13,99 €
Peter Wallmann is schrijver en hoofdpersoon van Tijdverdrijf. Wallmann is 77, licht autistisch, laagbegaafd en dol op ijs. Hoewel hij zich kiplekker en vitaal voelt, beseft hij dat hij steeds overbodiger wordt. Het zit hem dwars dat de wereld om hem heen zijn bestaan steeds meer ontkent door hem te discrimineren en uit de weg te gaan. Het jaar 2022 grijpt hij aan om zijn vitaliteit te bewijzen. Centraal staat zijn plan om zijn volkstuin om te toveren in een lusthof. 'Zet je het lampje bij je tuinhek op rood, dan wil je niet gestoord worden, maar bij groen licht stel je je open voor ontmoeting en avontuur.' Hoewel de Lusthof zich succesvol ontwikkelt, valt Peters plan toch nogal plotseling in duigen. Het is de geestige zedenschets van een 'jonkie van bijna 80'.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 297
Veröffentlichungsjahr: 2022
INHOUD
COLOFON 3
TOEWIJDING 4
HOOFDSTUK I 5
1 5
2 8
3 11
4 15
5 18
6 22
7 25
8 28
9 32
10 35
11 38
12 40
13 43
14 45
15 47
16 50
17 51
18 54
HOOFDSTUK II 62
1 62
2 63
3 65
4 67
5 73
6 76
7 79
8 85
9 88
10 94
11 96
12 101
13 105
14 109
15 112
16 116
17 119
18 128
19 131
20 135
21 142
22 149
HOOFDSTUK III 152
1 152
2 160
3 165
4 169
5 175
6 178
7 182
8 184
COLOFON
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2022 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99107-805-0
ISBN e-book: 978-3-99107-807-4
Lectoraat:I. van Gerwe
Vormgeving omslag:Grootzus
Ontwerp omslag:novum publishing
Lay-out & typografie: Loes Sikkes
www.novumpublishing.nl
TOEWIJDING
Elke overeenkomst met bestaande personen,
gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten
berust op louter toeval.
HOOFDSTUK I
1
Je zal maar verslaafd zijn aan terrassen. Dat je daar het liefst de helft van je leven zou willen zitten. Om te staren naar voorbijgangers, nietszeggende conversaties af te luisteren en te genieten van consumpties. Ik ben zo iemand.
En of het nu om het terras thuis gaat, een overdekt terras in de stad of het terras van een strandpaviljoen, dat maakt me niet uit. Het gaat mij vooral om licht, lucht en gekke mensen.
Vandaag zit ik op het behaaglijk verwarmde terras van ijssalon Schopenhauer. Het is hartje winter. Op gehoorsafstand van mij zegt een vrouw tegen iemand naast haar plompverloren: “Mijn man is in de orkestbak gevallen.” Ik weersta de verleiding om naar het verhaal achter deze opmerking op zoek te gaan. Erover fantaseren is ook een aardig tijdverdrijf. Mensen zitten steeds vaker buiten dan binnen. Dat komt door het rookverbod, maar ook door de klimaatverandering en de behoefte van ondernemers om meer om te zetten, vermoed ik. “Ik kom eraan,” zegt de serveerster, nadat ik heb aangegeven op mijn wenk bediend te willen worden. Als iemand in de horeca zegt dat hij eraan komt, loopt hij altijd weg. Even later zet ze een café latte en een kleine ijscoupe voor me neer. Een bolletje vanille en een bolletje karamel plus een dot verse slagroom, in zo’n glimmend stalen bakje op een hoge, dunne poot. Smullen maar. Vroeger at je geen ijs in de winter. IJssalons veranderden dan tijdelijk in winkels waar je bontjassen of Perzische tapijten kon kopen. Nu is het kennelijk nog steeds niet gewoon, al wordt ijs in elk seizoen aangeboden.
Zonder mij aan te kijken, roept een vrouw naast mij: “Wie eet er nou ijs als het vriest?”
“Ik, zoals u ziet. IJs en vriezen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In Moskou snappen ze dat. Daar eet men ook ijs in de winter en die gewoonte waait langzaam over. Bovendien vind ik ijs een van de mooiste uitvindingen die ooit is gedaan. Geniaal. Het is lekker en niet duur. Op plekken waar ijs geconsumeerd wordt, zijn mensen meestal net iets vrolijker. Dat vind ik ook leuk.”
“Eet u wel ijs als het warmer is?” vraag ik haar.
“Soms.”
We kijken elkaar nog niet aan. Ik neem alvast een hap.
“Geen liefhebber?” informeer ik.
“Hangt van de smaak af,” zegt zij.
“Toch geen Nutella-smaak mag ik hopen?”
“Hoe dat zo?”
“Alles is met Nutella tegenwoordig, tot en met pizza aan toe.”
“En daar heeft u moeite mee?”
“Ja.”
Nu pas draait ze zich naar mij toe. Een mooi gezicht met slimme bruine ogen. Ze monstert me vliegensvlug en zegt: “U lust er wel pap van, zie ik. U zit al onder de slagroom.”
Als ik enigszins schuldbewust mijn buik inspecteer, zit er inderdaad een mooie klodder op.
“Tja, die neem ik voor lief. Dat is de passie voor het ijs.”
Haar directheid maakt me mededeelzaam.
“Maar het ijs is niet de voornaamste reden dat ik hier uithang.”
“U bent een hangoudere?”
“Ik probeer een roman te schrijven. IJs is er onderdeel van. Het verhaal speelt zich voor een deel hier af.”
“Maar hier gebeurt niets noemenswaardigs.”
“Dat denkt u maar.”
“Ik weet het. Ik zou u de hete ijssalon aanbevelen waar Heere Heeresma ooit mooi over schreef. Of heeft u al iets op papier staan? Als u schrijver bent, dan ben ik graag de lezer.”
“U laat er geen gras over groeien, mevrouw. Wilt u niet eerst weten wie ik ben, waar het verhaal over gaat en of ik überhaupt wel kan schrijven?”
“Misschien wel aardig, ja, ik praat alweer voor mijn beurt, merk ik.
Ik zat al aan een titel te denken. ‘Het Nutella-syndroom’ of ‘De nieuwe IJstijd’.”
Haar enthousiasme werkt op mijn lachspieren.
“Mijn naam is Peter Wallmann, maar zo heet ik niet.”
“Aangenaam. Ik ben Eva Pfeiffer. Zo heet ik wel. Bent u undercover?”
“Ja, mijn naam moet geheim blijven. Wallmann is mijn schuilnaam. Daar moet u het voorlopig mee doen.”
“Hm,” mompelt ze en ze kijkt kritisch.
“En binnenkort ga ik doorbreken.”
Als Eva laat merken met deze opmerking geen raad te weten, vervolg ik: “Ik ga de keuken bij de kamer trekken. Maar ter zake nu. Wat mijn roman betreft, zal ik een tipje van de sluier oplichten. U ziet dat ik een man op leeftijd ben. Ik ben van voorbijgaande aard. Hoe ouder je wordt, hoe minder je meetelt, merk ik. De overbodigheid ligt op de loer. Daar verzet ik me tegen. Daarom ga ik dit jaar flink wat deining maken. Ja, 2022 wordt helemaal mijn jaar. Mijn jaar van de waarheid. En ik ga mijn belevenissen aan het papier toevertrouwen.”
“U ziet eruit alsof u daar nog toe in staat bent ook. Wat een leuk plan. Ik ben benieuwd of het een roman zal opleveren.”
“Als u mij uw e-mailadres geeft, dan stuur ik u de eerste achttienhonderd woorden, bij wijze van eerste indruk. Voelt u zich vooral vrij om alsnog af te haken. Maar ik zou het op prijs stellen om van u te horen. Hier, mijn visitekaartje. Wel een beetje ouderwets om me zo voor te stellen.”
“Nee, helemaal niet. Ik ben juist gek op dit soort etiquette. Jammer alleen dat het uw schrijversnaam vermeldt.”
Na een korte stilte:
“Ik zit nog met één vraag, die ik met een zekere schroom stel, omdat we elkaar nog maar net kennen: Denkt u veel na over de dood?”
“Dat wel, maar minder dan misschien zou moeten. De toekomst zit stelselmatig meer in mijn hoofd dan het verleden, waarmee ik de dood associeer. Ik realiseer me heel goed dat het altijd ineens afgelopen kan zijn. En als dat morgen zou zijn, dan overlijdt er morgen een geluksvogel. Een man die van een mooi leven heeft mogen genieten, op een bevoorrechte plek, Europa, tijdens een fantastisch naoorlogs tijdperk. Al baart de pandemie me wel zorgen.”
2
Op weg naar het einde heb ik kortgeleden mijn laatste woning betrokken. Het is een dubbel appartement op de tiende verdieping van wat vroeger een havenloods was, uitkijkend over de rivier. Er wonen vooral opvallend veel schatrijke voetballers, anonieme buitenlanders en criminelen. Hun Jaguars en Tesla S-modellen vrolijken de garage op. Mijn oude huis had ik met heel veel winst kunnen verkopen. Toen ik moest kiezen tussen een sympathieke koper die veel van de vraagprijs wilde afsnoepen en een irritante rijkaard was de keus niet moeilijk geweest. Jammer voor de buren. Mijn huis had zoveel verborgen gebreken dat ze niet langer verborgen konden blijven. De kelder liep steeds vol, de dakgoten lekten en de loden leidingen dateerden ongeveer uit de tijd van de Laat-Gotiek. Als ik ’s nachts op de zoveelste hoosbui werd getrakteerd, lag ik me af te vragen waar het water nu weer uit het plafond zou gaan gutsen. Ook was ik bang dat de grote Japanse kers in de achtertuin elk moment tegen de gevel te pletter zou kunnen slaan. Het boek waaraan ik het meeste heb verdiend, was de pocket waarvan drieduizend onverkochte exemplaren, als gevolg van waterschade in de kelder, door de verzekering werden vergoed. De prachtige foto’s van de in het halfdonker ronddobberende paperbacks hadden de schade-experts overtuigd. Ik cashte rond twintigduizend euro. Moest even aan mijn vader denken die zijn beroepsleven begon als verzekeringsagent en er heilig van overtuigd was dat het er in het verzekeringswezen in de eerste plaats om ging om de gedupeerde burger te helpen.
Het nieuwe paleisje lijkt redelijk rampenbestendig en van alle gemakken voorzien. Met een eigen garage voor mijn hybride Toyota, een snelle grote lift, kranen met kokend en bruisend water, vloerverwarming en een kookeiland met afzuigkap (wat een goor woord!). Omdat wassend water mij angst inboezemt ben ik hoog gaan wonen, hoewel ik in de wolken niet altijd in de wolken ben. Bewust heb ik een dubbel appartement aangeschaft, zodat ik familie en vrienden comfortabel kan ontvangen en de privacy wederzijds optimaal is. Je wilt een verkeerde tante nu eenmaal niet permanent om je heen hebben. Binnendoor kunnen mijn gasten en ik elkaar bereiken, maar je moet wel even bellen om binnengelaten te worden. Voorlopig kan ik mij veroorloven om het tweede huis niet aan tijdelijke bewoners of toeristen te verhuren. Airbnb beschouw ik als een verderfelijk iets.
Mijn flat is, dat berijpt u al, fantastisch. Ruim en licht. Aan de ene kant kijk je uit op de wolkenkrabbers van het centrum van de stad, de andere kant biedt zicht op de rivier en de haven. Het is zo’n stad die je overal kunt aantreffen. Een rumoerige smeltkroes met tientallen verschillende nationaliteiten, vastgelopen verkeer, enkele toeristische trekpleisters en winkelketens van bekende merken die meer exponenten zijn van public relations dan dat ze winst genereren. Een stad waarin de oorspronkelijke bewoners met minder hoge inkomens naar de randen zijn verbannen. Een city met winkelcentra vol koopverslaafden die zich overwegend nutteloze dingen toe-eigenen. In die omgeving zoek ik de krenten in de pap, in de vorm van parkjes, goede horeca, kleine bioscopen en wat dies meer zij.
Terug naar mijn flat. Er is een balkon op het zuiden en een overdekte buitenruimte aan de westzijde waar je van zonsondergangen kan genieten. Het gedeelte waar ik bivakkeer bestaat uit een hele grote leefruimte met ingebouwde keuken, een slaapkamer, een badkamer en een ruimte om spullen op te slaan. Op twee plaatsen heb ik verhogingen laten bouwen, zodat ik ook binnen van het uitzicht kan genieten en dus niet continu tegen de binnenmuren of balkonafbakeningen hoef aan te kijken. Bij een eventueel bezoek aan mij val je letterlijk met de deur in huis, omdat een hal of gang ontbreekt. In de living is een relax-hoek met een bank en een groot tv-scherm; een eethoek, voorzien van het onvermijdelijke kookeiland en een grote tafel; en een werkhoek. Het bureau staat zo dat ik de ruimte en het uitzicht voor me heb. Mensen die ervoor kiezen om een groot deel van hun leven tegen een muur te moeten staren, begrijp ik niet. Ik kan me voorstellen dat de beschrijving van het interieur op het eerste gezicht nogal functioneel en steriel op u overkomt. Maar als ik u vertel dat er boompjes in mijn kamer staan, de muur getooid wordt met een roodkleurig geabstraheerd landschap van Ineke van Koningsbruggen (die niet met haar kwaliteit te koop loopt), dat er kaarsen branden en verse bloemen heerlijk geuren, dan gaat u zich wellicht afvragen of mijn flat niet net iets te gezellig oogt. En dan heb ik het nog niet eens over mijn boeken gehad. Beter laat dan nooit leef ik al enige jaren in de wereld van het boek, een wereld die ik veel eerder had moeten ontdekken en betreden. Ik lees en schrijf met volle teugen, al vraag ik me wel af waarom ik veel zou moeten lezen als er steeds minder van blijft hangen. Soms denk ik dat ik eerder een middelmatige schrijver had moeten worden dan een middelmatige journalist. Voel me ondertussen meer aangetrokken door een enkele slimme auteur dan doorsnee academici. Mijn boekenkasten die meerdere muren van mijn nieuwe onderkomen beslaan getuigen van mijn liefde voor het gedrukte woord en ze weerspiegelen mijn levensloop.
Ik heb mijn boeken niet op alfabet of kleur in de kasten gezet, maar op thema en genre. Een vluchtig overzicht. Het begint met de gebruikelijke portie literatuur, non-fictie en poëzie. Ik heb het oeuvre van mijn held Houellebecq compleet. Dan heb ik alle boeken van onze boekenclub Murakami op een rijtje gezet. Daar zit van alles tussen. Van onvervalste klassiekers zoals ‘Honderd jaar eenzaamheid’ tot en met de biografie van de legendarische Poolse journalist Kapuscinski. De volgende sectie, media en journalistiek, heeft met mijn journalistieke verleden te maken. Mijn lievelingsboek in die categorie is ‘De jacht op de jakhals’ over Carlos en het internationale terrorisme van David A. Yallop. Natuurlijk heb ik ook boeken die met mijn hobby’s en interessegebieden te maken hebben. Ik noem: het fenomeen ‘grote stad’ en ‘stadmaken’, het thema seksualiteit en boeken, vaak gebruikt als lesmateriaal in het kader van mijn cursus ‘Wat wil je met je leven?’ En ergens in een hoekje kun je mijn eigen boeken en publicaties aantreffen, stuk voor stuk non-fictie.
Het is 1 januari 2022 als ik alleen met een latte en een dun melkchocolaatje achter mijn bureau zit. Alleen, maar niet eenzaam. Er is hier tot nu toe nog niemand langs geweest. Op het tv-scherm zie ik de eerste skiër van 2022 ergens in Zuid-Duitsland een vreselijke val maken. Ik zit te piekeren over slechte in plaats van goede voornemens, terwijl mijn blik afdwaalt naar de kerst- en nieuwjaarskaarten. Dat worden er ook steeds minder. Dan verschijnt er op mijn Apple een mail van Eva. “Gelukkig nieuwjaar. Ik heb je eerste geschreven woorden gelezen. Wil er graag snel met je over praten. Groet. Eva.”
3
“Hallo meneer de Koekepeer. Wacht, want voordat u mij gaat haten. Ik kan alleen maar rijmend praten.”
Deze onverwachte begroeting overvalt me enigszins. Daarom vraag ik: “Bent u gek of is het waar?”
Hij: “Ik ben rijmend de sigaar.”
Ik: “Aangenaam, mijn naam is Peter.”
Hij: “Ik heet Herman, dat is beter.”
Het is vandaag zo koud dat ik bij Schopenhauer binnen ben gaan zitten om met Eva te praten. Wat zou ze van mijn tekst vinden? Ik houd mijn hart vast. Stipt op tijd zet ze haar fiets in het rek voor het terras. Het liefst zou ik gelijk over mijn roman in wording beginnen, maar het lijkt me beter om die neiging even te onderdrukken. Daarom wijs ik eerst in de richting van Herman en vertel dat hij beweert dat hij alleen rijmend kan praten. Eva neemt de proef op de som.
“Klopt het dat u alleen kan rijmen?”
“Ja, het is niet om u te lijmen. Bij mij is sprake van een vreemd gebrek. Wilt u dat ik nu vertrek?”
“U bent wel een rare prater. Ben nu druk, maar praat graag later.”
Eva weet niet goed wat ze met de rijmelaar aan moet. “Van de weeromstuit sloeg ik ook aan het rijmen,” zegt ze, zich weer tot mij wendend. We besluiten om Herman even met rust te laten.
“Eigenlijk vind ik het contact met u al gelijk leuk,” begint Eva de conversatie. “De tekst die u stuurde, ervoer ik als een logisch uitvloeisel van onze eerste ontmoeting.”
“Fijn om te horen. Het genoegen is wederzijds. Alleen het woord leuk, dat heeft iets positiefs, maar je kunt er vele kanten mee op.
Ik vind dat een typisch Nederlands woord.”
“U gaat me toch niet op woorden vangen,” hoop ik. Heb je liever dat ik prettig zeg? Ook goed. De tekst riep vooral een aantal vragen op. Over dingen als uw leeftijd, uw schuilnaam, uw flat en uw boekenkast. En wat betreft de taal en stijl die u bezigt: geen enkele tekst is perfect. Vooral aan de dialogen valt nog het nodige te schaven. Ik help graag een handje.”
“Ja, een man alleen en een dialoog is net zoiets als een tang en een varken. Maar zullen we tutoyeren, dat praat makkelijker.”
Eva knikt instemmend.
“Laat ik dan met je vragen beginnen. Over vier jaar word ik 81. Statistisch is dat ongeveer de leeftijd waarop een man in ons land de pijp uitgaat. Daar schrok ik van. Ik wist niet dat ik nog maar zo weinig tijd voor de boeg heb. Moet ik dan nog wel een nieuwe auto kopen of zal ik een tweedehands nemen? Voor mijn gevoel ga ik nog lang niet dood. Op internet zag ik dat je je levensverwachting kan berekenen door in te vullen of je een man of vrouw bent en daarna je leeftijd. Dat leverde 86 jaar en 3 maanden op. Kijk, dat scheelt alweer vijf jaar. Maar toen stond er iets verderop dat het Centraal Bureau voor de Statistiek geen enkele aansprakelijkheid voor de uitkomst aanvaardt noch voor de gevolgen van de beslissingen die je neemt op basis van de berekeningen en de getoonde uitkomsten. Ik zou kunnen besluiten om me als vrouw om te laten bouwen, want die leven drie jaar langer.”
Eva: “Waarom al die moeite voor nog langer leven? Heb je ooit een vrouw willen zijn?”
“Dat niet. Ik ga wel liever met vrouwen om dan met mannen, omdat ik ze sympathieker vind. Noem mij gerust een vrouwenman.”
“Maar heb je enig idee hoe het is om een oude vrouw te zijn zonder ooit jong te zijn geweest? Het is maatschappelijk gezien niet bepaald de meest begeerde positie. Ik moet er zelf niet aan denken omgebouwd te worden. Aan mijn lijf geen polonaise. Een pik voor een dag, als dat kon ja. Alles neuken wat los en vast zit en vooral ook veel wildplassen, dat zou ik dan doen. Je schrikt toch niet van mijn directheid, is het wel?”
“Nee, al had ik dit soort taal niet gelijk achter jou gezocht. Die overweging van mij om me als vrouw te laten ombouwen was meer ironisch bedoeld. Ik dacht erover na hoe ik mijn einde zo lang mogelijk zou kunnen uitstellen.”
“Je zei tijdens onze eerste ontmoeting dat Peter Wallmann je schuilnaam is. Leg eens uit waarom?”
“De schuilnaam is een ode aan twee oude Duitse vrienden. Ik heb ontdekt dat je identiteit er bij het klimmen der jaren steeds minder toe doet. Dus what’s in the name.”
“Nou vooruit, ik ben niet tegen anonimiteit. Maar waarom houd je je schuil tegenover mij? Heeft dat een specifieke reden?”
“Wat maakt het nou uit of ik Peter of Johannes heet? Het gaat toch om mij als persoon als ik hier met jou zit?”
Ik merk dat Eva haar identiteit nog niet zonder meer wil blootgeven. Toch vraag ik wat zij voor de kost doet.
“Waarom vragen mensen toch altijd naar wat je voor de kost doet? Ik vind dat onnoemelijk saai. De kost gaat voor de baat uit, Peter, dat weet je toch? Maar wat kijk je bedremmeld. Door de week ben ik mediator en fotograaf. En in het weekend ben ik homo universalis. Soms ben ik ze allemaal tegelijk en soms ben ik niemand. Als je wilt weten wat voor fotograaf ik ben, dan moet je mijn website maar eens bekijken. De mediator probeert moeilijke puzzels voor andere mensen op te lossen. En ze te laten praten, iets wat heel moeilijk is, vooral voor getrouwde mensen.”
Zou een mediator ook met de problemen van een man alleen kunnen dealen, vraag ik me af zonder de vraag te stellen. Dat ze fotograaf is maakt me eveneens nieuwsgierig. Eva geeft me geen tijd om daar verder over na te denken.
“Waarmee verdiende jij je geld voordat je met pensioen ging?”
“Het liefst was ik achtergrondzangeres geweest, maar het grootste deel van mijn leven was ik journalist.”
“Laten we het nog even over jouw tekst hebben, Peter, ik ben volkomen onbelangrijk in dit verhaal. Zoals jij je huis beschrijft. Ik zie daar een man in zijn element, in zijn speeltuin. En vooral de wijze waarop je je identiteit ontleent aan je boekenkast. Anders zou je er niet zo uitgebreid bij stilstaan. Klopt dat?”
“Ja, dat klopt wel aardig.”
“Zou de boekenkast werkelijk iemands wezen kunnen verbeelden? Ik denk dan eerder aan voorkeuren die altijd weer verrassend kunnen zijn en totaal niet passend bij de man die je voor je hebt. De man alleen, dat ben jij toch? Identificeert die zich bijvoorbeeld met een schrijver als Houellebecq? Toevallig lees ik die ook graag, al ben ik man noch alleen.”
“Hoe ziet jouw boekenkast eruit, Eva?”
“Mijn huis is een boekenkast. Dat komt doordat het een etage is, die zijn sneller vol. Gelukkig zijn de plafonds hoog en de kasten diep.”
“En wat staat er in die boekenkast?”
“Van alles. Ja, heel flauw, maar ik ben een omnivoor. Houellebecq staat er ook in.”
“Ik ben blij dat ik niet ben als Houellebecq. Ik zie een beeld voor me van een rokende man met een verlopen gezicht, in lompen gehuld. Maar o, wat ben ik jaloers op zijn slimheid, zijn humor en zijn niets en niemand ontziende wijze van schrijven.”
“Woon je samen tussen je boeken?”
“Is dat belangrijk Peter? Voor mijn manier van leven zijn verschillende invullingen mogelijk. Nu ik weer. Waarom heb je zo expliciet je voorkeur voor erotica benoemd?”
“Eros spookt nogal eens door mijn hoofd.”
4
Er zat me iets dwars. Wat precies, dat wist ik niet. Wel het gevoel dat het om een sluipend proces ging en dat het meer met af- dan met optellen te maken had. Terwijl ik vanuit mijn bed naar de boze, voorbijwaaiende wolken keek, lag ik een beetje onsamenhangend te mijmeren.Al een tijd worstel ik met het gevoel dat ik steeds overbodiger word en daarbij borrelen spontaan veel vragen op: Is het domweg waar dat je bij het ouder worden minder gaat meetellen? Is het logisch omdat je ouder wordt? Heeft iedereen er last van? Mannen meer dan vrouwen? Moet je erin berusten of is er een remedie tegen? Ik voel sterk de behoefte om er wat aan te doen en er met anderen over te praten. Soms kan ik er niet van slapen. Dan lig ik halfwakker te piekeren. Ik zie kromgebogen mannetjes lachend keuvelen op een zonnig pleintje. Ze zitten daar altijd. Zou de gespreksstof niet opdrogen? Of ik zie een vrouw met rimpels, alleen in een raamkozijn vol geraniums. Is dat mijn lot? Ik moet er niet aan denken, denk ik. Ik vraag me af wat het tegenovergestelde is van overbodig zijn? Is dat nodig zijn? En ik besef dat ik voor steeds minder mensen nog nodig ben. Vroeger was dat wel anders. Toen was ik een tijdlang de baas bij de omroep en regelmatig met mijn mooi bijgewerkte smoel op de buis. De wereld om me heen maakte me wijs dat ik ertoe deed. Fake nieuws speelde in die jaren nauwelijks een rol, maar dat mediawereldje was wel een en al fake. Je leven werd toentertijd veel meer beheerst door onbekenden die stuk voor stuk iets van je wilden: aandacht, een mooie baan, informatie waar ze door effectbejag hun draai aan gaven of een optreden in een dom spelletjesprogramma. Nu heb je alleen nog te maken met je familie en een paar goede vriendinnen en vrienden, waarmee je vooral over kwalen zeurt en over mensen die overleden zijn. “God, is die ook al dood?”
Het gevoel van overbodig te zijn, begon al vroeg. Ik was pas zestig, nog in de bloei van mijn leven. Bruisend van energie en in de weer met de wildste ideeën. Nooit ziek, ik had niet eens een huisarts.
Maar voor mijn bovenbaas, die zelf zesenzestig was, was ik rijp voor de VUT. Dat was een regeling die vervroegd stoppen met werken mogelijk maakte voor werknemers die dat graag wilden.
De omroep, en niet alleen de omroep, maakte daar op grote schaal misbruik van. Er werd een fuik opgezet waarin je je einde tegemoet zwom. Dat gebeurde via functioneringsgesprekken.
Ging je tegensputteren, dan bracht Chantal van Human Resource Management, een slecht woord voor Personeelszaken, het volgende kanon in stelling: “Het schijnt dat de netmanager jouw programma uit het schema voor het komende seizoen heeft geschrapt. Je begrijpt dat wij daar niks tegen kunnen doen. We zijn nog aan het kijken, maar het ziet er nu ook niet naar uit dat je voor een ander programma in aanmerking kunt komen.” Aan het eind van het gesprek vroeg Chantal of ik zelf wel eens over de VUT had nagedacht om direct daarna alle voordelen ervan op te sommen, zoals ‘meer tijd om aan je zelf toe te komen en verlost te zijn van de dagelijkse filestress’. Ik moest er niet aan denken. Me tegen een lager loon te pletter vervelen.
Mijn klomp brak pas echt toen ik in een nieuwsprogramma van mijn eigen omroep onze minister-president doodleuk hoorde verkondigen dat de pensioengerechtigde leeftijd met enkele jaren diende te worden verhoogd. Langer doorwerken was noodzakelijk geworden omdat wij allen steeds langer leven, maar ook om de AOW betaalbaar te houden. Inmiddels zitten de pensioenpotten bomvol. In 2018 ruim dertienhonderd miljard euro. Mijn eigen pensioen is al een jaar of tien geen cent gestegen.
De VUT is KUT, dacht ik, en ik stelde Chantal toen ik haar in de kantine tegenkwam een vraag waarop ik geen antwoord verlangde: “Hoe vind je het om collega’s dingen aan te moeten praten waar je zelf ook niet achter staat?” Ik deed wat niemand deed en nam op mijn zestigste vrijwillig ontslag om direct daarna een eigen bedrijf op te richten als paraplu voor allerlei bijzondere nieuwe activiteiten: boeken schrijven, een café runnen, lesgeven aan de universiteit, media in het buitenland adviseren, te veel om op te noemen. Al na twee jaar verdiende ik meer dan ooit bij de omroep. En ik werk nog, tot op de dag van vandaag.
Toch zou ik liegen als ik hiermee de indruk wek dat het in mijn leven allemaal nog altijd van een leien dakje gaat. Er zijn ondertussen heel wat jaren verstreken waarin zich als het ware een proces van automatische uitfasering heeft voltrokken. Zo krijg ik steeds minder vaak antwoord op mijn vele vragen, of het lijkt dat ik er steeds langer op moet wachten. Een vorm van ghosting, niet louter digitaal, heeft in mijn leven de gedaante aangenomen van een permanent rondwarend spook. Het is de omgekeerde wereld. Niet ik verdwijn ineens van de aardbodem, dat zou minder onlogisch zijn, maar de mensen om mij heen. Door niet meer op mij te reageren en mij dood te zwijgen Erover nadenkend betrap ik mij erop dat ik ineens er niet meer zijn minder erg zou vinden dan er voortdurend maar half zijn. Dat betekent geenszins dat ik daarom zelfmoord zou overwegen. Daarvoor ben ik nog te verslaafd aan leven en zijn mijn resterende vriendinnen en vrienden mij te dierbaar.
Kortgeleden, tijdens mijn vakantie, heb ik bewust voor het eerst van mijn leven mijn baard laten staan. Ik ontdekte toen dat steeds meer mensen me niet meer herkennen, dat ik voor die mensen al een beetje verdwijn, totdat Shirley, de serveerster van de kroeg op de hoek, mij op een keer vroeg:
“Laat jij je baard staan?”
“Wat vind je?” vroeg ik terug.
“Eraf is beter,” zei ze resoluut.
Ik maakte mezelf wijs dat zij nog niet wilde dat ik zou verdwijnen.
Iedereen maakt zich wel eens blij met een dode mus.
5
Op een dag ontvang ik een mail van mijn lezeres: “Beste schrijver,
Ik heb de passage over het thema overbodigheid nog eens tot mij genomen. Het valt me op dat die interessante elementen bevat, maar dat je hier en daar ook verdwaalt in algemeenheden. Kan je het niet wat concreter maken, bijvoorbeeld met een case die het onderwerp overbodigheid adequaat illustreert?”
“Dank voor je kritiek,” mail ik terug: “Ik snap je bezwaar, was zelf ook nog niet tevreden.” Als ik een paar uur later voel dat ik in een goede schrijfbui ben, ga ik met een latte achter mijn laptop zitten. Ik ontsteek een kaars en start op een laag geluidsniveau de rockopera Tommy van The Who. Vaag hoor ik ‘See me Feel me’. Allemaal rituelen die ik me zelf opleg of wijs maak om een optimaal resultaat te bereiken. Dan schrijf ik:
Ik verzamel de moed om Laura te benaderen. Ik was tot voor kort haar docent onderzoeksjournalistiek en inmiddels werkt ze als producent voor de late night show ‘Rondom elf’. Mijn idee is om een manifestatie over overbodigheid te organiseren. Ik wil er via een talkshow aandacht voor te vragen. Ze reageert niet. Ik had ook niet anders verwacht. Op mijn signalen wordt al jaren niet meer gereageerd. Zelfs niet op standaard reminders als: Wellicht is mijn mail van drie weken geleden aan uw aandacht ontsnapt. Ik leef in wereld van de passieve agressie. Maar als ik wil, kan ik doorbijten. Met een smoes bemachtig ik een doorkiesnummer en op een dinsdagmiddag rond half vier dring ik tot Laura door. Op zo’n moment is de lunchtijd wel voorbij en staat een kantoortuinjournalist nog net niet in de file, op weg naar huis. Ik opper kort en krachtig mijn idee en cijfer mezelf zoveel mogelijk weg. “Ik weet dat jullie doelgroep voor een groot deel uit senioren bestaat. Ouderen hebben vaak het gevoel dat ze ondanks hun vitaliteit buitenspel staan. Pas nog vertelde een bekende oud-politicus op de radio dat hij voor de derde keer als gast was afgebeld omdat zich weer een actualiteit had voorgedaan waar de presentator niet omheen kon.
En een beroemde komiek liet zich onlangs in een interview ontvallen dat hij zijn hele leven de glorie van de aandacht had meegemaakt en, zo zei hij, ‘opeens voel je het wegglijden, terwijl het er gewoon nog is.’ Ik wil een bijeenkomst organiseren om het over deze vorm van discriminatie te hebben. Met schrijnende voorbeelden van uitgerangeerd worden, gesprekken met mensen die juist accepteren dat ze er minder toe doen en een flinke dosis zelfspot. Misschien vinden jullie het interessant om daar wat mee te doen? Laura toont zich laaiend enthousiast, maar tempert mijn gevoel dat ik beetheb door te verwijzen naar de redactievergadering waarop alle voorstellen eerst de revue passeren. Een week later, toen ik me al verzoend had met de gedachte dat mijn tip vermoedelijk over de rand was gevallen, is het toch raak. “We gaan het doen,” meldt Laura, “door er met jou over te praten. Je wordt twee uur van tevoren opgehaald door een taxi. Het is alleen altijd wel onder voorbehoud. Als er ineens dwingend nieuws is, dan kan het zijn dat jouw onderwerp moet worden doorgeschoven.”
“Dat begrijp ik. Het voordeel is dat ik dicht bij jullie uitzendlocatie woon, veel thuis ben en mijn mobiel altijd aan heb staan, dus je kunt me makkelijk op het laatste moment optrommelen als er bijvoorbeeld een onderwerp plotseling uitvalt,” slijm ik erop los. “Prima,” zegt Laura en ik hang tevreden op.
Ondertussen werk ik mijn idee voor de manifestatie in het teken van de overbodigheid uit en ik denk na over een manifest. Moeten het serieuze eisen zijn of dodelijke grappen? Ik neig naar het laatste. Onder het motto: ‘Ruim ons op. Het is genoeg geweest.’ Op een lijstje krabbel ik nog meer invallen. Titel van het evenement: Onderweg naar overbodig. Aandacht voor passieve agressie. Een workshop over de bucketlist. Een ‘Ode aan doden’. Misschien ook iets met senioren die van geen ophouden willen weten.
Omdat een rechtse minister die over de migratietsunami zou komen babbelen zich plotseling ziek had laten melden word ik eerder dan ik verwachtte opgetrommeld voor de talkshow. Ik heb me voorgenomen om de boel flink te gaan ontregelen, beseffend dat ik niks te verliezen heb. Bovendien ga ik ervanuit dat de presentator het gesprek met mij als een C-item opvat. In zo’n geval wordt er met trefwoorden gewerkt.
“Hoe gaat het?” luidt zijn eerste vraag.
“Wat zegt u?” antwoord ik, terwijl ik hem prima versta.
“Ik vraag u,” vervolgt hij op zeer luide toon, “hoe het met u gaat?”
“Geen idee, ik let al een tijd niet meer zo op. Maar ik ben niet doof.
Dat ik ‘Wat zegt u?’ zei, was grappig bedoeld. Het publiek denkt nu eenmaal gauw dat mensen zoals ik niet meer goed kunnen horen. Maar wist u trouwens dat de oren van oude mannen steeds groter worden, een millimeter per jaar.”
“Nee. Is dat zo? Interessant. Hoe komt het dat we nooit meer iets van u zien of horen?”
“Vindt u het goed als ik eerst mijn toupet even afzet? Hij jeukt nogal.” Mijn gastheer schrikt. Het publiek lacht. En de regisseur weet dat zo’n onverwachte ontwikkeling de kijkcijfers lekker opkrikt. Kaalhoofdig vervolg ik: “Maar om op uw vraag terug te komen. Dat u nooit meer iets van mensen als mij ziet of hoort, komt omdat u vermoedelijk niet echt meer in mij geïnteresseerd bent. Vergeet verder niet dat in dit land leeftijdsdiscriminatie welig tiert. Voor u bestaat de waan van de dag uit aandacht voor de doorgaans stomvervelende binnenlandse politiek, gecombineerd met het laatste sappige nieuws uit de criminele hoek en een stukje incest in de vorm het aanprijzen van ander televisieaanbod. En in uw naar binnen gekeerde subcultuur steekt u vervolgens veren in elkaars achterste zolang de o zo heilige kijkcijfers u zeggen dat u goed bezig bent. Zullen we het nu over mijn thema gaan hebben? Voor je het weet is de tijd omgevlogen.”
De presentator is een beetje uit het lood geslagen, wat ik prettig vind.
“Ja, eh, inderdaad, het thema overbodigheid. Juist.”
“Binnenkort,” zo vervolg ik, “organiseer ik een grote manifestatie onder de titel ‘Onderweg naar overbodig’ en ik maak graag van deze gelegenheid gebruik om mensen op te roepen om daaraan mee te doen. Het maakt niet uit of je totaal niet meer meetelt of juist nog volop meedoet. Wil je meer weten, mail dan [email protected].”
De presentator vraagt: “In hoeverre hangt ouder worden samen met overbodig zijn? Noemt u eens voorbeelden.”
“Ik neem aan dat het geval u bekend is van de vrouw die tien jaar dood achter haar voordeur heeft gelegen voordat dat min of meer bij toeval werd opgemerkt. Kennelijk had niemand haar meer nodig. Mensen afschrijven gebeurt op grote schaal. Het begint met iemand doodzwijgen. Je kan ook bewust contact mijden. Of niet terugbellen of reageren op berichten. Denk maar aan een alleenlevende tante zonder kinderen die iets overkomt. Hoe reageer je daarop? Het ergste is dat je als oudere je gaat schamen voor iets waar je niks aan kunt doen, namelijk ouder worden. U kijkt me aan met een gezicht alsof al uw airmiles plotseling vervallen zijn.”
“Nee, u heeft absoluut een punt. Eigenlijk verdient dit thema meer minuten dan wij nu hebben. Jammer dat de eindtune al klinkt. Dank u wel.” Zich richtend tot de kijkers: “Voelt u zich ook overbodig, ga dan naar onze site. Goedenavond.”
6
Als ik inspraak in mijn geboorte zou hebben gehad, dan had ik liever niet geboren willen worden. Met de kennis van nu. Statistisch is de kans op een lelijk leven groter dan op een mooi leven.
