Partizaan - Steve Bervoets - E-Book

Partizaan E-Book

Steve Bervoets

0,0
10,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

1944 - De Litouwse Arvydas verlaat zijn boerderij, vrouw en dochter, om te voorkomen dat hij door het Russische leger gerekruteerd wordt. Hij sluit zich bij de verzetsstrijders 'de Woudbroeders' aan om tegen de Sovjetbezetting te strijden. Doch dan loopt het mis... 1949 - Na een wekenlang durende treinreis in een veewagon, komen Gitana en Myrthe eindelijk aan in het ver gelegen Vorkoeta, 160 kilometer ten noorden van de poolcirkel. In dit kleine werkkamp wordt Gitana gedwongen in barbaarse omstandigheden te werken. Aan het lot overgeleverd en weerloos tegen de bewakers van het kamp, vechten Gitana en Myrthe om te overleven. Ook voor Arvydas, gedeporteerd naar Tadzjikistan, gedoemd tot het plukken van katoen, is de gedachte aan ontsnapping uitzichtloos. Zal hij zijn vrouw en dochter ooit weerzien?

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
MOBI

Seitenzahl: 335

Veröffentlichungsjahr: 2022

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhoudsopgave

Colofon 3

Hoofdstuk 1 – januari 1949 4

Hoofdstuk 2 – zomer 1947 9

Hoofdstuk 3 – februari 1949 14

Hoofdstuk 4 – 25 juni 1941 18

Hoofdstuk 5 – zomer 1947 23

Hoofdstuk 6 – zomer 1947 29

Hoofdstuk 7 – eind augustus 1941 33

Hoofdstuk 8 – februari 1949 38

Hoofdstuk 9 – zomer 1947 43

Hoofdstuk 10 – begin december 1941 51

Hoofdstuk 11 – einde zomer 1947 58

Hoofdstuk 12 – zomer 1949 64

Hoofdstuk 13 – juli 1944 71

Hoofdstuk 14 – einde zomer 1947 77

Hoofdstuk 15 – zomer 1949 84

Hoofdstuk 16 – zomer 1949 93

Hoofdstuk 17 – herfst 1949 102

Hoofdstuk 18 – begin september 1949 110

Hoofdstuk 19 – november 1949 118

Hoofdstuk 20 – zomer 1952 126

Hoofdstuk 21 – begin november 1949 131

Hoofdstuk 22 – november 1949 138

Hoofdstuk 23 – begin november 1949 145

Hoofdstuk 24 – kerstmis 1949 153

Hoofdstuk 25 – 5 maart 1953 158

Hoofdstuk 26 – november 1949 165

Hoofdstuk 27 – augustus 1988 171

Hoofdstuk 28 – maart 1953 175

Hoofdstuk 29 – november 1949 181

Hoofdstuk 30 – 23 augustus 1989 186

Hoofdstuk 31 – januari 1991 190

Hoofdstuk 32 – januari 2001 198

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2022 novum publishing

ISBN drukuitgave:978-3-99107-916-3

ISBN e-book: 978-3-99107-917-0

Lectoraat:Daphne Hoebée

Vormgeving omslag:Alexvu, Gibsonff, Zdasiuk, Siarhei Kazlou | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing

www.novumpublishing.nl

Hoofdstuk 1 – januari 1949

Langzaam gingen zijn ogen open. Hij was al een tijdje wakker maar had nog niet de moed gehad om de dagdagelijkse ellende te overschouwen. Terwijl zijn ogen langzaam de al te vertrouwde muren van de krappe cel aftastten, ontsnapte een diepe zucht aan Arvydas’ lippen. Buiten was het nog aardedonker maar in de cel brandde dag en nacht een peervormig lampje. Zijn blaas was ondertussen gewend geraakt aan het ochtendpatroon. Eén keer per dag mochten ze naar het toilet. Om exact zes uur ’s morgens openden enkele norse Sovjets de celdeur en mochten ze de cel verlaten om het lange gangpad naar de toiletten af te wandelen. De rest van de dag moesten ze gebruik maken van de ijzeren emmer die in een hoekje van de cel prominent geurend stond te roesten. Aangezien Arvydas niet bepaald happig was op het gebruik van de emmer terwijl de vijf paar doffe ogen van zijn celgenoten hem aanstaarden, had hij zijn biologische klok ingesteld op kwart voor zes.

Terwijl hij de realiteit trachtte te aanvaarden, bonsde zijn hoofd. Voorlopig was hem “de ondervraging” nog bespaard gebleven en had hij “het voorstel” nog niet gekregen, maar de spanning begon zijn tol te eisen. Steeds op dezelfde plek voelde hij de pijn kloppen. “Spanningshoofdpijn,” gromde hij en hij begon zijn nek langzaam van links naar rechts te bewegen. Hij ging rechtop zitten en zag dat de anderen nog lagen te slapen. Op de grond uiteraard want matrassen, laat staan bedden, gunden de Sovjets hun niet. Vytautas lag te snurken. Zijn nieuwe vriend vertoefde nog even in andere oorden. Misschien ergens in de veilige bossen buiten Vilnius die de partizanen als hun thuis beschouwden. Misschien lag hij in de armen van zijn boerenvrouw op hun boerderij die door de Sovjets nog niet was ingelijfd in het systeem van de kolchozen. Arvydas bewoog zijn benen en voelde hoe het bloed zijn stramme spieren folterde. Wat zou de dag brengen? In het beste geval kende die hetzelfde monotone verloop als dat van de voorbije dagen. In het slechtste geval maakte het NKVD-hoofdkwartier zijn beruchte reputatie waar.

Toen de deur werd geopend, waren ze alle zes wakker. De lichtgevende buizen die de gangen sierden, wierpen hun passende kunstmatigheid naar binnen. De cipier moest zelfs niets zeggen. Hij tikte even met zijn matrak tegen de celdeur en ze stonden op. Zonder een woord te zeggen, strompelden ze één voor één naar buiten. Eenmaal in de gang bleven ze stokstijf staan totdat de cipier opnieuw tegen de celdeur sloeg. Dan zette de karavaan koers naar de toiletten, ondertussen de celdeuren passerend waarachter andere gevangenen even ongeduldig zaten te wachten op het moment dat zij hun behoefte mochten gaan doen. Arvydas liep achter Vytautas als tweede in de rij. Achter hem liep de priester. Ze kenden zijn naam niet. Hij liet zich gewoon priester noemen. Na nauwelijks twee minuten stonden ze voor het sanitaire complex. De Sovjet die hen begeleidde, hield Vytautas tegen. “Stop.” Het was geen snauw, maar ogenblikkelijk hield Vytautas halt. Arvydas zag dat nog enkele andere gevangenen gebruik maakten van het toilet. De cipier keek geërgerd. Contact tussen de verschillende cellen was verboden en dit kleine oponthoud zorgde voor een hoop administratief werk. Straks moest de man op enkele formulieren invullen welke gevangenen elkaar hadden ontmoet, ook al hadden ze geen woord gewisseld.

Vytautas snoof minachtend. Vytautas was natuurlijk niet zijn echte naam. Net zoals de meeste partizanen droeg hij een codenaam. Zo was het moeilijk voor collaborateurs om hem te verlinken aan die duivelse Sovjets en was het tegelijkertijd voor die smeerlappen moeilijk om uit te zoeken wie zijn familie was. Die familie bleef dan misschien een tripje naar een Siberische goelag bespaard. Vytautas de Grote was een Litouwse volksheld uit de vijftiende eeuw en de partizaan droeg zijn codenaam dan ook met de gepaste trots en als een teken van opstandigheid. Hij had de naam geadopteerd en moest tegenwoordig zelfs bijna nadenken hoe hij werkelijk heette. “Ze geven ons net voldoende te eten om niet van de honger te sterven,” gromde hij. Hij keek naar de twee sneden brood en het kopje heet water dat het ontbijt moest voorstellen. “Je weet toch waarom ze dat doen?” vroeg de priester waarna hij zelf het antwoord gaf, “Ze willen je weerstand breken. Ze willen geen sterke onverzettelijke partizaan voor zich hebben zitten wanneer ze met ‘de ondervraging’ starten. Ze willen een meegaand, angstig iemand die gemakkelijk te manipuleren valt.” Hij wachtte even en ging toen verder. “Nog even en je doet alles voor een kom hete soep of een lekker stuk vlees.” De ogen van Vytautas schoten vuur. Met enige moeite hief hij zijn enorme lijf omhoog en enigszins wankel door het gebrek aan voedsel en daglicht, stond hij recht en balde zijn vuist. “Nooit zal ik met dat schorem samenwerken. Al krijg ik niets meer te eten. Ik ben geen landverrader. Nog liever sterf ik duizend doden,” schreeuwde hij theatraal. “Jou hebben ze duidelijk nog niet gebroken,” antwoordde de priester laconiek. “Maar dat komt nog wel,” voegde hij eraan toe. Het kwam hem op een boze blik van Vytautas te staan.

De priester zat met zijn rug tegen Arvydas. Jarenlang had hij de vieringen verzorgd in Paneriai, maar toen kwamen de Sovjets, daarna de Duitsers en tenslotte de Sovjets opnieuw. Die waren niet bepaald happig op geestelijken. Het was snel gedaan met het opdragen van de mis. Net zoals zovele andere katholieke kerken in Litouwen werd ook zijn kerk aangeslagen. Zelf werd hij nog gespaard, maar toen in 1946 de Sovjetregering eiste dat de Litouwse bisschoppen het verzet zouden demoniseren, was voor hem de maat vol. Hij ging ondergronds en begon met het drukken van pamfletten tegen de bezetters. Een jaar later werd hij verraden en belandde in de NKVD-gevangenis. “Ik wil straks even biechten,” mompelde Arvydas. De priester reageerde niet. Hij had in de cel wel vaker de biecht afgenomen of een gebed opgezegd. Hoewel het strafbaar was en de kans reëel dat hij werd betrapt, bleef hij onverstoorbaar volhouden. Het gaf de mannen mentale rust en iets om zich aan vast te klampen. En het gaf hem het gevoel dat hij toch nog weerbaarheid toonde ondanks de 147 dagen die hij ondertussen in dit voorgeborchte van de hel doorbracht. “Laten we nog even wachten. De bewakers eten meestal om twaalf uur. Dan hebben ze het te druk om ons te controleren en heb ik minder kans om in de isoleercel te belanden.” Het was als grap bedoeld maar niemand lachte. “Hoe zou het met Gitana zijn?” vroeg de priester dan maar om de deprimerende stilte te doorbreken. Gitana was de vrouw van Arvydas en als hij de verhalen mocht geloven, bloedmooi. De anderen maakten schunnige moppen over haar, maar Arvydas ging er meestal niet op in. Hij had de priester eens in vertrouwen verteld dat het geloof dat zij op hem wachtte, hem overeind hield. “Het is september, niet? Dan zal ze wel het land aan het inzaaien zijn. Denk je dat ze de boerderij wist te behouden? Of zouden ze haar verplicht hebben om op een kolchoz te gaan werken?”

De Neris zond ijskoude winden richting de stad. Ze teisterden de gevangenis en kropen via spleten en tralieramen naar binnen. Heel de dag kropen de gevangen dicht tegen elkaar aan om zo hun lichaamswarmte te delen. Meubels stonden er niet in de cellen en tegen de muren leunen was ten strengste verboden. Arvydas flapperde met zijn benen om zo de bloedcirculatie op peil te houden. Niet dat het vroor in hun cel, maar het was koud genoeg om ongemak te veroorzaken en de gezondheid te ondermijnen. “Ook zo proberen de cipiers ons verzet te breken,” wist Arvydas, “en het is overigens een bijzonder effectieve methode.”

De deur ging open en grijnzend keek Valentin de celgenoten aan. “Dat wijf van je heeft je extra eten gebracht,” riep hij terwijl zijn blik op Juozas viel. Hij snoof minachtend. “Niet dat je dat verdient, wat mij betreft. Ik heb haar dan ook een goede beurt gegeven. Lang geleden dat ze nog eens een echte vent heeft gevoeld. Jullie Litouwse mietjes weten niet hoe jullie een vrouw moeten verwennen.” De temperatuur in de cel kroop nog enkele graden naar beneden. Ze wisten allemaal wat het betekende wanneer iemand extra voedsel kreeg. Ondanks het geschimp van de cipier was dat een absolute gunst. Het kon enkel betekenen dat Juozas inschikkelijk was geweest. Had hij hun informatie verstrekt, vroeg Arvydas zich af. Of erger nog, hadden ze hem weten te rekruteren? Valentin gaf een kom cepelinai en een aardebruin brood door. Iedereen in de cel besefte dat er een spel werd gespeeld en dat zij de pionnen waren. De geur van het gekookte varkensvlees deed hen watertanden. Ze snakten allemaal naar vlees. De boodschap was niet mis te verstaan: werk mee en je wordt beloond. “Geef die kom aan die hond,” tierde Valentin. Juozas nam de kom aan zonder omhoog te kijken. Hij schaamde zich maar zijn honger was te groot. Terwijl Valentin het tafereel bleef bekijken en er goed op lette dat er geen voedsel werd gedeeld, wierp de jonge Litouwer zich op het brood. Mechanisch en met een doffe blik werkte hij de maaltijd naar binnen. Mijn god, dacht Arvydas, wat zou ik allemaal doen voor een warme maaltijd? Zou ik ook buigen als ze me een voorstel doen?Hij krabde aan zijn neus en wreef daarna automatisch over zijn armen. Dat was een zenuwtrek geworden. Het verbaasde hem dat hij geen haat voor Juozas voelde opwellen. Diep in zijn binnenste voelde hij eerder een mengeling van medelijden en begrip. Hij wendde zijn blik af van de schrokkende Juozas en zag de grimmige trekken op het gezicht van Vytautas. Zijn vriend dacht er duidelijk anders over. Voor hem was Juozas vanaf nu een verrader, een collaborateur, uitschot dat het verdiende om geëxecuteerd te worden. Bezorgd vroeg Arvydas zich af wat dit betekende voor hun samenhorigheid. “Haast je,” beval Valentin terwijl hij ongeduldig tegen de celdeur leunde. “Ik heb vandaag nog wel iets anders te doen dan naar een vretend varken te kijken.”

Juozas werd uit de kring geweerd. Ze wisten allemaal dat wanneer ze hem een haar krenkten de isolatiecel – of erger – wachtte. De enige manier om hem te straffen en om celgenoten met soortgelijke gedachten te waarschuwen, was het ogenblikkelijk verbreken van alle banden. Juozas moest vanaf nu alleen de kou trotseren. De anderen waren weer dicht tegen elkaar gekropen terwijl hij in een hoekje alleen zat, er goed op lettend dat hij de muur niet raakte. Onze cirkel wordt kleiner en kleiner, dacht Arvydas. Niet enkel hier in de cel maar ook daarbuiten. Hoe kunnen we deze strijd ooit winnen?

Hoofdstuk 2 – zomer 1947

“Het is niet dat ik ernaar verlang of het leuk vind om een landgenoot te doden,” stelde peletoncommandant Aldolfas Ramaneekas, “maar we hebben niet veel keus. Hij moet eraan.” Snel onderzocht hij de impact van zijn boodschap op zijn mannen en probeerde hun gedachten in hun ogen te lezen, een gewoonte die hij zich de laatste jaren eigen had gemaakt. Wat hij zag, stelde hem gerust. Zijn mannen staarden onbewogen terug. “We hebben hem al meermaals gewaarschuwd. Helaas zonder succes. We hebben bovendien niet veel tijd meer vooraleer hij zijn plannen effectief uitvoert. Neem allemaal nog eens goed het plan door voor we vannacht vertrekken, want het is een riskante operatie.” Een riskante operatie, begreep Arvydas, betekende voor de woudbroeders dat de kans op bloedvergieten groot was. Aan welke kant de slachtoffers vallen, bepaalt het lot. Hij huiverde. Het was zijn eerste sabotagemissie sinds hij zich in het voorjaar had aangesloten bij de partizanen. Zijn maag kroop samen en zijn linkerooglid begon te trillen. “Stress,” gromde hij. Hij was nooit een echte held geweest. Hij keek even rond en zag hoe de anderen de barak opzochten die verscholen lag in de diepten van het Varčioswoud.Zouden ze dezelfde angst voelen, die hem parten speelde?

In een lange rij en zonder iets te zeggen, vertrok het bataljon. Onbekende geluiden die het nachtelijke bos voortbracht, wuifden hen uit. Marija liep voor Arvydas en dat vond hij een prettige gedachte. Ze leek uiterlijk een ­beetje op Gitana, althans op de Gitana waarvan hij elke nacht droomde. Ondertussen had hij zijn vrouwtje al enkele maanden niet meer gezien. Marija was met haar 1 meter 65 misschien net iets kleiner dan zijn wederhelft maar ze was pittig en wanneer haar wangen rood kleurden van woede, kon je je maar beter verschuilen. Hij keek naar haar kont en grinnikte. Die perfect gevormde kont was een jachttrofee in de onfrisse verhalen van de mannen. Niemand waagde het echter om de trofee te claimen. Alsof ze voelde dat hij aan het staren was, draaide ze zich om. “Gaat het lukken?” informeerde ze, “want je ziet er beroerd uit.” “Nog beroerder dan anders?” grapte hij. Ze glimlachte meewarig. “Probeer de nacht te overlevenzuikis,ik mag je te graag.”

Het dorp Daugai lag op vier kilometer van de bosrand en de kans dat iemand hen in dit open landschap zag, was vele malen groter dan wanneer ze beschermd werden door het groene bladerdak van het bos. Bovendien was het een wolkeloze nacht en scheen de zomermaan in al zijn kracht. Onder normale omstandigheden had Ramaneekas een andere nacht uitgekozen voor hun operatie, maar ze hadden geen keus meer. Eigenlijk hebben we het al te ver laten komen, dacht hij bitter, we hadden eerder moeten ingrijpen. Het doden van landgenoten, ook al waren ze pro-Sovjetunie, bleef een moeilijk gegeven. Hij keek nog eens naar zijn groep. Hij was fier op hen. Harde mannen die hun gezin hadden achtergelaten om hun vaderland te verdedigen. Enkel over Arvydas maakte hij zich een ­beetje zorgen. Was het niet te vroeg voor die jongen? Hij had een zacht kantje en dat kon zich tegen hem keren. Nu ja, dacht Ramaneekas, iedereen beleeft ooit zijn vuurdoop. Of je overleeft het en je wordt een echte man, of de partizanen sturen bloemen en condoleances naar de naaste familie. Ramaneekas besloot om er zich verder niet druk over te maken.

Daugai was een pro-Sovjetdorp en de lokale burgervader had de roep uit Moskou beantwoord. Hij verbood onafhankelijke boerderijen rond zijn dorp en wilde de landbouw, naar het communistische model, collectiviseren. Dat werkte natuurlijk als een rode lap op een stier in het zuiden van Litouwen, waar de partizanen het in vele streken nog voor het zeggen hadden. De burgervader werd dan ook goed beschermd door paramilitairen van “het volkscommissariaat voor binnenlandse zaken”. “Die smerigestribai,”had Ramaneekas hen verwittigd, “zijn meedogenloos. Dus moeten wij even meedogenloos zijn. Wees snel en aarzel niet. Het zijn zij of wij.” Arvydas had de woorden van zijn commandant goed in zijn hoofd geprent. Terwijl ze aan de laatste kilometers van de missie begonnen, echode de waarschuwing als een mantra door zijn geest: “schiet om te doden, verzaak niet … schiet om te doden, verzaak niet!”

Gebukt liepen ze het zandpad af dat naar het dorp leidde. Om de paar minuten stak Ramaneekas zijn hand omhoog en hurkten ze neer. De stilte van het nachtelijke platteland zoog de angst naar Arvydas’ keel, meer dan de luidste bommenexplosie had kunnen doen. “Het niet weten wat je kan verwachten, is de ergste vijand,zuikis,”probeerde Marija, die zijn angst herkende, hem gerust te stellen. “We hebben het allemaal meegemaakt.” In de verte zagen ze de eerste huizen van het dorp. “Nog maximaal zevenhonderd meter,” schatte Arvydas. Ramaneekas had hun verteld waar destibaizaten. “Of waar ze horen te zitten,” had hij gespecifieerd. “Je mag er niet vanuit gaan, dat de vijand voorspelbaar wordt.” Stapje voor stapje ging het verder richting Daugai. Arvydas zag hoe ook Marija haar Tsjechische Skodarevolver steeds harder vastklemde, als een onbewust signaal dat de adrenaline ook door haar aderen gierde. Ergens begon een hond te blaffen. Arvydas besloot er maar geen acht op te slaan.

Eenmaal de dorpsrand bereikt, leken ze wel een geoliede machine. Ramaneekas had, als vroegere leerkracht op een lagere school, zijn mannen goed voorbereid. In het gele huis in de hoofdstraat woont Edgarius Jankauskas, de burgemeester met zijn vrouw, zoon en twee dochters. Ernaast, in het rode huis ertegenaan, leeft een bataljon stribai die hem moeten beschermen en hem helpen zijn verachtelijke taak uit te voeren, herinnerde Arvydas zich de les. Ramaneekas had vier mannen aangeduid die zich verdekt moesten opstellen vóór het huis van de stribai. Nu moest hij niets meer zeggen. Ze kenden hun taak tot in de perfectie. Arvydas zag hoe zijn kameraden een plek opzochten in het duister van waaruit ze de voordeur van het huis onder vuur konden nemen. Petras, een kerel met een borstkast als een aambeeld en een overtuiging die hem desnoods deed afdalen tot de onderwereld en terug, kreeg de leiding over de subgroep. Geruisloos volgden Marija en Arvydas Ramaneekas. Ze begaven zich naar de oostkant van het halfvrijstaande, houten gebouw. Ramaneekas keek door het venster naar binnen. Er brandde geen licht en alles leek rustig. Zijn vingers betastten snel het glas van het raam. Enkel glas zoals hun informant hen had verteld. Het zou niet veel moeite kosten dit glas te breken. Hij haalde nog eens diep adem. Dan zette hij druk op het raam. Het kraakte maar begaf niet.

Edgarius Jankauskas nestelde zich tevreden in de houten schommelstoel die het gerieflijkste meubelstuk in de kamer was. Een koperen olielamp met een lange tuit onderaan de voorkant wierp zijn licht de wereld in. Hoewel elektriciteit al meer dan zeventig jaar geleden zijn intrede had gedaan, moest Jankauskas helaas verdragen dat vele kleine Litouwse dorpen nog steeds niet op het net waren aangesloten. Hij hoopte dat de toekomst beterschap zou brengen voor zijn land dat al zoveel geleden had. Zijn hand zocht zich een weg naar de houten pot met pijptabak die hij naast de schommelstoel had geplaatst. Langzaam begon hij zijn pijp te stoppen. “De huizen zijn te vochtig maar de tabak is te droog,” mopperde hij terwijl hij onderaan de tabak luchtiger hield en bovenaan steviger aanstampte. Het duurde niet lang vooraleer hij met regelmaat aan zijn pijp trok en genoot van de geur en smaak. Pijproken was een luxe die niet elke inwoner van zijn dorpje gegeven was, dus hij voelde het als zijn plicht om het zorgvuldig te doen. Hij keek naar zijn Dunya die erbij was komen zitten op een houten stoel. De Sovjets hadden haar en haar hele familie vanuit Moskou naar Litouwen geïmporteerd, nog voor de Duitsers het voor het zeggen hadden gehad. Teder legde Jankauskas zijn hand op de schoot van zijn vrouw. “Je moet niet bang zijn,” probeerde hij haar gerust te stellen. “Het zal allemaal wel loslopen.” “Ik weet niet of we er goed aan doen, beertje,” antwoordde ze terwijl de stress onveranderd op haar gezicht bleef staan. “Daar hebben we het al over gehad. Het is de weg naar een betere toekomst. Er is geen andere mogelijkheid. Of dacht je dat die naïevelingen uit de bossen Stalin ook maar een strobreed in de weg kunnen leggen?” Zonder op een antwoord te wachten, ging hij verder: “Nee, als we Daugai willen helpen, moeten we gehoorzamen. Gedaan met het privé-land hier. Geen kleine boeren meer. Willen we vooruit, dan moeten we opgaan in een staatsbedrijf. Dat is de communistische weg en de wil van Stalin.” Als om zijn woorden kracht bij te zetten, blies hij een stevige rookpluim uit. “De partizanen zeggen anders het omgekeerde. Ze beschouwen ons als collaborateurs. Ze jagen me schrik aan, beertje.” Jankauskas snoof. “Het zijn lafaards die eenvoudige mensen bedreigen. Denken ze dat ik mijn mening verander omdat ze me een dreigbrief schreven? Denken ze dat ik op de loop ga omdat ze enkele stallen in brand staken?” Jankauskas ging zo op in zijn betoog dat hij uit zijn schommelstoel opstond en zijn stem steeds luider liet weerklinken. “Vandalenstreken, meer dan kwajongens zijn het niet. Dommeriken die geen idee hebben van wat ons te wachten staat! Eigenlijk moet je medelijden met ze hebben.” Wanneer hij boos werd, kon je duidelijk zien waarom zijn vrouw hem “beertje” noemde. Breedgeschouderd en ruim een meter vijfentachtig groot was de burgemeester van Daugai bepaald geen doetje. Net op tijd herinnerde hij zich tegen wie hij sprak. “Schrik is niet nodig,lėlė,de stribai beschermen ons. Er zal ons niets overkomen.”

Ramaneekas zuchtte. Hij zat met een dilemma. Het glas inslaan was de snelste, maar ook de luidruchtigste manier om toegang te krijgen tot het eenvoudige huis van de burgemeester van Daugai. Misschien zou iemand hen horen en alarm slaan. Misschien werd Jankauskas gewekt door het lawaai. Maar Ramaneekas besefte dat ze snel moesten handelen, wilden ze kans op slagen hebben. Zonder zich nog langer te bedenken, sloeg hij met de speciaal hiervoor meegebrachte kei het glas in gruzelementen. Het gerinkel klonk hem als een luide sirene in de oren en een seconde lang verscheen er een grimas op zijn gelaat. Hij liet zich echter niet tegenhouden. Met de kolf van zijn geweer verwijderde hij de glaspunten uit het raamkozijn en zonder zich verder te bekommeren om eventuele verwondingen, kroop hij naar binnen.

Hoofdstuk 3 – februari 1949

Vytautas kon genieten van de muziek die de studenten speelden. De Academie voor Muziek was de buurman van de gevangenis en de oefenlessen vormden vaak het enige vertier in de keldercellen. Nog niet zo lang geleden had een moedige maar ook roekeloze student het verboden nationale volkslied van Litouwen, diep in de nacht, opgevoerd, goed wetende dat slechts enkele meters verderop zowel de gevangenen als de bewakers er getuigen van waren. Een gedurfde protestactie zo dicht bij het centrum van het Sovjetkwaad. Vytautas had het gehoord en zijn hart huilde tranen van melancholie. Hij hoopte maar dat de student zijn verzetsdaad niet had bekocht met een tripje naar de goelag. Ook nu speelde de muziek toen de gevangenisdeur midden in de nacht werd geopend. Het leek wel alsof de noten het openen van de deur begeleiden als een dirigent zijn orkest. Iedereen was meteen klaarwakker. Ze wisten allemaal wat het betekende wanneer de Sovjets ’s nachts de cel binnenkwamen. Vytautas zag hoe de nog vermoeide ogen van Arvydas in een oogwenk de angst binnenlieten. Zelf voelde hij eerder minachting. Minachting voor de zoveelste laffe daad van de Sovjets.

“Vytautas, meekomen!” brulde één van de drie bewakers. Hij was helemaal niet verbaasd dat het zijn beurt was. Hij had “zijn ondervraging” veel eerder verwacht. Nog even keek hij naar de anderen die hem met een mengeling van medelijden en opluchting aanstaarden, vooraleer zijn lichaam zich mechanisch in beweging zette. Tamelijk hardhandig werd hij geboeid. Er werd verder niets meer gezegd. Twee bewakers liepen voor hem uit terwijl Valentin enkele meters achter hem liep, zijn geweer in de aanslag. Ze liepen de gang door, langs de andere cellen en toiletten in de richting van de trap. Aan de onderste trede werd hem gesommeerd te stoppen. De voorste bewaker gaf het signaal aan de bewaker op de bovenverdieping dat er een gevangene onderweg was. Pas daarna mocht Vytautas de houten trap betreden.

“Je naam?” vroeg de dienstdoende agent aan Vytautas. Hij grijnsde. Typisch, dacht hij, de Sovjets willen hun administratie in orde brengen.“Je naam?” herhaalde de agent en hij trok reeds een wenkbrauw op. Ondanks dat het hem rustig werd gevraagd, wist Vytautas dat het niet verstandig was om het geduld van de Sovjets tot het uiterste op de proef te stellen. Valentin, die tot dan toe met zijn rug tegen de muur van de kleine ruimte had gestaan, zette al gretig een stap naar voren.

“Vytautas,” mompelde hij. “Je échte naam graag!” De agent had zijn vingers reeds van de typmachine gehaald en keek zijn gevangene strak aan. “We hebben hier duidelijk een probleem,” hoorde Vytautas zichzelf zeggen. “Als ik je mijn echte naam geef, krijgt mijn familie binnen de kortste keren een kaartje richting Siberië. Enkele reis waarschijnlijk. Dat wil ik hen graag besparen.” Opnieuw wilde Valentin naar voren komen, maar een bruuske armbeweging van de ondervrager hield hem tegen. De agent keek zijn slachtoffer opnieuw aan en Vytautas proefde een soort van respect. Waarschijnlijk verbeeld ik me dat maar, want die schoften hebben een hekel aan weerspannige types, dacht hij meteen daarna. Langzaam trok de agent aan zijn reeds halfopgerookte sigaret, blies de rook uit, legde de sigaret terug in de asbak naast de typmachine en glimlachte mild. “Jongen, denk je dat je de eerste moedige partizaan bent? Soms denk ik dat jullie stalen ballen hebben. Ik zal nooit het lef van een Litouwse woudstrijder in twijfel trekken. Maar ook stalen ballen kunnen en zullen breken. En dat doet pijn. Dus bespaar je die pijn, want spreken doe je toch. Hier of in de verhoorcel.” Vytautas zweeg. Niets wat hij nu nog kon zeggen, had enig nut. Hij wist dat hij de komende uren zou afzien en hoopte enkel dat hij de kracht had om zijn familie niet te verraden.

Via de trap leidden ze hem terug naar beneden. Op de overloop had hij nog snel een blik door het grote raam kunnen werpen op Gedimino Prospektas, de grote verkeersader die voor de gevangenis liep en op het Lukiškiųplein waar het standbeeld van Lenin dreigend naar de gevangenis wees. Wat zou hij gegeven hebben om nu de buitenlucht te mogen inademen, maar de twee seconden getreuzel voor het raam leverde hem een stomp met de kolf van het geweer in zijn ribben op. Valentin lachte heimelijk. “Loop door zwijn! We hebben niet de hele nacht de tijd.” De verhoorkamer was geluidsdicht gemaakt om ervoor te zorgen dat het gehuil van de slachtoffers niet doordrong tot de rest van het gebouw. Hardhandig werd hem een dwangbuis aangetrokken.Verzetten heeft geen enkele zin, dacht Vytautas. Ik zou trouwens niet weten hoe ik dat zou kunnen met mijn armen op mijn rug gebonden. Enkele zweetdruppeltjes sijpelden langs zijn voorhoofd naar beneden, maar hij was zich niet bewust van hun zoutsmaak. Vytautas keek even rond. De muren waren kaal en door een klein raam hoog in de buitenmuur scheen het matte licht van een lantaarnpaal naar binnen. “Ik vraag het je nog éénmaal,” zei de leidinggevende agent niet geheel onvriendelijk. “Geef me je naam en vertel me wat ik weten wil. Dan brengen we je netjes en ongehavend terug naar je cel.” Vytautas had de juiste inschatting gemaakt. De man had respect voor zijn vastberadenheid. Hij gaf hem een tweede kans. Dat was een zeldzaamheid in deze omgeving. Vytautas opende zijn mond, maar in plaats van de gevraagde informatie kwamen de eerste zinnen van het illegale volkslied over zijn lippen: “Litouwen ons Vaderland, jij bent het land van Helden. Laat je zonen kracht putten uit je verleden.” Het was de ultieme provocatie. De uitdrukking op de gezichten van zijn ondervragers vloeide naadloos over van neutraliteit naar ongeloof en vervolgens naar woede. Valentin nam de Amerikaanse honkbalknuppel die op de grond lag en sloeg genadeloos op Vytautas’ knieschijf.

Ze wierpen hem terug in de cel. Hij merkte niet eens hoe hij op de betonnen vloer viel en was zich pas na enkele minuten bewust van de bezorgde stemgeluiden van zijn celgenoten. Hij probeerde zijn ogen te openen, maar zijn oogleden plakten aan zijn gezicht, alsof hij zwaar verkouden was. Pas na drie keer proberen kon hij één oog voorzichtig openen. Meteen overviel een felle pijnscheut zijn hersenpan. De priester kroop recht en bekommerde zich om hem. Arvydas daarentegen was verbijsterd. Hij durfde amper te praten. Wat hebben ze met mijn vriend gedaan? Niemand verdient het om zo toegetakeld te worden.Naast verwarring voelde hij ook een hartgrondige haat opwellen. Een haat die hij nooit eerder had gevoeld. Niet toen de Sovjets de eerste keer zijn land binnenvielen, niet toen hij de eerste lijken als waarschuwing zag verspreid worden over de diverse dorpen en zelfs niet toen hij werd gearresteerd. Het was een haat die hem verbaasde. Die kroop van zijn tenen naar zijn hoofd en palmde zijn hele lichaam in. Arvydas duwde de priester opzij en ging op zijn knieën naast zijn vriend zitten. “Hebben ze je gebroken?” fluisterde hij. Vytautas zweeg en Arvydas vreesde het ergste. Met een uiterste krachtinspanning hief Vytautas zijn hoofd op. “Ik heb hen niets verteld. Mijn vrouw en kinderen zijn nog veilig. Voorlopig nog.” Hij hijgde en in zijn ene geopende oog zag Arvydas wanhoop doorschemeren. “Maar een tweede nacht hou ik dit niet vol!” Hij begon geruisloos te wenen. Wat moet ik doen, Arvydas?”

Hoofdstuk 4 – 25 juni 1941

Wel,dacht Gitana, misschien was ik toch maar beter op de boerderij gebleven? Ze wreef over haar bolle buik waarin zeven maanden geleden een vruchtje was beginnen groeien. Rust zal ik hier in Kaunas immers ook niet vinden.Moeizaam nam ze de veel te hoge trede die de voordeur van het huis van haar zus scheidde van het voetpad. Ze klampte zich aan de deurstijl vast om niet te vallen. Het zwanger zijn viel haar zwaar. In normale omstandigheden was ze een kwieke, hardwerkende boerendochter die voortdurend in de weer was. Het Litouwse boerenleven eiste nu eenmaal veel overgave maar ze vond er zeker ook het nodige plezier in. Nu was ze helemaal niet mobiel en zat ze gevangen in een stad die net het strijdtoneel was geweest van een strijd tussen de Sovjettroepen en Litouwse paramilitairen. “Ik zou toch liever hebben dat je binnenbleef,” hoorde ze haar zus zeggen. “We weten niet of het buiten veilig is en gezien je conditie …” Met haar kin maakte ze een beweging naar Gitana’s buik. “Ik bedoel … Je moet nu toch ook aan het kindje denken.” “Daar denk ik juist aan. Als ik nog langer binnen moet blijven, word ik stapelgek. Ik vreet mezelf op van de stress. Dat kan ook niet goed zijn voor het kind.” Jeira was een pracht van een zus. Je kon haar alles vragen en Gitana zou haar leven geven om dat van haar zus te redden. Maar ze was altijd zo voorzichtig. Zo behoedzaam. Een echt muisje. Ze zou het liefst elk risico in het leven bannen. Een moeilijke karaktertrek in een tijd waarin je geboortestad achtereenvolgens wordt ingenomen door de Sovjets en nu blijkbaar door de Duitsers. Of misschien ben ik juist wel te impulsief, dacht Gitana. “Want Jeira had natuurlijk gelijk. Dat zou Arvydas haar ook vertellen, als hij hier was geweest.” Maar ze moest nu eenmaal weten wat er waar was van de geruchten dat de Litouwers de stad overgaven aan de Duitsers. “Maak je maar geen zorgen, zus. Ik zal heus wel oppassen.” Ze ging op de tippen van haar tenen staan en gaf haar zus, die inmiddels in de deuropening stond, een kus op haar voorhoofd. “Ik ben terug voor je het beseft.” Vooraleer Jeira verder kon protesteren, draaide ze zich om en schuifelde de straat in.

Het was druk in de straten en naarmate Gitana het stadscentrum naderde, vielen haar de verschillende gemoedstemmingen van de passerende mensen op. Terwijl ze even in de blakende junizon uitrustte op een stadsbankje, het zweet van haar voorhoofd veegde en haar lange, blonde lokken in een staart bond, kwam er een groepje uitgelaten jonge mannen langs. Ze hadden duidelijk te veel gedronken en ééntje had de fles nog vast. Terwijl ze opruiende strijdliederen zongen, keek de meest dronken man haar richting uit. “Wat een lekker ding,” riep hij. “Zullen we het vertrek van de Russen samen vieren, schatje?” Gitana keek hem aan zonder te antwoorden. Die stilte werd duidelijk niet goed ontvangen. “Voel je je soms te goed voor ons? Zoals die smerige joden?” De man strompelde naar voren, maar zijn kameraad greep hem bij de arm. “Laat haar, ze is zwanger,” fluisterde hij in het oor van zijn hitsige maat. Die keek Gitana nog eens aan, spuwde vervolgens op de grond en draaide zich om. Terwijl ze een nieuw lied aanhieven, vervolgden ze hun weg. Een paar minuten later stond Gitana onverstoord op. Ze stak de dolk die ze onder de plooien van haar rok verborgen hield weg en liep verder richting centrum, zonder nog aan het incident te denken. Nu en dan kwam ze iemand tegen die gehaast de tegenrichting uitliep, duidelijk niet van plan om langer dan nodig in het stadscentrum te blijven. Vreemd, dacht ze, de stad is bevrijd en je hebt de feestende groepen. Toch heerst er ook een bedrukte stemming. Ik vraag me af waarom? Ze liep de brede Vytautas Avenue op in de richting van het kerkhof. In de verte zag ze de contouren van een benzinestation waar een massa mensen zich had verzameld. Aan de geluiden te horen was er iets aan de hand. Gitana probeerde haar tred te versnellen en het haastige dreunen van haar hart te negeren. Ze begon steeds harder te zweten en moest bepaald niet fris ruiken toen ze eindelijk het hek bereikte dat de garage omringde.

Hoewel haar hart inmiddels moest pompen als een bezetene, viel haar adem stil en trok Gitana lijkbleek weg. Het leek alsof haar hersenen dienst weigerden, alsof ze niet konden bevatten dat de werkelijkheid die ze zag zo gruwelijk was. Even moest ze zich vasthouden aan de man naast haar. Ze greep zijn arm, maar hij duwde haar geïrriteerd van zich af, alsof ze een onbetekenende vlieg was in plaats van een zwangere vrouw en begon opnieuw enthousiast te scanderen, het ritme van de anderen volgend: “Dood ze allemaal, dood ze allemaal, dood ze allemaal …!”

Op het betonnen plein voor de garage werd een groep van wel twintig mannen vastgehouden en bewaakt door een nog veel grotere groep. Ze stonden gedwee en leken in een soort trance, alsof ze zich neergelegd hadden bij hun lot. Ze waren net en goedgekleed wat de situatie nog surreëler maakte. Enkele meters van hen verwijderd stond een blonde man van gemiddelde grootte. Hij had het duidelijk warm en leunde even voorover op de houten schoffel die hij net nog had gebruikt. Gitana telde wel zeventien lijken die rond zijn voeten lagen verzameld. Hij droeg hoge laarzen zodat zijn broek niet bezoedeld werd met het bloed dat uit de gapende wonden van zijn slachtoffers stroomde. Het leek alsof hij een karweitje in de stallen van een boerderij aan het klaren was. Terwijl hij uitrustte, begon de uitzinnige massa opnieuw te scanderen: “Doodgraver, doodgraver …” De vuisten van Gitana klemden zich wederom rond de verborgen dolk onder haar rok. Ze schaamde zich diep voor haar landgenoten. Wat was hier aan de hand? Wie had hiertoe het bevel gegeven? De doodgraver was inmiddels weer op adem gekomen. Grijnsend keek hij naar zijn supporters. Hij kon hun wensen niet langer negeren. Met zijn schoffel gaf hij een teken aan de bewakers. Een jonge jood werd naar voren geduwd. Hij kreeg enkele trappen te verwerken in zijn onderrug zodat hij op zijn knieën voor de doodgraver viel. Die grinnikte even en sloeg ogenblikkelijk met zijn schoffel op de schouders van zijn prooi. De pijnlijke kreet werd overstemd door het gejoel van het publiek, maar Gitana voelde hem nazinderen door heel haar lichaam. Nog voor de jood hersteld was van de aanval, kreeg hij een nieuwe serie slagen te verwerken. Helemaal verkrampt lag hij op de grond. Vol trots keek de doodgraver in het rond. Hij stond op een podium, een voetstuk. Voor zijn toeschouwers was hij duidelijk een held. De jood was inmiddels bewusteloos geslagen en de doodgraver wenkte één der bewakers. Die spoot de hulpeloze jood wakker met een tuinslang. Opnieuw grijnsde de doodgraver en hij maakte zijn werk af. Toen zijn slachtoffer eindelijk dood op de grond lag, wendde hij zich tot het publiek. Met een kort gebaar vroeg hij om stilte. Meteen werd het muisstil. De doodgraver klom op het lijk, schraapte zijn keel en begon het Litouwse volkslied te zingen. Meteen viel het publiek in. Het leek wel een festival. Gitana voelde de tranen opwellen, maar niemand schonk aandacht aan haar. Ze draaide zich om, wurmde zich door de massa en verliet de plaats.