer dan een maand, het huis door onze patrouilledienst, vooral ’s nachts, regelmatig wordt gecontroleerd. Niet alleen het huis en de ark, maar ook de ruïne en het park.’

‘Het lijkt mij dat mijnheer Popov erg op zijn privacy was gesteld of veel waardevolle zaken in huis heeft,’ zei Sjoerd. ‘In ieder geval bedankt, mijnheer Bos. Ik zal u opbellen als de alarminstallatie weer aangesloten kan worden en als u mij even laat zien waar de schakelkast zit en de code geeft, dan zal ik u niet langer ophouden.’

‘Geen probleem, inspecteur, als ik uw team zo bezig zie gaat mijn politiehart weer open en zou ik graag meedoen.’

‘Wacht even, ik vergeet iets. Wij gaan ook naar de ark om huiszoeking te doen, zit daar ook een alarminstallatie in?’

‘Nee, ik heb wel geprobeerd er een te verkopen aan Popov toen ik hier de zaak veranderde, maar hij vond het niet nodig. De mensen van de campingboerderij pasten op zijn spullen, zei hij, en hij vond het ook te duur.’

Het huis was inderdaad mooi gerestaureerd. Vanbuiten en vanbinnen. Zo te zien in de originele stijl. Een groot karwei, want ook het koetshuis was in de oorlog behoorlijk beschadigd. Het zal toch een aardige duit gekost hebben, bedacht Sjoerd, ook al doe je het meeste werk zelf. Alleen het materiaal al.

Op het oog zag alles er heel normaal uit. Een grote entree, met drie deuren. Naar een keuken, een grote woonkamer en een ruimte die op een kantoor leek met langs de muren opbergkasten. Onder de trap naar de eerste verdieping zat een meterkast, met ook de bediening van de alarminstallatie. Boven twee slaapkamers, een badkamer en een berghok. Alles was brandschoon en het meubilair van goede, zware, waarschijnlijk Duitse makelij.

Buiten, achter het huis, stond een grote schuur met een professioneel ingerichte timmerwerkplaats en onder een afdak een witte Mercedes bestelwagen.

‘Voorlopig zijn jullie hier nog wel bezig,’ zei Sjoerd tegen Erica.

‘Ik ga naar de duikschool, want hier loop ik alleen maar in de weg en daarna ga ik naar de jachthaven. Bel mij als je iets belangrijks vindt. Ik zal hetzelfde doen en dan zien wij elkaar vanmiddag op het bureau. De commissaris verwacht ons om vijf uur voor een voorlopig verslag.’

‘Dag lieverd, en vergeet niet schoensokken en handschoenen aan te doen als je de ark binnen gaat.’

Erica was een pietje-precies en zij had gelijk, vond Sjoerd, want hoe vaak werden er niet belangrijke sporen vernield door onvoorzichtige politiemensen.

De weg van het koetshuis naar de duikschool ging gedeeltelijk door het prachtige park rond de ruïne van het kasteel en het laatste stuk over de rivierdijk, langs de campingboerderij.

Ik ga eerst naar de boerderij, besloot Sjoerd, anders denken die mensen dat ik kom inbreken.

B & B, Zimmer Frei en Campingstond er op het bord aan de oprit. En boven de achterdeurHier melden. Achter de deur een keurig kantoortje, met achter een bureau een struise dame.

‘Goedemorgen, mevrouw, ik heet Brandsma en ben inspecteur van politie en ik wil u iets vragen.’

‘Ik heet Nel Verschuren en ik ben de boerin en ik had u wel verwacht,’ was het antwoord. ‘Bovendien ken ik u wel, inspecteur, want u ligt bij Lena van Dijk. Met een boot bedoel ik natuurlijk en zij heeft mij u weleens aangewezen in het dorp. U komt zeker naar aanleiding van Johan.’

‘Ja mevrouw, en u weet kennelijk wat er met hem gebeurd is.’

‘Het hele dorp weet het inmiddels, mijnheer Brandsma, en voor ons is het een hele schok. Johan was niet het vriendelijkste mens op deze wereld, maar om zo aan je eind te komen, dat is toch verschrikkelijk. Mijn man en ik konden redelijk met hem opschieten. Dat moest ook wel, want wij pachten deze boerderij en camping van hem.’

‘Dat is nieuw voor mij,’ zei Sjoerd. ‘Dat weet zelfs de kroegbaas niet.’

‘Dat hebben wij ook niet aan de grote klok gehangen, er wordt al genoeg gepraat in het dorp. In 1953 zijn wij met boeren opgehouden en hebben met hulp van Johan de boerderij verbouwd als bed en breakfast en de camping aangelegd. Johan was toen ook begonnen met de duikschool in de ark hier tegenover en veel van de duikers huren hier een kamer of staan op de camping. Toch liep het niet echt. De duikschool is alleen van mei tot en met half september open en de boerderij ligt eigenlijk te afgelegen voor een B & B. De camping heeft maar tien staanplaatsen en wij mogen niet uitbreiden van de gemeente. U weet hoe het gaat hier, de kerkenraad is de baas. Er moest geld bij en wij waren maar wat blij toen Johan ons aanbood de zaak over te nemen. De pacht is redelijk en de laatste tijd gaat het een stuk beter. Wij zijn veel goedkoper dan een hotel en de mond-tot-mondreclame werkt goed. Vooral oudere mensen zoeken rust en dat kunnen zij hier vinden, en natuurlijk de mooie natuur langs de rivier. Maar wat er nu gaat gebeuren weet ik niet. Misschien kunnen we de zaak terugkopen, maar wat dan? Mijn man en ik worden er niet jonger op en onze enige zoon woont in Australië. Nee, inspecteur, voor ons is het een droeve geschiedenis. Wie weet staan we binnenkort op straat.’

‘Zo’n vaart zal het waarschijnlijk niet lopen,’ zei Sjoerd troostend. ‘Een huurcontract kan niet zomaar ontbonden worden en misschien wil de nieuwe eigenaar de pacht wel verlengen. Het zal er ook veel van afhangen wat er in het testament van Popov staat. Als hij er al een heeft, maar dat vinden wij wel uit. Eerst gaan wij proberen de schutter te vinden en omdat het goed mogelijk is dat het iemand van buitenaf is, wil ik graag van u het gastenboek hebben. Het officiële wat u moet bijhouden voor de inkomstenbelasting. En mocht dat niet helemaal kloppen dan wil ik dat ook weten. Wij zijn niet van de fiscale recherche en zullen het niet doorspelen, maar ik wil het wel weten.’

‘Mijnheer Brandsma, maakt u zich geen zorgen. Alles hebben wij keurig bijgehouden. Wij zijn gelovige mensen en in de Bijbel staat dat je de keizer moet geven wat des keizers is en wij betalen keurig onze belasting.

Ik weet niet zeker of de opgegeven namen kloppen of de papieren vervalst zijn. Wel noteren wij altijd de nummerborden van de auto’s, want er wordt tegenwoordig veel met een kredietkaart betaald en wij willen zo weinig mogelijk risico lopen.’

‘Dat is goed om te horen, mevrouw, en het zal ons zeker helpen. Ik neem het boek van dit jaar mee. Dat krijgt u zo snel mogelijk terug. Ik ga nu in de ark kijken. Weet u of daar nog mensen zijn?’

‘Nee, er is volgens mij niemand meer. De duikschool is gesloten en Johan was bezig om de boel op te ruimen en klaar te maken voor de winter.’

‘Wanneer hebt u hem voor het laatst gezien, mevrouw Verschuren, kunt u zich dat nog herinneren?’

‘Jazeker, dat was vrijdagochtend. Hij was komen lopen van zijn huis. Dat deed hij wel vaker. Hij wandelde veel, want hij had vaak last van zijn rug en dat scheen te helpen. Op die manier hield hij ook een beetje in de gaten wat er op het landgoed gebeurde. Hij is vrijdagmiddag weg gevaren met de werkvlet van de school. Dat hoorde ik toevallig, want ik ging net de post halen uit de brievenbus bij de dijk. Ik neem aan dat hij naar de jachthaven ging, want dat deed hij ook wel vaker.’

‘Hoe laat was dat?’

‘Rond een uur of vijf, want daarna ben ik eten gaan maken. Wij eten altijd om zes uur. Nog een oude gewoonte uit de tijd dat we nog koeien hadden die gemolken moesten worden.’

‘Heeft u iets aan hem gemerkt de laatste tijd? Iets wat eigenlijk niet normaal was of niet bij hem paste?’ vroeg Sjoerd.

‘Nee, helemaal niet, maar hij liet nooit iets merken. Nooit eens lekker lachen of boos. Altijd een beetje afstandelijk. Echt Duits, vond ik, terwijl het toch een Pool was en die houden wel van een geintje, zeggen ze.’

‘Een laatste vraag: was er een vrouw of misschien een vriend in zijn leven dat u weet?’

‘Een vriend zeker niet, want ik heb hem weleens horen zeggen dat hij een grote hekel aan homo’s had. Een vaste vrouw ook niet, hoewel hij altijd op zijn manier heel hoffelijk was, zeker tegen de vrouwelijke duikleerlingen, maar dat waren er niet zoveel. In de winter was hij vaak weken weg, wat hij dan deed dat weet ik echtniet. Wel weet ik dat hij zijn huis schoon liet maken door een schoonmaakbedrijf uit de stad en dat zij ook de was verzorgden. Datzelfde bedrijf maakt in het seizoen ook één keer in de week het waslokaal en de toiletten van de jachthaven schoon en bij de gemeente weten zij vast wel wie het zijn.’

‘Daar komen wij wel achter, mevrouw. Bedankt voor de inlichtingen en mocht u of uw man nog iets te binnen schieten wat van belang kan zijn, laat het mij dan weten. Hier is mijn kaartje met de telefoonnummers en ik laat mijn auto hier even staan als het mag.’

‘Geen probleem, inspecteur, over een uur is het bij ons koffietijd, dan is mijn man er ook en u bent van harte welkom.’

De ark lag aan de andere kant van de dijk, aan de zuidkant van het zandgat. Een mooie grote ark, zeker twintig meter lang, schatte Sjoerd, en bereikbaar via een stevige loopbrug.

Eerst sloffen en handschoenen aan, herinnerde hij zich, voordat hij de deur met de door Bos aangewezen sleutel opende.

De ark was opgedeeld in drie ruimtes. Een soort kantine met een lange tafel en stoelen, met aan de ene kant een kleine keuken en aan de andere kant een schoolbord en een boekenkast. Kennelijk werden hier de theorielessen gegeven. In het midden een washok en twee toiletten en aan de andere kant een opslagplaats voor al de spullen die een duiker nodig heeft en ruimte om te verkleden. Alles was goed onderhouden en schoon en de apparatuur zag er zeer professioneel uit.

Aan de waterkant van de ark lag een grote houten vlonder. Bereikbaar via een deur vanuit de kantine en de duikkamer. Een mooie stek, dacht Sjoerd, ook om zomaar te hebben als vakantiehuis. Hij zag zich al zitten op de vlonder met een koud biertje en Erica onder handbereik.

Afgezien van het lesmateriaal in de boekenkast, zag Sjoerd geen papieren in welke vorm dan ook. Hij had genoeg gezien. Misschien konden de experts van Erica wat vinden, hij ging ervandoor. Even een kopje koffie bij Verschuren en met de boer praten, want hij wilde iets meer weten over de verkoop van de boerderij.

‘Keurig via de notaris,’ vertelde Verschuren en voor zover hij wist betaald met contant geld. Zijzelf hadden er niet veel van overgehouden. Het merendeel was gebruikt voor de aflossing van de hypotheek en het afbetalen van een lening. Een nieuwe auto was het enige. ‘Soms heb ik weleens spijt van de verkoop,’ bekende hij, ‘zeker nu het beter gaat. Wat er nu gaat gebeuren zullen wij wel zien. Wij hebben alleen de boerderij en de camping aan Popov verkocht. De twintig hectare bouwgrond is nog van ons en die verpachten wij aan de buurman. Dat brengt genoeg op voor een klein huisje in het dorp en een zuinig leven. Met Gods hulp zal het wel gaan.’

‘Dat is goed om te horen, en zoals ik al tegen uw vrouw heb gezegd, het zal nog wel even duren voordat de hele zaak is afgehandeld. Tot die tijd kunt u in ieder geval de camping en de B & B openhouden. Een laatste vraag: wat voor auto had Popov en wanneer is hij daarmee hier voor het laatst geweest?’

‘Een witte Mercedes Vito bestelwagen en Popov is na vrijdag hier niet meer met de auto terug geweest, want dat had ik zeker gemerkt. Wij hebben namelijk een waarschuwingssysteem bij de poort en er gaat een bel als iemand op het erf komt. Dat had ik zeker gehoord, want ik ben niet weg geweest, het hele weekend niet.’

Negatief resultaat is ook resultaat, bedacht Sjoerd toen hij weer in de auto zat op weg naar de jachthaven. Niets in de ark. Die moest nog wel beter doorzocht worden, maar daar verwachtte hij niet veel van. Wat hij van de Verschurens had gehoord, was wel interessant. De koop van de boerderij en ook dat Popov waarschijnlijk na vrijdagmiddag niet meer in de ark was geweest.

De jachthaven van Ulfen was niet echt groot. Met dertig vaste ligplaatsen en hooguit tien voor passanten. Wel met een mooi waslokaal met toiletten en op de steigers aansluitingen voor elektriciteit en water.

Het kantoor stond bij de ingang en de lipssleutel paste inderdaad op het slot van de deur. Een tafel met een paar stoelen en een opbergkast was het gehele meubilair.

Zoals Bos al had voorspeld, paste een van de sleutels van Popov op het hangslot van de kast. In de kast lagen VVV-folders van de omgeving en mappen met de contracten van de vaste huurders en een leeg geldkistje. Popov had kennelijk de weekopbrengst mee naar huis genomen. Op de tafel lag een kasboek met daarin opgetekend de namen van de boten die hier overnacht hadden, de thuishaven, hoe lang en het liggeld.

De laatste notitie was van afgelopen donderdag. Niet zo verbazend aan het eind van het seizoen, vond Sjoerd. MotorjachtStella Maris Deventer, één nacht, fl. 10,00. In het begin van de week was het wat drukker geweest, met ook nog een paar boten uit België en Duitsland, zag hij. Het boek ging in ieder geval mee naar het bureau.

Buiten hing aan de muur een aanhangbord met het reglement van de haven en het verzoek om bij afwezigheid van de havenmeester, het liggeld à tien gulden per etmaal in de brievenbus ernaast te doen, samen met een ingevuld formulier, wat te vinden was in een schapje achter de bus.

De tweede sleutel paste op het slot van de bus en hier zat wel wat in. Veertig gulden, oftewel vier overnachtingen.

Aan de buitensteiger lagen twee jachtjes. Een van de schippers had Sjoerd bezig gezien en kwam aangelopen. ‘Bent u de havenmeester?’ was zijn vraag.

‘Nee, mijnheer, ik ben van de politie, mijn naam is Brandsma en wij onderzoeken een ongeluk dat hier vlakbij gebeurd is. Hoe lang ligt u hier al met het schip?’

‘Wij zijn zaterdagmiddag hier gekomen. Wij beiden, want het andere schip is van mijn zwager. Ik heet Dijkstra en hij Van Voorden en wij zijn van plan om morgen weer weg te gaan. Wij moeten nog voor één nacht betalen, maar we hadden verwacht dat we de havenmeester nog wel zouden zien en daarom hebben wij ook het formulier nog niet ingevuld.’

‘Mijnheer Dijkstra, ik ga even met u mee naar het schip, want ik wil een paar vragen stellen. Ik neem aan dat u met u vieren op stap bent?’

‘Ja, en de dames zijn heel nieuwsgierig naar wat hier zondagavond gebeurd is, want wij hebben een en ander gehoord van de kruidenier in het dorp.’

De dames en ook de zwager zaten al aan de sherry en vonden het bezoek van een echte politie-inspecteur heel spannend.

‘Ook een glaasje, inspecteur, dat denkt beter,’ was de ontvangst.

‘Dat lijkt mij erg onverstandig, want ik moet zo meteen bij mijn baas op bezoek en dan kan ik beter niet naar drank ruiken. Maar vertel eens. Ik begrijp dat jullie hier al sinds zaterdag liggen en dat de havenmeester niet langs is geweest om u in te schrijven.’

De dame, die zich had voorgesteld als Marie Dijkstra, gaf antwoord:

‘Niet terwijl wij aan boord waren. Wij fietsen veel en het kan zijn dat wij hem gemist hebben. Wij hebben pas vanochtend gehoord dat hij is doodgeschoten. Is dat zo?’

‘Ja mevrouw, tot mijn spijt wel. Wij denken dat het zaterdag of vrijdag gebeurd is en zijn druk met het onderzoek bezig. Daarom een paar vragen.

Heeft een van u iets gehoord, of gezien wat mogelijk verband kan houden met de dood van Popov? Want zo heet de havenmeester.’

Alle vier schudden hun hoofd, helemaal niets. Ook zondagavond niet. Ze hadden alle vier naar de televisie zitten kijken op het schip van Karels. Eerst naar Studio Sport en toen nog naar een soapserie.

‘Toen jullie hier zaterdag aankwamen, lagen er toen andere boten in de passantenhaven?’

Ook dat bleek niet het geval.

‘Nog een laatste vraag: waar zijn jullie zaterdag vandaan gekomen?’

‘Uit Rhenen. Wij zijn op weg naar huis en omdat het redelijk weer is geworden, hebben we besloten een paar dagen hier te blijven. Van vrienden hebben wij gehoord dat dit een rustige haven is en wij hebben er geen spijt van. Het is wat duurder dan normaal, maar dat hebben wij er graag voor over. Alles is brandschoon en het water en de stroom zijn gratis. Als zij er hier geen gewoonte van maken om elkaar overhoop te schieten, dan komen wij volgend jaar zeker terug.’

‘Doe dat in ieder geval, en voor u weer gaat varen, wil ik al uw gegevens voor het geval wij nog vragen hebben. Hier is het inschrijfboek, graag de volledige adressen en telefoonnummers.’

Dat duurde even en gaf Sjoerd de tijd om vast te stellen dat de vlet van de duikschool in een van de boxen lag achter in de haven en dat er zo op het oog niets bijzonders mee was.

Tot zijn schrik zag Sjoerd dat het al half vijf was en dat hij moest opschieten om op tijd bij de commissaris te zijn. Dan morgen maar terug om de zaak wat beter te doorzoeken en de gemeente op te bellen.

Op een holletje ging hij terug naar de passantensteiger. Het boek was keurig ingevuld, zag hij, en snel nam hij afscheid.

‘Goede reis morgen en mocht u nog wat te binnen schieten wat van belang kan zijn, hier is mijn kaartje met alle telefoonnummers.’

‘Dank u wel, inspecteur, en veel succes. Wij nemen er nog een, voor wij het dorp in gaan om te eten.’

HOOFDSTUK 4

Erica en de politiedokter waren al bij de commissaris, en omdat de dokter haast had, kreeg hij als eerste het woord.

Dokter Verstraten was een bezienswaardigheid. Altijd keurig verzorgd in driedelig pak en met ouderwetse charme enmanieren. Maar achter dit misleidende uiterlijk ging een zeer bekwaam politiearts schuil. Ook een die met zijn tijd meeging en van de laatste technieken van de pathologie goed op de hoogte was.

‘Het rapport moet nog uitgetypt worden,’ begon hij, ‘maar ik begrijp dat jullie daar niet op willen wachten en daarom alvast hoofdzaken. Twee schotwonden, een in de buik en een in de rug, en aan de verwondingen te zien is het buikschot het eerst gelost. Beide zijn in principe dodelijk. De interne schade is enorm en dat komt absoluut door het soort kogel dat gebruikt is. De Amerikanen noemen het een “softnose bullet”. Waarschijnlijk leefde hij nog voordat hij te water raakte, want er zat wat water in zijn longen en je zou kunnen zeggen dat hij verdronken is, maar dat is zuiver theoretisch. Verder een gezonde kerel in redelijke conditie, zeker voor zijn leeftijd. Hij heeft op zijn rug littekens die mij erg doen denken aan een verwonding door granaatscherven en op zijn linker bovenarm heeft hij een groot litteken van een brandwond. En dan de hamvraag: wanneer is hij doodgeschoten? In dit geval niet gemakkelijk, omdat de lijkverstijving in het water erg afhankelijk is van de watertemperatuur. Als wij die op 16 graden schatten, dan komen we op ruim veertig uur. In zijn maag zaten nog de resten van brood met ham en kaas, maar dat kan van het ontbijt zijn, of de lunch. Alles bij elkaar, denk ik op zijn vroegst vrijdagmiddag, met een nauwkeurigheid van niet meer dan zes uur en dan eerder later dan vroeger. Neem mij niet kwalijk, Van Houten, maar dit is het beste wat ik ervan kan maken.’

‘Als het op vrijdag gebeurd is,’ zei Sjoerd, ‘dan is het laat in de middag of vroeg in de avond, want Popov is rond 5 uur weggevaren van zijn ark. Dat heb ik gehoord van mevrouw Verschuren, de boerin van de camping.’

‘Dan zou uw berekening best eens kunnen kloppen, dokter,’ zei de commissaris, ‘maar wij zullen u niet langer ophouden. Nog één ding, hebt u de kogels gevonden?’

‘Dat zou ik bijna vergeten.’ Uit zijn vestzak diepte Verstraten twee propjes metaal op, die onmiddellijk door Erica en Sjoerd werden herkend.

‘Ze lijken sprekend op de kogel uit onze schedel,’ stelde Erica vast, ‘hoe is het mogelijk.’

‘Je bedoelt de schedel van Bauer, neem ik aan,’ zei de commissaris. ‘Als dat zo is, dan denk ik dat wij met een ingewikkelde zaak te maken gaan krijgen. Daarom stel ik voor dat je zo snel mogelijk de kogels laat vergelijken.’

De ballistische expert, met de toepasselijke naam Dirk Kruit, was binnen een kwartier klaar.

‘Hetzelfde kaliber en dezelfde samenstelling,’ was zijn mening. ‘Ik moet nog wel wat nadere proeven doen, maar ik ben vrij zeker van mijn zaak. Of hetzelfde wapen is gebruikt, is absoluut niet vast te stellen. Want de kogels zijn, zoals u ziet, commissaris, te veel beschadigd.’

‘Als u gelijk heeft, mijnheer Kruit, dan staat ons een hoop werk te wachten. Ik hoorde dat u zich ook bezighoudt met de verplaatsing van het lijk en ik denk dat iedereen hier aan tafel het ermee eens is, dat u ervan uit kunt gaan, dat Popov vrijdag na 17.00 uur ergens in het water is gegooid.’

‘Dat zal zeker helpen, commissaris, maar ik ga eerst naar het lab om wat proeven te doen met de kogels, want dat lijkt mij het belangrijkste. Dan weet u dat morgen.’

‘Je hebt gelijk, Erica,‘ zei Van Houten toen de man weg was. ‘Het is, wat we nu een echte nerd noemen. Maar ter zake. Wil je er nog mensen bij hebben, Sjoerd? Dat kan, maar die moet ik dan wel bij een ander korps vandaan zien te halen.’

‘Op het ogenblik is het niet nodig, mijnheer. Ons eerste werk is de administratie en persoonlijke papieren, die wij in het huis van Popov hebben gevonden, te bestuderen en daar heb ik mensen genoeg voor. Wij gaan nog een huiszoeking doen in de ark en het kantoor van de jachthaven, maar dat kan met alleen het forensisch team. Ik wil wel uw toestemming om Erica bij het recherchewerk te betrekken. Zij heeft een soort zesde zintuig, dat mij al diverse malen in andere zaken op het goede spoor heeft gezet en mijn gevoel zegt dat wij dat in deze zaak weleens nodig zouden kunnen hebben.’

‘Zo Erica, dat wist ik niet, maar Sjoerd heeft gelijk om je hulp te vragen. Al was het alleen maar om het feit dat het absoluut geen kwaad kan om een intelligente vrouw in het team op te nemen. Mijn zegen heb je, natuurlijk onder het voorbehoud dat je andere werk er niet onder lijdt. En vertel dan nu maar wat jij van de zaak denkt.’

‘Wij hebben bij de huiszoeking niets verdachts gevonden,’ zei Erica. ‘Ook niet in de schuur en rond het huis. De laadruimte van de bestelauto was leeg en ook in de cabine lag niets bijzonders. Wij hebben overal in het huis en in de auto vingerafdrukken gevonden en gefotografeerd. De meeste zijn natuurlijk van Popov zelf, de andere in het huis waarschijnlijk van schoonmaakpersoneel. Morgen komt het rapport van de dactylogische dienst en dan weten wij meer. Opvallend is dat er niets van werkelijk grote waarde in het huis aanwezig is. Een kluis of iets dergelijks hebben wij niet kunnen vinden. Er zijn geen dure schilderijen of andere kunstwerken en het enige wat de moeite van het stelen waard zou kunnen zijn, is de grote kleurentelevisie en een mooie geluidsinstallatie. Waarom dan die dure veiligheidsvoorzieningen, met zelfs patrouillebewaking? Daarom stel ik voor, als het onderzoek van de papieren niets oplevert en ook de andere huiszoekingen niet, om het koetshuis en misschien ook de ruïne van het kasteel nog eens grondig te doorzoeken. Echt grondig, met de hulp van het speciale team van de nationale recherche. Die hebben apparatuur waar je mee door muren kan kijken, en een hondenteam zou ook goed van pas kunnen komen.’

‘Dat speciale team zal geen probleem zijn,’ zei de commissaris. ‘De baas van dat spul is een goede vriend van mij en ik zal hem vast op de hoogte brengen. Ik ben het met je eens dat Popov iets te verbergen heeft en wij moeten er alles aan doen om dat te vinden. Maar genoeg voor vandaag. Wel thuis en dan zien wij elkaar morgen weer om dezelfde tijd.’

Toen Sjoerd de volgende ochtend zijn kantoorkamer binnenkwam, zat Kruit daar op hem te wachten. Hij kwam gelijk ter zake.

‘Goedemorgen inspecteur, ik heb de kogels onderzocht. De kruitsporen en de metalen zijn van dezelfde samenstelling als de kogel uit de schedel. Absoluut hetzelfde soort munitie. Met het stromingsonderzoek gaat het minder goed. De rivier is, volgens Rijkswaterstaat, in lage zomerstand en stroomt met ongeveer twee kilometer per uur. Met de getijtafels erbij en aannemend dat het lijk maximaal twee dagen in het water heeft gelegen, heb ik berekend dat het lijk waarschijnlijk vier à vijf kilometer stroomopwaarts van de veerstoep in het water is gegooid. Maar het is een berekening met veel variabelen. Vooral omdat het niet noodzakelijkerwijze van de kant moet zijn gebeurd, maar dat het ook mogelijk is dat Popov vanaf een boot overboord is gezet.’

‘Dat laatste heb ik mij ook gerealiseerd,’ zei Sjoerd, ‘en ik zal de boerin nog vragen of zij Popov vrijdag zelf heeft gezien, of alleen de vlet gehoord. In ieder geval moeten wij de vlet en de ark grondig onderzoeken.

Ik heb aan mevrouw Withaar gevraagd om u mee te nemen naar de ark om vooral de technische duikattributen te bekijken, want u hebt een goed analytisch en technisch brein. Bedankt voor het snelle werk met de kogels en de stroming en vooral voor het meedenken.’

Nu eerst de boerin opbellen, dacht Sjoerd toen Kruit vertrokken was.

‘Dag, mevrouw Verschuren, met Brandsma. Ik heb nog een vraag aan u. Hebt u afgelopen vrijdagmiddag Popov zelf met de vlet weg zien varen, of kan het ook iemand anders geweest zijn?’

‘Dat weet ik niet, inspecteur, ik heb alleen de vlet gehoord. Onze brievenbus staat onderaan de dijk en van daar kun je de ark niet zien. Ik weet wel vrijwel zeker dat het de vlet van Popov was, want die maakt een heel speciaal geluid, net of de uitlaat kapot is.’

‘Nog één ding, mevrouw. Het kan zijn dat Popov bij de ark is neergeschoten en dan is het mogelijk dat de schoten bij de boerderij te horen zijn geweest.’

‘Dat zeker, maar het jachtseizoen is begonnen en er wordt hier veel gejaagd. Ook door mijn man. En ik weet dat hier vrijdag een drijfjacht op konijnen is geweest. Dus een extra paar knallen is niemand opgevallen.’

‘Mevrouw, bedankt, dat verklaart veel. Er ligt weer een puzzelstukje op zijn plaats.’

In gedachten liep Sjoerd naar beneden, naar de zaal waar de papieren van Popov lagen uitgepakt om onderzocht te worden. Hij was geen jager en wist niet dat het seizoen al begonnen was. Vroeger ging hij weleens met zijn opa in Friesland mee om op konijnen te schieten, maar die hield zich niet zo aan regels en zeker niet aan het jachtseizoen.