Rare Buren - Thea van der Wekken - E-Book

Rare Buren E-Book

Thea van der Wekken

0,0
8,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

In deze korte verhalenbundel wordt in zes losstaande verhalen op een knappe en realistische manier een hele wereld opgeroepen. De titel verwijst naar het tweede verhaal en gaat over een 71-jarige man die een beroerte heeft gehad en door zijn kinderen wordt betutteld. Een ander verhaal gaat over twee collega's in een psychiatrisch ziekenhuis, waarvan één van de twee zelf in psychische problemen komt. Ook is er een brief van een zus aan de behandelend psychiater van haar inmiddels overleden broer en maakt de lezer kennis met een minister die te maken krijgt met een uitbraak van miltvuur. Het kortste verhaal gaat over het sieraad Zeeuws knoopje. Het laatste verhaal vertelt op realistische wijze een busreis voor bejaarden die verschillende barokfestivals bezoeken.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
MOBI

Seitenzahl: 200

Veröffentlichungsjahr: 2020

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhoud

Colofon 2

Waar is Maria? 3

Rare buren 24

Aan mevrouw dr. S. Janssen, psychiater 46

Bomen in het weiland 61

Zeeuws knoopje 89

De bejaardenreis 94

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2020 novum publishing

ISBN drukuitgave:978-3-99107-025-2

ISBN e-book: 978-3-99107-026-9

Lectoraat: M.Moors

Vormgeving omslag:Larisa Ros,

Chernetskaya | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing

www.novumpublishing.nl

Waar is Maria?

Als ik zo doorga met roken wordt het hier een verschrikkelijk stinkhok, denkt Vinnie. Iedere keer als hij een shaggie rookt, zet hij het tuimelraam op een kier en leunt over de vensterbank. Maar zou je binnen werkelijk geen sigarettenlucht ruiken? Hij weet het niet en het kan hem ook niet zo veel schelen. Het enige waar hij aan kan denken, is de vrouw die hem buiten haar deur heeft gezet, de vrouw van wie hij nog steeds houdt.

Zijn bezittingen kon hij kwijt in twee flinke sporttassen. Intussen heeft hij wat beddengoed, een paar handdoeken en wat servies gekocht. De kamer waar hij verblijft, is tien vierkante meter groot; er staat een bed in, een tafel en een stoel. Het is een kamer op de zevende verdieping van de personeelsflat van het psychiatrisch ziekenhuis waar hij werkt. Als hij uit het raam leunt, ziet hij het gebouw waar hij werkt, collega’s die over het terrein lopen en patiënten die op een bankje zitten of zomaar ergens staan. Er wonen nauwelijks mensen in de flat. De onderste etages zijn in gebruik voor de administratie, een paar kamers dienen als slaapplaats voor artsen die nachtdienst hebben en op een enkele kamer verblijft een patiënt die aan het ‘proefwonen’ is.

Een korte klop op de deur haalt hem uit zijn mijmeringen. Het is Cindy, een van de creatief therapeuten, die hem een bezoek brengt. Hij biedt haar de stoel aan en neemt zelf plaats op het bed.

“Wil je koffie?” vraagt hij.

“Ja, heerlijk,” antwoordt ze.

Hij tapt water bij de wastafel in de hoek achter de deur en zet het koffiezetapparaat in werking.

“Hoe lang zit je hier nu?” wil Cindy weten.

“Een goeie week. Het is al bijna niet vreemd meer, maar ik voel me soms net twintig in plaats van zesendertig. Ooit ben ik op zo’n kot begonnen, in Gent, toen ik daar mijn opleiding deed. Ik voelde me toen de koning te rijk; bij mijn ouders thuis had ik nooit plek voor mezelf en toen ineens een hele kamer voor mij alleen. Maar nu heb ik die tijd wel gehad.”

“Dat begrijp ik,” knikt Cindy, “je hebt een dak boven je hoofd maar dat is het dan ook wel.”

Terwijl ze van de verse koffie genieten, vertelt Vinnie meer over de afgelopen periode.

“Ik ben een oen geweest dat ik het niet heb zien aankomen. Carrie begon er steeds maar weer over dat ze kinderen wilde. Maar ze had er al twee, kleintjes nog, anderhalf en drie jaar oud. Die waren me net zo lief als waren het mijn eigen kinderen. Als er ’s nachts wat was, riepen zo ook vaak om mij. En op mijn vrije dagen stond ik vroeg op om ze ontbijt te geven en in bad te doen. Ze zeiden altijd: ‘Wij hebben gene papa maar wij hebben een Vinnie.’ Voor mij was het genoeg. Maar Carrie wilde nog twee kinderen van mij. Dat durfde ik niet aan. Ze heeft tien maanden geleden borstkanker gekregen. Met een operatie is het gezwel weggehaald en ze moest nog regelmatig voor controle naar de arts en ze zei dat ze zich kerngezond voelde. Maar stel je voor dat het terugkomt! Dan zit ik daar alleen met vier kleine kinderen. Ze begon er steeds weer over, maar ik bleef op mijn standpunt staan.”

“Maar zei ze nooit dat het voor haar een breekpunt was?” vraagt Cindy.

“Nee, nooit,” antwoordt Vinnie terwijl hij zijn paardenstaart opnieuw van een elastiekje voorziet. “Ze ging er ook nooit verder op door, dus ik dacht dat ze het wel geaccepteerd had en het meer uit gewoonte nog al eens vroeg. Maar op een dag kom ik thuis en ze zegt: ‘Over twee dagen moet ge hier weg zijn, kan me niet schelen waarheen.’”

“En waarom dan nu ineens?” wil Cindy weten.

“Ik geloof vast en zeker dat ze iets aan de haak gaat slaan. Een vent die wel wil.”

“Mijn hemel, dus ze heeft gewacht totdat ze een ander op het oog had en al die tijd kon jij mooi voor de kinderen zorgen?” Cindy laat van verbazing haar mond open hangen.

“Dat heb ik met liefde gedaan, onze roosters waren erop afgestemd. Als we eens tegelijk moesten werken kwamen haar ouders oppassen. Maar fraai is het niet.”

“Hoe hebben de kinderen gereageerd?” vraagt Cindy.

Vinnie rolt een shaggie. “Ik ben weggegaan op een avond, toen ze al lagen te slapen. Ik heb ze niets gezegd, dat wilde Carrie niet. Ik mag ze nu ook niet meer zien. Dat doet me net zo veel pijn als het verlies van Carrie.”

“Ongelooflijk, wat een bitch! Arme kinderen, die zullen jou toch wel missen? En als ze straks misschien een andere vent heeft, laat ze die gewoon jouw plaats innemen?”

“Ze is zo bezeten van nog meer kinderen, dus ik denk het wel,” peinst Vinnie, die Cindy nog nauwelijks ziet, maar de beelden van Carrie en de kinderen voor zich ziet. Dan herpakt hij zich.“Kom, we gaan er eens uit,” stelt Vinnie voor. “Buiten roken we er één en dan gaan we in de stad wat eten. Onderweg lopen we nog even een boekhandel in, dan heb ik in mijn vrije uren wat te lezen.”

Ze nemen de trap naar beneden, komen een paar medewerkers van de administratie tegen die verbaasd opkijken en kort groeten.

Eenmaal buiten fleurt Vinnie snel op. Hij neemt een raar loopje aan en houdt zijn mond scheef.

“Ik ben de zoon van Bep van Klaveren!” imiteert hij een patiënt.

“Kom, kom, meneer,” sust Cindy, “niet zo lopen te zwabberen, anders denken de mensen dat u uit het gekkenhuis komt.”

***

Een paar maanden later neemt Vinnie zijn intrek in een tweekamerappartement in de binnenstad. Hij heeft weer een echte slaapkamer en die is ook nog redelijk groot. Behalve zijn bed staat er ook een linnenkast en nog heeft hij ruimte over. De huiskamer kijkt uit op de winkelstraat en omdat het een hoekpand betreft, ook op het straatje richting station.

Vinnie zit vaak voor zijn ramen op eenhoog. Hij kijkt naar al die mensen die langs lopen. Overdag zijn het vooral mensen die winkelen en zo te zien toeristen die de middeleeuwse binnenstad komen bekijken, genieten van de smalle grachtjes en de Nieuwe Kerk willen bezoeken. Aan het eind van de middag komen de forensen; ze lopen gehaast richting station en kijken niet op of om. Soms herkent hij een collega.

’s Avonds kan het luidruchtig zijn. Mensen komen verliefd of aangeschoten en lacherig uit een restaurant. Nog later, vooral van donderdag tot zondag, bevolken studenten de verder lege straten. Ze hebben grote verhalen, fietsen slingerend de hoek om en plassen tegen de gevels.

Maar dat zijn vooral jongens en die interesseren hem niet. Hij kijkt het liefst naar de vrouwen. God, wat lopen er in deze stad veel mooie vrouwen! De vrouwen in rokjes zijn de mooiste. Die met hakken en fraaie panty’s kijkt hij na tot zijn nek er pijn van gaat doen. Bij iedere wat gezette blonde vrouw krijgt hij een sprankje hoop: zou het Carrie zijn? Maar ze is het nooit. Soms houdt hij zijn adem in. Is ze het? Maar als hij dan een glimp van haar gezicht ziet, dooft het vlammetje in zijn hart. Wat niet dooft is zijn erectie. Twee of drie die op haar lijken zijn al genoeg om de erectie te laten beginnen. Soms ziet hij zoveel mooie vrouwen in een paar uur dat hij de rits van zijn spijkerbroek open moet maken. Steeds vaker komt het voor dat hij al zittend voor het raam zichzelf bevredigt. Zijn onderlijf is vanaf de straat niet te zien en er kijkt ook zelden iemand omhoog.

Deze avond toevallig wel. Net als hij zich focust op een vrouw die erg op Carrie lijkt, maar waarvan hij al gezien heeft dat ze het niet is, kijkt ze omhoog. Nu houdt hij het niet meer. Zijn warme zaad loopt in zijn hand en zijn mond opent zich met een zwakke kreun. De vrouw werpt een verbaasde blik op hem, maar houdt haar pas niet in. Ze verdwijnt om de hoek. Vinnie kijkt haar niet na; onbeweeglijk blijft hij zitten op zijn vaste stek.

Na een paar minuten herpakt hij zich. Hoe lang zou het nog duren voordat Carrie uit zijn gedachten verdwijnt? Ze heeft nooit meer iets van zich laten horen. Soms ziet hij haar als hij aan het werk is. Ze draait diensten als nachthoofd en zou zijn afdeling ook moeten controleren. Maar ze slaat zijn afdeling gewoon over als hij nachtdienst heeft. Vinnie weet niet of hij daar boos of blij om moet zijn. Aan de ene kant is hij opgelucht dat hij de directe confrontatie kan ontlopen, hij zou zich geen houding weten te geven. Aan de andere kant doet haar handelen hem pijn. Was hij niet meer dan een zaadmachine, nodig om haar nog meer kinderen te geven?

Hij staat op en gaat zich wassen bij het fonteintje van het toilet. Voor de gezamenlijke badkamer moet hij de gang van de etage op en daar heeft hij nu geen zin in. Zijn zaadmachine doet het in ieder geval nog prima.

***

In de winter die volgt worden veel mensen geveld door een gemene griep. Ze hebben hoge koorts, liggen dagenlang op bed en hebben nog weken nodig om te herstellen. Ook Cindy moet eraan geloven.

Als ze weer een beetje op de been is, komt Vinnie bij haar langs. Hij heeft beloofd om te koken. Het is haar gelukt om zelf de boodschappen te halen. In haar keuken bereidt hij aardappelpuree, worteltjes en gekookte vis met een witte saus.

Tijdens het eten praten ze elkaar bij.

“Vorige week had ik een collega op bezoek, een vrouw, allee, meer nog een meisje eigenlijk. Een leuke meid met een gezellige babbel. Ze was alleen niet erg gekleed op de kou. Ze had een kort rokje aan en een truitje met een wijde hals zodat haar schouders bijna bloot waren. Niet dat ik het erg vind, hoor. Ik zie wel graag een schoon stukje vrouwenvlees, maar ze zat maar te bibberen. Uiteindelijk heb ik de verwarming maar hoger gedraaid.” Vinnie grijnst bij de herinnering.

Cindy stopt even met kauwen, slikt haar vis door. “Je hebt ze toch nog wel allemaal op een rijtje, hè, Vin? Vindt ze je leuk? Komt ze wel vaker langs?”

“Nee, dit was de eerste keer. Op het werk heb ik haar wel gesproken en dan zocht ze mijn aandacht wel.”

“Vinnie, Vinnie, als een vrouw voor het eerst bij je langskomt in zulke kleding, dan betekent dat wat. Dan wil ze zich laten zien. En als ze steeds aangeeft dat ze het koud heeft dan is dat een aanmoediging.”

“Ja? Denk je? Wat had ik dan moeten doen?”

“Vind je haar leuk of niet?”

“Ah ja, leuk wel. Ik ben niet verliefd op haar, maar ze is zeker leuk.”

“Misschien had je haar een trui moeten geven en na het eten samen op de bank moeten gaan zitten en eens kijken hoe ze reageerde als je wat dichter naar haar toe kroop.”

Vinnie lepelt wat saus van zijn bord en lacht verlegen. “Ik durf dat zo goed niet meer. Zulke dingen, dat is al weer wat langer geleden. En zo na die affaire met Carrie…”

“Zie je die nog wel eens?”

“Bijna nooit meer. Maar zo’n ziekenhuis is net een dorp. Als de mensen wat weten, vertellen ze het aan iedereen. Zo heb ik gehoord dat ze alweer een ander heeft. Iemand die als oproepkracht in het ziekenhuis werkt. Een Surinamer, heb ik gehoord.”

Cindy kauwt op een worteltje en kijkt hem bedachtzaam aan. Al met al ziet hij er beter uit dan een half jaar geleden. Iets voller in zijn gezicht en beter verzorgd ook.

“Hard hoor,” zegt ze. “Weet die Surinamer wel wat er van hem verwacht wordt?”

“Dat zal wel niet.” Hij slaat zich bulderend op zijn knie. “’t Is gewoon een zwarte zaadmachine, meer niet!”

“Tijd voor koffie,” vindt Cindy. “En vertel me dan eens iets meer over dat meisje. Ken ik haar? Op welke afdeling werkt ze? Heeft ze een naam?”

***

Nee, Cindy kent haar niet. Ze heet Kim en valt op veel afdelingen in, maar kennelijk nooit op tijden dat Cindy er is. Natuurlijk komt Cindy niet vaak op de afdelingen. Ze heeft haar eigen werkruimte in het therapiegebouw op een bosrijk stukje van het terrein.

Fijn, zo’n eigen ruimte. Het is voor voorbijgangers ook niet makkelijk om naar binnen te kijken zodat de patiënten in alle rust kunnen werken. Alleen voor vergaderingen of soms voor een overleg met het personeel van de afdeling loopt ze een paviljoen in.

Zoals vandaag, een winderige dinsdagmiddag in februari. Ze gaat naar de afdeling waar Vinnie werkt en gaat het kantoor binnen. De mensen van de dagdienst zijn al weg en de twee avonddiensten zitten achter de computer.

Cindy vraagt zich af waarom Willemien vandaag niet is geweest. Ze is er altijd als het haar therapiedag is en zegt nooit zonder reden af. Het is geen sympathieke vrouw, maar Cindy werkt graag met haar. Het is een vrouw van middelbare leeftijd die aan extreme smetvrees lijdt. De deur opent ze altijd met haar elleboog. Ze heeft haar eigen werktafel en in een van de kasten heeft Cindy een plank voor haar vrijgemaakt waar ze haar spullen mag bewaren. Geen enkele andere patiënt mag daar met z’n vingers aanzitten.

In het begin, een paar jaar geleden al, was het erg moeilijk om iets met Willemien aan te vangen. Ze wilde niets en zag het nut van creatieve therapie niet in. Cindy heeft haar gevraagd toch te blijven komen en liet haar weken achtereen alleen maar een kopje thee drinken. Na een paar van zulke bijeenkomsten begon Willemien te praten. Mopperen deed ze altijd al, op de smerige afdeling en de walgelijke medebewoners ervan, op de onzin van de afdelingsregels, de gesprekken met de psycholoog, de dikke kont en de bolle wangen van Cindy. Cindy ging er nooit op in, glimlachte alleen maar. Het werpt z’n vruchten af. Willemien vertelt iets over zichzelf, hoe ze als jong meisje als secretaresse op een notariskantoor werkte, over haar huis waar ze in de weekenden naartoe gaat.

Hoe het precies is gegaan weet Cindy niet meer, maar na verloop van tijd lukt het om Willemien iets te laten doen. Ze werkt het liefst met materiaal wat ze schoon kan poetsen, zoals kwasten en potloden. Willemien heeft zelf een schort meegenomen om over haar kleding aan te doen, zodat ze niets van het materiaal op haar lijf of kleding krijgt en neemt dat ieder weekend mee naar huis om te wassen. Verf mengen doet ze met een koffielepeltje. Na afloop van de sessie worden de restanten verwijderd met keukenhandschoenen aan haar kleine handen.

Cindy houdt haar gezicht altijd keurig in de plooi. Eigenlijk vindt ze het ook zielig. Willemien gruwt echt van alles wat plakt en van alle viezigheid die ze ziet. En ze ziet ook echt alles, zaken die Cindy helemaal niet opvallen.

Cindy snapt ook niet goed waarom Willemien juist op de afdeling van Vinnie is geplaatst. Daar verblijven voornamelijk chronisch schizofrene mannen en dat zijn wel zo’n beetje de smerigste mannen die er bestaan. Ze hebben een hekel aan douchen, van kleding wisselen en hun bed verschonen. Hun eetgewoonten zijn niet bepaald chic en ze laten overal shagkruimels en vuil vaatwerk achter. Het stoort ze ook niet echt om uit een al eerder gebruikte beker te drinken. “Daar krijg je toch niks van?” Nee, zij niet, maar Willemien wel. Die ziet overal ziekteverwekkende beestjes.

“Ik heb Willemien gemist vandaag,” zegt Cindy terwijl ze met één bil op de hoek van het bureau gaat zitten. “Is ze ziek?”

Herman, een van de avonddiensten, draait de bureaustoel een kwartslag om zijn blik van het computerscherm los te maken.

“Ze is nog niet terug van haar weekendverlof,” deelt hij mee. “Het gebeurt weleens vaker dat ze pas op maandagavond terugkomt in plaats van maandagochtend en daar zeggen we nooit wat van want het betekent vrijwel altijd dat ze zich lekker voelt thuis. Maar nu is het al bijna dinsdagavond en dat is op z’n minst bijzonder. Op dit moment zijn Vinnie en Rian, de maatschappelijk werker, naar haar huis op weg om te vragen of ze vanavond weer terug wil komen. Het zal wel tijd zijn voor de voorjaarsschoonmaak. Af en toe heeft ze zo’n bui, dat het hele huis op z’n kop wordt gezet om ieder hoekje en gaatje te kunnen poetsen. Dus ga er maar vanuit dat ze donderdag weer naar therapie komt.”

In gedachten verzonken loopt Cindy het gebouw uit om haar sleutelbos in te gaan leveren bij de receptie. Als Willemien echt in zo’n poetsbui is, zal er donderdag wel niet veel met haar aan te vangen zijn.

***

Iedere ochtend om half tien komen de behandelaars en afdelingshoofden van de afdelingen Intensieve Zorg bij elkaar voor een kort overleg. Soms duurt het maar drie minuten, maar als er personeelstekort is, er een vechtpartij is geweest, wanneer een patiënt naar de isoleer is gebracht of als iemand ineens ander gedrag vertoont, duurt het langer. Unitleider Johan maakt zijn peuk uit, onder afkeurende blikken van het afdelingshoofd van Vinnie’s afdeling.

“Goed, mensen,” begint hij, “voor wie het nog niet weet: Willemien is gisteren dood in haar woning aangetroffen. Rian, praat jij de mensen maar even bij.”

Rian, de maatschappelijk werker, veegt haar altijd verwarde haren van haar voorhoofd.

“Nou, gisteren ben ik dus met Vinnie naar het huis van Willemien gegaan. Vinnie maakte de deur van haar flat met de sleutel open. Hij riep haar naam maar er kwam geen antwoord. Ik keek langs hem heen en zag haar op bed liggen, doodstil. Ik zei nog: ‘Vin, blijf staan, dit klopt niet.’ Maar hij ging toch naar binnen. Ze lag op haar buik, haar benen waren al blauw. We denken dat ze pillen heeft opgespaard en ze gelijk al op zaterdag heeft ingenomen. Vinnie was helemaal van de kaart, kon zich nog nauwelijks bewegen.”

Ben, de psycholoog, kucht even en neemt het woord. “Ik heb het niet zien aankomen en eigenlijk niemand van ons, toch?”

De anderen knikken.

“Toch moet ze het al enige tijd geleden hebben bedacht. Ze had alleen haar weekendpillen om op te sparen; op de afdeling had ze de gelegenheid niet om ermee te smokkelen. Ik heb niets bijzonders aan haar gemerkt, maar dat is niet ongewoon bij iemand die besloten heeft om er een eind aan te maken. Willemien wist wat haar te wachten stond. Ze was te ziek om weer op zichzelf te gaan wonen; thuis had ze om de haverklap paniekaanvallen. Haar vooruitzicht was om haar leven binnen deze muren te slijten. Ze haatte de afdeling, de verpleging, mij, de psychiater die haar pillen voorschreef maar waar ze niet zonder kon, de therapieën, en bovenal de andere patiënten met hun gezeur en hun viezigheid. Het enige waar ze nog op hoopte was dat ze ooit een kamer voor zich alleen zou krijgen. En daar zou ze dan misschien nog wel dertig jaar hebben moeten doorbrengen. Niet voor niks ging ze regelmatig op bezoek bij patiënten van de afdelingen Verzorging; dat was haar voorland.”

Cindy kent de afdelingen die Ben bedoelt. Enkele jaren geleden was ze er zelf aan verbonden, als bezigheidstherapeute. Eigenlijk kwam het erop neer dat ze samen met een collega vaak ging wandelen op het terrein van de instelling, de patiënten zwijgend en vaak met open, kwijlende mond voor zich uitduwend in een rolstoel.

Er waren er enkelen die de oorlog nog in dit instituut hadden meegemaakt. Met één man had ze wel een leuk contact gehad. Hij kon nog praten en zat op Verzorging omdat een van zijn benen geamputeerd was. Hij had verteld over de tijd dat de instelling nog eigen gronden had. ’s Morgens werkte hij op het land; daarna ging hij aardappelen schillen voor veertig mensen. Er werd in die tijd nog op de afdeling gekookt. Cindy snapt dat Willemien haar leven zo niet heeft willen eindigen, maar het onderwerp is nooit zo expliciet besproken, zeker niet met haar.

“Goed, mensen; even praktisch,” herneemt Johan het woord. “De patiënten weten het nog niet. Ik ga straks met Ben naar de afdeling, om het ze tijdens de koffie te vertellen. Op de andere afdelingen doen de afdelingshoofden dat. Verder wachten we het politie- en inspectieonderzoek af. Ik verwacht geen problemen, maar je weet het maar nooit. Wanneer dat gedaan is, kan de uitvaart gepland worden. Rian zal contact opnemen met een nicht van Willemien, de enige waarvan we weten dat ze, op afstand, bij Willemien betrokken was. We hopen dat de uitvaart vanuit onze eigen kapel kan plaatsvinden. Ik ga vandaag bekijken hoe de bezetting op de afdeling is, of er voldoende personeel is om eventuele onrust op te vangen. Wellicht moeten mensen vrije dagen inleveren.

En, oh ja, ik heb Vinnie ziek gemeld. Vanmorgen had ik hem aan de telefoon en er kwam niet veel zinnigs uit. Ik heb hem aangeraden om bij zijn huisarts langs te gaan want hij heeft steeds flash-backs van zijn binnenkomst in het huis. Ben is ook beschikbaar voor hem. Goed, ik stel voor dat we aan het werk gaan.”

Langzaam loopt Cindy terug naar haar werkruimte. Ze moet dit even verwerken. Ook zij heeft het niet zien aankomen. Misschien waren er signalen, maar die ziet ze nu nog niet. Eigenlijk snapt ze het wel. Zoals Ben het uitlegde, zo zal het wel zijn en dan is het wel logisch. Hopelijk heeft Willemien nu rust.

Ze maakt zich zorgen om Vinnie. Dat dit juist hem nu moet overkomen. Hij leek eindelijk een beetje over het verlies van Carrie en haar kinderen heen te komen, keek zelfs naar een ander meisje. Ze weet eigenlijk niet of hij goed contact heeft met zijn familie. Het enige dat ze weet is dat hij de jongste is van elf kinderen en dat hij soms een paar dagen naar België gaat, waar ze allemaal in Antwerpen of daar in de buurt wonen. Deze week moet ze hem even bellen.

Een paar dagen later belt ze naar Vinnie maar krijgt geen gehoor. Ze belt nog eens en nog eens. Ze vindt het raar en wordt ongerust. In het ziekenhuis weet alleen het afdelingshoofd, Paul, iets.

“Het gaat niet goed met hem. Hij wilde een keer naar zijn familie, maar toen hij in zijn auto zat en de snelweg op moest, raakte hij in paniek en is weer teruggegaan naar huis. Voorlopig zien we hem hier niet terug, vermoed ik.”

Dat klinkt niet goed, vindt Cindy. Ze wil hem graag spreken maar als hij de telefoon niet beantwoordt wordt het lastig.

***

In de daaropvolgende maanden verdwijnt Vinnie wat meer naar de achtergrond. Cindy doet haar werk. In het buurthuis in haar woonplaats Vlaardingen geeft ze op donderdagavond schilderles. Daar leert ze Robert kennen. Schilderen kan hij niet echt goed, maar hij leert bij en bovenal heeft hij een heerlijk gevoel voor humor. Ze worden verliefd op elkaar en brengen bijna al hun vrije tijd samen door.