8,99 €
Johan is zestig en besluit, na lang aandringen van een van zijn vrienden en als vorm van therapie, een boek over zijn leven te schrijven. Een rollercoaster van gevoelens komt op hem af als hij nadenkt over zijn verleden. Centraal in het boek staan de zoektocht naar zijn identiteit, die hij blijkbaar maar moeilijk kan aanvaarden, en de strijd die hij voert om te zijn zoals iedereen. Hij wil kost wat kost erbij horen en alles goed doen. Zijn hoogbegaafdheid als kind, zijn drang naar perfectionisme en zijn neiging tot autisme maken het hem helemaal niet gemakkelijk. Tot overmaat van ramp heeft hij een geheim waarmee hij achtentwintig jaar rondloopt. Bij zijn queeste naar liefde en genegenheid beleeft hij dingen die hij nooit voor mogelijk had gehouden. Bovendien duikt, op onverklaarbare wijze, de regelmaat waarnaar hij zo hunkert, op in een reeks toevalligheden, met een mysterieus en soms sinister kantje.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 675
Veröffentlichungsjahr: 2024
Johan Meyste
Tweeëntwintig
Voor P,amicus meus
Copyright
Johan MeysteTweeëntwintig© 2019, Johan MeysteUitgegeven in eigen beheer(ISBN: 9789403751573)D/2019/Johan Meyste, uitgever
Alle rechten voorbehouden.Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Met dank aan Anne, Bruno, Christine, Machteld, Reinhilde, Yannick en in het bijzonder Hild, Stéphane en Katrien, voor de enorme steun bij het tot stand komen van dit boek.
Qui servare libris pretiosisnescit honorem, illius a manibussit procul iste liber.1
- Thomas Wergelberger –
"Je zou er een boek over moeten schrijven."
"Waarover?"
"Over je leven. Een boek over je leven."
"Hm … dat wordt moeilijk. Ik ben geen schrijver, maar een verteller. Daarom heb ik je net alles verteld."
"Het zou tóch interessant zijn."
"Ik denk dat niemand daar interesse voor heeft."
"Ik wel!" riep hij uit. "Er zullen vast en zeker nog anderen zijn die zoiets zouden lezen."
Philippe kon altijd zo heerlijk enthousiast doen. Ik kende hem nog niet zolang – pakweg een paar maanden – maar het leek alsof ik hem al jaren kende. Vanaf het allerbegin viel het me op dat we veel dingen gemeen hadden, ondanks het grote leeftijdsverschil. Hij was nog piepjong met z'n tweeëntwintig lentes, terwijl ik er al bijna een halve eeuw had opzitten. Hij was op korte tijd een goede collega én vriend geworden en ik was op een punt beland in m'n leven dat ik precies zo iemand nodig had. Ik had hem daarom bij mij thuis uitgenodigd, want ik wou hem een en ander vertellen.
"Luister jij wel, Johan?"
"Jawel hoor, maar ik was even aan het peinzen. Wel frappant, want het zijn exact dezelfde woorden die mijn psycholoog tegen me zei."
"Wat? Of je wel luisterde?"
"Nee nee, dat ik een boek zou moeten schrijven, om alles van me af te schrijven, als het ware."
"Zie je wel. Je weet, als een psycholoog het zegt, moet het zeker waar zijn."
Hij gaf me een knipoog.
"Je zou dus beter naar hem luisteren", voegde hij er nog glimlachend aan toe.
"Hm … ik weet het zo niet, ik heb trouwens hoegenaamd geen tijd om een boek te schrijven."
Dat laatste was écht waar. Ik had veel te veel andere dingen aan m'n hoofd; een pak schoolwerk, maar ook veel werk aan mezelf; innerlijk bedoel ik dan.
Het was absoluut niet het moment om aan zo'n gigantische taak te beginnen. Een boek schrijf je niet zomaar. Bovendien kan ik niet schrijven. Ik heb daar helemaal geen talent voor. Dan ga ik weer aan alles twijfelen omdat ik alles perfect wil hebben; zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Anderzijds zou het zeker geen slecht idee zijn, want ik voelde toch wel ergens een beetje de drang om iets van mezelf achter te laten voor het nageslacht, kwestie van het gevoel te hebben niet voor niets te hebben geleefd, of ben ik nu te hovaardig?
"Misschien ooit als ik eens veel tijd heb, begin ik eraan," zei ik met een diepe zucht, "maar ik blijf toch denken dat niemand dat boek gaat lezen, want dat gaat veel te langdradig zijn."
"Het leven is als een redevoering, niet de lengte maar de inhoud is belangrijk. En bovendien … je moet het voor jezelf schrijven", declameerde Philippe.
Zijn toon werd plotseling heel ernstig.
"Je weet dat ik niet zo op psychologen gesteld ben, maar deze keer heeft jouw psycholoog volkomen gelijk. Je moet het als therapie bekijken; zo'n boek zou voor jou iets kostbaars zijn." Ook wanneer hij doodserieus was, bleef hij enthousiasme uitstralen.
"Ik weet dat je gelijk hebt, maar zo simpel is dat allemaal niet. Het wordt vermoedelijk een harde noot om te kraken, maar ik beloof je dat ik er zeker eens over zal nadenken."
"Oké, dan is het goed", zei hij, terwijl hij een instemmend hoofdknikje gaf.
***
Quis est nostrum liberaliter educatus,cui non educatores cum gratarecordatione in mente versentur.3
- Cicero -
"Johan, Johan! Opstaan! Het is tijd om je klaar te maken om naar school te gaan."
Ik schrok wakker. Va riep beneden aan de trap. Dat deed hij iedere morgen als hij naar z'n werk vertrok.
In een reflex keek ik naar de wekker. Halfzeven. Dat klopt. Ik moest dus opstaan.
"Je best doen en altijd goed luisteren naar de meester!"
"Ja, Va."
De voordeur sloeg dicht.
Het is enorm koud in de slaapkamer. Buiten vriest het -15°. Volgens Va is dit de allerkoudste winter ooit. Mijn schapenwollen pantoffels staan beneden naast de kachel. Moe heeft ze daar gezet opdat ze lekker warm zouden zijn als ik ze aandoe. Ik moet dus nu op blote voeten naar beneden; dat wordt rillen. Maar eerst nog bidden aan m'n bed.
"Jezus, bedankt voor … uh … alles."
Ik moet van Moe iedere dag Jezus bedanken, op m'n knieën aan mijn bed. 's Morgens en 's avonds. Soms weet ik niet goed waarom ik dat zo dikwijls moet doen, maar als Moe zegt dat het moet, dan moet het.
In de keuken is het lekker warm. Ik hou van de keuken, hier is het altijd gezellig. Ik haal een paar forse houtblokken uit het kolenhok en steek ze in de kachel. De schoenen van Va staan ook naast de kachel. Niet de schoenen die hij nu aanheeft natuurlijk, maar die van vorige week. Dat betekent dat Moe ze nu moet poetsen. Misschien kan ik dat al doen? Dat zal Moe verrassen. Ik haal de schoenpoets en borstel uit de kast op de koer. Goed opletten; bruine schoenen, bruine schoenpoets. Ik had me eens vergist; bruine schoenen met zwarte schoenpoets. Va was toen helemaal niet opgetogen. Zo, klaar. Nu eerst de koekoeksklok opwinden. Het oog van 'Hier vloekt men niet' kijkt me dreigend aan, maar ik heb al lang geen schrik meer.
Uit de keukenkast neem ik een steelpannetje. Ik maak iedere morgen warme chocomelk. Moe heeft me dat geleerd. Melk, een stuk pure chocolade (Cowboy is de beste), een paar klontjes suiker, op het vuur zetten en roeren. Lekker! Nog een stevige boterham met 'goede' boter en ik kan ontbijten. Geen idee waarom Moe 'goede' boter heeft. Hebben andere mensen dan 'slechte' boter?
"Hans, breng me alsjeblief eens wat water en een poedertje!" Zeven uur, Moe is wakker. Ze heeft haar poedertje nodig. Dat komt omdat Moe altijd veel hoofdpijn heeft.
"Ik kom dadelijk, Moe!"
Moe noemt mij altijd Hans of Hansje. Dat komt omdat ik zo lief ben, zegt ze. Va noemt me Johan. Misschien vindt hij me niet lief. Hij zegt altijd dat ik een man moet worden en Johan rijmt op man. Ik begrijp niet goed wat dat daar mee te maken heeft.
Ik breng Moe een glas water en haar poedertje. Ze glimlacht.
"Hansje, wat ben jij toch een lieve jongen. Kom nog even bij me in bed liggen, dan gaan we weer op reis."
Als ik bij Moe in bed kroop, gingen we altijd op reis; naar heel wat leuke en mooie plaatsen. Maar meestal gingen we naar Parijs. Dat was het allermooiste wat ik kon bedenken.
"Gaan we naar Parijs?"
"Ja, naar Parijs!"
Tien minuten later stond ik weer beneden. Wassen, aankleden, boekentas controleren. Hij was in orde. Het was halfacht. Ik had nog voldoende tijd om m'n lessen eens te overlezen. Ik wist alles wel, maar Moe vond dat ik voor alle zekerheid toch nog eens alles moest bekijken. Ik hoop dat Va vanavond naar de boekenkast gaat. Dat zou gewéldig zijn. Een aangenaam tintelend gevoel verspreidde zich door mijn lichaam.
***
Af en toe, na het avondeten en als Va een goed humeur had, gebeurde het dat we samen in de Grote Atlas keken. Het was bijna een ritueel. Eerst liep hij naar de boekenkast en bleef een tijdje voor zich uit staren, peinzend, alsof hij niet goed wist wat hij wou doen. Dan kuchte hij tweemaal. "Ik denk dat ik eens in de Grote Atlas ga kijken", zei hij dan theatraal met diepe stem. Hij keek daarbij opzettelijk niet in mijn richting. Eén minuut later zat ik op z'n schoot en keken we samen naar de landen, rivieren en bergketens. Zálig vond ik dat. Hij vertelde dan over China, Egypte en andere verre landen. Een ritueel dat zich nog dikwijls zou herhalen, alleen zat ik de laatste jaren niet meer op zijn schoot.
***
"Hans, het is tien na acht. Tijd om naar school te gaan", zei Moe terwijl ze de keuken binnenkwam.
"Ja, Moe."
"Doe maar een dikke sjaal aan en zet je wintermuts op", voegde ze er streng aan toe.
"Ja, Moe."
Buiten lag er sneeuw. Een hele hoop sneeuw. Ik hield niet van sneeuw. Als het veel gesneeuwd had, kreeg ik altijd een onverklaarbaar angstig en beklemmend gevoel. Ik kon me zo het sneeuwballengevecht op de speelplaats al inbeelden en vond dat geen leuk vooruitzicht. Zou ik nu echt de enige zijn die dat witte tapijt haatte?
"Moe, mag ik vandaag niet iets later vertrekken?"
Hoe later ik op school was, hoe minder ik met sneeuw bekogeld zou worden.
"Nee, Hans. Je moet tijdig op school zijn, want de meester wil dat iedereen op tijd komt."
"Ja, Moe."
***
"Je lijkt al meer op je gemak, vergeleken met vorige keer", zei hij met z'n zachte stem.
Ik gaf toe dat ik me meer ontspannen voelde dan twee weken geleden. Die allereerste sessie had me eerlijk gezegd wat afgeschrikt. Ik was nog nooit bij een psycholoog geweest en wist eigenlijk helemaal niet wat er mij te wachten stond. Dat had ik blijkbaar ook duidelijk laten merken, want al bij het binnenkomen zei hij dat ik niets te vrezen had. Gewoon relaxen en je verhaal vertellen, was zijn advies. De kamer waar hij zijn spreekuur hield, voelde voor mij nogal kil aan, waarschijnlijk omdat er zo weinig in stond; enkel een bureau met een pc en een stoel. Twee zetels en een heel grote plant maakten de rest van het meubilair uit. In het begin ging het gesprek heel moeizaam, maar na een tijdje durfde ik toch dingen zeggen, waarvan ik nooit gedacht had dat ik ze tegen iemand – en dan nog een onbekende – zou vertellen.
"Zoals ik vorige sessie al zei, is het volgens mij een burn-out. Maar maak je geen zorgen, we gaan daar samen aan werken." Jan was een ontzettend lieve en innemende man, die me met zijn glimlach en aangename stem volledig tot rust kon brengen.
"Vorige keer vertelde je over je werk en over je echtscheiding, maar ik heb de indruk dat er nog andere dingen zijn die je bezighouden."
Ja, dat was een waarheid als een koe.
"Tja, er is al zoveel gebeurd in mijn leven. Dingen die ik maar niet uit m'n hoofd kan zetten of die ik soms liever zou vergeten. Maar ook zaken die ik nog tegen niemand verteld heb, omdat ik ze eigenlijk niet durf te vertellen. Dingen die …"
"En maken al die dingen je triest?"
Hij boog zich wat voorover in mijn richting.
"Sommige wel, sommige niet."
"Vertel."
"Ik weet niet waarmee ik moet beginnen."
"Zeker niet met de dingen die je niet durft te vertellen."
Hij nam zijn notities.
"Je zei me – ik heb het hier ergens opgeschreven – dat je huwelijk een schijnvertoning geweest was. Wil je me daar soms iets meer over vertellen?"
Acht jaar geleden had ik m'n vrienden en familieleden al uitvoerig ingelicht, tenminste een deel ervan. Dat was uiteindelijk allemaal goed meegevallen, maar toch bleef het moeilijk om tegen een onbekende man gewoon te zeggen wat er aan de hand was. Niet dat ik iets te vrezen had van Jan, want ik voelde me door hem heel gerustgesteld; hij was per slot van rekening een professional. En toch …
Het was bizar dat ik net bij deze psycholoog terecht gekomen was. Zo'n onvoorstelbaar toeval. Maar ik was tevreden over hem, ondanks het feit dat hij nog niet veel gedaan had, behalve luisteren naar wat ik te zeggen had. Misschien was dat nu net de bedoeling. Wat het ook zij, emotioneel was ik klaar om het hem te vertellen.
"Ik heb het gevoel dat mijn huwelijk een manier was om mezelf te genezen van mijn ziekte", begon ik.
Ik maakte met luchtaanhalingstekens duidelijk dat ik het woord 'ziekte' niet letterlijk interpreteerde.
"Welke 'ziekte' mag dat dan wel zijn?" 'luchtaanhalingstekende' hij terug.
"Dat is op zich al een heel verhaal."
"Misschien kan je dat verhaal nu vertellen, ik heb momenteel toch niets anders te doen."
Met een brede smile leunde hij achterover in z'n fauteuil en sloot zijn ogen. Klaar voor mijn verhaal.
***
Zaterdagmiddag, vijf na twaalf. Net m'n rapport gekregen. Vlug naar huis, dan kan ik het aan Moe laten zien. Ze is altijd zo blij als ze mijn rapport ziet en ik ben blij dat ik Moe daar zo blij mee maak. Ook omdat ik dan snoep krijg van Moe. Dat is voor haar heel gemakkelijk, want ze heeft zelf een snoepwinkeltje. Veel van m'n vrienden zijn daar stikjaloers op.
"Wat? Woon jij in een snoepwinkel?" vragen ze dan.
"Nee," zeg ik dan, "ik woon niet in de winkel. Ik woon in de keuken en de slaapkamer en de woonkamer. Ik mag zelfs niet in de winkel komen, als Moe er niet is."
Het winkeltje is vrij klein, maar heel gezellig. Overal waar je kan kijken, staan dozen gevuld met verrukkelijk lekkere snoepjes. In het winkeltje van Moe waan ik me altijd een beetje in de hemel. Op zaterdag mag ik soms helpen. Dat vind ik heel leuk.
"Wat zal het zijn, mevrouw?"
Moe heeft me geleerd heel beleefd te praten.
"Honderd gram 'neuzekes'? Natuurlijk, mevrouw."
Afwegen op de weegschaal is soms wel moeilijk.
"Dat is dan drie frank en twintig centiemen alsjeblief, mevrouw."
"Wat ben jij een flinke jongen, dat je zo kan helpen."
Ik geloof dat ze Marie heet, maar ik ben niet zeker.
"Hij heeft een goed rapport", zegt Moe haar nog.
"Leg je rapport maar achter de radio, Hans. Va zal het straks wel vinden."
In de keuken op de grote kast staat de radio. Va zet hem 's avonds op om naar het nieuws te luisteren en soms nog naar een hoorspel. Dan moeten we muisstil zijn.
Ik zet, precies zoals ik dat om de twee weken doe, mijn rapport achter de radio, maar zodanig dat het toch net zichtbaar is. Ik ben eens benieuwd of Va m'n rapport deze keer goed zal vinden. Ik behaalde zesennegentig procent. Dat is toch helemaal niet slecht.
Maar Va kijkt niet naar totalen. Je moet het vak per vak bekijken, zegt hij altijd. Dat doet hij dan ook. Hij leest hardop al mijn cijfers van ieder vak en zegt telkens of ze goed zijn of niet. Nee, dat is eigenlijk niet waar. Nu ik erover nadenk … hij zegt nooit dat het goed is. Alleen als hij het niet goed vindt, zegt hij dat. Oei, dan vrees ik dat hij geschiedenis niet goed genoeg zal vinden. Ik ga het volgende keer zeker veel beter moeten doen.
"Moe, mag ik nog wat buiten gaan spelen?"
"Natuurlijk, Hans, maar niet verder dan onze straat gaan en voorzichtig zijn!"
"Ja, Moe."
Ik speelde graag op straat, want thuis bij Moe had ik daar niet veel plaats voor. We hadden met zes een clubje gemaakt en speelden altijd samen. Dat waren steeds blije momenten.
Buiten op straat stonden m'n vrienden al te wachten
"Waar bleef je nu zo lang?"
"Ik moest eerst mijn rapport nog achter de radio zetten", verklaarde ik.
"Huh? Je rapport achter de radio zetten?"
"Ja, dan kan Va het straks voorlezen."
Ik zag Marc met z'n wijsvinger een cirkelvormige beweging maken tegen z'n voorhoofd. De anderen lachten.
"En ik leg m'n rapport in de ijskast", gekscheerde Dirk.
Iedereen lachte zich een bult.
Ik heb toch rare vrienden, hoor.
***
"Ben jij eigenlijk al aan dat boek begonnen?"
De vraag kwam volledig onverwacht.
'Welk boek?"
"Dat boek over je leven. Tien jaar geleden heb je me beloofd er eens over na te denken."
We kwamen net aan bij hem thuis van een avondje uit. Niets bijzonders, een film en een restaurantje. De film was oké, maar niet speciaal. Het eten echter was heel lekker. Toevallig kwamen we ook zijn zus tegen en we dronken samen nog een koffie. Ondertussen was het toch al elf uur geworden.
"Dat boek … nee, daar ben ik nog niet aan begonnen. Ik heb er wel al eens over nagedacht."
"Hoe bedoel je? Of je het gaat schrijven?" riep hij vanuit de andere kamer, terwijl hij m'n jas ging weghangen.
"Ja, maar ook, als ik het zou schrijven, hoe ik zou beginnen. Verander ik alle namen? Waar laat ik alles zich afspelen? Hoe laat ik het eindigen? Zulke dingen."
"Je kan misschien m'n naam veranderen in een andere Franse naam. Didier, bijvoorbeeld."
Aan de glinstering in z'n ogen kon ik zien dat hij dat idee wel leuk vond.
"Ja, dat zou ik eventueel kunnen doen."
"Wil je nog een koffie drinken?"
"Ja, heb je deca?"
"Dat heb ik. Heb je al beslist welke scènes je gaat nemen?"
Hij liep naar de keuken om een kop koffie te zetten.
"Wat bedoel je met scènes? Het is een boek hoor, geen film."
"Misschien wordt er wel een film van gemaakt."
Ik hoorde hem lachen.
"Nu overdrijf je toch wel. Het is helemaal nog niet zeker dat dat boek er ooit komt en jij maakt er al een film van."
"Maar er worden tegenwoordig veel films gemaakt met een dergelijk thema. Zo raar zou dat toch niet zijn."
We hadden inderdaad de laatste tijd samen veel films gezien. Vrij recent waren we naar Call me by your name gaan kijken, een film die op ons beiden een diepe indruk had nagelaten.
"Misschien zit er een Oscarnominatie in!"
Zijn enthousiasme was weer niet te stoppen.
"Tuurlijk, en ik word op het Koninklijk Paleis uitgenodigd. Nee, Philippe, ik ben nog altijd van mening dat er zo goed als niemand geïnteresseerd zal zijn in nog maar eens een boek of een film over dat onderwerp. Volgens mij zijn er al genoeg."
Ik was duidelijk nog altijd niet ten volle overtuigd van het nut van zo'n boek, maar bleef toch nog steeds met een dubbel gevoel zitten; enerzijds was ik wel gemotiveerd en zelfs een beetje opgewonden om het boek te schrijven, maar anderzijds had ik te weinig vertrouwen in mezelf om deze zware opdracht, dit monnikenwerk, tot een goed einde te brengen.
"Maar dit is anders. Dit is niet zomaar een uit de lucht gegrepen verhaal. Dit is écht", benadrukte hij.
"Dat is waar, maar ik zou het boek enkel voor mezelf schrijven, weet je nog? Als therapie. Maar die heb ik nu eigenlijk niet meer nodig."
"Je kan het ook voor mij schrijven."
Geen knipoog, geen glimlach, niets. Hier heb ik het altijd lastig mee. Meent hij dit nu? Ik kon bij Philippe de ironie soms moeilijk inschatten, maar dat is ongetwijfeld meer mijn gebrek dan het zijne.
"Je hebt me tien jaar geleden je levensverhaal verteld, maar ik ga de details vergeten. Als ik alles op papier zou hebben, kan ik het later altijd nog eens lezen. Ik bedoel wanneer jij er niet meer bent."
Hij meende het dus toch.
***
Wat rook het weer heerlijk in het huis. Moe was aan het koken en wat kon ze lekker koken! Aardappelen, schorseneren in melksaus en biefstuk. De schorseneren had ik gekozen, want dat waren mijn lievelingsgroenten. Omdat ik een goed rapport had, zei Moe. Biefstuk om groot en sterk te worden. Dan word je een echte man, tenminste dat was toch wat Va wou.
"Hans, kan jij helpen de tafel te dekken?" riep Moe van achter het fornuis.
"Ik ben al bezig, Moe!"
De tafel dekken was iets wat ik graag deed, ook afruimen en Moe helpen bij de afwas. Va deed dat nooit, hij vond dat vrouwenwerk. Hij vond het ook heel raar dat ik zoiets met plezier deed. Zijn voornaamste bezigheid was de krant lezen en naar de radio luisteren. Naast z'n werk, uiteraard. Ik weet eigenlijk niet wat voor werk Va doet. Hij wil me dat niet vertellen. Moe zegt dat ze het ook niet weet. Dat is wel raar.
"Hans, vergeet niet om een extra bord te zetten voor je tante Elza, want ze eet vanavond ook mee."
"Ja, Moe!"
"De lepels niet vergeten, want we hebben kippensoep vooraf."
"Komt in orde, Moe."
Mm, lekkere kippensoep. Vanavond ben ik de koning te rijk.
Halfzes. Va komt thuis van zijn werk. Nadat hij z'n jas heeft weggehangen, stapt hij de keuken binnen en loopt recht naar de grote kast. Hij gunt de radio echter geen blik en zeker niet wat er achter de radio staat. Op de kast neemt hij de krant, die Moe heeft klaargelegd, en loopt ermee naar zijn zetel die wat verderop staat. Het is een oude, imposante armstoel, waarin híj alleen mag zitten. We eten om zes uur, dus heeft hij nog een half uurtje om in de krant te lezen. Hij steekt de lamp aan die naast de zetel staat en begint te lezen. Later wil ik ook zo'n zetel en zo'n lamp, want ik lees heel graag.
Hij heeft m'n rapport weer niet zien staan. Ondertussen zou hij toch al moeten weten dat ik om de veertien dagen rapport heb. Ik zet het toch iedere keer mooi achter de radio.
"Johan, weet jij waar mijn winterpantoffels staan?" gromt hij.
"Vanmorgen stonden ze hier nog naast de bruine zetel."
"Ik heb ze niet gehad, Va."
"Zeker weten?" zegt hij en kijkt me daarbij doordringend aan.
"Echt waar, Va, ik heb ze niet aangeraakt. Echt. Zeker van."
"Als je zeker bent, moet je niet twijfelen.
Hij gooit z'n hoofd achterwaarts en barst uit van het lachen.
Ik begrijp helemaal niet waarom.
"Ga boven eens kijken in de slaapkamer."
"Ja, Va."
"Stante pede3 terug naar beneden komen en niet blijven rondhangen in de slaapkamer!"
"Ja, Va."
Vliegensvlug ben ik terug.
"Niets te zien, Va."
"Oh, ze staan hier blijkbaar toch", zegt hij met een grijns. Ik kon er totaal niet mee lachen.
Het eten is overheerlijk. Heb ik al gezegd dat Moe lekker kan koken? De schorseneren zijn grandioos. Met peterselie, zo lust ik ze graag. Tante Elza is het met me eens. Dan zegt Va plots dat hij smakelijk gegeten heeft en nog iets van een engeltje dat op zijn tong piest. Dat heb ik hem nog nooit horen zeggen. Misschien is hij goed gehumeurd vanavond. Ik ruim mee de tafel af. Net wanneer ik op het punt sta om Moe te helpen met de afwas, zegt Va: "Ik denk dat ik de radio eens opzet. Wat ligt hier nu achter de radio? Een rapport! Johan, kom eens even hier."
***
"Waar gaan we naartoe? Voor mij is om het even, als we maar rustig kunnen babbelen. Ja, oké. Dat is in orde. Ik kan daar binnen twintig minuten zijn. Goed, tot dadelijk. Dag, Raf!"
Ik legde de telefoon neer. Zo, het uur van de waarheid is aangebroken; ik ga Raf vertellen, wat ik nog nooit aan iemand verteld heb. Waarom Raf? Waarom hij als eerste? Hij is wel een goede kennis, maar nu niet meteen mijn beste vriend. Nee, dat is inderdaad waar, maar juist dáárom. Raf is niet té close en ook geen onbekende en bovendien is hij een aangename gesprekspartner, kan hij goed luisteren en – heel belangrijk – kan hij goed zijn mond houden. Ja, Raf is de beste keuze, denk ik. Ik zal het later ook nog wel aan anderen vertellen, maar ik begin alvast met Raf, als test.
Raf ken ik nu al enkele jaren. We spelen samen in hetzelfde orkest; hij saxofoon en ik drums. Tijdens de pauzes zitten we altijd samen gezellig te keuvelen, over koetjes en kalfjes, over muziek en de vrouwen, over zijn huwelijksproblemen en over de mijne. Maar ik vertel hem niet altijd de waarheid. Niet dat ik lieg, maar ik verzwijg soms dingen. Ik kan trouwens niet goed liegen, maar ik kan wel dingen verzwijgen en een van die dingen ga ik hem vanavond vertellen.
We hebben afgesproken in een gezellig restaurantje, waar op vrijdagavond niet zoveel volk zit. Dat is goed, want ik wil niet teveel afgeleid worden. We zijn daar al enkele keren geweest en het eten is er niet slecht. Binnen twintig minuten ontmoet ik hem daar. Het gaat een heel moeilijk gesprek worden, dat voel ik. Ik ben overigens ontzettend zenuwachtig, maar ik moet doorzetten, ik ben het aan mezelf verplicht, want ik kan mijn geheim emotioneel niet langer meer aan. Het wordt tijd dat ik het met iemand deel.
***
"Moedertaal … negen-en-een-half."
Ik stond aan de andere kant van de keukentafel, voeten naast elkaar en armen gestrekt tegen mijn lichaam gedrukt, zoals dat hoorde wanneer Va m'n rapport voorlas. Het zweet liep van m'n voorhoofd en ik had een raar gevoel in mijn maag.
"Hm … negen-en-een-half."
Va keek over z'n bril heen in mijn richting. Hij zei verder niets.
"Rekenen een tien, natuurwetenschappen een tien, muziek een tien."
Bij tienen stond Va nooit stil. Hij las dan heel snel en mompelde wat binnensmonds.
"Aardrijkskunde … een negen!"
Weer keek hij streng boven z'n brilglazen uit. Ik durfde zelfs niet meer te slikken.
"Hoe verklaar je dat, Johan?"
"Uh, … ik had een fout op de laatste overhoring."
"En welke fout was dat dan?"
Zijn stem klonk steeds luider.
"Uh, … uh, … ik wist de hoofdstad van Tasmanië niet meer."
"Wat? Hoe kan dat nu? We hadden net nog in de Grote Atlas gekeken!"
Hij zuchtte diep.
"En ken je de hoofdstad van Tasmanië nu?"
"Ja Va, dat is Hobart!" riep ik trots uit.
"Ja, maar dat zijn nu vijgen na Pasen, jongen. Je had dat op je overhoring moeten weten."
"Ja, Va."
Hij had gelijk. Hoe kon ik dat nu vergeten? Maar ik ga het volgende keer zéker beter doen
"IJver een tien, godsdienst een tien, gedrag een tien …"
Hij stopte even en keek verbaasd naar het rapport. Zijn hoofd werd helemaal rood.
"GESCHIEDENIS EEN ACHT?"
Oei, hiervoor had ik gevreesd. Ik dacht dat ik elk moment zou flauwvallen. Moe zat in haar zetel te breien, maar zei niets. Zelfs de hond was veilig in z'n rieten mand weggekropen
"Hoe haal jij het in je hoofd om twee punten te verliezen?"
"Uh, …"
Ik kon geen woord uitbrengen.
"Kom op, vertel! Had je niet goed opgelet in de klas? Niet goed geluisterd naar de meester? Je had toch zeker wel je datums van buiten geleerd?"
We hadden pas geleerd dat het niet datums maar data is, maar gezien de omstandigheden besloot ik daar niets over te zeggen
"Maar Louis toch, het ventje heeft zesennegentig, dat is toch een goed rapport. Hij heeft zo zijn best gedaan. Zit nu niet te muggenziften. Laat hem gewoon buiten gaan spelen."
Moe verdedigde me altijd.
"Totalen tellen niet. Vak per vak, Amélie. Vak per vak!
"Wel, ik wacht op uitleg", zei Va terwijl hij het rapport dichtvouwde en mij recht in de ogen keek.
"Tja, … uh, … we moesten een stamboom van de Karolingen maken en ik had Karel de Kale en Karel de Dikke omgewisseld."
"Dat is een zware fout! Dat weet je toch, Johan."
"Ja, Va."
"Oké, schrijf dan heel die stamboom nog maar eens op."
"Overdrijf je nu niet, Louis? Dat is toch allemaal niet belangrijk. Laat hem gaan spelen."
Moe zag de dingen altijd helemaal anders.
"Hij moet leren van zijn fouten, Amélie. Eerst die stamboom schrijven, daarna gaan spelen!"
"Ja, Va."
***
"Hoi, Raf! Man, geweldig bedankt dat je dit wil doen." Ik begroette hem hartelijk met onze gebruikelijke handdruk.
"Daar is toch niets speciaals aan, Johan. Gewoon iets gaan eten en een gesprek. Dat hebben we toch al dikwijls gedaan." Raf had geen flauw idee waarom ik hem uitgenodigd had. Voor hem was het een etentje zoals een ander
Tijdens het eten deden we allebei weer ons gewoonlijk beklag over dingen die ons stoorden in het leven. Alle mogelijke onderwerpen kwamen aan bod
"Raf, ik wou je eens spreken over iets", zei ik toen we na het eten aan de koffie zaten.
"Ik denk dat we heel de avond niets anders gedaan hebben."
"Ja, maar het is wel iets heel serieus. Ik heb namelijk een probleem."
"Oké, vertel me dan je probleem. Misschien kan ik je helpen." Raf was altijd bereid om mensen te helpen.
"Tja, … dat is juist het vervelende. Ik vind het moeilijk om erover te spreken."
"Op díe manier zitten we in een vicieuze cirkel."
Hij had gelijk. Ik moest iets bedenken om mee te beginnen, dan zou de rest wel makkelijker gaan
"Wist je dat Sylvia me verlaten heeft?"
"Wát? Sinds wanneer?
Ik merkte aan zijn gelaatsuitdrukking dat hij hierover stomverbaasd was. Tijdens de klachtenronde over onze respectievelijke echtgenotes had ik evenwel niet verteld dat ik er geen meer had.
"Al drie maanden geleden", zei ik beschaamd.
"En jij zegt dat nú pas!"
Hij was duidelijk overstuur en misschien ook wel een beetje op z'n tenen getrapt.
"En wat met de kleine Ricky?" vroeg hij onmiddellijk.
"Die is met haar mee natuurlijk. Dat is voorlopig de beste oplossing."
"Man, man, man …"
Raf was er niet goed van.
Hij wist echter nog niet dat dit maar de helft van het probleem was. Het was helemaal niet m'n bedoeling om het met hem te hebben over mijn scheiding van tafel en bed met Sylvia. Dat was drie maanden geleden en we hadden al afspraken gemaakt over het verloop van de scheiding. We waren het eens over co-ouderschap en over de verdeling van de meeste materiële dingen. In het najaar zouden we samen naar een notaris gaan om alles te laten registreren. Helemaal geen vechtscheiding dus. (Ik ben haar hiervoor eeuwig dankbaar.) Voorlopig zou ze bij een van haar zussen logeren en voor onze Ricky zorgen. Ondertussen had ik dus enkele maanden tijd om te proberen m'n leven weer op het juiste spoor te krijgen.
"Maar Johan toch … en dat zo snel na het overlijden van je moeder."
Het leven was me de laatste tijd inderdaad niet goedgezind geweest. In een tijdspanne van achttien maanden waren er zes van mijn familieleden gestorven. Te beginnen met Va, verder nog twee tantes, een neef en een nicht en als laatste in de reeks: mijn moeder. Oh ja, ik zou het bijna vergeten: oom Gust was van de kerktoren gevallen, maar dat vond ik minder erg.
"Zoals ik dus zei; ik heb een probleem."
"Ja, dat is evident."
"Nee, ik bedoel een ander probleem."
Verdorie, waarom vind ik dit gesprek zo moeilijk? Waarom krijg ik nu niet gezegd wat ik wil zeggen
Ik begon stilaan spijt te krijgen dat ik aan deze conversatie begonnen was, maar ondanks m'n angstgevoel kon ik niet anders dan ermee verdergaan.
"Wat bedoel je, een ánder probleem? Je hebt je moeder verloren, je vrouw en je kind zijn weg en jij hebt nóg een ander probleem?"
"Ja, daar wil ik je al heel de avond over spreken, maar ik slaag er blijkbaar niet in om het te zeggen."
"Wat kan er in hemelsnaam nóg erger zijn?"
Ditmaal had hij met wat meer decibels gesproken. Enkele mensen in het restaurant keken in onze richting.
"Sst, Raf! Het is niet de bedoeling dat iedereen hier meeluistert."
"Sorry. Maar wil je dan eindelijk eens vertellen wat je te zeggen hebt?"
"Het is moeilijk", was alles wat ik kon zeggen.
Ik had me nog nooit zo onzeker gevoeld tijdens een gesprek.
Bij een examen op school vroeger was ik minder nerveus dan nu. Raf zag mijn impasse en kwam met een voorstel.
"Oké, ik zal vragen stellen en jij beantwoordt ze. Dan geraken we misschien ergens. Ben je daarmee akkoord, Johan?"
"Oké, ga je gang."
"Hoe lang weet je het al?"
Ik dacht dat m'n hart stilstond. Hij weet het! Hoe kan dat nu? Heb ik dan iets laten merken?
"Hoe ben je het te weten gekomen?" vroeg ik vol verbazing.
Er verschenen vraagtekens op zijn gezicht. Er was iets dat hij duidelijk niet kon volgen.
"Ik ben niets te weten gekomen. Ik zou het nú graag willen weten."
"Sorry, ik begrijp je niet goed", zei ik.
"Hoe lang weet je al wat je probleem is?"
Hij benadrukte ieder woord.
"Oh … ik denk bijna heel mijn leven."
***
"Ben jij nu helemaal gek geworden, Johan? Kan je me eens in godsnaam uitleggen wat hier aan de hand is?"
Va was woedend. Het begon toen hij m'n brief aan Sinterklaas had nagelezen op spellingsfouten. Bleek achteraf echter dat er geen spellingsfouten instonden, maar iets wat hij veel erger vond.
"Wát heb jij aan Sinterklaas gevraagd? Een pop? Een kinderwagen en gerei om 'koken eten' te spelen? Ben jij een meisje misschien?" brieste hij.
"Nee, … Va … maar ja, ik …"
Ik stond te bibberen op mijn benen.
"Hier is geen sprake van! Dat brengt de Sint niet!"
Plots veranderde hij van toon. Hij legde z'n hand zachtjes op mijn schouder en fluisterde gemoedelijk in m'n oor.
"Je weet toch dat Sinterklaas die dingen enkel aan meisjes geeft. Voor jongens brengt hij toffe soldaatjes en kleurige coureurtjes en spiksplinternieuwe autootjes en zo."
Natuurlijk wou ik de Sint niet teleurstellen, maar ik had toch wel graag een pop gehad.
"Moe, waarom brengt de Sint voor mij geen pop?"
Ik probeerde Moe in te schakelen, want die vond een pop helemaal niet erg. Het was zelfs een beetje haar idee.
"Maar als hij nu graag een pop heeft, Louis. Dat is toch niet erg. Dan kan hij leren hoe hij met baby's moet omgaan."
Va werd indien mogelijk nog woester. Hij zag knalrood.
"Nee, nee en nog eens nee! Hij moet niet leren om met baby's om te gaan. Hoe kan hij nu verdorie ooit een man worden? Mannen gaan niet om met baby's."
Volgens Va moest ik soldaat of brandweerman worden of dokter of desnoods meester.
Dat laatste zag ik eigenlijk wel zitten.
***
"Héél je leven? Dát is lang!"
"Oké, met heel mijn leven bedoel ik, sinds ik me ervan bewust ben. Dat moet zo rond m'n veertiende geweest zijn, hoewel … misschien waren er vroeger al tekenen."
Ik stopte, want ik wou daar liever niet op ingaan.
"En hoe oud ben jij nu precies? Ik dacht tien jaar ouder dan ik. Klopt dat?"
"Inderdaad, ik ben drie maanden geleden tweeënveertig geworden."
"Is dat al drie maanden geleden? Ik herinner me dat niet meer, maar ja, jij viert je verjaardag ook nooit."
"Ik wou het eigenlijk niet hebben over m'n verjaardag, Raf, maar over mijn probleem."
Ik probeerde me te focussen op het doel van dit gesprek.
"Goed, je weet dus sinds je veertiende, of iets vroeger, dat je dat probleem hebt. Wel, vertel me dan wat het is."
Raf maakte het me niet gemakkelijk. In feite stonden we nu nog altijd nergens; ik was nog altijd niet tot de essentie van het gesprek gekomen. Waarom is dit zo verdomd moeilijk? Waarom had ik zoveel angst? Waarom zat ik hier te trillen als een espenblad? Eén ding was zeker; ik moest de zaken op een andere manier gaan aanpakken, want anders had ik voor sluitingstijd nog altijd niets bereikt. Wat ik niet begreep, is dat Raf het gewoon niet wist. Dat zou heel wat gemakkelijker zijn. Of dat hij tenminste een vermoeden had.
"Johan, over dertig minuten sluit de boel hier. Kan je het misschien op een andere manier aanpakken, want anders zal het niet meer voor vandaag zijn."
Het was net alsof hij m'n gedachten kon lezen. Als hij dit kon, waarom dan ook niet de rest?
"Heb je écht geen enkel vermoeden waarover het zou kunnen gaan?"
Hij dacht even na.
"Oh my God, je hebt toch geen terminale ziekte?"
"Nee, maar je komt wel in de buurt", zei ik al glimlachend.
In de frons op z'n voorhoofd zag ik zijn verwarring.
"Dus je hebt … iets."
"Tja, dat is een goede conclusie, Raf. Proficiat, na twee uur praten zijn we al zover."
"Kan je verdorie niet gewoon zeggen wat je hebt, in plaats van mij hier aan het lijntje te houden?"
Zijn geduld was duidelijk op. Twee uur nodeloos wachten op een uitleg die ik nog altijd niet gegeven had; je zou voor minder boos worden.
"Sorry, het spijt me verschrikkelijk. Ik wou je niet …"
Hij gebaarde onmiddellijk dat het niet erg was.
"Weet je wat? Ik zie dat ze de gordijnen al aan het sluiten zijn. We zullen zo dadelijk moeten vertrekken. Wat denk ervan je om samen nog iets te gaan drinken? Op het Marktplein is vast nog wel een cafeetje open."
"Oké, we zijn weg."
Onderweg in de auto dacht ik na over hoe ik het zou aanpakken. Op de radio zong Annie Lennox haar zwoele Why. Inderdaad: waarom? Waarom is dit zo lastig? Misschien moet ik het gewoon zeggen en mij niets aantrekken van zijn reactie. Maar ik wou hem niet als vriend verliezen. Misschien vindt hij het helemaal niet erg. Of juist wel en wil hij nooit meer met me spreken. De gedachten raasden door mijn brein; ik wist echt niet meer wat ik moest doen.
Ik voelde me ellendig omdat ik ervan overtuigd was dat dit hopeloos was. Het liefst was ik gewoon terug naar huis gereden. Maar ik moest doorzetten; ik moest en zou Raf mijn gruwelijk geheim vertellen. Het was nu of nooit, het was tijd om het roer om te gooien.
***
De speelplaats was nog bijna helemaal leeg. Ik was vroeg op school. Moe zei dat ik dan een goede indruk kon maken op de meester. Raar, want de meester zelf kwam altijd net voordat de bel ging. Tenminste de meester die we vorig jaar hadden. Deze meester is anders. Hij is wel streng, maar tegelijk ook lief en leuk. Hij kan goed vertellen en legt alles zo goed uit. Alles lijkt zo eenvoudig bij hem. Ik geef toe, hij geeft veel huiswerk, maar dat vind ik helemaal niet erg. Va zegt dat dat zelfs goed voor me is.
De meester is er al. Hij wandelt rond op de speelplaats. Hij komt in mijn richting.
"Goeiemorgen, Johan", zegt hij vrolijk.
"Goeiemorgen, meester!"
"Ik zie dat je weer je hoed op hebt. Mooie hoed is dat!" De meester vindt mijn hoed mooi. M'n klasgenoten niet.
"Wat een stom ding heb jij nu op je hoofd", roepen ze dan.
Een pet of een muts … oké, maar toch geen hoed!
"Is het al carnaval?" vragen ze soms en proesten het uit van het lachen.
Nochtans zegt Va dat iedere échte man een hoed draagt. Hij heeft er zelf ook een, maar draagt die enkel op zondag. Ik had aan Moe gevraagd of ik ook een hoed kreeg. Samen zijn we dan naar dat groezelig hoedenwinkeltje geweest, vlak achter de kerk. Het was daar al sinds mensenheugenis. De ruit van het enige (minuscule) uitstalraam was zó vuil dat je bijna niet kon zien dat het een winkel was en binnen rook het heel onfris. Maar hoeden dat er waren! Ik had nog nooit zoveel hoeden bij elkaar gezien. Allemaal verschillende vormen en kleuren.
De hoed die ik koos, mocht ik niet hebben van Moe want dat was een dameshoed volgens Prosper. Mannen dragen geen dameshoeden. Prosper was een nogal dikke, kleine man met een gigantische, potsierlijke snor.
Ik vond z'n snor eerlijk gezegd nogal lachwekkend en moest me daarom steeds bedwingen om niet de slappe lach te krijgen. Ik zou later nooit een snor laten groeien, dat stond vast.
Prosper droeg zelf altijd een hoed, binnen en buiten, in weer en wind. Alleen als hij 's zondags naar de mis ging, zette hij hem af, net voor hij de kerk binnenstapte. Zijn hoed was een soort van jagershoedje met een pluimpje erop. Dat vond ik ronduit belachelijk. En ik mocht geen mooie hoed uitkiezen? Kijk eens eerst naar jezelf, Prosper!
Als het koud was of het regende, zette ik mijn hoed op om naar school te gaan. Hilariteit alom. Ik begreep dat niet, want ik was fier op m'n hoed; hij gaf me het gevoel dat ik een man was.
"Waarom draag jij die ridicule hoed?" vroeg Dirk en tikte hem van mijn hoofd.
"Dat is geen ridicule hoed!" schreeuwde ik terug.
Toen ik hem wou oprapen, gaf Marc hem nog een trap, zodat hij wat verder in de haag terechtkwam. Hij was helemaal verfomfaaid.
"Pestkoppen!"
De meester had alles zien gebeuren en kwam naar ons toe.
"Kom jongens, geef Johan zijn hoed terug. Dat is niet netjes wat jullie doen. Vooruit, luisteren!"
"Ja, meester!"
Deze meester is geweldig. Hij is er altijd als ik hem nodig heb. Hij is absoluut de beste meester die ik ooit al gehad heb. Niet dat ik er al zoveel gehad heb … maar tot hiertoe is hij de allerbeste.
"Ah, de man met de hoed", zei hij altijd als hij me ergens in het dorp tegenkwam.
Ik wou dat ik later ook zo'n toffe meester kon zijn.
***
Café 'De Rode Neus' was nog open. Het was al een eind na middernacht. Veel volk zat er blijkbaar niet, enkel een paar dronkaards die aan de toog in slaap gevallen waren. Helemaal achteraan zat een jong koppeltje te kussen. Ze waren amper achttien, schatte ik. Raf porde me in m'n zij.
"Hoe schattig", zei hij, terwijl hij subtiel naar het koppeltje wees. "Doet je denken aan je jonge jaren, niet?"
Ik vond dat het beter was die vraag niet te beantwoorden.
"Laten we hier gaan zitten", zei Raf en hij stapte naar een tafeltje aan het raam. Hier hadden we een prima uitzicht op het mooi verlichte marktplein. Buiten begon het zachtjes te motregenen.
"Dat ziet er prima uit."
"Waar waren we gebleven?" vroeg hij alsof hij het zich niet meer kon herinneren. Hij keek daarbij naar het plafond en hield een wijsvinger voor z'n lippen.
"Ah ja, je had een probleem. Al achtentwintig jaar. Plus twee uur extra."
Bij dat laatste probeerde hij streng te kijken, maar dat ging hem niet goed af.
Ik kon dan ook niet anders dan ermee lachen.
"Sorry, het is eigenlijk niet om te lachen."
"Johan, ik maak me zorgen over je gezondheid. Waarom kan je me niet gewoon vertellen wat je hebt. Wat houdt je tegen?"
"Ten eerste is er met mijn gezondheid niets mis, dus maak je maar geen zorgen en ten tweede ben ik bang voor jouw reactie."
"Je kent me nu toch al lang genoeg om te weten dat je voor mij niet bang hoeft te zijn."
Hij had het niet helemáál begrepen.
"Ik ben niet bang voor jou, enkel misschien van je … reactie op
… wat ik ga vertellen. Ja sorry, erg duidelijk is dat niet veronderstel ik."
Er viel een korte pauze.
"Oké, ik ga het gewoon zeggen. Ik flap het er simpelweg uit en zie wel wat er gebeurt. In het slechtste geval sla je me op m'n smoel of loop je weg en spreek je nooit meer tegen me, of …"
Ik had nog niet verder nagedacht over alternatieven.
"Ik weet absoluut niet waarover je het hebt."
"Jef, kunnen we nog twee koffies krijgen?" riep Raf naar de cafébaas.
"Ja, maar dat zijn dan de laatste. Om twee uur sluit ik, dat is binnen een kwartier."
"Oké!" riepen we tegelijk.
Ik moest dus nu iets spectaculairs doen of alle moeite was voor niets geweest. Mijn hart begon nog wat sneller te kloppen.
"Raf …"
Ik haalde nog eens diep adem.
"Raf … ik denk dat ik homo ben."
Zo, het hoge woord was eruit. Voor de allereerste keer, Patrick niet meegeteld uiteraard. Nu afwachten wat zijn reactie zal zijn. Mogelijks heb ik na vandaag een vriend minder.
Raf fronste even de wenkbrauwen en zei heel eenvoudig: "So what? Wat maakt dat uit? Dat is toch helemaal geen probleem. Voor mij ben je nog altijd gewoon Johan, met wie ik in het orkest speel en met wie ik op restaurant ga en roddel over de vrou…"
Hij hield zich even in.
"Oh, sorry. Ja, natuurlijk, nu begrijp ik het. Daarom is …"
Zijn gelaat vertoonde duidelijke tekenen van een aha-erlebnis.
"Sylvia …"
"Inderdaad, je hebt het volledig door. Daarom heeft het ook achtentwintig jaar geduurd om het te vertellen."
"Achtentwintig jaar plus ondertussen al bijna vier uur", grapte hij.
Hij werd onmiddellijk terug bloedserieus.
"Sylvia …"
Hij aarzelde even.
"… weet zij …?"
"Nee, dat weet ze niet. Tenminste, dat denk ik toch. Ik heb het haar alleszins nog niet verteld, maar volgens mij heeft ze vermoedens dat ik wel eens biseksueel zou kunnen zijn." Ik dacht aan wat er gebeurd was met Alex, maar ik besloot wijselijk om verder te zwijgen.
"Wie weet het dan wel?"
"Jij bent de eerste tegen wie ik het vertel."
"Wow, wat een eer!"
Raf was duidelijk ontroerd. Ik dacht zelfs eerst dat hij een traan wegpinkte, maar hij zei dat er een stofje in zijn oog zat.
Toen we om twee uur buiten aan mijn auto stonden, gaf Raf me een knuffel. Dat maakte een grote indruk op me. Ik had alles verwacht, behalve dat. Voor mij was dat het bewijs dat hij me aanvaardde zoals ik was en dat deed me enorm veel plezier. Er was een zware last van m'n schouder gevallen. Ik voelde me opgelucht omdat ik het uiteindelijk toch tegen iemand verteld had en omdat ik niet langer met dat verschrikkelijke geheim moest blijven rondlopen. Bovendien was ik buitengewoon blij met de reactie van Raf; dat gaf me moed om mij verder, ten opzichte van m'n omgeving, volledig te outen.
"Raf, duizendmaal bedankt voor deze avond!"
"Dat is graag gedaan. Ik realiseer me nu hoe verdraaid moeilijk dit voor jou moet geweest zijn. Je hebt er verdorie vier uur over gedaan om het me te vertellen."
"Zeg dat wel. Ik hoop echt dat het bij mijn volgende gesprek vlugger kan."
"Je zal zien, dat dat zo zal zijn." En gelijk had hij.
***
Met weemoed denk ik terug aan die dingen uit mijn jeugd, die later zo belangrijk voor mij geworden zijn. Dingen die toen kleinigheden waren en die nu m'n leven vorm hebben gegeven. Er schiet me een gedachte te binnen: de herinnering aan Sinterklaas. Ik was er als kind van overtuigd dat de goedheiligman superslim was. Hij bracht steeds de juiste cadeaus en was heel inventief in de manier waarop hij ze bracht. Zo kan ik me nog goed voor de geest halen dat hij een mouw wist te passen aan het probleem met de pop. Juist, de pop die ik graag wou en die hij van Va niet mocht brengen. Zijn oplossing was geniaal; hij bracht ze bij tante Elza en onder voorwaarde dat ze nooit het huis van tante zou verlaten. Vermits Va hier bijna nooit op bezoek kwam, zou hij niets afweten van het bestaan van de pop. Schitterend!
Sinterklaas zorgde ook voor een drumstel. Dat was het begin van een hele lange cyclus 'muziek maken', die voortduurt tot op de dag van vandaag. Zonder Sinterklaas zou m'n leven er helemaal anders uitgezien hebben. Ik was amper vijf toen het gebeurde. Heel veel kan ik me er zelfs niet meer van herinneren, maar ik weet pertinent dat het drumstelletje dat ik toen kreeg, het mooiste cadeau was dat ik ooit al gekregen had en ooit zou krijgen. Ik had in mijn zeer jonge leven nog nooit zoveel vreugde ervaren.
Ma heeft me later dikwijls verteld, hoe kolossaal blij ik reageerde toen ik het drumstel zag staan bij tante Elza. Ja inderdaad, wéér bij tante Elza. Sinterklaas was gigantisch slim.
Tante, je bent veel te vroeg van ons heengegaan. Je was amper vierenveertig. Ik zal je dankbaar blijven, in aeternum.4En als je Sinterklaas ziet, bedank hem dan voor me.
***
Met moeite probeerde ik mijn ogen te openen. Mijn hoofd deed zo'n pijn. Er was ook iets met m'n bovenlip, maar ik kon niet meteen inschatten wat het was. Mijn rechteroog kon dingen waarnemen, maar door m'n linkeroog zag ik niets. Naast mij zat een man met een pet op. Dat was raar. Ik kende niemand met zo'n pet. Va had ook een pet, maar die zag er helemaal anders uit. Plots had ik door dat ik in bed lag. Ik probeerde rechtop te zitten.
"Rustig blijven, jongen … rustig. Blijf maar liggen", zei de man naast mij.
Ik herkende zijn stem helemaal niet.
"Je moet nu vooral veel rusten", zei een andere man die aan het voeteinde van het bed stond. "Je hebt een serieuze hersenschudding."
Ik kon zijn gezicht niet zien, maar ik zag wel dat hij een lange witte jas aan had.
"Kan je me vertellen wat je ging doen?" vroeg de man met de pet.
"Hans, vertel deze meneer wat je wou doen."
Dat was Moe. Dank u, Jezus! Moe is hier.
Ik dacht al dat ik bij vreemden terecht gekomen was.
Maar ik lag niet in m'n eigen bed, zoveel was duidelijk. Mijn bed had niet van die kille ijzeren stangen aan de zijkanten.
"Naar waar wou je fietsen, naar links of naar rechts? Zeg het maar gewoon zoals het is, jongen."
Waar had die man het over? Wie was hij trouwens? Waarom lig ik in dit bed, in deze vreemde kamer?
"Kan je je iets herinneren, Hans?"
Moe hield mijn hand vast.
"Het spijt me, mevrouw, maar het onderzoek wil dat ík de vragen stel. U begrijpt wel dat we geen beïnvloeding van buitenaf kunnen toestaan."
"Excuseer, meneer de commissaris", zei Moe beleefd.
Moe was altijd beleefd. Dat was ze gewoon, omdat ze veel in de winkel stond.
"Het zou natuurlijk gemakkelijk zijn, mevrouw, dat we zijn verklaring nu zouden kunnen opnemen, vooraleer hij er met iemand over gesproken heeft. Alleen dan weten we dat het de waarheid is en niets dan de waarheid."
Ik begreep er weinig van, maar Moe ging blijkbaar akkoord.
"Denk maar rustig na, jongen. Je moet je niet forceren."
Het was de andere man. Hij kwam dichterbij en deed iets met de windel om m'n hoofd. Toen besefte ik dat het een dokter was. Ik voelde aan mijn hoofd. Het was helemaal omwonden en op m'n linkeroog kleefde een grote pleister. In mijn bovenlip zaten draadjes. Ik kon ze voelen met m'n vinger.
"Je was dus aan het fietsen", zei de eerste man weer. "Waar wou je naartoe?"
Ik was aan het fietsen … hm … juist. Ik begon me flarden te herinneren. Wat wou ik doen?
De eerste man had ondertussen z'n pet afgezet en was gaan zitten. Hij knoopte zijn blauwe das nog eens fatsoenlijk.
"Ik blijf hier zitten tot hij het zich herinnert, mevrouw."
"Dan blijf ik ook", zei Moe.
"Dorst."
"Wat zeg je?" vroeg de inmiddels petloze man.
"Dorst. Ik had dorst … ik had grote dorst en wou naar huis rijden om iets te drinken."
Ik zag het nu voor mijn ogen; ik was met m'n fiets in de Kattenstraat aan het rijden en wou thuis iets gaan drinken.
"Aha!" zei de man, alsof ik een groot geheim verklapt had.
"Je bent naar huis gereden. Naar rechts dus, richting Schoolstraat."
Hij kuchte.
"Tja, mevrouw, dat is dan geen goed nieuws. Hij reed tegen de richting in."
"Nee, ik ben niet naar rechts gereden. Ik ben naar links gereden, naar huis."
"Maar je adres is Schoolstraat 7, jongen, en dat is naar rechts hoor. Je bent vermoedelijk wat in de war vanwege de klap. Gelukkig reed de melkboer niet al te hard."
Hij trok nog eens aan zijn das.
"Helemaal niet! Ik reed naar Moe in de Kerkstraat en dat is naar links."
Waarom bleef die man het zo belangrijk vinden of ik naar links of rechts reed? Ik begreep er niets van.
"Je zei daarnet dat je naar huis reed", repliceerde hij snel.
"Ja, ik reed naar huis, naar Moe. Mocht dat soms niet?"
Ik begon die blauwe das vervelend te vinden. Wat wil die toch van mij? Ik zou willen dat hij wegging, dan kan ik wat slapen, want ik begin moe te worden.
"Excuseer, meneer de commissaris, maar Hans woont al tien jaar bij ons in. Zijn officiële adres is inderdaad Schoolstraat 7, maar eigenlijk woont hij in de Kerkstraat 12."
Goed gezegd, Moe … en toch beleefd.
"Ik hoef enkel te weten of hij naar links of naar rechts reed, mevrouw. Al de rest is voor mij niet van belang."
Ah zo, ik ben niet van belang, Moe is ook niet van belang, alleen links en rechts.
Nee, commissaris wil ik later niet worden!
***
"Dat was een ontroerend verhaal. Zo mooi verteld."
"Ik heb gewoon verteld wat er gebeurd is, Jan."
"Nee, je hebt het geschilderd; ik ben er werkelijk door geëmotioneerd."
Ik kon duidelijk merken dat hij niet loog want z'n ogen waren helemaal waterig.
"Je kan hem niet vergeten hé. Ik heb het gevoel dat je nog altijd verliefd op hem bent."
Hij had gelijk. Ik kan Patrick nooit vergeten. Mijn allereerste vriendje, mijn allereerste verliefdheid, m'n allereerste kus.
"Wel, verliefd is na al die jaren niet meer het juiste woord. Maar laat ons zeggen dat ik nog steeds van hem hou."
"Ja, hij was je eerste, die vergeet je nooit." Jan had gelijk.
Het werd eventjes stil.
Toen zei hij plots: "Ongelofelijk, eenentwintig jaar met een vrouw samen. Jij."
"Tweeëntwintig jaar."
Ik zei het alsof ik er beschaamd over was.
"Hoe heb jij dat in godsnaam kunnen volhouden, man?"
Deze keer sprak hij iets luider dan gewoonlijk.
"Ik begrijp dat zelf niet, Jan. Nu zou ik zoiets niet meer kunnen, maar toen deed ik dat zomaar; omdat het moest. Maar ik voel me vooral verschrikkelijk schuldig."
Eindelijk had ik het hardop gezegd. Ik voelde me zo schuldig ten opzichte van Sylvia. Dat ik haar dat al die jaren had aangedaan. Ik had haar zonder meer misbruikt, dat was het. Misbruikt. Schandelijk misbruikt, om mezelf te genezen. Omdat ik geen homo wou zijn, omdat ik wou zijn wat de maatschappij van mij verlangde. Ik heb zo m'n best gedaan om hetero te worden en het is niet gelukt. Ik hoop dat Jan dat kan begrijpen. Ik moet hem dat gewoon zeggen; ik moet hem uitleggen waarom ik me zo enorm zondig voel.
"Ik heb het gevoel dat ik haar misbruikt hebt. Ik hoop dat ze me dat ooit kan vergeven; ik heb nochtans ontzettend m'n best gedaan. In de beginperiode dacht ik zelfs dat het ging lukken, dat ik zou 'genezen'. We hebben toch een aantal jaren zonder al te veel problemen op seksueel vlak meegemaakt. Ik heb zelfs op een zeker moment geloofd dat ik ervan af was. Echt waar! Maar uiteindelijk liep het toch allemaal mis."
"Waar is het dan misgelopen?"
"Er is van alles gebeurd, zelfs dingen waarvoor ik me nu vreselijk schaam."
"Je hoeft je voor niets te schamen, we zijn allemaal slechts mensen."
Ik dacht na over die woorden.
"Is er dan bij jou een moment gekomen waarop je je realiseerde dat je, ondanks al je pogingen om hetero te worden, tóch homo was?"
"Ja, dat moment is er geweest; het staat in mijn geheugen gegrift. Ik weet nog als de dag van gisteren waar en wanneer het gebeurde."
"Dat moet dan een heftige schok geweest zijn voor jou."
"Dat was het zeker; het was het begin van het einde, maar dat is een heel lang verhaal."
In een flits zag ik Alexander en even ervoer ik terug wat er tussen ons gebeurd was. Dat voorval ontketende de zwaarste en de donkerste periode van heel mijn leven; het was alsof de hel losbarstte. Hoe ga ik dat ooit aan Jan kunnen vertellen?
Jan stond recht, keek me met zijn gebruikelijke minzaamheid in de ogen en zei … nee, fluisterde bijna: "Zou je me dat verhaal volgende keer kunnen vertellen? Ik vrees dat we nu moeten afsluiten."
"Beloofd, Jan. Tot volgende week."
***
"Wat spelen we vandaag? Verstoppertje?"
Met z'n zessen stonden we aan de oude pomp op de hoek van de straat. Daar spraken we altijd af op woensdagnamiddag.
"Nee, dat hebben we vorige keer gedaan", zei Marc verveeld.
Paul en Dirk zagen dat ook niet zitten.
"Wat dachten jullie van tikkertje?" probeerde Luc.
"Nee, dat is afgezaagd, jong!"
Rudi vond altijd alles 'afgezaagd'.
"Laat ons schooltje spelen", stelde ik voor.
"Ja, schooltje!" riep Paul, "en Johan is de meester!"
Paul was mijn grootste supporter én beste leerling.
"Dat kunnen we doen", zei Marc en keek daarbij voorzichtig in de richting van Rudi.
Rudi vond het eerst te 'afgezaagd', maar toen Luc en Dirk zeiden dat ze het wel zagen zitten, stemde hij uiteindelijk toch in om mee te doen. Ik was in m'n nopjes. Dit wordt zo leuk!
Ik zette me op de rand van de pomp en de anderen gingen voor mij op een rij op de grond zitten.
"Eerst rechtstaan!" riep ik, "als de meester binnenkomt, moet iedereen opstaan."
Iedereen stond recht. Aan zijn gelaatsuitdrukking te zien, had Rudi blijkbaar al spijt dat hij meedeed, maar Marc wierp hem een strenge blik toe. Rudi mompelde wat, maar deed toch mee. De autoritaire blik van Marc had geholpen. Marc was de enige naar wie Rudi luisterde. Marc was ook de enige die Rudi kon bedwingen als hij weer eens een driftbui had. Vandaag viel het blijkbaar nogal mee, want Rudi was nog geen enkele keer opstandig geweest; hij had zelfs nog geen enkele keer gevloekt. Iets om te noteren!
"We gaan eerst leren rekenen", zei ik zo streng mogelijk.
"Weeral rekenen!"
Dat kwam van Rudi. Uiteraard, van wie anders.
"Jazeker, want Va zegt dat rekenen héél belangrijk is!" verklaarde ik. "Hoeveel is zeventien plus vierentwintig?" Iedereen zat op z'n vingers te tellen. Behalve Rudi, want die was niet geïnteresseerd.
"Tel jij niet mee, Rudi? Komaan, vooruit … meedoen!" maande ik hem aan. Normaal gesproken zou ik zoiets nooit durven zeggen tegen Rudi, gezien zijn opvliegend karakter, maar als ik mééster was dan moest iedereen in de klas luisteren. Opletten en luisteren naar de meester, zei Va altijd.
"Dat duurt wel lang, niet?"
Ik werd ongeduldig. Zo lang kan dat toch niet duren om zo'n eenvoudige som te maken. Het was per slot van rekening maar een opwarmertje.
"Vierenveertig", riep Dirk.
"Nee Dirk, denk eens na, dat kan toch niet wat je zegt. Bovendien moet je eerst je vinger opsteken als je iets wil zeggen."
Tja, de regels moesten gevolgd worden. Dat zei Va ook altijd.
"Ja, meester", zei Dirk zonder verdere commentaar.
"Meester!"
Paul stak z'n vinger op.
"Ja, Paul, zeg het eens."
Ik wees in zijn richting.
"Ik denk dat het eenenveertig is."
"Heel flink, Paul! Jij mag morgen mijn boekentas dragen."
Paul keek heel fier in het rond. De anderen waren onder de indruk. De boekentas van de meester dragen is 'niet niks'! Paul was inderdaad altijd m'n beste leerling geweest.
"Oké, volgende opgave, hoeveel is vijfenveertig maal vijfenveertig?"
"Kunnen we niet iets anders doen dan rekenen", klaagde Rudi.
"Ik kan misschien een mooi verhaal vertellen", stelde ik voor.
"Jaaa, een verhaal!" riep Paul uitgelaten. "Vertel over de Romeinen, Johan, daarover weet jij zoveel."
"Já, de Romeinen", riepen de anderen. Zelfs Rudi morde niet.
"Oké, wat willen jullie horen? De avonturen van Aeneas? De stichting van Rome? Of willen jullie iets met vechten?"
"Met vechten, met vechten!" riepen ze in koor.
Het was duidelijk welke kwaliteiten van de Romeinen ze het meest apprecieerden.
"Goed, dan vertel ik over de gladiatoren in het Colosseum."
"Wordt er dan iemand vermoord?" wou Luc nog weten.
Hij was de meest bloeddorstige van de groep.
"Ja, soms wel," zei ik, "maar meestal niet."
"Hoe bedoel je?" vroeg Luc verwonderd.
"Gladiatoren werden meestal niet vermoord, negentig procent bleef na het gevecht in leven."
Dat vond Luc niet zo leuk. Als er niemand vermoord werd, was de lol eraf.
