Inhoud
Colofon 2
Toewijding 3
Aan de weg naar Rusland 4
Het huis 20
Over de Maas 38
Van vaderskant 55
Van moederskant 85
De leeuwerik 109
Roeping 130
Halverwege 155
Licht en donker 178
Heeroom Louis 202
De bekentenis 230
Het meisje 250
De Sterre der Zee 262
De overkant 283
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2021 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99107-533-2
ISBN e-book: 978-3-99107-534-9
Lectoraat:M. Moors
Vormgeving omslag:Jo Wijnen
Ontwerp omslag, lay-out & typografie:novum publishing
www.novumpublishing.nl
Toewijding
Voor Roos
Wat mij heeft geholpen
in mijn leven is datgene
waarvan men zegt
dat het nergens goed voor is.
Amélie Nothomb
Aan de weg naar Rusland
Keizer Napoleon had destijds een kaarsrechte weg naar Rusland laten aanleggen, van zuid naar noord, van Frankrijk naar Duitsland, en vandaaruit rechtstreeks naar de verwoestende Russische winter, het ijs van de Berezina en de martelende kou van de steppen waar zijn keizerlijke glorie bevroor. Goed een halve eeuw later werd de spoorlijn van west naar oost aangelegd, van Eindhoven naar Maastricht, ook kaarsrecht. Waar die spoorlijn en de weg naar Rusland elkaar haaks kruisten lag Zuid, om precies te zijn in de noordwestelijke hoek van die kruising.
Daar woonden wij: mijn vader en moeder, mijn twee zusjes, mijn grootouders en vrijwel de hele rest van mijn familie, ooms en tantes, neven en nichten. Daar woonden ook al die anderen: de neringdoenden, de ambachtslui, de arbeiders, de kleinburgers, de boeren, de ploeteraars, de baantjesjagers, de ijveraars, de stamgasten, de mooie meisjes, de fijne katholieken, de drinkebroers, de mislukkelingen, de kwezels en het brave volk. We waren de bewoners van een afgeronde, gesloten en ogenschijnlijk onbeweeglijke gemeenschap. Niemand in Zuid had in de gaten dat de wereld haast had en alles en iedereen voortjoeg. Niemand begreep het. Zag het. En dus dacht niemand er verder over na.
De weg naar Rusland werd omzoomd door uit de kluiten gewassen beukenbomen met hier en daar een burgervilla onder het lover ervan. Er was een café met een weegbrug en trouwens nóg een café met een niet meer gebruikte weegbrug dat De Weegbrug was blijven heten, een deurenfabriek en – vlakbij de overweg – een tankstation waar nog wel eens een auto wilde stoppen. In de noordwestelijke hoek van de kruising van weg en spoor stond het kasteel – rond, plomp, de toren door klimop overwoekerd – omsloten door wat in het dorp ‘de vijver’ heette, maar wat eigenlijk een gracht was vol modderig water en plompenbladeren. Ooit had er een baron gewoond die door sommige ouderen nog steeds eerbiedig, maar altijd fluisterend ‘baron Karel’ werd genoemd.
Hij was, zoals dat met baronnen gaat, aan drank en vrouwen verslaafd, laatstelijk aan een wondermooie Parijse die hem bedroog zonder dat hij het wilde weten. Zijn bezit van vijftig hectare boerengrond en honderd hectare bos konden niet tegen de lagen en listen van de Parisienne op. De verhalen over baron Karel en de langharige adder die hem uitzoog, deden nog steeds de ronde in Zuid en werden gaande de jaren fantastischer en kwaadaardiger: ze betroffen de gedoemde edelman, de aan tering lijdende minnaar, de zijn veel jongere minnares die zich aan hem onderwierp om hem op die manier te overheersen, de gewezen rijkaard die door zijn schulden en schandalen ten onder ging, dat alles in grote en trotse waardigheid, maar ook in de koortsdromen van zijn laatste dagen. Nog jaren later werd iedere zondagse hoogmis in de kerk van Zuid te zijner gedachtenis opgedragen en betaald met het restant van zijn bezittingen. Onze Lieve Heer deed er zijn voordeel mee.
Nu werd het kasteel bewoond door paters die er een priesterseminarie van hadden gemaakt. Dus verbleven er, in een geur van een sportieve, overijverige en blije vroomheid, zo’n vijftig katholieke jongens die voor de missie in de warme landen bestemd waren, ofschoon ze nog steeds tweed pofbroeken en geruite colbertjes met zwarte studiemouwen droegen die niet helemaal op hun groei en nog minder op de hitte rond de evenaar berekend waren. Als er verderop in het land al ooit iemand van Zuid had gehoord, dan was dat vanwege het seminarie. Want de paters gaven een stichtelijk blad uit vol foto’s van houten kerkjes onder een blakerende Afrikaanse zon. Voor die kerkjes stonden de missionarissen die in Zuid hadden gestudeerd, meestal in gezelschap van een paar zwarte jongens die ook pater wilden worden en alvast als misdienaar dienst deden. Natuurlijk hoorde er de oproep bij om geld voor die jongens te storten, want pater word je niet voor niks, en al helemaal niet in Afrika. Op de achterpagina van het blad schreef de pater-hoofdredacteur de rubriekAfrika Ontwaaktover de voortgang van de zegenrijke arbeid onder de tropenzon. Het ging nog meer over het onmetelijk aantal bekeerde en gedoopte zielen, over de honderden kerken en scholen die waren gebouwd en over de uitgestrekte heidense gebieden die op het punt stonden gekerstend te worden. De rijke Roomse ijver kende grenzen noch beperkingen en kon alleen maar in getalsmatige zin worden uitgelegd. Ze kende eigenlijk ook geen mensen, maar zielen. En trouwens ook geen scrupules, maar resultaten.
Bij het transformatorhuisje en de bushalte voerde een zijstraat van de weg naar Rusland het dorp in. Ze maakte een paar slingers alsof ze niet kon besluiten tot een pal westelijke koers, zich daarom ettelijke keren bedacht, maar bij nader inzien toch maar een bocht naar het noorden maakte om bij de kerk en het gemeentehuis – die tegenover elkaar lagen – alsnog haar westelijke richting te hernemen, nu definitief. Het gaat hier om de Dorpstraat die om de een of andere reden eerst Bovenstraat, maar plotseling Kom heette. Veel later kreeg de Dorpstraat of Kom een naoorlogse, dat wil zeggen moderne naam of wat daar voor moest doorgaan. Ook hier weer cafés met Verlof A of Volledige Vergunning, een paar boerderijen met dampende mestvaalten aan de straatkant, een smederij, twee bakkerijen, een stuk of drie winkels die al een beetje supermarkt aan het worden waren, twee schoenmakers, een kleermaker en een rijwielhersteller, een timmerwerkplaats, een postkantoortje en twee scholen – de een voor meisjes, de ander voor jongens. Eigenlijk was er ook een bank die maar een paar uur per week open was en waarvan de kantoorruimte ooit een huiskamer was geweest. Tussen dat alles in een pastorie en een kapelanie. En tenslotte – op de plek waar de Dorpstraat om de een of andere reden wat breder werd – het café en de zaal die mijn vader met bescheiden resultaat uitbaatte.
Daar werd ik in een kamer boven het café geboren. Het bed van mijn ouders stond met het hoofdeinde tegen de schuine wand onder het dak. Toen ik jaren later uit het dorp wegging stond dat bed er nog steeds met daar tegenover een kleerkast waarvan de houten deuren klemden en piepten. Er stond ook nog een lagere kast met de lampetkan die nooit werd gebruikt, met een ronde spiegel die aan de randen was aangevreten door bruine, wolkige vochtplekken. Het schilderij van de Goede Herder te midden van een kudde makke en goedig om zich heen kijkende schapen dat boven het bed had gehangen om mijn eerste levenslicht te heiligen, stond nu op zolder, achter een kinderwagen die niet meer werd gebruikt. Aan het lot van dat schilderij te oordelen, moeten mijn vader en moeder op zeker ogenblik hebben gedacht dat ze het verleden maar beter konden laten voor wat het was, zonder het meteen weg te gooien. Je zet het hooguit voorzichtig aan de kant, uit het oog, ergens in een hoek.
De kerk in de knik van de Dorpstraat had Sint Apollonia als patroonheilige. Haar gipsen beeld stond met geheven rechterhand op een altaar achterin het middenschip, vlakbij de doopvont en het offerblok. In die rechterhand hield ze een nijptang waarin een menselijke voortand geklemd zat. Apollonia kon tand- en keelbezwaren genezen al ontfermde ze zich ook weleens over een lopend oor of een opgezette kaak. En ofschoon ze met rollende ogen en vol pathetische heiligheid hemelwaarts staarde, kon ze de lijdende mens geen beterschap garanderen. Want heiligheid is altijd vrijblijvend en onverplicht, leek ze te zeggen. Zo kon het gebeuren dat de gebeden van menige pelgrim, die met een met hete broodpap gevulde doek om zijn gezwollen wangen voor haar stond, zonder opgaaf van reden onverhoord bleven, wat de arme ziel dwong toch maar zijn toevlucht te nemen tot een tandarts in de stad. Apollonia leek te zeggen dat wie bidt, er altijd rekening mee moet houden dat hij onverhoord blijft. En dat wie gelooft, niet veel meer kan doen dan hopen, desnoods op een wonder, ook als dat nooit gebeurt.
De kerk stond er gehavend en geknakt bij. Op de dag voor de bevrijding van Zuid hadden de haastig terugtrekkende Duitsers een poging gedaan de toren op te blazen. Die haast was er waarschijnlijk de oorzaak van dat de toren ongenaakbaar bleef staan, maar alleen de spits naar beneden kwam, dwars over de Dorpstraat viel en daar een ravage van enorme houten balken en leien achterliet. Een wonder, vond iedereen. De weerhaan en het kruis kwamen op de trapjes van het raadhuis terecht. Bijkomend wonder was dat de drie klokken in de toren bleven hangen en dat de koster er al na een paar dagen in slaagde ze weer te laten luiden. Nog jaren heeft de toren daar zo gestaan, de bovenkant dichtgetimmerd met houten planken waarover banen asfalt waren gelegd.
Inderdaad, hier woonden wij met nog veertienhonderd anderen: ordentelijk volk dat iedere zondag en soms nog vaker braaf ter kerke ging. De dorpelingen liepen dan zachtjes pratend over de stoep, terwijl de klokken luidden. De meeste hadden een rozenkrans op zak. Of droegen anders wel een damestasje met daarin een pas gewassen zakdoek, een kam en een zilveren doosje waarin een heiligenbeeldje op hemelsblauw fluweel lag. En nooit ontbraken in die jaszakken en die tasjes een paar kwartjes voor de collecteschaal. Er waren ook parochianen die een goud-op-snee missaal, dat het hele kerkelijk jaar in het Latijn bevatte, onder de arm geklemd hielden. De fijne katholieken, noemde mijn vader deze kerkgangers misprijzend. Terwijl mijn moeder het op uitslovers hield. Iedereen droeg een hoed of een pet, behalve wij kinderen. En iedereen vervulde zijn zondagsplicht op z’n paasbest, waar veel hooggesloten zwart en grijs aan te pas kwam.
In Zuid werd veel over anderen gepraat, maar nog meer gezwegen. Gezwegen werd het meest over iemand van het grootste belang, iemand die alle aandacht verdiende. Het zwijgen bediende zich meestal van fluisterend geroddel met een schuin voor de mond gehouden hand. Zo mocht over mijnheer pastoor niks worden gezegd. En dus was hij voortdurend onderwerp van gesprek. Ook over de wethouders diende men de mond te houden. Dat gold misschien nog meer voor de kerkmeesters, want die waren oppassend, braaf en godsvruchtig, wat geen mens geloofde. Maar een absoluut zwijgen gold burgemeester Waterman, zodat iedereen over hem praatte op een toon van opgewonden heimelijkheid, bijgemengd met veel leedvermaak dat de grenzen van de kwaadaardigheid soms ver overschreed. Nu ja, er was wel enige reden toe. Zo wist iedereen dat burgemeester Waterman een fles oude klare verborgen hield in een bureaulade op zijn werkkamer in het raadhuis. Iedereen wist ook dat hij nog voor de middag zwijgend en slaperig naar de voor hem liggende paperassen staarde en zo nu en dan met een zachte boer ruchtbaarheid gaf aan zijn langzaam tanende werkelijkheidszin die overging in een onrustig knikkebollen waarover ten gemeentehuize niemand wat durfde zeggen, zelfs de gemeentesecretaris niet.
Maar het ergste was dat Waterman goed een half jaar na de dood van zijn vrouw een andere, veel jongere vrouw in zijn enorme huis aan de Dorpstraat installeerde. Hij ging daarbij zonder veel omhaal te werk, wat – volgens vrijwel alle inwoners van Zuid – geen wonder mocht heten, want de nieuwe vrouw bracht een dochtertje van een jaar of vier mee en was op het moment dat ze de overgordijnen van Watermans huis openschoof, alle meubels anders zette, haastig een hoeveelheid familieportretten verwijderde, het dienstmeisje ontsloeg en een ander nam, de tuin met de vijver een grote opknapbeurt liet geven, de houten toegangspoort van een hangslot voorzag en vergeefse pogingen deed haar echtvriend van de drank te houden, hoogzwanger. Er volgde geen bruiloft, waarschijnlijk omdat het toch niet tot een kerkelijk huwelijk kon komen. Er ontstonden een paar heftige meningsverschillen tussen burgemeester Waterman en mijnheer pastoor die, om erger te voorkomen, met de mantel der liefde werden bedekt waaronder niettemin een langzaam zwerende vijandschap aanhoudend bleef etteren.
Dat de nieuwe mevrouw Waterman een gewezen, maar nu enigszins aftakelende schoonheid was, ontging niemand. En dat ze voor de inwoners geen blik en al helemaal geen woord over had, werd iedereen al na een paar weken duidelijk. Na de geboorte van haar kind loste het grote schandaal van Zuid knarsetandend op in eindeloze praatjes die gaandeweg aan kwaadaardigheid inboetten en tenslotte smoorden in een hoeveelheid zachtjes tegenstribbelende feiten die zo voldongen waren dat verzet niet meer mogelijk was.
Toch verschool zich achter dat wat nog het meest op dorpse benepenheid en gelovig schuldgevoel leek en dat goeddeels achter de gordijnen en voordeuren van Zuid verborgen bleef, iets van een verstolen pracht, een stille, maar geladen melancholie, een onzichtbare, maar diep doorvoelde gelatenheid waar nooit wat over werd gezegd omdat dat eenvoudig onmogelijk was, omdat niemand het durfde of kon. Het dorp hield er gevoelens op na die het zelf zogezegd niet kende, maar die zich op onvoorziene ogenblikken woordeloos aan zijn inwoners opdrongen.
Dat gebeurde vooral als de verveling van de verplichte zondagsrust toesloeg, vooral na de middagslaap in de echtelijke opkamer. Dat was in de kilte van herfst en winter niet anders dan op de met verlangens en lusten gevulde vroege avonden van lente en zomer. De achtergebleven warmte dwong de echtelieden tot een berustende sprakeloosheid. Het waren de uren van het gelovig schuldgevoel. En van de angst dat zelfs een blik of een aanraking al zondig zou kunnen zijn.
Geen mens wist dan wat hem overkwam. Het was een soort verlatenheid zonder alleen te zijn. Het vrat aan je ziel, het drong in je binnen tot ver achter je borstbeen. Het knaagde, zeurde en wroette. Misschien kwam het doordat de zondagse uren waarop niet werd gewerkt en niks werd gedaan, de echte zin en betekenis van de dingen blootlegden. Je werd dan gedwongen na te denken, rekenschap te geven, allerlei onbenoembare gevoelens aan je lijf te laten komen. Je begreep opeens niet meer zo goed wie je was en wie de anderen waren. Degene met wie je was getrouwd en met wie je kinderen had, bleek een vreemdeling of een toevallige passant te zijn die net zo verbeten met verveling en schuld vocht als jij. Ergens achter je ogen balde zich een verdriet zonder tranen samen. Wat je ook zei en wat je ook deed, je was buiten de wereld terechtgekomen. Je maakte alleen nog maar deel uit van het bewegingsloze, zondagse bestaan met z’n plechtige hoogmis, de dreinende middagvespers met rozenkransgebed en Latijnse gezangen, de voetbalwedstrijd van de plaatselijke FC, de vlaggenparade van de padvinders, de stille, nieuwsgierige middagwandelingen van je dorpsgenoten, de fluisterende gesprekken die daarbij hoorden en de taaie, onuitroeibare praatjes waaraan de wandelaars zich te buiten gingen nadat ze bij ieder huis naar binnen hadden gegluurd en elke voortuin misprijzend hadden bekeken.
De tijd stond stil. De hitte klampte zich vast aan de muren. Vliegen zoemden. Donderbeestjes jeukten op je huid. Wespen cirkelden om je hoofd. Verderop loeide een koe, blafte een hond, brieste een paard en schreeuwde een goudfazant in een volière achter een burgerhuis. Zwaluwen vlogen rakelings voorbij. Er waren momenten waarop je dacht dat het de zinloosheid was die alles tot staan had gebracht. Maar zoiets mocht je niet denken omdat het leven een en al door God verplicht gestelde blijheid was.
Als je degene die je geacht werd lief te hebben zag als uitsluitend een vervaarlijk lichaam dat hijgend over je neerdaalde en in je drong, was je zondig, want je ontkende het wonder van het leven. En als je degene die je ooit naar het altaar had geleid, van onder tot boven bekeek – haar uitgedijde lijf, haar witte vlees van haar met kuiltjes en bobbeltjes overdekte bovenbenen, haar jarretelles die de kousenbanden ternauwernood omhoog hielden onder een bloemetjesjurk of een plooirok, haar klamme huid, haar angstzweet, haar steunend en kreunend uitgesproken woorden waarin je naam soms hoorbaar was, haar azijnachtige lijfgeur, haar verdroogde zweet, haar weerzin die de ware liefde heette te zijn – begreep je niet meer wie en wat je dierbaar was en aan wie je een al lang vergeten, maar eeuwige trouw had gezworen.
Zo zat je, als je op die late middag of vroege avond het bed had weten te vermijden, op de bank achter het huis, bij de waterput of bij de volière met de parelhoenders en de parkieten, onder bomen vol gepiep, gefluit en geritsel of veilig achter de hagen waar gelukkig niemand je zag. Pas als je van ellende een brok in je keel kreeg en de schrik je om het hart sloeg, werd alles weer lijfelijk en kon je je weer enigszins gerustgesteld voelen. Godzijdank was het intussen later geworden, donker ook. De gruwel van de zondag was bijna voorbij.
Je wist dat een winterse zondag nog erger was, de gevoelens nog heviger, de weerzin tegen alles nog sterker en de verstilde radeloosheid nog intenser. Het kon gaan sneeuwen. Of stormen. De kou kon langzaam door alle kieren en gaten van het huis naar binnen dringen, je daar weten te vinden, je dan verkleumen en verkillen. Je deed alsof je leefde als je kinderen iets vroegen, het vee gemolken moest worden, de kachel gestookt, de luiken gesloten, het zondagse pak uitgetrokken, de radio aangezet, de rozenkrans gebeden, de tafel gedekt. Als het voorbij was, wist je dat er een overblijfsel van een onzegbaar kwaad in je was achtergebleven. Dat had zich gaande de jaren opgehoopt, sloeg als een schuldige ervaring in je neer, werd een taai onbehagen dat nooit helemaal ophield aan je te knagen en dat zich altijd voordeed als het zogenaamde levensgeluk dat grijnzend in je ziel pookte.
Dat was wat je tegen elke prijs probeerde te vergeten als de geheiligde zondagsrust eenmaal voorbij was, als je de dingen weer als gewoon begon te zien, je de mensen om je heen weer kende zoals ze altijd waren geweest, je huis zijn oude vertrouwdheid herkreeg, een beschermende warmte zich over je ontfermde en de voorbije dag overging in een nacht die opeens weldadig stil leek, juist omdat een koe in de stal zich liet horen en de dakpannen hoorbaar bewogen bij het opsteken van een winterse nachtwind. Het bestaan werd weer draaglijk. De angst week. De schuld trok zich weer terug in je diepste innerlijk. Alles hoorde weer bij alles, dacht je. En dus hield je jezelf voor dat er niks was gebeurd en dat het leven alleen maar een loopje met je had genomen.
Intussen bewoog de wereld van Zuid geen vin. Dat er in de loop van de jaren stoommachines, auto’s en vliegtuigen waren bijgekomen, werd als een toevalligheid beschouwd die het dorp verder ongemoeid liet. Iedereen vond dat de illusie van het onveranderlijke overeind gehouden moest worden omdat ze houvast bood en, ondanks alle schuldgevoel, de moed verschafte verder te gaan naar een toekomst die godzijdank niet bestond. Als het goed is, moet je het goed laten, zeiden de mensen.
Zelfs de oorlog had daar niets aan veranderd. De Duitsers hadden bij hun terugtocht de torenspits van de kerk en de brug over de beek aan de Dorpstraat opgeblazen. De zaal van mijn vader was vol door een granaat getroffen. Tanks hadden de stoepen en het wegdek kapot gereden. Sommige huizen waren beklad met Duitse propagandaleuzen –Sieg oder Siberien. De ramen van enkele winkels waren nog jaren na de Bevrijding afgedicht met strokarton. De meeste daken waren trouwens nog altijd met repen zwart asfalt bedekt. Langs de weg naar Rusland hadden de terugtrekkende Duitsers een paar beukenbomen geveld voor brandhout. En op het emplacement bij het stationnetje van Zuid hadden ze een stuk of dertig verroeste en gebutste wagons, waarmee allerhand wapentuig was aangevoerd, achtergelaten.
Maar nu was de oorlog voorbij en alles keerde zich weer naar het veilige verleden, naar de taaie, maar bedrieglijke onveranderlijkheid. Zelfs de mannen die door de Duitsers waren weggevoerd en soms langer dan anderhalf jaar in de fabrieken van het Ruhrgebied hadden gewerkt – om elke dag de meedogenloze bombardementen te verduren – kwamen heelhuids terug, namen de draad weer op zonder nog ergens over te praten, verwekten een paar kinderen bij de vrouwen met wie ze voor de oorlog waren getrouwd, en zetten hun kleurloze, grijze leven onverdroten voort.
Jazeker, de Dorpstraat werd weer geasfalteerd, de kerktoren van een planken afdichting voorzien, en de opgeblazen brug over de beek door een baileybrug vervangen. Het toch al vormeloze herenhuis – de inwoners spraken van ‘het kasteeltje’- van burgemeester Waterman kreeg er nog een paar uitbouwen, erkers en serres bij. Maar van vooruitgang was evengoed geen sprake. Niemand wilde die, mijnheer pastoor en mijnheer kapelaan nog het minst. Ze vonden verandering gevaarlijk en vooruitgang een bron van ellende. God wilde geen verandering, want hij was zelf eeuwig en onveranderlijk. Hij wilde geen vooruitgang omdat die zondig en ijdel was. Dus gingen mijnheer pastoor en mijnheer kapelaan het naoorlogs verderf met donderpreken, die altijd met een Latijns citaat begonnen, en met het veelvuldig horen van de biecht te lijf. De beminde gelovigen dachten dat het zo hoorde en hadden er vrede mee. Ze gingen weer met een autobus ter bedevaart naar het genadeoord van de heilige Gerardus in het heuvelland. Of anders wel naar de tamelijk machteloze Onze Lieve Vrouw in de stad aan gene zijde van de Maas. Iedereen leek te vinden dat het heden weliswaar lang niet altijd goed was, maar dat van de toekomst al helemaal niets te verwachten was. Dus kon alles maar beter zo blijven.
Totdat mijn vader op een morgen met de krant uit het café kwam, haastig de trap naar onze huiskamer op de eerste verdieping oprende en buiten adem mijn moeder riep. Hij hield het dagblad met beide handen open zodat hij haar meteen kon uitleggen wat ze mee moest lezen en waarom. Hij knikte daarom met zijn hoofd in de richting van een groot en met foto’s gelardeerd artikel waar in vette letters boven stond:Bouw van grote krachtcentrale in Zuid.
Later bleek dat het ging om wat zich al maanden geleden als een fantastisch gerucht had aangekondigd. Het was met veel achterklap en loze veronderstellingen gemengd, die een tijdlang heimelijk over straat slopen, zich achter de huizen verscholen om zich tenslotte toegang te verschaffen tot elke zitkamer en iedere eetkeuken. Het werd een vast bestanddeel van de maaltijden van soep en aardappelen. Het bereikte na veel vijven en zessen ook de stamtafel in mijn vaders café van waaruit het zich vermenigvuldigde en uitgroeide tot iets dat volstrekt onmogelijk was, eenvoudig niet waar kon zijn. Aldus aangekleed en opgetuigd werd het doorgegeven, zonder dat de mensen wisten waar het precies om ging. Er zou iets gaan gebeuren dat uitzonderlijk en misschien wel ongelooflijk was, in ieder geval iets dat groter was dan het dorp zelf. Was het een fabriek die ergens gebouwd zou worden? Of een deftig instituut dat aan de rand van het dorp werd gevestigd op een terreintje dat niet groter dan een voetbalveld was en dat nog voor de oorlog door de gemeente voor industrie en nijverheid was bestemd? Of zelfs een industrie die er nog steeds niet was en een nijverheid waarvan niemand dacht dat die ooit op gang zou komen.
De mensen van wie werd vermoed dat ze konden weten wat er gaande was, zwegen en deden alsof ze niks wisten. Maar uitgerekend de mensen die écht niks wisten, praatten honderduit, zogen het gerucht leeg tot op het bot, begonnen in hun eigen verhalen en drieste veronderstellingen te geloven en bouwden luchtkastelen van praatjes en gissingen. Zoveel was zeker: sommige mensen hadden gezien dat burgemeester Waterman op een windstille, vochtige herfstdag, die langzaam tot een doodstille kilte verstijfde, de uiterwaarden van de Maas ten zuiden van de spoorbrug was ingelopen. Hij was in gezelschap van twee heren, op enige afstand gevolgd door nog een groepje andere heren die kaarten uit hun aktetassen haalden, er deskundige blikken op wierpen, elkaar aanwijzingen gaven en op zoek gingen naar plekken in de weilanden waarop blijkbaar iets ging gebeuren. Dat was een gerucht waarin zich al enige waarheid verborg. Daar kwam nog bij dat de twee heren in het gezelschap van burgemeester Waterman, niemand minder dan prof. dr. ir. Delissen – wiens foto ontelbare keren in de krant had gestaan – en drs. Lebus, gedeputeerde van de provincie, waren. De deputé stond weliswaar wat minder regelmatig in de krant, maar toch vaak genoeg om meteen herkend te worden. Iedereen wist dat de professor doctor ingenieur een eerbiedwaardige en gezaghebbende man was, altijd gekleed in een lange jas van zwarte lamswol. Tussen de revers ervan had hij een sjaal van witte zijde geknoopt die hem een eerbiedwaardig en gezaghebbend voorkomen gaf. Dat alles werd nog kracht bijgezet door zijn zilverwit, diep ingeplant haar dat zorgvuldig over zijn oren naar achteren was gekamd. Op de krantenfoto’s waren nooit zijn molières, die glommen als marmer, en zijn sokken van Schotse zijde te zien. De fotograaf had al zijn aandacht op het gezicht van de weledelgeleerde heer gericht, op zijn rechte neus, op de trekken van zijn smalle mond waarin zich een zorgvuldig beheerste laatdunkendheid verborg en op zijn kleine, koele, zoekende en ongedurige ogen.
Drs. Lebus had zichzelf in de grijs-zwarte tweedjas met visgraatmotief gestoken die hij trouwens op elke krantenfoto droeg. Hij verhulde er met veel moeite een kort, buikig postuur mee. Zijn rooddoorlopen oogopslag werd goeddeels gemaskeerd door een vilten hoed met brede randen.
Wat deden die drie daar? En wat had dat andere groepje mannen – ambtenaren, ingenieurs, deskundigen – daar te zoeken? Waarom liepen deze heren over modderige koeienpaden en langs doordrenkte weilanden ten zuiden van de spoorburg?
Betrouwbare getuigen, die hun verhaal met gretigheid sleten aan iedereen die het maar horen wilde, vertelden dat de heren zo nu en dan stilstonden, met elkaar overlegden, dan weer om zich heen keken, een enkele keer druk gebaarden, knikten of hun hoofd schudden. Maar wat het allemaal betekende en welke waarde aan de voettocht van deze hoge gezagsdragers moest worden toegekend, bleef in nevelen gehuld.
Totdat die morgen de krant – dezelfde krant waarmee mijn vader opgewonden de trap naar onze huiskamer oprende om ze mijn moeder te laten lezen – opening van zaken gaf. In de uiterwaarden van de Maas, precies ten zuiden van waar de spoorlijn naar het zuidelijk deel van de provincie de Maas kruiste, zou een reusachtige elektriciteitscentrale worden gebouwd. De eerste spade zou al binnen een jaar de grond ingaan. Er was voorlopig voorzien in twee turbines die door kolengestookte stoomketels van minstens dertig meter hoog werden aangedreven, wat betekende dat het gebouw waarin die gevaartes werden ondergebracht net iets boven de vijftig meter uitkwam, wat door de krant als duizelingwekkend werd omschreven. Het vrijgekomen hete water werd eerst door een koeltoren geleid (waaruit, volgens de enthousiaste journalist, wolken stoom zouden opstijgen die tot kilometers ver in de omtrek te zien zouden zijn) en dan op de Maas geloosd. Maar het meest dominant waren de twee schoorstenen van ieder vijfentachtig meter hoog waardoor de rook van de kolenketels werd uitgestoten.
Achter het hoofdgebouw zou een haven voor de aanvoer van steenkool worden aangelegd. Die kolen werden in een speciaal bedrijfsgebouw vergruisd, daarna verpoederd en vervolgens in de roodgloeiende ketels geblazen. In een lager gedeelte van het hoofdgebouw lagen de turbines die de stroom opwekten. Dat gebeurde, volgens het bijna extatische krantenartikel, volgens het principe van de draaiende fietsdynamo. De aldus opgewekte stroom werd afgevoerd naar wat een verdeelpark bleek te heten en vandaaruit naar maar liefst vijf hoogspanningsstraten geleid die naar alle hoeken van de provincie en zelfs daarbuiten voerden.
In het artikel kregen prof. dr. ir. Delissen en drs. Lebus alle krediet. Want de een was initiatiefnemer en directeur van een nieuw opgerichte provinciale elektriciteitsmaatschappij, en de ander had dat alles in bestuurlijke en politieke zin mogelijk gemaakt. De naam van burgemeester Waterman bleef zo goed als ongenoemd.
Mijn vader vouwde de krant dicht, wikte zijn woorden en zei na wat inleidend gemompel dat er veel, ja zelfs heel veel ging veranderen in Zuid, ook al omdat er tweehonderdvijftig mensen werk zouden vinden in de nieuwe centrale. Hij was meer onder de indruk dan mijn moeder die verder ging met stof afnemen en zei dat ze het allemaal nog moest zien. Mijn vader liep hoofdschuddend de trap af, zette zich met de krant aan de keukentafel, las het artikel met de zorgvuldigheid waaraan hij nog niet was toegekomen, bekeek de foto’s en een afgedrukte situatietekening en staarde daarna lang voor zich uit, nog steeds zijn hoofd schuddend, alsof hij van verbazing tot niets anders meer in staat was. Pas na goed een uur kwam hij overeind, liep het café in, maakte de voordeur open en begon, staande achter de tapkast, de glazen te spoelen.
Het moet meteen tot hem zijn doorgedrongen dat het in Zuid nooit meer zou zijn zoals het altijd was geweest, dat de tijd zich eindelijk in beweging zou zetten en dat niemand nog ergens gerust op kon zijn. Hij leek ook te begrijpen dat bezwaar en verzet geen enkele zin hadden. De hoge heren en wat hij graag de dikkoppen noemde, hadden gesproken en beslist.
Mijn vader droogde de glazen af door een prop van de handdoek met zijn duim in het binnenste te drukken en dan een snelle, draaiende beweging met zijn andere hand te maken. Na enkele seconden trok hij de handdoek uit het glas dat hij tegen het licht hield, het met half dichtgeknepen oog bekeek en het dan op een schap van mahoniehouten planken achter zich zette.
Zo had hij het altijd gedaan. Maar hij begon te twijfelen toen hij zich de vraag stelde of wat hij altijd op dezelfde manier had gedaan, anders moest. Of misschien niet meer zou kunnen. Want alles wás plotseling anders. En alles dat altijd hetzelfde had geleken, had die morgen opgehouden te bestaan. Wat hij niet hardop, zelfs niet tegen mijn moeder durfde zeggen, was dat hij dat altijd al had geweten. Hij had al jaren een vaag maar onmiskenbaar voorgevoel gehad van wat komen ging, zonder te weten wat dat betekende. Niets en niemand was veilig voor de grillen van de wereld, wist hij. Verandering deed zich niet zozeer voor, maar greep om zich heen, sloeg toe zonder vragen te stellen. Mijn vader wist ook dat de toekomst er was voordat je er erg in had. En hij wist zelfs dat diezelfde toekomst de mensen nooit ongemoeid liet, maar ze desnoods zou wakker schudden en opjagen, schoppen en slaan, meedogenloos en zonder mankeren.
Hij zette de stoelen van de tafels. En terwijl hij de asbakken leegde, de tafels afsopte en de vloer veegde, dacht hij met overgave alles wat hem bezighield. Hij meende zeker te weten dat de vooruitgang altijd weer ergens op vastliep of tegenaan botste. Toen hij het poetsgerei had weggezet keek hij zonder iets te zien naar buiten, verlamd door het gewicht van zijn gedachten. Hij was in dat opzicht niet veel anders dan zijn grootvader Theunis en zijn vader Lambert die ook altijd dingen dachten die hun hoofden niet bergen en hun verstand niet bevatten konden. Net als zijn grootvader en vader kwam mijn vader dan al gauw op verboden terrein terecht, een gebied zonder wegwijzers en landschappelijke kenmerken. Hij praatte er met niemand over, zelfs niet met mijn moeder. Hij schaamde zich over wat er allemaal in hem opkwam als hij de gewone dingen deed die zijn echte aandacht niet nodig hadden, zoals het kloppen van het biljartlaken, het spoelen van de glazen, het legen van de kachel, het vegen van de vloer.
Waren lichaam en ziel van de mens één? Of was de ziel iets anders, iets eeuwigs en onsterfelijks, iets dat je dacht te weten, maar evengoed niet kende? Je ging dood, maar je ziel bleef en begaf zich naar het hiernamaals, als je tenminste naar behoren had geleefd. Zulke dingen onttrokken zich aan de waarneming. Waarschijnlijk bestonden ze niet, maar berustten op een afspraak die je verplicht was voor waar aan te nemen. Maar als lichaam en ziel nu eens een en hetzelfde waren – een mogelijkheid die mijn vader liever niet in overweging nam en hem koude rillingen bezorgde – dan sterft de ziel samen met het lichaam, dan blijft die nog een tijdje in het dode hoofd of in het tot stilstand gekomen hart van de mens aanwezig totdat zijn nabestaanden scheppen aarde en bloemen op de kist gooien waarna het graf zich sluit. Dat hij moge rusten in vrede! Wat overbleef was het grote, pikzwarte, muisstille en ondenkbare niets.
Als mijn vader aan dat soort dingen dacht, huiverde hij en ging hij haastig verder met zijn werk. Ik moet het uit mijn hoofd zetten, mompelde hij dan. En misschien moet ik het wel biechten. Maar tegelijk mocht niemand, en vooral mijnheer pastoor niet, weten dat hij zulke gedachten had. Want wat je bekend maakte, keerde zich, net als een ziekte, tegen je en vrat je op. Dus kon je maar beter zwijgen, vond mijn vader.
Waarschijnlijk mocht je ook tegen niemand zeggen dat de bouw van een elektriciteitscentrale in Zuid allerlei onheil met zich mee zou brengen, het onheil van een overhaaste vooruitgang die niet meer in toom kon worden gehouden. Als mensen als professor doctor ingenieur Delissen en doctorandus Lebus zulke plannen hadden, dan waren die natuurlijk besproken met vader bisschop, met mijnheer pastoor en met alle katholieke autoriteiten van het bisdom. Altijd was van de preekstoel geroepen dat de vooruitgang tegen elke prijs moest worden gestopt, maar niet als de dikkoppen en speknekken haar wilden. Er waren uitzonderingen op het kwaad, er was kwaad dat niet telde of dat met een rozenhoedje, het zwaaien van een wijwaterkwast, een vleug wierook en een geldelijke bijdrage uit de wereld kon worden geholpen, waarna het onvermijdelijke z’n gang kon gaan.
Mijn vader stond nog steeds doodstil, zoals hij wel vaker doodstil stond, met een verstrooide afwezige blik in zijn ogen en gevangen in zijn heimelijke overwegingen. Dat deed hij dit keer licht trillend op zijn benen, snuivend door zijn wijd open neusgaten en met diepe plooien tussen zijn wenkbrauwen. Ik wacht het af, zei hij hardop tegen zichzelf.
Arm dorp, dacht hij, arme mensen.
Het huis
Herinneringen wonen ergens, hebben een onderdak, een thuis. Ze zijn in slaapkamers geboren, hebben door ramen naar buiten gekeken, op stoelen en banken gezeten, in warme bedden gelegen, gedroomd en gewaakt, plannen gemaakt en zich met geluiden en beelden toegerust. Ze hebben gaandeweg de juiste woorden gevonden, hun eigen taal. Ze krijgen kleur en geur. Gaan bewegen. Vervormen. Vervagen naderhand. Doen soms pijn. Roepen schaamte, spijt en schuld op. En blijven jarenlang sluimeren of doen alsof ze er niet meer zijn om dan onverwacht en met een onvermoede hevigheid en scherpte tevoorschijn te komen. Zo gedijen ze tot verhalen die aan eigen wetten gehoorzamen en hun eigen waarheden vormen.
Hoe zou ik dus herinneringen moeten hebben zonder het huis waarin die zich hebben gevormd? Ik heb vaak gedacht dat het huis mijn geheugen zelf was, een slordig, tochtig, groot, eng en ongerieflijk onderkomen dat desondanks mijn ruim bemeten hemel op aarde was.
Wat is het dat mijn geboortehuis jarenlang tot mijn ademhaling en mijn hartslag maakte? Niet zozeer dat ik er woonde, maar veel meer doordat er alles gebeurde en iedereen er op gezette tijden kwam. Het huis was mijn dorp, mijn wereld, mijn universum. Het was het onderkomen van voorvallen, ervaringen en belevenissen die mij maakten tot het kind dat ik was en de man die ik zou worden. Mijn huis vormde, samen met de kerk en de school, het middelpunt van Zuid. Het was trekpleister en toevluchtsoord. Want het café dat mijn vader in dat huis uitbaatte was goedbeklant en drukbezocht. De later tegen het huis aangebouwde zaal werd een florerend dorpshuis, vergaderplaats, verenigingslokaal, feesttent, danspaleis, veilinghuis, muziekhal, bioscoop en evenementencentrum. De verenigingen van het dorp waren er gevestigd: het zangkoor, de fanfare, de toneelclub, de vrouwenbond, het meisjesgilde, de jonge boeren. Er vonden voorstellingen, muziekuitvoeringen en vergaderingen plaats. Soms werden er films vertoond. De gewichten van de winkeliers en de boeren werden er geijkt. Duivenmelkers hielden er hun keuringen. De notaris verkocht er boerengeriefhout bij opbod. Op de zaterdagavonden werd er weleens gedanst op muziek van een op de tast spelend orkestje dat Duitse schlagers, Hollandse smartlappen en Amerikaanse songs speelde. Dan hielden paasbeste en zondagse jongens en meisjes elkaar besmuikt vast, waagden zich zwijgend aan een foxtrot, een step, een langzame wals of zelfs een tango vol verborgen begeerte. Al kon het ook zijn dat ze meer op elkaars tenen stonden dan dat ze dansten.
Een enkele keer werd er gegeten aan lange tafels die mijn moeder met wit papier had bespannen. Dat gebeurde als de mijnwerkers het patroonsfeest van Sint Barbara vierden of als de leden van de fanfare hun voorspreekster Sint Cecilia herdachten. Het waren mateloze en onbeheerste schranspartijen die met een stichtelijk woord van mijnheer pastoor in zijn rol als geestelijk adviseur begonnen, die schrokkend werden voortgezet en in een dronkenmansbende eindigden. Het mocht! Het moest zelfs. Drinkgelagen en vreetpartijen vormden het tegenwicht van te lang, te hard en te slecht betaald werken, van de benepenheid en de verveling van het dagelijks leven, van de sleur van lusteloze huwelijken en van de sluipende uitputting die ongemerkt in ieders knoken kroop en langzaam maar zeker oude, uitgebluste, nukkige, kromgewerkte mannen en vrouwen maakte van wat gisteren nog dansende en vrijende jongelui waren.
In de zaal van mijn vader werd plezier gemaakt als weerwerk tegen alles dat moest: werken, geloven, getrouwd zijn, zoveel mogelijk kinderen krijgen, zwijgen, tandenknarsen, ongewilde plichtplegingen, en taai berusten. Alleen een uitspatting hield het leven – dat één groot ongemak was, één dure plicht, één nooit ophoudende kopzorg – gaande.
Mijn huis was ondanks alles een paradijs, de lusthof van mijn nooit aflatende fantasie en dagdromen. Wat mij betreft had het voor de rest van mijn leven bij dat huis mogen blijven, hoe groot, kil, tochtig en koud het in de winter, en hoe benauwd en vochtig het in de zomer ook was. We woonden in de achter het café gelegen keuken vol echo’s en naklanken, vlakbij een fornuis met deurtjes erin en ijzeren ringen erop. Vanuit dat fornuis liep een kachelpijp loodrecht naar boven om in een door roetvlekken omgeven gat in het plafond te verdwijnen. Onder de trap naar de bovenverdieping stond, op wit-zwart geruite tegels, de tafel waaraan mijn zusjes en ik aten, maar ook tekenden, plakten, spelletjes speelden, huiswerk maakten, strafregels schreven. De trap zelf werd van de eerste verdieping gescheiden door een luik dat altijd openstond omdat het nergens toe diende. In de keuken was een raam dat uitzicht bood op een soort serre waarvan het draadglazen dak – dat na de oorlog nooit goed was gedicht – altijd lekte; een ongemak dat werd bestreden met een stuk of vijf emmertjes waarin het ononderbroken druppelende lekwater werd opgevangen. De keuken werd beheerst door een enorme, enigszins scheefgezakte kast waarvan de deuren niet meer sloten en de laden altijd klemden. Hij zat vol keukengerei, poetsmiddelen en etenswaar.
Het vertrek had maar liefst vier deuren. De eerste en meest gebruikte kwam uit achter de tapkast van het café. De tweede gaf toegang tot een klein kamertje dat ook vanuit het café bereikbaar was. De bestuurders van de verenigingen vergaderden er. Mijn vader deed er de boekhouding vanuit drie schoendozen vol rekeningen, aanmaningen, aanslagen, betaalbewijzen en ongelezen brieven. De derde deur leidde naar de bijkeuken; een wonderlijk vertrek met een hardstenen aanrecht en een koperen pomp die ’s morgens op gang werd gebracht door er een kan water in te gieten en tegelijk de pompzwengel te bewegen. De laatste deur was ooit in de buitenmuur van het huis aangebracht, maar gaf nu rechtstreeks toegang tot de zaal.
Toen wij kinderen groter werden, richtte mijn moeder een soort huiskamer in op de bovenverdieping pal boven het café. Ze kocht een tweedehands glazenkast, een zogenaamde ligstoel voor het middagdutje van mijn vader, een tafel waar een Perzisch tapijtje schuin overheen kwam te liggen, en een lage kast die ze ‘het dressoir’ noemde en waarin ze haar beste borden en schotels – ook tweedehands – opborg. De huiskamer grensde aan de ouderlijke slaapkamer: een sober vertrek dat naar ondergoed en vuile was rook.
Het bed van mijn vader en moeder stond tussen twee vloerkleedjes, pal tegenover een halfhoge kast met een lampetkan in een wijde kom die nooit werd gebruikt. Dat alles was op een witgewolkte, marmeren plaat gezet die volgens mijn moeder heel kostbaar was; geen wonder want de kast was een huwelijksgeschenk van haar broers en zussen. In de hoek, tussen het schuine dak en het raam dat uitzag op de Dorpstraat, zat een schimmelachtige vochtplek die gaandeweg zwarter werd, scherper begon te ruiken en bobbels en scheuren in het behang veroorzaakte. Vier pogingen van mijn vader de oorzaak van al dat vocht te lokaliseren, liepen op niets uit. Reparatiewerken mochten niet baten.
Tegenover de slaapkamer, aan de andere kant van de overloop, sliepen mijn twee zussen in tegen elkaar geschoven bedden die nogal doorzakten. En tenslotte was er, links van de trap met het altijd openstaande luik, de deur van dat deel van de zolder dat zich nog op de eerste verdieping bevond.
Ik was er vaak. Er stonden kisten en dozen vol nutteloze spullen die nooit werden weggegooid, een al jaren niet meer gebruikte kinderwagen waarin mijn moeder ’s winters een kist met appelen zette die langzaam taai en rimpelig werden. Ik zat er vaak op een afgedankte, met fluweel overtrokken stoel om zomaar wat om mij heen te kijken, om te luisteren naar de geluiden in het huis of naar de radiomuziek die uit de huiskamer of het café kwam, maar meestal om uit te broeden hoe ik het beste op de hogere zolder boven de zaal zou kunnen klimmen. Dat is me pas na een paar jaar gelukt, toen mijn benen lang genoeg en mijn armen voldoende sterk waren. Er was maar één manier waarop dat kon lukken: door het met een lichtblauwe sluier overdekt kinderwiegje van zijn plaats te trekken, een stevige kist aan te schuiven en vandaar op een dakbalk te stappen die schuin naar boven liep. Het was een onderneming die mij, op straffe van drie avonden vroeg naar bed gaan, was verboden, maar waartegen ik geen weerstand kon bieden.
De zolder was ook het oord van mijn eerste bewustwording, vooral nadat ik in een van de vele dozen twee kleine boekjes had opgeduikeld. Het eerste ging over huidziektes: uitslag, schurft, zweren, builen, rode vlekken, met vocht gevulde blaren en andere aandoeningen. Op bijna iedere bladzijde stond een foto van een geheel of gedeeltelijk ontklede man of vrouw die met afgewend hoofd en deerniswekkende, beschaamde en berouwvolle lichaamshoudingen een hoeveelheid bruinige korsten, verzweringen, bulten, openliggende wonden en onderhuidse verdikkingen toonden die blijkbaar op alle delen van het lijf konden voorkomen. Ik bladerde gefascineerd in dat boekje want ik had nog nooit naakte mensen gezien. Dat die geheel of gedeeltelijk met korsten en etterende wonden waren bedekt nam ik graag voor lief. Zo zag de mens er dus uit. En zo zagen de voornaamste lijfelijke verschillen tussen man en vrouw eruit.
Terwijl ik ernaar keek werd ik een ongewone, niet eerder gevoelde opwinding gewaar die anders was dan alle opwindingen die ik al kende. Ze kwam ergens uit het diepst van mijzelf, bonsde tegen mijn slapen, veroorzaakte lichte trillingen (of waren het huiveringen?) over mijn hele lichaam, bezorgde mij hartkloppingen die tot diep in mijn onderbuik en zelfs onder mijn oksels voelbaar waren, joeg mij enige angst aan, maar had ook iets verplichtends, iets dat ik niet kon verklaren maar dat mij nieuwsgierig maakte zonder echt opgewonden te raken. Het was allemaal nogal lachwekkend, vond ik. Vooral de in een onordelijke bos haar verscholen mannelijkheid die lusteloos aan een in mijn ogen overbodige onderbuik hing, zou mij vrolijk hebben gemaakt als zich in de nabije lies niet de rood aangelopen zwelling had bevonden waar het in dat boekje blijkbaar om begonnen was.
Nog aangrijpender – ik heb er geen ander woord voor – was het boekje over de verzorging van het pasgeboren kind. Het hoofdstuk over borstvoeding verbaasde mij nog het meest. Het werkje was gelukkig rijk geïllustreerd. Ik bekeek en las het allemaal en trok er mijn verwarde en verbaasde conclusies uit die jaren later maar gedeeltelijk bleken te kloppen. Omdat ik begreep dat die boekjes niet voor mij bestemd waren, borg ik ze na lezing weer zorgvuldig op in de doos en wachtte mij er wel voor er iets over tegen mijn vader en moeder te zeggen. Zoveel was zeker, ik bevond mij op verboden terrein, ik was vroegtijdig in aanraking gekomen met de zondige en gevaarlijke geheimen van het leven, ook al voelde ik dat niet zo.
Ik beschrijf dit vooral omdat ik zelf die zolder over moest om mijn slaapkamertje in een uitbouw tegen de achterkant van het huis te bereiken. Het raam van het kamertje zag uit op het erf van de slagerij en boerderij van onze buurman. Ik was zogezegd de verst verwijderde bewoner van ons huis. Ik had er de wereld voor mij alleen en het bestaan voor mijzelf. Het rook op dat kamertje naar vocht, hondenpoep, koemest en hooi. Ik kon er het voor mij zeer geruststellende geblaf van de kettinghond Mirza horen. Hij liep als hij echt kwaad werd met zijn poten door de emaillen pannen en ketels waarin zijn voer zat. Hij rende telkens weer opnieuw op een verre vijand af, maar werd door de ketting tot staan gebracht; een pijnlijke ervaring die zijn geblaf smoorde en hem tot een verongelijkt janken dwong dat altijd werd gevolgd door een gehuil – klaaglijk, beledigd en vernederd – dat mij op mijn kamertje door merg en been ging.
Als de deur naar de stal openstond, zag ik het achterste van de koeien die mij het plezier deden zo nu en dan vriendelijk en gelaten te loeien. Het was een geluid dat stilletjes geurde en dampte en dat op hete zomerdagen hoorde bij de stalzwaluwen die af en aan vlogen, en dat zich ’s winters verzette tegen de kou met een voor mij bijna voelbare, zwaar geurende warmte.
Op een andere stal stond het paard dat ‘Paard’ heette en dat meestal al in alle vroegte door de zonen van de buurman werd aangespannen: een prachtig ceremonieel waaraan een hoofdstel met oogkleppen en bel, een zadel en veel van koperen knoppen voorziene riemen van krakend leer te pas kwamen. Paard liet het zich allemaal weggevallen, ook als er riemen onder z’n buik en rond z’n achterste werden vastgemaakt. Was dat eenmaal gebeurd dan liep hij met voorzichtige, achterwaartse stapjes tussen de disselbomen van de kar die met ringen, hengsels en gespen aan hem werd vastgemaakt en waarmee hij nu een eenheid vormde. Er werd een haverzak om zijn hoofd gehangen waaruit hij onnadenkend begon te eten. Dan zette Paard zich in beweging met een koppige en zwijgzame waardigheid. Ik zag het allemaal vanuit mijn kamertje. Ik hield van Paard, bewonderde hem, vroeg mij af wat hij voelde en waarom hij nooit in opstand kwam tegen zijn lot, ook al wist ik dat hij bij tijd en wijle ongedurig en schrikachtig kon zijn. Dan brieste hij met opengesperde neusgaten en vormden zich groen-witte schuimvlokken op zijn aandoenlijke lippen.
Het mag dan zijn dat mijn liefde voor dieren met onze eigen herdershond Amor en met onze eigen huiskat Breydel begon, het ontzag en de liefde die ik voor hen voelde, dankte ik toch vooral aan mijn langdurige observaties van Paard. Hij was er altijd. Hij gaf met zijn onversaagdheid en geduld regelmaat aan de dagen. Hij hoorde bij de gang van zaken op het erf, bij de tijd en misschien nog meer bij de seizoenen. Paard was een deel van de onveranderlijkheid van de dingen, nog meer zelfs dan de koeien, de varkens, de krielkippen die over het erf zwierven en de zwaluwen die, als ze eind augustus weer naar het zuiden waren vertrokken, een schrijnende, bewegingloze stilte achterlieten. Ze vormden het nooit eindigende verstrijken van de tijd, ze vertegenwoordigden datgene wat niet meer ophield of telkens weer opnieuw begon, ze leefden volgens regels waarvan ik al heel jong besefte – zonder ze echt te begrijpen – dat ze eeuwig en onveranderlijk waren.
In de zaal van ons huis speelde ik vaak als het regende. Of ik keek naar wat er zich daar allemaal afspeelde, als dat tenminste van mijn vader en moeder mocht. Als ik er niet was, kon ik de zaal toch horen, vooral op de avonden dat de fanfare repeteerde. Het begon altijd heel vrijblijvend met een mars. Dan volgde het echte werk: een moeilijk stuk waarvan sommige passages afzonderlijk en zonder resultaat moesten worden herhaald. Ik hoorde mijnheer Pijpers – de dirigent – met stemverheffing naar de muzikanten roepen. De afloop van de repetitie maakte ik meestal niet mee, want dan sliep ik al. De muziek was dan vervluchtigd in mijn sluimerend hoofd, al kon het wel gebeuren dat een onverwacht fortissimo nog vaag tot mij doordrong. Het was een laatste, geruststellende uitbarsting voordat ik diep onder de dekens kroop en niets meer wist.
Veel van die muziek ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Ik ken nog steeds alle details van deTriomfmars, deKlompendans, deNeapolitänische Ständchen, deUrendans, deMacht van het Noodlot, deKalief van Bagdaden al die andere moeizaam en krampachtig gespeelde stukken, compleet met de passages die eigenlijk te moeilijk waren voor de fanfare. Ik herinner mij op de maat af de momenten waarop mijnheer Pijpers geagiteerd aftikte, een paar maten voorzong of roepend en soms schreeuwend probeerde de muzikanten in het rechte spoor te houden. Al die machteloze pogingen de grote meesterwerken speelbaar te maken, hebben desondanks mijn liefde voor muziek aangewakkerd, tot een hartstocht gemaakt en de rest van mijn leven minstens een deel van mijn temperament gaande gehouden.
Mijn moeder zei altijd dat muziek in haar familie zat. Uit haar mond klonk dat wat opschepperig en overdreven. Natuurlijk, grootvader Theo zong heel goed, dacht hij zelf en dus ook zijn kinderen. En oom Mathieu, zijn oudste zoon, vond dat hij een groot, maar natuurlijk miskend bariton was. Hij zong zijn solo’s bij het kerkkoor navenant, dat wil zeggen met bijna ongegeneerde grimassen en heftige bewegingen van zijn wijd geopende mond die vooral bij het zingen van de a’s aan de rechterkant van zijn gezicht terechtkwam en een enkele keer zelfs zijn oor bereikte. Mijn moeder zei na ieder solistisch optreden van haar broer dat het echt heel uitzonderlijk was wat oom Mathieu presteerde, maar dat de mensen zijn muzikale verrichtingen niet op waarde wisten te schatten. Ik schaamde mij intussen stilletjes voor al dat vertoon dat mij als overdrijving en aanstellerij voorkwam. Misschien dat ik daarom nooit in het openbaar heb gezongen en nooit bij welk koor dan ook ben geweest. Ik ben doodsbang dat, zodra ik zing, mijn mond aan de rechterkant van mijn gezicht terechtkomt en in de buurt van een van mij oren blijft staan, wijd open, machteloos gapend, naar adem happend, mijn tanden en tong voor iedereen zichtbaar.
Over de zangkust van opa Theo deden in de familie veel onverifieerbare verhalen de ronde. Hij was ooit lid geweest van een dubbelmannenkwartet dat op een concours in het Duitse Kassel een ereprijs had gewonnen, voornamelijk vanwege opa Theo’s dunne, maar glasheldere en loepzuivere tenor. Door zijn twee zonen en drie dochters werd hij op grond daarvan als een groot kunstenaar beschouwd, wat niet wegnam dat hij altijd caféhouder bleef; een beroep dat hij met matig succes en met soms zichtbare tegenzin uitoefende. Een ding is zeker: hij zag eruit zoals hij zong: een kleine, grijze, zorgvuldige en enigszins lyrisch ogende man die niet veel lachte, nooit schaterde, bedachtzaam praatte en zelden uit de toon viel. Hij wilde graag bij de betere burgers van Zuid horen, een onkreukbaar middenstander zijn die geen kippen, laat staan varkens hield, maar later wel een volière had vol opgedoft en pronkend gevogelte. Opa Theo praatte graag met zijn goudfazanten, parkieten, sierduiven, kanaries, kwartels, papegaaien en parelhoenders. Maar dat kwam misschien omdat hij een vrouw had die nooit wat zei omdat ze gesprekken niet de moeite waard vond. En mensen trouwens ook niet. Dachten wij.
Als er klanten waren, mochten wij kinderen nooit in het café komen. Vader en moeder beschermden ons tegen gevaarlijke gesprekken, onfatsoenlijk rumoer, gelal, geschreeuw, vloeken, onbeschoftheden, dronkenschap. En dat niet alleen. We mochten vooral de in de verte starende mannen niet zien, die in hun drank verloren waren geraakt. Ze zaten daar maar wat op een kruk aan de tapkast, drinkend, boerend, licht bevend hun sigaretten tussen hun nicotinebruine vingers omhoog houdend en zachtjes voor zich uit pratend over dingen die niemand mocht horen, maar die mijn vader zich in het geheugen prentte om er daarna het meest strikte stilzwijgen over te bewaren. Dat soort mannen werd aan onze ontbijttafel ‘plakkers’ genoemd, het zenuwslopende gilde van slappelingen dat, volgens mijn vader, een ruggengraat van westenwind en een wil van motregen had. Ze moesten ergens gaan werken, een plafond stukadoren, een muurtje metselen, een dak leggen, een waterleiding repareren, een gat graven. Ze gingen ’s morgens op weg, maar wilden eerst nog wel een pot bier drinken. Dus zaten ze vroeg aan de ronde tafel of aan de tapkast in het café en bestelden, tot ontzetting van mijn moeder die de plakkers haatte, nog gauw een pilsje om zich dan naar hun karwei te haasten. Maar na dat ene pilsje vonden ze dat ze toch maar beter nog een tweede pilsje moesten drinken. Waarna ze nog een derde, vierde en een vijfde pilsje dronken, naar het pissoir gingen en weer terugkwamen om staande nog gauw aan een laatste glas te beginnen, waarbij ze voorzichtigheidshalve even gingen zitten, besluiteloos en zonder toe te willen geven dat ze er op de late namiddag nog steeds zouden zitten, hoewel ze dat al wisten. Hun werkelijkheid bestond na een paar uur uit een uitgeputte lichtheid in hun hoofd, een bleke en kleurloze vertekening van de dingen om hen heen, waarop ze zo nu en dan met dikke tong wat onzinnig commentaar leverden. Ze voelden zich dan uitgeput, koortsachtig, besluiteloos, verslagen, schuldig.
Het draaide er bijna altijd op uit dat de vrouw van de plakker op zoek ging naar haar man, tegen een uur of zeven in de avond in de deur van mijn vaders café verscheen waar ze vond wie ze zocht, en wit van woede, maar ook trillend van wanhoop en verdriet haar plakker van zijn stoel rukte en hem naar buiten sleurde door de deur die mijn vader beschaamd en schuldbewust voor haar open hield.
Hij heeft het later nog vaak over die vrouwen gehad die al op hun trouwdag wisten dat ze, bij gebrek aan beter, genoegen moesten nemen met een leegloper die als kind wel goede bedoelingen had, maar niet tegen zichzelf was opgewassen. Het waren vrouwen die trouwden in de vaste overtuiging dat ze hun huwelijkse miskopen desnoods met harde hand konden compenseren. Ze kregen hun kinderen in de vergeefse hoop dat de verwekker zijn leven zou beteren en dat zij er zelf door getroost zouden worden, wat niet gebeurde. De verwekker wilde niets anders dan zijn leven beteren maar had er de wil en de kracht niet voor. En de moeder van zijn kinderen smeekte, vocht, schold, beminde en verloor. Tenslotte werden de vrouwen – met een vreugdeloze en vergeefse moed die niet meer van wanhoop te onderscheiden was – overgeleverd aan alle denkbare vernederingen en zelfs aan de martelende zekerheid dat hun levens voorgoed verloren waren.
Als mijn vader dat zuchtend vertelde en mijn moeder het zwijgend en op haar lippen bijtend aanhoorde, viel in ons huis een besmuikte stilte. De muren stonden bokkig op hun plaats, de deuren leken geen mens meer toe te laten, het meubilair volhardde in een stokstijve overbodigheid, het dak kraakte weerspannig. Maar altijd als het geweten van mijn vader door de verloren vrouwen van Zuid werd opgepookt en mijn moeder gespannen naar haar man keek, ging de bel van de cafédeur en begon alles weer opnieuw: de begroeting, het ceremonieel achter de tapkast – spoelen, schuim afromen, bijschenken, viltje pakken, het glas neerzetten voor de klant die er verlekkerd naar keek – het honderdduizendste gesprek over het weer, de roddels die zich achter aftastende vragen verscholen, de werkschuwe klachten over de bazen, opdrachtgevers en hoge heren. Veel later begreep ik dat mijn vader en moeder toen al nadachten over de verkoop van het huis met alles erop en eraan.
Het café besloeg de volle breedte van het huis. De voordeur werd geflankeerd door twee grote ramen die op de flauwe verbreding voor het huis en de straatkant uitkeken. De linkerhelft van het café werd bijna helemaal ingenomen door het biljart dat mijn vader met een voor hem ongewone precisie onderhield. Hij klopte het groene laken, inspecteerde iedere dag de zes keus die op een rek naast de deur van het vergaderkamertje stonden en stelde de tijdklok in. Als hij zelf speelde, werd hij mijn zoveelste vader op rij, een man die met een toegewijde, sierlijke nauwkeurigheid de keu hanteerde, met een half dichtgeknepen oog nadacht over iedere stoot, intussen om het biljart lopend om de best mogelijke berekening van de ligging en de loop van de ballen te maken. Met een snel draaiend gebaar van zijn rechterhand krijtte hij z’n keu voor elke stoot terwijl hij zijn ogen geconcentreerd op het groene laken en de ballen gericht hield.
In het midden van het café, niet al te ver van de kolenkachel en de tapkast, stond de ronde tafel op sierlijke krulpoten, de tafel waar het om ging, de stamtafel waaraan werd gepraat, gekaart, getwist totdat de woordenwisselingen in ruzies verkeerden die een enkele keer met een handgemeen gepaard gingen dat in het pissoir of op de stoep voor het huis werd uitgevochten, de tafel van de plakkers, de zwakkelingen, de praatjesmakers, de opscheppers, de stille drinkers, de sigarenrokers, de borrelaars en de mislukkelingen die niets meer te verwachten of te verliezen hadden.
Mijn moeder heeft mij later vaak het verhaal verteld over een slaande ruzie die met bebloede koppen eindigde, en over het bescheiden aandeel dat ik er in had. De vechtersbazen stonden vloekend en scheldend tegenover elkaar in het gangetje van het pissoir dat ik moest passeren om het huis binnen te komen: een zwaar gebouwde man die met een zakdoek vol bloed zwaaide en een jongere man in een overall die onverstaanbaar schreeuwde en tegelijk zijn tanden betastte waarvan er een paar los waren geslagen. Ik moet tussen de twee mannen door zijn gelopen, zonder mij te haasten en zonder een spoor van angst. Als ik mijn moeder mag geloven heb ik tegen de mannen gezegd dat ze maar beter thuis ruzie konden maken. Er zou een bedrukte stilte zijn gevallen. De zwaargebouwde man bleef een ogenblik zwijgend staan, maar zwaaide wel nog zonder overtuiging met zijn met bloed doordrenkte zakdoek. De andere man rende panisch naar zijn fiets, sprong erop en reed weg, met de vingers van zijn rechterhand in zijn mond graaiend naar zijn los geslagen tanden alsof hij die nog op hun plaats kon duwen.