Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Op reis door Senegambia, twee landen in West-Afrika waar voor de reiziger veel te genieten valt. Jan en Ada Rosman bezochten voor de derde keer dit deel van de wereld. In Gambia werd een auto gehuurd om vervolgens naar Senegal te gaan. Na de nodige grensperikelen maakte het echtpaar een mooie tocht door het zuiden van Senegal. In een vierwieleaangedreven wagen reden ze bijna 2000 kilometer door het zuiden van Senegal om vervolgens de auto weer in te leveren in Gambia. In beide landen werd volop genoten van de vriendelijke bevolking, de dierenwereld, de immer schijnende zon, het boeiende verkeer en de kleuren in dit deel van Afrika.
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 159
Veröffentlichungsjahr: 2019
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Afrika: één groot dorp
De vrouwen van Tulkuya
Rode blubber
Het Abuko Nature Reserve
Op bezoek
Apenpoep en oude donuts
In de taxi
Wonderschone muren
Kom je bij ons eten?
Op vier wielen door de bush
Het Lamin Health Centre
De Challenge van Antwerpen naar Banjul
Illegaal in Senegal
De vrouwen van Kafountine
Door de Casamance
Op weg naar Tambacounda
In het diepe Zuiden
Op weg naar de Bassari
De Bassari
Naar Gambia
Grensperikelen
Vorstelijk ritje
De Timbooktoo Bookshop in Bakau
De vissers van Tanji
Literatuurlijst
‘Niet te weten is slecht, niet te willen weten is slechter’
Wolof gezegde
‘Hee, Jan, ik kom jullie ophalen,’ horen we ineens een bekende stem wanneer we met onze bagage het vliegveld uitlopen.
Horen we dit nu goed? Worden we opgehaald? Een grijnzende Buba komt ons enthousiast tegemoet lopen. We begroeten elkaar als oude vrienden. Wat bizar om op deze manier voor de derde keer Gambia binnen te komen. Met Buba hebben we de vorige keren een paar leuke uitstapjes gemaakt.
‘Dit is Mo. Ik leer hem het vak,’ worden we voorgesteld aan een man met een vlassig puntbaardje en kleren die een maatje te groot zijn.
Mo lacht verlegen naar ons.
‘Hoe wist je dat nou?’ vraag ik oprecht verbaasd.
Hij lacht. Natuurlijk heb ik het op mijn Facebookpagina geplaatst, staat het op mijn website en weten toch wel veel mensen dat we weer naar Gambia gaan. Afrika is soms gewoon één groot dorp waar iedereen alles van elkaar weet. Vaak nog sneller dan je het zelf weet. Buba geniet minstens zo veel van deze verrassing als wij dat doen. Mijn gedachten gaan terug naar Mali waar we na een lange busreis aankwamen in Ségou. Ik was ziek en ging gelijk naar bed. Jan verkende de omgeving van het hotel. De volgende dag voelde ik me een stuk beter en samen liepen we naar buiten. De mannen bij de poort, in Afrika zitten altijd mannen bij de ingang van een hotel, veerden als één man op, keken bezorgd naar mij en vroegen of ik alweer opgeknapt was…
‘Ik heb werkelijk met niemand gesproken,’ reageerde Jan stomverbaasd.
Geen grote bus voor ons die bij verschillende hotels de gasten afzet, maar lekker snel in het groene busje van Buba rechtstreeks naar het Baobab Holiday Resort. Een van de goedkoopste, maar ook een prettige en geriefelijke accommodatie in dit land en bijzonder populair bij de Nederlanders. Het ziet er allemaal vertrouwd uit. Ook hier zitten enkele mannen bij de ingang van het terrein. Ik heb sterk de indruk dat het dezelfde mannen zijn als tijdens ons vorige verblijf. Oude versleten tuinstoelen staan als reuzenwasknijpers over de stenen muur bij de ingang. Soms twee stoelen over elkaar heen; de ene stoel heeft een kapotte rechterleuning en bij de de andere ontbreekt de linkerleuning. Samen vormen ze weer één stoel waar de heren prima op kunnen zitten. Mannen met onduidelijke taken en functies. Er ontsnapt niets en niemand aan hun aandacht; zij kennen alle laatste roddels en nieuwtjes. Weten precies wie in welke kamer verblijft en kennen sommige gasten bij voornaam. In het muurtje zijn stopcontacten aangebracht en mobiele telefoons liggen achteloos in het gras.
De in pasteltinten geschilderde huisjes zijn rondom het zwembad gegroepeerd en creëren zo een huiselijke sfeer. We lopen naar de ons toegewezen kamer die ik deze keer vind tegenvallen. De kamer op zich is prima, netjes en royaal, maar het uitzicht op de rommel en rotzooi aan de achterkant vind ik helemaal niets. Het balkonnetje is zo klein, daar kun je amper zitten en dan ook nog pal in de zon.
‘Ik ga om een andere kamer vragen,’ zeg ik tegen Jan die het probleem niet zo ziet. ‘We zijn hier best lang en dan zo'n uitzicht,’ zeg ik resoluut.
‘Mm, dat is lastig. Alles zit vol,’ zegt de manager met een zorgelijke blik op zijn gezicht.
Ik dring aan, wetende dat er in Afrika altijd wel een oplossing is.
‘Ik heb kamer 219 voor je. Die is wel kleiner en het bed is ook kleiner, zegt de man twijfelend.
We lopen naar de andere kamer en ik hoor een echtpaar, dat tegelijk met ons is aangekomen met elkaar praten.
‘Goh, ze praten hier allemaal Engels en wat zijn er hier veel moslims,‘ zegt de man tegen zijn vrouw.
De een weet alles en een ander weet weer niks, lach ik in mezelf. Hoewel de kamer inderdaad een stuk kleiner is, is het uitzicht geweldig. De knusse sfeer van de huisjes, het glanzende water van het schone zwembad, het geroezemoes van de andere gasten, alles weet door de muren van onze kamer heen te dringen. De kamer is schoon, staat vol met een paar kasten, een koelkast met een slot, een tweepersoonsbed, een stoel en een klein krukje naast het bed. De douche loopt uit in een smalle punt, maar het water is warm, nieuwe donkerblauwe handdoeken hangen in de badkamer en lieve vers geplukte bloemen liggen smaakvol op het bed. In het hoekje voor de ingang staat een tafel met twee stoelen en zo hebben we ook weer een eigen balkonnetje.
We call this home!
‘Welkom, welkom terug,’ worden we hartelijk begroet door een aantal medewerkers van het hotel.
Mm, zouden ze ons nu echt herkennen; wij herkennen de mensen wel. De poolman omhelst Jan nog net niet als ze elkaar weerzien. Vol trots laat hij Jan de sportschoenen zien die Jan hem ooit eens heeft gegeven.
‘Ah, de blotevoetendame is terug,’ lacht het ene meisje bij de receptie als ze mij ziet. ‘Jij liep altijd op blote voeten,‘ gaat ze verder en met een lichte afkeuring in haar stem kijkt ze naar mijn voeten.
Tot haar tevredenheid draag ik nu sandalen die haar goedkeuring wel kunnen wegdragen. Waar een mens al geen indruk mee kan maken!
‘Nee, een ritje kost maar acht dalasi per persoon,’ zeg ik vasthoudend.
Wisselgeld hè? Altijd lastig. Ik blijf zitten. De vrouw naast de chauffeur attendeert de man op het wisselgeld dat open en bloot in bakje ligt. Vooruit dan. Ik ga akkoord met drie dalasi in plaats van vier. De man moppert wat, ik lach lief terug en we gaan toch als vrienden uit elkaar. Bij de Strip stappen we eruit en lopen direct naar het kleine kantoortje van Orange, een van de providers hier en kopen beiden een kaartje voor onze telefoon. Ook al hebben de meeste hotels en restaurants goede Wi-Fi, het is toch prettig om overal over redelijk internet te kunnen beschikken. De jonge man voert wat handelingen uit met onze telefoons en wil ook graag onze paspoorten -want zonder paspoorten krijg je echt geen kaartje voor de telefoon- en binnen een paar minuten zijn we online. In een wisselkantoortje wissel ik snel euro’s voor de Gambiaanse dalasi en lopen de Strip op.
‘Vind je het leuk om met ons mee te gaan? We willen gaan eten bij de vrouwen van het Tulkuya-restaurant,’ vragen we aan Hubertine, die ook in ons hotel verblijft.
Wij kennen elkaar al wat langer. Tijdens onze laatste reis waren we hier tegelijk en omdat toeval niet bestaat zaten we nu allemaal weer in hetzelfde vliegtuig. Hubertine wacht op haar man. Samen met tientallen anderen rijdt hij van Antwerpen naar Banjul. In drie weken tijd moet deze afstand overbrugd worden. In Banjul zullen alle auto’s en motoren tijdens een veiling worden verkocht. Het geld komt allemaal ten goede aan diverse goede doelen en stichtingen in dit land. Volgens de laatste berichten staat het hele konvooi voor de grens van Mauritanië. Over een dikke week worden ze in de hoofdstad van Gambia verwacht. Toen wij een paar maanden geleden vrij onverwacht besloten om deze reis te maken hadden we nooit meer aan de Challenge gedacht. Een leuke bonus. De aankomst moet een heel spektakel zijn en wij zijn daar dan bij! Hubertine gaat graag mee en Ishaka, hun Gambiaanse zoon, is uiteraard ook meer dan welkom en samen lopen we naar de weg. Het is spitsuur, de wegen zijn vol, de taxi’s zo mogelijk nog voller. De prijzen stijgen door de drukte; we hebben geen haast en uiteindelijk worden we het met een van de chauffeurs eens. We zijn ondanks de drukte toch snel bij Turn Table. Het restaurant Tulkuya zit een beetje verstopt bij dit kruispunt, dicht bij een tankstation en een bedrijf in vloer- en andere tegels. Het acht verdiepingen hoge, hypermoderne gebouw van een petroleummaatschappij van glas en staal staat wat wereldvreemd bij het kruispunt in deze Afrikaanse wereld. Het is net of het gebouw leeg is, ik zie nooit een flardje beweging. Het heeft de uitstraling van een verkeerd bezorgd pakje; ergens op de wereld zit volgens mij nog steeds iemand te wachten op het gebouw dat ze besteld hadden en dat maar niet komt.
De vrouwen van het Tulkuya-restaurant zijn ook weer klaar voor het nieuwe seizoen. Men heeft er duidelijk zin in. Toeristen zorgen voor geld, zorgen voor banen en brood op de plank. Voor een land als Gambia zonder noemenswaardige producten om uit te voeren, is het toerisme de bron van inkomsten en de meeste Gambianen realiseren zich dat heel goed. De dove vrouwen van het Tulkuya-restaurant met hun vingervlugge handgebaren en hartveroverende lachen. Deze vrouwen, allemaal met zeer ernstige gehoorproblemen of doof, werken hard om samen met elkaar een succes van dit restaurant te maken. De Gambiaanse vrouw van de Hollandse Peter is doof en door haar kwam hij in de wereld van deze stoere vrouwen terecht. Met de hulp van Peter staat er nu dit superleuke restaurant, dat de vrouwen helemaal zelfstandig runnen. Tulkuya betekent gebarentaal in het Mandinka, een van de vele talen die hier worden gesproken. De vrouwen ontvangen ons met een lach van oor tot oor, het ziet er allemaal spic en span uit en we zoeken een plekje op met zicht op de wereld om ons heen. Er staat van alles op de menukaart, van traditionele gerechten tot frikadellen speciaal. Ik ga voor de vis yassa, een typisch Gambiaans recept. Veel vis, veel uien, veel rijst en veel smaak. Wat word ik toch blij van deze plek. De stoere vrouwen die hun beperkingen in een wereld als deze om weten te buigen tot hun kracht en het plezier dat ze uitstralen. In een harde samenleving als Gambia, waar voor mensen met een beperking amper een bestaan is, is het een topprestatie. Behalve dat het allemaal leuke vrouwen zijn, is het eten erg lekker, is de hygiëne tiptop in orde en weten de vrouwen heel goed wat westerse magen wel of niet kunnen verdragen. Ik eet lekker van de met zorg bereide maaltijd en kijk naar de wereld om me heen. Vrouwen stoppen bij de stalletjes aan de kant van de weg. Alles wordt zeer zorgvuldig bekeken, voordat men tot een koop overgaat. Wanneer moeder buigt om iets op te pakken, buigt de baby op haar rug met haar mee. Zou er wel eens een baby uit tuimelen? Daar moet ik echt niet aan denken. Ik denk dat dit nu een echt westerse gedachte is en dat geen Afrikaanse vrouw dit ooit zal denken. Voor hun is dit de normaalste zaak van de wereld. Watermeloenen liggen als kanonskogels opgestapeld langs de weg. Fietsers, auto’s en lopende mensen, allemaal op weg naar huis, naar het werk, naar een afspraak. Iedereen is het bekijken waard, iedereen heeft een verhaal te vertellen, verhalen die ik nooit zal horen.
Het stortregent, de lucht is een grijze brij. Zo half oktober zitten we aan het eind van het regenseizoen en de sluizen zijn nog een keer opengegaan. Het ene deel van Gambia heeft al bijna te veel regen gehad, terwijl het andere deel nog wel een paar buien kan gebruiken. Ook in Gambia, Afrika’s kleinste land, kunnen de verschillen erg groot zijn. De bomen zijn groen, palmbomen wrijven ritselend tegen elkaar aan, vogels gaan als idioten te keer. Grote neushoornvogels zijn al van verre te herkennen en doen hun bijnaam ‘bananenvogel’ alle eer aan. De grote, kromvormige, gele snavel lijkt zelfs vanuit de verte op een banaantje. Wi-Fi beweegt zich geruisloos en heel behoorlijk door de lucht, het verkeer gaat voorbij en ik zit helemaal gelukkig op ons mini-balkon. Aan een tafel en twee stoelen hebben we genoeg. De watchman loopt zijn laatste rondjes en zo gauw het daglicht de nacht heeft verdreven knipt hij overal de lampen uit. De wereld wordt wakker en de dikke regenbui gaat over in dikke regendruppels. Het hemelwater heeft de bermen veranderd in een zuigende en glibberende drek.
Stoer als we zijn lopen we toch naar de Strip, een afstand van ruim twee kilometer. De kunst is om niet in de modder te stappen, de plassen te ontwijken en proberen om mijn sandalen een beetje schoon te houden. Waar een mens zich op reis allemaal druk over kan maken. Taxichauffeurs claxonneren en wijzen op hun lege auto. Er zijn enkele nieuwe zaakjes bijgekomen aan de linkerkant van de weg. Mensen zijn bezig om alles klaar te zetten voor de dag van vandaag. Een rode container is omgebouwd tot een koffiezaakje. Er zijn ramen en een deur in gemaakt. Parasols worden uitgeklapt en de man legt zorgvuldig blauwe tafelkleedjes op de houten tafels, placemats en witte kopjes erop. Africell heeft de parasols gedoneerd. Het water en de blubber schijnen de man niet te deren. In een mum van tijd is alles klaar. Een blauwe vrachtwagen staat met pech aan de kant van de weg, een ezel met vier ongenode vogels op zijn rug wacht gelaten op de dingen die komen gaan. Een andere afgedankte, roestbruine container heeft de deuren wijd openstaan en is nu een depot voor Coca-Cola. Al hink-stap-springend met af en toe een lichte schuiver lukt het toch om veel om me heen te kijken en foto's te maken van alles wat anders is. Er is veel anders; er worden veel foto’s gemaakt.
Welcome to The Gambia staat er in grote letters aan de rechterkant van de weg. Met de rode modder tussen mijn tenen en op mijn kuiten komen we na een half uurtje ‘wandelen’ aan op de Strip. De Strip, ook wel het Senegambia-gebied genaamd, is dé plek waar veel toeristen graag komen. Restaurants, winkels, moderne telefoonbedrijven en de vuilnisman met ezel en wagen die zorgvuldig het straatvuil bij elkaar veegt en opruimt. De Strip waar ‘s avonds het nachtleven begint, waar muziek wordt gemaakt, waar de reuring is. Tegen de tijd dat het hier allemaal begint, liggen we meestal al in bed. Alle prachtig geklede, Afrikaanse vrouwen zijn het bekijken meer dan waard en ook sommige toeristen zijn een attractie voor het oog... Waar de Afrikaanse vrouw er smaakvol en elegant bijloopt, lopen sommige toeristen erbij alsof ze hun best hebben gedaan om er zo slordig mogelijk en vooral zo bloot mogelijk bij te lopen. Soms ronduit ordinair. Trek toch iets fatsoenlijks aan, foeter ik in gedachten, je bent hier te gast. Na zoveel inspanningen is een cappuccino met een groot stuk gebak wel verdiend.
‘Ik heb appelgebak en cheesecake,’ zegt de ober.
‘Doe van beide maar een stuk,’ zeggen we. ‘Graag met slagroom,’ vul ik aan.
Soms moet een mens niet te bescheiden zijn.
Zo langzamerhand kennen we een beetje de weg hier. We lopen via het grote en in onze ogen superluxe Senegambia Hotel naar het strand. Het is rustig op het strand. Het water rolt en klotst. Het is vloed. Ik doe mijn moddersandalen uit en het water van de Atlantische Oceaan spoelt alles weer schoon. De blauwe, houten juice bars, beschilderd met eenvoudige afbeeldingen, staan bij elkaar geschoven aan de rand van het strand. Het is zonneklaar dat hier nog geen sinaasappel wordt uitgeperst. Grote krabben liggen aangespoeld op het strand en afgedankte visnetten liggen als een onontwarbare kluwen wol op de grijze rotsen. Meeuwen krijsen over.
‘We kunnen hier langs, dan komen we dicht bij Baobab weer op de verharde weg,’ wijst Jan opgewekt naar een blubberpad, waar de zon nog lang niet alles heeft opgedroogd.
Langs de kant, de harde en droge stukken opzoekend, komen we met het rode plakzand aan onze schoenen niet veel later aan bij ons hotel, waar ik als Klein Duimpje een spoor van rode modderdruppels achterlaat…
We lopen het terrein van Baobab af, op zoek naar een restaurant. Ook hier zijn veel gelegenheden om wat te eten. Het restaurant 777 is ons door verschillende mensen van harte aangeraden.
‘Na ongeveer een kilometer rechts afslaan en dan even vragen,’ werd ons verteld.
Een gestrand, blauw busje staat bijna vergroeid met de omgeving aan de kant van de weg. Alle bruikbare onderdelen zijn er in de loop van de tijd afgesloopt. Het onkruid heeft bezit genomen van de bus. Ik vind het wel een foto waard, de mensen vinden het feit dat ik daar een foto van maak vele malen interessanter. Een prachtig geklede, stevige vrouw wil graag op de foto. Ze gaat er even goed voor staan. Grote ringen in haar oren, een ingewikkelde geknoopte doek om haar hoofd en een brede lach laat een mooi, gaaf gebit zien. Ze is zeer te spreken over het eindresultaat. We vragen, we lopen verder en zien geen 777 restaurant. We slaan ergens willekeurig een keer rechtsaf. Een groepje kinderen komt ons tegemoet lopen. Eentje heeft zich verkleed als een zogenaamde Kankurangman. Kankurangamannen verkleden zich en jagen de mensen, het liefst midden in de nacht, de stuipen op het lijf. Ik heb de indruk dat er in dit pak een meisje zit. In haar handen heeft ze twee bijtelachtige messen waar ze quasi dreigend me zwaait. Het gewaad lijkt nog het meest op raffia, de witte draden draaien woest mee als ze op ons af komt lopen. Voor haar gezicht wapperen rode draden. Een hele schare kinderen joelt om haar heen en worden nog enthousiaster als ze ons aan zien komen lopen. Ze willen graag op de foto. Dat kan. De kinderen spelen verder en wij lopen verder, nog steeds op zoek naar een zaakje waar we kunnen eten.
‘Zou dat ook wat zijn?’ wijs ik naar Kay’s Café waar een paar oudere, stevige, witte heren zwijgzaam en uitgeblust aan een tafeltje op het terras zitten.
‘Hebben jullie ook een menu of is dit alleen een café?’ vraag ik.
‘Nee, nee, je kunt hier ook eten,’ antwoordt de man.
