Voordat je me kende - Tamara Postma - E-Book

Voordat je me kende E-Book

Tamara Postma

0,0
5,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

Zeven jaar geleden vertrok ze in het holst van de nacht door het raam van haar slaapkamer en liet ze alles achter. Al die jaren was ze spoorloos, niemand kon haar vinden en eindelijk dacht ze vrij te zijn… tot dat ene telefoontje dat alles veranderde.


 


Als Isabella Lombardo na jaren zwerven door de straten van New York een telefoontje krijgt dat haar ouders vermoord zijn, leert ze eindelijk de waarheid over hun mysterieuze leven kennen.  Isabella gaat tegen beter weten in naar de begrafenis, maar voor ze het weet is ze het middelpunt van een heuse bendeoorlog en valt ze in handen van een hele foute man, die uit alle macht probeert zijn eigen verleden voor haar te verbergen.


 


Wat hij met de moord op haar ouders te maken heeft en hoe een meisje van zwerver naar de kroonprinses van de onderwereld transformeert? Dat lees je in 'Voordat je me kende.'

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
MOBI

Seitenzahl: 583

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Voordat je me kende

Tamara Postma

Voordat je me kende

is een uitgave van

Dutch Venture Publishing

Copyright © 2023 Dutch Venture Publishing

Auteur: Tamara Postma

Omslagontwerp: Jen Minkman

Tekstredactie: Britt Zwijnenberg

Eerste uitgave februari 2023

NUR 343

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave

Titelpagina

Copyright Pagina

Voordat je me kende

Proloog - Een week geleden

1 - Een week geleden

2.

3 - Zeven jaar geleden.

4 - Heden

5.

6.

7.

8.

9 - Joe

10.

11.

12.

13.

14.

15.

16 - Luca

17.

18.

19 - Luca

20.

21.

22.

23.

24.

25 - Luca

26

27 - Luca

Epiloog –Ergens in New York

Broken girls blossom into warriors.

Proloog - Een week geleden

‘Dit was het dan...’ schiet er door mijn hoofd, kijkend naar de twee bulten zand die sterk afsteken tegen het drassige, vertrapte gras. Twee bulten zand, te midden van een afgelegen stuk van de begraafplaats, op een veld waar alleen arme mensen begraven worden. Mensen om wie niemand iets geeft, zonder geld, soms zonder naam. Mensen voor wie niemand de moeite wilde nemen om hen een waardig afscheid te geven.

Daar sta ik, helemaal alleen, omgeven door graven waar nooit meer iemand lijkt te komen. Overal waar ik kijk zie ik scheefgezakte en gebarsten grafstenen met onkruid dat ertussendoor woekert. Stenen waar door al het vuil niet eens meer te lezen is wie er ooit begraven was. Compleet vergeten mensenlevens, hier allemaal wegrottend onder de grond, begraven met herinneringen aan hun leven en alles wat ze liefhadden. Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat er ergens op de wereld een troostelozere plek kan zijn dan deze.

Hoewel ik ze probeer te negeren, valt mijn oog weer op de twee bulten met zwarte aarde die in schril contrast staan met het woekerende groen op de rest van het veld. Het verbaast me hoe weinig het me doet om ze te zien, maar misschien komt dat omdat het heel onwerkelijk voelt dat het echt mijn ouders zijn die daar liggen, in twee identieke kisten, zonder naamaanduiding, ongeveer een meter onder de grond.

Ik schaam me een beetje om het toe te geven, maar het voelt als een enorme opluchting dat het eindelijk allemaal voorbij is. Alles waar ik bang voor ben geweest, alles waar ik voor ben gevlucht. Het is allemaal weg.

Verveeld schop ik met mijn voet een steentje richting de bulten, dat boven op de linker terechtkomt en er dan weer vanaf rolt, alsof hij ook niets met dit alles te maken wil hebben. Het is raar om hier te zijn, om hier voor die twee bulten te staan, zonder te weten wie in welk graf ligt.

Ik probeer iets te voelen. Wat voor dochter ben ik dat ik niets voel bij de aanblik van het zoveelste wat ik verloren ben? Dat ik werkelijk nog geen traan gelaten heb om het verlies van mijn ouders? Dat is toch niet normaal? Waarom huil ik niet? Ik moet toch...

Vastberaden knijp ik mijn ogen dicht en probeer er een traan uit te persen. Een vergeefse poging, want zelfs als ik aan het verdrietigste en zieligste denk dat ik me kan voorstellen, lukt het me nog niet om te huilen. Verdomme!

Het enige dat ik op dit moment wel voel, is een intense haat naar die twee mensen die ooit mijn vader en moeder zijn geweest. Eigenlijk kan het me zelfs niet eens schelen dat een van de grafdelvers zijn schep in de grond heeft laten staan en dat ze tijdens het graven nogal misplaatste grapjes maakten over hoe ze om het leven waren gekomen, compleet negerend dat ik – hun dochter – alles kon horen.

Een zachte windvlaag blaast mijn haren uit mijn gezicht en laat kleine druppeltjes op mijn wang landen. Bibberend trek ik mijn jas wat dichter om me heen en kijk toe hoe de steeds groter wordende druppels putjes in de zwarte aarde maken. Zo sta ik een tijdje in de regen terwijl de regendruppels in mijn kleding doordringen en ervoor zorgen dat ik langzaam doorweekt raak. Hoewel ik overduidelijk aan het rillen ben, voel ik de kou amper. Mijn gedachten zijn ergens anders. Ver weg van deze nare plek. Hoe ben ik hier beland? Wat is er in de afgelopen jaren gebeurd dat ervoor heeft gezorgd dat mijn leven ineens zo veranderd is?

Ooit was ik een meisje dat de wereld aan haar voeten had liggen, een kind dat in een prachtig huis woonde en steenrijke ouders had.

Nu sta ik hier, starend naar die twee bulten in het gras met als enige bezitting de kleding die ik op dit moment draag. Maar toch voel ik me niet arm; ik voel me rijker dan ooit. Want nu mijn ouders er niet meer zijn, heb ik datgene dat ik nog nooit heb gehad.

Vrijheid.

Eindelijk, na al die jaren, ben ik bevrijd uit deze nachtmerrie.

Met mijn voet schuif ik wat zand richting een van de bulten, als ik ineens terugdenk aan het telefoontje dat ik een week geleden voerde. Precies op deze dag en dit tijdstip. Een telefoongesprek dat ik niet had willen aannemen, omdat ik bang was voor wat er zou komen. En hoewel die angst misschien niet terecht was, heeft dat telefoontje mijn leven in één klap onherstelbaar veranderd.

1 - Een week geleden

‘Auw! Verdomme!’

Een scherpe pijnscheut gaat door mijn vinger en in een reflex breng ik mijn hand naar mijn mond, waar ik de metaalachtige smaak van het bloed proef, vermengd met een sterke, zilte vissmaak. Met een vies gezicht kijk ik naar mijn vinger en zie meteen een grote donkerrode druppel op mijn wijsvinger verschijnen.

‘Rotding!’ snauw ik, waarna ik een schop tegen de machine geef, die sissend en schokkend uitgaat, tot groot ongenoegen van mijn collega’s, die meteen beginnen te mopperen. Met een vinger waaruit inmiddels donkerrode druppels op de koude betonnen vloer vallen, snel ik naar een van de grote stellingen bij de muur waar ik ooit eens een EHBO-doos heb zien liggen.

‘Verband, gaasjes, tape...Waarom hebben we niet gewoon pleisters?’ mopper ik tijdens het doorspitten van het kleine metalen kistje. Ongeduldig doe ik mijn best om niet overal vlekken te maken, maar als ik niet snel iets vind, is al die moeite voor niets. Terwijl ik door de bak rommel op zoek naar een pleister, hoor ik aan het geroezemoes van mijn collega’s dat er iemand aan komt, dus ik moet opschieten. In een zijvakje vind ik een pleister die eigenlijk nog amper plakt en zo te zien al een keer gebruikt is, maar die misschien het bloeden wel een beetje tegenhoudt, in ieder geval tot ik thuis ben en ergens een pleister kan jatten. Snel plak ik het kleine, half plakkerige stukje stof om mijn vinger en haast me terug naar de machine, zodat ik kan doen alsof er niets gebeurd is.

Zelfs na al die maanden dat ik op de visafslag werk, is het me nog steeds een raadsel waarom ze mij uitgerekend dit werk laten doen. Ik heb me op zoveel verschillende vlakken bewezen, zo vaak heb ik laten zien dat ik veel beter ben in andere taken en toch word ik elke keer achter een machine gezet die mijn collega’s grappend ‘De Vingerhakker’ noemen. Wat trouwens wel een hele toepasselijke naam is, aangezien mijn voorganger daadwerkelijk twee vingers verloren is en daardoor ontslagen werd. Dat is het lot van mensen die zonder papieren en zonder contract aan het werk gaan, denk ik. Het is een soort sorteermachine, die de kleine vissen tussen de grote uitfiltert, zodat ze in twee verschillende bakken komen. Alleen is hij erg oud en heeft veel mankementen. Ik ben, tussen alle mannen die hier werken, de kleinste en de enige die onder de machine kan kruipen als er weer eens een vis vastzit, om hem ertussenuit te trekken.

Mijn gedachten worden onderbroken door het harde getik van hoge hakken op de betonnen fabrieksvloer. Snel doe ik alsof ik heel druk aan het werk ben en hoop maar dat ze niet doorheeft dat de machine nog uitstaat, aangezien ik hem na mijn speurtocht naar een pleister nog niet opgestart heb. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat er een witte schim naar me toe komt lopen. Zoals altijd is ze weer gekleed in een onberispelijk wit mantelpak dat afsteekt tegen de vieze werkruimte vol emmers met vis en rommel. Haar lange perfect gemanicuurde nagels duwen een onberispelijk witte zakdoek tegen haar neus, tegen de geur die hier hangt. Het kan werkelijk maar één persoon zijn. Mijn bazin Claire.

Al zo lang als ik hier werk snap ik niet waarom er mensen zijn die in een wit pak en op torenhoge hakken naar hun werk gaan als hun enige taak het aansturen is van de mensen die de vis van de band halen en sorteren. Maar zij lijkt het de normaalste zaak van de wereld te vinden. Ach, wat zou het ook. Dat mens is schatrijk, waarschijnlijk kan ze iedere dag een nieuw wit tweed stoffen maatpak uit de kast trekken en het oude ritueel verbranden zonder dat ze er ook maar iets van voelt in haar belachelijk goedgevulde portemonnee.

Net als ik de machine een stomp geef, waarop hij met horten en stoten weer begint te lopen, zie ik aan haar blik dat ze het vandaag op mij gemunt heeft. Echt, ik kan werkelijk niet wachten om erachter te komen op welke manier ze me nu weer de grond in gaat trappen. Haar hakken komen naast mij tot stilstand, waar ik haar minachtend hoor snuiven bij wijze van begroeting. Ik adem diep in en zet mijn allerliefste glimlach op, voor ik me naar haar toe draai en zie dat ze me vanachter haar zakdoek aankijkt.

‘Claire! Wat kan ik voor je doen?’

Meteen drukt ze de, zo te ruiken in parfum gedrenkte, zakdoek nog iets harder tegen haar gezicht en frunnikt nerveus aan haar rok, iets wat ze altijd doet als ze met mensen moet praten waarvan ze vindt dat ze minder zijn dan zij. Zo ongeveer de halve wereldbevolking, dus.

‘Kom alsjeblieft niet zo dichtbij. Je stinkt naar vis.’

‘Je meent het,’ komt er nogal kribbig uit. ‘Ik sta hier vanaf fucking vijf uur vanmorgen vis schoon te maken. Natúúrlijk ruik ik naar vis.’

Ze heft haar ogen op naar de hemel, alsof ze iets of iemand smeekt haar de kracht te geven om met dit achterlijke kind te praten en kijkt dan weer naar mij.

‘Er is telefoon voor je.’

Oké, dat had ik dus niet verwacht. Ik had eigenlijk gedacht dat ze me een standje zou geven omdat ik vijf minuten te laat was. Of omdat ze me er vies uit vindt zien, of weet ik het. Maar telefoon? Dat stond dus onderaan mijn lijstje. Of eigenlijk stond het er helemaal niet op.

‘Telefoon? Voor mij?’

Ze rolt opnieuw met haar ogen en zet haar handen in haar zij: ‘Nee, voor de kerstman. Die man is al de hele ochtend aan het bellen en zei dat hij zelf zou langskomen als ik weer zou ophangen, omdat het nogal dringend was ofzo. Ik snap werkelijk niet waar iemand jou voor nodig kan hebben, maar oké. Schiet op en zeg hem dat je niet gebeld mag worden tijdens je werk.’

Verbijsterd staar ik haar aan, om te kijken of ze het meent of misschien toch een grapje maakt. Maar goed, Claire is niet het soort mens dat een grapje maakt, daar kwam ik maanden geleden al achter toen ik hier voor het eerst aan het werk ging en haar vroeg of ze van de voedingsinspectie was, wijzend naar haar smetteloos witte pak.

Ze slaakt een geërgerde zucht en beent de hal weer uit, waar het getik van haar hakken achter haar uitsterft. En ik? Ik kan amper bewegen, omdat ik helemaal in shock ben. Wie zou mij hier nou kunnen bellen? Niemand weet toch dat ik hier ben?

Langzaam veeg ik mijn vieze handen aan mijn toch al smerige broek af en loop naar de gang naast de vishal, waar een ouderwetse telefoon aan de muur hangt. Zo’n eentje met een grote plastic hoorn en een heel lang krullend koord, die je bijna nergens meer ziet. Nou ja, behalve hier dan, op een plek waar ze dingen pas vervangen als ze echt onherstelbaar kapot zijn. Zoals de vingerhakmachine waarmee ik werk bijvoorbeeld. Met een hart dat in mijn keel tekeer lijkt te gaan, reik ik naar de plastic hoorn van het apparaat en nadat ik goed om me heen heb gekeken of er niemand anders op gehoorafstand is, breng ik hem naar mijn oor. Het is jaren geleden dat ik een telefoon heb vastgehouden en het voelt heel onwennig om dat apparaat tegen mijn oor te houden en erin te praten. Ik kuch en pers er met een schorre stem een gedag uit, gericht aan de persoon aan de andere kant van de lijn.

‘Is dit Isabella Lombardo?’ hoor ik een zware mannenstem zeggen.

Het horen van mijn naam, mijn échte naam, die ik al jaren niet meer gebruik, zorgt ervoor dat ik naar adem hap en in een reflex de hoorn op de haak wil smijten. Maar ik ben zo verbaasd door dit alles, dat het voelt alsof mijn arm helemaal verstijft. Ik kan hem niet eens bewegen, laat staan die hoorn weer terughangen.

‘Ja, dat ben ik,’ fluister ik met trillende stem.

Ik hoor de man wat hummen en weet niet of dat nou een goed teken is of niet. Ondertussen voel ik mijn hart steeds sneller kloppen en krijg ik het zo warm dat het zweet me uitbreekt. Wat moet deze man van me?

‘Ik heb niet zulk leuk nieuws voor je.’ zucht degene aan de andere kant van de lijn.

Het blijft een paar seconden stil, alsof de man op een antwoord wacht. Als ik dat niet geef, vervolgt hij zijn verhaal.

‘Ik weet niet zo goed hoe ik je dit moet vertellen, maar je ouders zijn overleden en...’ De rest van de zin gaat volledig langs me heen. Van schrik sla ik een hand voor mijn mond. Wat? Mijn ouders zijn overleden? Ik heb mijn ouders niet meer gesproken sinds... die ene nacht waarin ik besloot alles achter te laten. Die verschrikkelijke nacht is al zeven jaar geleden.

Zeven jaren waarin ik op straat heb rondgezworven, waarin ik talloze verschillende namen heb gehad en allemaal pogingen heb gedaan om maar niet gevonden te worden. Waarin ik me continu heb verstopt en elke dag bang was dat iemand me zou vinden en me terug zou brengen naar mijn ouders. Achteraf zijn die angsten voor niets geweest, want mijn ouders zochten helemaal niet naar me. Tenminste, voor de vorm zijn er de eerste jaren nog een aantal vruchteloze zoekpogingen geweest en ben ik af en toe pamfletten met mijn naam erop tegengekomen. Maar het was hen nooit gelukt me te vinden. Vandaag is de eerste keer in al die jaren dat ik rechtstreeks iets over mijn ouders hoor en toch voel ik na al die tijd nog steeds niets anders dan enkel woede en pure haat als ik aan hen denk.

***

‘Isabella?’ hoor ik de zware stem zeggen. ‘Ben je oké?’

Ik schraap mijn keel en wil een hele stoere stem opzetten, maar het lukt me niet. De ‘ja’ die ik eruit pers, komt er nogal piepend uit.

‘Oké, heb je gehoord wat ik aan je vroeg? Het is dringend.’

‘Ik geloof het niet,’ geef ik toe. ‘Ik hoef hen toch niet te identificeren? Want dat weiger ik.’

Er klinkt een gebrom, of een gegrinnik, een van de twee, voordat hij zijn vraag nogmaals herhaalt.’

‘Nee, dat is al gebeurd. Ik heb jou nodig om wat zaken te regelen. Kun je vanmiddag naar The Bloody Tooth komen?’

Nadenkend over zijn woorden, die even op me in moeten werken, draai ik het lange gekrulde koord van de telefoon om mijn vingers. Dit gesprek wordt met de seconde raarder. Waarom ben ik nodig om zaken te regelen voor mensen met wie ik al jaren geen contact meer heb?

‘Is het echt nodig?’ vraag ik aarzelend. ‘Ik heb mijn ouders al jaren niet gezien of gesproken. Ik wil niks van hen.’

Het blijft even stil, waarna hij weer begint te praten.

‘Ik heb wat informatie voor je die ik je niet wil onthouden. Ik kan je niet dwingen om te komen, maar ik zou het erg waarderen als je toch even naar mijn verhaal zou willen luisteren.’

Nadenkend tik ik met mijn vingertoppen tegen mijn kin. Ik wil niets van mijn ouders; zij zijn een deel van mijn verleden waar ik liever niet aan terug wil denken. Maar volgens deze man zijn ze overleden. Dus kunnen ze me geen pijn meer doen. Wie weet kan ik iets van mijn oude spulletjes terugkrijgen die ik destijds achtergelaten heb, al is het maar een oude foto of zoiets.

‘The Bloody Tooth, zei je? Ik ben er om twee uur.’

‘Prima, Isabella. Ik zie je dan.’

Eigenlijk wil ik de man nog vragen of ik hem binnen zal ontmoeten of misschien toch buiten en waaraan ik hem kan herkennen, maar hij heeft al opgehangen voor ik überhaupt iets kan zeggen. Een beetje verbaasd kijk ik naar de telefoon in mijn hand en hang hem weer op de haak.

Wat de man heeft verteld dringt niet echt tot me door. Oké, mijn ouders zijn dood, maar hoe het kan dat ze ineens tegelijkertijd overleden zijn? En goed, hij heeft informatie, maar waarom wil hij me nu precies spreken? Dat heeft hij ook al niet gezegd.

Hoewel ik het doodeng vind om af te spreken met een man die ik niet ken en die bovendien een soort band met mijn ouders had, heb ik weinig keuze. Als ik niet ga, zal ik nooit een antwoord op mijn vragen krijgen. Ik heb dit nodig om het af te sluiten, voor eens en altijd.

Ik kijk op de klok die boven de telefoon hangt en schrik een beetje van de tijd. Eigenlijk wil ik gewoon weggaan zonder iets te zeggen, maar dat kan gewoon niet... Eerder weggaan betekent ontslag en ik heb deze baan écht nodig. Als mijn collega’s me verlinken, ben ik hem kwijt en dat betekent weer geen geld voor eten. Dus ik moet het aan Claire vragen, of ik dat nou wil of niet. Beschaamd door mijn vieze kleding en onverzorgde uiterlijk veeg ik eerst zo goed mogelijk mijn handen af, voordat ik op haar smetteloos witte deur durf te kloppen. Geduldig wacht ik tot ze ‘binnen’ mompelt en duw zachtjes de deur open.

Zoals altijd zit ze achter haar peperdure Macbook te werken en werpt ze me een blik vol afschuw toe als ik haar kantoor binnenkom. Ze is slechts een jaar ouder dan ik, maar onze levens kunnen werkelijk niet verschillender zijn.

Door haar blik voel ik me ineens heel klein en sla ik mijn ogen neer. Ik mag dan doen alsof spullen en rijkdom me niets interesseren, maar stiekem kijk ik enorm tegen haar op. Ze is altijd prachtig gekleed, goed verzorgd en heeft altijd van die mooie lange lichtroze nagels, waarmee ze ongeduldig op haar bureau tikt. Vergeleken met haar ben ik een onzichtbaar meisje, een nietszeggend persoon dat zich niet kan herinneren wanneer ze voor het laatst iets fatsoenlijks gegeten heeft.

‘Wat doe je hier in godsnaam! Ga weg voordat mijn hele kantoor naar vis meurt!’

Walgend grijpt ze een tissue uit de doos op haar bureau en duwt hem tegen haar neus, voor ze op haar stoel zo ver mogelijk bij me vandaag rijdt alsof ze zo hoopt die geur niet te hoeven ruiken.

Snel neem ik een teug adem en loop een klein stukje naar haar toe, tot ze me met haar ogen dwingt te stoppen en absoluut niet dichterbij te komen.

‘Ik... Mijn...’

‘Ik heb hier geen tijd voor. Jemig, Stella, ik moet zo nog lunchen en je verpest mijn eetlust! Wat moet je van me?’

‘Mijn ouders zijn overleden... Ik... Ik moet iets regelen.’

Melodramatisch rolt ze met haar ogen, alsof ze zichzelf afvraagt waar ze dit soort stommiteiten aan verdiend heeft.

‘En dat vertel je me... omdat?’

‘Omdat ik iets eerder weg moet. Ik heb een afspraak en –’

‘Ga gewoon. Wat kan mij dat schelen? Val je me hiervoor lastig? Heb je enig idee hoeveel parfum het gaat kosten om jouw geur uit mijn kantoor te krijgen? Misschien moet ik het wel professioneel laten reinigen. Ga jij die kosten betalen?’

Snel schud ik mijn hoofd en draai me om, in de hoop haar niet nog bozer te maken. Achter me hoor ik nog een geërgerde zucht en het klappen van haar deur, die ze met een zwaai achter me dichtgooit.

Toch wel een beetje opgelucht dat ik dit obstakel overwonnen heb, ren ik naar de vishal en pak daar mijn jas van de kapstok. Het is winter en ontzettend koud. Hoewel mijn jas drie maten te groot is en de helft van de voering eruit is gevallen, is het nog altijd beter dan niets. Bij wijze van een gedag steek ik mijn arm in de lucht en loop naar de uitgang, waar de kou me meteen in mijn gezicht slaat. Net zoals op alle voorgaande dagen deze week regent het pijpenstelen en aangezien mijn jas meer gaten heeft dan een gemiddeld vergiet, voel ik de druppels al snel tot op mijn huid doordringen, iets wat continu rillingen door mijn lichaam laat gaan.

Vanaf de visafslag is het een half uur lopen naar mijn huis en terwijl ik met mijn ene hand mijn jas zo strak mogelijk om me heen trek, houd ik met mijn andere hand mijn capuchon naar beneden in een vergeefse poging om het stromende water zoveel mogelijk uit mijn gezicht te houden.

Het eerste stukje van de tocht naar huis is altijd wel leuk om te zien. Ja, ik haat mijn werk op de visafslag, maar op de naastgelegen vismarkt, waar alle gesorteerde vissen in kratten liggen te wachten op hun nieuwe eigenaar, is het altijd druk en gezellig. De verkopers schreeuwen naar elkaar en naar de klanten, stuk voor stuk bewerend dat hun vis de beste is en dat die van hun buurman rot is. Het is een gedeelte van de stad waar mensen niet komen als ze er niets te zoeken hebben, maar wat in de afgelopen maanden een plek is geweest waar ik dagelijks kom.

Na een paar minuten laat ik de visafslag achter me en daarmee ook de sterke indringende vislucht, die katten en ongedierte uit de hele stad lijkt aan te trekken. Al snel loop ik door de verlaten straten van het armste gedeelte van New York, de stad waar ik al mijn hele leven woon. Her en der zie ik wat mensen schuilen tegen de regen onder de luifels van oude verlaten winkelpanden die de enorme hoeveelheid water amper kunnen tegenhouden. Ze kijken me vol medelijden aan en ik snap hen wel. Als ik in hun plaats een jong meisje met kleding die amper warmte of beschutting geeft over straat zag lopen in dit weer, zou ik hetzelfde gevoel van medelijden hebben.

Als ik in de verte de straat zie waar ik naartoe moet, versnel ik mijn pas een beetje omdat ik niet kan wachten om deze vieze, doordrenkte kleding uit te trekken en me een beetje op te frissen. Maar net als ik de hoek om ben en aan het einde van de straat de opvang kan zien, krijg ik een raar gevoel, waardoor er een rilling over mijn rug loopt. Misschien verbeeld ik het me, maar ik durf te zweren dat iemand naar me kijkt... Dat iemand me volgt.

Aarzelend draai ik me in de stromende regen om en houd een hand boven mijn ogen, in de hoop mijn zicht wat te verbeteren.

‘Hallo? Is daar iemand?’

Overal waar ik kijk, klettert de ijskoude regen op de grond. Ik zie rommel, vuilniszakken die iemand gedumpt heeft, een bankstel en zelfs een rat, maar verder niemand. Niets wijst erop dat mijn gevoel juist zit.

‘Isa, stel je niet zo aan,’ mompel ik tegen mezelf en ik vervolg mijn weg naar de opvang, waar ik heel even voor het gebouw blijf staan, niet in staat het ongemakkelijke gevoel van me af te schudden. Mijn ogen half dichtknijpend tegen de regen, kijk ik tegen de gevel van het enorme pand omhoog, waarvan werkelijk álle ramen met latjes dichtgetimmerd zijn. Het gebouw is net zo troosteloos als de rest van de panden in de buurt en het is een wonder dat er nog geen ontwikkelaar is geweest die deze panden op heeft gekocht, om ze plat te gooien en er hypermoderne kantoorpanden neer te zetten.

Nadat ik mijn ogen nogmaals door de straat heb laten gaan, waar echt niemand is, leg ik mijn handen tegen het splinterige houtwerk waarna ik de grote krakende deur met veel kracht openduw.

‘Please, laat Liam niet thuis zijn. Ik kan zijn shit er niet bij hebben vandaag.’

Godzijdank staat hij me niet in de hal op te wachten, zoals hij soms doet. Opgelucht veeg ik mijn natte haar uit mijn gezicht en begroet Donna, een oud vrouwtje dat al jaren in de opvang woont en amper nog tanden in haar mond heeft. We noemen haar grappend de receptioniste, omdat ze door een gebrek aan bedden en kamers in de hal slaapt en eigenlijk niets anders doet dan de hele dag op een bankje zitten en noteren wie er allemaal binnen komen en wie er weer vertrekt. Samen zijn we de enige twee mensen die hier echt permanent wonen. Zij omdat ze weigert om naar een bejaardentehuis te gaan, ondanks de vele pogingen om haar onder dwang te laten opnemen, ik omdat ik gewoon echt geen andere keuze heb. Ik heb domweg geen andere plek om naartoe te gaan.

Ze glimlacht naar me en noteert mijn naam, waarna ik naar het trappenhuis loop, waar iemand die ik niet ken op de onderste trede ligt te slapen. Voorzichtig stap ik over hem heen en sjok de met afval en bierblikjes bezaaide trap op naar boven.

Als ik eindelijk op de vijfde verdieping aankom, leun ik even tegen de muur om uit te rusten. Het gebouw, dat ooit ongetwijfeld een van de mooiste oude gebouwen van de stad is geweest, is nu niets meer dan vergane glorie. Het is tientallen jaren geleden na een keukenbrand verlaten door de bewoners en vervolgens gekraakt door een groep daklozen. Sindsdien wonen er steeds wisselende mensen, jong en oud, met allemaal hun eigen redenen om niet meer naar huis te gaan. Voor het gemak wordt het gebouw ‘de opvang’ genoemd, al is het dat natuurlijk niet echt. Bij de daklozenopvanglocaties die ik ken, is nog enige vorm van toezicht. Er is vaak wel wat te eten en er zijn dingen als schone dekens en medicijnen. Dat is hier allemaal niet; iedereen zorgt voor zichzelf en ik heb nog een van de betere kamers. Ik weet dat er ook mensen zijn die met vijf op een kamer op dekens slapen, die op de grond gedrapeerd zijn.

Heel kort gun ik mezelf een moment om naar de prachtige plafondschilderingen in het trappenhuis te staren die me vaag doen denken aan de plafonds in de grote hal van mijn ouderlijk huis, vele jaren geleden.

***

‘Hé Stella, jij bent vroeg klaar met werken!’ hoor ik een mannenstem zeggen, die er vrijwel meteen voor zorgt dat ik spijt heb dat ik niet meteen naar die afspraak ben gegaan en eerst naar huis wilde. Met tegenzin draai ik me om en zie Liam tegen de muur voor mijn kamerdeur aan leunen. Net zoals altijd hangt zijn halflange, sprieterige haar slap rond zijn gezicht en draagt hij dezelfde vieze kleding als ik. Hij woont nu een jaar af en aan in de opvang omdat hij net als ik geen andere plek heeft om naartoe te gaan. Ooit heeft hij me verteld dat hij op zijn achttiende het huis uit is gezet door zijn ouders vanwege zijn drugsgebruik, maar het verhaal wisselt nog wel eens, dus ik weet niet wat er nu echt met hem aan de hand is.

Als de enige twee jonge mensen in de opvang, ontstond er in het begin een soort van vriendschap tussen ons. Maar hoe meer we met elkaar omgingen, des te duidelijker het werd dat zijn gevoelens niet echt vriendschappelijk te noemen zijn. Sterker nog, als hij weer eens te veel gezopen heeft, zoals nu, probeert hij wel eens wat, ook al heb ik hem al talloze keren duidelijk gemaakt dat ik hem niet moet. Wat snapt die gast niet aan de friendzone?

Aan zijn blik te zien heeft hij nu ook het nodige gedronken en als ik een beetje dichterbij kom, ruik ik de scherpe alcoholwalm die uit al zijn poriën lijkt te komen. Bovendien vertelt zijn opgezwollen blauwe oog me dat hij weer eens gevochten heeft. Uit ervaring weet ik dat dat meestal geen goed nieuws is, dus ik mompel een gedag en probeer langs hem heen naar mijn deur te glippen, zodat hij met zijn tengels van me afblijft.

Maar nog voor ik bij mijn deur ben, voel ik al hoe zijn grote handen me vastgrijpen en me met een doffe klap tegen de muur aan smijten.

‘Wat is dit nou, Stella? Kun je me niet eens fatsoenlijk gedag zeggen? Heb je een ander ontmoet?’

Die verdomde jaloezie. Altijd als ik hem afwimpelde of afstandelijk deed, kreeg ik dit naar mijn hoofd. Hoeveel duidelijker moet ik zijn? Verdomme.

‘Rot op, Liam.’ brom ik. ‘Ik heb hier geen zin in.’

Met ingehouden adem tegen de misselijkmakende damp uit zijn mond, probeer ik me los te wurmen uit zijn greep, iets wat natuurlijk meteen al kansloos is, gezien het feit dat die man ruim een kop groter is dan ik. Ik voel zijn vingers in de huid in mijn armen drukken, waar ze ongetwijfeld weer eens blauwe plekken zullen achterlaten.

‘Kijk me aan,’ gromt hij. ‘Waar zat je vandaag? Waarom zeg je niets tegen me?’

‘Ik was aan het werk! Misschien moet je ook eens een baan zoeken, dan word je niet steeds in elkaar gemept als je weer iemand geld schuldig bent!’

Kennelijk verbaast mijn uitval hem, want zijn greep verslapt, zodat ik hem van me af kan duwen. Wat wel fijn is, gezien het feit dat ik door de afstand weer adem kan halen.

‘Waarom ben je zo vroeg terug? Je bent nooit voor vier uur thuis.’

Met mijn hand wrijf ik over mijn arm en kijk hem aan. Sinds wanneer is hij zo nieuwsgierig? Even wil ik mijn mond opendoen om te vertellen dat ik zo weer weg moet. Maar als ik hem vertel over mijn afspraak, heb ik een probleem. In eerste instantie omdat hij vast mee wil. Ten tweede omdat Liam niet weet wie ik echt ben. Ik weet het verhaal dat ik bij hem heb opgehangen niet eens meer precies, maar hij weet niet dat ik uit een rijke familie kom en dat wil ik heel graag zo houden.

Een vlakke hand dreunt naast mijn gezicht tegen de gepleisterde muur en stuurt een schok van angst door mijn lichaam. Niet dat ik bang ben voor Liam. Hij doet dan wel stoer, maar ik heb mezelf behoorlijk goed leren verdedigen in de afgelopen jaren op straat. Maar het doet me denken aan de woedeaanvallen van mijn moeder, die een behoorlijk trauma opgeleverd hebben.

‘Geef antwoord, verdomme!’

‘Doe normaal, idioot!’ spuw ik naar hem. ‘Ik ben jou geen verklaring schuldig.’

Ik been naar mijn deur en hoop dat hij me met rust laat, maar dat doet hij niet. Natuurlijk volgt hij me, terwijl hij met een wat zachtere stem mijn naam noemt.

‘Stella, ik ehm... Sorry van net, ik ben gewoon gestrest, want ik heb problemen gemaakt. Heb je misschien wat geld voor me? Ik moet nog iets betalen en...’

Allemachtig, wat moet ik met die kerel? Zelfs in deze wereld moeten toch betere vrienden te vinden zijn dan dit figuur?

Ik pak drie dollarbriefjes – die ik had willen gebruiken om brood te kopen – uit mijn zak en geef ze aan hem, in de hoop dat hij me dan met rust laat. Maar dat doet hij niet, want kennelijk is hij zo blij met me, dat hij mijn kin tussen zijn duim en wijsvinger pakt en zijn lippen nogal ruw en onhandig op de mijne drukt.

De smaak van zijn mond is misselijkmakend. Bier, wiet, allerlei viezigheid die ervoor zorgt dat ik spontaan begin te kokhalzen. En op het moment dat hij zijn vrije hand over mijn lichaam laat gaan en in mijn broek wil stoppen, doe ik het enige wat hem op dit moment tegen kan houden.

Ik bijt ik zo hard als ik kan in zijn onderlip.

Geschrokken en kermend van de pijn springt hij naar achteren, waar hij met zijn hand naar zijn bloedende lip grijpt, waar mijn paarsblauwe tandafdrukken overduidelijk te zien zijn.

‘Jij klotewijf! Dat zet ik je betaald!’ buldert hij, zijn mond afvegend met zijn mouw, waarop een rode streep achterblijft.

‘Dat krijg je ervan, klootzak! Hoe vaak moet ik nog zeggen dat ik je niet wil? Denk je nu echt dat ik zit te wachten op een bezopen klaploper?’

‘Alsof jij veel beter bent! Jij bent toch net zo arm als ik?’ zegt hij, de dollarbriefjes in zijn zak proppend.

‘Als dat zo is, waarom ben ik dan altijd degene die jou geld moet geven? Zoek zelf gewoon een baan, nietsnut!’

‘Ik betaal het je wel terug! Dat weet je toch?’

Zuchtend loop ik naar mijn deur en draai me daar om.

‘Hoeft niet, koop maar een paar blikken bier, dan ben je in ieder geval niet nuchter als ze je weer eens te pakken krijgen.’

‘Je kunt wel zo lelijk doen, maar ik weet dat je van me houdt, Stella. Ooit zal ik je in mijn bed krijgen!’

Het lukt me niet eens om een lach te onderdrukken. Echt, wat een loser is dit.

‘Liam,’ zeg ik met een suikerzoete glimlach, ‘Je hebt niet eens een bed. En zelfs al zou je dat wel hebben en zou ik al het geld terugkrijgen dat je me verschuldigd bent, dan nóg zou ik het bed niet met jou willen delen.’

Even denk ik dat ik daarmee weg zal komen, maar Liam houdt niet zo van afwijzingen. Hij duikt op me af en wil me vastpakken. Iets wat ik alleen maar kan ontwijken door naar beneden te zakken en onder zijn arm door te glippen. Met een noodgang ren ik naar mijn kamer, waar ik de deur opengooi en weer dichtsmijt. Ik kan hem net op slot draaien voor hij zijn woedende lichaam tegen het houtwerk stort en op de deur begint te bonzen.

Luisterend naar de talloze verwijten die ik naar mijn hoofd krijg geslingerd, ga ik op mijn bed liggen, met mijn armen achter mijn hoofd, wetend dat hij het vast zo weer opgeeft en bier gaat kopen. Met gesloten ogen wacht ik net zolang tot het geschreeuw stopt, er geen geram meer op de deur klinkt en zijn voetstappen de trap aflopen, gepaard met een hele serenade aan scheldwoorden waarvan ik de meeste niet eens kan verstaan.

Langzaam sterft het geschreeuw weg, tot ik beneden, aan de kant van de straat, een deur dicht hoor slaan, gevolgd door nog meer gevloek en getier, dat zelfs door het glas van mijn deels dichtgetimmerde raam te horen is.

Nog maar net bekomen van de ene schrik, herinner ik me ineens de reden dat ik naar huis ben gekomen. De afspraak met de man! Als ik nog op tijd wil komen, moet ik me nu klaar gaan maken. Tenslotte ben ik eerder naar huis gegaan voor dat gesprek en kan ik het niet maken om te laat te komen.

Bibberend kleed ik me uit, terwijl ik de kraan van de wastafel laat lopen zodat het water wat helderder kan worden. Mijn kamer bevindt zich op de zolder van het gebouw met nog drie slaapkamers en één badkamer. Het was vroeger de verdieping waar het personeel van het gezin woonde en ik heb de kamer van de dienstmeid. Iets wat nog te zien is aan het belletje dat boven mijn deur hangt. De badkamer moet schoongehouden worden door de mensen die op de verdieping wonen, maar in de praktijk wordt hij vooral gebruikt door drugsgebruikers omdat het naast mijn kamer de enige ruimte is waarvan het slot nog gewoon werkt.

Ik kan me niet eens herinneren wanneer ik voor het laatst een douche heb genomen of überhaupt in een echte badkamer ben geweest. Mijn enige mogelijkheid om me te wassen is op mijn kamer, een hokje van zes vierkante meter zonder verwarming, maar met een bed, een nachtkastje waar al mijn waardeloze bezittingen in passen en een wastafel, waar redelijk schoon water uit komt als ik geluk heb. De wanden zijn hier en daar nog bedekt met beschimmelde restjes behang dat zo te zien ooit heel kleurrijk is geweest, maar nu de gebarsten en gepleisterde muur slechts een extra laagje treurigheid geeft. Het bed moet minstens honderd jaar oud zijn, net als het met stro en wol gevulde matras, dat altijd vochtig aanvoelt door de regen die door de barsten in het deels met houten planken dichtgetimmerde raam komt. Een hel voor een ander, maar na jaren in een oude deken gewikkeld in willekeurige portiekjes, onder bruggen en in verlaten panden te hebben geslapen, voelt het hebben van een kamer bijna als de hemel. Het is typisch zo’n ding waarvan je pas beseft hoe dankbaar je ervoor mag zijn als je het niet meer hebt. Zoals ook schone kleding bijvoorbeeld, of warm water.

Met mijn armen om mijn magere lichaam geslagen, ga ik voor de wastafel staan. Daar valt mijn blik op de gebarsten spiegel, waarin mijn spiegelbeeld weerkaatst. Ik ben nog maar tweeëntwintig, maar jaren van ongezond leven en ondervoeding hebben ervoor gezorgd dat ik er veel ouder uitzie. Ik ben broodmager, bijna knokig zelfs, mijn wangen zijn ingevallen en onder mijn hazelnootkleurige ogen bevinden zich diepe blauwe wallen. Twijfelend breng ik mijn vinger naar mijn sleutelbeen, waar drie kleine, ronde littekentjes zitten, naast elkaar. Drie kleine herinneringen aan een gebeurtenis die ik ontzettend graag uit mijn herinneringen wil bannen, maar die iedere keer weer boven komt drijven als ik ze zie.

Mijn ribben, benen en armen zitten onder de bloeduitstortingen, krassen en littekens van het zware werk in de visafslag. Hoewel ik er al jaren zo slecht uitzie, schrik ik elke keer weer van mijn uiterlijk en houd ik het grootste gedeelte van de tijd mijn spiegel afgedekt met dekens, oude kleren of doeken, zodat ik niet naar mezelf hoef te kijken.

Stilletjes vraag ik mezelf af hoe ik eruit had kunnen zien als ik een gewoon leven had gehad. Wanneer ik met liefdevolle ouders was opgegroeid voor wie ik niet had hoeven vluchten. Wanneer ik wel altijd genoeg te eten en een dak boven mijn hoofd had gehad. Maar me dingen afvragen verandert niets aan mijn situatie. Een situatie die nooit beter zal worden.

Voorzichtig houd ik mijn handen onder de kraan, waardoor meteen de pleister van mijn vinger valt. Gelukkig is het bloeden gestopt, al is er wel een hele lelijke snee te zien, die ook wel een litteken zal worden. Snel vul ik mijn handen met het ijskoude water en wrijf mijn gezicht schoon. Daarna probeer ik mijn haar te ontklitten met mijn vingers, iets wat eigenlijk een onbegonnen zaak is, door de vele knopen die zich in mijn lange haren gevormd hebben. Ik besluit het dus maar in een knot te draaien, die ik vastbind met een reep stof die ik ooit van een oud T-shirt gescheurd heb.

Mijn oude kleding gooi ik in de emmer bij de wasbak en pak mijn enige andere outfit, die ik gisteren heb uitgespoeld en nu over de reling van mijn bed ligt te drogen. Of nou ja... Een outfit is het niet te noemen. Het zijn een oud mannenhemd, waarvan ik geen idee heb hoe ik eraan gekomen ben, een pillig flanellen overhemd van Liam en een veel te grote spijkerbroek die ik wat aansjor met een touw, zodat hij niet steeds afzakt.

Ik heb geen idee hoe laat het inmiddels is, maar ik heb het gevoel dat ik moet opschieten. Snel trek ik mijn nog doorweekte jas en schoenen aan en haal voorzichtig de deur van het slot, om te kijken of het nog steeds veilig is. Gelukkig is de hal helemaal leeg en loop ik mijn kamer uit, waarvan ik de deur op slot draai met de sleutel die om mijn nek hangt.

De straten van New York zijn koud, nat en verlaten. Of tenminste, vast niet overal, maar in Fordham, de wijk in The Bronx waar ik woon, wel. Ooit las ik in een achtergelaten krant dat het nergens in New York gevaarlijker wonen is dan hier. Nergens zijn zoveel overvallen, moorden en schietpartijen. Iets wat ik overigens zonder moeite kan beamen. De eerste nachten dat ik na een lange zwerftocht door New York hier terechtkwam, werd ik regelmatig wakker van geweerschoten, sirenes en geschreeuw, maar inmiddels hoor ik het niet eens meer. Zo weinig indruk maken ze op me. Oké, ik zal niet doen alsof ik een of andere harde tante ben, want stiekem vind ik het doodeng om naar de pub te gaan waar we hebben afgesproken.

The Bloody Tooth heeft nogal een naam en de weinige vrienden die ik in de afgelopen jaren gemaakt heb, waarschuwden me altijd om daar niet naartoe te gaan. Stiekem vraag ik me af waarom die man juist daar met me wilde afspreken.

***

De pub ligt aan de rand van The Bronx, verscholen in een steegje dat niet heel makkelijk te vinden is. Maar daarnaartoe lopen is een uitje op zich. Met elke straat die ik oversteek, lijkt de stad te veranderen.

Ik ga van rommelige straten, waar ongedierte en vuilnis de keien bedekken, naar een iets minder troosteloos gedeelte van deze wijk, waar mensen in kleine koffietentjes en lunchrooms schuilen voor de regen met broodjes en kleine kopjes met veel te dure koffie.

Ik heb die koffie nooit geproefd, maar toen ik ooit eens las hoeveel geld mensen voor zo’n klein kopje betalen, stelde ik me voor dat het vast het lekkerste drankje ooit moet zijn.

Het grootste verschil met de wijk waar ik woon, is nog wel dat dit deel van de stad zoveel drukker is. Toeterende gele taxi’s zoeven tussen het verkeer door, hier en daar bijna mensen van de sokken rijdend, wat een behoorlijk gescheld tot gevolg heeft. En net als ik heel even stilsta om te genieten van een wereld die iets minder somber is dan de mijne, valt mijn oog op een ouderwetse klok die boven een winkel hangt en aangeeft dat ik veel te laat ga komen.

Zo snel als mijn voeten me kunnen dragen, ren ik door de straten en probeer zoveel mogelijk de plassen te ontwijken zodat mijn schoenen niet nog natter worden. Overal kijken mensen me na, waarschijnlijk vermoeden ze dat ik op de vlucht ben omdat ik net een overval heb gepleegd of zo. Een paar keer vraag ik me af waar ik ben, vermoed ik dat ik verdwaald ben en nooit meer thuis ga komen.

En dan ineens ben ik er. Ik sta voor de pub, die er allesbehalve uitnodigend uitziet. Er is een raam dichtgetimmerd, op de tegels voor de deur liggen zowel twee lege hulzen als een nogal dubieuze roodbruine vlek en zelfs buiten hoor ik het gebulder en geschreeuw al, dat van de gasten binnen komt. Maar als ik één ding moet kiezen wat me de meeste angst inboezemt, is het wel de plaquette met daarop de naam, met daarop een tang getimmerd, waar een echte mensenkies tussen geklemd zit.

Voor heel even sluit ik mijn ogen, twijfel kort of dit een goed idee is en loop dan met ingehouden adem naar binnen. Niet wetend dat deze keuze mijn leven voor altijd zal veranderen.

2.

Oké, ik heb gelogen. Vergeleken met wat me tegemoetkomt zodra ik de pub binnen loop, was dat bord een schijntje. Het eerste wat ik zie is een grote glazen weckpot, tot aan de nok gevuld met bloederige kiezen en tanden, met een ijzeren tang ernaast, waarvan ik wel kan raden waarvoor hij gebruikt wordt. Als ik daar iets te lang en vol afschuw naar kijk, word ik opgeschrikt door een zwaar gekuch van een man die achter de bar staat, met een wit hemd vol gele vetvlekken, waar zijn vlezige buik onderuit komt. Kennelijk zegt mijn blik genoeg, want vrijwel meteen komt hij achter de bar vandaan, grijpt mijn arm beet en grijnst hij zijn vrijwel tandeloze mond bloot.

‘Wat moet jij hier? Ben je verdwaald?’

‘Nee, ik... Ik heb een afspraak hier en –’

‘Bij deze heb je een afspraak met mij. Kom mee naar achteren, ik weet wel raad met een meisje zoals –’

Ik hap naar lucht als ik opgeschrikt word door een keiharde knal, die ervoor zorgt dat de vadsige barman me loslaat. Even denk ik dat er een schot gelost werd, maar als ik opkijk, zie ik een boomlange man bij ons staan, zijn vuist nog gebald op het mahoniekleurige hout van de bar.

‘Earl, ze heeft een afspraak met mij,’ gromt hij.

‘Excuses, baas. Ik wist niet... Ik –’

Het is een rare gewaarwording om de man die net nog zulke praatjes had te zien stamelen en met zijn staart tussen zijn benen terug te zien lopen naar zijn plekje achter de bar. Ik wil de man bedanken omdat hij me gered heeft, maar voor ik dat kan doen, hoor ik een zacht gebrom, waarna mijn arm vastgegrepen wordt en ik geen andere keuze heb dan mee te lopen.

The Bloody Tooth is een oude bruine kroeg waar mensen van mijn leeftijd normaal niet zouden komen. Ik ben nog nooit in deze kroeg geweest, maar ik heb er al vele verhalen over gehoord. Het is een plek waar mensen naartoe gaan voor bepaalde zaken die ze geheim willen houden en die ze zelf niet willen of kunnen uitvoeren. Als je iemand uit de weg wil laten ruimen, vind je hier gegarandeerd iemand die het voor je kan doen.

Hoe verder we de ruimte inlopen, hoe meer ik moet wennen aan de hoeveelheid rook die er hangt. Mijn ogen beginnen te prikken en te tranen en ik zie slechts hier en daar wat figuren op de bruine bankjes zitten, die me stuk voor stuk aanstaren. Steeds meer betwijfel ik of dit wel een goede keuze is geweest. Ik had hier nooit alleen naartoe moeten komen. Niet zonder iets om me mee te verdedigen.

‘Isabella?’

Ik merk pas dat we gestopt zijn als ik met een schok tot stilstand kom en tegen een brede, in pak gehulde borstkas aan bots, die ervoor zorgt dat ik naar achteren wankel. Ik kijk omhoog, maar de man is te lang om hem in zijn ogen te kunnen kijken, niet zonder dat ik een stapje naar achteren moet zetten en dat wordt me onmogelijk gemaakt door de manier waarop hij me vastheeft.

‘Ben jij haar of niet?’ mompelt hij.

Zonder een geluidje te maken, knik ik zachtjes, waarop hij me loslaat en tevreden bromt, iets wat hij vaker lijkt te doen. Nu pas kan ik zijn gezicht zien: zwarte ogen die onder dikke borstelige wenkbrauwen uitkomen, een netjes getrimde baard en behoorlijk wat rimpels, waardoor ik meteen het gevoel krijg dat hij oud moet zijn. Misschien de leeftijd van mijn vader, of nou ja, de leeftijd die mijn vader had toen hij overleed dan. Het stomme is... hij komt me ergens bekend voor en zoals hij naar me kijkt, denk ik dat het wederzijds is. Heel even laat hij zijn ogen over mijn gezicht gaan en haalt dan de dikke sigaar uit zijn mond. De dikke kruidige ruikende rook uitademend, buigt hij zich naar me toe en drukt de sigaar achter me in een asbak uit.

‘Kom,’ mompelt hij kortaf.

Hij pakt een sleutel uit zijn broekzak en steekt die in een sleutelgat in een in de muur verborgen deur, waar tot mijn verbazing een ruimte achter blijkt te zitten. Als hij me voorgaat en de deur voor me openhoudt, aarzel ik wel even, tot hij me aankijkt en een wenkbrauw optrekt alsof hij wil vragen waarom ik niet binnenkom.

Met een hart dat in mijn keel lijkt te kloppen, zet ik een stap over de drempel, waarop hij de deur achter ons sluit en op slot draait. Nu heb ik geen uitweg meer: ik ben hier helemaal alleen met een man die ik niet ken en er niet uitziet alsof hij me heeft uitgenodigd om gezellig een potje te kaarten of thee te drinken. Net als ik wil vragen wat we hier precies gaan doen, knipt hij een lampje aan en zie ik een groot bureau, waarop hele stapels met papieren liggen. Hij schuift een stoel naar achteren zodat ik daar kan gaan zitten, iets wat ik aarzelend doe, en neemt plaats aan de andere zijde van het bureau, waar hij blijft staan terwijl hij zijn koffer op het blad legt.

Weifelend zit ik te wachten totdat hij iets zal zeggen, maar er komt niets. Zonder ook maar een woord met me te wisselen, loopt hij naar een hoek van de kamer waar een tafeltje staat met daarop een grote karaf met een bruine vloeistof waarmee hij twee glazen vol ongeveer de helft vult. Met de drank in zijn handen loopt hij terug naar het bureau, waar hij op de stoel tegenover me gaat zitten en de glazen op tafel zet. Even kijkt hij me aan, waarbij het lijkt of hij iets gaat zeggen, maar in plaats daarvan schuift hij een glas naar mij toe en gooit de ander in een teug achterover.

‘Dank je wel,’ mompel ik, zachtjes ruikend aan het glas met de bruine, scherp geurende drank erin, waarvan ik vrij zeker weet dat ik het niet lekker ga vinden. Afgeleid door mijn drankje heb ik niet door dat hij naar me kijkt. Pas als ik mijn ogen opsla, slaat hij ze snel weer neer en gaat hij verder met rommelen in zijn koffer, waar hij allerlei papieren uithaalt.

‘Je lijkt op je moeder,’ bromt hij zonder me aan te kijken.

‘Dat vind ik geen compliment.’

Shit, dat kwam er sneller uit dan de bedoeling was en ik zie aan zijn blik dat hij dat ook niet verwacht had. Maar zelfs na al die jaren is het nog moeilijk om te horen dat ik het evenbeeld ben van de persoon die ik het meest haat in de hele wereld.

‘Kende je haar?’ vraag ik zachtjes, me realiserend hoe dom die vraag is, aangezien hij net zegt dat ik op haar lijk en ik het nieuws dat ze overleden is van hem moest horen.

Hij knikt onverschillig en gaat verder met het uitzoeken van de papieren. Kennelijk zijn het allemaal lastige dingen en liggen ze niet op volgorde, want het uitzoeken en sorteren kost hem behoorlijk wat tijd. Uiteindelijk heeft hij het papier gevonden waar hij naar op zoek is. Uit de koffer pakt hij een bril en zet die op, waarna hij het document doorleest en fronsend over zijn kin wrijft alsof hij iets niet snapt. Ik neem een slokje uit het glas dat voor me staat en voel hoe de drank in mijn keel brandt. Met een vies gezicht zet ik het glas weer terug en hoop dat hij het niet gezien heeft, maar die hoop is tevergeefs.

‘Je houdt niet van cognac?’

‘Ik drink geen alcohol, het is smerig.’

‘Hmm,’ komt er nadenkend uit zijn mond. ‘Dat komt nog wel, geloof me.’

Voorzichtig nip ik nog wat van het glas, maar ik besluit dat het niet mijn ding is. De enige drank die ik ooit gedronken heb, was de muffige wijn die Liam ooit eens achter een restaurant in een prullenbak had gevonden of blikjes bier die hij soms uit de supermarkt pikte. Wat ik nu drink is totaal niet te vergelijken met dat. Zelfs na die paar kleine slokjes voel ik mijn lichaam warm worden en krijg ik een vreemde kriebel in mijn keel, die ik er niet uit kan hoesten. Ik besluit mijn jas maar uit te trekken en over de stoel te hangen, zodat ik hier zo niet helemaal bezweet voor hem zit.

Niet dat dat hem zou opvallen, want de man is vanachter zijn brillenglazen zo met zijn papierwerk bezig, dat het hem niet eens zou opvallen als ik al mijn kleding uit zou trekken en op tafel zou gooien. Met mijn vingers om het glas gevouwen, gluur ik tussen mijn wimpers door naar de man, terwijl ik nadenk over hoe hij mijn ouders moet kennen en welke rol hij in hun leven gespeeld heeft. Hij is goedgekleed, het soort man dat ik vaker bij hen over de vloer heb zien komen. Zijn pak is zwart en er zit werkelijk geen stofje of vlekje op de licht glanzende stof. Zijn eveneens zwarte overhemd is overduidelijk gesteven en in de bordeauxrode stropdas die hij draagt, zit een rijkelijk met allerlei edelstenen gedecoreerde sierspeld die duurder moet zijn dan wat de meeste mensen in een jaar verdienen. Voor zover ik daar verstand van heb, dan.

Zijn gezicht zit onder de zwarte stoppels, afgezien van een lichte streep over zijn linkerwang, waar door een litteken geen haar groeit. Bij zijn ogen heeft hij diepe kraaienpootjes, maar niet het soort dat je krijgt als je vaak lacht en ook op zijn voorhoofd zijn flinke groeven te zien. Alles aan deze man straalt uit dat hij een zwaar leven heeft gehad, wat me nog meer doet afvragen wat hij nou precies van me wil.

Ongeduldig laat ik mijn ogen ronddwalen door de ruimte, waar eigenlijk niet veel te zien is, behalve dit bureau en het tafeltje met de karaf erop. Ik vraag me af wat dit voor plek is, zo verscholen achter in een beruchte pub. Voor ik daar echt bij stil kan staan, valt mijn oog op iets waarvan ik heel erg schrik. Iets glimmends in de koffer trekt mijn aandacht en als ik een klein beetje overeind kom om het beter te kunnen zien, deins ik geschrokken terug in de stoel. Daar in het schemerlicht glanst de loop van een vuurwapen. In de loop der jaren heb ik al een aantal keren een pistool gezien, een keer tijdens een politie-inval in de opvang, waarbij een agent minutenlang de loop van zijn pistool tegen mijn gezicht had gedrukt in de hoop dat ik zou vertellen waar Liam was. De tweede keer had Liam er eentje in een zak achter een vuilnisemmer in een steegje gevonden. Bewonderend hadden we onze vingertoppen over het gladde koude metaal laten gaan. Wat me vooral bijstaat is hoe ontzettend zwaar het wapen geweest was. Ik kan me nog herinneren hoe gek ik het vond dat je met zo’n klein, maar zwaar apparaat iemand van het leven zou kunnen beroven en ik wilde niets liever dan er zo snel mogelijk vanaf komen. Uiteindelijk had Liam het in zijn zak gestopt om te verpatsen zodat we hopelijk eens fatsoenlijk eten konden kopen en hij wat schulden kon afbetalen. Hij nam het mee naar een vriend van hem die handelde in wapens, maar toen hij terugkwam had hij geen geld en geen eten. Hij zei dat hij het pistool kwijtgeraakt was, maar aan de blik in zijn ogen zag ik al snel waarvoor hij het geld gebruikt had. Zijn pupillen waren zo groot als schoteltjes.

Ik gluur over de rand van de koffer naar het wapen en vraag me af waarom de man het mee heeft genomen. Ineens dringt tot me door dat mensen zoals hij vast niet zomaar een wapen bij zich hebben. Een behoorlijk benauwende gedachte. Waarom wilde de man afspreken op een plek waar ik normaal nooit zou komen? Waarom heeft hij een pistool mee? Hadden mijn ouders de opdracht gegeven om... Zouden ze me echt zoveel gehaat hebben?

‘Zo,’ zegt de man, zich totaal niet bewust van het rampscenario dat zich net heeft afgespeeld in mijn hoofd. De papieren waarmee hij aan het rommelen was, liggen keurig in vier stapeltjes op het bureaublad en nadat hij zijn zware lichaam in de stoel heeft laten zakken, vouwt hij zijn enorm grote handen in elkaar. Een moment kijk ik naar de grote gouden ringen die hij aan zijn vingers draagt, tot ik een zwaar gekuch hoor en ik beschaamd omhoogkijk.

‘Het was een flinke klus om je te vinden. Ik ben jaren naar je op zoek geweest. Hoe heb je je zolang verborgen kunnen houden?’

Pas nu hoor ik dat hij een accent heeft, niet het standaard New Yorkse accent dat de meeste mensen hier hebben, maar juist dat van de plek waar ik opgegroeid ben. Long Island New York. Nu woonden mijn ouders in het gedeelte aan de rand van de Hamptons, waar heel veel Amerikaans-Italiaanse families woonden. Mijn ouders waren de perfecte mengelmoes: mijn vader een eerste generatie volbloed Italiaan en mijn moeder een blonde zuidelijke schone inclusief bijbehorend accent. Hoe deze man tegen me praat doet me denken aan hoe mijn buren tegen elkaar spraken en gek genoeg is dat best een vertrouwd geluid.

‘Weet ik veel, de eerste jaren zorgde ik ervoor dat ik niet herkend werd, maar toen ik ontdekte dat ze me toch niet zochten, deed ik daar geen moeite meer voor. Ik heb me de afgelopen jaren niet verstopt.’

Schattend kijkt hij me aan, alsof hij probeert te besluiten of hij me gelooft of niet. Uiteindelijk steekt hij zijn hand naar me uit, waar ik even niet van snap wat hij ermee bedoelt. Tot zijn ogen heel even naar mijn hand flitsen en ik hem voorzichtig in de zijne leg. Zijn huid is ruw, maar warm en mijn handen lijken minuscuul in vergelijking met die van hem, waardoor ik hem al snel weer terugtrek.

‘Ik ben Giuseppe Romano en ik was jarenlang de rechterhand van je vader. Hij noemde me altijd Joe, dus jij mag dat ook doen.’

Ik knik een beetje onwennig en kijk de man aan, die op mijn antwoord lijkt te wachten. Hoe kan het dat deze man de rechterhand van mijn vader is geweest? Dan zou ik hem ooit wel ontmoet moeten hebben, toch? Als hij doorkrijgt dat ik toch niks ga zeggen, kijkt hij naar de papieren, waar hij een met nietjes aan elkaar gemaakt document tussenuit pakt.

‘Ik neem aan dat je weet wat voor werk je ouders deden?’

Schokschouderend doe ik alsof dat me niet zoveel kan schelen, omdat ik deze man en zijn intenties nog steeds niet helemaal vertrouw. Maar stiekem kan ik niet wachten op zijn antwoord, dat me hopelijk wat duidelijkheid zal geven. ‘Geen idee. Ik weet dat mijn vader een ondernemer was, maar verder niet. Hoezo?’

Pure verbazing is in zijn ogen te zien en even lijkt hij me niet te geloven. ‘Weet je het niet? Je ouders stonden aan het hoofd van een van de grootste maffiabolwerken van Amerika. Al generaties lang is jouw familie de grootste en meest gevreesde familie hier in New York. Hoe kan het dat je dat niet weet?’

Zijn verbazing is dan misschien groot, maar de mijne is groter. Ben ik dan zo dom? Natuurlijk zag ik wel dat mijn ouders met ongure types omgingen, maar ik had nooit verwacht dat dit de reden zou zijn.