Inhoud
Colofon 2
Proloog 3
1960 – De trein 4
1940 – Mijn kindertijd 7
1947 – In het grote huis 12
1948 – Naar de hbs 15
1957 – Student op kamers 18
1958 30
1960 – Bern 41
1960 – Grindelwald 45
1961 – Terug uit Zwitserland 47
1945 54
1961 57
1962 74
1942 77
1962 84
1935 87
1962 92
1942 98
1962 99
1963 – Amsterdam 107
1964 – Amsterdam 135
1965 – Amsterdam 150
1966 200
1967 218
1968 244
1969 248
1970 251
1982 254
1985 259
1995 261
2000 265
2001 268
2005 270
2019 273
Epiloog 276
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2021 novum publishing
ISBN drukuitgave:978-3-99107-170-9
ISBN e-book: 978-3-99107-171-6
Lectoraat:M. Moors
Vormgeving omslag:Vadim Orlov | Dreamstime.com
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
www.novumpublishing.nl
Proloog
Twee maanden geleden is mijn Bon-pa overleden. Mijn Bon-ma zit veel in de tuin op de plek waar zij vroeger met z’n tweetjes zaten. Volgens mij praat ze met hem. Bon-ma vertelt over haar verdriet en aan haar houding zie ik dat ze vanuit de hemel wordt getroost. Ik heb Bon-ma gevraagd of zij mij wil vertellen hoe onze familiegeschiedenis in elkaar steekt. Ze vroeg aan mij of ik het echt wilde weten en mijn antwoord was: “Ja.”
Bon-ma zal erover nadenken. “Het is een hele geschiedenis hoor,” voegde ze er nog aan toe.
Ik wil weten waarom we zoveel verschillende nationaliteiten in onze familie hebben, wat er allemaal is gebeurd en ik wil het zo graag opschrijven, zodat onze familiegeschiedenis bewaard blijft. Ik kan wel begrijpen waarom Bon-ma twijfelt om haar verhaal te vertellen; zij heeft evenals Bon-pa veel verdriet in haar jeugd gekend en bij al het verdriet dat ze nu heeft om haar man, is het wellicht te veel voor haar.
Vandaag zit Bon-ma weer op haar plek in de zon op het bankje met uitzicht over de wijnvelden. Ik loop naar haar toe en ze glimlacht naar mij. Ze klopt met haar hand op de bank en gebaart dat ik naast haar moet gaan zitten.
“Rosa, ik zal vertellen, elke keer een deel van mijn en van ons verhaal en jij moet dan maar onthouden waar ik ben gebleven met mijn vertelling. We zullen nog wel een aantal keren samen op dit bankje zitten.” Ik zei haar dat het prima was en vertelde over het kleine opnameapparaat dat ik had gekocht en zo precies zou weten waar ze was gebleven met haar verhaal. “Ik heb geen verstand van al die technische snufjes die jullie tegenwoordig hebben, de computer vind ik al moeilijk genoeg,” was haar antwoord.
Ze keek me aan en knikte, ik schakelde het apparaatje in en niets zou de sfeer, op dit goddelijke plekje in de tuin, kunnen verstoren. De wind ruiste zacht over de wijnvelden, de schaduw van de moerbeiboom zou ons koel houden, toen haar zachte stem begon…
1960 – De trein
Vanochtend ben ik, meteen na de begrafenis, eindelijk in de trein gestapt. Van het kleine station in het dorp vertrok de trein naar de stad. Bij elke kilometer dat de trein zich verder verwijdert van ons dorp adem ik de lucht in van meer vrijheid. De vrijheid, waar ik bijna vijf jaar lang naar heb uitgekeken, is werkelijkheid geworden.
Ik ben de enige wachtende passagier op het lege perron. Van verre hoor ik de zware locomotief naderen en de spanning in mijn lijf en hoofd neemt toe zoals van een dief die uit handen van de politie probeert te blijven. In de treincoupé zie ik geen bekende uit mijn dorp. Het landschap flitst aan mij voorbij en hopelijk zal het jaren duren voordat ik deze weg weer terug zal gaan.
Een kleine handkoffer vergezelt mij op mijn reis, evenals mijn handtas die volgestouwd is met papieren, die de notaris mij gisteren nog in handen heeft gedrukt. De notaris, de enige man in de naburige stad die ik blindelings kan vertrouwen en die mijn belangen zal behartigen zolang ik weg ben. Alleen met hem en zijn vrouw zal ik contact onderhouden en zij zullen uiteindelijke mijn verblijfplaats kennen als ik die gevonden heb.
De trein nadert de stad, vermindert zijn vaart en zucht nog eens onder de last die hij voorttrekt. De stoom die de locomotief uitblaast en het lawaai dat hij voortbrengt geven een beeld van zijn zwarte kracht. Tijdens het uitstappen kijk ik rond en begeef mij dan snel naar de uitgang. Het gevoel dat iemand mij op de hielen zit, is nog lang niet weg. Het zal wel slijten, die gevoelens van op je hoede zijn, altijd kijken of er een uitweg is.
Mijn eerste doel is een bezoek aan de bank. De notaris, die alles heeft voorbereid, heeft er al een afspraak voor mij gemaakt. Eenmaal binnen bij de bank word ik direct naar een aparte kamer gebracht waar de papieren al klaarliggen voor ondertekening. Veel hoef ik niet te zeggen, alle financiële zaken worden snel geregeld en ik neem nieuwe kredietbrieven in ontvangst.
Als ik weer buiten sta, besef ik dat er een jonge, rijke, eenzame, net van botbreuken herstelde vrouw staat, die een zakje met moed bijeen geraapt heeft om een nieuw leven te beginnen. Onzeker als ik ben over de nieuwe situatie, durf ik nog niet een café binnen te stappen voor een kop koffie.
Ik ga op zoek naar een tassenwinkel waar ik een grote rolkoffer wil kopen. Als ik de hoek van de straat om loop, zie ik vanuit mijn ooghoek een bekende. Snel loop ik door, ga in het portiek van een winkel staan en kijk door het etalageraam of zij mij heeft gezien. Nee, te druk in gesprek met een voor mij onbekende vrouw. Gelukkig, ze lopen door en ik kan op zoek naar de rolkoffer.
In de tassenwinkel krijg ik koffie aangeboden, achter in de winkel staat een grote tafel die uitnodigt om te gaan zitten. Een handige zet van de winkelier om zijn waren in alle rust aan te prijzen. Ik heb snel mijn keuze gemaakt, het wordt een grote degelijke rolkoffer waarin ik mijn kleine koffer kan opbergen en die ook nog te tillen is. Nu is hij nog leeg, maar gaandeweg zal hij zich vullen met dingen in mijn nieuwe leven.
Mijn volgende adres is een kleine chique kledingzaak waar ik kleding aanschaf voor mijn reis, onder andere een comfortabel grijs mantelpakje, passend bij de grijze pumps die ik vanochtend heb aangetrokken voor de begrafenis. Het mantelpakje houd ik aan en ik zoek nog een bijpassende hoed met een brede rand waarachter ik mijn gezicht kan verbergen. Mijn oude kleren, evenals de nieuwe, worden in de rolkoffer gestopt door een welwillende verkoopster, die de nieuwe aankopen nog eens aanprijst en hoopt dat ik er veel plezier van zal hebben.
In mijn nieuwe outfit loop ik terug naar het station. De rand van mijn hoed heb ik naar beneden geslagen en zo sluit ik mij af voor mijn omgeving. Aan het loket voor internationale reizen boek ik de doorgaande trein naar Zwitserland. Bern zal de volgende halte zijn. Er wordt een stoel voor mij gereserveerd en als het treinschema loopt zoals het gepland is, zal ik om middernacht in Bern zijn. Bij het instappen valt mij op dat de conducteur heel behulpzaam is om mijn koffer op de goede plek te leggen. De stoel is comfortabel en er komt nog niemand naast mij zitten, zodat het lijkt of ik alle ruimte van de wereld heb.
Als de trein zich in beweging zet, kijk ik hoe ik langzaam dit land verlaat. Mijn adrenaline is nog steeds hoog en ik zal pas rustig ademhalen als de grens een muur vormt tussen mij en dit land. Deze middag zal de notaris in samenwerking met een voor hem betrouwbare advocaat de getekende papieren in ontvangst nemen. De reactie zal voorspelbaar zijn, maar dit keer ben ik niet meer in de buurt om de klappen op te vangen, hij hoefde alleen nog maar te tekenen, bij het kruisje.
Er was veel tegenwerking van zijn kant, maar alle aangiftes van geweld die zijn opgesteld, hebben hem tot tekenen van de stukken gedwongen. Deze aangiftes zijn nog eens extra onder de aandacht van de officier van justitie gebracht en medewerking van zijn kant was de enige manier om zijn imagoschade te beperken.
Doorzichtig is hij als het om zijn imago gaat en ook zo geslepen om zijn geweldsdelicten, bedreiging en oplichting te verhullen. Natuurlijk zal hij mij proberen te zoeken, maar ik zal zo lang wegblijven en mij verbergen totdat hij een oude man is of zijn rol zal zijn uitgespeeld.
Mijn trein dendert verder, buiten gaat het schemeren en over een half uur zal het donker zijn. De conducteur komt vragen of ik iets wil eten in de restauratiewagon. Na vanochtend heb ik niets meer gegeten, mijn maag geeft aan dat het tijd wordt om iets te eten. Met een glimlach bevestig ik zijn vraag en ga met hem mee. De eerste stappen in een nieuw bestaan.
1940 – Mijn kindertijd
Mijn eerste herinneringen zijn die van een klein meisje op een grote boerderij, niemand heeft tijd voor mij. De knechten en meiden die het boerenwerk doen, kijken af en toe op als er een klein mensje zich voortbeweegt tussen de pas gerooide knollen of aardappelen. Je kunt elkaar niet verstaan door de herrie die de sorteermachines maken. Het zand stuift over de werkplaats heen als de zakken zich vullen met aardappelen of knollen.
Een grote zwaargebouwde man loopt tussen alle werkzaamheden door. Hij kijkt niet naar wat ik doe, als ik maar niet in de weg loop en de werkzaamheden vertraag. Zijn harde stem buldert over de werkende mensen heen en ik kijk naar het schouwspel van de vulmachine. De kleine aardappelen links, de grote rechts. Ik vraag me af hoe die machine nu kan weten welke aardappel groot of klein is. Van de werkenden krijg ik geen antwoord, ook niet van de bulderende man en ook niet van die vrouw die binnen het huishouden regelt. Tegen de bulderende man zeg ik ‘vader’, tegen de vrouw in het huis ‘moeder’.
In mijn herinnering loop ik maar wat rond en weet nog dat er weinig dingen zijn waarom gelachen wordt, kennelijk is het oogsten van knollen en aardappelen een ernstige zaak. Broertjes en zusjes heb ik niet en er zijn in de verste verte geen kinderen om mee te spelen. Ik ben geboren in 1936 en wil graag speelkameraadjes. De kinderen van de knechten worden bij mij weggehouden, zonder reden. Als ik weer een waarom-vraag stel, is het antwoord meestal: ‘Zo is het nu eenmaal’ en soms ‘zo hoort het’, of mijn vraag wordt genegeerd.
Op zondag is er geen bedrijvigheid rond het grote huis, een grote stilte is er voor in de plaats gekomen. Aan tafel wordt er nauwelijks gesproken en al helemaal niet tegen mij. Op zondag krijg ik mijn zondagse jurk aan en mijn zondagse schoenen. Ik groei hard en het duurt niet zo heel lang of ik mag mijn zondagse schoenen en jurk aan naar school. Eigenlijk ben ik dan veel te netjes gekleed om te spelen en word ik door mijn klasgenoten niet gekozen om mee te doen met het spel. Als ik in de vijfde klas van de lagere school zit – nu zou dat groep zeven zijn – is de oorlog voorbij. Aan mij is veel van het onheil voorbijgegaan, ik speelde mijn eigen spel in de oorlog. Onbewust voel ik dat er veel verdriet rondom de boerderij hangt.
Ik zie wel dat er tijdens de oorlog op het land vreemde mannen en vrouwen komen en ook weer verdwijnen. Waar de vreemdelingen heen gaan weet ik niet, ze spraken anders dan de mensen uit onze buurt. Op mijn speurtochten in en rondom de boerderij vind ik in het grote huis kamers vol linnengoed, koperen ketels, schilderijen, goud, zilver, klokken en horloges. Het lijkt de schatkamer van Ali Baba wel, ik begrijp dit niet en voorzichtig sluit ik de deuren van de stille, geheimzinnige kamers weer. Het lijkt of ze hun eigen verhaal vertellen.
Nieuwsgierig geworden zet ik mijn speurtochten op een ander moment voort. Ik kan mijzelf onzichtbaar maken door heel stil te zijn. De vindplaatsen met al deze spullen roepen veel vragen op. Van wie zijn deze dingen en waarom staan ze bij ons?
Op een dag vind ik er een prachtig schilderijtje van een meisje zittend in het gras samen met haar moeder, ze kijken uit op het strand en de zee. De schildering is heel romantisch en roept gevoelens op van geluk. Er staan nog meer schilderijen, keurig ingepakt. Voorzichtig probeer ik stukjes papier weg te halen om te zien wat er zich in dit pak schuilhoudt. Dan hoor ik voetstappen op de gang, ik maak me heel klein en verschuil me achter een gordijn. De deur gaat open en gooit het licht in de kamer, ik houd mijn adem in en wacht met ademen tot de deur zich sluit. Ik sta doodstil en luister of er nog iemand in de kamer is. Ik hoor geen adem, geen zucht en kijk door een spleet in het gordijn of ik alleen ben. Voorzichtig open ik de deur en kijk of er niemand op de gang is. Geruisloos sluit ik deze achter mij, vlug loop ik naar de trap als ineens een sterke hand mij in de nek grijpt.
“Waar zit jij?” Het is mijn moeder die mij vasthoudt. Verstijfd van schrik weet ik niets te zeggen. “Je hebt hier niets te zoeken, ga naar je kamer.”
“Ik speel maar wat,” roep ik tegen haar. Kennelijk ben ik toch beland op een verboden plek in het huis. Dat maakt dit deel van het huis voor mij nog veel interessanter en ik spreek met mijzelf af dat ik weer ga kijken als mijn moeder het huis heeft verlaten.
Als het op een dag al schemerig is, het is nog volop oorlog, rijd ik met mijn fiets naar de schuren die helemaal achter op het erf liggen. Gisteren zag ik vanuit een van mijn verborgen speelplekken dat er volwassenen en kinderen aankwamen. Het waren schaduwen tegen het avondlicht en hun komst leek op een film zonder geluid.
Ik zet mijn fiets tegen de zijkant van de schuur en open de zware schuurdeur op een kier. In de schuur is niemand te zien, toch heb ik een onverklaarbaar gevoel dat hier mensen geweest zijn. Dan valt mijn oog op een klein glinsterend dingetje op de grond, een klein voorwerp dat verraadt dat hier toch mensen geweest moeten zijn. Ik raap het op, het lijkt op een bedeltje van een armband. Ik loop nog wat rond en zie dan achter de grote schuifdeur van de schuur een jongen. Hij kijkt angstig en ik ook. Hij fluistert: “Ben je alleen?” Ik knik. “Heb je brood?” Ik schud van nee, maar met een gebaar maak ik duidelijk dat ik het zal gaan halen.
Ik fiets terug en kijk voorzichtig de keuken in waar het gesneden brood voor de avondmaaltijd klaargezet is. De meid is druk in de weer en loopt de keuken in en uit. Als ze weer wegloopt, gris ik brood en kaas van de plank en ren naar buiten waar ik een grote fiets pak met fietstassen om het brood in te stoppen. Staande op de trappers fiets ik terug naar de schuur. Ik hoop maar dat niemand deze actie heeft gezien. De jongen is blij met het brood en ik fluister hem toe dat hij zo snel als hij maar kan met de fiets moet vertrekken. “Er klopt iets niet,” weet ik nog uit te brengen.
Zo snel als ik kan ren ik naar huis en zet mijn kleine fiets in de dichtstbijzijnde schuur. Slinks als ik inmiddels ben geworden, weet ik ongezien mijn kamer te bereiken, kam mijn haren en loop fluitend de trap weer af naar de eetkamer om net op tijd mijn plaats aan tafel in te nemen. Plotseling klinken er vanuit de keuken luide stemmen. Waarna even later de meid komt melden dat haar fiets is verdwenen en het nu wel erg moeilijk is om thuis te komen. “Neem de mijne maar,” zegt mijn moeder. “Morgen lossen we het wel op.”
Op zondag, gehuld in mijn zondagse jurk, ga ik naar de zondagsschool. Alleen op de fiets ga ik richting het dorp waar een kerk het dorpsplein vult. Naast de kerk de pastorie, een streng uitziend huis waar gelovigen zich melden bij de dominee die hen nog verder volstopt met de alziende kwade God die hun leven bepaalt. In de kerk is een ruimte waar kinderen les krijgen over goed en kwaad. We zijn allen zondig geboren. Ik kan niet geloven dat er al kwaad in een baby zit, hoe vaak zie ik de kleine kinderen van onze meiden lachen en kraaien en een glimlach toveren op het gezicht van hun moeder.
Als ik weer thuis ben, zet ik de fiets op de deel en loop naar binnen. De bijeenkomst duurde veel korter dan anders. De dominee gaf geen reden op en wij, de kinderen, kregen even een vakantiegevoel van: hoera, we zijn vrij. Vrij zijn we niet echt zolang de Duitsers hier rondlopen, mijn vader praat vaak met ze, meestal op een plek waar anderen hem niet zien. Maar ik zie hem wel, omdat ik inmiddels alle verscholen hoeken in en om het grote huis ken.
Als ik van de kerk in huis kom, zie ik geen vader en moeder, roepen naar hen komt niet in mij op. Even denk ik dat ik heel alleen ben in het grote onheilspellende huis. Op weg naar mijn kamer hoor ik veel gesteun en gekerm uit de kamer van mijn ouders komen. Nooit zet ik daar een stap, zijn ze ziek dat er zo gekreund wordt? Het is vooral de stem van mijn vader die de rare geluiden maakt. De deur van hun kamer staat op een kier, ik gluur om het hoekje en zie een grote berg dekens op en neer gaan en het geluid wordt steeds heftiger. Ineens besef ik wat er gebeurt, snel draai ik mij om en loop naar beneden. Als kind van een boerderij weet je snel alles over voortplanting, alleen niet dat het bij mensen ook zo gaat.
Mijn vader komt beneden, trekkend aan zijn broek en met rode kleuren op zijn wangen. Stil zit ik in een hoek van de kamer met een boek op schoot, ik doe er alles aan om onzichtbaar te zijn. Toch merkt hij mij op en buldert: “Hoe lang ben jij al thuis?” “Ik kom net binnen.” Mijn vader kijkt op zijn horloge en naar de klok, hij gromt en verlaat de kamer.
Binnenin mij is het onrustig, gedachten vliegen heen en weer in mijn hoofd, mijn jeugd, als er al een jeugd was, is voorbij.
1947 – In het grote huis
De kamers met alle geheimzinnige spullen lieten mij niet los en natuurlijk ging ik steeds geslepener te werk om alle dingen te zien. Ik verschoof niets, maar door de grote hoeveelheid aan attributen, die wanordelijk in de kamer waren opgeslagen, zouden mijn bezigheden hier niet opgemerkt worden. Alleen iemand die het geïnventariseerd had, zou kunnen weten wat er stond, maar daar leek het niet op.
Het kleine schilderij van het meisje in het gras met haar moeder had ik mee naar mijn kamer gesmokkeld. Mijn grote kledingkast had een dubbele achterwand en daar had ik het tussen geschoven. Soms haalde ik het heel voorzichtig tevoorschijn en stapte in mijn fantasie in het schilderij om zo een gezellige knusse familie te vormen met een lieve moeder.
Nooit zal ik die ene avond vergeten, ik was vroeg naar mijn kamer gegaan omdat mijn moeder ziek op bed lag en ik het alleen-zijn met mijn vader niet kon verdragen. Mijn moeder lag al een week in bed en de dokter kwam met regelmaat haar longen beluisteren. Ze hoestte hard en moest dagelijks geklopt worden om haar luchtwegen vrij te krijgen van slijm.
Ik had net een poosje naar het schilderij zitten kijken en het voorzichtig weer teruggeschoven in de kast, toen ineens mijn vader naast mijn bed stond. Hij had fors gedronken en wilde bij mij in bed. Ik schrok zo hevig dat mijn maag zich zonder aankondiging omdraaide. Mijn hele maaginhoud belandde op zijn blote voeten en benen. Het stonk heel zuur en ranzig. Toen ik omhoogkeek, bungelde zijn grote geslacht voor mijn ogen. Mijn vader, geschrokken van het vuil dat over hem kwam, vloekte en vertrok naar de badkamer. Ik probeerde de boel met een natte handdoek van mijn wastafel te reinigen, maar niet voordat ik mijn deur op slot had gedraaid en een stoel onder de deurklink had gezet. Waarom ik plotseling zo adequaat handelde weet ik niet, het had wel resultaat, want toen hij het nog eens probeerde was de toegang versperd.
Ik besefte maar al te goed dat het zondagse ritueel tussen mijn ouders niet had plaatsgevonden en dat hij een slachtoffer zocht voor zijn behoeften. De hele nacht zat ik te rillen van angst en als ik mijn ogen sloot zag ik weer dat grote geslacht voor mijn ogen bungelen. Die nacht hoorde ik nog wel gerommel en gevloek, maar kennelijk was mijn moeder uit haar bed gekomen om mij voor verdere escapades van mijn vader te behoeden.
Hierna bleef ik nog veel meer uit de buurt van mijn vader dan ooit het geval was geweest. Elke nacht kwelde mij de angst dat hij met geweld zou binnenkomen en het slot van mijn deur zou breken. Ik sliep heel licht en had aan de binnenkant van mijn kamerdeur een belletje gebonden. Ik was als een vogeltje dat de kat hoort sluipen.
Op school deed ik mijn best. Ook al voor de afleiding stopte ik mijn geest vol met leerstof en feitjes, zodat ik maar niet hoefde te denken aan dat grote nare huis. De meester vond mij een uitslover en verwaand. “Zo, heeft het grote huis weer een tien, het zou ook eens minder wezen.” Het deerde mij niet, mijn ziel verhardde zich, er kwam een eeltlaag overheen die met het klimmen van de jaren steeds dikker zou worden.
Die ochtend sprak de onderwijzer mij nogmaals aan met ‘het grote huis’, waarop mijn reactie was: “Mijn naam is Eva.” Verbaasd over mijzelf dat ik voor het eerst een volwassene durfde te corrigeren, herhaalde ik nog eens duidelijk: “Mijn naam is Eva.” Zijn gezicht sprak boekdelen en buiten vroeg een meisje waarom de meester mij het grote huis noemde. “Ik woon op een Groningse boerderij met een groot voorhuis en enorme schuren,” was mijn antwoord.
Mijn ouders vonden de huishoudschool goed genoeg voor mij als vervolgonderwijs. De onderwijzer vond dat toch een smet op zijn blazoen en zo kwam het dat ik uiteindelijk naar de middelbare school in Groningen werd gestuurd.
1948 – Naar de hbs
Ik ging met plezier naar de hbs. Volgde alle vakken met interesse en had het geluk dat mijn klasgenoten ook interesse hadden in de leerstof. Ik was bij een notarisechtpaar in huis geplaatst. Mijn moeder had dit geregeld met de vrouw van de notaris en dit echtpaar vond het blijkbaar heel prettig om een ‘dochter’ in huis te hebben. Zij waren kinderloos en mijn verblijf bij hen was een prettige afleiding in hun bestaan dat volgepropt was met ingewikkelde akten over erfenissen en grondrecht. Hun hele werkzame leven hebben zij zich erop toegelegd om het boerenbezit zo rechtmatig mogelijk te verdelen en in te delen.
Vanaf het dorp waar ik woonde was het een uur reizen naar de hbs in Groningen. In de jaren vlak na de oorlog was eigenlijk nog niets op orde, ook het treinverkeer niet. Mijn moeder was dus tot het besluit gekomen om mij uit huis te plaatsen, het beste besluit dat zij ooit voor mij heeft kunnen nemen.
Zo kreeg ik bij het notarisechtpaar een prettige omgeving om te wonen en te leren. Mijn onrust en achterdocht tegenover mijn medemensen verdween en ik werd opener en vrolijker in de omgang met mijn klasgenoten en mijn nieuwe huisgenoten. De vrouw van de notaris, die ik inmiddels tante noemde, hielp mij graag bij mijn huiswerk en had plezier in het herkennen van de leerstof die zij min of meer vergeten was. Zo spraken we om beurten Frans, Duits of Engels aan tafel, iets dat grote hilariteit opleverde als we woorden niet wisten en daar Nederlandse of Groningse woorden tussen plakten.
Ook het contact met de notaris, die ik eerst een afstandelijke, formele man vond, werd steeds beter en er kwam op een moment zoveel ontspanning in de huislijke relatie dat hij mijn oom werd. Voor het eerst was ik in een omgeving die volkomen normaal was, gezellig en ontspannen. Ik hoefde niet meer de deur van mijn kamer te barricaderen en ik hoefde ook niet steeds achterom te kijken of er iets was dat mij bedreigde.
De zondagen werden in het begin van mijn hbs-tijd nog in het grote huis doorgebracht. De sfeer was er om te snijden en toen ik voorstelde om alleen in de vakanties thuis te komen, ging mijn moeder direct akkoord. Ik hoefde helemaal geen argumenten aan te dragen om haar te overtuigen. Het leek of mijn moeder erop gewacht had, dat ik dit voorstel zou doen. Ik pakte mijn tas weer in en verliet op een zondag aan het eind van de middag het huis om de bus en de trein naar de stad te nemen. Drie maanden zou het duren voordat ik mijn moeder weer zou zien.
Mijn vader hield zich zeer afzijdig als ik er was en ik liep met een grote boog om hem heen. Ik weet niet of zij beiden mij ooit hebben gemist. De vervreemding van hen werd, naarmate de perioden van ontmoeting langer uiteen lagen, steeds groter.
Op een dag dat ik ‘thuis’ was werd er gebeld. Op zondag de bel? Er werd nooit gebeld, iedereen die mijn ouders kende kwam achterom. Nieuwsgierig als ik ben keek ik om de hoek van de kamer hoe mijn vader de deur opende. “En?” zei hij. Een jongeman met ravenzwart haar stond op de stoep. “Ik zal mij even voorstellen, ik ben Levi Polak, ik heb begrepen dat mijn vader onze schilderijen aan u in bewaring heeft gegeven tijdens de oorlog en nu hij niet meer in de gelegenheid is om ze zelf op te halen, kom ik dat doen.” Mijn vader liep rood aan en schreeuwde dat hij moest oprotten. “Je krijgt geen sodemieter, vuile Jood,” en smeet met kracht de deur dicht. Ik had geen moed om aan mijn vader te vragen om welke schilderijen het ging, maar begreep heel goed dat het om goederen ging die op de kamers boven waren opgeslagen. Ik dacht dat ik de jongeman kende, maar hoe dan en waarvan dan? Zijn grote bruine ogen, waar had ik die gezien?
Mijn hbs-tijd verliep vlot, in al mijn ijver sloeg ik een klas over en deed examen met goed gevolg. “Nu studeren,” riepen mijn oom en tante en na lang wikken en wegen koos ik ervoor om rechten te gaan doen. Ik kon gewoon blijven wonen waar ik woonde, in deze beschermde gezellige omgeving. Wellicht, als ik er nu op terugkijk, was het beter geweest als ik op kamers was gegaan. Ik was misschien weerbaarder geworden. Toch drongen mijn oom en tante daar niet op aan omdat zij wel zagen dat er nog een heel kwetsbaar jong mens voor hen stond.
1957 – Student op kamers
Tijdens mijn studie ontmoette ik allerlei leuke mensen die op kamers woonden ver van hun ouderlijk huis. Ik mocht iedereen mee naar huis nemen en mijn tante en oom waren ongelooflijk gastvrij, toch kwam er een moment waarop ik eigenlijk ook wel op kamers wilde. Niet omdat ik het niet naar mijn zin had bij hen, maar gewoon omdat ik wilde zijn zoals de andere studenten. Mijn tante en oom begrepen mijn verlangen goed en gingen ijverig meezoeken naar een goede kamer die niet te ver van hen vandaan zou zijn. Gemakkelijk voor mij als ik ’s avonds toch naar huis wilde gaan.
Mijn oom vond al snel een aardig huis met meerdere studenten waarvan hij de eigenaar goed kende. Samen gingen we kijken, ik vond het heel spannend. Eenmaal binnen kwam er een studente op ons af en stelde zich voor als Marion Montfoort. “Ik ben Eva Atsma en dit zijn mijn oom en tante.” “Jan Schonink,” hoorde ik mijn oom zeggen. “Els Schonink,” zei mijn tante. Gek, ik noemde hen nooit bij hun naam, alleen maar oom en tante. Het was mijn koosnaampje voor hen geworden.
De kamer die vrijgekomen was, lag naast die van Marion en eigenlijk voelde het meteen al heel vertrouwd om naast haar te gaan wonen. We vonden het alle drie een leuke kamer, waar ook nog een balkon bij hoorde en dat vonden we een hele luxe. Het vertrekken uit het vertrouwde huis naar mijn studentenkamer verliep betrekkelijk snel. Samen hadden we er ook wel lol in om van mij een ’groot’ mens te maken.
Mijn studie in het begin van het vierde jaar verliep op rolletjes, bijna alle leerstof die werd aangeboden, vond ik interessant, natuurlijk waren er ook saaie vakken bij. Ik stortte mij erop. Sommige dingen werden vanzelf leuker als je je er verder in verdiepte. Marion studeerde planologie en omdat onze studies zo uiteenliepen, konden wij het heel goed met elkaar vinden. We hoefden niet over onze studievakken te praten, maar konden het overal over hebben en de nieuwste film was een van de vele gespreksonderwerpen.
Na mijn eenentwintigste verjaardag – we hadden een gezellig feestje gevierd – was ik thuis om de rommel van de vorige dag op te ruimen en was alleen omdat mijn college-uren anders waren dan die van Marion. Daar ging de bel. Om niet helemaal naar beneden te hoeven lopen trok ik aan een zelf vervaardigd koord waarmee de deur openging. Een van de studenten zal de sleutel wel vergeten hebben of het is verlate verjaardagsvisite, dacht ik.
Net toen ik ging zitten, klonk er een stem achter mij. Mijn lichaam verstarde, ik durfde niet achterom te kijken. “Zo, hier zit je dus, je moet mee om papieren te ondertekenen.” Ik stond als aan de grond genageld. Daar stond die grote onbehouwen verkrachter waar ik doodsbang voor was. “Je kunt nu wel niet meer thuis wonen, maar er zijn dingen die geregeld moeten worden, je moeder heeft me geen zoon geschonken, al heb ik daar behoorlijk mijn best voor gedaan.” Hij grinnikte smerig en sommeerde mij om mijn jas aan te trekken en mee te komen. Trillend van angst trok ik mijn jas aan en ik nam automatisch mijn tas mee. Onderweg in de auto sprak hij niet met me en na ruim een half uur rijden, kwamen we in een dorp waar het gemeentehuis van onze gemeente gevestigd was. “Geen vragen, gewoon doorlopen, spulletjes tekenen en wegwezen.”
In een kamer van het gemeentehuis zat een ambtenaar die kennelijk op de hoogte was van onze komst. Hij legde de papieren klaar voor de ondertekening en wilde de bijbehorende akten gaan voorlezen. “Geen gesodemieter, ik heb je genoeg betaald, Hermans, om je smoel te houden. Hier bij het kruisje een krabbel en klaar is kees.” Ik wist niet goed wat te doen, aarzelde en kreeg toen een zet om op te schieten. Ik zette mijn handtekening en werd aan mijn arm de kamer uit getrokken, de ambtenaar met de papieren achterlatend. “Zo, dit is afgehandeld, zie het maar als goed voor de toekomst.”
Mijn vader liet mij staan, beende terug naar de ambtenaar, die hij vervolgens stijf schold, waar ik verder niets van begreep, en hij kwam met grote passen en een rood hoofd teruglopen. “Wat sta je hier nog, maak dat je thuis komt.” Hij bedoelde niet ‘mijn ouderlijk huis’. Ik stond nog op de stoep van het gemeentehuis, totaal verbijsterd. Die klootzak was gewoon weggereden. Wat was ik toch een stommerd, nog steeds niet flink, altijd bang voor die gewelddadige man. Ik liep op mijzelf te schelden toen ik een café naast de kerk ontdekte. Daar hadden ze vast koffie en kon ik misschien ook wel bellen en vragen naar de vertrektijden van de bus.
In het café kon ik inderdaad bellen, de koffie liet ik maar zitten, aangezien er al een aantal dronken schreeuwers binnen waren. Ik belde naar Marion en zei dat ik wat later zou thuiskomen. De bus liet gelukkig niet heel lang op zich wachten, maar het duurde toch nog minstens twee uur voordat ik de stad met de bus en de trein had bereikt. Schoorvoetend liep ik naar mijn studentenhuis, waar Marion heel lief met het eten op mij had gewacht.
Kennelijk zag ik nog behoorlijk wit om mijn neus, zodat Marion niet direct in een vragenvuur losbarstte. Ik kreeg een kop soep om bij te komen. Met de beker in de hand en af en toe een slokje nippend van de hete soep, vertelde ik wat er die middag was gebeurd.
“Maar waarom ben je zo bang voor die man?” zei Marion, “wat heb je dan getekend?”
“Geen idee, iets voor de toekomst, zei hij.”
“Dat is geen antwoord op de vraag.” Marion bleef vragen stellen en ik voelde mezelf een dom en bang uilskuiken. “Je moet je oom bellen en hem laten uitzoeken wat er is gebeurd,” stelde Marion voor. Ik knikte en zei dat ik nog bij hen langs zou gaan om het te vertellen.
De volgende dag besloot ik toch maar naar mijn oom en tante te gaan. We zaten gezellig aan de koffie en mijn tante had zin om met mij eens een keer naar Amsterdam te gaan om te winkelen. “Dan zijn we er echt even tussenuit en kunnen we zien wat de modeontwikkelingen zijn voor dit jaar.” Het leek mij echt heel gezellig, maar kennelijk reageerde ik wat lauw en natuurlijk kwam de vraag wat er met mij aan de hand was. Ik kleurde tot ver in mijn hals en begreep uit de reactie van beiden dat ik nu toch echt moest vertellen wat eraan scheelde.
Ik schaamde mijzelf voor mijn onbeholpenheid en met horten en stoten vertelde ik wat mij gisteren was overkomen. “Wel verdomme,” schold mijn oom, “wat heeft die klootzak nu weer uitgevreten? Maar ik kom er wel achter. Hoe heette die ambtenaar? Ik zal ze hebben die smerige NSB-kliek.” Mijn oom had de nodige connecties en zou ongetwijfeld binnen niet al te lange tijd te weten komen wat ik had ondertekend. Hij was zeer gebeten op lui die in oorlogstijd bij de NSB waren of hadden geheuld met de vijand. Ook al om al het verdriet dat nog volop aanwezig was bij mensen die hun geliefden door verraad hadden verloren en waarbij lieden zoals ‘mijn vader’ een grote rol hadden gespeeld.
Mijn anders zo diplomatieke oom greep de telefoon en eiste dat hij zou worden doorverbonden met de ambtenaar Hermans. Na lang wachten kwam dan eindelijk de betrokken ambtenaar aan de telefoon en mijn oom gaf hem spreekwoordelijk een schot door de broek en eiste opheldering van zaken. “Mijn client weet niet wat er ondertekend is en wil opheldering.”
Ja, dat kon de ambtenaar telefonisch niet verstrekken, er werd getrokken en getreuzeld totdat mijn oom riep: “Ik kom eraan en waag het niet om te vertrekken.” Hij vloog de deur uit en reed zonder te groeten weg. Ik zat beschaamd te kijken omdat ik weer zoveel commotie teweeg had gebracht en dat wilde ik helemaal niet. Mijn tante zat ook ongelukkig te kijken, ook al omdat ik zo bedonderd keek. Het wachten was nu op de terugkeer van mijn oom, voordat we verdere plannen konden maken, en het plannetje om naar Amsterdam te gaan leek nu toch wel heel ver weg.
Het duurde toch nog ruim twee uur voordat mijn oom met papieren in de hand terugkwam. Hij kwam binnenstuiven als een dolle Dries en brieste in de gang al over wat er was voorgevallen.
“Dat stuk ongeluk heeft een huwelijksakte laten opstellen, een akte onder huwelijkse voorwaarden en die heb jij getekend. Kind, wat een ellende, maar ik vecht het direct aan op ongeldigheid. Je moeder was niet ingelicht en omdat beide ouders moeten instemmen met een huwelijk, gezien jouw leeftijd, hoop ik dat we dit gauw ongedaan kunnen maken.”
“Getrouwd!?” riep ik. “Met wie dan en hoe kan dat nou en waarom dan?”
“Ik weet nog lang niet alles, maar wel, omdat er geen mannelijke opvolger voor het bedrijf is, die nu op deze manier door je vader is gevonden. Hij rotzooit maar aan. Maar dit laten we niet over onze kant gaan, ik bel direct Jaap van Buren, onze advocaat, en laat hem het nodige uitzoeken. Scheiden, en wel zo snel mogelijk. Is hij nou helemaal gek geworden, die onbenul. Het zal wel een rechtszaak worden, maar dat geeft niet, we gaan er samen voor. Gelukkig ben je sinds een maand niet meer handelingsonbekwaam en kan die nieuwe wet in dit geval nog wel van pas komen.”
Deze wet, die 16 juni 1956 was aangenomen, gaf aan dat getrouwde vrouwen niet langer handelingsonbekwaam waren en zelfstandig beslissingen konden nemen, zoals b.v. het openen van een eigen bankrekening.
Mijn tante en ik waren met stomheid geslagen. Allebei huilden we. Ik wist nog helemaal niet aan wie mijn vader me had toebedeeld, maar al was het de leukste vent van de wereld, ik wilde ervanaf. Gelukkig wist ik op dat moment nog niet dat dit akkefietje nog vier jaar zou duren voordat alle in en outs geregeld zouden zijn.
Opnieuw kwam mijn oom de huiskamer binnenstormen en vertelde ons dat Jaap van Buren de zaak aanhangig zou maken en ons bij de rechtbank zou vertegenwoordigen. “Maar eerst moeten we van alles uitzoeken,” zei mijn oom. Hij begon een aantal dingen op te noemen en mijn tante zou zich met een aantal dingen bezighouden, o.a. met een bezoek aan mijn moeder.
Mijn oom ging zelf de volgende dag naar het gemeentehuis om opheldering en een gesprek met de burgemeester. De burgemeester had om de dienstdoende ambtenaar gevraagd, maar die had zich die ochtend ziek gemeld. Oom liet het er niet bij zitten en zocht de man thuis op, waar hij gewoon aan de eettafel de krant zat te lezen. Terug op het gemeentehuis, waar oom luidkeels dit huwelijk kenbaar had gemaakt en de wijze waarop, werd de ambtenaar door de burgemeester geschorst, totdat er meer duidelijkheid in deze onverkwikkelijke toestand zou zijn. Hermans ging schoorvoetend naar huis, het schaamrood op de kaken. Maar ja, een akte is een akte en nog niet een, twee, drie van tafel.
Nog altijd wist ik niet wie de ‘gelukkige’ was waarmee ik getrouwd was en vroeg of oom dat al wel wist. Hij rommelde wat in de papieren, keek ze door en vloekte zo hard dat tante en ik even stonden te trillen. “De zoon van Berend Wieringa, Bertus, die vuile fascisten, allemaal uit hetzelfde smerige nest.” Ik had oom nog nooit zo kwaad gezien en tante kennelijk ook niet want ze deed er alles aan om hem te kalmeren. Geslagen zaten we bij elkaar, dan maar even koffiezetten, gewoon om er even niet aan te denken wat er allemaal nog op ons af zou komen.
Marion op haar kamer en ik op de mijne, allebei zaten we flink te werken aan de opdrachten die we vanuit de universiteit hadden gekregen. Ik was zo ingespannen aan het werk dat ik niet merkte dat de deur open was gegaan en ook weer dicht.
“Zo, daar ben je dan,” sprak een vreemde stem met een Gronings accent. Ik draaide me om en zag een wildvreemde vent staan te grijnzen.
“Wat moet jij hier?” vroeg ik. “Ik ken je niet en ik wil dat je deze kamer onmiddellijk verlaat.” Inmiddels was ik van achter mijn bureau overeind gekomen en liep naar de deur om die weer open te doen om de vreemde snuiter uit te laten.
“Ik zou de deur maar dicht laten, ik ben namelijk je echtgenoot en aangezien je er nu van alles aan doet om het gesloten akkoord teniet te doen, dacht ik, ik ga eens even langs om ons huwelijk te consumeren. Dan denk je er echt wel anders over. Gaat het niet goedschiks, het kan ook kwaadschiks. Dus kom maar hier, dan kunnen we eens lekker een robbertje stoeien en zal ik je eens laten voelen wat een echte kerel kan.”
Ik keek met grote ogen naar de onbeschaamde vent en het schoot direct door me heen dat dit dus het exemplaar was, waaraan mijn vader me had verkocht.
“O, jij bent het, nou geloof maar niet dat ik op je avances zal ingaan, je kan opsodemieteren en vlug ook. Die deal die mijn vader met jou overeengekomen is, is ongeldig en dat weet je zelf ook wel. Ook al duurt dit vieze spelletje nog even voordat de rechtbank heeft geoordeeld. Je kan vertrekken, nu!”
“Ik hoor het al, een katje waarbij ik de handschoenen moet aantrekken, maar daar houd ik wel van. Een flinke stoeipoes.”
Hij posteerde zich voor de deur en probeerde mij te grijpen. Ik rende naar de andere kant van het bed, maar daar had die viezerik kennelijk op gerekend. Met één grote stap op en toen over het bed had hij mij te pakken en begon aan mijn kleding te rukken. Ik vocht voor wat ik waard was, maar die grote boerenkerel had geen enkele moeite met mijn kippenkracht. Hij smeet mij op het bed en probeerde mij de mond te snoeren. Ik beet en trapte, schreeuwde, maar hij zette zijn knie tussen mijn benen en begon direct te graaien in mijn kruis. Hij trok zijn broek open om zich op mij te storten en was daardoor even afgeleid zodat ik door een snelle draai onder hem vandaan wist te komen. Maar alweer had hij mij te pakken en sleurde hij mij terug naar het bed. Ik verzette mij in alle hevigheid, kreeg een klap in mijn gezicht en werd met een slinger tegen de deurpost gesmeten. Ik hoorde mijn schouder kraken en verdoofd van de pijn hapte ik naar adem toen hij mij weer op het bed wilde gooien. Ik schreeuwde zo hard als ik kon, trapte van mij af.
Ik had geen schijn van kans tegen deze brute kracht toen ineens de deur werd ingetrapt en Marion met haar hockeystick de belager een enorme tik gaf. Ze knalde nog een keer tegen zijn kont en raakte daarbij deels zijn edele delen. Een brul van pijn was het gevolg. De hufter liet mij los, sprong op en sjorde zijn broek omhoog. Hij liep al scheldend naar de deur. “De volgende keer ben je aan de beurt en dan niet zo zachtzinnig als nu.”
Marion begon mijn bloedneus te stelpen en aan mijn schouder te voelen.
“Die is uit de kom, we moeten naar de eerste hulp en dan naar de politie. Is die vent helemaal gek, wie was dit?”
“Dit is de man waar mijn vader me aan uitgehuwelijkt heeft en tegen wie nu een rechtszaak loopt voor scheiding en valsheid in geschrifte.”
Zo goed en zo kwaad als het ging liepen we naar het ziekenhuis. Marion deed het woord en vertelde dat zij net op tijd was, anders was ik het slachtoffer van verkrachting geworden en nu van ernstige mishandeling. De arts stelde zijn diagnose en zette mijn arm weer op de goede plek. Gelukkig kreeg ik wel een verdoving en pijnstillers mee naar huis. Hij voelde aan mijn gezicht. “De neus is niet gebroken, maar wel gekneusd en het zal een paar weken pijn doen. Je arm echt ontlasten en de mitella omhouden om de arm rust te geven. Ik zal een briefje maken voor de politie, dan kun je aangifte doen en nog een recept schrijven voor pijnstilling en dan wil ik je over een week graag terugzien.”
Samen liepen we het ziekenhuis weer uit. “Op naar het politiebureau, dan pakken ze die klootzak op en dan moet hij vast een nachtje brommen, ik zie het voor me in zo’n streepjespak.” Marion had zo haar eigen ideeën over onze rechtsstaat: je bent slecht, dus ga je de bak in. Ze was ontzettend lief en ik heb er de beste vriendin aan die je maar hebben kan, ook al had ze soms simpele en oprechte gedachten om leed en verderfelijkheid uit te bannen.
Op het politiebureau liet de diender ons in de wachtkamer plaatsnemen met de woorden: “Ik kom zo bij u.”
We zaten al een tijdje te wachten en zagen echt geen rijen voor het loket staan en moesten onze ziel in zaligheid bezitten totdat de agent tijd voor ons had.
“Ongevalletje?” sprak de agent.
Marion stond direct op haar achterste poten: “Nee, aanranding en mishandeling.” De agent trok er een ernstig gezicht bij en begon vervolgens te vertellen dat dit een ernstige beschuldiging was en wie de dader dan wel mocht zijn, als wij hem tenminste kenden.
Ik verrekte van de pijn en begon te vertellen dat wij aangifte wilden doen van een misdrijf en of de agent zo vriendelijk wilde zijn deze op te nemen. Eerst moest ik mijn naam opgeven, geboortedatum, adres en vervolgens vertellen waar en hoe het misdrijf had plaatsgevonden.
“Wie is de dader?”
“Dat is Bertus Wieringa,” sprak ik. De agent vroeg of ik de man kende. “Nee.”
“Hoe komt hij dan bij u binnen?”
We hebben omstandig uitgelegd dat we dat niet wisten, we wonen immers in een studentenhuis. Na lang heen en weer gepraat, werd het de agent duidelijk.
“U bent aangevallen door een vreemde, waarvan u de naam wel weet, op uw kamer. Hoe kon u de naam weten en hebt u deze figuur niet vrijwillig meegenomen naar uw kamer?” Nee, dat had ik niet en toen moest het hoge woord er toch maar uit dat die man op papier mijn echtgenoot was.
De agent kon geen aangifte opnemen, wij hadden hem misleid, dit was een vorm van huiselijk geweld en als ik toch eens wat williger was voor mijn echtgenoot en mijn plichten vervulde ten opzichte van mijn man dan zou het allemaal veel eenvoudiger worden. Mannen hebben nu eenmaal hun behoeften en daarin moeten vrouwen hen tegemoetkomen, was zijn slotwoord.
Ik voelde dat mijn incasseringsvermogen de grens had bereikt en zei tegen de man dat hij niet had te oordelen over mijn liefdesleven en zo snel mogelijk nu een aangifte moest opstellen, anders zou ik wel heel onwillig worden. Dat nam de agent op als een bedreiging van een ambtenaar in functie en wilde een bekeuring gaan uitschrijven.
“Ik zal u beboeten voor het onjuist beschuldigen van een eerzaam burger en het beledigen van een ambtenaar in functie,” was zijn commentaar.
“Kan ik de telefoon even gebruiken?” Marion wilde de telefoon al pakken toen zij de volgende tirade naar haar hoofd kreeg over het misbruik van ambtelijke goederen. We lieten de agent staan en belden in de dichtstbijzijnde telefooncel een taxi die ons naar het huis van oom Jan en tante Els bracht.
Thuisgekomen schrikken mijn pleegouders van mijn gehavende toestand. Marion, die de regie neemt, vertelt wat er is gebeurd. Ze vertelt ook van de enorme klap die ze heeft uitgedeeld.
De verhalen over de politieambtenaar doen mijn oom in woede uitbarsten.
“Ik bel direct Jaap van Buren, onze advocaat,” verduidelijkt hij naar Marion. “Dit kan er ook nog wel bij en ik zal ook naar het politiebureau gaan om deze dienstdoende agent op zijn plichten te wijzen.”
Oom vertrok, het was nog net niet dat hij stofwolken achterliet, zo stoof hij de deur uit. Wij dronken koffie met z’n drieën, wachtend op ooms terugkomst.
“Je moet maar even thuisblijven, totdat je weer bent opgeknapt en ik vind het wel zo veilig als je hier bent.” Tante sprak met bezorgde blikken in haar ogen en Marion beaamde haar voorstel.
“Ondertussen kan ik de boel in het studentenhuis veiliger maken en de jongens van beneden instrueren dat ze goed afsluiten en niet met hun glazige koppen de achterdeur open laten staan. Ik zal de huisbaas berichten over het kapotte slot op je deur en dat er veiligheidssloten op moeten.”
“Ja, maar als er hele goede sloten op zitten kun jij niet meer de reddende engel zijn en de deur intrappen en vervolgens de winnende slag uitdelen.”
Marion knikte, dat was ook weer waar. “Maar beneden, daar moeten wel goede sloten op de deur.”
We aten nog wat koekjes, ik heel voorzichtig want aan alle kanten was mijn gezicht gezwollen en mijn schouder begon ook op te spelen. “Vooruit, nog een pijnstiller erin,” zei mijn tante, “je hoeft geen pijn te hebben.”
Ondertussen hoorden we gerommel op de gang en wisten we dat er een wervelwind gearriveerd was, maar hopelijk viel de storm mee. Gelukkig was dat ook zo, oom had direct naar de meest hooggeplaatste op het bureau gevraagd en agent Willemsen voelde nattigheid.
Na uitleg van mijn oom over wat mij was overkomen en de toestand waar ik ongewild in verzeild was geraakt, keek de chef van het bureau agent Willemsen diep in de ogen en sprak dat hij dit straks met hem nog wel even grondig zou bespreken en dat excuses aan mij en aan mijn oom toch wel het allerminste was en dat die bekeuringen vernietigd dienden te worden, zo niet, dan volgde schorsing en daar zou agent Willemsen niet blij van worden.
Agent Willemsen sputterde nog wat, volgens hem had hij toch naar eer en geweten gehandeld, maar moest toch in bijzijn van zijn meerdere zijn ongelijk bekennen. De hoofdagent voegde daaraan toe: “Je weet wel, dit is het gevalletje ’t Zandt, die lui die dat meisje erin hebben geluisd.” Agent Willemsen knikte bedeesd en oom keerde huiswaarts. De aangifte had plaatsgevonden, nu mijn herstel nog.
Marion bracht mijn spullen zodat ik verder kon studeren en zorgde voor alle zaken in en rondom het studentenhuis. De huisbaas had beloofd naar de deursloten te kijken en eventueel aan te passen en op de achterdeur zou een schuif worden geplaatst als extra beveiliging om zo ongewenst bezoek buiten te sluiten.
Ik studeerde ijverig en thuis bij mijn tante en oom had het ook wel weer iets heel gezelligs. Aan alle kanten werd ik in de watten gelegd en ik herstelde al aardig. Ik ging naar het ziekenhuis voor controle van de arm en de arts was tevreden. Ondertussen begon ik alles alweer een beetje te vergeten, totdat mijn oom van Jaap van Buren, de advocaat, hoorde dat de scheiding nog wel even kon duren en wij ons maar schrap moesten zetten tegen een tegensputterende tegenpartij.
“We laten het er niet bij zitten en Jaap neemt de aangifte ook mee in het geheel, dus dit moet gewoon goed aflopen,” sprak mijn lieve oom resoluut, hij, de eeuwige optimist. Hij paste eigenlijk wel een beetje in dit kale Groningse land, vond ik, waar je kilometers ver over de aardappelen uitkeek en waar de boeren door het jarenlange wroeten in de harde klei ook zo’n harde kop hadden ontwikkeld. Altijd tegen de wind in, strijdbaar om een goede oogst binnen te halen. Er waren slechts enkele lieden die niet deugden en ja, daar was ik nou net het slachtoffer van.
1958
Terug in het studentenhuis probeerde ik zo goed mogelijk mijn ritme weer op te pakken en iedereen deed zijn best om voor mij te zorgen. De jongens kregen iets van: wij zijn de ridders en verdedigen have en goed inclusief de jonkvrouwen van boven. Marion en ik zetten ons extra in voor onze studies en vlogen eigenlijk door alle opdrachten heen. Marion deed met mij mee om zo snel mogelijk het doctoraalexamen af te leggen om daarna een carrière te kunnen opbouwen. Veel vrouwelijke planologen waren er niet en Marion zou haar uiterste best moeten doen om binnen die mannenwereld een plaats te veroveren. Ik deed het om zo snel mogelijk uit de buurt van die vreselijk bedreigende kerels te komen.
Marion en ik fietsten naar de universiteit, maar hadden lang niet altijd dezelfde roosters. Marion moest ook vaak korte stages doen om praktijkervaring op te doen, zo maakte zij al wel kennis met haar toekomstige werkwereld. Op de momenten dat Marion niet in huis aanwezig was, belegde zij voor haar vertrek korte bijeenkomsten met de jongens van beneden. “Denk eraan, deur op de knip, opletten als je naar binnen gaat en geen vreemde gasten naar boven laten.”
Het was hartverwarmend hoe Marion voor mij zorgde en eens hoopte ik wat voor haar te kunnen doen. Kennelijk hadden die ‘enge mannen’ het gezien of gehoord dat er een klein legertje was gevormd om mij te beschermen. Allengs werd de sfeer weer wat losser, maar het was steeds weer Marion die erop hamerde dat we niet moesten verslappen in onze oplettendheid, want daar ligt hun kans om Eva te pakken. Nee, ik kan niet anders zeggen, de jongens deden telkens weer hun best, ook al zat dat verzorgende en oplettende niet in hun systeem.
Marion was op stage toen ik begin 1959 alleen op de fiets terug reed naar mijn studentenkamer. Het begon al te schemeren en ik dacht erover om af te stappen en mijn dynamo op de fietsband te zetten, zodat ik wat zichtbaarder door de stad zou fietsen. Ik deed het niet en trapte extra hard door om zo snel mogelijk thuis te zijn. Op de stoep liep een jongen van een jaar of twaalf, gezien zijn grootte, en verder was er weinig verkeer. Voor mij registreerde ik een glanzende, geparkeerde auto en passeerde die snel.
Net toen ik er voorbij was stak de jongen een stok tussen mijn fietswiel. Ik maakte een geweldige klap en schreeuwde het uit van de pijn. Natuurlijk viel ik op mijn geblesseerde schouder en ik voelde het onder mij kraken. Waar alle mensen zo snel vandaan kwamen, kan ik nog altijd niet begrijpen. Voorzichtig werd ik op de stoep gelegd, in een huis werd er getelefoneerd voor een ambulance en zo goed en zo kwaad als het kon werd er eerste hulp verleend door lieve mensen die mij een opgerolde jas onder mijn hoofd legden en mij met een jas toedekten.
In de tussentijd had de jongen het op een rennen gezet en scheurde de glanzende auto met een vaart langs ons heen. Mijn omstanders spraken schande over dit gedrag en een van de omstanders had de jongen herkend. Dat was zogezegd weer eens geluk hebben. Al gauw lag ik in de ambulance en werd mij verzekerd dat een mevrouw op de fiets zou passen en daar ging ik, weer op weg naar de eerste hulp van het ziekenhuis.
In het ziekenhuis komt een bekende arts op mij af met een gezicht van ‘niet weer hè’.
“Ja, weer,” zeg ik. Natuurlijk vraagt hij direct hoe het allemaal weer zo gekomen is en tegelijkertijd gaat zijn professionele blik over mijn lichaam en voelt hij voorzichtig waar het mis is.