14,99 €
Na de zoveelste ruzie met zijn vrouw vertrekt Hein (47) alleen naar Zuid-Frankrijk. Als hij daar een tijdje is, leest hij in de krant zijn eigen overlijdensadvertentie. Dit biedt hem de kans om een nieuwe start te maken en weg te lopen uit zijn huidige leven. Hij verandert zichzelf van de Nederlander Hein in de Duitser Helmut en blijft in de Franse Camargue. Na vijf jaar kijkt hij tevreden terug. Maar dan komt er een e-mail. En later volgen er nog meer. Iemand zegt te weten wie hij echt is. Wie de mail gestuurd heeft? Helmut tast in het duister. Maar één ding is zeker: iemand kent zijn geheim en wil hem daarmee chanteren. Maar dan komt er hulp uit volkomen onverwachte hoek! Tegelijkertijd wordt Helmut aan het denken gezet. Wás het wel zo'n goede beslissing? www.rinipietersen.nl
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 306
Veröffentlichungsjahr: 2023
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2023 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99146-103-6
ISBN e-book: 978-3-99146-104-3
Lectoraat:Ine van Gerwe
Vormgeving omslag:Zengine, Andrii Shablovskyi, Francesco Scatena | Dreamstime.com
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
www.novumpublishing.nl
1
Apeldoorn, 2 juli 2001
Hein en Tineke
‘Hein, het is half tien, kom nou eindelijk eens je nest uit!’
‘Ja, ja.’
‘Toe nou, de eerste lunchgasten staan om half één op de stoep, je hebt toch nog wel wat voorbereiding te doen?’
‘Ach mens, zeur niet, alles is onder controle.’
‘Ik kan niet alles alleen, Hein. Alles is al schoon, de voorraad aangevuld en de verwarming staat aan. Jij moet echt de keuken regelen. De soep van de dag moet gemaakt worden, de jongens in de keuken moeten een opdracht krijgen en gaan snijden.’
‘Mens, zeik niet zo. Ik zei toch dat ik eraan kwam. Alles is onder controle.’
Tineke stampt de slaapkamer uit en gooit de deur achter zich dicht. Tegen de dichte deur schreeuwt ze:
‘Het is ook altijd hetzelfde. Jij blijft iedere morgen in je bed liggen en ik draai voor de gevolgen op. Ik ben het goed zat, luilak! We hebben al zoveel moeite om het hoofd boven water te houden.’
Achter de deur hoort ze wat gemompel, maar geen beweging. Ze stormt naar het restaurant en doet de laatste dingen om de gasten te ontvangen. Ondertussen kijkt ze steeds op haar horloge.
Om tien over tien komt Hein met een slaperige kop de grote keuken binnen sloffen en schenkt op zijn gemak een kop koffie in. Daarna sjokt hij naar het aanrecht, bekijkt de inventaris en haalt zijn schouders op. Hij gaapt eens uitgebreid en gaat beginnen aan zijn dagelijkse sleur.
De dag gaat zoals iedere dag: alles loopt gesmeerd. Tineke en Hein lijken een goed op elkaar ingespeeld team. De klanten zijn blij met hun maaltijd en Tineke glimlacht tevreden. Ze straalt bij ieder compliment en lijkt zich lichter te bewegen. Zelfs haar ogen krijgen weer een lichte glans. Tijdens het werk maken ze grapjes met elkaar en met de gasten. Zo ontstaat er een ongedwongen sfeer in het restaurant en in de bar. Op een onbewaakt ogenblik kijkt Hein een beetje melancholiek naar zijn vrouw. Hij realiseert zich heel goed dat zijn mening er al jaren niet meer toe doet. Hij doet wat er van hem verwacht wordt. Hein werkt zich plichtmatig door het werk heen en om tien uur kan hij met een zucht de keuken afsluiten. Tineke kijkt hem glimlachend aan: ‘Goeie omzet vandaag Hein, fijn hè?’
Hein kijkt zijn vrouw woedend aan: ‘Daar draait het om, hè? De omzet? Is er dan niets anders belangrijk voor jou?’
Tinekes gezicht verstart en er komt een donkere blik in haar ogen: ‘We moeten toch leven? Dat kan alleen als we omzet draaien of niet soms? Heb je misschien een ander idee?’
‘Ja, dat weet je. Jij was diegene die een camping in Frankrijk wilde. Voor de zoveelste keer, Tineke: laten we samen die droom werkelijkheid maken. Ik stik hier; altijd hetzelfde, altijd die keuken. Ik wil de wind in mijn haren en vrij zijn!’
‘Oh ja, daar hebben we Hein weer! Hij wil weer vrij zijn. Word eens volwassen man. We hebben een gezin, we hebben onze verantwoordelijkheden, zoals een dure hypotheek. Vrij zal je voorlopig niet zijn, hoor. Had even nagedacht voor je me zwanger maakte!’
‘Nou is ie helemaal mooi! Heb ík jou alléén zwanger gemaakt? Had jij daar niks mee te maken? Je wilde maar al te graag, trut! Jij wilde het kind houden. Ik was voor abortus destijds. Weet je nog? Ik wilde nog reizen en van mijn jeugd genieten.’
‘Rotzak, álles draait altijd alleen maar om jou!’
‘Oh ja, daar gaan we weer. Alles ligt aan mij en jij bent onschuldig. Speel maar weer het zielige vrouwtje, met die luie kerel die nooit wat doet. Je hebt het slecht getroffen, hè? Altijd moet alles gaan zoals jij het wilt. Wat ik wil is niet van belang.’
‘Hou nou op, Hein. Als je zo ongelukkig bent, donder dan maar op. Ik red me heus wel, hoor en als jij er niet bent zal de sfeer hier flink opklaren!’
Op dat moment komt hun zoon Pieter de kamer binnen. Weer ruzie, denkt hij en wil door lopen naar zijn kamer. ‘Hé Pieter, luister eens. Ga jij met me mee naar Frankrijk? Samen een camping opzetten?’ vraagt zijn vader.
Pieter schudt zijn hoofd en kijkt aarzelend naar zijn moeder. Maar van die kant krijgt hij geen hulp; ze kijkt weg.
‘Nou Pieter, wat doe je? Zin in een avontuurtje?’
‘Kom op, pa, zeur niet.’
‘Hein, jij klootzak. Waag het niet die jongen zo voor het blok te zetten.’
‘Als je er zo over denkt, dan ga ik maar.’ Hein zucht en loopt de kamer uit naar boven. Hij pakt een grote rugzak en begint zijn spullen in te pakken. Tineke komt de slaapkamer binnen. Ondanks alles krimpt haar maag samen, gaat hij echt weg? Ze kijkt haar man aan en aarzelt. Heel even voelt ze de liefde die ze vanaf de eerste dag voor hem voelde door zich heen stromen.
Maar dan doet Hein zijn mond open en op hetzelfde moment voelt ze haar woede weer opkomen: ‘Schat, ga met me mee. Even ertussenuit zal ons goed doen. Laten we gewoon even de boel de boel laten. Laten we even doen alsof we dit bedrijf niet hebben en plezier maken zoals vroeger.’
‘Hoe kan je dat nou zeggen? We kunnen ’t Heuveltje toch niet zomaar dicht doen? We zitten voor het hele weekend volgeboekt! Hein, ik ben dit zo zat. Ik kan dit niet meer.’
Hein pakt haar hand en zegt: ‘Tineke, je ziet er de laatste tijd zo moe uit. Rust zal je goed doen en onze relatie ook! Ga een weekje met me weg. Toe nou, schat.’
Tineke kijkt hem met een ijzige blik aan. ‘Hoe durf je te zeggen dat ik er moe uit zie. Natuurlijk zie ik er moe uit. Elke dag moet ik aan je trekken om je in beweging te krijgen. Elke dag moet ik zorgen dat niet alleen mijn taken, maar ook die van jou gedaan worden. Jij loopt weg voor elke verantwoordelijkheid. Ja, de leuke gastheer, die kan je goed spelen. Alle gasten vermaken met grapjes en grollen. Maar als puntje bij paaltje komt, komt alles op mij neer. Het restaurant, de kinderen, het huishouden, alles!
‘Kinderen? Wat nou kinderen. Jan woont al lang niet meer thuis. Die heeft ons niet nodig. En Pieter … nou ja, dat is Pieter, daar maken we goeie afspraken mee als we weg zouden gaan. Dat moet toch kunnen, schat?’
‘Nee, dat kan niet. Je weet heel goed dat Pieter leiding nodig heeft. Dat zal de komende paar jaar nog zo zijn. Ik loop daar niet voor weg Pieter zit duidelijk niet goed in zijn vel. Hij heeft de laatste twee weken al twee keer op het politiebureau gezeten. Jij hebt alleen maar aandacht voor jezelf en je eigen ongemakjes. Jij vuile egoïst! En nou wil je dat ik met je mee ga? Nou mooi niet. Ik blijf hier.’
‘Tineke, liefje …’
‘Maar geloof mij. Als jij nu die deur uitstapt, met die tas in je handen. En als je het nu waagt om weer voor een tijdje te verdwijnen, kan je weg blijven! Flikker dan maar op. Ik hoef je hier niet meer! Ik denk dat de kinderen en ik beter af zijn zonder jou.’
Hein buigt zijn hoofd en draait zich langzaam om.
‘Als dat werkelijk is wat je wilt.’ En met die woorden verdwijnt hij naar buiten en stapt hij in zijn auto.
2
Apeldoorn, 12 juli 2001
Tineke
Tineke kijkt op haar horloge: kwart voor twee. Waar zou Hein blijven? Ze had hem nu toch wel weer thuis verwacht. Meestal blijft hij maar een dag of twee, drie weg. Maar nu is het al meer dan tien dagen. Ze denkt weer terug aan die ruzie van vlak voor hij wegging. Hij was zo vreselijk boos de deur uitgegaan. Zou ze te hard voor hem zijn geweest? Een gevoel van verlorenheid steekt door haar heen. Hoe anders is het leven gelopen dan ze vijfentwintig jaar geleden bedacht hadden. Heel even staat ze zich toe om weg te dromen en waant ze zich op die mooie camping aan de Middellandse Zee in Frankrijk. Ze zucht. De werkelijkheid is harder. Nu woont ze boven de bar die ze samen elf jaar geleden gekocht hebben. Zij doet de bar en de bediening, Hein de keuken. Ze kunnen er een redelijke boterham mee verdienen en hun jongens kregen en krijgen altijd alles wat nodig is. Maar het gevoel dat het niet is geworden waar ze van droomde, blijft altijd knagen.
Ook tussen haar en Hein is het niet meer de ‘echte liefde’ waar Tineke op haar zestiende zo blij mee was. Hein is tegenwoordig vaak knorrig en ongelukkig. Boos op de wereld en op iedereen om hem heen. Met als hoogtepunt hun laatste ruzie; wat waren ze allebei woedend geweest. Eigenlijk is haar enige lichtpuntje de afgelopen jaren het moederschap. Jan is al vroeg in hun relatie geboren. Ze was nog maar net 22. Wat wist ze toen van het leven? Maar de zorg voor een baby gaf haar een gevoel van geborgenheid. En wat was Jan een schattige en rustige baby geweest. Hij lag altijd tevreden in zijn wiegje en later in de box te spelen, terwijl zij studeerde voor haar horecadiploma’s. Ze heeft altijd gedroomd van een groot gezin. En groot was de teleurstelling toen een volgende zwangerschap op zich liet wachten. Ze heeft zichzelf vaak de schuld gegeven en een groot gevoel van falen gehad. Hein was in die tijd heel lief voor haar, maar zo druk met zijn sporten dat hij ook niet echt veel aandacht voor haar had.
Geheel onverwacht werd uiteindelijk Pieter nog geboren. Hij was een heel ander kind dan Jan. Altijd moeilijk, altijd dwars. Hoewel Pieter uiterlijk als twee druppels water op haar lijkt, is hij ook altijd in staat om het bloed onder haar nagels vandaan te halen. Ook Hein kan maar moeilijk met die dwarsigheid omgaan. Bovendien heeft hij een enorme drang naar vrijheid. Dat maakt dat hij de gewoonte heeft om regelmatig een paar dagen te verdwijnen zonder dat Tineke weet waar hij uithangt. Het kan haar inmiddels ook niet meer zoveel schelen. Ze gaat ervan uit dat hij toch wel weer terugkomt. Maar deze keer blijft hij wel erg lang weg.
De laatste tijd voelt ze zich niet zo lekker en valt het werk haar zwaar. Regelmatig heeft ze een vage buikpijn. En dan die vermoeidheid; te gek voor woorden zo moe als ze is. Zíj, die altijd kan werken en doorgaan, weet nu niet hoe snel ze moet gaan zitten na een uurtje bezig te zijn geweest. Ze denkt en hoopt dat het de overgang is, maar soms twijfelt ze daar wel aan. Ze heeft zich voorgenomen het toch maar met Hein te bespreken zodra hij thuis is.
Tineke kijkt nogmaals op haar horloge. Twee uur; tijd om de bar te gaan openen. Op het moment dat ze het bord buiten aan de straat zet, hoort ze een zware stem achter haar vragen:
‘Is uw man thuis, mevrouw?’
Met een ruk draait ze zich om en kijkt recht in het gezicht van een politieagent.
‘Eh, nee, die is een paar dagen weg.’
‘Weet u waar uw man is?’
‘Nee, dat heeft hij me niet verteld.’
´Rijdt uw man in een Volvo V70, blauw, met dit kenteken?’ De agent laat haar een bekend kenteken zien. Tinekes gezicht betrekt en onzeker kijkt ze de agent aan.
‘Mevrouw, gaat het goed? U trekt wit weg. Misschien is het beter als we even naar binnen gaan. Ik ben bang dat ik slecht nieuws voor u heb.’
Tineke knikt en loopt naar binnen.
‘Wilt u koffie, thee, iets anders?’
Tegelijkertijd begint ze met een doek over de bar te wrijven. Het onvermijdelijke uitstellend.
‘Mevrouw, ik wil dat u nu gaat zitten,’ zegt de agent, terwijl hij een hand op haar schouder legt. Zacht dwingend brengt hij haar naar een van de dichtstbijzijnde stoelen.
‘We hebben een blauwe Volvo V70, met dit kenteken gevonden in Zuid-Frankrijk. De auto is de bocht uitgevlogen en volledig uitgebrand. De inzittende heeft het niet gehaald. Helaas onherkenbaar verbrand. Naast de auto is een paspoort gevonden op naam van Hein Onderheuvel. Dus zijn we er wel zeker van dat het uw man moet zijn. Kan ik iemand voor u bellen?’
Tineke schudt haar hoofd. ‘Ik snap het niet. Wat moet Hein nou in Zuid-Frankrijk?’
‘Mevrouw, het is niet goed om nu alleen te zijn. Kan ik iemand voor u bellen? Of is er iemand waar u naar toe kunt gaan?’
‘Pieter komt zo thuis,’ zegt Tineke nauwelijks verstaanbaar ‘maar als u Jan zou willen bellen, graag!’
Jan
Met een resoluut gebaar pakt Jan zijn papieren bij elkaar en schudt de man die tegenover hem staat de hand.
‘Het is fijn om met u zaken te doen. Ik ga ervoor zorgen dat uw computersystemen helemaal up-to-date blijven.’
En met die woorden nemen ze afscheid. Hij loopt het grote gebouw uit, de zon in. Het is een heerlijke dag. Even speelt hij met de gedachte om de boel de boel te laten en lekker naar het bos te gaan voor een lange wandeling. Dan bedenkt hij dat de hoeveelheid werk op zijn bureau daar niet kleiner van wordt en plichtsgetrouw begeeft hij zich naar het gebouw waar zijn kantoor in is gevestigd.
Wat is hij blij met deze baan waar hij onlangs mee begonnen is. Het is een droombaan. De hele dag bezig met software en hardware aansluiten en ontwikkelen. Hij pakt zijn mobiel en belt Irene, zijn vrouw. ‘Het ging goed, schat, die nieuwe klant is heel tevreden!’ zegt hij.
‘Fijn joh’ zegt Irene ‘kom je nu naar huis? Ik moet je iets vertellen.’
‘Wat dan? Iets leuks?’
‘Nee, dat zeg ik nu niet.’ Hij hoort haar grinniken. ‘Kom het nieuws maar hier halen!’
‘Ben je zwanger?’ De hoop klinkt door in zijn stem, ze proberen het al zo lang.
‘Ik zeg niks.’ Maar hij hoort de lach die ze inhoudt.
Laat het waar zijn, duimt hij, wat zou dat fijn zijn! Hij springt in zijn auto en wil naar huis rijden als zijn mobiel weer gaat: ‘Jaja, het is zo, hè?’ zegt hij.
‘Eh… meneer Onderheuvel? U spreekt met Jansen, politie Apeldoorn. Kunt u zo snel mogelijk naar het huis van uw moeder komen? Ze heeft u nodig.’
‘Ik kom eraan,’ is het enige wat Jan zegt. Hij start de auto en geeft gas. Onderweg belt hij Irene om te vertellen dat hij later thuis is.
Pieter
Pieter fietst op zijn gemak naar huis. Deze laatste klus is toch maar weer goed gelukt. Mooi dat het nog een kwartiertje duurt voor hij thuis is, dan kan hij bedenken waar hij het geld laat. Mam mag het beslist niet vinden … Hij weet maar al te goed dat hij zijn moeder erg verdrietig maakt, als ze zou weten hoe hij aan zijn extra geld komt.
En stel dat zijn vader het zou vinden … ach die maakt zich niet druk. Veel te veel bezig met zijn eigen sores! En trouwens, hij is al meer dan een week weg. Tegen de tijd dat ‘ie terug komt heb ik dit geld allang uitgegeven, denkt Pieter grinnikend bij zichzelf.
Met een vriend samen heeft hij in de Hoofdstraat een mevrouw die stond te praten, van haar portemonnee beroofd. Die kletstante had niet eens in de gaten dat de jongen die tegen haar op botste, zijn hand in haar tas stak. Pieter stond op de uitkijk met zijn fiets in de hand en zodra Karel bij hem was, zijn ze snel weggescheurd. Tegen de tijd dat het ontdekt werd, waren ze al niet meer te zien. Lachend hebben ze de buit verdeeld en zijn ze ieder hun eigen weg gegaan.
Eenmaal bij zijn huis kijkt Pieter verschrikt op. Wat nou? Een politieauto voor de deur? Is hij toch gezien? Hij stopt met trappen en aarzelt … zou hij weer wegfietsen? Maar dan komt ineens de auto van Jan aanrijden. Jan springt eruit en botst bijna tegen Pieter op.
‘Hé Pieter, waar kom jij vandaan? Wat heb je nu weer uitgevreten?’
‘Wat doe jij hier?’ vraagt Pieter.
‘Kom gauw mee naar binnen! Er is iets met ma, ik werd gebeld door een agent.’
Tineke, Jan en Pieter zitten geschokt op de bank. De agent heeft uitgelegd wat de politie denkt dat waarschijnlijk gebeurd moet zijn: de bestuurder, Hein dus, heeft de macht over het stuur verloren in een bocht. De auto kwam tegen een boom en is in brand gevlogen. Helaas kon Hein niet ontsnappen, hij is onherkenbaar verbrand. De Franse politie heeft het lichaam nog niet vrijgegeven, maar dat zal niet lang meer duren want alles is duidelijk en het onderzoek is afgerond.
‘U kunt uw uitvaartverzekering inschakelen voor het vervoer naar Nederland,’ zei de agent. ‘Ook kunt u overwegen zélf naar Frankrijk te gaan om het lichaam op te halen. Als er nog vragen zijn, kunt u contact met mij opnemen. Hier heeft u mijn kaartje.’
Als de agent weg is, kijken ze elkaar aan. Wat nu? Tineke zit met een wit gezicht op de bank, niet in staat om ook maar iets te doen. Ze reageert nauwelijks op wat Jan en Pieter zeggen. Dan neemt Jan de leiding: ‘Ma, waar heb je de papieren? Ik zal de verzekering bellen en overleggen wat er gedaan moet worden. Pieter, jij gaat naar beneden om de bar weer af te sluiten. Hang maar een papier op de deur dat we wegens familieomstandigheden tot nader bericht gesloten zijn.’
Later die middag komen opa, oma en Irene er ook bij. Gezamenlijk proberen ze een plan te maken voor de crematie. Gelukkig is de uitvaartondernemer er ook. Die weet waar ze op moeten letten en waar ze aan moeten denken.
‘Ik wil echt niet alle cliënten van de bar erbij,’ huilt Tineke, ‘laten we het alsjeblieft klein houden!’
‘Ja maar, ma,’ zegt Jan, terwijl hij de hand van Tineke vast pakt, ‘die mensen willen toch afscheid van pa nemen. Die kans moet je ze wel geven. Pa was heel geliefd bij heel veel mensen.’
Maar Tineke houdt voet bij stuk. ‘Dan is nu het volgende besloten,’ zegt Jan: ‘Waarschijnlijk komt het lichaam van pa de zeventiende aan in Nederland, op achttien juli komt er een advertentie in de krant, en de negentiende is er gelegenheid om afscheid te nemen voor iedereen die dat wil, zónder dat ma en de rest van de familie daarbij hoeft te zijn. Er komt een boek te liggen dat men kan tekenen. En dan de twintigste de crematieplechtigheid waar alleen wij en naaste familie en vrienden bij zijn.’
Pieter vindt het allemaal wel best. Pa is er niet meer, wat kan hem het schelen wie er afscheid neemt en wie niet. Hij vindt het allemaal stom dat gehuil, papa was toch al vaak weg, wie merkt het verschil? Hij, Pieter, zit er niet mee, iedereen gaat een keer dood; dat weet je toch. En nou zijn vader, oké beetje jong, maar het zal wel …
Apeldoorn, 18 juli 2001
Pieter
Pieter wordt wakker en heeft gelijk de pest in. Vandaag zou hij met Karel en nog een paar gasten naar een concert gaan. Maar Tineke heeft het hem verboden. Ze vindt dat hij in deze situatie thuis moet zijn, misschien moet er nog iets besproken worden en dan wil ze dat hij erbij is. Maar de uitvaartondernemer komt toch nooit in de avond? Dan kan hij toch best even weg gaan met zijn vrienden? Hij loopt in zichzelf mopperend naar de keuken, zet een kop koffie en gaat zitten. Hij heeft zijn moeder de laatste dagen tot in de kleine uurtjes horen huilen en rond horen lopen nadat het tot hen allemaal doorgedrongen was dat pa niet meer terug komt. De rillingen lopen over Pieter zijn rug: je zal toch maar verbranden in je auto! Vreselijk. Die agent zei wel dat pa het waarschijnlijk niet gevoeld heeft want de klap tegen die boom was enorm, dus men denkt dat pa daardoor niet bij bewustzijn is geweest. Dat kunnen ze nooit zeker weten, denkt Pieter.
De uitvaartverzekering heeft alles geregeld. Pa’s lichaam is nu thuis, nou ja thuis … In het uitvaartcentrum. Pieter hoopt dat het allemaal snel voorbij zal zijn, hij wil weer zijn normale leventje terug, lekker met zijn vrienden op stap en weg bij de trieste, saaie sfeer thuis.
Hij hoort de brievenbus klepperen. De krant, denkt hij en staat op om hem te gaan halen. De uitvaartondernemer heeft geregeld dat de rouwadvertentie in het AD komt. Even kijken of het er in staat … En ja hoor: op bladzijde achttien, tussen andere overlijdensberichten. Woest gooit Pieter de krant van zich af … rotkrant … hij stampt naar boven, naar zijn kamer en valt op zijn bed.
3
Le Grau du Roi, 18 juli 2001
Hein
Tot mijn verbazing lag er vanmorgen een Nederlandse krant bij de kiosk. Het AD, en nog van vandaag ook! Het is hier in deze uithoek altijd maar de vraag of en welke krant er geleverd wordt. Het liefste lees ik het AD vanwege de vele sportpagina’s. Ik loop over de boulevard van het Franse plaatsje Le Grau du Roi, die langs het ‘Canal du Rhône à Sète’ loopt richting het havenhoofd. Ik zie een plezierboot vertrekken. In de verte varen er vissersboten op de Middellandse Zee. Wat zou het mooi zijn om ook zo vrij met een boot de zee op te kunnen.Aan de boulevard zijn diverse cafés en restaurantjes gevestigd. Ze hebben bijna allemaal een terrasje langs het water. Ik zie een mooi plekje in de zon, perfecte plek om er mijn krant te lezen en er een kop koffie bij te drinken. Ik ruik de zilte zeelucht en geniet. Wat een goed besluit vorige week om er even tussenuit te knijpen. Even niets! Tijd om alles op een rijtje te zetten. Tijd om die vreselijke ruzie met Tineke te verwerken. En hoe toevallig dat die man vorige week zo’n mooi bod deed op mijn auto. Kan ik nog wat langer hier blijven …
Zoals altijd begin ik met het sportgedeelte. Uiteraard wordt de etappezege van Erik Dekker in de Tour de France uitgebreid bejubeld. Nederlands succes in de sport; daar geniet ik van.
De koffie is al op als ik aan het andere deel van de krant begin. Herman Brood, die een paar dagen geleden van het Hilton Hotel is gesprongen in Amsterdam. Ik krijg er kippenvel van. Die man moet toch wel heel wanhopig zijn geweest. De Etna in Italië schijnt op uitbarsten te staan. Pfiew, gelukkig is dat hier niet echt dichtbij. Dat lijkt me toch ook afschuwelijk, zo’n vulkaanuitbarsting van dichtbij. Mijn oog valt op een stukje tekst tussen twee grote artikelen in.
Apeldoorner omgekomen in Frankrijk
LE GRAU DU ROI: in het Zuid-Franse plaatsje Le Grau du Roi is een Nederlandse man H.O., 47, woonachtig in Apeldoorn, omgekomen toen zijn auto door onbekende reden uit de bocht vloog en daarna volledig uitbrandde. De politie tast nog in het duister.
Toevallig, denk ik, die man heet ook H.O. en komt ook nog eens uit Apeldoorn. En het is ook hier vlakbij gebeurd blijkbaar. Nou, maar niet te lang bij stilstaan. Ik blader door. Ineens lijkt mijn hart stil te staan, het zweet breekt me uit, wat staat dáár nou voor advertentie!? Zwart omrand!
Waarom zijn er zoveel vragen Waarom is er zoveel pijn Waarom zijn er zoveel dingen Die niet te begrijpen zijn.
Het doet ons verdriet u te moeten informeren dat wij ten gevolge van een noodlottig ongeval afscheid hebben moeten nemen van onze lieve man en vader
Heinrich Helmut Onderheuvel
Chefkok en eigenaar bar-restaurant’t Heuveltje
20-08-1954 – 10-07-2001
Tineke Jan en Irene Pieter
19 juli is er gelegenheid om afscheid te nemen van Hein en een condoleanceregister te tekenen van 19.00 tot 20.00 uur in het uitvaartcentrum te Apeldoorn
De crematie vindt in besloten kring plaats.
Ben ík overleden? Ben ik die H.O. die verbrand is in die auto? Dat staat er toch? Mijn hart gaat te keer als een razende. Dat kan toch helemaal niet? Ik zit gewoon hier! Aan het water, in Frankrijk, in de zon! Hier moet ik goed over nadenken. Mijn eerste reactie is om Tineke te bellen; wat zal ze geschrokken zijn! En de jongens? Hoe is het daar mee…? Dan tik ik mezelf op de vingers.
Denk na, Hein, zeg ik tegen mezelf, je hebt al een hele tijd het gevoel dat je leven niet is geworden wat je altijd voor ogen had. Je bent het zat om maar te koken en te sappelen in het restaurant, waar je het zout in de pap niet mee verdient. De relatie met Tineke, zo mooi begonnen, is al lang niet meer wat het was. En dan die ruzie van twee weken geleden: zoveel onbegrip en woede van twee kanten. Nee … Tineke is blij dat ze van je af is, dat maakte ze toen wel duidelijk. In haar ogen doe je nooit iets goed tegenwoordig, dus dan kan je toch net zo goed weg blijven? Daarom zit je nu toch hier in de Camargue … Daarom heb je toch vorige week de auto verkocht om geld te hebben, om hier nog wat langer te kunnen blijven. Misschien is dit de oplossing?
Wat bedenk ik nu? Een mogelijke uitweg? Niet laten weten dat er een ander in die auto zat? Ondanks al mijn twijfels gaat mijn hart nu toch uit naar Tineke en de jongens. Tegelijkertijd zie ik mezelf hier blijven, misschien kan ik zoveel verdienen dat ik een bootje kan kopen en dan iedere zomer, met de vele toeristen die hier komen, het water op gaan? Ik voel me licht worden, wat een vooruitzicht…
Ik denk na over mijn situatie: men denkt kennelijk al dat ik dood ben. Niemand verwacht me dus meer. Ik ben helemaal vrij, alles mag en niets moet! Ik ben mijn hele leven al op zoek naar vrijheid, die heb ik dan nu, maar dit is wel erg ‘vrij’. Ga ik Tineke toch missen? Ondanks dat ze me gezegd heeft te vertrekken en niet meer terug te komen? En mijn zoons? Maar ja, dit is eindelijk mijn kans. Ik kan mijn droom werkelijkheid maken.
Inmiddels heb ik de koffie ingeruild voor een koele fles rosé. Het ene moment denk ik: doen, dit is je kans. Het andere moment twijfel ik weer; is vrijheid hetzelfde als alleen zijn? Wil ik dat wel? Na een paar uur dubben komt er een boot voorbijvaren met lachende toeristen. Ze zwaaien en ik zwaai lachend terug. En dan valt mijn besluit: hier kan ik geen weerstand aan bieden. Dit heb ik altijd gewild. Ik beslis: het blijft zoals het nu is. Ik blijf hier en ga een baantje zoeken. Dan heb ik die boot zo bij elkaar gespaard, want ik heb weinig nodig alleen. Deze mogelijkheid voelt als een tweede kans en die grijp ik met beide handen aan.
4
Le Grau du Roi, 18 juli 2006
Helmut
Vandaag is het op de kop af vijf jaar geleden dat ik mijn eigen rouwadvertentie las. Het gevoel dat dat me gaf kan ik nog oproepen: schrik, gemengd met angst, verbijstering en eerlijk gezegd ook wel een beetje paniek. Maar vooral ook een gevoel van bevrijding. De beslissing die ik toen nam, daar ben ik nog steeds blij mee. Geen dag spijt gehad! Alhoewel soms weleens een beetje spijt, vooral als ik aan Tineke dacht, of aan mijn jongens. Maar eerlijk gezegd is dat allemaal wat weggeëbd. Ons gezinsleven lijkt uit een ander leven. Dat was van een ander mens, van Hein. En die man ben ik niet meer. Ik ben nu Helmut. Voor de mensen om mij heen ben ik een Duitser, die hier is blijven hangen.
Het was zo eenvoudig mij als Duitser voor te doen. Mijn moeder, Duitse van origine, sprak altijd Duits met me toen ik klein was. Dus na mijn besluit op dat terrasje ging ik verder onder mijn tweede naam en sprak ik Frans met een Duits accent. Niemand die mij in verband bracht met een Nederlandse Volvo, die uit de bocht vloog. Makkelijk toch? Tegenwoordig luister ik automatisch naar de naam Helmut.
Ik heb in mijn onderhoud voorzien door allerlei baantjes aan te nemen. Het was toen midden in de zomer. Ik heb boten geschilderd, als ober op terrasjes gewerkt, gras gemaaid op campings, paarden verzorgd. Uiteindelijk kwam ik als kok te werken in een cafeetje aan de haven van Le Grau du Roi. Koken is tenslotte mijn vak en gaat me het makkelijkste af. Maar net als thuis ging het me stierlijk vervelen. Iedere dag weer dezelfde gerechten, dezelfde toeristen, dezelfde opmerkingen. Ik dacht alweer aan weggaan, toen op een dag de eigenaar Jean zei dat hij me wilde spreken na sluitingstijd. Hij vertelde me over zijn broer Xavier, die een bedrijfje runde dat toertochten door de Camargue maakte met toeristen. Zijn broer zocht iemand die verschillende talen sprak en die als gids mee wilde varen op een van zijn boten. Daarom dacht Jean aan mij. Ik had tenslotte bij hem geen volle werkweek en kon zo wat bijverdienen. Mijn hart maakte een sprongetje, hier was mijn kans! Ik greep hem met beide handen. Ik maakte kennis met Xavier, de broer, en we kwamen overeen dat ik drie dagen per week mee zou gaan varen en de rest van de week bij Jean bleef koken. Ik voelde me een geluksvogel, alweer.
Het voordeel van al die verschillende baantjes is dat ik inmiddels bijna perfect Frans spreek. Het komt tegenwoordig nauwelijks nog voor dat ik met mijn mond vol tanden sta! Ik ben me ervan bewust dat het echt ‘spreektaal’ is. Volle zinnen blijft moeilijk en grammaticaal zal het wel niet kloppen. Maar ik communiceer met de mensen om mij heen en ze snappen wat ik bedoel. Dat geeft een goed gevoel. Het lezen van de Franse taal blijft wel erg lastig.
Inmiddels werk ik fulltime bij Xavier. Mijn droom is uitgekomen; ik zit alle dagen op het water! De zaken gaan goed, zo goed dat Xavier aan uitbreiden denkt. Ik probeer hem enthousiast te maken voor de visserij. Het lijkt mij geweldig om dagen te organiseren waarop we de ene dag vissen op sardientjes en de andere dag op makreel. Dagen genoeg en soorten vis genoeg: dorade, zeewolf, tonijn, om er een paar te noemen. Maar Xavier twijfelt erover, hij is zelf niet zo’n visser en weet er weinig van. Eigenlijk wil hij dat ik erin mee investeer. Dat wil ik wel en ik heb het geld ook gespaard. Maar zodra ik iets officieels moet doen, krijg ik een knoop in mijn maag: ik heb natuurlijk geen paspoort op naam van Helmut! Zelfs geen achternaam … En mijn rijbewijs op naam van Hein Onderheuvel is geen optie. Mijn paspoort op mijn eigen naam ben ik trouwens kwijt geraakt, geen idee waar dat gebleven is. Maar ik spreek Xavier vanavond. Mijn plan is hem te overtuigen van het feit dat het allemaal van hem moet blijven en dat ik heel hard zal werken voor mijn deelname. Meer heb ik nu niet te bieden.
Om precies acht uur stap ik restaurant Le Gallion aan de Quai Colbert binnen. Ik kom hier graag, je zit aan het raam en alle bootjes, groot en klein, trekken aan je voorbij. De visgerechten zijn geweldig, vooral de‘plateaux de fruit de mer’. Ook depoissons à la plancha, vooral die met de dorade, is heel lekker. Zelfs degardiane de taureau is heerlijk. Ik vind het bijzonder dat een visrestaurant zo’n vleesgerecht op de kaart heeft. Ook al is dat gerecht het bekendste streekgerecht.
Aan ons vaste tafeltje, links in de hoek, zie ik Xavier al zitten. Hij kruipt altijd in de hoek, zodat hij de brug kan zien. Als hij met de boot langs de brug moet, heeft hij altijd mot met de brugwachter. En hij doet niets liever dan zich verkneukelen als het druk is met boten en de brug steeds open moet. Er ontstaat dan altijd een opstopping van het verkeer. De lokale bevolking die met de auto over de brug wil, kan dan altijd heel heftig gebaren en schelden. En dan zie je die brugwachter zenuwachtig worden. Ik ga tegenover Xavier zitten, ook mijn vaste plekje, uitkijkend over zee.
‘Bonjour Helmut,’ zegt Xavier, ‘mooi op tijd!’
‘Hallo Xavier, ik heb mij goed voorbereid,’ zeg ik. ‘Kijk eens, hier heb ik mijn voorstel voor je.’ Ik leg een pak papieren voor hem en doe in stilte een schietgebedje. Ik wil hem niet laten merken hoe belangrijk dit voor mij is. Hij moest eens weten dat dit gaat over mijn jeugddroom: alles heb ik ervoor over als dit maar doorgaat!
‘Neem een wijntje, Helmut, ik neem dit even door!’ zegt Xavier.
Ik schenk een glaasje wijn in uit de karaf die al op tafel klaarstaat. Daar heb ik erg aan moeten wennen; de Fransen regelen alles onder het genot van een glaasje wijn, terwijl ik vaak snak naar een lekker biertje. Maar ik leef nu als Duitser tussen de Fransen en dus pas ik me aan. En eerlijk gezegd smaakt dat wijntje tegenwoordig prima.
Vol spanning houd ik Xavier in de gaten. Hij leest geconcentreerd, bladzijde na bladzijde, voor mijn gevoel tergend langzaam. Eindelijk, eindelijk legt hij met een frons de papieren neer en kijkt mij aan. Nog steeds die frons verdorie, wat gaat dit worden?
Dan gaat hij praten: ‘Geweldige plannen, Helmut, héél interessant, maar ja wat een prijs! Veel meer dan ik kan uitgeven om uit te breiden. Kan het goedkoper? Dat zal moeten, tenzij jij meedoet? We werken prima samen, Helmut, als jij nou dit deel op je neemt en zélf de investering doet, dan hebben we samen een prachtbedrijf!’
Hier was ik al bang voor, eigenlijk snap ik precies wat hij bedoelt, ik zou hetzelfde gedaan hebben. Maar ja, ik kán niet gaan investeren; aan al die officiële zaken kan ik niet beginnen.
‘Weet je, Xavier, ik wil geen eigen bedrijf hebben. Vroeger beviel me dat al niet. Ik kan niet tegen die druk die een zaak met zich meebrengt,’ verzin ik, ‘Kan je het geld echt niet bij elkaar krijgen? Ik zweer je dat ik dag en nacht zal werken om het tot een succes te maken! We praten dan niet over werkuren en vrije dagen, ik zet me voor 200% in.’
Xavier kijkt me aan en ik zie dat hij aarzelt. Zijn zwijgen duurt in mijn gevoel úren, maar dan begint hij te praten:
‘Oké, je wilt dus een vissersboot kopen. En daarmee dagtochten organiseren voor de toeristen om te gaan vissen. Dat betekent dus de aanschaf van een vissersboot, met genoeg plaats voor toeristen die meegaan zo’n dag en dan nog het visgerei. Moet er dan ook een lunch geregeld worden voor de toeristen? En waarom moet de vis die gevangen is in ijs gelegd worden als je binnen een dag terug bent? Als je alle dagen de zee op wilt, is één boot dan genoeg? En als dat dan goed gaat, wil je investeren in een pelagische trawler? Wat is dat voor een boot en waarom zou ik die willen hebben?’
‘Dat zijn een hoop vragen, Xavier, waar zal ik beginnen?’ zeg ik. ‘Ik stel voor dat we beginnen met een kleine, snelle boot. Het hoeft echt geen kotter te zijn. Ruimte voor dertig man, hengels en aas en dan beginnen we gewoon met makreelvissen. We bieden voor een leuk prijsje dagtochten aan, compleet met lunch, koffie, thee en een drankje na afloop.
Ik heb een beetje rondgekeken. Er is een bedrijf in Sète dat dagen aanbiedt voor tweeduizend euro voor een groep van twaalf personen. Er gaat dan een door de staat gecertificeerde visinstructeur mee en dan gaan ze naar de volle zee op zoek naar prachtige vissen, vooral makreel.Ze gebruiken verschillende vistechnieken: trolling, whipped fly, broomé, casting. Ik ken die technieken niet allemaal. Maar dat is denk ik zo te leren. Zou het een idee zijn als ik eens bij dat bedrijf ga kijken? Dan kijk ik de kunst af en breng dat in ons bedrijf in de praktijk. Dan hebben we die instructeur ook niet nodig, want die zal duur zijn.
