Duiding Bouwrecht -  - E-Book

Duiding Bouwrecht E-Book

0,0
189,99 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

Volledige en compacte verzameling inzake bouwrecht: Duiding Bouw becommentarieert niet alleen bouwrecht in de oorspronkelijke zin van het woord (de wetgeving die de verhouding tussen bouwheer, aannemer en architect regelt), maar ook alle ermee verbonden relevante aspecten. Bouwrecht is vandaag een uitgebreide en complexe materie geworden, die bovendien snel evolueert. Voor de rechtspraktizijn is het dan ook van het grootste belang te kunnen beschikken over een volledige verzameling van up-to-date teksten. Originele aanpak: Onder de noemer “bouwrecht” wordt een dwarsdoorsnede van het recht gemaakt. Hierbij worden alle domeinen van het recht in zijn relatie met bouw en vastgoed  betrokken: contractenrecht, administratief recht, aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht, mededingingsrecht en handelspraktijken, sociaal recht, fiscaal recht, zakenrecht, milieu- en ruimtelijke ordeningsrecht,…

Grondig becommentarieerd op basis van rechtspraak en rechtsleer: De wetgeving wordt geduid door middel van uitvoerige commentaren: niet alleen wetshistorieken en verwijzingen naar andere wet-ren regelgeving, maar vooral uitgebreide toelichting aan de hand van de belangrijkste rechtspraak, een onmisbare bron om het bouwrecht te begrijpen en te interpreteren, en rechtsleer. Veilig houvast voor al wie rechtstreeks of onrechtstreeks met bouwrecht wordt geconfronteerd: Niet alleen verschaffen de wetgeving en de annotaties een antwoord op de vele vragen die kunnen rijzen, maar bovendien kunnen deze annotaties bij de oplossing van complexe vraagstukken de uitvalsbasis vormen voor verder onderzoek. Deel mee in de expertise! Een equipe van uitgelezen specialisten (uit advocatuur, magistratuur, notariaat, administratie, academische wereld, en de bouwsector zelf) die in diverse takken van het recht hun sporen reeds hebben verdiend, werken mee aan deze uitgave.
Elke auteur heeft vanuit zijn eigen rechtsdomein en vanuit zijn sector de wetgeving die relevant is voor bouw, voorzien van de nodige duiding. Hun kennis en ervaring staan garant voor een bijzonder naslagwerk, onmisbaar voor professionals in bouw en vastgoed.   Onmisbare update: Deze tweede bijgewerkte editie houdt rekening met tal van nieuwe wetgeving: Afschaffing van de registratieplicht van de aannemer, nieuwe cao’s inzake veiligheid, Wet handelspraktijken (nieuw in WER), Intellectuele eigendom (nieuw in WER), overheidsopdrachten,…

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Seitenzahl: 8711

Veröffentlichungsjahr: 2015

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Bouwrecht 2015 (2 boekdelen)

Duiding

2015

Alle teksten zijn gecoördineerd tot 1 juli 2015 (publicatiedatum Belgisch Staatsblad)

© Groep Larcier n.v., 2015 – Hoogstraat 139/LOFT 6 – 1000 BrusselDe redactie en de uitgever van de LARCIER Wet & Duiding besteden de grootste zorg aan de publicatie van de teksten, maar zijn in geen geval gehouden tot een resultaatsverbintenis mochten bepaalde vergissingen aan hun waakzaamheid ontsnapt zijn.Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.ISBN 978-2-8044-8158-2

Editor(s):

Indra Arteschene

Nick Portugaels

Voorwoord van de uitgever

De reeks Duiding van Larcier heeft een vijfjarig bestaan onder de naam Wet en Duiding gekend, maar werd vanaf september 2014 simpelweg Duiding. Dat is namelijk ook wat wij beogen: duiding geven bij een specifiek onderwerp uit het recht. Het zijn de verrijkende commentaren die van elke codex in deze reeks een bijzonder nuttig werkinstrument maken, onmisbaar voor elke specialist in zijn vakgebied. Ondertussen is er een mooi aanbod voorhanden, in bijna alle verschillende takken van het recht (zie verder voor een overzicht).

Elke Duiding staat onder de redactie van een uitmuntende equipe: verschillende auteurs onder leiding van hoogstaande editors. De auteurs zijn telkens specialisten die elk vanuit hun eigen specifieke ervaring omtrent een onderwerp uit het recht schrijven. De editors bewaken de neutraliteit en uniformiteit van het geheel en garanderen dat u een antwoord op al uw vragen zal aantreffen.

Alle Duidingen kunnen ook als een e-book verkregen worden. Daarvoor verwijzen we u graag door naar onze website: uitgeverijlarcier.larciergroup.com.

Indien u graag nog meer informatie wenst, of zelf ideeën hebt voor een nieuwe Duiding, aarzel niet contact met ons op te nemen. We luisteren graag naar uw voorstellen om onze reeks te verbeteren en nog uit te breiden.

Shanna Maertens Adjunct-Uitgever 0478/448 323 [email protected]

Voorwoord van de editor

In de huidige maatschappij kent het bouwgebeuren veel facetten en is het een complexe materie geworden. Niet alleen zijn er steeds meer actoren, er worden ook meer en meer rechtstakken betrokken. Deze Duiding is zich bewust van die grote verscheidenheid en probeert een systematiek aan te brengen in dit razendsnel evoluerend kluwen.

Het bouwrecht is echter niet als rechtstak gecodificeerd en is daarom ook niet eenvoudig te duiden. De vele invalshoeken worden in deze Duiding onderzocht, zodat de lezer steeds kan teruggrijpen naar een veilige houvast: wat zegt de wet?

Zo wordt een analyse van het bouwrecht gemaakt vanuit het perspectief van de aannemer, de architect en de consument. Enkele gemeenschappelijke bepalingen inzake veiligheid en bescherming worden grondig geduid. Ook het zakenrecht; contractenrecht; verbintenissenrecht en aansprakelijkheidsrecht ontbreken uiteraard niet in deze analyse. Waar nodig wordt ook de relevante wetgeving in het verzekeringsrecht, het vennootschapsrecht, het economisch recht, het intellectuele eigendomsrecht en het strafrecht geduid.

Vervolgens komen de belangrijkste bepalingen uit het arbeids- en sociale zekerheidsrecht; het fiscaal recht (incl. de nieuwe Vlaamse Codex Fiscaliteit); het milieu- en energierecht en het administratief recht aan bod. Daarbij worden ook enkele aspecten van overheidsopdrachten inzake bouw geduid.

Hoewel deze lijst van besproken bepalingen al erg ruim is, gaat het hier nog steeds slechts om een beperkte selectie. In de toekomt zullen er ook op wettelijk vlak ongetwijfeld nog veel evoluties in deze rechtstak plaatsvinden.

Deze Duiding is tot stand gekomen na een succesvolle samenwerking tussen verschillende auteurs uit verscheidene juridische beroepen. Academici, advocaten, bedrijfsjuristen, magistraten, notariaatsmedewerkers, overheidsjuristen… zorgen voor een multidisciplinaire aanpak en duwen zo het praktische nut voor de lezer de hoogte in. Het uitgangspunt voor deze Duiding was immers om voor de lezer in een praktisch werkbaar instrument te voorzien. Hiervoor werd deels voortgebouwd op de vorige editie van 2010.

Tot slot verdienen ook mevrouw Shanna Maertens en de medewerkers van uitgeverij 'Groep Larcier' een hartelijk woord van dank voor de nauwe opvolging en het behouden van een overzicht.

Indra Arteschene

Editors

Indra Arteschene

Indra Arteschene behaalde haar diploma master in de rechten, afdeling onderzoeksmaster, met grote onderscheiding aan de KULeuven. In de masteropleiding koos zij voor een major handels- en economisch recht en een minor strafrecht. Tegelijk volgde zij ook de twee jaar durende onderzoeksmaster in samenwerking met de Universiteit Tilburg. Na haar studies was zij eerst onderzoeker aan de KU Leuven, waar zij onderzoek deed naar de architectenovereenkomst. Zij was er ook werkzaam als onderwijsassistente in het bijzonder overeenkomstenrecht en het onderhandelen van contracten. Ze publiceerde meerdere teksten inzake het contractenrecht. Momenteel is zij werkzaam aan de FOD Economie, waar zij zich als juriste vooral bezighoudt met het bouwrecht en overheidsopdrachten.

Nick Portugaels

Nick Portugaels behaalde zijn diploma van master in de rechten met grote onderscheiding aan de Universiteit Antwerpen. In de masteropleiding koos hij als aspirant-assistent voor een major in het ondernemingsrecht en een minor in het fiscaal recht. Hij behaalde overigens ook een European Master in Comparative, International and European Law aan de University College Dublin (Ierland).

Auteurs

Zoë Baats

Zoë Baats studeerde in 2010 met onderscheiding af als master in de rechten aan de Universiteit Antwerpen en is sedertdien werkzaam als advocaat aan de balie te Antwerpen bij “Caluwaerts Uytterhoeven Advocaten”. Zij specialiseerde zich in het arbeids- en handelsrecht en bouwde in deze materies een doorgedreven praktijkervaring op. Zoë Baats adviseert particulieren en ondernemingen en verleent hen niet enkel correct juridisch advies, maar staat hen tevens bij in elke fase van een eventueel geschil. Haar dienstverlening beperkt zich niet enkel tot Belgische, maar tevens tot internationale werkrelaties. In 2013 was Zoë Baats co-auteur van de Kids-Codex in de reeks Wet en Duiding (hedendaags gekend als Duiding) van Larcier. Datzelfde jaar werkte zij mee aan de publicatie van een handboek Ontslagrecht. Verder schrijft Zoë Baats als juridisch expert opiniestukken in weekbladen.

Thomas Beelen

Thomas Beelen studeerde in 2005 af als licentiaat in de rechten aan de KU Leuven. Sindsdien is hij advocaat bij de balie Leuven bij het advocatenkantoor BEELEN ADVOCATEN. Hij specialiseerde zich in het publiek recht, in het bijzonder in de materies overheidsopdrachten, ruimtelijke ordening, gemeenterecht, gemeentelijke verzelfstandiging, intergemeentelijke samenwerking en PPS-projecten. Hij is auteur van diverse publicaties, is lid van het genootschap advocaten publiekrecht en is tevens docent voor Escala.

Johan Berghmans

Eonomisch adviseur Confederatie Bouw.

Lotte Bertjens

Lotte Bertjens is sinds 1 oktober 2013 ingeschreven als advocaat-stagiair aan de balie van Antwerpen. Zij is werkzaam bij GSJ Advocaten, vakgroep onroerend goed, aannemingsrecht en overheidsopdrachten, onder leiding van mr. Christophe Lenders. Haar vakgebied betreft voornamelijk overheidsopdrachten en bouwrecht.

Sofie Bouly

Sofie Bouly is advocaat te Brussel, waar zij zich toelegt op het vastgoedrecht in de ruime zin van het woord. Zij is voornamelijk gespecialiseerd is beperkt zakelijke rechten - waaronder opstalrechten, erfpachtrechten en erfdienstbaarheden - en appartementsmede-eigendom. Sofie Bouly is tevens verbonden aan de KU Leuven als vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Goederenrecht. Recent doctoreerde zij aan de KU Leuven met een proefschrift omtrent de onroerende natrekking en horizontale eigendomssplitsingen.

Frank Burssens

Frank Burssens is advocaat in bouw- en vastgoeddossiers. Tevens is hij auteur van enkele monografieën en van verschillende artikels in boeken en juridische tijdschriften en spreker op seminaries. Hij is oprichter en vennoot bij Everest Advocaten.

Paul Cambie

Paul Cambie is sinds 1997 attaché bij de dienst Handelsreglementering van de Federale Overheidsdienst Economie, welke dienst als taak heeft de opvolging en aanpassing van de wetgeving omtrent handelspraktijken en consumentenbescherming. Daarnaast is hij ook secretaris van de Commissie voor Onrechtmatige Bedingen, een adviesorgaan inzake onrechtmatige bedingen. Hij schreef het boek Onrechtmatige bedingen (Larcier, 2009, 478 p.), een eerste standaardwerk over de toepassing van de wetgeving inzake onrechtmatige bedingen. Daarnaast schrijft hij geregeld commentaren over onrechtmatige bedingen in de rechtspraak. Hij is licentiaat in de rechten (KU Leuven, 1994), postgraduaat in de bedrijfseconomie (VLEKHO, 1995), en postgraduaat in het vennootschapsrecht (KUB, 1998).

Nicolas Carette

Nicolas Carette is professor Zakenrecht en Privaatrecht aan de Universiteit Antwerpen. Hij is tevens Co-Algemeen Directeur van het Interuniversitair Centrum voor Bouwrecht en Onroerend Goed Antwerpen-Leuven (ICBO) en co-hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Bouwrecht en Onroerend goed (TBO). Hij is auteur van talrijke gezaghebbende internationale en nationale wetenschappelijke publicaties en een veelgevraagd spreker voor studiedagen en congressen. Nicolas Carette is advocaat-vennoot bij Carette Soete Advocaten.

Nicolas Carette behaalde in 2005 met grootste onderscheiding de titel van master in de rechten aan de KU Leuven. Van 2005 tot 2011 was hij als aspirant FWO-Vlaanderen en (doctor)assistent verbonden aan het Instituut Contractenrecht van de KU Leuven. In 2011 promoveerde hij met een proefschrift over Derdenbeding tot doctor in de rechten. Zijn proefschrift werd bekroond met de prestigieuze Driejaarlijkse Prijs van het Antwerps Notariaat (2013).

Elke Casteleyn

Elke Casteleyn vatte haar rechtenstudies aan in 2003 aan de Universiteit te Gent en studeerde er af in 2007. Op 3 september 2007 legde zij de eed af als advocaat voor het Hof van Beroep te Gent. Elke Casteleyn was werkzaam in het Advocatenkantoor De Wolf te Etikhove en Gent en L&P Advocaten te Brugge. In januari 2014 richtte zij het kantoor Casteleyn Advocaten te Lokeren op. Een maand later trad zij met haar kantoor toe tot het netwerk van advocaten Alinea. Elke Casteleyn specialiseert zich in het administratief recht in het algemeen en overheidsopdrachten en PPS in het bijzonder. Daarnaast leg zij zich tevens toe op het private bouwrecht.

Tine Cottenie

Tine Cottenie is gespecialiseerd in het aannemingsrecht, bouwrecht en onroerend goedrecht (koop-verkoop, huur, erfpacht en opstal, erfdienstbaarheden, mede-eigendom en appartementsrecht, burenhinder, …). Zij is tevens actief in het domein van het algemeen verbintenissenrecht.

Daarnaast verleent zij ook bijstand in het kader van gerechtelijke reorganisaties (WCO - Wet betreffende de Continuïteit van Ondernemingen) in de bouw- en aannemingssector.

Sinds 2013 is ze lid van de Balie van Kortrijk en werk ze voor het kantoor Odigo Kortrijk.

Cedric Degreef

Cedric Degreef is advocaat bij het departement Energie van Stibbe te Brussel. Hij focust op Europese energierechtelijke wetgeving, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, infrastructuur, tarieven en klimaatrecht. Cedric Degreef behaalde een LL.M. in Europees recht aan de University College London (UCL) en een bachelor en master in de rechten aan de Universiteit Antwerpen. In 2010 nam hij deel aan de European Law Moot Court Competition. Hij is auteur van verschillende publicaties inzake energierecht.

Eric Degryse

Eric De Gryse is vennoot in het advocatenkantoor Simont Braun te Brussel. Hij is gespecialiseerd in intellectuele rechten en heeft een brede ervaring met de procesvoering rond uitvindingsoctrooien en de bescherming en exploitatie van nieuwe technologieën.

Hij publiceerde verschillende bijdragen rond intellectuele rechten, is redactielid van het Tijdschrift Belgisch Handelsrecht (werkgroep intellectuele eigendom) en actief in tal van internationale organisaties op het gebied van de intellectuele eigendom.

Na studies in de rechten te Namen, Leuven en Trier (Duitsland, LLM) bleef hij verbonden aan het Centrum voor Intellectuele Rechten (KU Leuven). Eric De Gryse is thans docent aan de Universiteit te Luik (DEA en droit de la concurrence et propriété intellectuelle) en gastprofessor aan de UGent (LL.M. in European Law).

Dirk De Keuster

Dirk De Keuster studeerde rechten te Leuven en te Straatsburg van 1986 tot 1991. Hij volgde tevens het MBA-programma van het de Universiteit Antwerpen (RUCA) in de periode 1991-1992. Dirk De Keuster startte zijn professionele loopbaan in 1992 op het kabinet van mevrouw Wivina Demeester, toenmalig Vlaams minister van Financiën en Begroting. Hij was onder meer betrokken bij de grote economische dossiers in de crisisperiode 1992-1994. De financiële moeilijkheden bij de Liefkenshoektunnel (1994-1995) en de noodzaak tot herstructurering zette hem op het spoor van de Publiek-Private Samenwerking. Vanaf 1996 was hij ook mede verantwoordelijk voor het gebouwenbeheer en begeleidde onder meer de overheidsopdrachten voor de huisvesting van de Vlaamse overheid in de Brusselse Noordwijk. Dirk De Keuster verliet het kabinet in 1999 en legde de eed af als advocaat op 1 maart 1999 voor het Hof van Beroep te Brussel. Mr. Dirk De Keuster nam in 2008 de leiding op zich van het public law departement bij het advocatenkantoor Laga. Hij verliet Laga in oktober 2009 en richtte zijn eigen kantoor op dat deel uit maakt van het Alinea-netwerk. Naast begeleiding bij overheidsopdrachten en PPS-projecten, vertegenwoordigt Mr. Dirk De Keuster cliënten voor rechtbanken en hoven met in begrip van het Hof van Justitie, het Grondwettelijk Hof en de Raad van State. Hij publiceerde diverse artikelen over PPS, regionale fiscaliteit, overheidsopdrachten en administratief recht. Dirk De Keuster is lid van de Orde van Advocaten te Antwerpen.

Stefaan Desrumaux

Stefaan Desrumaux is advocaat gespecialiseerd in het aannemingsrecht, bouwrecht en onroerend goedrecht (koop-verkoop, erfdienstbaarheden, mede-eigendom en appartementsrecht, leegstand, burenhinder, …), en met een bijzondere expertise op het vlak van huurrecht. Daarnaast is hij tevens actief in de praktijkgebieden milieurecht en stedenbouw, en heeft hij een bijzondere interesse en ervaring in het pachtrecht en het agrarisch recht.

Hij verleent ook regelmatig bijstand in het kader van gerechtelijke reorganisaties in de bouw- en aannemingssector.

Michiel Deweirdt

Michiel Deweirdt is sinds 2003 advocaat aan de balie van Kortrijk en Gent. Hij is vennoot bij Odigo Advocaten. In 2002 studeerde hij af aan de UGent en een jaar later behaalde hij het diploma van licentiaat in het Milieurecht. Daarna volgde hij ook een aanvullende academische opleiding 'droit de l'environnement et droit public immobilier' aan de Facultés Universitaires Saint-Louis. Hij is hoofdzakelijk actief in het milieu- en stedenbouwrecht en het vastgoedrecht. Van 2010 tot en met 2014 was hij voorzitter van de Expertencommissie Onroerend en Erfgoed en sinds 1 januari 2015 Voorzitter van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed van het Vlaamse Gewest. Tevens is hij plaatsvervangend vrederechter van het derde kanton Gent.

Dieter Dilliën

Dieter Dilliën is advocaat aan de balie van Brussel sinds 2011 en is werkzaam bij het departement Tax van het advocatenkantoor Stibbe te Brussel. Hij is actief in het Belgisch en internationaal fiscaal recht en focust zich met name op fiscale geschillen en dossiers inzake vastgoedtransacties, M&A, de financiële sector en overheidsfiscaliteit.

Vincent Dooms

Vincent Dooms is Raadsheer in het Arbeidshof te Gent en behandelt sedert meer dan 20 jaar dossiers van zowel louter arbeidsecht als sociale-zekerheidsrecht. Hij is tevens aangewezen om te zetelen in de gespecialiseerde correctionele kamer van het Hof van Beroep te Gent voor dossiers van sociaal strafrecht. Naast zijn rechtsprekende taak in het arbeidshof is hij plaatsvervangend voorzitter van de Kamer van Beroep van het Riziv in dossiers van conformiteit en overconsumptie.

Wouter Geldhof

Wouter Geldhof is advocaat aan de balie van Brussel sinds 2000. Hij is partner bij advocatenkantoor Stibbe te Brussel sinds 2010 waar hij zich concentreert op de contractuele en regulerende aspecten van het energierecht, met inbegrip van o.a. regulerende aspecten van de exploitatie van netwerken (tarieven, investeringsplannen, aansluiting, enz.), de vrijstelling van het regulerende regime voor grote nieuwe energie-infrastructuurwerken, hernieuwbare-energieprojecten (windturbines onshore en offshore, zonne-energie, biomassa, CHP, warmte), de bouw van en de aansluiting op het netwerk van elektriciteitscentrales, de transparantievereisten op de gas- en elektriciteitsmarkt, elektriciteits- en gas(leverings)contracten, CO2-emissiehandel, flexibele Kyoto-mechanismen en ERPA's. Wouter verleent regelmatig bijstand aan overheden voor het opstellen van wetgevende teksten in het domein van energie en klimaatverandering.

Maarten Hoebeeck

Maarten Hoebeeck is advocaat aan de balie van Brussel sinds 2009. Hij is werkzaam bij advocatenkantoor Stibbe, waar hij werkt op het departement Real Estate and Construction. maarten concentreert zich voornamelijk op bouw- en vastgoedrecht, evenals op aansprakelijkheidsrecht. Hij specialiseert zich - zowel op transactioneel, als op procedureel vlak - in zowel nationale als internationale aannemings- en ontwerpcontracten en in grote PPS en industriële projecten.

Johan Kerremans

Johan Kerremans is advocaat-vennoot bij Janson Baugniet cvba en wetenschappelijk medewerker in de onderzoeksgroep Sociale Concurrentie en Recht aan de Universiteit Antwerpen. Hij studeerde Rechten aan de VUB (1995) en behaalde een Master na Master in het sociaal recht (VUB 2000). Hij legt zich toe op het individueel en collectief arbeidsrecht en de internationale tewerkstelling. Hij is auteur van diverse publicaties en een regelmatige spreker over diverse aspecten van tewerkstelling.

Lotte Maes

Lotte Maes is advocaat bij GD&A Advocaten. Zij legt zich toe op het bouw- en aannemingsrecht, de uitvoering van overheidsopdrachten en ruimtelijke ordening en stedenbouw. Zij behaalde haar diploma master in de Rechten aan de KU Leuven en aan de Université de Poitiers (2007). In 2009 voltooide zij een master na master in het Internationaal en Europees Recht aan de VUB. In 2012 behaalde zij het diploma Postgraduaat in de Vastgoedkunde aan de KU Leuven. Lotte Maes is sedert september 2013 verbonden aan de balie te Turnhout. Voorheen was zij actief aan de balie te Hasselt, waar zij werkzaam was bij het kantoor Monard-D'Hulst (2009-2013).

Karel Marchand

Karel Marchand is adviseur op het kabinet van de Minister van Economie Kris Peeters, meer bepaald in de beleidscel consumentenbescherming en economische reglementering. Hij is naar het kabinet gedetacheerd vanuit de Belgische Mededingingsautoriteit, waar hij de functie van auditeur bekleedt. Hij is lid van diverse juridische redacties en tevens vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de Faculteit Rechten van de Universiteit Gent, Vakgroep Economisch Recht.

Cindy Meynendonckx

Cindy Meynendonckx is sinds 1 oktober 2008 advocaat - stagiair aan de Antwerpse Balie. Ze is sindsdien werkzaam bij GSJ - Advocaten. Van 2008 - 2011 liep ze stage bij Mr. Christophe Lenders, sinds 2011 en na opname op het Tableau werd ze zijn medewerkster.

Cindy Meynendonckx is gespecialiseerd in de uitvoering van overheidsopdrachten en het algemeen aannemingsrecht en bouwrecht. Verder adviseert zij bij de opmaak van en de discussies omtrent overeenkomsten en dan meer in het bijzonder omtrent aannemings- en architectenovereenkomsten, maar ook DBFM overeenkomsten e.a.. Ook problemen in verband met zakenrechtelijke materies en huurrecht behoren tot haar voorkeurmateries.

Nathalie Mortelmans

Nathalie Mortelmans behaalde haar diploma master in de rechten in 2013 aan de Universiteit Antwerpen, waarbij zij bijzondere interesse had voor het administratief- en publiekrecht. Sedertdien is zij actief als advocaat aan de balie te Mechelen bij advocatenkantoor GD&A, waar zij zich voornamelijk toelegt op dossiers inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.

Els Op de Beeck

Els Op de Beeck is sinds augustus 2007 advocaat aan de balie van Antwerpen bij Schoups Advocaten. Zij richt zich hoofdzakelijk op het bouw- en vastgoedrecht, zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk en zowel binnen als buiten een gerechtelijke procedure.

Jan Opsommer

Jan Opsommer is advocaat aan de balie te Oudenaarde sinds oktober 2000. Hij is voornamelijk actief in dossiers van agrarisch recht, ruimtelijke ordening, milieurecht en administratief recht. In oktober 2006 werd hij tevens benoemd tot plaatsvervangend rechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde. Hij geeft regelmatig lezingen en behoort tot verschillende redactieraden (T. Agr. R., TOO en O24Vets).

Wim Panis

Wim Panis is advocaat-vennoot van het kantoor Stibbe en redactielid voor het Tijdschrift voor Fiscaal Recht. Hij heeft een brede praktijk in het Belgisch en internationaal fiscaal recht en interesseert zich in het bijzonder in de vastgoedfiscaliteit, de fiscaliteit van de publieke sector en fiscale geschillen.

Liesbeth Peeters

Liesbeth Peeters is Licentiaat in de Rechten (KU Leuven en Surrey University, Guildford, UK) en haalde daarnaast een Advanced Masterdiploma in Energy and Environmental Law aan de KU Leuven.

Na drie jaar werkzaam geweest te zijn aan de balie van Brussel, bij het advocatenkantoor DLA Piper UK LLP, in het departement Regulatory, vervoegde ze in oktober 2007 het kantoor Beelen Advocaten te Leuven.

Liesbeth specialiseert zich in het administratief recht in het algemeen en meer in het bijzonder in het milieurecht, ruimtelijke ordening, PPS, overheidsopdrachten en gemeenterecht. Ze staat dagelijks in voor de advisering van lokale besturen en procedures in deze aangelegenheden.

Anneleen Quirynen

Anneleen Quirynen is advocaat aan de balie van Brussel sinds 2012. Zij is werkzaam bij advocatenkantoor Stibbe, waar zij werkt op het departement Real Estate and Construction. Anneleen concentreert zich voornamelijk op bouw- en vastgoedrecht, evenals op aansprakelijkheidsrecht. Zij specialiseert zich - zowel op transactioneel, als op procedureel vlak - in zowel nationale als internationale aannemings- en ontwerpcontracten en in grote PPS en industriële projecten.

Anneleen is tevens master in het notariaat en gewezen praktijkassistente personen- en familierecht aan de KU Leuven, gewezen academisch medewerker zakenrecht aan de Universiteit Antwerpen. Thans coördineert zij de rechtspraak voor het Tijdschrift voor Bouwrecht en Onroerend Goed.

Thomas Soete

Thomas Soete is sinds 2001 advocaat en legt zich toe op o.a. ondernemingsrecht, vastgoedrecht en algemeen burgerlijk recht.

Hij werd in 2001 met onderscheiding licentiaat in de Rechten (KU Leuven) en Kandidaat in Geschiedenis (OT&NT – KU Leuven). In 2004 behaalde hij eveneens een License en Fiscalité (ULB).

Hij is thans advocaat-vennoot bij Carette Soete Advocaten. Hij is sinds 2001 actief als advocaat, dit eerst te Brussel bij het kantoor de le Court & Wahis en later vanaf 2005 in het kader van huidig kantoor. Van 2006 tot 2012 was hij praktijkassistent aan de KU Leuven bij het Instituut voor Contractenrecht en tijdens het academiejaar 2013-14 praktijkassistent Zakenrecht aan de Universiteit Antwerpen. Hij publiceert en geeft regelmatig lezingen over vastgoedrecht (o.a. over huurrecht en appartementsrecht).

Joseph Spinks

Joseph Spinks is advocaat bij Linklaters in het Real Estate department. Hij studeerde rechten aan de KU Leuven (2005) en behaalde een master in de economie aan de Univeristà Commerciale Luigi Bocconi (2006). Sinds 2006 is hij verbonden aan de balie te Brussel. Hij behandelt voornamelijk dossiers inzake vastgoed- en bouwrecht en heeft een solide kennis van verbintenissenrecht en commercieel recht. Zijn vastgoedervaring omvat een ruim assortiment aan complexe vastgoedtransacties (zowel asset deals als Real Estate M&A) en bouwprojecten.

Wannes Thyssen

Wannes Thyssen is sinds 2007 medewerker bij LDR Advocaten, een kantoor gespecialiseerd in ruimtelijke ordenings- en milieurecht. Wannes genoot na zijn opleiding in de rechten een aanvullende opleiding in de ruimtelijk planning.

Sinds 4 augustus 2011 is hij opgenomen in het register van erkend ruimtelijk planners. Tijdens de eerste jaren van zijn stage volgde hij aanvullend ook de master in het milieurecht. Met deze combinatie van diploma's kan hij zich toeleggen op adviesverlening in stedenbouwzaken, vaak met milieugerelateerde aspecten.

Pieter Van Assche

Pieter Van Assche studeerde in 2003 af als jurist (Ugent) en behaalde een jaar later een MANAMA Milieurecht. In 2009 voltooide hij een opleiding tot Milieucoördinator type B. Sedert 2004 is hij werkzaam als advocaat bij Frans Baert & Vennoten in Gent, waar hij in 2011 vennoot werd. Sedert 2007 heeft hij ook een bijkantoor in Temse. Hij legt zich toe op het ruimtelijke ordeningsrecht en milieurecht. Advisering, onderhandelingen, bezwaarschriften en procedures voor administratieve en gerechtelijke instanties behoren tot zijn dagelijks werkveld. Ook procedures inzake leegstand en de burgerrechtelijke afhandeling inzake erfdienstbaarheden, gemene muur, lichten en zichten komen hierbij geregeld aan bod, net als de Vlaamse Wooncode.

Johan Vanstipelen

Johan Vanstipelen behaalde zijn diploma rechten aan de KU Leuven in 1995. In 1996 behaalde hij nog een aanvullend diploma Zakelijke Taalbeheersing aan de KU Leuven (faculteit Letteren).

Sedert 1996 is Johan advocaat aan de Balie te Leuven bij het advocatenkantoor "BEELEN ADVOCATEN" waar hij zich van de eerste dag specialiseerde in het administratief recht in het algemeen en meer in het bijzonder inzake Ruimtelijke Ordening en Stedebouw, Overheidsopdrachten en Milieurecht.

Sedert 2009 is Johan ook onafgebroken lid van de Raad van de Orde van advocaten te Leuven waar hij diverse functies waarnam. Vanaf GJ 2015-2016 zal hij ook het mandaat opnemen van Ombudsman voor de Leuvense balie.

Leentje Van Valckenborgh

Leentje Van Valckenborgh behaalde haar diploma licentiaat in de rechten aan de UGent in 2004 met grote onderscheiding. In 2007 behaalde zij het diploma Master na Master Vennootschapsrecht aan de KUB-KUL met onderscheiding. Sinds 2004 is zij actief als advocaat aan de balie van Dendermonde met bijzonder expertise in het contracten –en bouwrecht. Sedert 2007 is zij ook als deeltijds praktijkassistent verbonden aan de UGent bij de Vakgroep Burgerlijk recht (thans Metajuridica, Privaat- en Ondernemingsrecht). Zij is tevens lid van het Centrum voor Verbintenissenrecht en is auteur van verschillende publicaties.

Stephane Vereecken

Stephane Vereecken behaalde zijn diploma licentiaat in de rechten aan de UGent in 2001, met bijkomend getuigschrift opleidingsonderdeel Medisch Recht. In 2006 behaalde hij het diploma Master Business Law UA. Sinds 2001 is hij actief als advocaat, eerst aan de balie van Mechelen, vervolgens aan de balie van Gent met inschrijving tot op de dag van vandaag. Binnen de advocatuur verleent hij bijstand in het kader van arbitrage of zetelt als arbiter. Tevens is hij praktijkassistent vakgroep burgerlijk recht UGent (sinds 2002), bestuurslid van diverse redacties (RABG, 02vets, Wet en Duiding) en medewerker Centrum voor Verbintenissenrecht.

Andy Verhaegen

Andy Verhaegen was na zijn studies in 2005 aan KU Leuven werkzaam bij het advocatenkantoor Tavarius en aangesloten aan de balie te Mechelen. Sinds 1 september 2014 heeft hij zich vervoegd bij het advocatenkantoor Konsilio te Mechelen,alwaar hij de dossiers inzake fiscaliteit behandelt. Daarnaast publiceert hij regelmatig artikelen over fiscaliteit.

Simon Verhoeven

Simon Verhoeven is sinds 1 oktober 2012 ingeschreven als advocaat-stagiair bij de balie van Antwerpen onder het stage meesterschap van mr. Christophe Lenders, bij GSJ Advocaten. Zijn vakgebied betreft voornamelijk het overheidsopdrachtenrecht, het bouwrecht en het algemeen administratief recht.

Rony Vermeersch

Rony Vermeersch is advocaat te Brussel en vennoot van het kantoor Stibbe. Hij is actief op het vlak van het onroerend goed, bouwrecht en aansprakelijkheidsrecht. Hij specialiseert zich in aanneming en engineering, bouwpromotie, publiek- private samenwerking, joint ventures, industriële projecten en productaansprakelijkheid. Naast het onderhandelen van contracten en het opzetten van structuren in deze materies, treedt Rony Vermeersch ook op in de beslechting van geschillen in dossiers met een bijzondere technische inslag.

Ruben Volckaert

Ruben Volckaert studeerde in 2012 af als Master in de Rechten aan de Universiteit van Gent.

Sedert 2012 is hij actief als advocaat aan de balie van Gent. In het eerste jaar van zijn stage behaalde Ruben Volckaert de overwinning op de jaarlijkse pleitwedstrijd George Debra van de Gentse balie.

Op professioneel vlak is Ruben Volckaert actief in het burgerlijk- en handelsrecht, met vastgoedrecht als bijkomende specialisatie. Sedert 2014 is hij ook docent bij Syntra Midden-Vlaanderen voor het vakgebied recht bij de vastgoedmakelaars en vastgoedpromotoren.

Daarnaast is hij auteur en medeauteur van verschillende juridische naslagwerken en andere publicaties.

Joris Wouters

Joris Wouters is sinds 2003 advocaat bij GSJ Advocaten te Antwerpen. Hij specialiseerde zich in het bouwrecht in het algemeen en in het overheidsopdrachtenrecht in het bijzonder. Hij behandelt hoofdzakelijk dossiers die betrekking hebben op de plaatsing en uitvoering van overheidsopdrachten en dit zowel in het kader van gerechtelijke procedures als in het kader van adviesverlening. Daarnaast is hij regelmatig spreker op studiedagen en seminaries over overheidsopdrachten.

Gebruiksaanwijzing

Geachte lezer,

Als vertrekpunt wordt het vigerend recht opgenomen.

Toekomstige versies van artikelen worden opgenomen onder het vigerend artikel in een kleiner lettertype, voorafgegaan door een duidelijke titel.

Een uitzondering hierop vormen nieuwe artikelen die ingevoegd worden voor de toekomst. Deze kunnen niet onder een bestaand artikel geplaatst worden, en worden bijgevolg enkel opgenomen in kleine druk.

De teksten zijn verrijkt met wetshistoriek.

Volgende iconen worden gebruikt:

– Annotaties in verband met de (niet-)conformiteit met de officiële wettekst

Art.29.

- Beëindiging

1.Deze Overeenkomst blijft voor onbepaalde tijd van kracht. Elk van overeenkomstsluitende Staten kan ze echter door middel van een voorafgaande kennisgeving van ten minste zes maanden langs diplomatieke weg, vanaf het vijfde jaar dat volgt op het jaar waarin de Overeenkomst in werking is getreden, opzeggen voor het einde van een kalenderjaar.

1

2.In dat geval zullen de bepalingen van de Overeenkomst voor de laatste maal van toepassing zijn:

a)op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld ten laatste op 31december van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan;

b)op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die eindigen voor 31december van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan.

1.–Tekst conform B.S.; lees «Elk van de overeenkomstsluitende Staten» i.p.v. «Elk van overeenkomstsluitende Staten»

– Annotaties die de wetshistoriek weergeven: icoon

Art.239.

1[De Koning bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de gemeenten, evenals deze betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de taken van hun rekenplichtigen.]1

1.–Vervangen bij art.4 wet 27mei 1989, B.S., 30mei 1989

– Annotaties in verband met de inwerkingtreding: icoon

Art.16.

De juridische entiteiten bedoeld in artikel14 1[waarover de Bank de exclusieve controle bezit,]1 zijn onderworpen aan de controle van het Rekenhof.

1.Inwerkingtreding: 1juni 2003 (art.1, lid1, 4°, K.B. 3april 2003, B.S., 29april 2003)

– Annotaties die signaleren dat bepalingen niet in extenso worden opgenomen: icoon

Art.23.

(...)

1

1.- Wijzigt Decr. Vl. R. 3 mei 1989 Adoptie, erkenning diensten

– Annotaties die verwijzen naar de teksten van de andere Gemeenschappen en Gewesten: icoon

Art.239.

1[De Koning bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de gemeenten, evenals deze betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de taken van hun rekenplichtigen.]1

2

1.–Vervangen bij art.4 wet 27mei 1989, B.S., 30mei 1989

2.–Wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, luidt dit art. als volgt:

Art.239.

3[De 4[Brusselse Hoofdstedelijke Regering]4 bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de gemeenten, evenals deze betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de taken van hun rekenplichtigen.]3

3.–Vervangen bij art.4 wet 27mei 1989, B.S. 30mei 1989

4.–Gewijzigd bij art.43 Ord. Br. Hoofdst.R. 17juli 2003, B.S. 7oktober 2003, inwerkingtreding: 1januari 2003 (art.45)

I. De aannemer
Inhoudsopgave
A. De aannemingsovereenkomst
B. De beroepsbekwaamheid van de aannemer
C. De erkenning van de aannemer
D. Afschaffing registratieplicht
E. Hoofdelijke aansprakelijkheid
F. De tijdelijke handelsvennootschappen
G. De werfmelding
A. De aannemingsovereenkomst
Wet 21 maart 1804 – Burgerlijk Wetboek (uittreksel art. 1787–1799)
Wet 21 maart 1804 Burgerlijk Wetboek (B.S. 3 september 1807)
(Uittreksel)
Boek III - Op welke wijze eigendom verkregen wordt
Titel VIII - Huur
Hoofdstuk III - Huur van werk en van diensten
Afdeling III - Bestekken en aannemingen
Art. 1787.
Wanneer men iemand belast met het maken van een werk, kan men overeenkomen dat hij alleen zijn arbeid of zijn diensten, ofwel dat hij ook de stof zal verstrekken.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
Een aannemingsovereenkomst komt tot stand door de loutere wilsovereenstemming der partijen over de substantiële elementen ervan (een consensuele overeenkomst). Wordt de prijs niet uitdrukkelijk bepaald, dan kan deze impliciet worden afgeleid zowel uit de wet, als uit de gebruiken, als uit de overeenkomst zelf (Brussel, 5 februari 1996, JLMB 1996, 1316). Niet alleen materieel werk, maar ook intellectueel werk valt onder het toepassingsgebied van artikel 1787 B.W.
Art. 1788.
Ingeval de werkman de stof verstrekt en de zaak op welke wijze ook teniet gaat voordat zij geleverd is, komt het verlies voor rekening van de werkman, tenzij de opdrachtgever in gebreke was om de zaak te ontvangen.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
Artikel 1788 BW is van toepassing wanneer de aannemer zowel de arbeid als de stof verschaft. Dit artikel regelt enkel de risico-overdracht maar geenszins de eigendomsoverdracht (Cass. 16 juni 1995, AC 1995, 621, concl. Bresseleers; Bull. 1995, 643; Pas. 1995, I, 643; RW 1996-97, 1428 en T.Aann. 1997, 30). Zolang de aannemer de zaak materieel niet heeft geleverd, blijft het risico van het geheel of gedeeltelijke tenietgaan van de zaak ter zijner lasten (Cass. 24 september 1981, AC 1981-92, 131; Bull. 1982, 124; JT 1982, 57; Pas. 1982, I, 124 en RW, 1982-83, 1062). Artikel 1788 BW wijkt bijgevolg af van de solo consensu regel in artikel 1138 BW, die stelt dat de overdracht van eigendom tussen partijen geschiedt zodra de verbintenis om een zaak te leveren door wilsovereenstemming is ontstaan.
Artikel 1788 BW belet niet dat bij het tenietgaat van de zaak door de fout van een derde, de aannemer zich tegen deze derde verhaalt (Cass. 19 februari 1864, Pas. 1864, I, 179).
Art. 1789.
Ingeval de werkman alleen zijn arbeid of zijn diensten verstrekt en de zaak teniet gaat, is hij slechts voor zijn schuld aansprakelijk.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
Artikel 1789 BW regelt enkel het risico van verlies van de stof wanneer deze door de opdrachtgever werd geleverd. De aannemer wordt als bewaarnemer van de stof gekwalificeerd. Op deze laatste berust dan ook een plicht tot teruggave. Gaat de zaak teniet dan geldt er een wettelijk vermoeden van fout in hoofde van de aannemer. De weerlegging van dit vermoeden geschiedt door het positief bewijs te leveren dat de zaak teniet is gegaan door toeval en buiten zijn toedoen (Cass. 18 februari 1892, Pas. 1892, I, 115).
Art. 1790.
Indien, in het geval van het vorige artikel, de zaak teniet gaat, zelfs buiten enige schuld van de werkman, voordat het werk ontvangen is en zonder dat de opdrachtgever in gebreke was het werk goed te keuren, kan de werkman geen aanspraak maken op loon, tenzij de zaak is teniet gegaan door een gebrek in de stof.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
In aanvulling van artikel 1789 BW, bepaalt artikel 1790 BW de risicoregeling bij verlies van arbeid wanneer de aannemer uitsluitend arbeid verricht.
Art. 1791.
Wanneer een werk bij het stuk of bij de maat vervaardigd wordt, kan de goedkeuring ervan bij gedeelten geschieden; zij wordt geacht te zijn gedaan voor al de betaalde gedeelten, indien de opdrachtgever de werkman telkens betaalt naar verhouding van hetgeen is afgewerkt.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
1. De goedkeuring of de aanvaarding is een eenzijdige rechtshandeling. Deze rechtshandeling doet het risico van verlies van de zaak overgaan op de opdrachtgever. Zij stelt de aannemer, belast met de oprichting van een gebouw, vrij van zijn aansprakelijkheid voor de zichtbare gebreken, niet voor de verborgen gebreken (Cass. 18 mei 1961, Pas. 1961, I, 1106; Cass. 13 maart 1975, AC 1975, 783; Pas. 1975, I, 708 en T.Aann. 1977, 302).
2. De tienjarige aansprakelijkheid van de aannemer en architect vangt aan bij de definitieve oplevering (Cass. 4 maart 1977, AC 1977, I, 730; Pas. 1977, I, 721 en RW 1976-77, 2413). De tienjarige termijn begint echter te lopen vanaf de voorlopige oplevering wanneer de partijen overeenkomen dat de aanvaarding van de werken gepaard gaat met de voorlopige oplevering (Cass. 24 februari 1983, AC 1982-83, 808, noot; Bull. 1983, 716; JT 1983, 575; Pas. 1983, I, 716; RCJB 1985, 400, noot J. Herbots; RW 1983-84, 164; Res Jur.Imm. 1984, 105; Rev.not.b. 1983, 315; T.Aann. 1983, 221).
3. Ook bij de toepassing van de Wet Breyne kunnen de partijen stipuleren dat de voorlopige oplevering geldt als startschot voor de tienjarige aansprakelijkheid (Cass. 24 februari 1983, T.Aann. 1983, 211; AC 1982-93, 808).
4. Herstellingen doen geen nieuwe termijn van tien jaar starten tenzij deze grote werken behelzen (Cass. 9 december 1988, AC 1988-89, 440, advies J. Du Jardin; Bull. 1989, 401, noot; Pas. 1989, I, 401, noot; RW 1988-89, 1229, advies J. Du Jardin; RW 1988-89, 1232, noot G. Baert; T.Aann. 1989, 223, noot S. Sonck).
5. De goedkeuring geschiedt op een uitdrukkelijke of stilzwijgende wijze. Wanneer de bouwheer een zodanig lange termijn laat verstrijken na de ontdekking van het gebrek, kan deze houding alleen worden verstaan als een impliciete aanvaarding (Cass. 15 september 1994, AC 1994, 748; Bull. 1994, 730; Pas. 1994, I, 730; JT 1995, 68; R.Cass. 1995, 31, noot G. Baert; RGAR 1995, nr. 12.471; JLMB 1995, 1068, noot B. Louveaux, noot R. De Briey; RW 1995-96, 454, noot). De stilzwijgende goedkeuring wordt geldig geacht niettegenstaande een contractuele bepaling die een schriftelijke oplevering eist. Dit is niet het geval wanneer de aannemingsovereenkomst uitdrukkelijk een stilzwijgende goedkeuring verbiedt (Cass. 24 oktober 1963, Pas. 1964, I, 197).
Art. 1792.
Indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, zijn de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaren aansprakelijk.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
1. De tienjarige aansprakelijkheid van de architect en de aannemer vloeit voort uit de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek en veronderstelt dat de bouwwerken werden verricht in het kader van een aannemingsovereenkomst. Zij is bijgevolg van contractuele aard (Cass. 17 oktober 1968, AC 1969, 188 en Pas. 1969, I, 181). De tienjarige aansprakelijkheid dekt niet de quasi-delectuele aansprakelijkheid van de architect of aannemer (Cass. 5 februari 1981, AC 1980-81, I, 632 en Pas. 1981, I, 613). Artikel 1792 is niet van toepassing bij een verkoop door een aannemer van een gebouw dat hij eerder voor zichzelf had opgericht (Cass. 8 juni 1979, AC 1978-79, 1177 en Pas. 1979, I, 1152; Cass. 9 september 1965, Ann. not. 1966, 74, noot P. Mahillon;JT 1965, 577; Pas. 1966, I, 44; RCJB 1967, 42, noot J. Renauld en RW 1967-68, 740). De aannemer is wel gehouden tot vrijwaring voor de gebreken in de verkochte zaak ingevolge artikelen 1641 e.v. BW.
2. De tienjarige aansprakelijkheid geldt ook tussen de onderaannemer en aannemer in het kader van een onderaannemingsovereenkomst (Cass. 5 mei 1967, AC 1966, 1079; Pas. 1967, 1046 en RW 1967-68, 75; Cass. 11 april 1986, AC 1985-86, 1088; Bull. 1986, 983; JT 1987, 85; Pas. 1986, I, 983; RGAR 1987, nr. 11.292; RW 1986-87, 2629, noot J. Embrechts).
3. De opdrachtgever bezit op grond van artikel 1792 BW geen rechtstreeks contractueel vorderingsrecht tegen de onderaannemer. Dat de gebrekkige zaak door een aannemer is geleverd aan zijn opdrachtgever in het raam van een aannemingsovereenkomst, ontslaat de oorspronkelijke verkoper niet van zijn vrijwaringsplicht tegenover deze eindgebruiker. De opdrachtgever heeft, zoals een onderverkrijger, alle rechten en vorderingen verbonden met de zaak die aan de oorspronkelijke verkoper toebehoorden (Cass. 18 mei 2006, NjW 2006, afl. 146, 608, concl. O.M., noot K. Vanhove; RW 2007-08, afl. 4, 147 en concl. G. Dubrulle, noot N. Carette; TBO 2006, afl. 3, 126, concl. O.M., noot W. Goossens).
4. Ook het vorderingsrecht in artikel 1792 BW is een kwalitatief recht. Bij overdracht van de zaak gaat het vorderingsrecht over op de verkrijger zodat deze laatste een vordering kan instellen tegen de architect en aannemer zonder enige tussenkomst van de verkoper-opdrachtgever (Cass. 8 juli 1886, Pas. 1886, I, 300). De reeds ingestelde vorderingen op grond van de tienjarige aansprakelijkheid vóór de verkoop blijven eigen aan de verkoper-opdrachtgever tenzij er in de verkoopsvoorwaarden of in een afzonderlijke akte anders over werd bedongen (Cass. 15 september 1989, AC 1989-90, 70; Bull. 1990, 65; Pas. 1990, I, 65; RCJB 1992, 509, noot J. Herbots; RW 1989-90, 776; TBH 1990, 387, noot E. Dirix).
5. De tienjarige aansprakelijkheid van de aannemer en de architect strekt zich uit tot de grote aannemingswerken van onroerende aard. Hieronder verstaat men niet alleen de initiële aannemingen maar ook de herstellingen na de oplevering die als grote werken worden gekwalificeerd (Cass. 9 december 1988, AC 1988-89, 440, advies J. du Jardin; Bull. 1989, 401, noot; Pas. 1989, I, 401, noot; RW 1988-89, 1229, advies J. du Jardin; RW 1988-89, 1232, noot G. Baert; T.Aann. 1989, 223, noot S. Sonck).
6. Toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid vereist dat er een zichtbaar of verborgen gebrek is, dat op korte of lange(re) termijn de stevigheid van het gehele gebouw of van zijn belangrijkste delen in het gedrang brengt of kan brengen (Cass. 18 november 1983, AC 1983, 323; Bull. 1984, 303; JT 1984, 549; Pas. 1984, I, 303; RW 1984-85, 47; Cass. 11 april 1986, AC 1985-86, 1088; Bull. 1986, 983; JT 1987, 85; Pas. 1986, I, 983; RGAR 1987, nr. 11.292; RW 1986-87, 2629, noot J. Embrechts). Na de aanvaarding der werken, in principe dus vanaf de definitieve oplevering van de werken, wordt de aansprakelijkheid gereduceerd tot de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken, aangezien de zichtbare gebreken worden gedekt door deze aanvaarding, tenzij ze echter de stevigheid van het geheel of een essentieel bestanddeel van het gebouw aantasten (Cass. 18 oktober 1973, AC 1974, 202 en Pas. 1974, 185; Cass. 25 oktober 1985, AC 1985-86, 270; Bull. 1986, 226; Entr. et dr. 1988, 261, noot P.-A. Fouriers; JT 1986 (verkort), 438; Pas. 1986, I, 226; RW 1988-89, 670, noot C. Van Schoubroeck; RW 1992-93, 169, noot W. Nackaert; T.Aann. 1986, 204, noot J. Embrechts). Onder de term verborgen gebreken vallen niet de constructiegebreken die de opdrachtgever reeds bij de eindoplevering kende (Cass. 12 januari 1995, AJT 1995-96, 8, noot J. Vanbelle; AC 1995, 35; Bull. 1995, 35 en Pas. 1995, I, 35).
7. Hieraan moet volledigheidshalve worden toegevoegd dat de aannemer, na de aanvaarding, onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde termijnen eveneens aansprakelijk is voor verborgen gebreken die de stevigheid van het gebouw niet aantasten. Deze vorm van aansprakelijkheid vloeit voort uit rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 25 oktober 1985, AC 1985-86, 270; Bull. 1986, 226; Entr. et dr. 1988, 261, noot P.-A. Fouriers; JT 1986 (verkort), 438; Pas. 1986, I, 226; RW 1988-89, 670, noot C. Van Schoubroeck; RW 1992-93, 169, noot W. Nackaert; T.Aann. 1986, 204, noot J. Embrechts; Cass. 15 september 1994, AC 1994, 748; Bull. 1994, 730; Pas. 1994, I, 730; JT 1995, 68; R. Cass. 1995, 31, noot G. Baert; RGAR 1995, nr. 12.471; JLMB 1995, 1068, noot B. Louveaux, noot R. De Briey; RW 1995-96, 454, noot).
8. Artikel 1792 BW bevat geen wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid van de aannemer of de architect. Artikel 1792 BW is dus geen waarborgbepaling. De opdrachtgever moet niet alleen het bewijs leveren van het gebrek, maar ook het bewijs van de eventueel door het gebrek veroorzaakte schade (Cass. 15 december 1995, AC 1995, 1135; Bull. 1995, 1171; JLMB 1996, 780; Pas. 1995, I, 1171 en T.Aann. 1997, 177, noot A. Delvaux). De schade moet niet actueel zijn. Ook toekomstige schade komt in aanmerking voor zover die zeker is en niet louter theoretisch (Kh. Hasselt, 13 mei 1992, T.Aann. 1995, 19). De aannemer of de architect kunnen zich onttrekken van hun aansprakelijkheid door het bewijs te leveren dat zij aangaande het gebrek in een onoverwinnelijke onwetendheid verkeerden (Cass. 6 oktober 1961, Jur. Comm. Brux. 1963, 186, noot; Pas. 1962, I, 152; RCJB 1963, 5, noot; Res Jur. Imm.,1962, 383 en 1964, 331; RGAR 1962, nr. 6905, noot; RW 1961-62, 783, adv. O.M.).
9. Artikel 1792 BW bepaalt een minimumaansprakelijkheid voor de aannemer en de architect. Dit artikel is van openbare orde voor wat betreft de gebreken die de stevigheid van het gebouw of essentiële bestanddelen ervan in gedrang brengen (Cass. 1 april 1982, AC 1981-82, 963; Pas. 1982, I, 909; Bull. 1982, 909; JT 1983, 309; RW 1984-85, 603; noot). Bijgevolg kan men hun aansprakelijkheid enkel verzwaren en niet verzachten. Zo is een clausule geldig die de aansprakelijkheid van de aannemer verhoogt. De verhoging leidt niet tot een verzachting van aansprakelijkheid in hoofde van de architect, ook al neemt de aannemer taken over van de architect (Cass. 26 januari 1978, AC 1978, I, 635; Pas. 1978, I, 614; RCJB 1974, 542; RW 1978-79, 665). Wanneer de architect en de aannemer elk een fout begaan die tot een zelfde schade leidt, zijn beiden in solidum aansprakelijk (Cass. 17 maart 1949, Pas. 1949, I, 206 en RW 1948-49, 1225; Cass. 2 februari 1979, AC 1978-79, 626; Pas. 1979, I, 629, noot; T.Aann. 1981, 212, noot K. Verberne; Cass. 8 november 1979, AC 1979-80, 300, noot; Pas. 1980, I, 305). Het beding op grond waarvan de architect, in geval van een samenlopende fout met deze van de aannemer, enkel voor zijn aandeel in de totstandkoming van de schade aansprakelijk is en vergoeding verschuldigd is aan de bouwheer, houdt een beperking in van de aansprakelijkheid van de architect jegens de bouwheer op grond van artikel 1792 Burgerlijk Wetboek en is in zoverre strijdig met de openbare orde en ongeoorloofd (Cass. 5 september 2014 NjW 2015, afl. 316, 108, noot Guiliams, S.; RW 2014-15, afl. 17, 668, concl. Vandewal, C.).
10. De opdrachtgever moet een vordering ten gronde instellen binnen de tien jaar (voor het startpunt van deze termijn, zie art. 1791 BW). De proceduretermijn van artikel 1792 BW is een vervaltermijn. Hij is niet vatbaar voor stuiting of schorsing (Cass. 4 maart 1977, AC 1977, I, 730; JT 1977, 621 en Pas. 1977, I, 721; Cass. 17 februari 1989, AC 1988-89, 691; Bull. 1989, 621; Pas. 1989, I, 621; RW 1988-89, 1267, noot G. Baert; Cass. 27 oktober 2006, AC 2006, afl. 10, 2152; Pas. 2006, afl. 9-10, 2190; RABG 2007, afl. 9, 591; RW 2006-07, afl. 35, 1435, noot Vanhove, K.; TBO 2007, afl. 1, 34, noot). De vervaltermijn sluit niet uit dat na deze termijn de eis wordt uitgebreid door middel van een vordering ingesteld op grond van nieuwe gevolgen maar voor een identiek bouwwerk, gebrek en contractuele tekortkoming als de tijdig ingestelde (initiële) vordering ten gronde (Cass. 27 oktober 2006, RABG 2007, afl. 9, 591; RW 2006-07, afl. 35, 1435, noot K. Vanhove; TBO 2007, afl. 1, 34, noot; Cass. 22 december 2006, RW 2006-07, 1439, noot A. Van Oevelen; TBO 2007, 40, noot). De proceduretermijn en de waarborgtermijn (namelijk de termijn waarbinnen de gebreken moeten opduiken) lopen parallel en eindigen tegelijk. Wanneer een gebrek tot uiting komt binnen de termijn van tien jaar, is het niet vereist dat de vordering binnen een redelijke termijn wordt ingesteld (Cass. 2 februari 2006, NjW 2006, afl. 138, 218; Pas. 2006, afl. 2, 270; RW 2005-06, afl. 40, 1590, noot S. Mosselmans).
Art. 1793.
Wanneer een architect of een aannemer het oprichten van een gebouw op zich heeft genomen tegen vaste prijs, volgens een met de eigenaar van de grond vastgelegd en overeengekomen plan, kan hij geen vermeerdering van de prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering van de arbeidslonen of van de bouwstoffen, noch onder voorwendsel van verandering of vergrotingen die in het plan zijn aangebracht, tenzij voor die veranderingen of vergrotingen schriftelijke toestemming is verleend, en de prijs ervan met de eigenaar is overeengekomen.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
1. Artikel 1793 BW is van toepassing wanneer de aannemingsovereenkomst of een gedeelte ervan werd aangegaan voor een vooraf bepaalde en vaste prijs (Cass. 19 februari 1864, Pas. 1864, I, 179; Cass. 29 mei 1981; RW 1981-82, 1746). Bij dit soort overeenkomst draagt de aannemer in principe alle risico's te zijner laste met inbegrip van de meerkosten voor het materiaal, de arbeid en de uitvoeringsmoeilijkheden (Brussel, 11 januari 2006, Res Jur. Imm. 2006, afl. 2, 107). Artikel 1793 BW regelt enkel de verhouding tussen de opdrachtgever en de aannemer. Onderaannemingsovereenkomsten vallen er niet onder, enerzijds aangezien het artikel expliciet spreekt over een met de eigenaar van de grond/bouwheer overeengekomen plan, en anderzijds gezien de ratio legis van dit artikel, zijnde bescherming van de bouwheer (Cass. 8 mei 1964, Pas. 1964, I, 953).
2. Naast de vaste prijs, moet er een voldoende gedetailleerd en vaststaand plan zijn betreffende een op te richten gebouw. In dat geval draagt de aannemer het risico van de meerkost ook al blijken er fouten te zijn in het opmetingsplan gevoegd bij het lastenboek (Cass. 8 mei 1964, Pas. 1964, I, 953; Cass. 2 september 1976, AC 1977, I, 3; Pas. 1977, I., 3).
3. Wanneer een aannemingsovereenkomst aan de aannemer of de bouwheer het recht geeft om tijdens de uitvoering van de werken veranderingen aan het lastenkohier of de plannen aan te brengen, kan artikel 1793 BW geen toepassing vinden (Cass. 25 januari 1852, Pas. 1852, I, 410; Cass. 12 januari 1968, AC 1968, I, 649; Pas. 1968, 606). Bovendien geldt voormeld artikel enkel bij werken die de oprichting van een gebouw omvatten. Verbeterings- of veranderingswerken aan een bestaand gebouw zijn uitgesloten (Cass. 4 oktober 1951, AC 1952, 40; RW 1951-1952, 503; Pas. 1952, I, 43).
4. De feitenrechter oordeelt soeverein of een aannemingsovereenkomst tegen een vaste prijs werd aangegaan en welke werken onder het toepassingsgebied van artikel 1793 BW vallen (Cass. 25 juli 1872, Pas. 1872, I, 435). Het forfaitair karakter belet niet dat er aanvullende werken werden bedongen voor een bepaalde omvang en prijs (Cass. 5 november 1891, Pas. 1892, I, 8) of dat een beding werd ingelast die een aanpassing van de prijs voorziet in functie van de stijging van de salarissen (Cass. 16 maart 1972, AC 1972, 672; Pas. I, 663). Wanneer een aannemingsovereenkomst tegen een vaste prijs talloze wijzigingen heeft ondergaan en het initieel voorwerp hierdoor teloor gaat, dan kan de feitenrechter rechtsgeldig oordelen dat de partijen het toepassingsgebied van artikel 1793 BW hebben willen uitsluiten (Cass. 5 juni 1980, AC 1979-80, 1235, noot; Bull. 1980, 1222, noot; Pas. 1980, I, 1222, noot).
5. Vindt artikel 1793 BW toepassing, dan kan de aannemer een wijziging van de prijs vorderen mits de naleving van een dubbel bewijs: een schriftelijk akkoord van de bouwheer betreffende wijzigingen in of aan het plan en zijn akkoord omtrent de verhoging van de prijs. Enkel bij het eerste bewijs wordt een vormvoorschrift vereist. Er moet namelijk een schriftelijk bewijsstuk geleverd worden. Een begin van bewijs door geschrift aangevuld door getuigenissen of vermoedens is onvoldoende (Cass. 6 december 1984, AC 1984-85, 486; Pas. 1985, I, 434; RW 1984-85, II, 2981).
6. Artikel 1793 BW is niet van dwingend recht. Partijen kunnen er te allen tijden van afwijken hetzij door een beding in de overeenkomst, hetzij door een verbintenis van de bouwheer om de prijs te betalen na de uitvoering van aanvullende werken (Cass. 22 maart 1957, AC 1957, 612; Pas. 1957, I, 887).
Art. 1794.
De opdrachtgever kan de aanneming tegen vaste prijs door zijn enkele wil verbreken, ook al is het werk reeds begonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid, en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
1. Ingevolge haar algemene bewoordingen, vindt artikel 1794 BW toepassing op alle aannemingsovereenkomst voor zover zij hetzij door haar voorwerp, hetzij door een uitdrukkelijke tijdsduur bepaald is (Cass. 13 oktober 1910, Pas. 443; Cass. 4 september 1980, AC 1980-81, 7; Bull. 1981, 7, concl. F. Krings; JT 1981, 99; Pas. 1981, I, 7, concl. F. Krings; RCJB 1981, 523, noot X. Dieux; RW 1980-81, 2686). Het heeft geen belang wie de stof levert, of de aanneming geschiedt tegen forfaitaire prijs, of de aanneming het oprichten van een gebouw beoogt en of er materieel of intellectueel werk wordt geleverd. Ook onderaannemingscontracten vallen onder het toepassingsgebied van artikel 1794 BW.
2. Artikel 1794 BW geeft de opdrachtgever het recht om te allen tijde de overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend te beëindigen mits het betalen van een verbrekingsvergoeding. Dit belet niet dat de opdrachtgever ook op andere gronden de ontbinding van de overeenkomst kan bekomen zonder een vergoeding te moeten betalen (Cass. 19 april 1979, T.Aann. 1981, 124, noot J. De Bock). Wanneer de opdrachtgever failliet wordt verklaard, kan de curator het recht voorzien in artikel 1794 BW in de plaats van zijn gefailleerde uitoefenen (Cass. 7 november 1935, Pas. 1936, I, 38).
3. De schadeloosstelling is van rechtswege opeisbaar. Er wordt geen aanmaning vanwege de aannemer (Cass. 7 december 1978, AC 1978-79, 406; Pas. 1979, I, 407) of contractuele bepaling die voorziet in dergelijke schadeloosstelling (Cass. 16 februari 1984, AC 1983-84, 752; Bull. 1984, 692; Pas. 1984, I, 692; T.Aann. 1992, 55, noot I. Ekierman) geëist. De vergoeding strekt zich uit tot alle reeds uitgevoerde werken, alle bestede kosten alsook de lucrum cessans (ibid.). Een morele schadevergoeding kan slechts worden gevorderd indien de overeenkomst het uitdrukkelijk of stilzwijgend bepaalt of in het geval van een aquiliaanse aansprakelijkheid in hoofde van de opdrachtgever (Cass. 8 oktober 1959, AC 1960, 111; Pas. 1960, I, 164).
4. Artikel 1794 BW is van aanvullend recht. Partijen kunnen het recht om de aanneming éénzijdig te beëindigen en ook de schadeloosstelling zelf bepalen. Zo kunnen partijen bijvoorbeeld bedingen dat geen vergoeding uit hoofde van winstderving verschuldigd is, of kunnen zij een forfaitair bepaalde verbrekingsvergoeding overeenkomen. De forfaitair bepaalde schadevergoeding wordt door het Hof van Cassatie (in principe) niet als een strafbeding aanzien (Cass. 22 oktober 1999, AC 1999, 1318; Bull. 1999, 1373; JLMB 2000, 476; RCJB 2001, 103, noot I. Moreau-Margreve; RW 2001-02, 1502; TBBR 2001, 552; TBH 2000 (verkort), 181; Cass. 30 maart 2001, AC 2001, 566, concl. Bresseleers; Pas. 2001, 560, concl. Bresseleers).
Art. 1795.
Huur van werk wordt ontbonden door de dood van de werkman, de architect of de aannemer.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
Artikel 1795 BW is van toepassing op alle (onder)aannemingsovereenkomsten en niet enkel op deze die de oprichting van een gebouw als voorwerp hebben.
Er is onzekerheid in de rechtsleer omtrent de vraag of het faillissement van de aannemer moet worden gelijkgesteld met zijn overlijden, wat - zo het antwoord positief zou zijn - toepassing van artikel 1795 BW tot gevolg zou hebben. Het strekt dan ook tot aanbeveling te preciseren in de overeenkomst of zij al dan niet van rechtswege en zonder aanmaning zal ontbonden zijn in geval van faillissement of in vereffeningstelling van de aannemer. In dit kader moet ook rekening worden gehouden met artikel 46 Faillissementswet, waarin o.a. is voorzien dat de curatoren kunnen beslissen of zij de overeenkomsten die gesloten zijn vóór de datum van het vonnis van faillietverklaring of waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren.
Art. 1796.
Maar de eigenaar is gehouden aan hun nalatenschap de waarde van het gedane werk en die van de in gereedheid gebrachte bouwstoffen te betalen, naar evenredigheid van de bij de overeenkomst bedongen prijs, doch alleen indien die werken of die bouwstoffen hem van nut kunnen zijn.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
Wanneer de situatie van artikel 1795 BW zich voordoet, heeft de opdrachtgever in principe twee opties. Hij kan de onafgewerkte prestatie weigeren of het reeds voltooide aanvaarden. In het eerste geval heeft de opdrachtgever een teruggaveplicht voor de eventueel reeds geleverde werken. In het tweede geval biedt artikel 1796 BW een antwoord. Dit artikel bepaalt dat de opdrachtgever enkel een vergoeding verschuldigd is voor de gepresteerde werken of de bestelde stoffen die hem van nut kunnen zijn. De nuttigheid moet getoetst worden in functie van het aannemingswerk en niet in functie van de persoonlijke aspecten van de opdrachtgever (Luik, 24 mei 1955, JT 1956, 11). Het is niet vereist dat er reeds werken werden verricht of dat de opdrachtgever de stof zelf kan verwerken (Cass. 17 mei 1956, Pas. 1956, I, 99; RW 1956-57, 1601). De feitenrechter bepaalt in welke mate de gepresteerde werken en bestelde stof nuttig kunnen zijn (ibid.).
Wat betreft de omvang van de vergoeding in artikel 1796 BW, moet men kijken naar de waarde van de verwerkte stoffen geschat op de dag van de verkrijging door de aannemer (Luik, 24 mei 1955, JT 1956, 11).
Art. 1797.
De aannemer is aansprakelijk voor de daad van de personen die hij bezigt.
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
1. Artikel 1797 BW wordt door de rechtsleer niet op een eenduidige manier uitgelegd. Zowel de aard van de aansprakelijkheid als de term 'personen die hij bezigt' zijn voor interpretatie vatbaar.
2. Wat betreft de aard van de aansprakelijkheid, weerspiegelt artikel 1797 BW volgens de minderheid van de doctrine de quasi-delictuele aansprakelijkheid van artikel 1384 BW. De meerderheid is van mening dat het om een loutere bevestiging gaat van de contractuele aansprakelijkheid in de artikelen 1245 en 1735 BW. Uit dit laatste volgt dat alleen de opdrachtgever de aansprakelijkheid in artikel 1797 BW kan inroepen, slechts de contractuele fouten worden vergoed en een exoneratiebeding in het voordeel van de aannemer in principe mogelijk is (Cass. 25 september 1959, Arr. Verbr., 1960, 86; JT 1960, 114, noot J. Rothier; Pas. 1960, I, 113, noot P. Mahaux; RCJB 1960, 5, noot J. Dabin; RGAR 1960, nr. 6.574, noot R. Dalcq).
3. Wat betreft de term 'personen die hij bezigt', gelden er twee interpretaties. Volgens de strikte (minderheids-)interpretatie valt enkel de aangestelde onder het gezag van de aannemer hieronder (in dezelfde zin hetzij wel impliciet Cass. 25 oktober 1974, AC 1975, 263; Pas. 1975, I, 241). Men mag echter aannemen dat ook de onderaannemers hieronder vallen.
Tenzij de aannemingsovereenkomst over bouwwerkzaamheden een andersluidend beding bevat, mag de algemene aannemer een beroep doen op onderaannemers voor de uitvoering van het geheel of een gedeelte van het werk waartoe hij zich ten aanzien van de opdrachtgever heeft verbonden. De geldigheid van een aannemingsovereenkomst met een algemene aannemer die geen toegang tot het beroep heeft voor het geheel of een gedeelte van het in de overeenkomst bedoelde werk, kan in de regel niet worden betwist wanneer de aannemer zich er niet toe verbindt het werk waarvoor een toegang tot het beroep vereist is zelf uit te voeren, aangezien dat werk zal worden uitbesteed aan onderaannemers die wel over de vereiste vergunningen beschikken (Cass. 13 januari 2012, Pas. 2012, afl. 1, 115, concl. A. Henkes; RW 2012-13, afl. 35, 1378, noot B. Van Den Bergh; TBO 2012, afl. 5, concl. A. Henkes).
4. De omvang van de vergoedingsplicht van de contractuele schuldenaar die zich voor de uit-voering van de overeenkomst heeft laten vervangen, blijft in beginsel beperkt tot de schade die een voorzienbaar gevolg is van de gebrekkige uitvoering door de hulppersoon (Cass. 4 februari 2010, Pas. 2010, afl. 2, 376; RW 2010-11 (samenvatting), afl. 35, 1474; RW 2010-11 (samenvatting), afl. 40, 1694; TBH 2010, afl. 6, 498; TBO 2011, afl. 1, 25).
Art. 1798.
1[Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.
De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.]1
2
1. – Vervangen bij art. 2 wet 19 februari 1990, B.S., 24 maart 1990
2. – Op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2017 luidt dit art. als volgt:
Art. 1798.
3[Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.
De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.]3
4[In geval van betwisting tussen de onderaannemer en de aannemer, kan de bouwheer het bedrag storten in de Deposito- en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening op naam van de aannemer en onderaannemer bij een financiële instelling. De bouwheer is hiertoe verplicht indien hij hiertoe schriftelijk wordt verzocht door de hoofdaannemer of de onderaannemer.]4
3. – Vervangen bij art. 2 wet 19 februari 1990, B.S., 24 maart 1990
4. – Lid 3 toegevoegd bij art. 90 wet 11 juli 2013, B.S. 2 augustus 2013, inwerkingtreding: door de Koning te bepalen en uiterlijk op 1 januari 2017 (art. 109, lid 1; zoals gewijzigd bij art. 2 wet 26 november 2014, B.S. 1 december 2014)
Rony Vermeersch aangepast door Stephane Vereecken en Leentje Van Valckenborgh
1. Artikel 1798 BW is van toepassing op alle aannemingsovereenkomsten voor zover deze een materiële prestatie inhouden. Dit artikel biedt aan de onderaannemer en subonderaannemer in eerste graad de mogelijkheid om naast hun eigen medecontractant ook diens medecontractant rechtstreeks aan te spreken. Beide rechtsvorderingen kunnen naar eigen goeddunken afzonderlijke of tezamen worden ingesteld (Cass. 13 oktober 1977, AC 1978, I, 205; Pas. 1978, I, 192). De rechtstreekse vordering in artikel 1798 BW betreft een eigen recht in hoofde van de (sub)onderaannemer. Haar uitoefening is niet onderworpen aan vormvoorschriften (Cass. 25 maart 2005, AR C.04.0126.N, JLMB 2005 (verkort), 1040, noot P. Henry; Pas. 2005, 737; RCJB 2005, 467, noot M. Gregoire; RW 2005-06, 63, noot M. Debucquoy; TBBR 2005, 405, noot C. Eyben; TBH 2005, 1020, noot W. Derijcke; TBO 2005 (verkort), afl. 4, 218, noot A. De Cooman). Een aangetekende brief kan dus volstaan. In een arrest van 10 juni 2011 oordeelt het Hof van Cassatie dat onder meer een brief van de advocaat van de onderaannemer aan de bouwheer volstaat (Cass. 10 juni 2011, OOO 2012 (samenvatting), afl. 1, 152; Pas. 2011, afl. 6-8, 1661; T.Aann. 2012 (samenvatting), afl. 3, 69, noot; TBBR 2012, afl. 6, 283; TBH 2011 (samenvatting Vanden Berghe, O.), afl. 9, 947; TBO 2011, afl. 4, 168.
2. De rechtstreekse vordering wordt op verschillende wijzen beperkt. Vooral het tijdselement en het voorwerp van de schuldvorderingen spelen hierbij een cruciale rol.