Onder professorendames - Barbara Reeh - E-Book

Onder professorendames E-Book

Barbara Reeh

0,0

Beschreibung

Plaats van handeling: de eerbiedwaardige Rijksuniversiteit Groningen en de Groninger Ommelanden. Op de wierden en de dijken bloeit een rijk cultureel en sociaal leven, vooral gekoesterd door geemancipeerde en onconventionele vrouwen. De liefdesverhoudingen in de knusse dorpen zijn dan ook in velerlei opzicht grensoverschrijdend. Niet de gedoodverfde kroonprins Kortewiek wordt door zijn eigen universiteit tot professor germanistiek benoemd, maar de Duitse literatuurwetenschapper Knirr. Diens vrouw, in ´68 een opstandige studente, thans docente Duits en Engels, emigreert met Knirr naar Nederland. Hij blijft zich echter een ongenode gastarbeider voelen en vervreemdt tegelijkertijd ook van Duitsland. De Knirrs beschouwen met hun fremde Blick het Nederlandse gastland, maar kijken ook van buitenaf naar het Duitsland in de jaren van de Wende. Daardoor lijken ettelijke vanzelfsprekendheden ongewoon of belachelijk, wat in verrassende, vaak komische dialogen tot uitdrukking komt. De gepasseerde Kortewiek smeedt een intrige tegen de Duitse indringer. Knirr heeft geen verweer tegen deze oneerlijke concurrentiestrijd, want een latente anti-Duitse houding in Nederland, en onverwacht grote culturele verschillen en taalbarrières bemoeilijken zijn integratie. Juist de vermeende overeenkomsten tussen Duitsland en Nederland (faux amis) leiden tot misverstanden: struikelblokken voor de Knirrs en hilariteit bij de Nederlanders. De touwtjes voor Knirrs hindernisloop hebben de echtgenotes van de professoren in handen. Door hun mannen op te stoken bepalen zij het gebeuren indirect vanuit een hinderlaag: professorendames als vrouwen achter de schermen.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern

Seitenzahl: 176

Veröffentlichungsjahr: 2016

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhoud

Hoofdstuk 1 Spelregels

Hoofdstuk 2 De gewoon hoogleraar

Hoofdstuk 3 De bijzonder hoogleraar

Hoofdstuk 4 Lady Macbeth

Hoofdstuk 5 Duitslandstudies

Hoofdstuk 6 De Gallische haan

Hoofdstuk 7 Krans van professorendames

Hoofdstuk 8 Grenzeloos geluk

Hoofdstuk 9 A tot Ate

Hoofdstuk 10   De inauguratie

Hoofdstuk 11   De verlanding

Hoofdstuk 12   Heksenhanne

Hoofdstuk 13   Vrouwen achter de schermen

Hoofdstuk 14   Moffen in Greifswald

Hoofdstuk 15   Wener congres

Hoofdstuk 16   De onthulling

Hoofdstuk 17   Aan de dijk gezet

Hoofdstuk 18   De Friese begrafenis

Hoofdstuk 19   Op een hopeloze post

Hoofdstuk 20   De Wende

Hoofdstuk 21   Het jubileum

Hoofdstuk 22   De knockout

Hoofdstuk 23   De overwinnaar

Hoofdstuk 24   De terugtocht

1 Spelregels

‘In geen geval splitsen! Dat zou onze ondergang op de universiteit betekenen. Ook niet de geringste indruk wekken dat de vakgroep zoiets ook maar overweegt!’ Dr. Louis-Karel Kortewiek schreeuwde bijna, zodat de kleine groep midden in de ruimte, nieuwsgierig, zich nog dichter om hem heen schaarde. Sonore stem, effectvolle pauzes, oogcontact met de toehoorders, wat langer met de mooie Lies, Kortewiek was in zijn element. ‘Dat heeft de faculteit al verschillende keren bij de goede oude Donneur geprobeerd, maar bij hem beten ze natuurlijk hun tanden stuk op graniet.’ Algemene waardering voor de granieten oervader.

‘Zodra de faculteit weer op de bezuinigingstoer gaat, haasten de krentenwegers zich onze germanistiekstudentjes man voor man, pardon’, met een gebaar naar Lies, ‘vrouw voor vrouw, te tellen. En het zijn er ieder jaar weer minder. Laten we onszelf niets wijsmaken. Als niet onze hele vakgroep gezamenlijk’, en met een dwingende blik op Bernhard Knirr, de nieuw benoemde hoogleraar, vervolgde Kortewiek, ‘ik herhaal: gezamenlijk de cursussen Duits blijft geven in het vreemdetaleninstituut, dan hebben wij hier aan de Groningse universiteit nauwelijks nog bestaansrecht.’

‘Is dat niet wat overdreven, Louka? Als wij als universiteitsdocenten ons bestaansrecht alleen ontlenen aan het der-die-dasgestamp voor een paar managers, dan kunnen we ons allemaal wel meteen door het vreemdetaleninstituut laten inlijven.’

‘Ben je echt zo naïef, Lies? Geloof jij dat ook maar één goed betaalde manager naar het vreemdetaleninstituut zou komen als het niet met academici van de vakgroep Duits als uithangbord kon pronken? Meneer de scheepswerfeigenaar wil les hebben van echte universiteitsdocenten. Hij wil na gedane arbeid naar de universiteit rijden en door een germanist, een heer doctor’ - met een knipoog naar Lies, ‘een mevrouw doctor hebben we immers helaas nog niet, - in de hogere wetenschap van het derdie-das worden ingewijd.’

Instemming met de noodzakelijke dubbele verankering van de vakgroep moderne Duitse taal- en letterkunde, in zowel het commerciële vreemdetaleninstituut van de universiteit Groningen als in het germanistisch instituut, twijfel of werkelijk iedere medewerker van de wetenschappelijke vakgroep een van de lucratieve talencursussen voor managers en hun soortgenoten op zich zou moeten nemen, en vervolgens de tegenwerping van de nieuwe hoogleraar Knirr, dat men tenslotte toch ook onderzoek moest doen waarmee de vakgroep haar bestaansrecht in de faculteit heel goed zou kunnen bewijzen.

Hij bracht dit in houterig, gebrekkig Nederlands naar voren. Een beetje onwillig wendden de toehoorders zich van de eloquente Kortewiek af, om ingespannen naar de naar woorden zoekende, gedurig zijn keel schrapende Knirr te luisteren. Wie moeite deed, kon uit zijn uiteenzetting opmaken dat hij zich niet in Groningen had laten benoemen om een scheepswerfeigenaar uit Hoogezand Duitse herhalingsles te geven, maar om naast de colleges aan de universiteit vooral germanistisch onderzoek te doen en een vruchtbare onderzoeksgroep op te bouwen.

‘Opbouwen is toch een onbeschaamde term’, fluisterde Lies de dicht naast haar staande Kortewiek toe, ‘alsof wij van onderzoek nog geen enkel benul hebben’.

‘Nou ja, niet iedereen is tot nu tot een glanzende afronding gekomen’, plaagde Kortewiek. Lies glimlachte en antwoordde:

‘Moet jij net zeggen! Jij hebt je dissertatie nog maar net met veel moeite in elkaar geprutst. Na al die jaren had ik nooit gedacht dat je het überhaupt nog voor elkaar zou krijgen. Bij mij daarentegen zitten alle onderzoeksresultaten al keurig netjes in de computer, ik hoef het hele zaakje alleen nog maar uit te schrijven.’

‘En daarmee begint het eigenlijke werk pas, lieve Lies!’

‘Dan moet ik daar nu als de wiedeweerga mee aan de slag.’ Met die woorden zette Lies Bakker haar koffiekopje rinkelend op het aanrecht van de germanistenkeuken, trok haar nauwe, zwarte rok enigszins naar beneden over haar achterwerk, liet de keukendeur wagenwijd openstaan, wandelde op haar eindeloze benen de gang in naar haar werkkamer, bleef midden in de gang staan onder de felle plafondlamp, graaide haar lippenstift en een spiegel uit haar schoudertasje, verfde haar lippen lila, perste ze op elkaar en liet ze smakkend openspringen, haalde haar vingers door haar witblonde stekelhaar, stipstapte op haar hoge hakken verder en sloeg de deur van haar werkkamer achter zich dicht. Alle collega’s waren mannen, allen hadden haar zwijgend gadegeslagen.

‘Leve het vrouwenquotum! Onze Lies blijft bij ons, dissertatie of geen dissertatie’, was het commentaar van Kortewiek op het vertrek van de collega. Bernhard Knirr moest bekennen dat hij eigenlijk niet precies wist waar ze onderzoek naar deed.

‘Het is mij een eer, u als promotor over het onderwerp van het proefschrift van uw promovenda in te lichten. Sinds geruime tijd wacht de germanistenwereld op de semantiek van de adjectieven gut en schlecht - schön en hässlich.

Wat mooi betreft, daar wist ze zo te zien alles van, meende Knirr.

‘Wat goed en slecht betreft ook’, voegde Kortewiek eraan toe. Hij deed geen moeite geruchten over een min of meer beëindigde relatie met Lies uit de weg te ruimen. Waarom ook, een relatie met een zo verleidelijke vrouw was goed voor zijn eigen imago. Knirr schonk zich koffie bij, zodat Kortewiek niet, zoals de anderen een voor een hadden gedaan, de keuken uit kon lopen.

‘Nou, meneer Knirr, bent u de cultuurschok al te boven, van de verhuizing van Groot-Berlijn naar Klein-Mensinge?’

Ach, zijn vrouw was goed in verhuismanagement. Ze had het molenhuis in Klein-Mensinge al enigszins bewoonbaar ingericht, in ieder geval de keuken. In de Groninger universiteitswereld daarentegen kon hij zijn draai nog niet echt vinden.

‘Die indruk maakt u anders helemaal niet. Uw colleges lopen toch al vanaf het begin van het semester op rolletjes.’

De colleges waren ook het punt niet, beaamde Knirr, het lastige was de organisatie van zijn leerstoel. Zijn bevoegdheden tegenover de medewerkers waren hem niet eens duidelijk.

‘Ja, meneer Knirr, in Duitsland is zowat alles zeker klip en klaar in een strakke hiërarchie vastgelegd.’

Knirr antwoordde rustig dat hij dat nog niet kon vergelijken. Hij vroeg Kortewiek een overzicht van de werkzaamheden van elke medewerker.

‘Komt voor elkaar!’

Knirr verstond weliswaar nog bij lange na niet elke Nederlands woord, maar hier klikten de lettergrepen overduidelijk als de hakken van soldatenlaarzen tegen elkaar. De verhouding tussen hem en Kortewiek als hoofddocent moest blijkbaar dringend verhelderd worden. Knirr wist, dat zijn voorganger, de emeritus hoogleraar Donneur, Kortewiek als kroonprins had uitgezocht. Die had met vliegende vaart nog net op tijd voor de benoemingsprocedure zijn dissertatie afgerond, om toen toch aan het kortste eind te trekken en hem, Knirr, als chef te krijgen.

Op zakelijke toon stelde Knirr voor om zijn taken als leerstoelbekleder en die van Kortewiek als zijn plaatsvervanger helder en duidelijk af te bakenen. Dat zou wellicht de splitsing van de vakgroep moderne Duitse taal- en letterkunde, waarvoor Kortewiek zojuist indringend en overtuigend had gewaarschuwd, kunnen voorkomen.

‘Eigenlijk zitten we elkaar ook helemaal niet in de weg, meneer Knirr. U doet de literatuurwetenschap en ik de taalwetenschap. En met mij de hele club die u van de oude Donneur heeft overgenomen. Die zijn immers geheel en al in de voetstappen van de oervader getreden en werken aan linguïstische onderwerpen.’

In het onderzoek en de colleges diende zich inderdaad wel een natuurlijke verdeling aan, bevestigde Knirr. Maar de andere taken die bij een leerstoel horen kon hij niet in zijn eentje op zich nemen. Met zijn langjarige betrekkingen met het vreemdetaleninstituut van de universiteit was Kortewiek toch juist voorbestemd om de leerstoel, die immers medeverantwoordelijkheid voor de daar aangeboden cursussen Duits moest dragen, daar te representeren, vond Knirr. Procuratie, zou je het kunnen noemen.

Kortewiek zei niet Komt voor elkaar, maar knikte en ging meteen een inhoudelijke discussie aan.

‘Juist nu moeten we ons manifesteren in het vreemdetaleninstituut. Als we er bij de komende herverdeling van middelen niet bovenop zitten, worden we door de andere taalafdelingen helemaal overvleugeld. De vraag naar Engels, Frans en Spaans stijgt maar door, terwijl de cursussen Duits op hetzelfde niveau blijven hangen. We zakken zelfs weg naar een plek achter het Portugees, dat in de lift zit. Dat verzwakt onze positie in het vreemdetaleninstituut enorm.’

Na enige aarzeling beantwoordde hij Knirrs vraag, hoe de relatieve terugval van de cursussen Duits te verklaren was.

‘Ik zie daarvoor verschillende oorzaken. Ten eerste geldt Duits niet als een wereldtaal die voor een handelsnatie als Nederland net zo nuttig is als Engels of Spaans. In de tweede plaats vinden veel van mijn landgenoten hun kennis van het Duits al toereikend.’

Niet ten onrechte, vond Knirr, tenslotte leerde toch iedere Nederlander Duits op school.

‘Maar ze kunnen het als examenvak weer laten vallen, en dat doen helaas steeds meer scholieren. Daarmee ben ik bij de hoofdoorzaak van de stagnerende vraag aangekomen. Duits en Duitsers zijn niet bijzonder geliefd in Nederland.’

Daarvan zei Knirr zich bewust te zijn. Hij wees er echter op dat er generaties opgroeiden die met de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting niets meer te maken hadden. Het probleem zou zich al snel vanzelf biologisch oplossen.

‘Ik vrees dat dat niet zo heel snel gebeurt. Juist bij onze jeugd heerst namelijk een massief anti-Duits sentiment. Dat popt bij iedere aanleiding weer op, vooral bij het voetbal. Ook al lagen veel jongeren in 1974 nog in de luiers, nog vandaag de dag schuimbekken veel landgenoten van woede over de onverdiende Nederlandse nederlaag. De Duitse wereldtitel van destijds heeft zich als een tweede bezetting in het collectieve geheugen gebrand. Laat mij de reserve tegen Duitsland schetsen: voor de kolos Bondsrepubliek moet het kleine Nederland zo veel mogelijk op zijn hoede zijn, want de machtige, economisch sterke Duitsers zijn nog steeds heerszuchtig, zelfs oorlogsbelust. Hun taal vol glottisslagen en explosieven leent zich vooral voor bevelen. En om die taal onder de knie te krijgen moet men eerst de bijna onneembare geheime code van de vier naamvallen kraken. Alleen wie vastbesloten is een schip te verkopen aan een Duitser, onderwerpt zich vrijwillig aan de marteling van een opfriscursus.’

Knirr bracht daar tegenin dat godzijdank de handelsbetrekkingen tussen Nederland en de Bondsrepubliek zich pijlsnel ontwikkelden en dat dat voor het vreemdetaleninstituut in de toekomst voldoende cursisten zou opleveren.

‘Zeker, we houden poot aan de grond in het vreemdetaleninstituut. Maar groeien, zoals de andere talen, kan onze afdeling Duits daar niet. En als het dan om de verdeling van meer geld en meer formatie gaat, trekken we aan het kortste eind. Zo ver mogen we het niet laten komen. We moeten als de bliksem een wervingscampagne voor de cursussen Duits opzetten, waarmee we ook nog de laatste groenteteler die zijn tomaten…’

‘Watertomaten!’

‘… tomaten in Duitsland wil verkopen in onze schoolbank zien te krijgen.’

Knirr keek op zijn horloge. OK, hij gaf Kortewiek zijn zegen voor die campagne, maar Kortewiek schonk zich nog een kop koffie in.

‘Mijn voornaamste zorg is eigenlijk de studie Duitse taal- en letterkunde: daar stagneert het aantal studenten niet alleen, maar het is al een hele tijd aan het krimpen. En dat is helaas niet met een wervingscampagne goed te maken. Want waar moeten genoeg studenten Duits vandaan komen, als scholieren die wel voor Duits kiezen zich tegenover hun medescholieren moeten rechtvaardigen, ja zelfs verdedigen?’

‘Zo erg?’

‘Zo erg!’

2 | De gewoon hoogleraar

In de auto maakte Bernard Knirr de stropdas los, die Waltraud zelfs voor een professor aan de eerbiedwaardige Groningse Rijksuniversiteit niet nodig vond, en besloot zich te verheugen op de avond in het Klein-Mensinger molenhuis, op een steenworp afstand van de stad.

Twintig jaar geleden waren ze getrouwd. Voor een samenwonend stel zonder boterbriefje was destijds in het katholieke Münster geen woning te vinden, dus daarom toch maar een huwelijk, maar wel zonder familiefeestje. Knirr was verrast dat Waltraud haar meisjesnaam opgaf: Waltraud Knirr, zonder koppelteken.

Ze hadden elkaar pas kort daarvoor leren kennen bij een studentenprotest tegen de gastlezing van de germanist Dietrich von Walden, die zich in de nazitijd had opgewerkt. In de vijftiger en zestiger jaren had hij het in zijn Münsterse en later Freiburgse tijd toch tot germanistenpaus geschopt. Knirr schreef oude citaten op het bord van collegezaal F1 in het Fürstenberghuis, waarmee de grootmeester tegen de on-Duitse dichtkunst van Heinrich Heine ten strijde was getrokken.

Met een stoet professoren, docenten en promovendi germanistiek trad Von Walden naar voren en eiste verwijdering van het geklieder, voor hij met zijn lezing over Mörike zou beginnen. Maar toen kwam Waltraud in actie. In volle lengte stelde ze zich op naast Knirr, die naar haar op keek. Waltraud stak haar onderlip naar voren en blies lucht omhoog, zodat haar donkere pony opwaaide. Knirr kon er niet uit opmaken of ze zich nu frisse lucht toeblies, of dat het blazen verachting of zelfs woedende strijdbaarheid uitdrukte. Ze bleef in ieder geval vastbesloten staan, en al snel werden de gewraakte citaten op het bord door een garde van studenten afgeschermd.

Von Walden was met zijn gevolg tussen deze groep en van achteren oprukkende studenten vast komen te zitten. Een van hen maakte zich los uit de troep, tilde een emmer boven de hoofden en baande zich een weg naar Von Walden. Met de strijdkreet: ‘Trek de aristocraten een rode broek aan!’ zette hij zijn verfemmer op de grond, viste er een van rode verf druipende kwast uit en besmeerde de broekspijpen van Von Walden. Enkele omstanders verstarden, de menigte joelde, Knirr en Waltraud lachten niet, terwijl Von Walden met zijn gevolg zwijgend verdween.

Tot op heden, goed twintig jaar later, was Knirr er verbitterd over dat de Münstersche Zeitung de volgende dag alleen berichtte over de strijdlustige politieke clown, maar niet over de politieke actie met de citaten.

Ineens doken bij de ingang van het dorp de omtrekken van de Klein-Mensinger molen aan de dijk op uit de nevel en het schemerlicht. Op de Damsterbrug daarvoor stopte Knirr, zoals elke avond, en keek in de verte langs de traag meanderende rivier. Nu er geen zuchtje wind stond was de Damste een spiegelglad zilveren lint, aan beide oevers omzoomd door een dijk, die elke bocht in de rivier volgde. In de middeleeuwen hadden monniken het land met deze machtige aarden dammen moeten beschermen, want destijds was de rivier nog aan de getijden onderhevig.

Het molenhuis stak met zijn pannendak boven de kroon van de dijk uit, zodat Knirr vanachter het raam van zijn werkkamer boven uit kon kijken over het wijde rivierlandschap: het schilderij van een oude Hollandse meester gevat in de lijst van zijn venster. Toen hij dit gezien had wist hij: hier kan ik wonen.

Eenmaal binnen liep Knirr rechtstreeks naar de slaapkamer, om zijn nette pak uit te trekken. Levi’s, die hij sinds decennia bijna uitsluitend droeg, waren er immers ook met wijdere broeksbanden. Ook het lichtblauwe overhemd, dat goed paste bij zijn vergeet-mij-niet-ogen, zoals Waltraud zei, verwisselde hij voor een donker hemd. Vandaag dus Pruisischblauwe ogen.

Waltraud wachtte beneden op hem, in haar smoezelige jeans en kakelbonte slobbertrui. Haar nieuwe Eenrumer klompen maakten haar nog groter. Net voor het donker werd was ze erin geslaagd haar kweepeerboom te planten.

‘Heb je braaf met je kinderen op de universiteit gespeeld, Knirps? Je ziet er moe uit, ik pers meteen een vers levenssapje voor je. Het eten is ook klaar.’ In Nederland durfde ze hem ongegeneerd hardop Knirps te noemen, omdat hier toch niemand wist dat dat ukkepuk betekende. Door de schuur, die ze als ingang, garage en tegelijkertijd als rommelkamer gebruikten – Knirr vermoedde dat al die drie functies zouden blijven – slofte Waltraud voor hem uit door de bochtige gangen, nog altijd tussen verhuisdozen door. Knirr schoof met zijn voet de klompen een beetje aan de kant, die Waltraud in het midden van de keukendeur uit had geschopt.

In de keuken heerste de Aga. Toen Waltraud het gietijzeren boerenfornuis een paar weken geleden bij het bezichtigen van het huis had ontdekt, gaf dat de doorslag om het molenhuis te kopen. Dag in, dag uit stroomde zijn brullende warmte de keuken in. In een van zijn vier ovens droogden nog appelringen, in de andere dampte rijst, pruttelde soep, geurde groente en spetterde vlees. Terwijl Knirr sap van de laatste appels van eigen oogst moest drinken (‘Drink, het zijn Lunterse Pippelingen, heb ik vandaag gehoord, een oeroud Hollands ras, hoe rimpeliger, hoe gezonder’), gaf de ene oven na de andere zijn gerechten prijs, en Waltraud schoof het appeltoetje erin om een mooi korstje te krijgen. Ze zette de pannen zo vanuit de Aga op tafel, en vertelde bij elk gerecht waarom het zo buitengewoon gezond was.

‘A propos gezond, vind je niet dat je weer een beetje aan sport moet gaan doen? Je hebt steeds wijdere jeans en kragen nodig.’

‘In Nederland bestaan geen turnploegen zoals die van onze oervader Jahn zaliger’, bromde Knirr onwillig.

‘Ik dacht ook eerder aan oudeherenvoetbal’, kaatste Waltraud de bal terug.

‘Wees niet zo brutaal tegen een heer professor! Vertel hem liever eens braaf hoe het jou vandaag gegaan is. Heb je eindelijk antwoord van een school gekregen?’

‘Nee, nog altijd hebben de meeste überhaupt niet gereageerd, één school heeft een afwijzing gestuurd. Ze hadden zelf genoeg leraren Duits. Truusje…’

‘Wie is dat nou weer?’

‘… Truusje Geerlink, die vrouw van hier schuin tegenover, die ken je toch. Die is ook lerares Duits, en die heeft letterlijk tegen mij gezegd dat haar collega’s het echt oneerlijk zouden vinden als Duitsers op hun school Duits zouden gaan geven. Natuurlijk kunnen de Nederlandse leraren Duits wat taalvaardigheid betreft niet tippen aan de Duitsers. Eerlijk gezegd, het Duits van Truusje is nogal klungelig. Volgens mij is ze opgelucht dat ze nu met mij Nederlands kan spreken.’

Waltraud had de nieuwe taal uitermate snel geleerd. Pas een paar maanden geleden had Knirr besloten de benoeming in Groningen aan te nemen. Onmiddellijk had ze zich op taalboeken en zelfs al op hedendaagse Nederlandse romans gestort. En tijdens haar lange ritten met de metro naar haar school, dwars door Berlijn, had ze op haar walkman Nederlandse taalcassettebandjes beluisterd.

‘Maar ik geef het nog lang niet op om een school te vinden, Knirps. Ik kan me mijn leven op den duur helemaal niet voorstellen zonder leraarsbaan. Dat zou toch ook jammer zijn voor al die scholieren die ik echt enthousiast kan maken voor de Duitse taal. En ten slotte moet ik toch ook zorgen dat jij genoeg studenten krijgt.’

‘Ach Waltraud, voorlopig heb je het immers ook nog druk genoeg met het huis. En je hoeft je ook na het inrichten niet te vervelen. Het zou een grote steun zijn voor mij als je de taalkundige correcties van de verslagen van mijn studenten op je kon nemen. En je weet dat ik ook bij mijn andere werk je hulp goed gebruiken kan.’

‘Ja, en jij weet dat ik je natuurlijk graag af en toe help, maar dat ik beslist ook zelf iets op poten wil zetten.’ Waltraud blies zich de lange grijze ponyslierten uit het gezicht.

‘Als je geen school vindt, dan kan je misschien weer gaan vertalen. Dat kan je mooi hier in het molenhuis doen en je kunt je werk zelf indelen. Dan schiet er vast wat tijd over voor je echtgenoot.’

Tijdens de periodes dat hij voor onderzoek in het buitenland verbleef, had zij hele boeken en ettelijke wetenschappelijke artikelen uit het Engels vertaald. De contacten die ze destijds had met Duitse uitgeverijen kon ze van hieruit natuurlijk nieuw leven inblazen. Knirr zag hier meer kansen in dan in een baan op een school. Door de afnemende aantallen scholieren die Duits kozen waren er leraren genoeg, en beslist jongere dan Waltraud, die er geen dag jonger uitzag dan ze was. Ze moest zich in ieder geval anders kleden, en misschien ook haar haar verven.

‘Zou je weer willen vertalen, Waltraud?’

‘Zeker, als geen enkele school mij wil.’

‘Dan hebben we al een opdracht voor je. In mijn driemaandelijks tijdschrift willen we de lezing van Patrick Wolfson, die hij op de oud-germanistendag in Londen heeft gehouden, in het Duits publiceren.’

‘Wolfson, dat oud-germanistische fossiel, dat hier in Groningen schittert door afwezigheid?’

‘Ach, laat die oude Wolfson maar schuiven. Hij heeft met zijn voortreffelijke publicaties de Groningse germanisten pas op de kaart gezet. En verder heb ik gehoord dat hij zich krachtig heeft bemoeid met mijn benoeming hier. Hij zou met de vuist op tafel hebben geslagen en de interne benoeming van Kortewiek hebben verhinderd met het argument dat hier een nieuw-germanist nodig is die bekend is buiten de Groningse grachtengordel.’

‘En met jou hebben ze nu precies iemand die binnen de Groningse grachtengordel absoluut onbekend is.’