3,99 €
Een nieuw hotel. Een historische stad. Een meervoudige moord.
De dood van een hoteleigenaar stelt rechercheur Marilou Tetteroo voor een raadsel. Met de aanhouding van een verdachte lijkt de zaak snel opgelost. Maar naarmate zij de verklaring van de verdachte grondiger doorneemt, blijken er veel - te veel - hiaten.
Om het alibi van de enige verdachte te controleren, gaat ze terug naar de plaats delict in het historische centrum van Delft. Haar onderzoek in het hotel en de directe omgeving leidt tot een opzienbarende ontdekking. Haar nachtdienst verandert in een nachtmerrie waarin ze wordt geconfronteerd met een gruwelijke reeks moorden...
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2021
Eduard Meinema
DBC 1 Laatste nachtdienst
Copyright © 2021 by Eduard Meinema
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, scanning, or otherwise without written permission from the publisher. It is illegal to copy this book, post it to a website, or distribute it by any other means without permission.
First edition
This book was professionally typeset on Reedsy Find out more at reedsy.com
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
About the Author
Also by Eduard Meinema
Het was al schemerig, maar nog altijd broeierig warm. De laatste zonnestralen van een zonovergoten dag weerkaatsten in het zacht golvende water van de gracht. René Karlas zette zijn fiets op slot en keek omhoog naar de scheef hangende kerktoren van de ‘Oude Jan’. De karakteristieke kerktoren was al tijdens de bouw verzakt en hing nu, eeuwen later, nog altijd dreigend voorovergebogen; of hij ieder moment met een laatste zucht van verlichting ter aarde kon storten. Als kleine jongen fietste hij altijd zo snel hij als kon aan de kerk voorbij, bang dat de ‘Oude Jan’ uitgerekend op het moment dat hij daar fietste de geest zou geven en hij met fiets en al, genadeloos, door Gods hand of, wie weet, een duivelse macht, verpletterd zou worden.
Vanavond ging hij beginnen met zijn nieuwe baan; vanavond ging hij werken in het pand tegenover het ‘Huis van God’ dat hem in zijn jeugd niet alleen nachtmerries maar ook de meest bizarre dagdromen had bezorgd. Met een nerveuze glimlach ging hij via de draaideur het monumentale grachtenpand naar binnen. Dit was zijn eerste avond als nachtportier in het trendy, vorige week geopende, ‘Galerie Hotel’, schuin tegenover de ‘Oude Jan’.
‘We moeten zelf ook nog een beetje onze weg vinden,’ had Ed Décran, de directeur en tevens eigenaar van het hotel, hem tijdens het sollicitatiegesprek toevertrouwd. ‘Het is voor ons ook allemaal nog een beetje nieuw en wennen. Dus bereid je voor op onverwachte zaken als je hier gaat beginnen,’ had de man met het iele, grijs krullende haar er lachend aan toegevoegd.
Vanavond begon hij. Nu hij het hotel in liep, vond hij het eigenlijk spannender dan hij had gedacht. Werken in de nachtelijke uren, met de mogelijkheid in de stille uurtjes nog wat te studeren. Het leek een uitgesproken kans voor de jonge student. Ruim op tijd stapte René Karlas het hotel binnen. Achter de kleine, nog nieuw ruikende, balie zat een meisje in een chique zwart uniform. Een knap meisje. Hij schatte haar snel in. Net twintig; ongeveer even oud als hij.
‘Hallo,’ zei René met overslaande stem.
Met een ontwapenende glimlach begroette ze de jongen. ‘Wat kan ik voor je doen?’ vroeg ze terwijl ze haar blonde, bijna witte, paardenstaart met een knikje van haar hoofd opzij gooide.
René schrok. Zocht ze toenadering? Hij moest even zijn keel schrapen. ‘Ik ben René Karlas. Ik kom hier vanavond werken. Of, eh, vannacht eigenlijk…,’ lachte hij verlegen.
Het blonde meisje keek hem schuin aan. Zijn hart bonsde verlegen in zijn keel. ‘Als wat?’ vroeg de receptioniste.
‘Eh… Als, eh… Ik ben de nachtportier…,’ kon hij nauwelijks verstaanbaar uitbrengen.
Met haar groene ogen staarde ze hem verbaasd aan. ‘Nachtportier? Ik weet nergens van,’ zei het meisje met een té lieve glimlach.
‘M… Maar… Ik heb vorige week… Met meneer Décran…’
Het meisje keek hem zo doordringend aan, dat hij zich nog ongemakkelijker begon te voelen. ‘Wat heeft meneer Décran?’ vroeg ze met haar ontwapenende lach.
Hij moest even slikken. ‘Mij aangenomen. Als nachtportier,’ zei René. ‘Vanavond ga ik beginnen…’
‘Sorry… René. Ik weet echt nergens van. Als je hier vannacht zou werken, had Ed…’ Ze bedacht zich en corrigeerde zichzelf snel: ‘… had meneer Décran, het mij wel verteld.’
René Karlas begon aan zichzelf te twijfelen. ‘Maar…,’ stamelde hij overdonderd door deze totaal onverwachte mededeling en zoekend naar woorden. Zijn ogen schoten zenuwachtig heen en weer. In een flits zag hij het lijstje naast de telefoon. Een klein, handgeschreven, lijstje met namen, waaronder die van hem. ‘Maar, kijk dan!’ Hij boog zich ver over de balie, zo ver dat hij het lijstje bijna kon pakken. ‘Daar sta ik! Op die lijst!’
Nu leek het meisje van slag te zijn. Ze wist even niet wat ze moest zeggen.
René Karlas keek haar iets zelfverzekerder aan. Hij stond op de lijst! ‘Zie je wel…?’ zei hij tegen de receptioniste. Nu hij haar aan durfde te kijken, zag hij pas dat ze een badge met haar naam droeg. ‘Monique…?’ voegde hij er stoer aan toe.
Monique trok het lijstje van de telefoon. Het was René wel duidelijk dat ze zich geen raad wist met deze situatie.
‘Bel anders Décran even,’ zei René opgelucht nu hij wist dat dat hij op de lijst van werknemers stond. ‘Dan legt hij het je wel uit.’
‘Ed… Meneer Décran, is niet bereikbaar,’ zei Monique. Nu ze het lijstje in haar handen had, wist ze eigenlijk niet goed wat ze ermee aan moest doen.
‘Nou, dat lijkt me sterk. Vorige week… tijdens het sollicitatiegesprek, gaf hij zelf aan dat hij altijd bereikbaar is. Twentyfourseven, zei hij nog tegen me. Met zijn grijze krulletjes.’
Monique wilde niet, maar moest toch stiekem om zijn opmerking lachen.
‘Ik kan hem ook wel even bellen…,’ zei René. Nu het ijs was gebroken, durfde hij ineens veel meer.
‘Oei, ik weet niet of hij dat op prijs stelt,’ zei Monique. Ze deed haar best het lijstje zo onopvallend mogelijk en zonder dat René Karlas het in de gaten zou hebben, in een lade onder de balie op te bergen.
‘Nou, we moeten toch iets doen. Ik kan kwalijk hier in de lobby blijven wachten tot meneer de directeur zelf eindelijk eens komt opdagen he? Ik ben hier niet voor niets gekomen; ik wil aan de slag!’
De draaideur achter René kwam in beweging. Zowel Monique als hij keken direct naar de ingang van het hotel. Twee mensen met te veel bagage worstelden zich door het draaiende gevaarte naar binnen.
‘Ik… We praten zo verder,’ zei Monique. ‘Als jij even daar op de bank wil wachten, dan help ik de nieuwe gasten.’
‘Waarom?’ zei René bot. ‘Dat is toch het werk dat ik moet gaan doen? Dan kan ik beter maar meteen even meekijken en alles leren wat ik moet weten.’
Monique hield haar hoofd schuin waardoor haar korte witblonde paardenstaart net haar schouder aantikte. ‘Asjeblief?’ zei ze knipperend met haar groene ogen.
Hij kon haar niet weigeren.
Vanaf de bank, in de lobby van het hotel, volgde René het gesprek tussen Monique en de twee zojuist gearriveerde hotelgasten. Twee Japans ogende toeristen; het zwaar Australische accent verbaasde hem. Oordelend naar de hoeveelheid bagage, leek het René dat ze bezig waren met een maanden durende wereldreis. Naarmate het gesprek vorderde, kon hij zijn aandacht er niet langer bijhouden. Zijn ogen dwaalden af; zijn gedachten volgden op de voet. Recht tegenover hem lag het kantoortje waar hij zijn gesprek met Ed Décran had gehad; de hoteleigenaar, de grijzende krullenbol die hem had aangenomen als nachtportier. Tenminste, dat had hij René verteld. Maar blijkbaar was hij ‘vergeten’ de rest van het personeel over hun nieuwe collega te informeren.
Hoewel…
Zijn naam stond wel op de lijst…
Décran’s kantoor lag op de begane grond van het eeuwenoude pand, tegenover de gracht en naast de kerk. De hoge ramen stonden garant voor een schitterend uitzicht op de voor het pand gelegen gracht, de ‘Oude Delft’, en de scheve kerktoren van de ‘Oude Jan’. René Karlas gniffelde. Mocht die ‘ouwe’ toch nog omvallen, zou hij in ieder geval naast het hotel te pletter slaan. Hij zat hier veilig.
De deur van het kantoor stond op een kier. René Karlas twijfelde. Zou hij…? Hij keek naar de balie. Monique was nog altijd druk in gesprek met de twee nieuwe gasten. De discussie liep hoog op; het leek erop dat de reservering van de buitenlanders niet helemaal goed was gegaan. Hij besloot het erop te wagen. Liep naar Décran’s kantoor. Keek semi geïnteresseerd naar een reproductie van een van Vermeer’s schilderijen, artistiek bewerkt met ruige spatten verf, dat naast de deur aan de muur hing, terwijl hij eigenlijk keek of Monique hem in de gaten hield. Hij zag dat de twee net gearriveerde gasten al haar aandacht opeisten. Voorzichtig en zo onopvallend mogelijk tikte hij met de punt van zijn schoen de deur zachtjes verder open en glipte naar binnen.
Voor mekaar.
Binnen!
Het antieke bureau van Décran stond net buiten het zicht. Monique kon hem vanaf haar plek achter de balie onmogelijk zien. Hij kon de verleiding niet weerstaan, liet zich in de donkerbruine bureaustoel zakken. Het leer knerpte en zuchtte onder zijn gewicht. Er brandde geen licht in de kamer, maar de lantaarnpaal voor het hotel en het licht dat vanuit de lobby het kantoor binnendrong, was meer dan genoeg om alles wat zich in de kamer bevond goed te kunnen zien. Dingen die hij, door zijn zenuwen, tijdens zijn sollicitatiegesprek nauwelijks had opgemerkt. Een zitje met drie luxe lederen fauteuils; een hoge boekenkast, zonder boeken maar in plaats daarvan gevuld met duur ogende flessen whisky. Flessen waaruit Décran, aan de geur in het kantoor te oordelen, zichzelf regelmatig een glas in schonk. In de hoek voor het raam stond een imposante humidor, gevuld met een uitgebreid assortiment dikke sigaren. Meneer Décran was levensgenieter. Geen twijfel mogelijk.
‘Wat flik je me nou?’ zei Monique kwaad vanuit de deuropening. ‘Ga die kamer uit!’
Geschrokken, stond René Karlas zo snel hij kon op. Terwijl hij uit de stoel kwam, tikte hij met zijn schoenen tegen iets dat onder het bureau stond. Hij kon het in het halfdonker niet goed zien, maar het leek op een attachékoffer, afgedekt met een bevlekt colbert jasje.
‘Nou! Schiet op! Die kamer uit!’ sneerde Monique.
René Karlas deed verontschuldigend zijn handen in de lucht. ‘Sorry. Ik…’
‘Interesseert me geen reet wat je wil zeggen; je hebt hier niets te zoeken. Nou huppetee, die kamer uit en loop maar direct door naar buiten want ik heb Décran net gebeld. Hij weet nergens van,’ zei Monique heftig met haar hoofd schuddend waardoor haar witblonde paardenstaartje venijnig op en neer danste.
‘Wat?’ riep René Karlas. ‘Dat kan niet! Ik heb hem vorige week nog…’
‘Ja. Vorige week, vorige maand, al was het gisteren. Geen idee wanneer je denkt met Ed… met Décran te hebben gesproken. Hij weet nergens van, dus kom morgen maar terug; mag je het zelf met hem bespreken,’ zei Monique op een toon die in niets leek op de manier waarop de receptioniste René Karlas bij binnenkomst had begroet.
De jonge blondine bleef in de deuropening wachten tot René deed wat hem gevraagd werd. Zodra hij in de lobby was, keek ze vluchtig de kamer van Décran rond. ‘Die fiets? Dat oude ding daar buiten tegen het raam? Is die van jou?’ zei ze bijterig.
René Karlas knikte. ‘Ja.’
‘Nou, Ed… meneer Décran had je vast en zeker verteld dat hij geen fietsen voor het hotel wil hebben, dus ik betwijfel of je überhaupt met hem hebt gesproken. Goed. Mooi geweest. Nu wegwezen… René.’
René Karlas stond enigszins verloren in de lobby. Dit zou de eerste avond… de eerste nacht, van zijn nieuwe baan zijn. Monique had hem in eerste instantie aardig geleken. Meer dan dat; hij vond haar, stiekem, bijzonder aantrekkelijk. Maar blijkbaar had één telefoontje met meneer Décran, of Ed zoals Monique hem herhaaldelijk noemde…, de receptioniste behoorlijk van haar stuk gebracht. Haar houding was plotseling en radicaal veranderd. ‘Goed. Ik ga. Maar ik kom morgen terug!’ hoorde hij zichzelf dreigend zeggen.
‘Prrrrima,’ zei Monique met een overdreven lang rollende ‘R’. ‘En zet je fiets dan ergens waar het wel mag!’ voegde ze er beledigd aan toe.
Kwaad liep René Karlas naar buiten. Gaf uit nijd de draaideur zo’n harde zet, dat de deur piepend bleef doordraaien totdat Monique hem afremde en tot stilstand bracht. Veilig achter het glas bleef ze wachten tot René op zijn fiets stapte en ze hem onder de scheef hangende toren van de kerk weg zag fietsen.
Hij was kwaad. Teleurgesteld. Kon wel janken van verdriet en tegelijk ook gillen van woede. Dat deed hij dan ook: ‘Wat een lul!’ gilde René Karlas al fietsend keihard en uit volle borst tegen een man die, op enige afstand van de scheef hangende kerktoren, tegen het lage hekwerk langs de gracht stond geleund.
De man gebruikte het hekwerk als alternatief statief om een foto van de kerktoren ‘bij nacht’ te maken. René Karlas reed zo dicht langs hem en brulde zo hard dat de man van schrik zijn camera in de gracht liet vallen.
‘Godsamme!’ vloekte de man net zo hard als zijn belager naar hem had gedaan. Hij zag nog net hoe zijn dure spiegelreflex camera in het groenige water van de gracht verdween, maar was te laat om de nog altijd scheldende fietser te achtervolgen.
René Karlas bekommerde zich niet om de treurende fotograaf. Direct nadat hij de kerktoren voorbij was, reed hij tegen het verkeer in, een klein stukje het oude centrum in. Tot aan de brug van de volgende gracht. Daar, aan de andere kant van de ‘Oude Jan’, smeet hij zijn oude, deels verroeste fiets tegen de eeuwenoude kerkmuur die, ondanks alle verbodsborden, langzaam werd aangetast door de bijtende urine van dronken kerels die hier midden in de nacht tegen de kerkmuren stonden te pissen. Hij liep naar het tegenover de kerk gelegen café dat, niet bijster origineel, ‘d’oude Jan’ was genoemd. Bij binnenkomst, smeet hij de deur zo hard achter zich dicht dat de glazen op de bar trilden.
‘Wil je wat drinken?’ zei de barman kalm. ‘Of wil je eerst de schade vergoeden?’
‘Sorry,’ mompelde René Karlas. Onwillekeurig keek hij toch nog even achterom of de deur misschien echt door hem was beschadigd; tot zijn opluchting bleek dat gelukkig niet het geval te zijn. Hij nam plaats op een kruk aan de bar. Bestelde een ‘tapbiertje’ en begon, zonder zich om de andere gasten aan de bar te bekommeren, tegen niemand in het bijzonder te praten: ‘Die klootzak van dat hotel… Die hufter heeft me eruit gegooid.’
De barman zette het biertje voor René op de bar. ‘Wat hebbie gedaan dan?’ vroeg hij meer uit beleefdheid dan uit interesse.
‘Niks!’
‘Oh, dat verklaart een hoop!’ zei een oude man op de kruk naast hem lachend.
René Karlas staarde quasi beledigd naar het plafond. ‘Oké. Die had ik verdiend… Maar, het gaat erom. Ik zou daar vanavond beginnen. Mijn eerste nachtdienst. Kom ik daar aan, mag ik er niet in. Zonder reden! Terwijl ik wel op de lijst sta he? Dat heb ik zelf gezien.’
‘Welk hotel?’ vroeg de barman. ‘Dat nieuwe ding? Hier tegenover de ‘Scheve Jan’?’
‘Ouwe Jan, Scheve Jan…,’ zuchtte René Karlas.
‘Hippolytuskerk,’ corrigeerde de man op de kruk naast hem die zich ongevraagd in het gesprek mengde. ‘Formeel dan he…’
‘Ja, dat ding heb door de eeuwen heen wel een paar namen gehad,’ begon een andere man, die nog een kruk verder zat, zich er mee te bemoeien. Hoewel hij binnen zat, had hij zijn alpinopet opgehouden in een tevergeefse poging zijn kalende hoofd te bedekken.
‘Maar… inderdaad, dat nieuwe hotel. Het Galerie Hotel,’ zei René. ‘Van ‘meneer Décran’,’ voegde hij er met een geaffecteerde stem aan toe. ‘De arrogante zak!’
De barman knikte instemmend. ‘Ja… Décran. Die naam ken ik wel… Da’s geen beste…’
René sloeg in één teug zijn biertje naar binnen. Wenkte dat hij nog een glas wilde en zei: ‘Hoezo? Wat heb je gehoord?’
De barman spoelde het glas om, tapte een nieuw biertje en streek met een plastic spatel de schuimkraag recht. Hij wilde iets zeggen maar de man naast René Karlas was sneller: ‘Steekpenningen,’ zei de gedrongen man. Zijn benen bereikten ternauwernood de dwarsbalk van zijn kruk en wiebelden daardoor doelloos in het luchtledige.
René Karlas keek de krasse zeventiger aan. ‘Steekpenningen? Die man runt een hotel; geen multinationaal bedrijf.’
‘Dat zijn de geruchten he,’ zei de barman. ‘Het schijnt dat hij het gemeentebestuur heeft omgekocht om zijn vergunning te krijgen. Die locatie aan de gracht was eigenlijk niet bedoeld om er een hotel te vestigen.’
‘Ja,’ zei de oude man. Hij liet de hals van het lege jeneverglas tussen zijn vingers rollen terwijl hij mijmerde: ‘En toch heeft hij zijn vergunning gekregen. Ra, ra, hoe kan dat?’
De man met de alpinopet naast hem, wist nog meer te vertellen: ‘Ik heb gehoord dat hij die oude panden langs de gracht heeft opgekocht. Overgenomen van de gemeente. En daarna een soort van ‘opgeknapt’. Ha! Hij noemde het grondig gerestaureerd, maar hij heeft er geen flikker aan gedaan, man.’
‘Ja, een ander kleurtje verf op de kozijnen laten schilderen,’ zei de barman.
