15,99 €
'Je doet wat wij zeggen!' Het autoritaire gedrag van haar vader zorgt ervoor dat Linda zich juist tegenovergesteld gedraagt. Emoties vinden haar ouders maar lastig, maar net doen of gevoelens niet bestaan, wordt voor Linda een onhoudbare situatie en het gebrek aan medeleven van haar ouders wordt haar desastreus. In het gezin worden aangelegenheden niet besproken, maar worden meningen haar opgelegd. Linda wil wanhopig ontsnappen aan de wurgende greep van de controle en spanningen, maar hierdoor wordt de controle van haar vader alleen maar erger. In het boek worden diverse uitzichtloze situaties beschreven, waarbij duidelijk wordt wat de impact is van de superioriteit en de houding van haar ouders.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 692
Veröffentlichungsjahr: 2022
INHOUD
COLOFON 2
VOORWOORD 3
CITAAT 4
1. 5
2. 9
3. 25
4. 57
5. 85
6. 103
7. 124
8. 149
9. 180
10. 197
11. 217
12. 262
13. 312
14. 333
15. 359
16. 377
17. 392
18. 399
COLOFON
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2022 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99107-826-5
ISBN e-book: 978-3-99107-827-2
Lectoraat:M. Moors
Vormgeving omslag:Tina Lindholm Pedersen
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
www.novumpublishing.nl
VOORWOORD
Alle gebeurtenissen in dit boek hebben plaatsgevonden zoals ik ze heb beschreven.
Ter bescherming van mijn gezin heb ik pseudoniemen gebruikt.
Dit boek draag ik op aan mijn kinderen.
CITAAT
Littekens…
Eens gebroken wonden
Diepe wonden zijn poreus
Littekens
Eens gebroken wonden
De leercyclus van onze ziel
1.
Een vreemde op aarde
Geboren in den vreemde. Mijn ziel wordt verscheurd, doordat ik plaats moet nemen in mijn lichaam. Ik moet terug naar de aarde om taken te volbrengen, zware taken.
Het valt me zwaar, opnieuw geboren te worden op deze aarde. Mijn vorige leven zit nog in mijn genen verweven, echter ik begrijp niet wat ik met me meedraag. De loodzware, ondraaglijke last, waar ik niet over kan praten. Waarom moet ik terug naar deze aarde? Mijn leven was nog niet af. Te jong was ik heengegaan. Het vorige leven, de jonge vrouw die ik was, ben ik nog steeds. En ik heb niet de juiste ouders gekregen om me te helpen, ouders die noch naar me luisteren, noch me troosten, laat staan me begrijpen als ik diepe gevoelens of emoties toon.
Angst in mijn kleine lijf
Ik ben geboren in het jaar 1965. Het zijn roerige tijden en er gebeurt veel in de wereld. Het begint al jong, erg jong dat ik iets mis. Vanaf dat ik me kan heugen, heb ik geen band met mijn ouders.Avond aan avond lig ik als klein meisje van drie, vier jaar klappertandend en trillend van angst opgekruld in mijn bed. Strak ingepakt onder een wit laken, met daaroverheen een zachte, vaal-oranje wollen kriebeldeken. Bang voor de wereld, met een diepe angst voor mijn vader en vreselijk bang voor mijn liefdeloze, koude moeder. Het zijn pure vreemden voor me, zo voelen ze ook. Er zit totaal geen diepgang in mijn vader en moeder, alles is zo aan de oppervlakte. Ik heb geen band met ze, zelfs op deze leeftijd voel ik dat al. En altijd die kou, die onmetelijke kou die ik voel, tot op mijn botten.
Het is donker in mijn kamer en ik vrees de schimmen die ik zie. Diep duik ik onder de wol, het laken er strak onder getrokken, dat is het enige fijne gevoel dat ik waarneem en ik kijk naar de schaduwen op de muur. De eenzaamheid is groot.
Avond aan avond lig ik wakker en ben ik ontiegelijk bang. Zijn mijn angsten gegrond? Bang voor de beelden die ik nog steeds zie. Doodsangsten voor de oorlog en voor vuur. Voor mijn geestesoog zie ik vliegtuigen overvliegen, die bommen droppen. Het lawaai van de jankende bommenwerpers is oorverdovend en het klamme zweet breekt me uit. Ik schuil voor de bommen die vallen, maar weet niet of dit enige zin heeft. Ik zie beelden van de oorlog, herdershonden, brand, Duitsers in uniform, verpleegsters met kapjes op, de Joodse man die ik heb helpen onderduiken. En er is verraad! Ik ben verraden en dat moet ik bekopen met de dood.
Altijd maar het vuur dat weer terugkomt. Tot benauwdheid aan toe zie ik, iedere avond voordat ik in slaap val, de likkende vlammen alles verschroeien en ten slotte die angst om dood te gaan, omdat ik weet dat de hete vlammen me levend opeten en ik uiteindelijk geen lucht meer krijg.
Uiteindelijk ga ik dood, het is een vreselijke, afschuwelijke en pijnlijke dood en uiteindelijk sterf ik in het vuur, de rook is overal om me heen. Tergend langzaam stik ik, het gevoel in mijn keel wordt steeds benauwder met de likkende vlammen, paniek! Ik kan nergens heen. Ik verbrand geleidelijk, mijn huid schroeit. Avond aan avond zie ik het vuur, waar ik een doodsangst voor heb. Het is de brandende hel voor mij.
Als klein meisje wil ik schreeuwen, maar mijn keel zit dicht en ik moet me tenslotte gedragen bij deze vreemde mensen, die mijn ouders zijn. Ik klauw in mijn deken en trek er plukjes wol uit, die ik tussen mijn vingers draai en maak me zo klein mogelijk, net alsof dat helpt. Ik beef en tril als een rietje. Misselijkmakende angst maakt zich van mij meester. Letterlijk zit ik in de huid van deze vrouw uit dat andere leven en voel haar doodsangsten, iedere avond weer.
Telkens weer zie ik als jonge kleuter dat beeld van de Joodse man, die ik als jonge vrouw moest verstoppen. Continu leg ik mezelf de meest vreemde beproevingen op. En dan de vraag, altijd weer die brandende vraag die ik mezelf stel: Zou je koste wat kost deze man weer helpen onderduiken, als je het allemaal over mocht doen? Ook als je daarvoor weer je leven zou moeten laten, op deze afschuwelijke wijze…?
En na veel wikken en wegen komt het antwoord toch altijd weer op hetzelfde uit… Ja, ik zou het weer doen. Ten opzichte van mijn eigen ethische gevoel, ten opzichte van het verschil tussen goed en kwaad, ten opzichte van God en om me met mezelf te kunnen verenigen, is dit het enige juiste dat ik kon doen. Ik moest de man helpen onderduiken, mijn geweten kon niet anders dan dat.
Ik begin te zweten en voel telkens de doodsangst, omdat ik het met mijn leven heb moeten bekopen. Als ik dit voor mezelf heb vastgesteld, lucht het ietwat op omdat ik, ondanks alle pijn, juist heb gehandeld. Biddend, mijn kleine handjes ineengevouwen, roep ik om God, Hij is mijn Bondgenoot en met kloppend hart verschuil ik me onder de dekens. Ik droom vaak over de oorlog, tot grote vervelens van mijn ouders aan toe.
De periode gedurende mijn vorige leven, in de Tweede Wereldoorlog, is een periode die ik heb moeten ervaren, zodat ik deze ervaringen kan aanwenden in mijn huidige leven. Vier jaar ben ik en worstel reeds met zulke vragen, in mijn eentje en er is niemand voor me, helemaal niemand op deze aarde. Mijn ouders kennen mijn angst voor oorlog, bommen en vuur, maar ze begrijpen er niets van en ze doen er niets mee. Ik word niet getroost of geknuffeld. Er zijn alleen harde woorden. “Nou, er is geen oorlog, ga nu maar slapen, vooruit, je nest in!” Of ze lachen me uit. Murw gemaakt.
Ik trek me steeds meer terug uit de wereld. Volwassenen vertrouw ik niet echt, ze hebben me nog weinig goeds gebracht in dit korte leventje. Het rare is dat ik niet eens naar een volwassene toe durf te gaan, om iets te vragen, ik ben bang voor ze, maar waarom begrijp ik dan nog niet echt. Als klein meisje zoek ik op een bepaalde manier naar liefde, ook al ben ik niet het kind dat om aandacht schreeuwt, dat durf ik niet en het komt ook totaal niet in mij op.
Vaak hoor ik ’s avonds, wanneer ik al een tijdlang in bed lig, keihard het liedje“Rosetta”van George Fame & Alan Price, het is mijn oudere buurjongen die het draait. Zijn slaapkamer ligt parallel aan de mijne.
Rosetta are you better
Are you well, well, well
Rosetta are you better
Are you well, well, well
Well, well, well
Well, well, well
Well, well, well
De kilte van mijn vader en moeder beheerst mijn leven, de ijzige kou die mijn lichaam verlamt en me verstijft tot op mijn botten. Er is geen spoor van liefde, er is geen enkele warmte, er is geen aandacht voor hoe ik me voel of wat ik denk, en begrip is er nooit geweest.
En ik, ik schreeuw het uit vanbinnen, in mijn te kleine lichaam. Mijn lichaam is te klein voor mijn geest, die al zoveel heeft meegemaakt, het zielenleed in mijn hart. En iedereen waar ik ooit om heb gegeven, ooit van heb gehouden, is mij verloren gegaan. En in dit leven herken ik niemand vanuit mijn vorige leven, het is hier eenzaam en zo kil.
Are you well, well, well
Well, well, well
Well, well, well
Well, well, well…
2.
Lucas gaat vaak naar beneden omdat hij niet kan slapen, daardoor krijgt hij de aandacht waar hij om vraagt. Hij is de lieveling en ik vind het niet meer dan gewoon, want zo is het nu eenmaal. Hij mag dan nog even opblijven en in de huiskamer zitten.
Zelf kan ik de slaap praktisch nooit vatten en heb last van die doodsangsten. Keer op keer, avond aan avond, komt de angst voor de jankende bommenwerpers terug, de bommen die vallen, zie ik het fikkende vuur voor mijn geestesoog en de man die ik niet heb kunnen redden en eveneens zijn leven moest bekopen met de dood.
Op een avond besluit ik om de stap ook maar eens te wagen, om te zeggen dat ik maar niet kan slapen en dat ik zo’n angst heb. Ik sluip de trap af naar beneden, met bonzend hart en rillend van angst sta ik voor de huiskamerdeur. Ik sta daar wel enige minuten, omdat ik gewoon niet naar binnen durf! Ik weet niet waarom ik bang ben voor mijn ouders, maar ik ben het. Mijn hartje bonkt van angst in mijn keel als ik de deur opendoe en het liefst wil ik gelijk weer terug mijn bed in. Eigenlijk heb ik er gelijk alweer spijt van dat ik mijn bed uit ben gegaan.
“Ik kan niet slapen, ik ben bang voor oorlog en voor vuur,” zeg ik met trillend lijf en bevende stem.
“Vooruit, terug je bed in!” wordt er koud, op botte en autoritaire toon tegen me gezegd. Mijn ouders luisteren niet naar me, naar wat ik zo graag wil vertellen. Het haalt niets uit en ik laat het wel uit mijn hoofd, om het nog eens te doen.
In verdriet loop ik de trap weer op naar boven en lig als een brok ellende te rillen in mijn bed. En al vroeg in mijn korte leventje besef ik dat ik niet bij ze terecht kan met mijn onrust, angst en verdriet.
Ik zit in de tweede klas van de kleuterschool, vijf jaar ben ik. Mijn schoolvriendinnetje heet Anna, ze heeft kort, steil, lichtblond haar. Ze woont een klein stukje verderop voor het pleintje richting school. Mijn anderhalf jaar jongere broertje is nog thuis bij mijn moeder. Anna heeft ook een jonger broertje, Ferdi heet hij en hij zit in de eerste klas van de kleuterschool. Hij is een beetje ondeugend en heeft heel lichtblonde, grove krullen.
Op een dag vraagt Ferdi: “Zullen we van school weglopen?”
“Wat moeten we dan aan onze moeders vertellen?” reageer ik geschrokken.
“Dat we naar huis toe mochten van de juf.”
Nog nooit heb ik gelogen tegen iemand en dat voelt eigenlijk heel slecht. Toch laat ik me door de kleine jongen overhalen en na enig aandringen loop ik met hem weg van school en gaan we allebei naar ons eigen huis. Het is zo’n zeven minuten lopen.
Als ik thuiskom vraagt mijn moeder: “Wat kom jij hier doen, waarom zit jij niet op school?”
Liegen kan ik helemaal niet, dus ik vertel haar beteuterd de waarheid: “Ik ben samen met Ferdi naar huis gegaan.” Woedend is ze!
“Jij gaat gelijk weer terug naar school en je haalt Ferdi maar thuis op!”
Daar loop ik dan in mijn eentje, terug naar het huis van Ferdi… Schoorvoetend en met bonkend hart bel ik aan en zijn moeder doet de deur open.
“Komt Ferdi weer mee naar school? Ik moet weer terug naar school van mijn moeder,” zeg ik heel benauwd en timide omdat er een volwassene voor me staat.
Ze glimlacht lief naar me en zegt: “Ferdi hoeft niet meer naar school, hij mag thuisblijven.”
Wat voel ik me ellendig, nu voel ik me nog eenzamer. Mijn moeder denkt vast dat het mijn idee was, maar ik zou er nooit zelf opkomen om zoiets te doen. Dus ik loop alleen terug naar school.
Op school staat me straf te wachten. Ik moet in de hoek staan van juf Bos met mijn handjes op de rug en mag niet in de poppenhoek spelen, terwijl het eindelijk mijn beurt was.
Ik speel niet met poppen, want ik ben geen poppenkind, maar ik wilde het toch wel een keer proberen om te kijken of ik het nog eens leuk zou gaan vinden.
Van mijn oma heb ik een haarloze pop gekregen met blauwe ogen die open- en dichtgaan. Ze heeft een rood jurkje aan met een wit bandje, dat mijn moeder heeft gebreid. Er zit een gat in haar hiel, daar heb ik op gekauwd en één oog zit altijd dicht omdat ik er water in heb laten lopen, de ogen zien er een beetje roestig uit, het is een raar gezicht.
Waarom reageerde de moeder van Ferdi zo begripvol en lachend en waarom was de mijne zo ontzettend kwaad? Het ergste vind ik nog dat ik niet in de poppenhoek mag spelen en ik vind het ook erg dat juf Bos kwaad op me is. Gelukkig is de juf niet heel lang boos op me, alleen maar een uurtje of zo, dat vond ik wel gek. Haar boosheid was best snel weer over en toen deed ze zelfs weer gewoon tegen me.
Buitenspelen vind ik heerlijk, ik doe niets liever. Tegenover onze huizen in de straat zijn ze nieuwe huizen aan het bouwen. Er is niets lekkerder dan door de rioleringsbuizen te kruipen en verstoppertje te spelen op de bouwplaats. Heerlijk is het om die cementlucht op te snuiven.
Als mijn moeder één keer in de week ’s avonds rijles heeft, krijgen we brood uit het vuistje van mijn vader. Twee dikke boterhammen met een plak kaas ertussen en dan mogen mijn broertje en ik zo weer naar buiten, de bouwplaats op, met de boterhammetjes in ons knuistje. Genieten is dat. Die vrijheid is me heel wat waard.
Mijn ouders hebben een witte Kever. Als we weleens een ritje maken naar opa en oma word ik er altijd vreselijk wagenziek in. Ik vind de auto ontzettend stinken, er hangt een typische volkswagenlucht in waar ik echt niet tegen kan en waar ik kotsmisselijk van word. Mijn broer en ik kotsen regelmatig achterin de auto onder of mijn vader moet stoppen, zodat we buiten kunnen kotsen.
De enige met wie ik een echte band voel in mijn leven, is opa, de vader van mijn moeder. Het is en lieve man met zwart haar. Hij draagt een jaren zestig bril met een dik zwart montuur op zijn neus. Meestal heeft hij een lichtgrijs krijtpak aan en een keurig gesteven overhemd. Hij draagt altijd bretels om zijn broek op te houden. Opa paft van die hele dikke sigaren. Bij opa en oma staat de dikke sigarendoos op de jaren zestig bruine salontafel. De lucht van de sigaar die opa opsteekt vind ik heerlijk en ook vind ik het zo gezellig als opa rookt.
Als mijn broertje en ik bij opa en oma logeren, kan ik merken dat ze van me houden. Met opa heb ik een heel bijzondere band, al kan ik niet uitleggen waarom.
Als het mooi weer is, mogen Lucas en ik in de grote ovalen zinken teil in de tuin zitten. Opa vult de teil met de tuinslang en sproeit ons dan helemaal nat. Dat is grote pret!
Opa valt soms plotseling in slaap als hij in zijn grote donkerrode lederen fauteuil met de mahoniehouten leuningen zit. Dan is het ontzettend leuk om hem aan zijn neus te trekken! Hij slaakt dan een hevige zucht en met een snurkje wordt hij verschrikt weer wakker. Wij moeten dan zo vreselijk lachen!
Opa is een lieve verzorgende man, hij zorgt goed voor oma. Mijn vader vindt het gewoonweg belachelijk dat opa de fiets van oma onderhoudt, hij ergert zich er helemaal kapot aan. Opa pompt de fietsbanden op en zet zelfs de dynamo aan voor oma als het donker is. Mijn oma weet volgens mijn vader zelfs niet eens hoe ze dat zelf moet doen. Belachelijk vindt hij dat en hij heeft hier altijd smalend commentaar op. Ik vind het juist heel lief van opa, dat hij zo zorgzaam is voor oma. Gedurende mijn jeugd kom ik erachter dat mijn vader niet met mijn oma overweg kan, hij vindt haar maar een bemoeizieke zeur.
Wat ik niet weet, is dat opa ziek is, heel erg ziek. Op een gegeven moment is hij aan het einde van zijn latijn en ligt hij op sterven. Mijn vader wil dat wij, zijn kleinkinderen, afscheid van hem nemen. Het is een van de weinige echt goede dingen die mijn vader ooit voor me heeft gedaan.
Opa ligt in bed en ik zie dat hij moeite heeft met ademen, hij ziet er vreselijk zwak en witjes uit. Het valt me heel erg zwaar om hem gedag te zeggen. Zo klein als ik ben, weet ik nu al dat het voor altijd zal zijn. Altijd, altijd, aaaaaltijd… Mijn hele leven lang zal ik hem nooit meer zien. Noooooit meer. Dat doet zo’n pijn in mijn ziel. Ik weet niet wat ik moet zeggen, er is zoveel wat ik tegen hem zou willen zeggen en toch ook weer niet, want iedereen staat erbij. Het gaat ook niet meer, want opa is te ziek en verzwakt. En de woorden willen me niet te binnen schieten, ik heb alleen maar vreselijk veel verdriet en mijn hartje knijpt samen van pijn. Opa die zo trots op me was en foto’s maakte van ons, als verklede kleuters op de prachtig versierde praalwagens. Lieve, lieve opa.
Ik geef hem een kus en zeg: “Dag opa.”
“Dag lieve kind,” fluistert hij nog met veel moeite en dat is het dan, hij gaat heen.
Het doet zo ontzettend veel pijn in mijn kleine hartje. Het is net of mijn hart uit mijn lijf wordt gerukt. Ik weet zo goed wat het betekent, nooit weer, noooooit weer.
Tijdens het regelen van de begrafenis van mijn opa en gedurende de begrafenis zelf, gaan mijn broertje en ik uit logeren bij tante Nellie, de oudste zus van mijn moeder. Tante Nellie is een vreselijke pin. Later kom ik erachter dat zij en mijn moeder nog het meest op elkaar lijken qua karakter. Ze heeft kort, lichtblond, gegolfd haar en een dikke jampotbril op, waardoor haar ogen veel groter lijken dan ze in werkelijkheid zijn, een beetje raar en ook wel eng vind ik dat.
Op een gegeven moment moet ik douchen.
“Doe je kleren uit,” commandeert ze vinnig.
Ik weiger echter om mijn onderbroek uit te doen. Dodelijk verlegen sta ik in de douchecel en ik schud van nee. Ik douche me trouwens allang zelf.
Ze wordt boos op me en vraagt beschuldigend: “Denk je dat ik nog nooit een meisje bloot heb gezien of zo, omdat ik drie zonen heb? Nou, dat heb ik echt wel hoor!”
Schuchter schud ik met mijn hoofd, terwijl ik haar niet aan durf te kijken.
“Nou schiet op, doe je onderbroek uit!” snibt ze vol ongeduld.
Waarom ik het niet durf weet ik niet, maar ik sta te trillen op mijn benen. Als ik in mijn blootje sta voel ik me vreselijk ongemakkelijk onder haar vergrotende priemende ogen achter de dikke jampottenglazen en hou schuchter mijn handjes ervoor.
“Nou, schiet op en onder de douche gaan staan!” kat ze nogmaals pinnig.
Ik kan mezelf allang zelf wassen, ik ben al zes jaar oud, waarom moet zij dat ineens voor mij doen, dat doet mijn moeder toch ook niet?
We verhuizen in 1971 naar Bilthoven, mijn vader heeft werk gevonden als leraar Duits aan de Middelbare Detailhandel School in Utrecht. We wonen in een duplexwoning in de Evert Cornelislaan. Ik ga naar de eerste klas van de lagere school.
Als meisje van zes, zeven jaar ben ik het liefst altijd buiten in de natuur, daar ben ik vrij. Ik ben altijd degene die bij kinderen aanbelt om te vragen of ze buiten komen spelen. Er zijn genoeg dingen te bedenken die ik doe om me aan de werkelijkheid te onttrekken, zoals touwtjespringen, knikkeren, verstoppertje doen, voetballen, rennen, kaatsballen, zwemmen, judo, hinkelen, rolschaatsen, postzegels uitwisselen en lezen.
Ik heb een vriendinnetje, Erika. Ze woont een straat verderop en ik ga vaak naar haar toe. Ze speelt niet vaak buiten, zij is liever binnen bij haar vader. Het is gezellig bij haar thuis, dus ga ik vaak naar haar toe. Bij mij thuis komt ze eigenlijk nooit, ik weet niet waarom.
Haar vader leeft gescheiden van haar moeder, haar moeder is niet helemaal normaal en is opgenomen in een gesloten inrichting. Bij hen thuis zie ik wel foto’s hangen van haar moeder, ze heeft dezelfde krullen en het middelblonde haar als Erika, en ze heeft best een lief gezicht. Ik vind het heel zielig voor Erika dat haar moeder in een gesticht zit.
Vaak doen we ook spelletjes en haar vader heeft altijd wel wat lekkers in huis. Ik krijg er vaak een bastognekoek, dat is nog eens lekker. Haar vader is een klein beetje mollig net zoals Erika, ik vind het wel grappig.
Soms kijken we vakantiefilms die haar vader afdraait op de filmprojector en op het eind draait hij ze achterstevoren, dat vindt Erika echt prachtig en ze schatert het dan uit van de lach!
We komen niet zo heel vaak bij oma, zo af en toe eens op een zondag, dat vind ik heel erg jammer. Oma is niet lang na het overlijden van opa verhuisd naar een andere woning in Gorinchem. Dat brengt natuurlijk ook een stukje eenzaamheid voor haar met zich mee. In mijn beleving gaan we vaker naar de ouders van mijn vader.
Ze woont in een redelijk grote bovenwoning, in een leuke buurt. Ik vind het er altijd fijn. Soms kijken we televisie naar een informatief kinderprogramma en soms verkennen we de voor ons nieuwe buurt.
Als ze bij ons op visite komt weet ik dat er iets voor ons uit haar tasje komt, ze neemt altijd een chocoladereep of iets anders lekkers voor ons mee. Mijn vader en oma, dat klikt niet. Achter de rug van mijn oma heeft hij behoorlijk veel kritiek op haar. Hij vindt haar vreselijk bemoeizuchtig met betrekking tot onze opvoeding. Ook vindt hij het belachelijk dat ze haar eigen band nog niet eens kan plakken. Dat vind ik niet prettig, want ze heeft in mijn ogen niets fout gedaan.
Eens per jaar reist mijn vader voor school met de bus naar Duitsland. De leerlingen gaan op een schoolreis en hij is erbij als surveillant. Altijd neemt hij iets voor ons mee, meestal is het een poppetje.
Eens nam hij een echt gouden kettinkje voor mij mee uit Duitsland met daarbij een uitgesneden witte camee op een donkerrood vlak in een rechthoekig hangertje.
“Het is een echte met de hand uitgesneden camee en die zijn erg kostbaar,” legt hij uit. Zelfs mijn moeder krijgt niet zo’n duur cadeau van hem, dat voelt best een beetje ongemakkelijk voor mij.
Op een dag heb ik gymnastiek en al onze sieraden moeten af. Ik zit intussen in de eerste klas van de lagere school. Het kettinkje met de camee doe ik in mijn jaszak met daarop mijn zakdoek. Als ik later mijn ketting wil pakken, is hij uit mijn jaszak verdwenen, ik voel me vreselijk schuldig en ellendig.
“Ik ben mijn kettinkje kwijt, tijdens gym heb ik het kettinkje in mijn jaszak gedaan en na gym was hij weg,” vertel ik mijn ouders timide.
Mijn vader neemt contact op met juf Hendriks. Als ik in de klas zit moet de hele klas nablijven, de hele klas wordt erop aangesproken dat mijn kettinkje is gestolen en degene die het heeft gedaan moet het kettinkje terug doen in mijn jaszak. Het blijkt uiteindelijk Johnny, de broer van Annie, te zijn geweest, een meisje uit mijn klas, die de ketting uit mijn jas heeft gejat. Johnny is echt een volks schoffie en hij bekent het hele gebeuren uiteindelijk aan de juf.
De ketting zit tot mijn verrassing en grote opluchting, plotseling weer in mijn jaszak. In materieel opzicht ontbreekt het me werkelijk aan niets.
We gaan tijdens de zomer vaak met het gezin op vakantie naar Engeland. In zo’n bungalowpark is van alles te beleven. ’s Avonds is er ballroomdansen en wordt door de entertainer bekeken wie de beste Tarzan-yell kan maken. We zwemmen veel en doen ook zwemwedstrijden in het zwembad, dan krijgen we een certificaat. De fish and chips en de high tea vind ik heerlijk. Rye, Canterbury en Cambridge zijn prachtige plaatsen om te bezoeken en in rond te slenteren. Er zijn veel ruïnes in Engeland en dat vind ik zo mooi, de natuur is er prachtig.
Het buiten zijn en spelen met andere kinderen van onze leeftijd is zo fijn, het is mijn lust en mijn leven!De kinderen geloven zelfs niet dat ik geen Engelse ben, zo goed is mijn accent blijkbaar. Ik vertel dat ik toch echt Nederlandse ben.
We hebben een autoloze zondag, dit komt door de boycot van olie door de olieproducerende Arabische landen. Wegens het benzinetekort mogen de auto’s op zondag niet meer rijden. De wegen zijn uitgestorven, je ziet alleen nog wandelaars, fietsers en rolschaatsers. Het is een rare gewaarwording dat het ineens zo rustig is in de straten.
Er worden wereldwijd aan de lopende band vliegtuigen gekaapt. Op het journaal wordt er veel aandacht aan besteed. De terreurdaden worden steeds vaker met veel geweld uitgevoerd.
Op 17 december, precies een week voor kerst, komt een Nederlandse piloot van een Lufthansa-toestel terecht in een van de bloedigste kapingsdrama’s. In de krant kan je op foto’s zien hoe gezagvoerder Jo Kroese met een pistool in de nek naar de cockpit van het toestel wordt geleid. Hij overleeft het drama, maar tweeëndertig andere onschuldigen, waaronder de copiloot, vinden helaas de dood.
“We hebben een verrassing voor jullie en jullie mogen raden wat het is!” zeggen mijn ouders op een dag tegen ons.
“Krijgen we een broertje of een zusje?” vraag ik.
“Ja, inderdaad,” zegt mijn vader terwijl hij me bevreemd en verrast aankijkt.
In 1973 wordt mijn zusje Iris geboren. Mijn opa en oma komen bij ons beneden zitten. Lucas en ik kijken naar een aflevering vanCalimeroop tv, terwijl mijn moeder intussen boven in bed ligt te bevallen.
Als ik eindelijk boven naar mijn nieuwe zusje mag kijken als ze in de wieg ligt, vind ik dat ze rare dichte, dikke oogjes heeft. Ze zijn heel erg rood en gezwollen en ze heeft ook een gekke rode vlek vlak boven haar oogje. Ze is niet heel knap om te zien, maar ik vind haar wel heel lief en ze is zo klein.
“Wat is dat?” vraag ik, terwijl ik naar een rode vlek boven haar oogje wijs.
“Dat is een ooievaarsbeet, dat komt door de bevalling. Dat trekt nog wel weg,” zegt mijn moeder beledigd.
Ik ben helemaal gek met mijn kleine zusje. Ik ben heel veel bij haar in de buurt en probeer heel goed voor haar te zorgen. Ik vind het heel erg jammer dat ik haar nooit de fles mag geven of op een andere manier mag helpen. Oppassen doe ik soms wel. Mijn zusje en ik schelen acht jaar, dat is best veel.
De mode van deze tijd vind ik helemaal niet mooi, alles kan en alles mag en het is een smeltkroes van diverse stijlen. De plateauzolen zijn in de mode, het zijn schoenen met dikke zolen eronder, hoe hoger hoe beter. Zowel mannen als vrouwen dragen ze. Sommige vrouwen dragen laarzen tot over de knieën, soms zelfs tot aan de dij, en ze dragen korte hotpants. Mijn moeder draagt echter alleen plooirokken en doet niet echt aan de mode mee, hoewel ze noodgedwongen meedoet aan de minimode.
Ik heb een bloedhekel aan de kleren die mijn moeder draagt, ik vind het zo lelijk waar ze in loopt. Die geruite plooirokken tot over de knie zijn al helemaal verschrikkelijk. Veel moeders die ik ken dragen ze. Broeken draagt mijn moeder nooit, evenmin als veel andere vrouwen. Ze heeft wel bruingele klompen met kurken plateauzolen en ook heeft ze zwarte lange laarzen.
Mijn broertje heeft een hippe oranje schaatsmuts, met een rood-wit-blauwe streep in het midden, die Ard Schenk-mutsen zijn heel erg in de mode voor jongens.
Mijn moeder heeft een felroze, grote driehoek achterop de donkerblauwe parkajas van Lucas genaaid, zodat hij goed zichtbaar is in het verkeer. We moeten over een drukke weg fietsen als we naar school gaan en ze vindt dat hij goed zichtbaar moet zijn in het verkeer. Ik vind het een raar gezicht zo’n roze driehoek op zijn rug. Mijn homo-oom heeft verteld dat een roze driehoek het teken voor de homo’s is en lacht zich helemaal kapot! Ik moet heel erg hard lachen als ik het hoor.
Na drie jaar verhuizen we tot mijn grote verdriet weer naar een andere buurt in Bilthoven. Lucas en ik gaan weer naar een andere lagere school. Aarden kan ik er niet en leuk vind ik het ook niet op deze school.
Ik heb blauwgroene ogen, gekrulde, middelblonde halflange haren met een scheiding in het midden. In de zomer heb ik allemaal sproetjes op mijn neus, net zoals mijn moeder. Iedereen zegt altijd dat ik op mijn moeder lijk. Ze is helemaal niet lelijk, maar ik haat het als ze dat zeggen. Nog steeds ben ik dodelijk verlegen onder de volwassenen, omdat ik niet weet hoe ik met ze om moet gaan en ik kijk ontzettend tegen ze op. Ik krijg geen knuffel van mijn moeder, geen aai over mijn bol, nooit vragen over hoe het met me gaat of wat ik vind of wil, er is geen aandacht, er is niets dan altijd de uitgestrekte leegte. Het lijkt of ik niet beter weet en toch weet ik dat er iets niet klopt aan ons gezin.
Mijn moeder is altijd thuis met een kopje thee als ik uit school ben, dat dan weer wel. Er wordt alleen nooit wat aan me gevraagd. Mijn zusje krijgt wel veel aandacht, maar dat vind ik niet erg, alleen maar raar. Iris zit heel vaak bij mijn moeder of vader op schoot en wordt geknuffeld.
Gelukkig zijn er altijd kinderen die met me buiten willen spelen, dat doe ik nog steeds het liefst! De meeste kinderen spelen nooit zo lang buiten als ik, dat mag niet van hun moeder en dat begrijp ik niet. Ze noemen ons ’sleutelkinderen’, maar ik begrijp het woord niet.
Als Lucas en ik zaterdags zakgeld krijgen, rennen we altijd naar het snoepwinkeltje bij ons op de hoek van de straat. We krijgen niet zo heel veel zoetigheid thuis, dus dit is onze kans.
Je kunt er voor een, twee cent of een stuiver allerlei lekkernijen kopen.
Gekleurde kauwgumballen of Donald Duck-kauwgumpjes in een wikkeltje met daarin een leuk klein stripverhaaltje. Toverballen die van kleur veranderen als je erop zuigt en als je de bal dan uit je mond haalt om te kijken, heeft de bal iedere keer weer een ander kleurtje. Zuurstokken waar je echt weken mee kunt doen, je kunt er lekker aan zuigen en de zuurstok dan weer in het plastic doen om te bewaren voor de volgende keer. Zuurtjes in allerlei kleuren. Dropveters met een rood draadje eromheen gewikkeld, waar je eerst het rode draadje vanaf haalt en dan de rest van de veter opeet. Grote ruitendrop en suikerige gel met roze spekkies. Snoepkettingen die je om je nek doet en waar je iedere keer een snoepje vanaf kunt knabbelen. Zoethout, waar je lekker op kunt sabbelen en lekker uit kunt zuigen, net zolang tot het een taaie, droge stok is geworden, zonder smaak. Of een zakje zwart-wit poeder, daar kan je lekker een beetje van op je hand doen en dan oplikken, heerlijk!
Veel mensen rijden intussen in een Volkswagen Golf. De Golf is de opvolger van de Volkswagen Kever. De Golf ziet er compleet anders uit dan de Kever. Mijn ouders hebben de witte Kever ingeruild en mijn vader is nu in het bezit van een appelgroene Opel Kadett. Gelukkig is de Opel iets minder misselijkmakend dan de Kever. Hoewel we alledrie ook wagenziek worden in de Opel. Mijn moeder heeft sinds enige tijd een knalblauwe Mini.
Op een mooie zomerdag gaan we met de familie naar het strand. Lucas en ik moeten op Iris passen als mijn ouders een eindje willen wandelen. Iris is nu twee jaar oud.
Als mijn ouders gaan wandelen over het strand blijven ze ontzettend lang weg, wel meer dan anderhalf uur. Ik let heel goed op Iris, maar ineens is ze zomaar weg, het is binnen één tel gebeurd. Eén moment ben ik mijn zusje uit het oog verloren en dan is ze verdwenen.
In paniek begin ik te zoeken en barst wanhopig in tranen uit, want ik heb al visioenen dat ze de zee in is gelopen. Ik vraag mijn broertje overal te gaan zoeken en dan begint ook hij van angst te huilen.
Opeens is er een mevrouw op het strand. “Wat is er aan de hand?” vraagt ze verbaasd.
“Ons zusje is kwijt, we moesten op haar letten. Misschien is ze wel de zee in gelopen! Onze ouders blijven zo lang weg,” zeg ik half huilend en helemaal in paniek.
“Ik ga wel even mee naar de strandpolitie, je zusje is daar vast en zeker,” zegt de vrouw geruststellend tegen me. Wat een aardige mevrouw, ik ben niet gewend dat iemand zo aardig tegen me doet en ze stelt me op die manier gelijk een stuk meer op mijn gemak.
Net op dat moment komen mijn ouders aangelopen. “Wat is er aan de hand?” vragen ze.
“Waar bleven jullie nou, ik was al bang geworden dat er iets was gebeurd?” zeg ik nog steeds half in tranen. “Iris is verdwenen,” zeg ik, “en die mevrouw wilde met mij mee naar de strandpolitie om te kijken of ze haar hebben gevonden.”
Mijn moeder gaat zelf met mij naar de strandpolitie. Gelukkig vinden we haar daar! Ze is door een mevrouw naar de strandpolitie gebracht, toen ze liep te huilen omdat ze ons kwijt was.
De leraar, meneer de Vries, gebruikt op school het ijzeren zendingsbusje waarmee hij woedend keihard op het blad van de tafel beukt als wij niet luisteren. Met het zendingsbusje gaan wij de deuren langs, om geld op te halen voor het goede doel en als het busje vol zit met muntjes, is het een behoorlijk gewicht. Iedereen in de klas zit stijf rechtop als hij ermee op de tafel beukt en houdt abrupt zijn mond.
Ik hou erg veel van mijn zusje en doe veel spelletjes met haar. Vaak neem ik haar mee naar buiten en speel met haar en de kinderen uit de buurt. Altijd wil ik haar beschermen. Mijn broer maakt continu ruzie met haar, zo klein als ze is. Doodziek word je van dat eeuwige geruzie. Omdat Iris zich niet kan verweren, gilt ze hard als hij iets bij haar doet wat ze niet wil.
Mijn vader zei eens sarcastisch tegen hem: “Lucas is een beetje jaloers op Iris, hè Lucas? Omdat Lucas nu niet meer de jongste is.”
“Nah, waar slaat dat nu weer op!” zegt Lucas dan.
Ik ben er erg verbaasd over, want ik weet niet eens wat jaloezie inhoudt, ik herken dat gevoel totaal niet. Daarom was ik ook zo verbaasd toen mijn moeder me een keer vertelde dat ik als peuter in de supermarkt eens een baby met het syndroom van Down, die in de kinderwagen lag, een krabbel had gegeven. Met als kanttekening dat ze niet wist of ik dat nou expres had gedaan of niet. Mijn moeder schaamde zich op dat moment helemaal kapot tegenover de moeder van de baby.
Ik weet wel hoe dingen anders kunnen in het gezin, maar niet onder deze omstandigheden en niet in dit leven, ik kom er niet bij, het is te ver weg, te ongrijpbaar.
Soms zet mijn moeder bruine of groene, plastic knielappen op de broeken van Lucas als ze zijn versleten, dat is mode. Vreselijk lelijk vind ik het.
Zelf draag ik coltruitjes, ik haat het, ze zijn van nylon en het verstikt me gewoon. Ik kan niet tegen de druk op mijn keel, ik loop dan ook altijd aan de col te trekken zodat het gat hopelijk wat uit lubbert en ik wat meer lucht krijg. Als ik zo’n trui aan moet doen krijg ik al kippenvel. Mijn haar wordt spontaan statisch van het nylon en het staat gelijk alle kanten op. Ik kom nauwelijks met mijn hoofd in de nauwe col.
Spijkerbroeken met wijde soulpijpen zijn helemaal in, iedereen draagt ze, ik ook. De mode vind ik niet mooi. Op mijn zwarte lakschoenen ben ik wel trots, die vind ik wel erg mooi.
Vrouwen dragen over het algemeen lange haren met een scheiding in het midden. Een afro kapsel is erg populair bij mensen met kroeshaar. Veel jongens dragen hun haar lang. Snorren en baarden zie je ook veel bij mannen.
Mijn moeder heeft mij gekregen in het jaar 1965, op tweeëntwintigjarige leeftijd. Ze was nog veel te jong, zegt ze vaak tegen me. Ik ben thuis geboren in de flat boven de brillenwinkel, in de Asseltsestraat te Rotterdam. De bevalling van mij verloopt, naar ik weet, conform planning, gewoon zoals het hoort. Ik schijn echter wel een behoorlijke jankbaby te zijn.
Nog geen anderhalf jaar later, in de zomer van 1966, bevalt mijn moeder van mijn broertje. De bevalling van mijn broer verloopt nogal traumatisch, want mijn moeder heeft al heel snel ontsluitingsweeën. Ze mag nog niet persen, omdat de vroedvrouw nog niet is gearriveerd. Als de vroedvrouw er is mag ze gelukkig gelijk persen en is mijn broer binnen no time geboren. Mijn moeder heeft een klein trauma overgehouden aan deze supersnelle geboorte.
Van mijn moeder weet ik dat ze in de tijd dat wij klein waren altijd zo moe was. Ik slaap dan ’s middags al niet meer en dat vindt mijn moeder heel erg, want ze is zelf zo moe. Wanneer ik negen maanden ben, krijg ik nog borstvoeding, want dat moet van de zuigelingenzorg en als ik tandjes krijg doet het zogen natuurlijk ontzettend zeer. In die tijd durfde mijn moeder daar niet tegenin te gaan, want je doet wat er tegen je wordt gezegd, zonder tegenspraak!
Mijn moeder vertelt ons dat ze veel meer van mijn zus geniet dan dat ze vroeger van ons heeft genoten. Mijn moeder was dertig jaar toen Iris werd geboren.
Er is weer een vliegtuigkaping geweest, ditmaal van een Brits vliegtuig dat in Tunis is geland. In Nederland en Egypte worden Palestijnse gevangenen vrijgelaten. Intussen is op een topconferentie van de Arabische Liga in Rabat de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO erkend als de enige wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. De PLO is nota bene een terroristische organisatie.
Door het gereformeerde geloof dat mijn ouders en de kerk verkondigen, ben ik bang geworden voor de zwarte duivel en zijn nare gevolg. Mijn slaapkamer is op zolder en daar hebben mijn ouders een dakraam in laten plaatsen, zodat er wat meer licht is; de kamer is in tweeën gedeeld voor mijn zusje en mij. In mijn kamer zit een grote dakkapel. In de kamer van mijn zusje zit het dakraam, daar zit geen gordijn of rolgordijn voor.
’s Avonds, als het donker is, heb ik altijd het gevoel dat de duivel me vanuit het duister door het dakraam met grote, vlammende, helgele ogen bespiedt. Heel snel ren ik het dakraam voorbij. Er zit geen gordijn of iets voor en je ziet alleen een groot zwart gat. Soms kruip ik heel diep onder mijn dekens weg, want dan kan ik het wel uitgillen van angst.
“Ik ben bang dat de duivel naar ons kijkt als het donker is vanuit het dakraam,” zeg ik in een onbevangen moment tegen mijn zusje en vervolgens wordt ze ook bang.
Mijn moeder vindt me in- en ingemeen, maar het was helemaal mijn opzet niet geweest om haar bang te maken! Nu voel ik me ontzettend slecht.
Elke zondag gaan we steevast naar de kerk en ik heb er een hekel aan. Ik moet dan braaf in een jurk lopen, mijn zondagsjurk, want dat is netjes en dat hoort en dat vind ik helemaal vreselijk! Ik ga er tegenin, maar er valt niets tegenin te brengen, ook al vind ik dat ik best in een nette broek naar de kerk kan, het mag onder geen beding.
Ontzettend tegen mijn zin in trek ik mokkend iedere zondag die verschrikkelijke jurk aan met daaronder een vreselijke kriebelmaillot. Ik heb een ontzettend droge huid en mijn kriebelende benen krab ik helemaal open van ellende door die kriebelmaillot, waarvan het slappe kruis constant tussen mijn knieën hangt. Ik hijs de maillot continu omhoog. De zondag vind ik de vreselijkste dag van de week. Saai, ongezellig, al die verplichtingen zoals de kerk of een vervelend familiebezoek, en ik mag bijna niets doen.
Soms loop ik te stamvoeten van woede, zo kwaad ben ik om wat ik aan moet! En de lampen beneden gaan dan heen en weer aan het plafond, vanwege mijn geuite ongenoegen. Woest zijn mijn ouders dan op me.
De kerk op zich vind ik totaal geen fijne plek om te zijn, ik vind het er koud, kil en ongezellig. Wel geloof ik dat God bestaat en ik bid heel veel als ik alleen ben. God is mijn enige krachtbron, maar in de kerk voel ik Hem niet. En ook niet zoals Hij wordt afgeschilderd door de kerk.
Als Iris drie jaar oud is, gaat ze naar peuterschool het Dribbeltje. Bij haar in het klasje op de peuterschool zit een Japans jongetje dat Akiyoshi heet, ze vindt hem leuk en is wel een beetje verliefd op hem. Eerst hoort mijn vader haar uit en dan pest hij haar iedere godganse avond tijdens het avondeten onophoudelijk met Akiyoshi.
“Iris is verliefd, Iris is verliefd op Akiyoshi.” Hij weet van geen ophouden en lacht zich telkens helemaal kapot. Iris voelt zich hierdoor niet prettig, dat zie ik wel.
Avond aan avond begint hij telkens Iris weer te treiteren over Akiyoshi. Het begint op den duur zeer vervelend te worden. Van tevoren weten we al wat er gaat komen.
Als ik alleen al over een jongen praat of met een jongen speel, ben ik volgens mijn vader gelijk ‘verliefd’. Hij pest me er continu mee en ik vind het erg vervelend en gênant. Hij kan dan ook niet meer ophouden met treiteren. Het gevolg is, dat ik niet eens met jongens durf te spelen en al helemaal geen jongen durf uit te nodigen bij mij thuis. Het wordt altijd bespottelijk gemaakt. Ik kan me niet anders herinneren dan dat hij dat doet. Maar nu doet hij het dus ook bij Iris en dat is raar om te ervaren.
3.
Op een dag gaat oma van moederskant met de trein op bezoek bij tante Suzanne en haar gezin in België. Ze raakt plotseling spoorloos verdwaald en is de weg compleet kwijt. Er missen stukken uit haar verhaal en ook uit haar geheugen. Enkele jaren na het overlijden van opa wordt bij oma de ziekte van Alzheimer vastgesteld en al spoedig herkent ze ons niet meer.
Ze komt in een verzorgingstehuis terecht waar ook oom Marc en tante Mathilda nu zitten. We bezoeken hen soms nog wel als we af en toe bij oma langsgaan.
Oom Marc is best dik en draagt altijd een pak met bretels en paft dikke bruine sigaren, dezelfde die opa altijd rookte. Hij is de broer van opa en het geeft me nog een beetje het gevoel van opa als ik dat ruik. Hij lijkt echter niet op opa. De neef van mijn moeder, Ton, mag mijn vader niet en mijn vader vindt hem maar raar.
Tante Mathilda is de zus van mijn oma, ze heeft mooi haar met prachtige zilveren krullen waar mijn oma altijd jaloers op is geweest. Oma heeft haar grijze haren altijd in een knotje gebonden. Mijn vader treitert mijn moeder altijd dat ze dezelfde ‘dunne staakjes’ als mijn oma heeft, dat zijn de dunne onderbenen. Snappen doe ik dat nooit echt. Zijn eigen moeder heeft echt hele dikke benen, mijn vader noemt dat weer ‘dikke stammen’.
Oom Marc, tante Mathilda en opa en oma waren heel vaak samen, ze deden kaartspelletjes, deden een drankje en praatten veel. Ze hadden het altijd erg gezellig, vertelt mijn moeder. Ik begrijp er niets van, want waarom is mijn moeder dan niet zo? Als ze wel weet wat gezelligheid is, kan ze ook niet zeggen dat ze niet beter wist…
Als mijn lieve oudtante Mathilda overlijdt, is oom Marc compleet van slag. Ik vind het vreselijk en huil mijn tranen weg onder de douche, omdat ik me schaam als iemand ziet dat ik erom huil. Mijn moeder heb ik nog nooit zien huilen, na de dood van mijn opa niet en ook niet na de dood van mijn oudtante. Ze overlijdt gelukkig in haar slaap, ik vind het wel een mooie dood als je dan toch mag kiezen… Oom Marc vermagert heel erg binnen korte tijd. Als mijn moeder en ik een keertje bij mijn oma zijn en ik hem zie lopen door het bejaardentehuis, herken ik hem gewoon niet meer terug. Mijn maag knijpt samen, omdat ik zie dat ook de vonk uit zijn ogen is verdwenen, net zoals de zin om nog door te gaan met leven. Hij is een schim geworden van wat hij ooit was. Ze waren erg gek met elkaar, dat kon je gewoon zien.
Ik ging een keer naar de kapper, ik ben in mijn leven misschien twee keer eerder geweest. Ik vraag of ze de puntjes willen knippen, maar de kapster knipt mijn haar helemaal kort in een modern ‘Purdey-kapsel’. Ik vind het vreselijk en durf me niet meer te vertonen.
“Laat eens zien,” zegt mijn moeder als ik in mijn kamer uit schaamte met mijn hoofd onder mijn dekbed lig. Uiteindelijk laat ik het haar vol gêne zien en moet ze heel hard lachen. “Ja, het is ook wel heel erg kort,” zegt ze dan. Sindsdien laat ik het groeien en ga ik niet meer naar de kapper.
Ik vind het ontzettend jammer dat mijn ouders nooit muziek draaien. Soms kijk ik weleens door hun ‘riante’ platencollectie, maar de enige platen die nog een beetje ‘hip’ zijn, zijn platen van Frida Boccara,The Sound of Music, enJa zuster, nee zuster. Verder zijn het alleen elpees van christelijke koren. Zelf vind ik popmuziek zo ontzettend leuk en gezellig, ik zou het zo leuk vinden als mijn ouders daarvan zouden houden. Popmuziek is echter iets van de ‘duivel’ volgens mijn moeder.
“Maar waarom dan?” vraag ik.
“Ja, dat is nu eenmaal zo!”
Daar kan ik dan weer helemaal niets mee, van deze onzin begrijp ik totaal niets. Hoe kan muziek nu iets duivels zijn als het in vrolijkheid wordt gemaakt?
De muziek van Boney M. metRivers of Babylon,Daddy CoolenBrown Girl In The Ringvind ik geweldig. ABBA heeft het Eurovisiesongfestival in Londen gewonnen met het nummerWaterloo.
“De muziek van ABBA vind ik echt helemaal geweldig!” zeg ik tegen mijn ouders.
“We weten nog zo goed dat je een paar jaar geleden gezegd hebt dat je popmuziek nooit leuk zou gaan vinden,” zeggen ze smalend.
“Ik bedoelde dat ik niet van echt harde hardrockmuziek hield.”
Ze begrijpen met geen mogelijkheid wat het verschil is tussen hardrock, soul of discomuziek. Het lijkt wel of alle popmuziek ‘duivels’ is!
Lucas en ik zitten op judo en gaan er elke vrijdagavond naartoe. We zitten in totaal met drie meisjes op judo, de rest is jongens. In al die jaren heb ik de bruine band gehaald.
Op een dag moet ik met dikke Japie oefenen. We moeten schijnbewegingen maken met de arm of het been en dan vlak voor het lichaam stoppen. Alleen ik stop net te laat, ik maak een schijnbeweging met mijn been en trap met mijn voet hard midden in zijn ballen. Ik voel de dikke, weke massa onder mijn tenen blubberen. Oh, dikke Japie heeft het niet meer van de pijn en schreeuwt het uit. Ik heb wel met hem te doen, maar moet ook wel lachen van de zenuwen, ik had geen idee dat het zo’n pijn kon doen. Gelukkig is het goed gekomen, volgens mij viel hij bijna flauw.
Iedere dinsdagavond gaan we naar zwemles, ik ga voor mijn D-diploma, zwemvaardigheid twee, maar heb moeite met de zweefduik. Hoe ik ook oefen, het lukt me niet om de zweefduik uit te voeren zoals het moet.
Ook ga ik wekelijks naar piccolo les, ik zou naar het conservatorium kunnen, maar dat wil ik niet. Materieel gezien hebben we helemaal niets te klagen.
Er woont een joods meisje bij ons in de buurt. Naomi heet ze. Mijn moeder geeft haar les op de openbare basisschool. Ik praat weleens met haar en vind haar erg aardig. Ik ben geïntrigeerd door het jodendom en vraag mijn moeder waarom de joden anders aankijken tegen de Bijbel dan de christenen en wat het verschil precies is.
“Ze hebben Christus vermoord, dit wordt door veel christenen beweerd, maar dat is niet zo, want dat hebben de Romeinen gedaan,” zegt ze.
“Waarom geloven ze alleen in het Oude Testament en waarom niet in het Nieuwe Testament?” Ik wil alles weten.
“Ze geloven niet dat Jezus de Messias is.”
Dat fascineert me bijzonder.
Meer kan ze er niet over zeggen.
Het valt me op dat Naomi altijd wel wat voorzichtig lijkt, vooral als ik haar vragen stel over het joodse geloof. Dat vind ik jammer, want ik wil er wel meer van weten.
Marcella is mijn piccolovriendinnetje, ze zit ook bij mij op school en soms speel ik met haar buiten op straat, maar ze komt niet zo heel vaak buiten. Zij hoeft niet verplicht te oefenen met fluiten, ik wel. Soms fluit ik met mijn raam open en dan hoor ik haar ook fluiten. Ze woont een paar huizen verder. Af en toe kom ik bij haar thuis. Ze mag altijd twee koekjes bij de koffie, TWEE! Als ze me nog een koekje aanbiedt, durf ik bijna niet te nemen, omdat ik bang ben dat haar moeder dat niet goed vindt, maar dat vindt ze wel goed. Het lijkt of haar moeder mij niet mag, ik weet het niet, maar zo’n gevoel heb ik toch. Ik ben voor iedere moeder wat huiverig, maar mijn vriendinnen gaan altijd heel anders met hun moeder om dan ik met mijn moeder, valt me op.
Lucas is opgepakt wegens winkeldiefstal bij V&D, hij is overgedragen aan de recherche en heeft een winkelverbod voor twee jaar, hij mag niet meer in de V&D komen. Ongelooflijk hoe stom dat is.
Uit de uitslag van de Cito-toets die ik heb gedaan is mavo/havo gekomen en ik ben zelf diep teleurgesteld. Mijn ouders willen me naar de christelijke mavo in Bilthoven doen. Ik wil het niet! Ik ben geen mavo-kind, zo heb ik me nooit gevoeld! Ik kan het niet eens uitleggen, zoals ik niets kan uitleggen aan ze. Het lijkt wel of ik een totaal onvermogen heb om me aan ze uit te drukken. Er wordt nooit naar me geluisterd, misschien is dat de reden dat ik het niet kan.
“Je kunt kiezen: of je gaat naar de christelijke mavo in Bilthoven of je gaat naar de christelijke scholengemeenschap in Zeist en je doet de mavo/havo-brugklas,” zeggen ze uiteindelijk.
“Dan kies ik voor de mavo/havo-brugklas.” Maar ik voel me zwaar beroerd, het lijkt of de school helemaal niet bij me past, het voelt er niet goed.
Een keer zijn we aan het zwemmen en ik zwem onder water. Plotsklaps raak ik op een of andere manier onder water ergens verstrengeld in een rooster met de uiteinden van mijn bikinihesje en kom niet meer los. Ik raak hevig in paniek, maar het lukt me niet om los te komen, ik heb geen lucht meer!
Ik spartel en probeer los te komen, ik raak nog meer in paniek. Dan ineens krijg ik een soort berusting over me en lijk ik langzaam weg te zakken. Zo voelt het dus om dood te gaan, denk ik op dat moment. En het voelt goed om alles te laten gaan. Dan, op een gegeven moment, raak ik zomaar ineens los en kan ik weer naar boven zwemmen. Ik hap naar lucht. Het is een erg indringende ervaring.
Als ik twaalf jaar ben, ben ik samen met Lucas aan het fietsen langs het spoor. Het pad waarop we fietsen is een grindpad. Op een gegeven ogenblik fiets ik te hard over het grind en bij een bocht ga ik hard onderuit. Keihard val ik op mijn knieën en gil het uit van de pijn. Mijn knieën bloeden lelijk en er zitten allemaal steentjes in. Achterop de fiets van Lucas gaan we terug naar huis.
“Kan ik vanavond nog naar zwemles denk je?” vraag ik mijn broertje.
“Nou dat denk ik niet,” zegt mijn broertje. Dat vind ik heel erg, want dan zie ik Nico niet, daar ben ik een beetje verliefd op. Lucas is trouwens verliefd op Yvon, zij zit ook op zwemles.
Mijn moeder brengt me naar het ziekenhuis.
“Dat moet gehecht worden,” zeggen ze.
Als ik dat hoor begin ik onbeheerst te gillen, want ik herinner me de verhalen van mijn vader. Hij heeft een kram in zijn kin gehad en dat was zo vreselijk pijnlijk, zegt hij altijd.
“We moeten je knieën even schrobben,” zeggen ze.
Dan begin ik nog harder te gillen, ik zet een keel op van angst. Schrobben?
Uiteindelijk hechten ze het niet. Nadat ze een voor een de steentjes uit mijn knie hebben verwijderd en het hebben schoongemaakt, doen ze er een dik verband om. Mijn knieën kan ik niet meer buigen, dat is een beetje onhandig.
Natuurlijk kleeft het verband constant aan de open etterige wond. Als oplossing week ik het er stiekem af met water als ik in de douchecel sta. Mijn knieën zijn helemaal stijf en het duurt wel twee weken, voordat ik weer normaal kan lopen.
De sjah van Perzië is door het Islamitische regime afgezet en met zijn familie naar Egypte gevlucht. Iran is een islamitische republiek geworden en ayatollah Khomeini is nu aan de macht gekomen. Ik kan me niet voorstellen dat de vrouwen nu gesluierd moeten lopen in een land dat zo modern en westers was. Echt vreselijk lijkt het me om weer helemaal terug naar af te moeten. Heel fascinerend, hoe dit heeft kunnen gebeuren in een modern land.
In de zomer van 1979 verhuizen we naar een straat achter onze huidige straat. Het is een brede laan, ik vind het er niet gezelliger op geworden. Een zestal jongens, die bij mijn vader op school in zijn klas zitten, helpen ons met verhuizen tegen een zacht prijsje en wat biertjes. Het huis waar we in gaan wonen is een hoekhuis en van net na de Tweede Wereldoorlog. Het is een donker, koud en naar huis. Het mag dan groter zijn dan ons vorige huis, maar ik vind het geen vooruitgang. Er hangt een vervelende, kille, donkere sfeer in dit huis. Als ik door de voordeur binnenkom, voel ik direct de ongelofelijke kilte en gaan al mijn haren recht overeind staan.
We hebben een oprijlaan en aan het eind daarvan bevindt zich de garage, die als opslagruimte wordt gebruikt. Aan de achterkant van het huis hebben we een vrij grote tuin, deze is van de oprijlaan afgeschermd door een muur, waar een deur in zit. De tuin ligt op het zuiden en is vrijwel overal afgeschermd, van beneden kan je in ieder geval niet de tuin inkijken, wel vanaf boven.
Tijdens de zomermaanden help ik mijn moeder zo vaak mogelijk met het opknappen van het huis. Mijn moeder doet voornamelijk het meeste werk in huis. Zij doet veel zware klussen in haar eentje, zoals behangen, verven, het parket schuren en het donkere parket helemaal in de lak zetten.
De woonkamer is twaalf meter lang. Het donkere mahoniekleurige parket doet erg somber aan en geeft de kamer een extra schimmige sfeer. De muren zijn behangen met bruin- beigeachtig rauhfaserbehang. In het zitgedeelte staat een plompe, donkere eikenhouten tv-kast en er staan donker eiken bijzettafels. De salontafel bestaat uit ingelegde oranjeachtige plavuizen, die uit een oude kerk komen, met een donker eiken omlijsting en logge zware poten. Ik vind de tafel afschuwelijk lelijk. Boven de salontafel hangt een dure antieke lamp met een scherpe punt. In het eetgedeelte staat een donker gefineerde buffetkast met witte deuren. In het verlengde van de hoek van de kamer staat een mahoniehouten secretaire.
Aan de muur hangt een koperen Franse antieke Lodewijk XIV-klok, met een geweldige koperen klepel, die om het halfuur veel te hard en schel slaat. Op het hele uur en drie minuten hoor je de schelle slagen van het uur. Mijn vader heeft er een kleefbandje achter geplakt, zodat je de slagen niet meer zo indringend hoort. De klok is vreselijk protserig, maar heeft wel 2.500 gulden gekost. Er hangt nog een kleinere antieke donkerhouten stationsklok aan de muur, ter waarde van 1.800 gulden, die vind ik wel mooi.
De donkerhouten gefineerde eetkamertafel en stoelen met geelachtige leren bekleding hebben mijn ouders overgenomen van oom Chris, die is gescheiden van tante Monique. Tante Monique is vreemdgegaan met een ouwe vent, zeggen ze. Het was een hele mooie vrouw met lang donker haar. Mijn opa heeft haar voor straf van alle bestaande foto’s afgeknipt. Uit de meeste foto’s heeft hij haar hoofd of haar profiel geknipt. Het is heel raar om alleen mijn oom op de foto’s te zien, als we oude foto’s bekijken.
“Je mag kiezen of je de slaapkamer op zolder neemt of de slaapkamer op de tweede verdieping aan de achterkant van het huis,” zegt mijn vader.
Aangezien deze kamer tegenover de slaapkamer van mijn ouders ligt en er alleen een trap tussen zit naar de zolder toe, zeg ik: “Ik wil graag de zolderkamer kiezen.” Dan ben ik tenminste zo ver mogelijk bij ze vandaan.
“Je mag zelf het behang uitkiezen voor je kamertje,” belooft mijn moeder.
Daar verheug ik me enorm op. We zouden in het weekend naar de winkel gaan om behang te gaan kopen. Wat schetst mijn verbazing: als ik uit school kom, staan er allemaal rollen behang voor de overloop en voor mijn kamer. Ze hebben dus blijkbaar toch maar gewoon zelf behang gekocht. Het is totaal mijn smaak niet en ik ben diep teleurgesteld.
“Ik dacht dat ik het behang zelf uit mocht kiezen?” vraag ik getergd.
“Dat weten we, maar gezien het feit dat we dit behang voor de overloop hebben uitgekozen en het in de aanbieding was, hebben we het maar gelijk meegenomen voor jouw kamertje.”
“Ik vind het behang helemaal niet mooi.”
“Je moet je niet aanstellen, want zo lelijk is het behang nou ook weer niet.” Punt uit.
Een schreeuw zit vast vanuit mijn diepste binnenste en blokkeert de rest van mijn levensstroom. De schreeuw begint ter hoogte van mijn maag en blijft hangen als een brok in mijn keel, ze kan niet naar buiten, ontneemt me de lucht en het beheerst mijn leven. Net of er met een vuist in mijn maag is gestompt en me daardoor de adem is ontnomen.
