De vissers van Tanji -  - E-Book

De vissers van Tanji E-Book

0,0

Beschreibung

The Gambia: het kleinste land van Afrika heeft de reiziger bijzonder veel te bieden. Ada en Jan Rosman reisden af naar dit land in West-Afrika. Een land met fraaie stranden en vriendelijke mensen, een land met een rijke geschiedenis, een land waar honderden verschillende soorten vogels rondvliegen, een land waar apen door de bomen slingeren en waar baobab-, mango- en cashewbomen voor veel schaduw en vruchten zorgen. Een land waar alle verschillende bevolkingsgroepen vreedzaam naast en met elkaar leven. Zo gauw Ada en Jan de kust verlieten om samen met gids-chauffeur Buba het binnenland te ontdekken, reisden ze diep het donkere continent binnen. Uiteraard bezochten ze het voormalige slaveneiland Kunta Kinteh (James Island) waar de sinistere sfeer van de slavenhandel bijna tastbaar was. Het kleine eiland waar zo veel mensen voorgoed op transport naar Amerika en de Cariben zijn gezet. In Janjanbureh, het vroegere Georgetown werden de mysterieuze stenen cirkels van Wassau bezocht. Met de gelly-gelly naar de stranden van Tanje, waar vissers tegen het eind van de dag op hun houten pirogues terugkomen om de gevangen vis aan wal te brengen.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 101

Veröffentlichungsjahr: 2018

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhoud

Welkom in The Gambia

Vogels, apen en junglekrokodillen

De markt van Serekunda

Op weg naar James Island

Kunta Kinteh

Op de koffie

Het Tendaba Camp

Rondom Tendaba

Naar Janjanbureh

Cirkels van stenen

Allemaal tradities

Het Baobab Holiday Resort

Vissers en boten

Met de gelly-gelly

Bakau

Op visite

Literatuurlijst

‘Als je fruit van een grote boom eet, vergeet

dan niet de wind te bedanken’

Afrikaans gezegde

Voorwoord

The Gambia! Op slechts zes uur vliegen ligt dit kleine land aan de westkust van Afrika. The Gambia bekend als de Smiling coast of Africa’ wordt ook wel eens liefkozend ‘het Tuinhekje van Afrika’ genoemd. Klein of niet, het land is een bezoek meer dan waard.

Honderden verschillende soorten vogels, ruïnes van gebouwen die nu, eeuwen later, nog vertellen van een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis: de slavenhandel. Maar ook statige baobabbomen, kleurrijke markten en bovenal een aardige en behulpzame bevolking, soms misschien te behulpzaam... Wie niets tot weinig heeft, kent minder schroom. Wat de een opdringerig vindt, vindt een ander weer standvastig. Geen werk, betekent immers ook geen geld.

Een land dat naast de zon, de zee en het strand bijzonder veel te bieden heeft. Een klein land waar je in een dag doorheen kunt reizen, maar waar je vele reizen voor nodig hebt om alles te kunnen zien.

Een land om met enige regelmaat weer naartoe te gaan.

Wees welkom, reis met ons mee!

Ada Rosman-Kleinjan

Welkom in The Gambia

Ik draai de kraan boven de wasbak open en de kraan in de douche begint ook spontaan te lopen. Ik lach in mezelf. Is dit misschien nu wat ik altijd zo leuk aan Afrika vind? Het hele continent voor het gemak maar even over een kam scherend. Het werkt allemaal, maar vaak met een randje. Tuurlijk zit er een slot op de deur, één duw is echter genoeg om de deur met kozijn en al uit de muur te laten kiepelen. Ik trek aan de gordijnen om vervolgens wat beteuterd naar de goudkleurige roede in mijn handen te kijken. Jan drukt alles weer terug; dat is dan weer het voordeel, snel stuk in Afrika is vaak ook snel weer gerepareerd. Jan steekt de stekker van onze waterkoker in het rommelige stopcontact; hij doet het en even later zitten we in de Afrikaanse nacht met een bak koffie en een kop thee buiten, waar de chef van de beveiliging snel een tafeltje met twee stoelen heeft neergezet.

De glanzende maan straalt voldoende om mij onmiddellijk een Afrikaans gevoel te geven maar het zachte licht verhult alles waar een scheurtje, een kreukeltje, een barstje of een gleufje inzit. Het heeft beslist zijn charme om midden in de nacht in een volstrekt vreemd land aan te komen: The Gambia, dat kleine landje in Afrika.

In de grote eetzaal zijn wij de enigen. We zijn vroeg, gretig om aan onze reis te beginnen. Een tiental personeelsleden staat tot onze beschikking.

‘Pannenkoek?’ vraagt de kok lachend.

Hij spreekt het Hollandse woordje perfect uit. The Gambia is een populaire bestemming bij Nederlanders en Belgen. Gasten komen binnendruppelen; veel gasten worden door het personeel als oude vrienden begroet.

‘Mochten jullie een betrouwbare gids zoeken, dan kan ik jullie van harte Buba aanbevelen,’ reageerde een vrouw op Facebook.

Buba had me al gevonden op Facebook en op een sympathieke manier zijn diensten aangeboden. Uiteraard zijn er hier allerlei excursies te boeken, maar wij geven er de voorkeur aan om zelf de dingen te regelen.

‘Hebben jullie kamer 227?’ vraagt een jonge vrouw die hier werkt.

Op een bevestigend knikje van onze kant gaat ze verder. ‘Een man, genaamd Buba heeft zich gemeld bij de receptie en vraagt naar jullie.’

Nu kun je denken wat opdringerig, maar wij denken, dat is iemand die graag wil werken en maken een paar tellen later kennis met een grote, goedlachse, verzorgde man, die graag zijn The Gambia aan ons wil laten zien. We gaan bij de receptie zitten en geven aan wat we graag allemaal willen.

Ook al is The Gambia geen groot land, ongeveer een derde van Nederland, dan wil dat wil natuurlijk niet zeggen dat je in een paar dagen alles kunt bekijken. Ook is het gewoon vele malen leuker om lekker de tijd te nemen, te kunnen stoppen waar we willen en van de route af te kunnen wijken.

Overmorgen stappen we in zijn groene taxi, om naar het voormalige slaveneiland James Island, dat sinds een aantal jaren officieel Kunta Kinteh-eiland heet, te gaan. Wanneer we terug zijn zullen we wel de details van een meerdaagse trip, het binnenland in, bespreken.

‘Mochten jullie geld willen wisselen, dan doe ik dat graag voor jullie. Ik krijg meer delasis voor een euro dan jullie zullen krijgen,’ biedt hij aan.

‘Graag.’

‘Ik haal jullie om half acht op,’ zegt Buba en we nemen hartelijk afscheid.

We moeten uitkijken wat we tegen elkaar zeggen, mensen begrijpen veel meer dan we denken; ook Buba gooit regelmatig een Nederlands woord door het gesprek. ‘Ik denk niet dat we onderweg in het binnenland zulke luxe accommodatie als dit Baobab Holiday Resort zullen hebben,’ merkt Buba op.

Ik denk onmiddellijk aan de gordijnroede die ik in mijn handen had. Zo zie je maar weer dat luxe en comfort relatieve begrippen zijn.

We lopen het terrein af om vervolgens direct Afrika binnen te lopen. Het Afrika van rood zand tussen mijn tenen, gele taxi’s op de weg, fietsers in de bermen en veel jonge mannen die allemaal hun diensten aanbieden, ons allemaal op dingen wijzen die geen uitleg behoeven en graag met ons oplopen.

Onze ongebruinde huid verraadt dat we hier nog maar net zijn. Vrouwen hebben nooit tijd voor dit soort onzin. We lopen het dorpje in; grote, stoffige palmbomen staan aan de rand van de zandweg, nog grotere huizen staan verborgen achter stenen muren. We lopen langs een onbemand winkeltje, waar ingeblikte levensmiddelen netjes uitgestald staan. Groene mango’s hangen plukrijp aan de bomen en een oude moslimvrouw staat dromerig in de opening van een deur voor zich uit te kijken. Haar kleding brandschoon en smaakvol.

The Gambia is een overwegend islamitisch land, ongeveer negentig procent van de circa twee miljoen inwoners is moslim. De islam, hier vaak vermengd met animisme en bijgeloof, gaat prima samen met de kleine minderheid christenen die hier woont, en de nog kleinere groep die het animisme aanhangt. Naast de islamitische feestdagen viert men er ook de belangrijkste christelijke feestdagen. Mensen leven, werken en wonen vreedzaam naast en met elkaar; het kan dus toch!

Een jonge vrouw komt ons tegemoet. Een klein meisje in een gestreept jurkje loopt naast haar. De vrouw draagt haar baby in een witte draagdoek op haar rug. Met haar linkerhand houdt ze nonchalant een mand met levensmiddelen vast op haar hoofd. In haar andere hand nog een plastic tas met de rest van de boodschappen. Op een elegante manier houdt ze vele kilo’s aan ballast op haar lijf in evenwicht.

Een aantal ronde, stenen hutten met daken van golfplaten vormen samen een school, waar op deze zaterdag niemand te bekennen is.

We belanden als vanzelf op het strand. Het toeristenseizoen loopt op zijn eind. De stranden zijn rustig; op het terras van het Coco Beach Resort zijn wij de enige gasten en bestellen een cappuccino. Jongetjes fietsen op het strand. Bij het houten strandkeetje met de indrukwekkende naam Ocean Juice Bar is de eigenaar de enige klant. De stranden zien er schoon uit, het kleine beetje afval dat er ligt, wordt door de geiten opgevreten. Plastic tasjes zijn in dit land verboden en dat werpt zeker zijn vruchten af. Veel andere Afrikaanse landen zijn ‘vergeven’ van plastic tasjes die achteloos zijn weggegooid. Een jongen op een ezel sjokt voorbij en een eenzame toerist waagt zich in het water. Vanaf het terras, terwijl wij smullen van een broodje kip, koolsla en huisgemaakte patatjes, trekt het strandleven aan ons voorbij. Een aangename frisse zeewind verkoelt onze huid.

Vogels, apen en junglekrokodillen

Het Bijilo Forest Park ligt schuin tegenover ons hotel. De officiële ingang ligt echter twee kilometer verder; we lopen er naartoe en dat is iets wat de taxichauffeurs maar niets vinden. Lopende toeristen zijn hun een doorn in het oog. Iedereen claxonneert, sommigen remmen af, maar wij lopen stug door; niet omdat we hen geen klandizie gunnen, maar het is gewoon heerlijk lopen op deze vroege zondagmorgen.

Een jonge man, in Afrika lopen altijd veel loslopende mannen en jongens rond, weet ons te verleiden om, voordat we het park ingaan, eerst in het restaurant van zijn oom een cappuccino van twijfelachtige kwaliteit te drinken. Alle mannen hebben op zijn minst één oom of tante met een restaurant, een cafeetje, een taxi of een souvenirwinkeltje.

We betalen de entree van het park. Dicht bij de ingang staat een klein, onopvallend, wat scheef moskeetje.

‘Jullie moeten wel een gids nemen. Je kunt anders heel makkelijk verdwalen,’ zegt de man bij de ingang met een ernstig gezicht.

Dat lijkt Jan onmogelijk aangezien het park maar vijftig hectare groot is, met aan de ene kant de oceaan en aan de andere kant de grote weg. Maar goed, de aanhouder wint en zo lopen we al snel achter Masanneh aan.

‘Zeg maar Mas,’ stelt hij zich voor, voordat hij zich omdraait om nog snel een veelgebruikte vogelgids, een verrekijker en een camera op te halen.

Jan is dol op vogels. Ik vind een vogel al snel een mooie vogel en loop netjes achter de beide mannen aan; soms moet een meisje haar plaats weten. We zijn de enige bezoekers.

Fluweelapen hangen rond bij de ingang, erop gokkend dat wij ook een zakje met pinda’s zullen kopen. Ik vind apen prima, maar ze moeten niet te dichtbij komen; ik koop geen pinda’s. Gezien de vele lege pindazakjes, wat het park een rommelig aanzien geeft, stellen de meeste bezoekers de apen niet teleur. Jammer. Zo veel afval dat niet opgeruimd wordt. Blikjes, kledingstukken en veel niet meer te achterhalen rotzooi; hoewel… die kapotte wc-pot al van verre te herkennen is...

Gelukkig vliegen er vele vogels door de lucht, die zich absoluut niet storen aan afval op de grond. Een prachtige red colobus-aap zit wat nuffig kijkend fotogeniek op een tak zijn ontbijt naar binnen te werken en laat zich rustig door Jan fotograferen, voordat hij zijn weg vervolgt.

‘Hebben de apen ook nog natuurlijke vijanden?’ wil Jan graag weten.

‘Alleen honden,’ antwoordt de man op nuchtere toon. Natuurlijk, knikken wij, alsof we alles weten van honden die apen belagen.

In de jaren negentig is dit park door een Duitse ontwikkelingsorganisatie opgeknapt en zo geschikt gemaakt voor het publiek. De gekleurde routepaaltjes zijn in de loop van de jaren verdwenen, de bankjes die er nog staan nodigen niet echt meer uit om op te gaan zitten en in de afvalbakken ligt geen afval. Maar het is aangenaam lopen, de gids ziet en hoort alles, wijst Jan op vele vogels en vlinders die even later zorgvuldig in het boek worden opgezocht.

Baobabbomen -zijn er mooiere bomen dan de baobabboom?- en indrukwekkend grote palmbomen domineren het park. Het naar boven kijken wissel ik iedere keer snel af met het naar beneden kijken. Kokosnoten liggen als vertrapte voetballen op het pad, boomwortels kronkelen als dropveters over het zand en de reusachtige wortels van sommige bomen liggen als dode krokodillen over de paden. Kortom; genoeg obstakels voor een Hollands meisje om over te struikelen.

‘Dat noemen we inderdaad junglekrokodillen,’ wijst Mas naar zo’n wortel.

‘Mensen stappen op een dergelijke wortel, de wortel raakt beschadigd, herstelt zich wel, maar krijgt dan als het ware littekens in de vorm van deze knobbels zodat ze eruit zien als krodillen,’ gaat de gids verder.

Jan fotografeert tientallen vogels, waarbij de kleurrijke ijsvogel wel heel erg opvalt tussen al het groen. Wurgvijgen hebben hun tentakels stevig in het andere groen gezet en zullen uiteindelijk alles wat ze te pakken kunnen krijgen verwurgen.