Charlotte - Evelyn Grijze - E-Book

Charlotte E-Book

Evelyn Grijze

0,0
10,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

Charlotte groeit op in een adellijk gezin in Bremen. Het verhaal begint in 1934 als ze verliefd wordt op een joodse jongen, Simon. Om aan de Jodenvervolging te ontkomen moet Simon naar het buitenland vluchten. Charlotte kan hem niet loslaten en volgt hem. Ze vestigen zich in Velp waar Simon moet onderduiken als ook Nederland bezet wordt. Charlotte werkt in een ziekenhuis en komt in het verzet terecht. In hun huis vangen ze joodse meisjes op die valse paspoorten krijgen en als verpleegsters gaan werken. Hun huis is tot de nok toe gevuld met verpleegsters en de joodse meisjes en ze hebben regelmatig last van invallen door de SS. De bezettingstijd is een periode van angst, wanhoop en verdriet, maar ook van saamhorigheid en moed. Na de bevrijding helpt Charlotte de meisjes om een nieuw leven te beginnen ...

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
MOBI

Seitenzahl: 473

Veröffentlichungsjahr: 2022

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhalt

Colofon 2

Vluchten 3

Opnieuw beginnen 17

Bezet door landgenoten 22

Een andere Simon 29

Een huis vol 34

Overleven 49

Angst 71

Nieuwe huisgenoten 81

Doodsangst 97

Bevrijding 113

Een nieuw begin 119

Verbindingen verbroken en hersteld 149

Weerzien 193

Nieuwe horizon 208

Slotakkoord 261

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2022 novum publishing

ISBN drukuitgave:978-3-99107-880-7

ISBN e-book: 978-3-99107-881-4

Lectoraat:Ine van Gerwe

Vormgeving omslag:Ryhor Bruyeu, Jarenwicklund | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing

www.novumpublishing.nl

Vluchten

Ik heb mijn plaats ingenomen aan de grote eettafel, met z’n allen wachten we op de komst van mijn vader. Onze bedienden staan opgesteld bij het buffet waar de soep wordt warm gehouden op een rechaud. Als we de zware voetstappen van mijn vader in de gang horen, gaan alle kinderen staan, alleen mijn moeder blijft zitten. Zodra mijn vader de eetkamer betreedt, klappen de hakken van de jongensschoenen tegen elkaar. We staan rechtop en kijken in het niets. Als mijn vader zit en knikt, is het tijd om te gaan zitten en te doen of we bidden. Moeder knikt na het gebed richting het buffet, waar het geluid van de borden verraadt dat de soep wordt geserveerd. Ik kijk om mij heen en zie zeven kinderen, drie jongens en vier meisjes, die als versiering rondom de tafel zitten, de slingers van hun huwelijksleven. Ik ben het oudste meisje en de enige met zwart krullend haar, alle anderen zijn blond; ook mijn ouders zijn blond. De jongens hebben een identiek kapsel, kort met een scheiding die met een liniaal lijkt te zijn getrokken. De oudste twee zitten op de militaire academie en hun jongere broer zal hen volgen zodra hij daar de leeftijd voor heeft.

Ik ben zeventien jaar en mijn naam is Charlotte von Bleifeld. De meisjes in ons gezin hebben in hun eerste levensjaren een gouvernante gehad, later mochten we naar school. Voor het ingaan van de zomer heb ik mijn examens afgerond en bij aanvang van het nieuwe seizoen moet ik naar het debutantenbal. Het kan me werkelijk geen bal schelen, maar moeder vindt dat je zo snel mogelijk je debuut moet maken om een geschikte partner te vinden. In mijn hoofd ben ik opstandig en heb allerlei vragen waar ik af en toe, als de gelegenheid zich voordoet, er één van kan stellen. Soms komen er antwoorden, meestal niet en worden mijn vragen weggewimpeld met een vage handbeweging.

Niemand zegt een woord tijdens de maaltijd, door naar de bedienden te kijken geeft mijn moeder een stille opdracht om het volgende gerecht te serveren. De maaltijd is bijna ten einde als de butler, met veel excuses voor de storing, iemand aankondigt die belangrijk nieuws heeft voor mijn vader. Mijn vader kijkt naar mijn moeder en zij knikt dat hij de tafel mag verlaten. Wij, de kinderen, staan op bij het vertrek van mijn vader en eten weer verder zodra de deur achter hem is dichtgevallen.

Mijn vader is brigadegeneraal in het Duitse leger en drilt binnen- en buitenshuis zijn ondergeschikten. Wij, mijn ouders en ik, woonden tijdens de eerste wereldoorlog in Pruisen, maar door allerlei veranderingen binnen het leger en het verdwijnen van de keizer en zijn vrouw Hermine zijn de kaarten in Duitsland opnieuw geschud. Ons huidige domicilie hebben mijn ouders gevonden in de buurt van Bremen. We wonen in een groot huis met een tuin in landschapsstijl. In de tuin werken een aantal tuinlieden en zelfs in de winter wordt er nog geharkt en geveegd. Het is buiten en binnen smetteloos schoon. Als mijn vader er niet is, voert mijn moeder samen met de butler het bewind over alle werkenden die ons verblijf hier moeten veraangenamen. De werkloosheid in Duitsland is groot en iedereen die een baantje kan vinden is er blij mee. Mijn moeder vindt het haar plicht om zoveel mogelijk mensen te ondersteunen en dat doet ze door veel mensen aan het werk te zetten bij ons in huis.

We leven in het jaar 1934. De politieke situatie is erg ongewis nu president Paul von Hindenburg is overleden en er ene Hitler zich heeft aangediend. Mijn vader is samen met collega’s erg druk om de militaire organisatie aan te passen. Het leger heeft complete trouw aan Hitler gezworen en mijn vader is zeer ontevreden over het feit dat het democratische model in Duitsland is verlaten en ’Herr Hitler’ alles alleen kan bepalen. Ze noemen hem der Führer. Ik begrijp wel dat velen ontevreden zijn met hun huidige bestaan en met de enorme belastingdruk. Ik begrijp echter niets van de haat die sommigen uitstralen naar mensen die in een betere situatie leven dan zijzelf. Er is zelfs een communistische beweging op gang gekomen, die een theorie verkondigt van ene meneer Marx. Wij als gezin houden ons ver van deze nieuwe ideologieën en moeder ziet erop toe dat iedereen die bij ons werkt een fatsoenlijke maaltijd krijgt en denkt dat zij zo niet tot deze verderfelijke denkbeelden zullen vervallen. Ikzelf houd me bezig met lezen en schrijven naar vriendinnen, door af en toe een wandeling te maken en thee te drinken samen met moeder en gezamenlijke kennissen. Zo hoor je nog eens wat er zich afspeelt in de grote stad, de stad die ik alleen samen met mijn moeder bezoek en waar onze chauffeur ons heen brengt. De automobiel die mijn vader heeft aangeschaft om mijn moeder te plezieren, is heel wat gerieflijker dan het vervoer per koets. Gelukkig zijn de paardenstallen niet helemaal leeg en soms gaan we rijden. Meestal vindt deze activiteit plaats als er bezoek is en om hen te vermaken.

Vandaag ga ik met mijn moeder naar Bremen, naar een juwelier om de juiste juwelen te bemachtigen voor mijn debuut. Een klein parelsnoer met bijpassende oorbellen horen bij het geheel dat je draagt. Er komen minstens vijftig jongedames om zich voor te stellen, natuurlijk begeleid door hun ouders. De huwbare heren hebben het voor het uitzoeken. Ik walg van de gedachte dat vrouwen zich zo ondergeschikt moeten gedragen op deze verkapte huwelijksmarkt. De auto stopt voor een bekend juweliersbedrijf. Mijn moeder denkt dat dit bedrijf zijn langste tijd in Bremen wel heeft gehad in verband met de racistische denkbeelden die de nieuw opkomende politieke partij ventileert, een partij die elke dag meer aanhangers kent.

In de winkel helpt een jongeman ons de juiste parels te kiezen, hij heeft een vriendelijke uitstraling die niet verandert als een paar onverlaten hard op de etalageramen bonken en leuzen schreeuwen die we binnen gelukkig niet kunnen verstaan. Als we onze keuze hebben gemaakt, wil mijn moeder haar eigen juwelendoos nog aanvullen met, zoals zij het noemt, enkele kleinigheden. Een oudere heer komt haar helpen en adviseert haar om het juweel dat zij heeft meegebracht niet uit elkaar te halen, maar de schoonheid ervan te laten stralen bij kaarslicht en een ander juweel als toevoeging te kiezen. Terwijl zij bezig zijn, krijg ik de gelegenheid om mij met de aardige jongeman te onderhouden en hij nodigt mij uit om samen in een gezellige konditorei iets te gaan gebruiken. We spreken een tijdstip af en ik neem me voor dit uitje zelfstandig te ondernemen. Mijn moeder vindt het wel aardig om na haar aankopen nog wat rond te rijden en de chauffeur krijgt de opdracht om een mooie route te verzinnen.

Tijdens het rijden, stel ik haar vragen die zij zuchtend afdoet, maar op één vraag reageert zij als door een bij gestoken. Ik heb namelijk in de gangen van het huis gehoord dat het personeel het heeft over die aangenomen dochter van meneer.

”Nou moeder, wie bedoelen ze daarmee?” Wat een leuk uitje had moeten worden, wordt voor mij na het horen van het antwoord een rit van verbazing.

”Je hebt zelf wel gezien,” antwoordt mijn moeder, ”dat je de enige bent die er anders uitziet dan de rest van ons gezin en ik heb je vader al vele malen voorgesteld om je de waarheid over je afkomst te vertellen, maar telkens verschuift hij deze gedachte om je niet ongelukkig te maken. Je vader heeft in Duitse koloniale gebieden gediend en daar carrière gemaakt. Velen van de officieren hadden een vrouw die hen in hun behoeften voorzag – je begrijpt wel wat ik bedoel – en de vrouw die je vader daarbij hielp, raakte zwanger van hem. Dat was in het algemeen geen probleem, ware het niet dat jij blank ter wereld kwam. Om nu een blank kind daar te laten opgroeien was wel problematisch. Een blank kind heeft daar geen enkele kans en je vader besloot je mee te nemen, je bent immers zijn eigen kind. Ik heb altijd van de situatie geweten en toen ik met je vader trouwde, heb ik beloofd je te accepteren als ons eigen kind. Ik hoop dat ik je daarin niet teleurgesteld heb, je bent altijd een lief en hartelijk kind voor mij geweest en wat de bedienden betreft, mocht je weer iets ter ore komen dat je niet bevalt, stuur hen dan onmiddellijk naar mij. Nu we het toch over intimiteiten hebben, laat je vader niet merken dat je dit weet, hij raakt ervan uit zijn doen.”

Daarmee is voor mijn moeder de kous af en ze begint een praatje over de beginnende, fraaie herfstkleuren. In mijn hoofd bonkt het geweldig en ik hoor niet meer wat mijn moeder te vertellen heeft. Eenmaal thuis bedank ik haar voor het parelsnoer en de oorbellen en verdwijn naar mijn kamer.

De bedienden hebben dus toch gelijk met hun opmerkingen. Hoe weten ze zoiets en van wie horen ze deze verhalen, terwijl ik zelf van niets weet. Ik ben dus een halfzus van mijn broers en zussen, en mijn moeder, och ze blijft gewoon mijn moeder. Ik heb niet de neiging om naar West-Afrika te gaan en daar te gaan zoeken naar een vreemde vrouw die mij ooit op de wereld heeft gezet. Sommigen die geadopteerd zijn, kennen een sterke neiging om te gaan zoeken naar hun bloedverwanten. Mijn kritische houding en opmerkzaamheid heb ik vast van mijn vader geërfd en ik vraag me altijd af hoe het mogelijk is dat mijn vader, die soms onmogelijk dominant kan zijn, zo mak als een lammetje wordt als mijn moeder naar hem kijkt. Ze hoeft maar te knipperen met haar ogen en hij vliegt al. Al haar wensen vervult hij en ik observeer hen en zie hoe zij hem manipuleert. Ik vind het geen slechte eigenschap van mijn moeder om op deze manier haar eigen regie te voeren, kennelijk is mijn vader dol op haar en wordt hij als was in haar handen. Deze eigenschap van mijn moeder moet ik ook onder de knie krijgen voordat ik mij ooit aan iemand bind.

In de dagen na ons uitje verandert er niets en ik laat het gesprek tussen mijn moeder en mij dan maar voor wat het is. Mijn moeder blijft gewoon mijn moeder en mijn vader weet van niets; ik moet me niet zo druk maken over dingen waar ik geen invloed op heb.

Vanmiddag ga ik naar mijn afspraakje en omdat het mooi weer is, besluit ik om erheen te wandelen. Ik zie Simon al zitten aan een tafeltje voor een raam dat uitzicht biedt op de tuin van de konditorei. Hij staat op en schuift mijn stoel aan als ik wil gaan zitten. Hij is een uiterst vriendelijke man, ik denk dat hij een jaar of vijf, zes ouder is dan ik. We hoeven niet naar gespreksonderwerpen te zoeken. Simon is zeer onderhoudend en geeft antwoord op mijn vragen. We hebben een plateau met zoetigheden besteld en de bediende schenkt steeds weer verse koffie in onze kopjes. Simon vertelt over de juwelierswinkel van zijn vader en de steeds moeilijkere omstandigheden voor Joodse ondernemers. Zijn vader denkt er dan ook over om binnenkort samen met zijn gezin naar Amerika te verhuizen.

”Maar dan zie ik je niet meer,” zeg ik, waarop hij antwoordt: ”Ik weet nog niet of ik meega, ik wil graag mijn studie economie afmaken en zie wel waar het schip strandt. Nu ga ik nog gewoon naar de universiteit, maar het is de vraag of het zo blijft nu Herr Hitler kanselier en president is geworden. Ik begrijp al die mensen niet die zo vol haat zijn; wij zijn echt niet anders dan andere mensen.”

Dat laatste heb ik nog niet zolang geleden ook al bedacht.

”Als je in moeilijkheden komt, dan moet je bij ons komen, ik zal je wel helpen.” Tegelijk denk ik dat moeder het niet bij het verkeerde eind had met haar opmerking dat die juwelierswinkel zijn langste tijd hier heeft gehad. We spreken af dat we elkaar volgende week weer zien, dezelfde tijd, dezelfde plaats.

Ook thuis hoor ik van mijn ouders dat de binnenlandse ontwikkelingen steeds grimmiger worden, vooral tegen Joden. Mijn vader die het nog steeds niet kan begrijpen dat na het overlijden van Hindenburg alle macht bij Hitler berust, ziet met lede ogen deze ontwikkelingen aan. Hij is fel anti de nieuwe partij waar zovelen nu hun hoop op hebben gevestigd. ”Een partij die gegrondvest is op haat heeft geen bestaansrecht,” is zijn mening. Hij werkt nu nog wel bij de officiersopleiding, maar de toekomst zal uitwijzen of dit zo blijft.

Ik merk dat ik uitkijk naar mijn volgende afspraakje met Simon, hij is vriendelijk en charmant en weet veel te vertellen. Het is prettig om samen op zo’n informele wijze te praten en alle lekkernijen die worden opgediend, helpen daar enorm bij. Het is eind september en de weersomstandigheden zijn zodanig dat iedereen een lentegevoel heeft. Ik wandel weer naar mijn afspraak en buiten in de tuin van de konditorei op het terras is het heel gezellig.

Simon vertelt dat zijn ouders de benodigde papieren hebben gekregen en volgende week definitief vertrekken. ”Ze willen niet meer wachten, de sfeer wordt steeds grimmiger en mijn vader wordt belemmerd om nog zaken te kunnen doen. Ze mogen niets meenemen van hun kapitaal en moeten alle kostbaarheden inleveren. Gelukkig hebben ze hier niet veel meer, want toen mijn vader, onder ons gezegd en gezwegen, de bui zag hangen, heeft hij voldoende maatregelen getroffen. Ik blijf hier en wil dit jaar mijn studie afronden en dan proberen hen te volgen. Zo’n arme sloeber als ik ben zullen ze wel niets in de weg leggen.”

Volgende week kunnen we door de omstandigheden bij Simon thuis geen afspraak maken, de week na het vertrek van zijn familie gelukkig wel. We vinden elkaar leuk, maar ik zal geen verwachtingen koesteren nu Simon denkt om na zijn studie ook te vertrekken.

Als we na twee weken elkaar weer terugzien, zie ik een andere man voor me. Simon is verdrietig na het vertrek van zijn ouders, dat lang niet zo soepel verliep als ze hadden gedacht.

”Er zijn partijaanhangers geweest die alles van waarde hebben meegenomen en het banktegoed viel hen vies tegen, dus werd er onbehoorlijk gescholden en moesten ze veel pijnlijke beledigingen incasseren voordat ze naar Nederland konden vertrekken. Vanuit Nederland vliegen ze naar Amerika, naar familie. Mijn moeder was erg overstuur door allerlei bedreigingen die ze moest incasseren van deze onbeschofte lui. Mijn vader had gelukkig alles goed geregeld, ook bij de bank en ze konden dus zien dat er echt niets meer te halen viel. Mijn vader werd geslagen, maar dat hielp niet veel om nog meer te kunnen bemachtigen. Nee, al met al ben ik blij dat ze veilig zijn.”

”En jij dan,” was mijn wedervraag, ”ben jij nu wel veilig, kun jij je studie wel afmaken?”

”Ik heb gelukkig mensen die mij begeleiden bij het schrijven van mijn proefschrift en zo kan ik, zolang ons huis nog niet is geconfisqueerd, rustig thuis studeren.”

”En eten, waar eet je dan, en je was?”

”Ik ben heus wel gewend om voor mezelf te zorgen, dat loopt zo’n vaart niet, maar onze afspraakjes moeten we voorlopig op een andere plek voortzetten.” Ik begrijp het al, de financiële positie van Simon laat het niet toe dat wij in een café als dit verblijven en hij is te veel heer om mij de kosten te laten betalen. We spreken de volgende keer af in de bibliotheek, waar de koffie en de thee gratis zijn als je lid bent.

Inmiddels ben ik naar het bal geweest en het heeft me een paar aanbidders opgeleverd die ik helemaal niet zie zitten. Bij de eerstvolgende gelegenheid dat ik hen weer zie bij ons thuis, waar zij belet hebben gevraagd, doe ik zo ongeïnteresseerd, dat het zelfs mijn vader opvalt.

”Zijn het niet deze heren die jouw hart sneller doen kloppen,” vraagt hij lachend aan mij.

”Nee, ze spreken bekakt en hebben ook nog eens niets te vertellen,” is mijn antwoord. Mijn vader lacht met zijn bulderende stem en mijn moeder kijkt naar hem op en ik denk dat zij vermoedt waarom mijn vader zo lacht. De heren vertrekken weer en maken gelukkig geen nieuwe afspraak om mij te bewonderen.

Mijn vader heeft steeds meer moeite om zijn functie naar behoren te vervullen, dat wil zeggen, naar de maatstaven van het huidige regime. Hij probeert zijn invloed aan te wenden om een zo humaan mogelijk beleid te creëren. In gesprekken die hij alleen met mijn moeder voert, hoor ik over nieuw aangekondigde maatregelen ten aanzien van Joden en andere minderheden nu de rassenwetten van Neurenberg ter goedkeuring zijn voorgelegd. Hierin wordt besloten dat Joden niet meer mogen trouwen met niet-Joden, dat Joden geen Duits staatsburger, dus stateloos zijn, geen burgerrechten zoals stemrecht meer hebben. De anti-Joodse propaganda is erop gericht dat Joden geweerd worden uit winkels en restaurants.

Ik hoop zo dat Simon zijn proefschrift nog kan presenteren, zonder daarbij gehinderd te worden.

We zien elkaar met regelmaat bij de bibliotheek en zitten achter een boekenkast op een stil plekje waar we al fluisterend onze gesprekken kunnen voortzetten. We zijn dikke maatjes geworden als Simon half april 1935 zijn studie afrondt. Een baan zit er niet in, niet bij de overheid of ergens anders. Joden worden overal geweerd. Het is, ook al doet het pijn, beter dat Simon vertrekt naar Nederland. Ik kan dan naar Nederland reizen om hem te zien en we kunnen elkaar uitvoerig schrijven. Simon heeft mijn handen vast en we hebben tranen in onze ogen; we zijn zo verknocht aan elkaar. Ik wil wel dat hij kennis maakt met mijn ouders en we spreken af dat hij aanstaande zondag zijn opwachting bij hen maakt.

Mijn ouders begrijpen wel dat Simon wil vertrekken nu de politieke situatie zo precair is. Zelf hebben zij hun jongens kortgeleden naar het buitenland gestuurd voor studie en om een zelfgekozen carrière op te bouwen. Ze zijn alle drie naar een ver familielid van mijn moeder in Engeland gegaan en volgen een opleiding aan een kostschool. Mijn moeder heeft veel hartzeer nu ze van hen afscheid heeft moeten nemen, maar volgens mijn vader is het de enige manier om onze jongens een goede opleiding te laten volgen zonder indoctrinatie van nazi-ideologieën. Deze verandering binnen ons gezin heeft mijn vader binnen zijn werkkring bijna de kop gekost. De SS, die veel te vertellen heeft, heeft mijn vader behoorlijk de duimschroeven aangedraaid over zijn anti-vaderlandslievende gedrag. Zonen van generaals horen in Duitsland in het leger en moeten niet in het buitenland verblijven. Hij heeft de opdracht meegekregen hen per omgaande naar huis te halen op straffe van ontslag. Mijn moeder denkt er niet aan de SS ter wille te zijn en vindt dat we de ontwikkeling van de situatie nauwlettend moeten volgen, voordat we besluiten nemen. Gelukkig vinden ze beiden Simon een sympathieke man, die op hun steun kan rekenen als hij vertrekt naar Nederland en een baan in het buurland gaat zoeken.

Ik wandel terug met Simon door de tuin en neem afscheid van hem achter de paardenstallen waar we beschut en voor eenieder uit het zicht staan. Ik ben me er op dat moment heel bewust van dat ik van deze man houd. Niemand behandelt mij met zoveel respect en liefde en nooit heeft hij mij in verlegenheid gebracht. Ik sla mijn armen om zijn hals en hoor hem nog zeggen ’dit is niet verstandig’; we kussen elkaar intens en weten dat we voor elkaar bestemd zijn. Liefde maakt een moeilijke situatie zachter. We laten elkaar gaan met de belofte elkaar zo spoedig mogelijk weer te zien. Nog één lange kus en Simon laat me los. Ik kijk in zijn donkere ogen en hij in de mijne waarin oneindig veel liefde besloten ligt.

Ruim een week na ons afscheid arriveert de eerste brief van Simon. Hij, de geluksvogel, heeft een baan gevonden bij het Rijkshavenbedrijf Delfzijl, en het feit dat hij Duitser is, vindt de nieuwe werkgever gemakkelijk omdat er over en weer afspraken gemaakt moeten worden met Emden over het gebruik van de vaarroutes op de Eems. Hij is ingekwartierd in een pension dat volgens hem zijn verzorging uiterst precies neemt. Voor de rest is de brief gevuld met verlangen naar mij. Ik schrijf hem per omgaande terug en zo begint een lange reeks van brieven die gevuld worden met veel gevoelens en met verhalen over de huidige leefomstandigheden. In het voorjaar zal ik naar Delfzijl reizen voor een korte vakantie en mijn ouders hebben zoveel vertrouwen in mij dat ik deze reis zonder chaperonne mag maken. We verheugen ons ongelooflijk op ons weerzien. Intussen heeft mijn vader ontslag genomen uit het leger onder het voorwendsel dat hij niet fit genoeg meer is om zijn militaire functie naar behoren te vervullen en is met vervroegd pensioen thuis.

In het voorjaar van 1936 vertrek ik voor een korte vakantie in Nederland, niet naar Delfzijl, maar naar Arnhem. We hebben die stad gekozen omdat niemand ons daar kent en wij deze vakantie willen vieren als een getrouwd stel. Ik heb met mijn moeder uitvoerig over een huwelijk met Simon gesproken, nu blijkt dat dit in Duitsland een strafbaar feit is geworden. In Nederland kunnen we wel trouwen, maar of dat onder de huidige omstandigheden verstandig is, daar weten we beiden geen antwoord op. Simon moet mij tenslotte nog ten huwelijk vragen.

Onze chauffeur brengt mij naar het station in Leer, waar ik in de trein stap die naar Nederland gaat. Als we de Nederlandse grens bereiken, moet ik overstappen op een Nederlands treinstel. Op dat grensstation is een strenge controle door militairen en douanes. Ik heb niets aan te geven en niets te verbergen, toch doen de heren ingewikkeld, misschien alleen maar om hun baan wat op te krikken. Een van de heren wil mij fouilleren, waartegen ik ernstig protesteer. Ik weet dat ik in mijn recht sta als ik om een vrouwelijke beambte vraag. De heren vinden het kennelijk een spelletje om dames met hun machogedrag te kleineren. Als een brute militair mij bij mijn heupen pakt en zijn onderlichaam tegen mij aandrukt, begin ik te gillen, waarop een hogere beambte het vertrek binnenkomt. De militair doet vlug een stap achteruit om zijn superieur uit te leggen dat ik me aanstel, waarop ik meteen furieus reageer: ”Hij wil me fouilleren en hij gedraagt zich onheus door mij te intimideren en aan mij te zitten. Daar heeft deze meneer geen bevoegdheid voor,” voeg ik er nog aan toe. De superieur verwijst de militair naar zijn kantoor, biedt excuses aan en geeft mij vrije doorgang. Met een hoogrode kleur van kwaadheid loop ik de deur uit naar de trein en ik hoor meters verder nog het geschreeuw van een zeer kwade meerdere tegenover zijn soldaat.

Het is een lange reis naar Arnhem, maar die verloopt verder goed, gelukkig zonder veel oponthoud en ik neem me voor het incident op het grensstation zo snel mogelijk te vergeten.

In Arnhem staat Simon mij op te wachten op het perron, het is heerlijk om elkaar te zien en te voelen. Aan het einde van het perron geven we onze kaartjes af bij een spoorwegbeambte en lopen door de grote stationshal naar buiten waar Simon een taxi aanroept. Het is voor mij een verrassing waar we heen gaan.

”We rijden Arnhem uit, door het dorp Velp richting de Steeg,” vertelt hij mij, ”daar gaan we logeren in hotel De Engel. Ik vind dat wel een toepasselijk onderkomen voor mijn vrouw.”

Ik bloos tot achter mijn oren en pak als antwoord Simons hand vast. De chauffeur rijdt rustig richting de Steeg en ik neem het voor mij onbekende landschap in mij op. Ondertussen gaan mijn gedachten naar onze eerste ontmoeting, nu alweer ruim twee jaar geleden. Wat hebben we toch al veel met elkaar gesproken en besproken en wat zijn we sinds onze eerste ontmoeting enorm naar elkaar toegegroeid en wat zijn we nu ontzettend verliefd op elkaar.

In hotel De Engel brengt een bediende onze valiezen naar onze kamer en worden wij met een drankje, geserveerd door de gerant, welkom geheten. Hij vertelt over de bosrijke omgeving, de Posbank en de koets die gereserveerd kan worden voor een ritje over de Posbank. Hij roemt het uitzicht op de rivier de IJssel, de prachtige uiterwaarden en de rustige omgeving in de nabijheid van kasteel Middachten dat af en toe bewoond wordt door een Duitse, adellijke familie en tot slot wenst hij ons een aangenaam verblijf.

Wij drinken ons drankje, lopen nog wat over het terras en gaan naar boven om onze koffers uit te pakken. Een kamermeisje is al druk doende onze kleding die wat gekreukt is te fatsoeneren en in de kast te hangen. Als ze klaar is, vraagt ze of ze nog iets voor ons kan betekenen en stelt voor: ”Misschien kan ik een warm bad voor u klaarmaken, na een lange reis is het wellicht prettig om u op te frissen?” Ik vraag haar dat te doen en als er warme dampen uit de badkamer komen, trekt ze zich terug en zijn we eindelijk alleen. Ik moet niet zo verlegen doen, maar Simon begrijpt mijn reserves en fluistert: ”Niets moet, mijn schat, we hoeven alleen maar te genieten.” Ik kus hem en hij mij en langzaam verdwijnen mijn reserves als er felle scheuten van begeerte door mijn lichaam flitsen. Mijn kleding ligt op de grond en ik laat me in het warme water glijden, het badschuim verhult mijn naaktheid. Niet voor lang, want Simon zakt naast mij in het enorme, ronde bad. Daar voelen we elkaars lichamen en tasten Simons handen, onder liefdevolle kussen, mijn lichaam af totdat hij heel voorzichtig mijn gevoeligste plekjes vindt. Nu wil ik de zijne zijn, we gaan door, we laten elkaar niet meer los en bereiken in bed het hoogtepunt van onze liefde. Ik lig in volle naaktheid naast hem na te genieten, Simon kust elk plekje van mijn lijf, dat nog nagloeit, van de tot voor kort voor mij onbekende heftigheid van mijn gevoelens. Ik kijk naar hem en zie dat hij iets van zijn penis verwijdert en vraag hem wat hij doet.

”Ik wil je niet zwanger naar huis sturen mijn schat, op deze manier kunnen we vrijen, zonder dat jij het risico loopt op een ongewenste zwangerschap.”

”Maar ik wil wel een kind van jou.”

”Ik ook van jou, mijn engel, maar geloof je dat dit moment geschikt is om een kind op de wereld te zetten?”

Simon heeft gelijk, ik laat me meevoeren door mijn liefde voor hem en hij, de lieverd, spaart me en denkt er niet aan om mij in diskrediet te brengen.

”Wil je wel mijn vrouw worden?

Ik sla mijn armen weer om hem heen en kus hem. ”Natuurlijk wil ik jouw vrouw zijn.”

”Ook als je bedenkt welke moeilijkheden de toekomst nog voor ons heeft?”

”Ja, ik wil.”

”Dan ben je vanaf heden mijn vrouw. Het is beter dat we ons huwelijk niet laten registreren. Dat komt zeker terecht bij de Duitse ambtenarij en daar krijg jij dan heel veel last mee. Nou, mevrouw Rosenberg-von Bleifeld, wilt u dan nu wel met mij naar het diner?”

De dagen verstrijken in een roes, we wandelen, gaan per koets naar de Posbank, we praten oneindig veel en spreken af dat we over drie maanden hier in dit idyllische oord op herhaling gaan. We hebben het ook over de wens van Simons ouders dat hij naar Amerika komt. Hij wil wel gaan, maar alleen samen met mij.

Het afscheid op het station in Arnhem is bitter. De trein brengt mij weer naar de grens, die ik dit keer zonder problemen passeer. Onze chauffeur staat voor het station geparkeerd en brengt mij naar huis, waar ik door beide ouders warm wordt onthaald. Het is frappant dat de eerst zo afstandelijke relatie tussen mijn ouders en hun kinderen zo anders is geworden sinds mijn vader de militaire dienst heeft verlaten. We spreken over mijn vakantie met Simon, over zijn huwelijksaanzoek, en over een eventueel vertrek naar Amerika, waar het wellicht veel veiliger is dan hier in Europa.

Als ik een paar dagen thuis ben, arriveert er een brief van Simon aan mijn ouders waarin hij hen officieel vraagt of hij met mij mag trouwen. De lieverds stemmen van harte in, maar zien net als wij nog geen oplossing voor een wettelijk geregistreerd huwelijk. Trouwen kan in Nederland, maar dan kan ik niet meer naar Duitsland komen om hen te bezoeken. Datzelfde gebeurt als ik naar Amerika vertrek. Mijn beide ouders willen ons geluk niet in de weg staan en vinden dat ik mijn hart en mijn eigen weg moet volgen. Simon is blij met hun toestemming en zal toch een huwelijk in Nederland gaan voorbereiden. We kunnen altijd nog vertrekken naar Amerika en zo lang we in Nederland blijven, kunnen mijn ouders naar Nederland komen om ons te bezoeken, dat lijkt de meest voor de hand liggende oplossing. We stellen voor om ons huwelijk in het voorjaar van 1937 te laten plaatvinden.

Opnieuw beginnen

Het jaar vliegt om en met de tussentijdse bezoeken aan hotel De Engel wordt ons verlangen naar elkaar alleen maar groter. Simon heeft een andere baan gevonden bij een concern in Arnhem. Hij studeert als een bezetene om de Nederlandse taal machtig te worden en verbaast zijn nieuwe collega’s over de snelheid waarmee hij nu in zijn nieuwe taal kan communiceren.

We hebben diepe en lange gesprekken over welke stappen we nu moeten nemen voor onze toekomst. Uiteindelijk besluiten we om voorlopig in Nederland te blijven, want we willen van nu af bij elkaar zijn. We vinden een huis in het Villapark in Velp en dat maakt ons geluk compleet. Simon heeft niet stilgezeten en heeft met tussenkomst en hulp van zijn nieuwe werkgever zijn Nederlanderschap aangevraagd. Omdat hij een vaste woon- en verblijfplaats heeft en een vaste baan verliep het vrij vlot en is hij nu Nederlander. We trouwen alleen voor de wet, maar in mijn mooie bruidsjurk en Simon in een chique pak wordt het toch een feestelijk gebeuren. Er komen telegrammen uit Amerika met gelukwensen en mijn familie maakt er een klein feestje van door met z’n allen in hotel De Engel, ons liefdesnest, te logeren en ons te verwennen met een passend diner. Onze huwelijksnacht brengen we door in ons eigen huis.

Papa heeft met Simon afgesproken dat hij ons het huis schenkt als huwelijkscadeau en dat ik een levenslange toelage krijg om zelfstandig te kunnen leven en functioneren. We staan allebei perplex, overdonderd door zoveel goede gaven. Ook uit Amerika arriveert er een cheque om de jong-geliefden wat financiële ruimte te geven. We zijn zomaar in goeden doen en rijk met onze liefde en met onze familie.

Nu moet ik ook zo snel mogelijk Nederlands leren, ik doe mijn best en mijn Nederlandse lerares vindt dat ik met sprongen vooruitga. Omdat Simon Nederlander is, ben ik door ons huwelijk nu ook Nederlandse geworden. Mijn Duitse paspoort leg ik onder in het laatje van een buikkastje waar we meer officiële papieren bewaren.

In Nederland gaat het er allemaal nog heel ongedwongen en ontspannen aan toe. De Duitse situatie heeft nauwelijks invloed op het dagelijks leven, het is volgens velen een ander land en al dat gedoe komt hier niet. Ook als Oostenrijk wordt ingelijfd, is menigeen niet onder de indruk. Niemand die ik spreek zegt, ’dat kan ook hier gebeuren’.

Simon is druk op zijn werk en ik ben bezig de omgeving te verkennen. We wonen in een heerlijk dorp en het is een prima wandelgebied. Een paar keer in de week volg ik Nederlandse les, maar het vlot spreken van de taal leer je pas goed in een omgeving waar alleen Nederlands wordt gesproken. In een werkkring, vrijwillig of betaald, zou ik het Nederlands sneller meester worden. Mijn moeder kent in onze omgeving nog een paar adellijke families die zij om advies vraagt; daar zou ik naar toe kunnen gaan. Een van haar bekenden zit in het bestuur van het Velpse ziekenhuis, dat ook gelegen is aan het Villapark. Dit ziekenhuis kan ik gemakkelijk lopend of op de fiets bereiken. In Nederland moet je fietsen. Ik krijg een brief van de betreffende mevrouw als aanbeveling, die ik kan meenemen als ik mij aanmeld voor vrijwilligerswerk. Na een telefonische afspraak stap ik op de fiets om te gaan kennismaken in het ziekenhuis. Een van de specialisten heeft dringend een administratieve assistente nodig. Ik vertel wat ik heb gedaan in Duitsland en als ik wil, mag ik de volgende week beginnen voor halve dagen. Het lijkt me leuk en iedereen die ik daar heb ontmoet is erg vriendelijk. Thuis vertel ik Simon over mijn ervaring en ook hij is enthousiast over mijn gevonden werkkring.

De hulp die ons huishouden regelt, kan gewoon haar gang blijven gaan en ik stap met goed weer op de fiets en ben binnen twee minuten op mijn werk. Ik leer snel en de dokter is blij met mijn komst. Er zijn verschillende dingen waar ik aan moet wennen in Nederland. Men gaat veel informeler met elkaar om dan in Duitsland en dat ene koekje bij de koffie: koekje gepakt, trommeltje weer dicht.

We hebben het fijn samen, dolverliefd als we zijn, maar we blijven ongerust over de ontwikkelingen in Duitsland. Mijn ouders schrijven hoe grimmig de sfeer is tegenover Joodse mensen, steeds meer rechten worden hen ontnomen. Een normaal leven wordt voor hen in Hitler-Duitsland onmogelijk. Onze jongens, schrijft moeder, blijven waar ze zijn. Veel mannen moeten in dienst en er zijn ook jongens die zich vrijwillig aanmelden bij het leger.

De inval in Polen op 1 september 1939 doet Europa eindelijk sidderen, er ontstaat een soort ontwaken. Op politiek niveau wordt er op het scherpst van de snede onderhandeld, maar geen enkele afspraak met der Führer houdt stand. Simon en ik zijn bang. Gaan we toch naar Amerika? Blijven we hier? Allemaal vragen waar we nog geen antwoord op weten, ook nu Frankrijk en Engeland aan Duitsland de oorlog hebben verklaard.

Ik werk inmiddels hele dagen in het ziekenhuis en volg een verkorte cursus voor verpleegster. Ik leer vooral hoe ik injecties moet geven en een infuus moet aanleggen. Op de operatiekamer waar heel deskundige mensen werken, leer ik de namen van de instrumenten en hoe ik ze moet aangeven als de chirurg er om vraagt. Er worden acties ondernomen om goed voorbereid te zijn op een eventuele oorlog.

Mijn moeder schrijft over mijn jongere zusjes, waarvan de oudste bijna zeventien wordt. Ze heeft een vriendje, een felle nazi, een die zich niets laat vertellen. Mijn ouders willen hem de deur wijzen, maar mijn jongere zusje schreeuwt moord in brand. Naar ons kan ze ook niet, want door de invloed van die jongen spuugt ze op het Joodse volk. Simon heeft nooit aan de grote klok gehangen dat hij van Joodse afkomst is, ook al omdat hij geen praktiserend lid is van de Joodse gemeenschap, maar ze weet natuurlijk wel dat ik met een man van Joodse afkomst ben getrouwd en daarom laat ze ook nooit iets van zich horen. Gelukkig zijn mijn andere twee zussen nog te jong voor de liefde. Hoe zal dit aflopen en wat zal dit teweeg brengen binnen een familie die er totaal anders overdenkt?

In haar volgende brief schrijft moeder dat mijn zus Gertrude het huis met veel bombarie heeft verlaten en bij haar vriend is ingetrokken. Mijn ouders hebben veel verdriet door dit gebeuren. Toen mijn vader haar wilde terughalen, had de jongeman in kwestie een aantal bruinhemden opgetrommeld en mijn arme vader kon onverrichter zake weer naar huis. Ze laten het nu rusten, ze is altijd welkom, maar zonder die jongeman en zijn verderfelijke sympathieën.

Wij werken gewoon door en proberen via de radio op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in binnen-en buitenland. De sfeer wordt steeds meer gespannen en begin mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. Ik kan het niet geloven dat mijn eigen volk zulke dingen doet. Wat is er in hun hoofden gebeurd? Al die haat tegenover hun medemensen. We weten via mijn ouders dat Joden worden afgevoerd naar werkkampen, maar mijn vader gelooft niet in die berichten. Hij is er heilig van overtuigd dat het concentratiekampen zijn. Hij schrijft: ”Tref je voorbereidingen en wel zodanig dat ze jullie niet kunnen pakken.” Hierna komen er wel brieven, maar niet meer over de politieke situatie, alles wordt in Duitsland gecontroleerd en gecensureerd.

Simon heeft nu toch stappen ondernomen om naar Amerika te gaan, maar helaas, voor ons was er geen plaats meer op de boot. We weten niet welke criteria er gelden om een ticket te kunnen kopen. Een paar dagen later hebben we toch nog tickets gekregen en bereiden we ons vertrek voor; op 15 mei zullen we uit Rotterdam vertrekken. We zijn blij dat we elkaar hebben, maar we hebben ook angst dat het alsnog mis zal lopen. Simon volgt op de radio hoe de stand van zaken is in Nederland en hoort dan ’s avonds dat op 14 mei Rotterdam is platgebombardeerd. Vertrek vanuit Rotterdam is onmogelijk geworden. Onze koffers staan stil te wachten in de gang, wat doen we nu? We horen dat er nog wel schepen vertrokken zijn vanuit den Haag, maar we kunnen de tickets niet omruilen omdat op dit moment alle uitvarende schepen door de Duitsers worden geblokkeerd. Ze hebben mijnen gelegd en er zijn al heel wat doden en gewonden gevallen bij ontploffingen die de schepen hebben getroffen. We staan stil met de armen om elkaar heen, we moeten er maar het beste van zien te maken. We zijn gewoon te laat. Naar Duitsland kunnen we ook niet, dan brengen we mijn ouders in gevaar en ook ons zelf. Simon zou binnen de kortste keren afgevoerd worden en we kunnen vanuit Duitsland ook niet meer terug naar Nederland; we worden dan als landverraders bestempeld. Het is duidelijk, wij kunnen hier niet meer weg.

Bezet door landgenoten

Simon is vanmorgen gewoon naar zijn werk gegaan.

”Laten we maar gewoon blijven doen wat we deden,” is zijn voorstel en ik fiets als vanouds naar het ziekenhuis waar ook enkele gewonden zijn binnengebracht. Samen met de dokter werk ik een lijst van patiënten door, maak afspraken en schrijf enkele brieven aan collega’s van de dokter. Als mijn dagtaak erop zit, fiets ik eerst naar huis om iets te eten en daarna wil ik naar het dorp om enkele boodschappen te doen. Er is gelukkig een bakker dichtbij en ik kan elke dag vers brood halen als ik dat wil. Ik mis het Duitse brood enorm, brood dat veel vaster van structuur is, daarom eten we veel roggenbrood dat een ­beetje op het brood van vroeger lijkt. Als ik weer buiten kom en met de fiets wil vertrekken, staat de mevrouw van het linker huis, die er pas is komen wonen, plotseling voor mijn neus.

”U zult vast wel blij zijn nu uw landgenoten de leiding van Nederland hebben overgenomen,” merkt zij op.

”Nee, dat ben ik niet en overigens het zijn mijn landgenoten niet meer, ik ben Nederlandse.”

”Ik ben wel heel blij met deze ontwikkeling, mijn man en ik hebben ons aangesloten bij de NSB, dat zou u ook moeten doen en ik kan voor u beiden wel een goed woordje doen binnen de partij.” Terwijl ze dit zegt, slaat ze de kraag van haar jas om en laat mij haar lidmaatschapsspeldje zien.

”Mevrouw,” zeg ik afgemeten, ”ik wil helemaal niet bij die partij en nu wil ik boodschappen doen.” Ik duw een ­beetje onbehoorlijk met mijn fiets, zodat de dame in kwestie een stapje opzij moet doen en wil opstappen als zij mij naroept: ”Daar zult u nog spijt van krijgen.” Onderweg denk ik nog, weer een vriendin minder en het is misschien toch wel onverstandig van mij om zo kortaf te doen. Ik laat mijn twijfels varen, ik kan er niets meer aan veranderen. Mijn boodschappen zijn zo gebeurd en ik fiets met een slakkengangetje weer naar huis. Onderweg kom ik nog een verpleegkundige van het ziekenhuis tegen en stap ik even af voor een praatje.

”Ik heb vanochtend de gewonden opgevangen, maar gelukkig valt het mee, met een paar dagen kunnen ze wel weer naar huis.” Dan vertel ik haar wat mij is overkomen met die vreemde buurdame.

”Trek het u niet aan, houd haar ver buiten jullie deur, dit soort lui moet u niet vertrouwen en als jullie hulp nodig hebben, u weet me te vinden.”

Dan loopt ze weer door, snel naar haar huis. Het is een aardige vrouw, ze heeft al meerdere keren gevraagd of ik haar Berty wil noemen. Ik moet ook wat informeler worden; de volgende keer zal ik haar uitdrukkelijk vragen mij te tutoyeren.’s Avonds als Simon thuiskomt, vertel ik hem het voorval met de buurvrouw en ook over het aardige gesprek met Berty. Simon heeft tot nog toe op zijn werk alleen maar hartelijke collegialiteit ondervonden, maar is ook gewaarschuwd voor Duitse meelopers.

We bedenken in huis een plek waar Simon mogelijkerwijs zou kunnen onderduiken. Het huis waarin we wonen, stamt ongeveer uit 1915 en is gebouwd met twee kleine torentjes op het dak. Het ziet er heel vriendelijk uit, maar in een van de torentjes hoeft Simon zich niet te verstoppen, daar is hij zo gevonden. We kloppen op alle muren of er misschien ergens een dubbele wand zit met een loze ruimte ertussen. In de kelder valt ook niets te verbergen, ook niet in de stookkelder waar het stinkt naar kolen en briketten. We lopen samen van onder naar boven en weer terug over de krakende, houten trappen. Simon blijft staan op het brede gedeelte waar de trap na de zes onderste treden een hoek naar rechts maakt.

”Kijk, als ik heel precies in de naad van de trede een zaagsnede maak en ik maak de treden aan de zijkanten ook los, dan kan dat deel met een scharnier aan de bovenzijde als een deksel open en als we daar dan heel precies de loper weer overheen leggen, dan zou ik daar een schuilplek kunnen hebben.”

”Maar hoe weet je of hier genoeg ruimte onder zit?” is mijn vraag. Simon loopt naar de kelderdeur die zich onder de trap bevindt.

”Kijk maar even, normaal zou je hier aan de binnenkant de traptreden zien, maar dit hier is afgetimmerd, waarschijnlijk komt dat door de onderbreking van de trap met het vierkante loopstuk en het vervolg van de trap naar boven.”

We kloppen en timmeren op de trap en het lijkt erop of er een ruimte tussen zit.

”Weet je, ik ga het gewoon proberen, zit er te weinig ruimte tussen dan hebben we pech, maar wie weet hebben we een klein ­beetje geluk.” Simon koopt in de week die volgt het juiste timmergereedschap en zaagt op zaterdagmiddag met een klein zaagje met een scherpe punt heel voorzichtig en precies de naad van de traptrede door.

Terwijl hij aan het werk is, gaat de bel. Snel leggen we de traploper terug en ik kijk naar Simon of ik de deur kan opendoen. Als ik naar de deur loop, gaat de bel nogmaals. De vestibuledeur zwaait achter mij dicht en ik open de voordeur. Tot mijn verbazing staat daar de mevrouw van het huis hiernaast met een kopje in haar hand.

”Ik kom een kopje suiker van u lenen, ik ben er helemaal doorheen maar u heeft vast nog wel wat suiker voor mij.”

Ik kijk haar verbaasd aan. ”Suiker lenen?” vraag ik.

”Ja, u krijgt het heus terug.” Op dat moment komt Simon door de vestibuledeur met onze suikerbus en geeft die aan mij. De mevrouw had al een voet over de drempel gezet om zichzelf uit te nodigen.

Ik ga pal voor haar staan en vul haar kopje. ”Ik hoef het niet terug,” zeg ik haar. Ze sputtert nog wat en weet niet anders te doen dan weer te gaan na onze terughoudendheid om haar te inviteren. Snel sluit ik de deur en ik bedenk dan dat dit niet zo’n handige zet van ons is, haar nieuwsgierigheid zal door ons gedrag nog meer geprikkeld zijn. Ik besluit ter plekke dat als de bel gaat, ik eerst door het luikje in de voordeur zal kijken, wie er voor de deur staat. Ik raad Simon aan dat niet te doen, hij moet zoveel mogelijk uit beeld blijven. Ik vraag mezelf af of ik onvriendelijk ben tegen de irritante dame van hiernaast. Zij zijn hier pas komen wonen toen onze vorige buren zijn verhuisd en hebben nooit de moeite genomen om zich voor te stellen. Niet dat dit nu nog moet, ik houd afstand en daarmee uit.

Heel gestaag werkt Simon door aan zijn schuilplek; hij zaagt, hij vijlt, hij schuurt en beitst de plekken waar hij aan het werk is geweest en zelfs met een loep zie je geen verschil. Dit nauwkeurige werken heeft hij nog overgehouden uit de tijd dat hij bij zijn vader in de juwelierszaak als werkstudent werkzaam was. Gelukkig is het in de zomermaanden lang licht en elke dag kan Simon wel een stukje verder werken. We moeten na de werkzaamheden ook alles weer precies in orde brengen, zodat ook onze huishoudelijke hulp geen argwaan krijgt door het vinden van restanten zaagsel.

Eigenlijk gaat de zomer vrij rustig voorbij. In Velp blijven grote incidenten uit, waardoor veel mensen weer in slaap worden gesust. Het zal wel meevallen, denken ze.

Onze huishoudelijke hulp wil niet meer bij ons werken. Ze geeft geen reden op, maar ik denk dat ze vindt dat ze niet bij voormalige Duitsers haar werk wil doen. Ik bedank haar hartelijk voor de gedane arbeid en besluit geen vreemden meer in ons huis toe te laten. Dan zelf maar aan de slag, Simons veiligheid staat bovenaan op mijn programma.

Berty komt bij mij op de thee en ik ben er nu aan gewend dat mijn collega’s me Lotte noemen. Ik ben zo aan de praat geraakt, dat het Berty is die opmerkt dat er een vreemde dame om de hoek van het huis staat. Ik kijk om en zie dat onze buurdame de vrijheid heeft genomen ons in de tuin te bezoeken. Ik loop op haar toe en vraag haar wat er aan de hand is.

”Eigenlijk niets, ik hoorde zo gezellig praten dat ik dacht ik ga eventjes kijken.”

”Ik wil graag verder praten met mijn bezoek, als u mij wilt excuseren.” Ik leid haar terug naar de voortuin en klap het hekje achter haar dicht.

”Dit is een gevaarlijke vrouw, Lotte, zij heeft connecties met de groep Rost van Tonningen, die zijn zo verschrikkelijk fout,” fluistert Berty.

We pakken de theeboel op en gaan naar binnen, een verdrietig gevoel overvalt mij.

”Die mensen heten West en hij is inspecteur van politie geworden nu de Duitsers aan de macht zijn. Hij kan nog niet tot tien tellen, maar is wel actief lid van de NSB,” weet Berty te vertellen. ”Kop op, meid, we maken er wel wat van, groetjes aan Simon en ik kom gauw terug, het was heel gezellig.”

Diezelfde week laten we de tuinman naast het huis een hekwerk plaatsen, geen ongenode gasten meer in de achtertuin. Simon kijkt ook het hekwerk rond de achtertuin na, en het wordt hier en daar door de tuinman verstevigd. Er worden struiken bij geplant, groenblijvers, om ons van de nodige privacy te verzekeren.

De herfst zet fors in met najaarsstormen, Simon werkt hard aan de schuilplaats, die nu zover is dat als je de laatste trede voor het platte stuk optilt, het tussenstuk van de trap omhooggaat. Hij heeft een lang, smal scharnier aangebracht die onder de traploper valt, de traploper is vastgemaakt op de draaipunten en daaroverheen vallen de traproeden die op meerdere punten vastzitten met een speciaal daarvoor gemaakt koperen beugeltje. We trekken en rukken eraan maar het blijft muurvast zitten. Toen we het gedeelte van de trap optilden, waren we verrast door de loze ruimte eronder. Simon heeft tussen de balken extra planken getimmerd. In de ruimte tussen de balken kun je alleen liggen. We schuiven een dunne matras in de ruimte, dan maak je ook minder geluid als je beweegt. Allerlei attributen die nodig kunnen zijn, komen ook in de schuilplaats, waaronder water en verpakt voedsel. Simon moet aan de binnenkant van de trap nog een flinke sluiting bevestigen, die alleen hij kan openmaken. Hij zet er twee grote grendels in en als hij erin ligt en ze dicht schuift, krijg je met geen mogelijkheid de trede omhoog.

”Het is in de schuilplaats wel benauwd,” merkt hij op en boort vervolgens kleine luchtgaatjes door de planken, de planken onder de balken hebben genoeg spleten om lucht door te laten. We oefenen samen ook hoe snel Simon zich kan verbergen en hoe snel ik het bed of de tafel zo in orde kan brengen, dat het lijkt of ik alleen thuis ben. Dat oefening kunst baart ondervinden we maar al te gauw.

De winter is ongelooflijk koud. Mensen die normaal buiten werken blijven thuis. Gelukkig ligt het stookhok vol en kunnen we het met een koude winter ook wel warm krijgen. In het ziekenhuis doet men er alles aan om de patiënten warm te houden. Extra dekens worden uitgedeeld en op de buitendeur is een groot vel papier geplakt met de tekst GOED SLUITEN.

Simon gaat met de bus naar zijn werk, daar worden voorzorgsmaatregelen getroffen dat jonge mannen niet zomaar opgepakt kunnen worden om in Duitsland te gaan werken, maar ook daar werken stille NSB’ers die de boel kunnen verraden. De mensen waarmee Simon werkt, zijn gelukkig te vertrouwen, maar de koffiejuffrouw is dat bepaald niet. Als zij binnenkomt wordt er niet meer gesproken totdat zij echt weg is. Ze controleren of de dame niet achter de deur staat te luisteren. Er is een sfeer van oplettendheid en achterdocht.

Als Simon net thuis is, gaat de bel. We hebben autodeuren horen slaan en horen geschreeuw. Als een haas duikt Simon in de schuilplaats en ik talm met het opendoen van de voordeur waar nu al hevig op wordt gebonsd. Ik kijk door het luikje.

”Openmaken en snel!” Mijn benen trillen van angst en daardoor word ik echt niet vlotter. De Duitser duwt tegen de deur zodat het slot nog moeilijker opengaat.

”Wilt u niet zo duwen, dan krijg ik het helemaal niet voor elkaar,” schreeuw ik door het luikje.

Als de deur openspringt, rennen drie militairen naar binnen en terwijl ze van de ene naar de andere kamer hollen, schreeuwen ze: ”Niets, niets. Waar is uw man?” Ze schreeuwen om indruk te maken en angst te zaaien.

”Die is niet thuis,” zeg ik. Ik sta te beven van angst.

”Hij moet zich melden,” schreeuwt de bevelhebbende.

Opeens overvalt me een wonderlijke kalmte.

”Mijn man is niet thuis en als hij komt zal ik het zeggen en u hoeft niet zo te schreeuwen: ik versta u prima.”

”U bent beide Duitsers en uw man heeft zich aan de dienstplicht onttrokken.”

”Dan kan ik u snel uit de droom helpen, wij zijn Nederlanders.” Om dit Nederlanderschap te ondersteunen, laat ik de man mijn paspoort zien, dat ik uit mijn handtas haal. De Duitser vloekt en zegt tegen zijn kompanen dat ze op het verkeerde been zijn gezet door die troel van hiernaast. Even had ik nog gedacht om Duits tegen de heren te spreken, maar wat was het goed om het in het Nederlands te doen. Als de deur achter hen dichtvalt, sta ik te huilen van opluchting. Ik klop drie keer op de traptrede en voorzichtig schuift Simon de grendels in zijn schuilplaats weg, tilt het luik omhoog en fluistert: ”Veilig?”

”Ja veilig.”

We staan in de hal met de armen om elkaar heen en weten nu precies waar het gevaar vandaan komt. Simon is behoorlijk wit om zijn neus en als we een uur later aan tafel gaan, hebben we beiden geen honger.

Een andere Simon

Ik sluit de gordijnen hermetisch zodra het begint te schemeren, geen lichtstreepje valt naar buiten. De verordeningen worden steeds strenger en het worden er steeds meer en altijd op straffe van. De vreselijke winter gaat voorbij en in de zomer begint de persoonsregistratie. Ze vragen van alles, maar weten via de burgerlijke stand alles al van jou, van je ouders en van je voorouders. We worden opgeroepen om ons persoonsbewijs te komen halen. De heren hebben zich hotel Naef toegeëigend om deze Velpse klus te klaren. Als we binnenkomen, zien we dat er nog vele wachtenden voor ons zijn. Na een poosje zijn we aan de beurt, we moeten onze vingerafdrukken op het persoonsbewijs zetten en de ambtenaar houdt daarbij je hand vast om een goede afdruk te krijgen. Gelukkig is de ambtenaar geen NSB’er maar wordt hij gedwongen om dit werk te doen. Hij schuift de bewijzen over tafel en in die van Simon staat een grote J. De ambtenaar legt zijn hand erop en fluistert: ”Voorzichtig zijn.” We gaan weg met het vermaledijde ding in onze zak. Op allerlei proclamaties heeft al gestaan dat je niet zonder dit bewijs de straat op mag en natuurlijk, op straffe van … Thuis bekijken we het persoonsbewijs nog eens goed, 12 oktober 1941 is de datum van afgifte en dan die grote J. Bij een eventuele aanhouding op straat weet Simon dat hij dan direct aan de beurt is om afgevoerd te worden. Joden hebben geen rechten.

Een paar dagen later komt Berty weer theedrinken, kennelijk kijk ik zorgelijk. ”Wat is er aan de hand, kom op, vertellen.”

Ik vertel haar van het persoonsbewijs van Simon met de grote J erin en de zorgen die we daarom hebben.

”Ja, natuurlijk maak jij je hier zorgen om, dat doet toch elk weldenkend mens. Heb je toevallig nog een pasfoto van Simon, dan regel ik wel wat. Je moet me niks vragen, hoe minder je weet hoe beter.”

We drinken onze thee en praten over koetjes en kalfjes als Berty ineens begint te lachen over een voorval dat ze vanochtend in het ziekenhuis heeft meegemaakt. ”Dokter Jonker kan toch zo afgemeten doen tegen patiënten! Toen ik hem vanochtend assisteerde was er een mevrouw die haar gebit niet wilde uitdoen volgens de verpleegster die haar voorbereidde op de behandeling en die verpleegster ging haar beklag doen bij dokter Jonker. Hij zou het varkentje wel even wassen.”

”Wat zeg je, varkentje wassen, deed de dokter dat?”

Nu lacht Berty schaterend om mijn stupide opmerking. ”Nee, natuurlijk niet, dat is een Nederlandse uitdrukking om duidelijk te maken dat je iets snel kan oplossen. Hij loopt op die mevrouw af en zegt: ”Hier dat gebit.” De arme vrouw is al helemaal stijf van de verdoving, probeert onder protesterende geluiden te laten zien dat ze geen gebit, maar echte tanden heeft. Toen hij eenmaal doorhad hoe de vork in de steel zat …”

”Hoezo, vork in de steel?” vraag ik: ”Hij is toch met haar gebit bezig.”

Weer lacht Berty zich krom: ”We moeten samen veel Nederlands spreken, dan leer je deze uitdrukkingen ook wel. Nou, toen hij, de dokter, het door had, begon hij tegen Suze te schelden of ze niet beter uit haar ogen kon kijken.”

We lachen samen om het verhaal van Berty.

”Nu je het toch over dokter Jonker hebt, ik wil niet roddelen, maar hij spreekt mij voor zijn eigen lol steeds in het Duits aan. Ik antwoord gewoon in het Nederlands en hij maakte tegenover mij ook een grapje over mijn Duitse landgenoten, dat heb ik wel gepareerd en nu is hij minder vriendelijk dan voorheen tegen mij.”

”O dan heeft hij niet kunnen scoren met zijn eigen lolletjes, hij trekt wel weer bij.”

Berty is er nog als Simon wat vervroegd thuiskomt.

”Er was een razzia en ik ben vroeger weggegaan, de mensen in de fabriek waren aan de beurt. Eén van de collega’s kwam mij gelukkig waarschuwen, het wordt steeds gekker.”