Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Als Anja de ogen van haar gestorven vader sluit, zweert ze wraak. Het grote onrecht hem aangedaan, kan niet onbestraft blijven. Ze weet precies wie de dader is maar hoe en wanneer haar wraak over hem uitgestort wordt, weet ze nog niet. Haar geduld en het leven helpen haar. De meubelmakerij van haar man en zijn compagnon, een houthandelaar met een dubieuze reputatie, smokkelwaar, heel veel geld dat spoorloos verdwijnt, ongure Roemenen en een knap, sexy vriendje waar ze het bed ook mee deelt, zijn een paar van de ingrediënten die haar helpen dat doel te bereiken. De prijs is ongekend hoog. Heeft ze de slag gewonnen en de oorlog verloren? Zeker is dat wraak geen winnaars kent.
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 415
Veröffentlichungsjahr: 2024
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Wraakkent geen winnaars
Peter Gortworst
Auteur
: Peter Gortworst
Coverdesign
: Peter Gortworst
ISBN
: 9789403743455
NUR
: 330
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever en/of auteur.
Alle in dit boek beschreven en genoemde personen, alsmede hun handelingen zijn fictief. Ze zijn bedacht door de schrijver. Enige overeenkomst met bestaande personen berust op zuiver toeval. Er kunnen derhalve geen rechten aan worden ontleend.
© Peter Gortworst
Bij het uitbrengen van dit boek in een digitale versie, is de tekst waar nodig ontdaan van foutjes en zijn verduidelijkingen en verbeteringen aangebracht. Ondanks alle tijd die daaraan gewijd is, weet ik dat het geen foutloos boek is. Mijn verontschuldigingen als u zich daaraan stoort. Ik hoop wel dat u het boek desondanks met plezier leest.
Lente 2024
Bist du bei mir,geh ich mit Freuden zum Sterben und zu meiner Ruh.Ach, wie vergnügt wär so mein Ende,es drückten deine schönen Hände mir die getreuen Auge zu.
Uit de opera ‘Diomedes’ of ‘Die triomfierende Unschuld’ van Gottfried Heinrich Stolzel (SA 808).Of/en het is van Johann Sebastian Bach (BWV 508)
Dit is geen rustig inslapen. Dit is vechten tegen de dood en dat is een strijd die iedereen verliest. Een enkele keer is de dood genadig als een uitkomst, een verlossing of als een, vaak vermeende, oplossing. Helaas komt de dood in de meeste gevallen ongelegen, te vroeg, te onverwacht, te snel. Zo is ook Anja’s ervaring als ze bij het bed van haar vader zit. Ze ziet hem vechten. Hij wil zich niet schikken in het onvermijdelijke. Een paar keer zegt ze hem dat het goed is, dat hij mag gaan en zich geen zorgen om haar moet maken, maar hij blijft vechten.
Die zorgzaamheid tot het uiterste, is typisch haar vader. Na de dood van haar moeder is de opvoeding van zijn dochter de belangrijkste opgave geworden. Ze weet dat ze zijn grootste schat is. Als het jong van een adelaar droeg hij haar, van kinds af aan, op zijn machtige vleugels. Alleen het beste was goed genoeg voor zijn kleine meid. Haar nu in de steek laten, valt hem onnoemlijk zwaar. Hij heeft de laatste weken wel honderd keer gevraagd of ze wel op eigen benen kan staan. Alle honderd malen verzekerde ze hem dat een meid van achttien zoiets best wel kan.
De zuster komt binnen. Zwijgend en geroutineerd controleert ze haar vader. Het geluid van de hypermoderne monitor zet ze een streepje lager.
‘Het duurt niet lang meer, Anja,’ zegt ze zacht, ‘De morfine doet zijn werk.’
Haar vader ontsluit voor een kort moment de ogen en ze ziet paniek.
‘Het is goed papa. Ik ben bij je en laat je niet alleen. Ga maar slapen, het komt goed.’
Het is geen slaap maar een onrustige en angstig wachten op. Ze houdt zijn hand vast. Die voelt al koud aan. Ze staat op, buigt zich over hem heen en kust zijn voorhoofd.
Met het uur wordt de ademhaling lichter. Hij schokt af en toe een beetje. Dat grote sterke lijf waar ze tegenaan kon kruipen, dat veiligheid, rust en warmte bood, is niet meer. De kanker heeft het uitgemergeld, vernederd, kapot gemaakt.
De zuster komt weer en besluit te blijven. Het kan elk moment afgelopen zijn.
‘Pappa?’
Hij opent zijn ogen en kijkt naar haar. Hij probeert iets te zeggen, maar er komt geen geluid.
‘Ik hou van je papa.’
Dan breekt hij en gaat.
Ze sluit zijn ogen voor de allerlaatste keer en het is deze handeling die een vonk slaat. De vonk ontsteekt een vlam. De vlam maakt het vuur. Het vuur van de verzengende wraak. Ze huilt van verdriet en van woede. Voor het eerst in al die jaren voelt ze hoe die woede haar maag omklemt. Het is een kramp die haar dwingt voorovergebogen te zitten. Ze drukt haar handen in haar buik. Dat je van verdriet echt pijn kan voelen, weet ze. Van woede wist ze dat niet.
‘Gaat het?’ vraagt de zuster.
Ze knikt. De zuster maakt het raam open en koele avondlucht stroomt door de kamer. Nog even en het is weer lente. De kastanjeboom in de ziekenhuistuin zal weer bladeren krijgen en daarmee de nesten van de nu al baltsende houtduiven verbergen. De lichtgele gordijnen bewegen zacht in de wind. Vragend kijkt Anja de zuster aan.
‘De ziel heeft vrijheid nodig,’ zegt deze, ‘Hij moet weg kunnen.’
Ze gaat staan en kijkt naar haar vader. Langzaam trekt de kleur uit zijn gezicht weg. De zuster koppelt de monitor af.
‘Neem alle tijd die je nodig hebt,’ zegt ze en laat haar alleen met haar vader.
Voor de laatste maal kust ze hem en streelt zijn gezicht.
‘Dag pappa, dag…’
Ze trekt het laken over zijn gezicht en legt haar hoofd op zijn borst. Een begin van realiteit dringt langzaam tot haar door. Nooit meer die bulderende lach. Nooit meer die sterke armen die liefdevol zijn kleine meid omarmen. Nooit meer zijn gevleugelde woorden: ‘Uiteindelijk komt alles goed en is het niet goed, dan is het ook het einde nog niet’.
Dit is niet goed en toch het einde. Zijn leven had niet zo mogen eindigen. Dit heeft hij niet verdiend. Er is één man die verantwoordelijk is voor de jaren van zorgen, kommer en kwel. Ze zal hem krijgen. Hier komt hij niet straffeloos mee weg. Sinds ze gedwongen waren te verhuizen, is ze brandstof aan het verzamelen. Brandstof die de wraak ontbrandt. Nu is er genoeg om het vuur vele jaren gaande te houden. Hoe, wanneer en waar ze het vuur van de wraak over hem zal uitstorten, weet ze nog niet. Ze heeft tijd en geduld.
De dagen tot de crematie wordt ze geleefd. De begrafenisondernemer begrijpt dat de wereld waarin ze nu terecht gekomen is, een onbekende wereld is. Gelukkig zijn er vooraf wel een paar zaken geregeld. Zo is duidelijk welke muziek er gespeeld moet worden en zijn de adressen voor de rouwkaarten bekend. Het is een uitvaart die vergoed wordt door een verzekering in natura en de ondernemer neemt dat, in haar geval, ruim. Zijn ervaring deelt hij zo veel mogelijk met haar en ze is hem daarvoor dankbaar.
‘We zetten vader bij ons in een speciale kamer. Je krijgt een sleutel en mag hem zo vaak en zo lang als je wilt bezoeken,’ vertelt hij haar.
‘Is de kist open?’
‘Ja.’
‘Dat gaat niet gebeuren. De kist moet gesloten zijn. Ik wil mij hem niet herinneren als een dode man maar als de man zoals ik hem gekend heb.’
Elke avond bezoekt ze hem. Ze bekijkt de bloemen die op de kist zijn gelegd. Een mooi boeket van de oude buurtjes, een krans van de vakbond waar hij jarenlang hand-en-spandiensten aan verleende, een bloemstuk van een paar oud-collega’s en het veldboeket van haar. Geplukt op het hoge talud van de spoorbrug. Vele malen onderbraken ze de zondagse wandeling om daar onder de brug te gaan zitten. Met bijna kinderlijke opwinding, die van beider gezichten af te lezen was, zaten ze bijna twintig meter boven het kanaal en de weg, te wachten op de trein die vlak boven hun hoofd met donderend geweld voorbij kwam. Hun vingers staken ze in hun oren en ze schreeuwden tegen het geraas in. Hele stukken van het talud waren begroeid met bramenstruiken. In augustus namen ze lege conservenblikken mee en zochten ze de grootste diepblauwe bramen. Yoghurt met een verkruimelde beschuit, suiker en bramen. Het lekkerste toetje dat ze zich kan herinneren. Daar, op dat talud, gaat ze de as van papa verstrooien. Een passender plek kan ze niet bedenken.
Ze zet een stoel naast de kist en legt haar hand er op. Haar verdriet en haar gedachten laat ze de vrije loop. Het lukt haar de gedachten van wraak te verbannen. Nu is daar geen plaats voor. Het afscheid is dat telt. Dat andere komt later. Mogelijk veel later zelfs.
De deur van de kamer gaat zachtjes open. Een vrouw kijkt om de hoek.
‘O, sorry,’ zegt ze.
‘Tante Netty! Kom binnen.’
‘Ik wil je niet storen. Ik heb een krans mee van de oude buurtvereniging. Ik ga gelijk weer weg.’
‘Nee, blijf alstublieft. Blijf, want dan kunnen we praten over hoe het was toen papa nog leefde.’
Netty zet de krans met de witte linten tegen het voeteneinde van de kist. Ze pakt een stoel en gaat naast Anja zitten.
‘Houd je het een beetje vol?’
Anja knikt.
‘Het is fijn hier bij hem te zitten. Het maakt mij rustig. ‘t Is net alsof de rust die hij uitstraalde er nog is.’
‘Het was zo’n fijne man,’ zegt Netty, ‘We vonden het zo erg dat jullie het huis uit moesten. Hij werd zo gemist. Voor iedereen nam hij de tijd, iedereen wilde hij helpen en altijd vriendelijk… Ik heb hem nog nooit kwaad gezien.’
‘O, ik wel hoor. Als hij mij betrapte op een leugentje of als hij meende dat hem onrecht werd aangedaan, kon hij best wel kwaad worden. Hoe is het met het huis?’
‘Het is door de woningbouwvereniging verkocht. Er woont nu een jong stel. Die hebben eerst maandenlang verbouwd, jullie moestuin is betegeld en achter in de tuin staat nu een garage. Daar zetten ze hun Snoek in.’
‘Hun wat!?’
‘De auto. Dat ding noemen ze een Snoek.’
‘Van dat merk heb ik nog nooit gehoord.’
‘Ik ook niet, maar het maakt niet uit. Het minst leuke is dat het niet ons soort mensen zijn. Jammerlijk genoeg leven ze nogal op zichzelf.’
‘Goh, het is maar goed dat pappa niets wist van die tuin. Die moestuin was zijn kleine paradijs.’
Anja zwijgt. Netty merkt dat ze ergens mee zit. Ze wacht geduldig en haar wachten wordt beloond.
‘Netty, mag ik je iets vragen?’
‘Tuurlijk. Zeg het maar.’
‘Ik ga de erfenis weigeren.’
‘Oh…? Waarom dat?’
‘Omdat er niets te erven is. Er zijn alleen maar schulden en die wil ik niet erven.’
‘Schulden? Hoe kan dat?’
‘Meer uitgaven dan inkomsten. We leefden van aanbiedingen en de diaconie. Mijn vader moest daarvoor ‘s zondags een uurtje in de kerk zitten, maar dat had hij er graag voor over. Als hij thuiskwam in het enige pak dat hij had en ik hem vroeg hoe het was in de kerk, zei hij elke zondag blij te zijn dat God van hem een ongelovige had gemaakt. Kleren kochten we tweedehands. Als de weekmarkt ten einde liep, ging mijn vader zoeken naar groente die weggegooid werd, maar nog goed genoeg om te eten. Ik ben met mijn studie gestopt. De opleiding konden we niet meer betalen en pappa moest verzorgd worden.’
‘Ja…?’
‘We hebben echt geprobeerd het te voorkomen, maar de schulden werden steeds groter. Nu is het zo dat, wanneer je een erfenis weigert, je niets mag meenemen. Doe je het wel, dan noemen ze het onttrekken, maar ze vinden het stelen. Nu had mijn vader een halsketting met daaraan de trouwringen van hem en mijn moeder. De ijzeren tuinkabouter staat in de kamer en…
‘Ach, is die daar!’ valt Netty haar in de rede, ‘We hebben ons wel eens afgevraagd waar dat kunststuk gebleven is. Die had je vader toch zelf gemaakt, niet?’
‘Ja, hij was er best trots op.’
‘En terecht!’
‘Goed,’ gaat Anja verder, ‘Er zijn fotoboeken en foto’s die in de gang en op zijn slaapkamer hangen. Verder zijn er souvenirs en dingetjes waar ik mooie herinneringen aan heb en natuurlijk zijn pet. Die moeten het huis uit en de vraag is of ik ze zolang bij jou kan stallen. Ik doe de hele handel in een doos en zodra ik ergens een andere woning heb, haal ik die weer op. Vind je dat goed?’
‘Ja hoor. Ik wil het ook wel op komen halen.’
‘Nee, doe maar niet. Voor je het weet gaat het op een verhuizing lijken en dat moet voorkomen worden. Als de verkeerden het zien, heb ik een probleem. Ik heb morgenmiddag een afspraak met de notaris. Kan ik ze morgenochtend brengen?’
‘Ik ben thuis en zal zorgen dat de koffie klaar staat.’
Netty neemt afscheid. Ze sluit de deur achter zich en Anja legt haar hoofd op de kist.
‘Maak je geen zorgen pappa. Het komt goed.’
De notaris is de bereidwilligheid zelve, maar zoekt beroepshalve naar het naadje van de kous.
‘Had jouw moeder broers of zussen?’
‘Ja, ze had één zus, maar die is overleden.’
‘En had die zus van je moeder kinderen?’
‘Ik geloof het wel, maar zeker weten doe ik het niet. Sinds ze naar Canada geëmigreerd zijn, is het contact verwaterd.’
‘Een adres?’
‘Pfff…. Als het er is, zit dat ergens in de papieren van mijn vader.’
‘En had jouw vader nog broers of zussen?’
‘O ja. Die waren thuis met zeven kinderen.’
‘Kijk aan. Zijn daar namen en adressen van bekend?’
‘Ja, maar ik heb zijn jongste broer al gebeld en gezegd dat ik de erfenis weiger. Hij zou de anderen waarschuwen. De adressen kunt u wel krijgen hoor.’
‘Ja, graag.’
Hij rommelt omslachtig in zijn papieren. Ze bekijkt het portret van koningin Juliana dat boven zijn hoofd aan de muur hangt en wacht geduldig tot gevonden is wat hij zoekt. Blijkbaar een spiekbriefje want puntsgewijs begint hij met haar door te nemen welke consequenties er vastzitten aan het weigeren van een erfenis. Ze heeft zich goed voorbereid en weet wat er komen gaat.
‘Goed, er gaat een brief naar de kantonrechter. Die bekijkt de zaak en met jouw situatie in het achterhoofd, schrijft hij een machtiging. Voor jou betekent dit dat je niets uit het huis mag halen. Geen meubels, geen radio of televisie, geen sieraden, geen schilderijen, niets. Ben ik duidelijk?’
‘En de meubels in mijn eigen kamer, mijn kleren, pick-up, boeken, make-up en zo?
‘Ja, dat wel.’
‘En een paar foto’s die aan de wand hangen?’
‘Luister, wie veel vraagt, krijgt vele antwoorden.’
Ze kijkt hem aan en weet genoeg.
‘Sterkte meisje,’ zegt hij en geeft haar een hand.
Ze zit alleen op de voorste bank in de aula. Voor haar staat de kist. Twee grote kandelaars met brandende kaarsen staan naast het hoofdeinde. Alleen haar veldboeket ligt op de kist. Alle kransen en bloemstukken liggen mooi gedrapeerd aan het voeteneinde.
Het is niet druk. Tante Netty en haar man zitten achter haar. Ze ziet een paar bekende gezichten uit hun oude straatje. Halverwege zitten een paar onbekende mannen bij elkaar. Ze vermoedt dat het vroegere collega’s zijn. Twee ooms en één tante zijn gekomen. Ook namens de anderen, hebben ze nadrukkelijk laten weten. De dominee is er en dat waardeert ze toch. De dag na papa’s dood kwam hij op bezoek om over de dienst te praten. Ze maakte hem duidelijk dat er geen kerkdienst zou komen en hij had vreemd opgekeken. Haar vader was toch gemeentelid van de kerk geweest? Ze denkt dat deze zielenherder zich bekocht voelde toen ze vertelde dat haar vader naar de kerk ging om de hulp van de diaconie te krijgen. Die aardse hulp was harder nodig dan het hemelse manna. Haar vader was een overtuigd ongelovige en dat kon de dominee zichtbaar moeilijk verkroppen. Zonder veel woorden is hij gegaan. Dat hij er nu toch is, pleit voor hem.
De uitvaartondernemer neemt het woord. Hij bedankt iedereen die gekomen is om de laatste eer te bewijzen aan de gestorvene. Op zijn vraag of er nog iemand is die het woord wil voeren, steekt een oud-collega de hand op. De eerste muziek die gespeeld wordt, is van Bach. Aafje Heynis zingt het “Bist du bei mir”. Anja krijgt het te kwaad. Ze ziet haar vader weer zitten naast de luidspreker van de pick-up. De ogen gesloten en luisterend naar dit prachtige lied. Ze buigt voorover en huilt in haar zakdoek.
Dan is daar die arm om haar schouders. Netty is naast haar komen zitten en houdt haar vast. Plotseling realiseert zij zich dat ze alleen is. Ze is een weeskind geworden die het vanaf nu alleen moet zien te rooien. Die arm is nu net wat ze nodig heeft. Ze legt haar hoofd op de schouder van Netty en de hele ceremonie gaat in een waas aan haar voorbij.
Het laatste afscheid is daar. Samen met Netty loopt ze naar de kist. Ze staat daar en staart zeker een minuut naar de gesloten kist voor ze een stap naar voren doet en een diepe buiging maakt. Ze buigt uit een groot respect en intense liefde voor de man die haar vader is, haar steun en toeverlaat, haar held. Zonder om te kijken loopt ze naar de koffiekamer.
Omgeven zijn door aardige en behulpzame mensen is een zegen en een vloek. Enerzijds vult het je met dankbaarheid als mensen om je geven en je met allerhande middelen bijstaan, anderzijds doet het een beroep op je trots. Je verlangen zelfstandig te zijn, wordt geweld aangedaan en maakt het aanvaarden van hulp tot een kunst.
Dat ervaart ook Anja. De woningbouwvereniging is niet gespeend van enige ethische waarden. De woning moet ze opgeven. Ze kan en mag daar niet blijven wonen. In deze naoorlogse tijd van woningnood is het onbestaanbaar dat een vrouw alleen in een complete eengezinswoning woont. Haar dakloos maken is uiteraard niet de bedoeling. Ze begrijpen best dat een andere woonruimte niet zomaar gevonden is en geven Anja daarom tijd. Die tijd heeft ze echt nodig. Er zal geld verdiend moeten worden om in haar levensonderhoud te voorzien. Het pannetje met eten dat Netty elke avond brengt, is welkom maar vele malen liever had ze zelf gekookt.
‘Nee joh, het is absoluut geen moeite. Of ik nu voor twee of voor drie kook, maakt mij niet uit,’ heeft Netty gezegd, ‘Lukt het overigens met het zoeken naar werk?’
‘Ik wacht nog op antwoorden,’ zegt Anja, ‘De koekjesfabriek laat nog niets van zich horen en de schoonmaakdienst ook niet. Veel meer dan wachten kan ik niet en kieskeurig zijn al helemaal niet.’
‘Nou ja, wie weet ligt er morgen wel een brief in de bus. Lust je schouderkarbonade?’
‘Ja…?’
‘Dan eet je dat morgen.’
Anja schept het meegebrachte pannetje leeg en wast het af.
‘Spinazie, aardappelen en een slavink. Lekker.’
‘Geniet er maar van. Tot morgen,’ zegt Netty en vertrekt met het pannetje in haar boodschappentas.
Het lot is haar welgezind. Na een kleine week ligt er een brief van de koekjesfabriek op de deurmat. Ze kan zich maandag melden bij de poort en vragen naar de heer Spits van personeelszaken. De dag daarna is er opnieuw een brief. De schoonmaakdienst van het stadhuis neemt haar graag aan voor de interieurverzorging. Ze hoeft niet lang na te denken welke ze laat vallen: ze neemt beide banen. Haar langgekoesterde wens om een Lelijke Eend te kunnen kopen, is nieuw leven ingeblazen. De tijd van spaarzaam leven werpt vruchten af. Ze is met weinig tevreden en het saldo op haar spaarbankboekje kan, voor het eerst in lange tijd, weer groeien.
Overdag vist ze mislukte koekjes van de band en ‘s avonds leegt ze prullenmanden, sopt toiletten, stofzuigt de vloer en poetst de talloze telefoons. Van haar eerst verdiende geld koopt ze twee zakken chips, een fles wijn en twee flesjes bier, vraagt Netty en haar man te komen en viert die zaterdagavond met hen trots de herwonnen vrijheid.
‘Ga maar eens kijken of het iets voor je is,’ zegt de heer Jonker van de woningbouwvereniging, ‘Ik denk dat je het een prima woning zal vinden.’
Hij geeft haar de sleutel en het adres. Ze stapt op de fiets. Appartementen aan de Oostzijde? Nu kent ze haar stad redelijk goed, maar van appartementen aan de Oostzijde heeft ze nog nooit gehoord. Tot ze er is.
Dit is de Hunkerbunker. De hele stad weet precies waar je het over hebt als je deze naam laat vallen. Hier wonen, vaak tijdelijk, vooral verpleegsters van het ziekenhuis. Alleenstaande meiden die vertrekken als ze een betere woning kunnen vinden of een vriendje. Het is een wonderlijke constructie. Een blok van zestien kleine woningen op hoge betonnen palen. Acht woningen zijn bereikbaar via een lange metalen trap aan de achterzijde. Met een aansluitende trap zijn, één etage hoger, de volgende acht bereikbaar. Onder die woningen is een benzinestation. Als het regent kan je daar, zonder nat te worden, tanken.
Ze loopt de trap op en zoekt de deur van de woning. Die bevindt zich op de onderste laag. Nieuwsgierig doet ze open. Een gangetje leidt naar de woonkamer. In het gangetje een deur naar het kamertje waar de natuur eenieder, op gezette tijden, op hun nederigheid wijst. Het is zo klein dat het beter is met geopende deur te doen wat men geacht wordt daar te verrichten. De deur daarnaast geeft toegang tot de badkamer. Een douche waar je de kont amper in kan keren en een wasbak. Meer is het niet. De woonkamer heeft een open keukentje en een deur naar de slaapkamer. Er is nog een deur. Die geeft toegang tot het balkon maar zodra ze deze openmaakt, slaat de stank van benzine en diesel haar op de keel. Die deur blijft vanaf nu dicht. Ze kijkt om zich heen, loopt rond, wikt en weegt. De huur is belachelijk laag, de woning voor haar alleen is goed genoeg. Er zal geschilderd moeten worden, het balkon is onbruikbaar en vloerbedekking is er niet. Ze weet heel goed, dat ze hier met niets zal beginnen en het even zal duren voordat het zo ingericht is dat er visite kan komen. Ze fietst terug naar de woningbouwvereniging.
‘Ik neem hem,’ zegt ze.
‘Da’s mooi,’ zegt mijnheer Jonker, ‘We gaan het regelen. Gefeliciteerd.’
Het is zaterdagmorgen zeven uur en Anja stroopt haar mouwen op. Met twee banen blijft er niet veel tijd over om je eerste eigen woning onder handen te nemen. De lange muur is geverfd in een viesgroene kleur. Die moet lichtpaars worden en ze denkt daar de hele dag voor nodig te hebben. Om tien uur is er een kwart van de muur gedaan. Ze ploft op de grond. Haar armen zijn moe. Ze schenkt zich een beker Exota in en beziet haar werk. Het groen komt nog door het paarse heen. Het dekt niet en de hele muur vraagt zeker nog een laag.
Er wordt op de deur geklopt. Ze doet open en voor haar staat een lange, magere slungel met een vlasbaardje, donkere ogen, lange haren en een Afghaanse jas.
‘Hoi,’ zegt de slungel en steekt zijn hand uit. ‘Ik ben Theo de Geus, je buurman.’
‘Hoi, ik ben Anja. Ben jij de buurman rechts of links?’
‘Ik ben rechtshandig maar woon links. Als je andersom gaat staan woon ik rechts.’
Hij grijnst en Anja kijkt hem verwonderd aan. Die grijns is speciaal. Het lijkt op een hond, die zijn tanden laat zien in combinatie met een fotomodel die op het goede moment ‘cheese’ moet zeggen. Het is dat zijn ogen daarbij lachen. De aanblik zou anders beslist beangstigend genoemd kunnen worden.
‘O leuk, kom binnen,’ zegt Anja, ‘Er staat nog niets. Ik ben begonnen een muur te schilderen, maar dat valt nog niet mee.’
Theo bekijkt de muur en de emmer met verf.
‘Dit is niet genoeg. Je zal die muur nog zeker twee keer moeten doen voor het dekt. Waar heb je die verf vandaan?’
‘Hema…?’
‘Hm. En die mengkleuren ook?’
‘Ja…?
‘Ga door met schilderen. Ik haal nog wat verf op.’
Hij draait zich op zijn hakken om en verdwijnt. Anja roept nog iets over geld maar dat hoort hij al niet meer.
Na een half uurtje is hij terug met twee emmers verf en een boodschappentas. Hij loopt de voordeur uit en even later hoort Anja lawaai op haar balkon. Ze ziet twee handen die rieten tuinstoelen buitenlangs de afbakening van de balkons manoeuvreren. Na een paar minuten komt hij via de voordeur weer binnen. Hij draagt andere kleren en een kleine salontafel. De tafel zet hij in het midden van de kamer, de stoelen haalt hij van het balkon en uit de boodschappentas vist hij een fles melk, een brood, boter en beleg. Hij graait in zijn broekzak en tovert twee messen tevoorschijn.
‘Zo,’ zegt hij, ‘Eerst eten en praten.’
Anja schiet in de lach.
‘Jij bent er eentje van het kordate type?’
‘Ja. Werken met een lege maag gaat niet. Ik heb vandaag tijd en kan je daarom helpen.’
‘Fijn. Ik ben er best blij mee, maar waarom doe je dat? Je kent mij niet eens.’
‘Jawel. Jij bent Anja. Je bent een mooie meid en waarschijnlijk leer je voor verpleegster.’
‘Uh… Ja. Dank je. Fout.’
‘Geen verpleegster? Wat doe je dan?’
‘Overdag werk ik in de koekjesfabriek en ‘s avonds maak ik het gemeentehuis schoon. Mocht je daar ooit komen en het ruikt naar eerlijk zweet, dan is dat van de schoonmakers. Ambtenaren zweten niet. Die stiefelen aan het einde van de dag naar huis en slapen daar verder. En jij wordt vast ook geen verpleger.’ Theo grijnst.
‘Nee, dat is niets voor mij. Ik ben meubelmaker in een meubelfabriek. Het heeft weinig met het echte ambacht te maken, maar je moet toch ergens beginnen, nietwaar?
Hij staat op en schuift het tafeltje met de stoelen aan de kant.
‘Ik haal bij mij een verfroller met een bak op. We gaan aan de slag.’
Halverwege de middag is de muur twee keer gedaan en heeft een muur in de slaapkamer dezelfde lichtpaarse kleur.
‘Morgen verder?’ vraagt Theo.
‘Anja knikt en zegt dat ze er twaalf uur zal zijn. Het lijf verbiedt haar om eerder te komen.
‘Heb je geen vrienden of vriendinnen die je kunnen helpen?’ vraagt Theo.
‘Niet meer.’
‘Omdat?’
‘Omdat een meid die geen geld bezit, geen moderne kleren kan kopen en hele dagen bezig is een zieke vader te verzorgen, geen leuke vriendin is.’
‘Auw,’ zegt Theo.
‘Vraag niet verder. Misschien vertel ik het je ooit nog.’
Langzaam maar zeker wordt de woning bewoonbaar. Als laatste haalt Theo met een gehuurde bakfiets haar bed en kledingkast op. Hij helpt met het inrichten en samen vieren ze de eerste avond in haar nieuwe woning. Anja drinkt wijn en Theo een pilsje. Het visnet hangt aan het plafond en de druipkaarsen in de chiantiflessen geven een flakkerend licht dat zorgt voor bewegende visnetschaduwen. Op de pick-up draait ‘Let it be’, de laatste elpee van de Beatles, zijn rondjes. Omdat er nog geen bank of fauteuils zijn, vieren ze deze heuglijke gebeurtenis in het smalle bed van Anja. Het is behelpen maar met een beetje goede wil lukt dat best. Deze hele lange nacht en vele nachten daarna.
Elke stad heeft zijn wijken die de sociale verschillen vaak pijnlijk duidelijk maken. Zo kent Amsterdam zijn grachtengordel, de Jordaan, Osdorp en de Bijlmer. De welgestelden wonen bij elkaar in de buurt. De sociaal zwakkeren, de Turken, de Marokkanen en de arbeiders ook. “Gewone” Nederlanders wonen in hun rijtjeshuizen en wie het zich kan veroorloven, vertrekt naar een omliggend dorp om daar, behoudens de herrie van landbouwvoertuigen en de geur van stront, te genieten van de rust en de ruimte. In dit grote dorp gaat het niet anders. De nieuwe wijk, het Zaaiersveld, wordt voor een deel geschikt gemaakt voor sociale woningbouw en een deel voor de particuliere sector. Er komt een winkelcentrum en natuurlijk twee basisscholen. Een christelijke en een openbare. Nabij het centrum van deze kleine stad woont Anja zeer bescheiden in haar hunkerbunker. De relatie met Theo de Geus verdiept zich meer en meer. Ze zijn met weinig tevreden en hun beider woning zijn een thuis dat bij hen past.
Ook Sjaak, een gevierde en goed boerende zakenman, zoekt een passende plek waar hij met zijn vrouw en kleine zoon kan wonen. Hij heeft zich goed laten informeren. Wie wat en waar laat bouwen in de nieuwe wijk is voor hem erg belangrijk. Het noordelijke deel bevat kavels voor huiseigenaren die hun woning onder architectuur laten optrekken. Mensen van zijn eigen soort die hij graag als zijn buren ziet. Nette mensen in een nette buurt. Weg uit de stad met het vele verkeer, krijsende kinderen, poep op de stoep en luidruchtige jongeren op de zaterdagavond. Zijn kleine jongen, Mark, zal opgroeien in een rustige, beschaafde omgeving. Het kan hem daarom niet snel genoeg gaan.
Trots heeft Sjaak zijn broer Jaap een rondleiding door de nieuwe woning gegeven en nu zit Jaap met de kleine Mark op schoot in de riante woonkamer. Mark vindt Ome Jaap de alleraardigste oom en Jaap prijst zich gelukkig met zijn enige neefje. Spelen en grapjes maken met hem vindt hij één van de leukste tijdsbestedingen. Zelf rekent hij zich tot het eerbiedwaardige genootschap der eeuwige vrijgezellen. Net als grootouders prijst hij zich gelukkig met kleine familieleden: wel de lusten, niet de lasten.
‘En kleine man, wat wil je later worden?’
‘Brandweerman!’
‘O? Dat is kras. Je bent zes jaar en al politieagent geweest en vrachtwagenchauffeur. Nu komt daar brandweerman bij en voor welk mooi beroep ga je leren als ik volgende week weer kom?’
De kleine Mark haalt zijn schouders op, bijt op zijn lip en zegt:
‘Weet ik nog niet. Piloot?’
‘Ach, ja, dat kan maar zo. Wanneer ga je naar de grote school?
‘Na de vakantie.’
‘Toe maar! Zal ik jou eens een goede raad geven?’
De kleine Mark kijkt hem verwachtingsvol aan.
‘Luister goed naar deze wijze oom. Leer zo veel als je kunt maar het belangrijkste is om later dàt te gaan doen wat je leuk vindt en laat niemand tegen je zeggen dat je dingen moet.’
Mark kijkt zijn oom aan. Het kleine kopje probeert het wel, maar de reikwijdte van deze woorden kan hij nog niet bevatten. Zijn moeder komt binnen en vraagt of hij meegaat om boodschappen te doen. Met kleine huppeltjes loopt hij achter haar aan de kamer uit.
‘Mooi zo’n onbeschreven blad,’ merkt Jaap op.
‘Hm. Wat bedoel je met die zogenaamde wijze raad over niets moeten?’ vraagt Sjaak.
‘Simpel. Weet jij hoeveel mensen lijden onder dat moeten? Ik denk dat het veel scheelt als je heel weinig moet. Als er geen dwang of drang is, leef je een stuk relaxter en wie wil zo niet leven?
‘Hm, hem dwingen kan niet maar in een beetje sturen zie ik geen kwaad. Voor mij is hij de opvolger in mijn bedrijf. Je moet er toch niet aan denken dat mijn levenswerk, met eigen bloed, zweet en tranen opgebouwd, verkocht wordt aan een vreemde. Iemand anders die gaat pronken met de veren die ik verdiend heb? Echt, ik moet er niet aan denken!’
‘Ja, Sjaak, dat kan ik mij wel voorstellen,’ meent Jaap, ‘Helaas heb je het niet alleen voor het zeggen. Het is niet meer zo vanzelfsprekend dat de zoon de vader opvolgt. De tijdgeest is aan het veranderen. Alle kinderen die na de oorlog geboren zijn, hebben die oorlog niet meegemaakt. Ze weten niet hoe het is onder een juk te leven, honger te hebben of in een rechteloze staat te wonen. De vrijheid die ze opeisen, klinkt ons vreemd in de oren omdat wij een andere vrijheid bevochten. Het enige wat je kunt doen, is je zoon een beetje sturen. Maak niet de fout hem eisen te stellen. Onze vader deed dat bij jou en je weet zelf hoe je gereageerd hebt. Jij moest toch boekhouder worden en samen met hem een kantoor beginnen?’
‘Klopt, maar werken in de metaal vond ik veel leuker. En organiseren. Goh, ik heb toch een flink aantal bestuursbaantjes gehad bij de knapenvereniging, de kerk en de vakbond. Een bestaan als boekhouder zag ik echt niet zitten. Ik heb niets met cijfertjes. Nu heb ik twee van die cijferaars in dienst. Ze leveren prima werk maar bijna elke keer als ze met hun lijstjes getallen bij mijn bureau staan, prijs ik mij gelukkig dat ik toentertijd niet naar de ouwe geluisterd heb.’
‘Haha, ja, mensen die het werk voor je doen. Je hebt het goed voor elkaar, Sjaak. Hoe gaan de zaken overigens?
‘Als een trein. Ik barst van het werk. Het kost moeite de levertijden aan te houden en dat is niet goed. We zijn nu mondjesmaat werk aan het uitbesteden, maar feitelijk is dat te duur. Bijbouwen om zelf meer te produceren kan niet. Het terrein is niet groot genoeg en verhuizen naar een industrieterrein is niet gratis. Ik heb nog geen idee hoe het verder moet. We hebben al een tijd terug twee metaalbedrijfjes overgenomen en laten daar nu een deel van onze producten maken. Voor een goede bedrijfsvoering en de noodzakelijke expansie is het nodig dat we er nog twee of drie overnemen. Het zijn helaas lastige tijden maar niets doen is geen optie.’
‘Een bedrijf overnemen kost toch ook geld?’
‘Ja, maar niet als je het een beetje slim speelt. Eén van die boekhouders heeft daar ervaring mee. Een tactisch spel noemt hij het en tot nu toe pakt het goed uit. We onderzoeken as we speek of het in de toekomst zo door kan gaan. Weet je wat deftig staat?’
‘Nee?’
‘Dat je nieuwe klanten foto’s laat zien van drie verschillende panden waarop de naam ‘Van Sloten Machinebouw’ prijkt.’
Als kleine jongen speelt Mark niet met auto’s of treinen. Hij bouwt torens en huizen van houten blokken. Lego is aan hem niet besteed. Blokjes die met gaatjes in andere blokjes passen geven hem te veel beperkingen. Een ronde tafel of een ronde toren kan je er niet mee bouwen. Een glijbaan weer wel maar niet een glijbaan met een krul. Zijn geluk is ome Jaap. Die maakt in zijn schuurtje zelf houten blokken en heeft er ook nog aardigheid in naar de wensen van Mark te luisteren.
In de jaren die volgen leert hij hem knutselen. Hij brengt hem de eerste beginselen van metaal- en houtbewerking bij. Nuttig als je dat beide kunt maar Mark heeft het meeste plezier bij het bewerken van hout. Ome Jaap snapt dat. Hout is een levend materiaal. Het kan ruiken als de duurste parfum, voelt aan als de huid van een mooie vrouw en, mits je het met liefde behandeld, is het zo gewillig en gehoorzaam als de schaapshond van een herder.
Het is ruim tien jaar later en de raad van ome Jaap om alleen te doen wat je leuk vindt, zit goed in de oren van Mark geknoopt. Het kon moeilijk anders. In elk gesprek met ome Jaap drukte hij zijn goede raad hem op het hart. De kracht van herhaling had effect. Kleine Mark is groter geworden en weet dat werken met hout het leukste is. Zijn vader ziet daarmee zijn wens en hoop op de bedrijfsnaam ‘Van Sloten en Zn’ in rook opgaan.
Welke gek wordt er nu vrijwillig een arbeider? Wat voor bestaan bouw je op? Er valt toch meer te verdienen met een opleiding bedrijfseconomie of management? Met een universitaire titel kan Mark voor de dag komen. En hij niet alleen. Het beïnvloed tevens zijn status. De notaris die twee huizen verder woont, is terecht trots op zijn dochter. Die is rechten gaan studeren en je moet hem horen als hij het over haar heeft. En wat moet hij? Ze zien hem aankomen met een ambachtsman als zoon. Geen pak met stropdas maar een spijkerbroek. Eeltige, vuile handen met rouwrandjes onder de nagels. Een lichtgeel broodtrommeltje met vier sneetjes brood op de bagagedrager van de brommer in plaats van een lunch in het bedrijfsrestaurant. Conversaties die uitblinken in niveauverschil en woordgebruik. Daar ben je klaar mee als man die hecht aan status en decorum. Waar is het fout gegaan? Zijn bedje was gespreid. Hoe kan hij dan voor zo’n leven kiezen? Jaap krijgt de schuld. Jaap met zijn ‘doen wat je leuk vindt’ en ‘niets moeten’. Jammer dat de lichting van Mark is vrijgesteld van militaire dienst. Daar zouden ze die jongen wel geleerd hebben dat moeten soms gewoon moet.
Mark weet niet hoe moeilijk zijn vader het hier mee heeft. Een wonder is dat niet. Sjaak kan stoer praten als Brugman, maar zodra het over zijn stille wensen, emoties of gevoelens gaat, sluit hij de luiken en gaat de deur op slot. Dan zwijgt hij en een knappe jongen die hem toch aan de praat krijgt. Sjaak is bang voor zijn eigen angsten, zijn onzekerheden en zijn zwakke kanten. Voor geen prijs maakt hij die bekend. Hij is de sterke leider, de slimme zakenman, de man met een natuurlijk overwicht. Een luidruchtige prater die zo ook zichzelf overschreeuwd. Kerels als hij zijn vaak binnenvetters en die praten niet over stille wensen of diepe gevoelens. Dat is niet goed. Het kan zich wreken op vele manieren en op onverwachte momenten.
Het moge duidelijk zijn dat de beroepskeuze van Mark vast ligt. Wanneer het in hart en hoofd goed zit, kunnen de handen maken wat de ogen zien. Meubelmaker en ontwerper moet het worden en het is de beste keuze die hij in zijn leven heeft gemaakt. Zijn droom is ooit een meubel te ontwerpen dat net zo uniek is als de stoel van ene mijnheer Rietveld. Waarom die man wel en hij niet? In deze droom staat hij op de foto naast zijn bekroonde meubel. De vakpers rept over een nieuwe en veelbelovende ster aan het firmament en hij heet Mark van Sloten.
Al tijdens zijn opleiding maakt hij de ene schets na de andere. Bezoekt beurzen en is een vaste kijkklant op talloze meubelboulevards. Hij bestudeert constructies, gebruikte materialen, bevestigingen en vormen. Kieskeurig is hij niet. Of het nu kapstokken zijn, bedden, banken, kasten, commodes of keukentafels, elk meubel wordt bestudeerd. Waar liggen kansen, wat kan er anders of beter? Met leedwezen ziet hij het gebruik van waaibomenhout, spaanplaat, schuimrubber en dunne lagen fineer toenemen. Dat fabrikanten meubels betaalbaar willen houden, begrijpt hij wel maar moet het op deze manier? Hij hoopt dat al die kladblokken vol met schetsen en alle uren van observaties op een dag een idee opleveren waarmee hij naam kan maken. Zijn vraag is niet of het komt maar wanneer. Vol ongeduld wacht hij op dat moment.
Het valt niet mee als meubelmaker werk te vinden. Er zijn weinig echt ambachtelijke meubelmakerijen en het personeel heeft de eigenschap honkvast te zijn. Een levendig personeelsverloop kent men niet. Bij een grote meubelfabriek in de naburige stad is wel een plek vrij. Ze vragen geen meubelmakers maar machinale houtbewerkers. Dat geeft te denken. Toch gaat hij daar aan het werk. Als je de bulls eye niet kan raken moet je zorgen zo dicht mogelijk in de buurt te komen. En zo verdient hij daar zijn eerste geld.
Met ambachtelijk meubels maken heeft zijn werk inderdaad niet veel van doen. Bij de goederenontvangst komt meer lijm, spaanplaat en pakken fineer dan echt en eerlijk massief hout binnen. Dat zegt al genoeg. Het is massaproductie. Zo veel mogelijk kast voor zo weinig mogelijk geld.
Zijn ouders kochten na hun huwelijk meubels voor de eeuwigheid. Dat kon makkelijk, want die kwaliteit hadden de meeste meubels wel. Men kocht niet om de drie jaar een compleet nieuw bankstel. Het woord “mode” was nog niet uitgevonden en waarom zou je een meubelstuk dat nog prima in elkaar steekt, wegdoen? Nu heb je geluk als na drie jaar de bodem niet uit een lade van je “kwaliteitsmeubel” valt.
Mijnheer de Geus is zijn mentor. Mark noemt hem echt zo. Gelukkig is mijnheer de Geus van het type “jongens onder elkaar”. De dreiging Mark een oplawaai te verkopen als hij hem nog één keer mijnheer noemt, blijkt effectief. Niemand op de werkvloer is hier mijnheer. Het is gewoon Theo en dat is het. Hij controleert zijn werk en leert hem al de geschreven en ongeschreven regeltjes die je als jonge jongen in een fabriek nu eenmaal moet weten. Voor Mark is Theo het prototype van een kunstenaar. Een lang en mager lijf, donkere ogen, lange haren en een sik. Niet bepaald een flitsende verschijning. Zijn bewegingen en zijn praten lijken met een zekere bedachtzaamheid te gaan. Hij is zeker al bijna dertig. Zijn verschijning dissoneert een beetje met de rest van het personeel. Mark vergelijkt hem en de anderen met de acht zwarte schakelaars op zijn boormachine. Eén daarvan is een beetje minder zwart en steekt daarom af. Mark mag dat wel. Kunstenaars kleuren de wereld.
De grondbeginselen van arbeider zijn, leert Theo hem de eerste dag: doe alsof je druk bent, sta niet met je handen in je zakken, blijf niet hangen in de kantine en kom niet te laat. De laatste regel is door de controleerbaarheid de belangrijkste. Prikklokken zijn net zo gehaat als onverbiddelijk. Elke minuut die je te laat komt, telt. Iedere minuut die je langer doorwerkt niet.
Bij Theo gaat Mark vragen wat hij moet met Marcel van de kantenverlijmer. Die heeft opdracht gegeven morgen een houtzaag mee te nemen. Waarom zou je in een houtverwerkend bedrijf een houtzaag meenemen? Het barst hier van de zagen! Theo grijnst zijn grijns maar antwoord geeft hij niet. Mark krijgt alleen het advies om het wel te doen. Meer wil hij niet zeggen.
De volgende dag, tegen lunchtijd, komt Marcel naar hem toe.
‘Mark! Waar is je zaag?’.
Hij bekent dat deze in de fietstas zit. Ophalen en terugkomen is de order en dan blijkt de hele afdeling hem op te wachten. Ze pakken hem vast en met veel gejoel wordt zijn been met een ketting aan de werkbank vastgemaakt. Een hangslot bepaalt zijn plaats voor de komende dertig minuten. In de bankschroef zit een forse, solide en hardhouten balk. Met viltstift hebben ze er, van links naar rechts, vijf vakjes opgetekend. In elk vakje staat de naam van een dag. In het vakje “woensdag” is een dikke, rode streep getrokken.
‘Zo,’ zegt Marcel, ‘Jij gaat nu voor ons de week doorzagen. Je hebt een half uur.’
Hij doet het met gemengde gevoelens. Veel keus is er niet. Blijkbaar is dit het lot van de jongste werknemer. Zijn lunch eet hij die middag tussen de bedrijven door.
Na een maand heeft hij de cadans in zijn monotone bestaan gevonden. Elke morgen stapt hij op dezelfde tijd uit zijn bed. Gaat onder de douche staan, trekt zijn kleren aan en maakt tijdens het ontbijt, zijn lunchpakketje klaar. Op de Puch rijdt hij dezelfde route met dezelfde mensen naar hetzelfde industrieterrein. Een zwijgende colonne van individuen die blij mogen zijn dat ze kunnen werken, maar zelden wordt het zo ingezien of ervaren. Hij merkt wel dat de dagen korter en kouder worden maar als hij de fabriek inloopt valt de geur van spaanplaatgas, lak en lijm hem niet meer op.
De hoogtepunten van de dag zijn de pauzes en de klok van vijf uur. Er wordt van hem verwacht dat hij snel en accuraat werkt. Meer niet.
‘s Avonds doet hij niet veel. Gedurende de eerste week als arbeider kwam hij doodmoe thuis. Niet gewend om een hele dag te staan en te werken. Doof van alle herrie. Nu gaat het beter maar de zin om na werktijd nog actief te zijn, is er niet. Beetje lezen, beetje tv kijken, beetje van alles en nog wat en op tijd naar bed. In het weekend de ene keer met pa mee op de boot een andere keer met vrienden de stad in. Enerverend kan hij zijn bestaan niet noemen.
Meer en meer gaat hij het werk haten. Kastdeurtje na kastdeurtje legt hij in de machine die er netjes gaatjes in boort. De afwisseling zit in het ombouwen van de machine. Na een serie deurtjes voor kast “model Leipzig” zijn de deurtjes voor kast “model Paderborn” of “model Dresden” aan de beurt. Voor het ombouwen staat een half uur. Dat is krap want het gaat niet alleen om het verwisselen van de boren. Boorafstanden aanpassen en de maten controleren bij een testdeur, moeten in diezelfde tijd. En altijd is daar het lawaai van de afzuiginstallatie. Het eeuwige geruis dat je na verloop van tijd niet meer hoort. Die stopgezet wordt in de pauzes en je dan leert dat er nog zoiets als verademende stilte en rust bestaat.
Als het even kan, voert hij met Theo lange gesprekken. Ook hij is een ambitieuze ambachtsman die zijn kans om echt ambachtelijk te werken nog niet heeft gehad. Het klikt wonderwel tussen die twee. Dat ze in elkaar een gelijkgestemde ziel vinden om van gedachten te wisselen, is een zeldzame bijzonderheid. Beiden hebben een grote en vooralsnog onbeantwoorde liefde voor het vak. Een liefde die ze in deze fabriek niet vinden.
Op een dag nodigt Theo hem uit ‘s avonds bij hem thuis te komen. Er valt wat te zien en er moet een kwestie besproken worden. Nee, meer wil Theo er niet over kwijt. Kom nu maar gewoon.
Net na zevenen drukt hij op de bel. Binnen klingelen klokjes en doet Theo open.
‘Ha. Daar ben je. Kom binnen.’
Hij loopt voor Mark uit. Als hij een klein tafeltje in het halletje passeert, wijst hij naar een gebeeldhouwde, houten vrouwenkop.
‘Dat is Anja, mijn vrouw.’
‘Hè? Wat bedoel je?’
‘Ik heb het hoofd van mijn vrouw nagemaakt. Hoe vind je het?’
‘Het is prachtig. Mag ik het vasthouden?’
‘Tuurlijk.’
Mark bekijkt de kop aandachtig. Het is gemaakt van berkenhout en glad geschuurd met het fijnste polijstpapier. Het voelt glad en warm. Met bewondering ziet hij hoe gedetailleerd het gemaakt is. De wenkbrauwen zijn er niet in gesneden maar liggen er echt voelbaar op. Zo ook het haar. Zelfs neusgaten zijn levensecht. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en het is alsof ze hem aankijkt.
‘Het is prachtig. Ik had niet gedacht dat je dit kon. Ik had al een vermoeden dat je een echte kunstenaar was maar nu weet ik het zeker.’
Theo grijnst.
‘Kom verder,’ zegt hij en gaat hem voor naar de keuken.
Daar ziet hij zijn vrouw in het echt. Theo vertelt vaak over zijn Anja. Hij is nog net zo verliefd op haar als elf jaar geleden. Mark dartelt nog rond in vrijgezellenland, maar als hij ooit een vrouw zou kunnen krijgen, is er de hoop dat het net zo wordt als tussen Theo en zijn Anja. Ze drinken koffie en kletsen wat.
‘Je zit te popelen,’ zegt Anja met een dikke glimlach tegen haar man.
‘Ja, doe ik. Kom,’ zegt hij tegen Mark.
‘Zal ik straks een biertje brengen?’ vraagt Anja.
‘Ja, doe maar. We zijn daar wel een tijdje zoet.’
Theo gaat hem voor naar de garage en als Mark ziet waar hij terecht gekomen is, valt hij stil. Dit is geen garage. Dit is een atelier. Aan de wand boven een lange werkbank hangt een vermogen aan handgereedschap. Beitels, gutsen, lijmtangen, boren, freesjes, vijlen. Noem het en het is er. Een combinatiemachine, een lintzaag, een kolomboormachine en een zaagtafel staan zo slim opgesteld dat ze gebruikt kunnen worden zonder een andere machine te verplaatsen. In de hoek staat een houtdraaibank die op de werkbank gemonteerd kan worden.
Tegen de garagedeur staat een kast in aanbouw. Het eikenhout is nog blank, maar het meubel is nu al van een verpletterende schoonheid. Het is Theo’s trots en dat zal Mark weten ook. Achter de twee openslaande deuren bevinden zich links legplanken en rechts laden. Zwaluwstaartverbindingen waar het kan. Niet machinaal gemaakt maar met de hand. Geen schroef of duvel in het zicht. De gebogen toog is massief en uitbundig voorzien van houtsnijwerk. Op de deuren rozetten van bloemen. Zo levensecht dat je denkt ze te kunnen plukken. Mark is er stil van.
‘Wat vind je er van?’ vraagt Theo.
‘Ik weet werkelijk niet wat ik zeggen moet. Dit is prachtig, dit is… de rommel die wij overdag maken, haalt het niet bij deze kast.’
Theo knikt.
‘Er zit al anderhalf jaar werk in. Ik moet de voorste twee poten nog maken en in de frontjes van de laden moet nog houtsnijwerk komen. De kast goed in de lak zetten, is een tijdrovende klus maar dan heb je ook wat, toch?’
‘Dat heb je zeker. Jeetje man, wat mooi. Heb je hem voor jezelf gemaakt of is er een klant voor?’
‘Nee, zo’n kast verkoop je niet. Ik heb er mijn ziel en zaligheid in gelegd. Hij komt in de huiskamer te staan.’
Theo kijkt nadenkend naar zijn kast.
‘Weet je,’ zegt hij dan, ‘Er zijn niet veel mensen die een kast als deze op waarde weten te schatten. En nog minder mensen die de prijs hiervoor willen betalen.’
‘Daar kan je best gelijk in hebben,’ zegt Mark, ‘Moderne meubels worden zo gemaakt dat je ze, zonder al te veel spijt, na een paar jaar weg kan gooien. ‘t Is goedkope rommel. Meer niet.’
Theo trekt een lade onder zijn werkblad open en haalt er een stapeltje papieren uit.
‘Dit wilde ik je laten zien. Ken je dit?’
Mark ziet tekeningen en foto’s van lompe meubels gemaakt van ruw geschaafde bielzen. Twee of drie bielzen naast elkaar en twee er dwars onder als poten. Klaar is je niet te tillen salontafel.
‘Nee, dit ken ik niet. Wat moet je in ‘s hemelsnaam met deze idioterie?’
‘Dit wordt een rage. Geloof mij, hier gaat in korte tijd heel veel van verkocht worden en in die korte tijd kan het goed geld opleveren.’
‘Ja…?’
