Wisselkind - Lysander Mazee - E-Book

Wisselkind E-Book

Lysander Mazee

0,0
2,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

"Je bent niet de eerste die de Verdalhoeve binnen een week verlaat – op je laatste benen of tussen zes planken…"


Wanneer Ingmar na de Schoonse oorlog een oude boerderij op het Zweedse platteland wil opknappen, ziet het ernaar uit dat hij nergens meer op kan vertrouwen. De wilde dieren in het woud lijken bezeten, zijn dromen leiden hem levensgevaarlijke situaties in en de vreemde zwerfjongen die Ingmar met zijn spookverhalen meer tot last dan tot hulp is, is niet wie hij zegt dat hij is. Welke keuzes Ingmar ook maakt, ze lijken allemaal tot hetzelfde einde te leiden…


Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Seitenzahl: 89

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Wisselkind

Lysander Mazee

Wisselkind

is een uitgave van

De Boekenvos

Paperbackeditie via Dutch Venture Publishing

Copyright © 2023 De Boekenvos

Auteur: Lysander Mazee

Omslagontwerp: Jen Minkman

Inhoudelijkeredactie: Femke De Vos

Tekstredactie: Rianne Werring & Natascha van Limpt

Eerste uitgave: 2023

NUR 334

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave

Titelpagina

Copyright Pagina

1. De klauwen van de oorlog

2. Wederopbouw

3. Plagen

4. Lokroep

5. Wonden

6. De Hoeders

7. Overeenkomst

1. De klauwen van de oorlog

Het paard trok de ratelende wagen door het stille bos. Ingmar tuurde behoedzaam om zich heen, een geladen musket naast zich op de bok. Het dikke bladerdak schermde de late zomerzon grotendeels af. Lichtstromen vol dansende stofdeeltjes verblindden hem elke zoveel meter. Zijn moeder had dit een heerlijke dag voor een picknick gevonden.

Ingmar nam de leidsels in één hand om klam zweet aan zijn broek af te vegen. Het bos wekte een onrust in hem op die deed denken aan de vooravond van een grote slag.

Hij had de mannen er ‘s avonds laat over horen praten. Dat de oorlog sommigen nooit meer losliet, zelfs al was de strijd voorbij. Dat ze dingen zagen die er niet waren, of in het verleden bleven leven. Misschien had de oorlog zijn klauwen nog te veel in hem, of misschien was het de reputatie van deze streek, waar weleens vreemde dingen gebeurden.  Hoe dan ook, hij was niet van plan zich gek te laten maken.

De oren van het paard draaiden schichtig rond. Ze duwde zichzelf snuivend tegen de linker as van de wagen. Ingmar omklemde de teugels en speurde tussen de bomen naar wat haar bang maakte. Tussen de varens stond een hertenbok naar hen te staren, bewegingsloos en zonder vluchtdrang. De haren in Ingmars nek rezen ongewild op. Alles in hem zei dat dit hert een roofdier was. Hij blikte naar zijn musket. Toen hij opkeek, was het bokje verdwenen. Geruisloos en zonder spoor. Toch gevlucht. Hij beeldde zich maar wat in. Desondanks nam hij zijn musket op schoot. Zijn hart bedaarde slechts langzaam. Hij moest zichzelf streng toespreken om niet rechtsomkeert te maken en terug naar de stad te vluchten. Soms leek het of hij al zijn dapperheid had opgebruikt tijdens de verschrikkingen van de Schoonse oorlog.

Het gemurmel van een aanzwellend stroompje doorbrak de drukkende stilte in het bos. Ingmar haalde diep adem. Hij volgde de slingerende bosbeek met zijn ogen tot zijn blik versprong over een vreemd element. Zijn hart bonkte alweer luid voor hij besefte wat hij zag. Bij het water zat een jongen, in verschoten kleding zo vies als een bemoste kei. Het was dat hij licht bewoog, anders had Ingmar hem voor een onderdeel van het landschap gehouden. De jongen waste zijn handen in het water. Zou hij aan het stropen zijn?

Ingmar hield zijn paard in. ‘Hé, jij daar!’

De jongen sprong overeind en zette zijn armen in zijn zij. Zijn handen verzopen in de ouderwetse, lange jas met wijde mouwen die zijn kniebroek compleet opslokte. Welke kleur zijn kousen ooit hadden gehad, kon Ingmar niet zeggen. Piekerig haar dat aan zijn staart ontsnapte, stak onder zijn steek vandaan. ‘Wat?’

‘Niet aan het jagen, hoop ik?’

‘De Hoeders zouden niet blij met me zijn als ik zou doden in hun domein.’

‘De Hoeders?’ Een lang vergeten herinnering kwam bovendrijven als een wolk van modder in een verstoorde poel. ‘Hebben ze het in deze streek nog altijd over sprookjes?’

De jongen perste zijn lippen op elkaar en zweeg. Hij ging niet in op Ingmars botte vraag.

‘Zeg eens, is het nog lang naar de Verdalgaarde?’ vroeg Ingmar hem, milder dit keer.

De jongen bekeek Ingmars afgeladen wagen vol vee, proviand en gereedschap. ‘Vertel me alsjeblieft niet dat je van plan bent de oude hoeve te betrekken.’

‘Toch wel.’

‘Je hebt de verhalen, de ‘sprookjes’, gehoord; ben je soms niet goed bij je hoofd?’

Die opmerking was tegen het zere been, zeker gezien Ingmars eerdere twijfel aan zijn eigen verstand. Ingmar rechtte zijn rug op de bok van de kar. ‘Besef jij wel tegen wie je het hebt, snotneus?’

‘Nou, vertel, tegen wie heb ik het?’

‘Een officier van Zijne Majesteit.’

De jongen nam zijn steek af en sloeg zijn voddige jas achter zich uit in een op een haar na overdreven buiging. ‘Neemt u me vooral niet kwalijk. Bent ú niet goed bij uw hoofd? Dat land mag niet bewoond worden door mensen. Iedereen hier weet dat.’

‘Mijn contact ziet dat blijkbaar niet zo, want ik heb eerder deze week het contract getekend dat mij de pachter maakt.’

‘De Hoeders hebben weinig op met papieren contracten.’ Het joch drukte zijn steek terug op zijn hoofd en keek hem peinzend aan. ‘Des te meer met mondelinge overeenkomsten. Dus tenzij je het op een akkoordje hebt gegooid met hen...’

‘Wat doe jij hier eigenlijk, alleen in het bos, als je zoveel ontzag hebt voor de Hoeders? Ben je niet bang dat ze je meevoeren om je één van hen te maken?’

De jongen kwam dichterbij om de twee geitjes op de wagen onder hun kin te kriebelen. Ingmars hondje zette haar poten op de zijkant om ook aandacht te vragen. ‘Ontzag is niet hetzelfde als angst. En misschien ben ik wel een goede kandidaat om Hoeder te worden: ik haat mensen. Net als u, als u zo afgelegen gaat wonen.’

‘Ik haat mensen niet,’ zei Ingmar mild. ‘Ik heb jaren in het zuiden gevochten zodat de mensen hier in vrede kunnen leven.’

‘Goed, je haat alleen jezelf. Uzelf. Om het even.’

Ingmar snoof. Geen wonder dat dat joch op een doordeweekse dag aan zijn lot was overgelaten. De hele dag lanterfanten en onzin uitkramen, daar had geen leermeester tijd voor. Hij richtte zijn blik op het pad door het stille, drukkend warme woud. ‘Ik vind het zelf wel. Goedendag.’

‘Ja, dag,’ groette het joch en het mompelde iets wat Ingmar niet hoorde. Dat was waarschijnlijk beter voor hen allebei.

Ingmar spoorde het paard aan. Na een korte weerstand van de koe die achter de wagen liep, zette de kar zich in beweging. Ingmar draaide zich vanaf de bok om te zien uit welke richting de jongen was gekomen, maar die was nergens meer te bekennen.

Hoe dichter Ingmar de verlaten Verdalhoeve naderde, hoe meer de onrust in hem toenam. Toen hij uiteindelijk voor de ooit statige, uit bijna zwart hout opgetrokken boerderij halt hield, vloekte hij binnensmonds. Natuurlijk wist hij dat de oude prent die de verkoper hem had laten zien een ideaalbeeld was, en hij had heus geen hoge eisen na jaren van slagveld naar slagveld te hebben gemarcheerd. Maar hier zou hij voorlopig geen rust vinden. Het ingestorte dak en de kierende houten muren beloofden hem bergen werk. Ook de stank van een nabijgelegen moeras hing als een deken over de gaarde. Had hij toch niet beter in de stad kunnen blijven om daar iets te huren? Misschien kon hij nog terug.

Nee. Hij had zijn zinnen gezet op een nieuw begin, en zolang hij voor de winter in ieder geval één kamer van het huis bewoonbaar kon maken, overleefde hij het wel. Maar hij zou zo nog een flinke tijd alleen blijven, en dat knaagde aan hem. Nu hij geen levende familie meer had, wilde hij zijn eigen familie beginnen. In deze bende zou het een flinke tijd duren voor hij hier een vrouw het hof kon maken, laat staan een gezin stichten. Stijf liet hij zich van de bok zakken. De slecht geheelde musketwond op zijn heup stak zodra zijn voeten de grond raakten. Hij moest trouwens eerst maar eens zien of vrouwen hem nog wilden, met die poot.

De staat van de stal viel hem mee. Stof, spinnenwebben en verlaten zwaluwnesten alom, maar dat zou de dieren niet deren. Het geheel leek structureel integer en was logistiek goed opgezet met een hooizolder en een aparte ruimte voor zijn wagen en gereedschap. Er stonden zelfs nog een roestige zeis en een ploeg die hij goed kon gebruiken. De stank van het moeras was hier ook niet zo aanwezig.

Met een wrang lachje klopte hij het paard op de hals en tuigde haar af. ‘Jouw optrekje ziet er beter uit dan dat van mij. Misschien kom ik ook wel hier slapen.’

De koe ging meteen in het oude stro liggen, moe van de lange tocht. Ingmar hoopte dat hij niet te veel van haar had gevraagd. Als ze opdroogde, had hij een probleem. Hij opende de deur naar de overwoekerde weide voor de dieren, zodat ze konden grazen tussen de nazomerbloemen. Voor de zekerheid schudde hij ook wat hooi uit daar waar de koe erbij kon zonder op te staan.

De krekels sprongen voor zijn voeten uit terwijl hij zich een weg door het lange, gele gras baande. Misschien was zijn blik vertekend door het ontaarde leven in de stad, waar ongewenste huisdieren de enige natuur was die dichtbij kwam, maar het leek hier buiten en in het bos bijna té levend. Alsof de natuur zijn eigen wil en eigen plan had, waar de mens geen enkele plek in had. Geloof in de Hoeders grensde aan ketterij, maar hij snapte waar de verhalen hun oorsprong hadden. Aangekomen bij het hek om de wei inspecteerde hij de houten omheining rondom. Tot zijn opluchting gaf die niet mee en vond hij maar één paal met houtrot die binnenkort vervangen moest worden. De dieren stonden hier in ieder geval veilig.

De drukkende moeraslucht had bezit genomen van het hele huis, merkte Ingmar bij binnenkomst. Vergeleken met de stank van een slagveld vol stervende soldaten die alles in hun doodsnood hadden laten lopen, viel het mee, maar het was niet de frisse buitenlucht van het landelijke leven dat hij zich had voorgesteld. Aan het kraken van de donkere trap hoorde hij precies hoe vochtig het hout was. Het werd tijd dat dit huis goed warmgestookt werd, voordat alles begon te rotten.