Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl - Petrus Gerardus Peeters - E-Book

Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl E-Book

Petrus Gerardus Peeters

0,0
1,99 €

oder
Beschreibung

DigiCat Uitgeverij presenteert u deze speciale editie van "Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl" van Petrus Gerardus Peeters. DigiCat Uitgeverij is ervan overtuigd dat elk geschreven woord een erfenis van de mensheid is. Elk DigiCat boek is zorgvuldig gereproduceerd voor heruitgave in een nieuw, modern formaat. De boeken zijn zowel in gedrukte als e-boek formaten verkrijgbaar. DigiCat hoopt dat u dit werk zult behandelen met de erkenning en de passie die het verdient als klassieker van de wereldliteratuur.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0



Petrus Gerardus Peeters

Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl

 
EAN 8596547475408
DigiCat, 2023 Contact: [email protected]

Inhoudsopgave

INLEIDING.
EERSTE AFDEELING. Chronijk van Tegelen.
TWEEDE AFDEELING.
§ I. De Pastorij.
§ II. De kapelanij te Tegelen.
§ III. De Pastorij te Belfeld.
§ IV. De Kapelanij te Belfeld.
§ V. Rectoraat te Steijl.
§ VI. De School te Tegelen en Steijl.
§ VII. Adellijke Huizen te Tegelen.
§ VIII. Missiehuis te Steijl-Tegelen.
§ IX. Beurzenstichtingen.
§ X. Armwezen.
§ XI. Broederschappen.
§ XII. Feesten.
§ XIII. Handel en Nijverheid.
BIJVOEGSEL
BIJLAGEN.
N o I.
N o II.
N o III.
N o IV.
N o V.
N o VI.
N o VII.
N o VIII.
N o IX.
N o X.
N o XI.
N o XII.
N o XIII.
N o XIV.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Tegelen, één der oudste dorpen onzer gewesten, is in den loop dezer eeuw in bevolking, en bij gevolg ook in getalsterkte van woningen en gebouwen merkelijk aangegroeid. Het zou thans zeer zeker een der sierlijkste wezen onzer provincie, ware bij het bouwen van nieuwe huizen de regelmatige aanleg in acht genomen.

De gemeente telt heden nagenoeg 2200 inwoners, die allen, behalve eenige vreemde ambtenaars, den katholieken godsdienst belijden.

De dubbele rij huizen van af den ingang des dorps aan de Venloosche zijde, tot aan het statige Posthuis, alsmede de gebouwen rondom de marktplaats genaamd Lichtenberg, vormen de eigenlijke kom.

Eene groep, liggende nabij de kom op gelijken afstand om een’ gemeente-put, wordt bij voortduring de alde mert geheeten. Het naar den westkant niet ver verwijderd gehucht End, vroeger het uiteinde van Tegelen, is tegenwoordig eene straat. De Hoogstraat loopende tusschen het dorp en de Maas, leidt van End over de alde mert naar Venlo. Eene reeks schoone huizen, zuidwaarts van de kom naar het gehucht Kruis, draagt sedert het bestaan van het Station aan den staatsspoorweg 1866, den naam van Spoorstraat. Het hagelkruis, dat aan laatstgenoemd gehucht den naam gaf, alsmede bijstaand kapelletje, zijn over weinige jaren eerst geruimd.

Men telt wijders de gehuchten Nabben en Siep, voorheen genaamd Overtegelen, Leemhorst en de Berg, welke weinig verandering hebben ondergaan. De meeste nieuwe huizen worden nog voortdurend gevestigd in de helling der zandbergen, die Tegelen scheiden van Steijl. Meestal wonen hier fabriekarbeiders, en wordt ten deze hoofdzakelijk de zoo goedkoope prijs der bouwplaats waargenomen.

Een beduidend deel van Tegelen is wel het gehucht Steijl, tellende ruim 250 zielen. Een sierlijke kerk, die de aloude kapel in 1857 heeft vervangen, eenige fraaije lusthuizen met aanhoorigheden, alsmede de bekoorlijke ligging op den stijlen Maasoever, maken het uiterst lief.

Er bevinden zich verder in deze gemeente twee prachtige kasteelen met grachten en boschages omgeven, Holtmolen ten zuiden, en de Munt ten oosten des dorps, benevens het slot Wambach nabij de pruisische grenzen.

De groote landsweg van Venlo naar Maastricht doorsnijdt de gemeente Tegelen op hare gansche lengte; en terwijl de grintwegen van Steijl over Kruis, en van Tegelen over de Munt, naar Kaldenkerken alle gemeenschap op het gemakkelijkst hebben gemaakt, zijn de twee holle en bange straten, Berkerstraat (van Kruis naar Steijl) en de Bongerstraat, (van het dorp naar de Munt) geheel verdwenen.

De grond alhier is licht en zanderig; de in de laatste jaren ontgonnen en nog te ontginnen broekgronden alleen uitgezonderd. Men vindt er slechts vijf of zes pachthoeven. Het voorname bestaan der ingezetenen van Tegelen is dan ook pan- en potbakkerijen, handel en nijverheid.

Uit de grensbergen ontspringen eene menigte waterbronnen, welke, na gezamenlijk molens en vischvijvers te hebben geriefd, zich tot vier heldere beeken vormen, die zich in de Maas ontlasten. Het zijn de Wilderbeek aan de Venloosche en de Aalsbeek aan de Belfelder grenzen; de Munterbeek dwars door de kom, en de Steijlerbeek loopende van Broek over Kruis naar Steijl.

Over het algemeen verdient Tegelen onder de gezondste plaatsen van Limburg gerekend te worden; ook biedt het langs talrijke lanen en wandelwegen verscheidene bekoorlijke buitens aan.

Tegelen heeft eene uitgestrektheid, bestaande in bouwland, weiland, hout en moeras, van ruim 947 bunder; aan buurtwegen 57, aan kiezelwegen 5 en aan water 30 bunder, totaal 1039 bunder.

Het is van dezen ons zoo dierbaren vadergrond, dat wij eenige gebeurtenissen der vergetelheid wenschen te onttrekken, door de volgende naar tijdrekening verzamelde aanteekeningen.

In eene eerste afdeeling doorloopen wij de lotgevallen van Tegelen in het algemeen, terwijl eenige bijzonderheden den inhoud eener volgende afdeeling zullen leveren.

EERSTE AFDEELING. Chronijk van Tegelen.

Inhoudsopgave

De oudste bescheiden die van Tegelen gewagen, noemen deze plaats: Tichlouw, Tiglau, Teglo, Tegelon.

In de handschriften der vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw vindt men den naam: Thygelen, Tyghelen, Thiegelen, Thegelen, doch nadien niet anders dan Tegelen. Er zijn er, die deze benaming afleiden van het nederduitsch woord tigchelen, dat heet baksteenen vervaardigen; anderen zoeken den oorsprong in het latijnsch woord tegula, dakpan. Een en ander wijzen op den zich alhier bevindenden klei of leemgrond tot vervaardiging van steenen, pannen en potten, die reeds vroegtijdig eene menschengroep naar deze »tigchelouw” schijnt geroepen te hebben.

Trouwens de herhaaldelijke opdelving van romeinsche zoowel als germaansche voorwerpen, staven deze bewering. In de groeven, waaruit nog voortdurend de pan- en potaardgrond wordt opgehaald, heeft men in 1841 en daarna nogmaals een menigte romeinsche baksteenen, dekpannen, urnen en andere voorwerpen van dien oorsprong opgedolven. Wel een bewijs dat onze pan- en potfabrieken reeds tijdens het romeinsch tijdvak in werking waren, en dat bij gevolg ons dorp van vóór 16 eeuwen dagteekent[1]. Dergelijke vondsten hebben op Belfelder grondgebied plaats gehad. Den Heere H. Justen, te Venlo, gelukte het tevens voor ettelijke jaren op de grenszijde van genoemde stad een romeinsche begraafplaats te ontdekken, terwijl op dezelfde heide niet ver van de hoeve »Uleshei”, ter plaatse genoemd »landweer”, een romeinsch kamp schijnt gevestigd te zijn geweest, waarvan de loopgraven zich nog zichtbaar voordoen. De ligging van Tegelen op den oever der Maas en aan den romeinschen landweg van Coriovallum op Castra Vetera, en bijzonderlijk de rijkdom van haren bodem aan potaarde, schijnen oorzaak geweest, dat zich hier eene kolonie pan- en potbakkers heeft neergeslagen, die sedert dien hare waar naar alle winden verspreid heeft. Dit verkeer heeft gewis een zekere beschaving, en genoegzamen voorspoed bij onze voorouders verwekt. Daarbij hebben de bewoners zeker, gelijk thans, landbouw en veeteelt behartigd, zoodat men hun geen betrekkelijken welstand kan ontzeggen.

495. Aan de Romeinen volgden, op onzen vader-grond, de Franken, die zich na de bekeering van Clovis, tot een christelijken staat vormden[2]. Uit de geschiedenis leeren wij dat ten tijde van den H. Lambertus, bisschop van Maastricht, (690) onze streken reeds veelal tot het christendom bekeerd waren. Er woonden nog alleen heidenen in de barre zandwoestijnen der Kempen[3].

720. Uit het frankische tijdperk vernemen wij nopens Tegelen, dat er reeds ten tijde van den H. Plechelmus, omstreeks het jaar 720, eene kerk zou gesticht zijn ter eere van den H. Martinus. De geloovigen uit Venlo (alwaar eerst in 760 eene kerk werd aangelegd,) zegt men, kwamen toen alhier hunne godsdienstoefeningen verrichten. Dit feit, hetwelk, zoover wij weten, op geen oude bronnen steunt,[4] heeft op zich zelven beschouwd, niets ongeloofelijksch.

999. Op het einde der tiende eeuw, namelijk in 999, werd Tegelen onder kerkelijk opzicht, door den aartsbisschop van Keulen, tot wiens bisdom het oorspronkelijk behoorde, afgestaan aan den bisschop van Luik. Als dusdanig maakte ons dorp deel uit van het concilie van Wassenberg en het aartsdiaconaat van Kempenland tot nog op het laatst der verloopene eeuw[5]. Ziehier op welke wijze deze ruiling plaats greep. Evergerus, aartsbisschop van Keulen, zag ongaarne dat het klooster te Gladbach, zoo rijkelijk door zijne voorgangers gedoteerd, zich in een ander bisdom bevond. Hij beriep daarom de monniken van Gladbach naar de kerk van St. Martinus te Keulen en gebood hun alle heilige relikwieën mede te voeren. De H. Vitus intusschen, ontevreden over de verplaatsing der abdij, gaf, bij een nachtelijke verschijning den bisschop hierover eene ernstige vermaning. Evergerus gansch ontroerd, legde alsdan de belofte af, van de monniken met de H. Relikwieën te laten heengaan, hun vroegere rechten en bezittingen te herstellen en eindelijk Gladbach van het bisdom Luik te scheiden. Dit volbracht hij door de drie keulsche kerken: Tegelen, Lobberich en Venlo te ruilen tegen Gladbach en Reith[6].

1202. Uit hetgeen nader blijkt, was Tegelen vroegtijdig eene Heerlijkheid. In 1202 doet zich zekere Reinier Van Tegelen voor onder de ministeriels[7]. Eene familie genaamd Van Tegeln, uit welke in 1386 Bernhard onder den kleefschen adel voorkomt, voerde als wapen: drie gouden leeuwen in een rood veld: op den gekroonden helm een dubbel rechtstaanden leeuw[8].

1326. Het goed Wambach onder Tegelen is ook van zeer oude dagteekening; althans wij vernemen dat »de Hoff to Wambeke, met der moelen thiende, ende rente die daertoe behooren; Item de hoff to Hadem ende dat daertoe behoort, helt: Henrick De Lange Van Criekenbeck, anno 1326”[9]. Later kwam dit goed aan de Heeren van Holtmolen.

1402. De aloude Heerlijkheid Tegelen met toebehoor,[10] zoo vinden wij vermeld, benevens de kleine tienden aldaar; verder het jus patronatus of vergevingsrecht der kerk aldaar even als te Breijel en gedeeltelijk te Beesel; nog het huis Holtmolen met de groote en kleine tienden aldaar, en Steijl aan de Maas met den hof Bongaert kwamen in het jaar 1402 toe aan Otto van Holtmolen.

1425. Johan van Holtmolen ontving in 1425 de Heerlijkheid Tegelen met al haar toebehoor gelijk dezelve van oudsher gelegen was in het ambt Bruggen[11].

1433. De eerste melding, die wij van de pastorij te Tegelen kunnen maken, is de volgende: Den vierden April 1433 op St. Franciscusdag, verpacht Hendrik van Holtmolen pastoor te Tegelen aan Daemen van den Bruele genaamd van Brempt, een kleinen grint gelegen te Bergh op de Ruyren, voor een tijdvak van tachtig jaren, tegen den jaarlijkschen pachtprijs van 20 Bodregers, Roermonds geld.

1436. Het adellijk goed Holtmolen schijnt van oude dagteekening te wezen. Althans wij vinden, dat de gebroeders Godart en Engelbert van Holtmolen onderteekend hebben, het verbond, hetwelk de steden en de ridderschap tegen Arnold van Gelder in 1436 hadden aangegaan. Tevens wordt gezegd dat dit Holtmolen bij Tegelen was gelegen[12].

Het voormalige Slot de Munt was omstreeks 1550 nog bewoond door Gerhard van Holtmolen[13].

1430-1450. De tegenwoordige kerk van Tegelen dagteekent uit de eerste helft der vijftiende eeuw; onder meer dan een opzicht verdient zij onze aandacht. Zij heeft een hechten en reusachtigen toren van 30 meter hoogte aan muurwerk; de spits is vierhoekig doch laag. In de twee bovenste vakken aan elke zijde des torens behalve aan den zuid-oosten kant alwaar de torentrap is opgetrokken, bevinden zich drie naast elkander staande blindvensters met sierlijke frontons uit zandsteen, die hier en daar door den tand des tijds beschadigd zijn. De kerk zelve heeft slechts eene lengte van ruim dertig meter, doch telt zestien meter in de breedte. Pijlers zijn vier in getal en vormen twee zijbeuken, die elk door drie schoon gekleurde vensters worden verlicht[14]. Dit was hare toestand in 1874, toen zij merkelijk vergroot en hersteld werd. Die vergrooting bestond in het aanbouwen van een nieuw koor ter lengte van vier meter en het doortrekken der zijpanden op gelijke lengte zoodat ze met twee pijlers en twee vensters is vermeerderd. Wijders heeft men den tempel door uitbouwen tot een heerlijke kruiskerk hervormd. Het alles brengt thans een juiste evenredigheid te weeg tusschen toren en kerk, en, wat de voorname zaak was, vormt nu een’ tempel, die het volkrijke Tegelen kan gerieven. Was vroeger de oppervlakte der gansche kerk honderd negentig vierkante meter, thans beslaat zij drie honderd dertig meter.

Onder het voormalige koor der kerk bevindt zich een grafkelder van zes meter vierkant. Laatstelijk werden daarin bijgezet de stoffelijke overblijfsels van Pastoor Nic. Smeets in 1728, en van Jan Josef Van Wevelickhoven, Heer van de Munt, in 1742. Verder zijn er aanwezig twee kleinere kisten zonder eenige aanwijzing[15].

Zooals het opschrift aantoont, en overigens bewezen is, werd in 1609 de Tegelsche toren voorzien van de nog bestaande groote klok. Haar opschrift luidt:

»† Maria heisse ichLebendige ruf ichTodten beschrei ich Jan von Trier hatt mich gegossen, anno 1609.”

Zekere Louïs van de Mortel uit Venlo heeft ze in November 1609 geplaatst en het noodige ijzerwerk daartoe geleverd; hij kreeg tot loon 75 venloosche gulden. Naar deze klok werd in vorige eeuwen de onderhoorigheid aan dit kerspel vermeld door de woorden: »onder desen klockenslagh,” immers zij was de bannaalklok. Haar gewicht bedraagt 7000 kilo’s. De tweede klok, wegende nagenoeg 4500 kilo’s, werd in 1830 uit een vroegere kleine met toevoeging van nieuw metaal, vervaardigd door J. Groulard te Tongeren; zij draagt het volgende opschrift:

»Deze klok verschuldigt de gemeente aan Koning Wilm I. Burgemeester W. Kamp. Pastoor J. Orths. Peter P. M. Canoy, meter Mevr. de Rijk geb. de Koning. Zij roepe de geloovigen ten tempel.”

De derde of kleinste klok, ongeveer 80 kilo’s wegende, is uit het begin dezer eeuw; hoewel fijn van metaal en helder van klank, stemt zij geenszins met de twee vorige overeen. Men noemt haar bimke.