Gevoel en verstand - Jane Austen - E-Book

Gevoel en verstand E-Book

Jane Austen.

0,0
0,99 €

oder
-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

In 'Gevoel en verstand' presenteert Jane Austen een sublieme verkenning van de complexe interactie tussen emotie en rede in de context van de Engelse aristocratie aan het eind van de 18de eeuw. De roman volgt de levens van de zussen Elinor en Marianne Dashwood, waarbij Austen gebruikmaakt van een ironische vertelstijl en scherpe sociale observaties om de tegenstellingen tussen de pragmatische benadering van Elinor en de passionele aard van Marianne te belichten. Deze dualiteit weerspiegelt de bredere literaire beweging van het neoclassicisme en de opkomende romantiek, waarbij emotie en rede niet alleen de zusters, maar ook de maatschappelijke normen van het tijdperk weerspiegelen. Jane Austen (1775-1817) was een pionier in het schrijven van fictie die zich richtte op de dagelijkse levens van vrouwen in de vroege 19de eeuw. Opgegroeid in een tijd waarin vrouwen beperkte sociale en economische mogelijkheden hadden, stelde Austen haar personages in staat om te navigeren door de vicieuze cirkel van liefde, huwelijk en materieel welzijn. Haar persoonlijke ervaringen, in combinatie met haar scherpe observaties van maatschappelijke gewoonten, vormden de basis voor de thema's van 'Gevoel en verstand', waardoor ze een kritische blik op genderrollen bood. Dit boek is bijzonder aan te raden voor lezers die geïnteresseerd zijn in sociale dynamiek en de ontwikkeling van vrouwelijke personages in de literatuur. Met haar verfijnde proza en diepgaande psychologische inzichten biedt Austen een tijdloze reflectie op de menselijke conditie, wat het verhaal zowel relevant als boeiend maakt voor de hedendaagse lezer. 'Gevoel en verstand' is een must-read voor iedereen die de interactie tussen persoonlijke emoties en sociale verwachtingen wil begrijpen. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Een beknopte Inleiding plaatst de tijdloze aantrekkingskracht en thema's van het werk in perspectief. - De Synopsis schetst de centrale verhaallijn, waarbij belangrijke ontwikkelingen worden uitgelicht zonder cruciale wendingen te verklappen. - Een uitgebreide Historische context dompelt u onder in de gebeurtenissen en invloeden van die tijd, die de totstandkoming van het werk hebben gevormd. - Een Auteursbiografie onthult belangrijke mijlpalen uit het leven van de auteur en biedt persoonlijke inzichten achter de tekst. - Een grondige Analyse ontleedt symbolen, motieven en karakterontwikkeling om verborgen betekenissen bloot te leggen. - Reflectievragen nodigen u uit om persoonlijk in te gaan op de boodschappen van het werk en deze te verbinden met het hedendaagse leven. - Zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten benadrukken momenten van literaire genialiteit. - Interactieve voetnoten verduidelijken ongewone verwijzingen, historische allusies en archaïsche uitdrukkingen voor een soepelere en meer geïnformeerde leeservaring.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Jane Austen

Gevoel en verstand

Verrijkte editie.
Inleiding, studies en commentaren van Emiel van Dam
EAN 8596547477860
Bewerkt en gepubliceerd door DigiCat, 2023

Inhoudsopgave

Inleiding
Synopsis
Historische context
Auteursbiografie
Gevoel en verstand
Analyse
Reflectie
Gedenkwaardige citaten
Aantekeningen

Inleiding

Inhoudsopgave

Wie de smalle koorddans tussen hartstocht en prudentie waagt, ontdekt in Gevoel en verstand dat verlangens, sociale conventies en morele zelfbeheersing elkaar even fel aantrekken als afstoten, en dat de ware beproeving niet ligt in het kiezen van één leidraad, maar in het zorgvuldig afwegen, bijsturen en verantwoorden van gevoelens en oordelen binnen een wereld die welwillend glimlacht terwijl zij met onwrikbare regels en financiële realiteiten stuurt, begrenst en verleidt, zodat elke keuze onvermijdelijk sporen nalaat in reputatie, welzijn en toekomstperspectief.

Gevoel en verstand, in 1811 in Londen uitgegeven door Thomas Egerton en anoniem gepubliceerd als het werk van “A Lady”, was Jane Austens eerstgepubliceerde roman. Het boek introduceerde het brede lezerspubliek tot een schrijverschap dat ironie koppelt aan psychologisch inzicht en morele gevoeligheid. Austens titel wijst op de centrale spanning: hoe verhouden hart en hoofd zich tot elkaar wanneer liefde, familiebelangen en maatschappelijke verwachtingen botsen? Zonder plot voorweg te nemen, schetst de roman de beproevingen van de zussen Elinor en Marianne Dashwood die, na een familiale omwenteling, hun plaats moeten vinden in een samenleving waarin geld, naam en gedrag zichtbaar wegen.

De roman ontstond in het laat-achttiende- en vroeg-negentiende-eeuwse Engeland, toen klasse, reputatie en financiële zekerheid nauw met elkaar verweven waren. Vrouwen hadden beperkte juridische en economische mogelijkheden; huwelijk en familierelaties fungeerden vaak als garanties voor bestaanszekerheid. Binnen die context stelde Austen de vraag hoe individuen trouw kunnen blijven aan innerlijke overtuigingen als de sociale orde meebepaalt wat verstandig, fatsoenlijk en wenselijk heet. Het decor van landelijke huishoudens, salons en wandelingen onderstreept dat grote beslissingen vaak in ogenschijnlijk kleine ruimtes vallen, waar observatie, beleefdheid en nuance het verschil maken.

Dat Gevoel en verstand een klassieker is, komt niet alleen door het herkenbare thema, maar vooral door de manier waarop Austen het ontgint: met scherpe dialogen, beheerste ironie en een precieze blik voor menselijk gedrag. Zij laat zien hoe woorden, stiltes en subtiele gebaren karakters onthullen. De roman weigert eenduidige antwoorden en nodigt de lezer uit tot mededenken. Doordat morele en emotionele vragen worden verbonden aan sociale structuren, overstijgt het verhaal zijn situatie en bereikt het een algemene strekking. De compositie is strak, de toneelmatige scènes zijn helder, en de toon blijft evenwichtig, zelfs waar gevoelens hoog oplopen.

De blijvende aantrekkingskracht schuilt in het evenwicht tussen herkenning en reflectie. De titel noemt een tegenstelling, maar de roman onderzoekt juist het verkeer tussen beide polen. Gevoel zonder toetsing kan misleiden; berekening zonder empathie verarmt. Austen suggereert dat volwassenheid bestaat uit het leren dragen van dubbelzinnigheid. Daarom raakt het boek lezers door generaties heen: het erkent de kracht van emotie én de noodzaak van oordeel. In plaats van een moraal op te leggen, toont het hoe keuzes ontstaan en welke prijs eraan hangt. Dat maakt de roman tot een levende spiegel, geen gesloten leerstuk.

Austens uitwerking van personages is vernuftig. Elinor en Marianne belichamen verschillende temperamenten, maar blijven geen abstracte ideeën. De ene zoekt beheersing, de andere intensiteit; beide streven naar oprechtheid. Hun familiekring en kennissen vormen een sociaal weefsel waarin iedere relatie zowel steun als druk kan betekenen. Vriendschap, hoffelijkheid en roddel functioneren als morele barometers. Door de variatie aan karakters—van oprechte weldoeners tot zelfingenomen figuranten—laat de roman zien hoe sociale omgangsvormen zowel beschaving brengen als misverstand verhullen. De lezer herkent hierin niet alleen types, maar vooral mechanismen van verwachting en zelfpresentatie.

Stilistisch is de vertellersstem geraffineerd en beheerst. Het proza beweegt soepel tussen observatie en nabijheid, zodat innerlijke bewegingen zichtbaar worden zonder expliciete verklaringen te forceren. Austen benut een vertelperspectief dat gedachten en sociale context met elkaar laat resoneren, waardoor interpretatie en medeleven vanzelf ontstaan. Deze benadering, vaak in verband gebracht met de vrije indirecte stijl, geeft de roman zijn bijzondere helderheid: wij horen de personages, maar merken ook hoe de omgeving hun woorden kleurt. Het resultaat is een evenwichtige menging van nabijheid en afstand die de lezer uitnodigt tot eigen oordeel.

Naast psychologisch inzicht biedt Gevoel en verstand een fijnzinnige sociale analyse. De roman maakt voelbaar hoe geldstromen, erfenissen en reputatie de keuzen van individuen sturen, zonder de betrokkenen te reduceren tot pionnen. Austen ontleedt beleefdheidsrituelen, wederdiensten en verwachtingen als structuren die zowel veiligheid als druk scheppen. Zij keert zich niet tegen samenleving als zodanig, maar toont hoe morele volwassenheid vraagt om integriteit binnen de gegeven kaders. Daarmee voorkomt de roman simplificatie: er is geen zuivere vluchtweg, slechts een voortdurende afweging tussen innerlijke waarden en de openbare blik.

In de ontstaansgeschiedenis schuilt een interessante gelaagdheid: Austen werkte jaren vóór publicatie aan een vroege, epistolaire versie met de titel Elinor and Marianne, die zij later grondig herschreef tot de vorm waarin wij het boek kennen. Dat het uiteindelijk in 1811 verscheen, markeert het debuut van een auteur die, hoewel aanvankelijk anoniem, al snel werd herkend om haar ironische precisie. De publicatie bevestigde de levensvatbaarheid van een roman die het dagelijks leven, met al zijn ogenschijnlijk kleine beslissingen, tot literair terrein van ernst en subtiliteit maakt.

De literaire impact is duurzaam. Gevoel en verstand draagt bij aan de traditie van de roman over manieren en aan de ontwikkeling van realistische, psychologisch georiënteerde fictie. De combinatie van sociaal observatievermogen, komische belichting en morele nuance werd een referentiepunt voor latere ontwikkelingen in de romanvorm. De roman is bovendien veelvuldig bewerkt voor toneel, film en televisie, een teken dat zijn conflicten en personages zich lenen voor telkens nieuwe interpretaties. Zulke bewerkingen versterken de zichtbaarheid van het boek, maar de kracht ervan blijft primair in de taal en de structuur besloten.

Voor hedendaagse lezers is de thematiek opvallend actueel. Economische onzekerheid, verwachtingen rond succes en reputatie, de spanning tussen publieke rol en privégevoelens: het zijn herkenbare knooppunten. De roman biedt geen recept, maar een oefening in aandacht. Wie leest, oefent mee in het onderscheiden van oppervlakkige prikkels en duurzame overtuigingen, in het toetsen van gevoel aan inzicht en omgekeerd. Daarnaast is er de blijvende aantrekkingskracht van humor en empathie: Austens lichtvoetigheid ontkracht niet, maar verheldert; zij maakt zichtbaar waar we handelen uit trots, voorzichtigheid of liefde.

Zo bevestigt Gevoel en verstand zijn status als klassieker: niet door monumentale gebaren, maar door nauwkeurige observatie en een overtuigende verkenning van morele complexiteit. Het boek nodigt uit tot herlezing, omdat elke fase van het leven nieuwe accenten legt in de spanning tussen verlangen en oordeel. In een tijd die snelheid en stelligheid beloont, herinnert deze roman aan de waarde van bedachtzaamheid zonder kilte en van warmte zonder verblinding. Daarom blijft Austens werk spreken: het stelt geen eindpunt, maar een gesprek voor—tussen personen, tijden en, vooral, tussen gevoel en verstand.

Synopsis

Inhoudsopgave

Gevoel en verstand is de Nederlandstalige titel van Jane Austens debuutroman Sense and Sensibility, gepubliceerd in 1811. Het boek situeert zich in het zuiden van Engeland aan het begin van de negentiende eeuw en volgt de lotgevallen van de familie Dashwood na een ingrijpende verandering in hun omstandigheden. Austen onderzoekt hoe karakter, geld en reputatie elkaar beïnvloeden in een samenleving waarin het huwelijk vaak de belangrijkste levensbeslissing is. Centraal staan twee zussen die met verschillende temperamenten reageren op geluk en tegenslag. Door sociale rituelen, beleefde conversatie en subtiele observatie ontvouwt zich een verhaal over verlangens, beperkingen en de zoektocht naar evenwicht tussen verstand en gevoel.

Wanneer de pater familias overlijdt, bepaalt het erfrecht dat het landgoed naar een mannelijke erfgenaam gaat. De weduwe en haar drie dochters – Elinor, Marianne en Margaret – blijven met een bescheiden inkomen achter en worden afhankelijk van de welwillendheid van verwanten. Hun halfbroer erft het huis, terwijl zijn ambitieuze echtgenote de gastvrijheid snel beperkt. Uit noodzaak verhuizen de Dashwoods naar Barton Cottage in Devonshire, op uitnodiging van de joviale Sir John Middleton. De overgang van een comfortabel leven naar eenvoudiger omstandigheden legt de sociale kwetsbaarheid van vrouwen zonder fortuin bloot en vormt het toneel waarop de keuzes, verwachtingen en relaties van de zussen scherper in beeld komen.

Elinor, de oudste, belichaamt bezonnenheid, discretie en plichtsbesef. Marianne, de middelste, staat voor spontaniteit, ontvlamde gevoelens en esthetische idealen; zij waardeert muziek en poëzie als maatstaf voor authenticiteit. Op hun oude woonplaats Norland ontmoette het gezin Edward Ferrars, de bedaarde broer van hun schoonzuster. Tussen Edward en Elinor groeit een terughoudende genegenheid, belemmerd door hun onzekere vooruitzichten en door familieverwachtingen waarover beleefd wordt gezwegen. Austen laat zien hoe gereserveerde omgangsvormen dubbelzinnigheid creëren: wat als welgemanierd geldt, kan ook afstand en onzekerheid voeden. In deze vroege fase worden de onderliggende vragen uitgezet: hoeveel mag men voelen, hoeveel moet men verbergen, en welke prijs heeft voorzichtigheid?

In Devonshire breidt de sociale kring zich uit met Sir John, Lady Middleton en hun welwillende maar opdringerige schoonmoeder, Mrs. Jennings. De bedachtzame kolonel Brandon, een oudere vrijgezel met een verleden dat men slechts aanneemt, toont stille belangstelling voor Marianne. Dan verschijnt John Willoughby, charmant en energiek, wiens dramatische kennismaking met Marianne een snel groeiende affiniteit inluidt. Gedeelde smaak en vurige uitwisseling van indrukken maken hen zichtbaar in het dorpsgesprek. Elinor observeert intussen met kalmte, terwijl Marianne openlijk vertrouwt op indrukken en intensiteit. Austen stelt zo een spanningsboog in waarin publieke aandacht, etiquette en persoonlijke neigingen telkens botsen en verwachtingen onuitgesproken blijven.

De twee zussen krijgen elk met andere vormen van onzekerheid te maken. Voor Elinor spelen geld, afkomst en de grillen van machtige familieleden een stille maar beslissende rol in de vraag of persoonlijke waardering kan overgaan in duurzame verbintenis. Voor Marianne is de uitdaging om haar onmiddellijke gevoelens te toetsen aan het ongeschreven reglement van beleefdheid en reputatie. Geruchten, achteloze opmerkingen en tactische stiltes sturen de oordelen van de omgeving. Austen verkent hoe welwillendheid, eergevoel en economisch belang verstrikt raken: achter charmante bezoekjes en attenties schuilen berekening en kwetsbaarheid, terwijl misverstanden wortel schieten in wat niet mag worden uitgesproken.

Een verblijf in Londen brengt de Dashwood-zussen naar salons, winkels en avondgezelschappen waar nieuws zich sneller verspreidt en beleefdheid een harder instrument wordt. Afspraken blijken onzeker, bezoeken verlopen stroef, en de publieke scène vergroot elk signaal van aandacht of verwaarlozing. Brieven en boodschappen, soms vertraagd of ambigu, voeden hoop en teleurstelling. Elinor draagt innerlijke zorgen zonder ze te etaleren; Marianne ervaart de wisselvalligheid van openlijke verering wanneer verwachtingen niet worden ingelost. Zonder grote onthullingen uit te spellen laat Austen zien hoe een stad die belofte belichaamt ook onverschilligheid kan tonen, en hoe schijnbare helderheid in het licht van conventie alsnog troebel wordt.

Nieuwe kennissen brengen extra lagen van beleefdheid, eigenbelang en discretie mee. De levendige Mrs. Jennings praat graag, de Steele-zusters manoeuvreren in dezelfde huwelijksmarkt, en familieleden uit hogere kringen handhaven eisen die niet louter met hartstocht zijn te verzoenen. Tussen mededelingen, toespelingen en toevallige bekentenissen verschuift het begrip van eerdere gebeurtenissen. Kolonel Brandon suggereert een geschiedenis waarin loyaliteit en verlies centraal staan, en werpt daarmee een ander licht op wat betrouwbare genegenheid kan betekenen. Het verhaal verdiept zich in vragen naar belofte en verplichting: wat is men verschuldigd aan zichzelf, aan familie, en aan degenen wiens vertrouwen men zonder zekerheid heeft gewonnen?

Een reeks tegenslagen dwingt beide zussen tot herbezinning. Reizen in slecht weer, een periode van verzwakking en onverwachte ontmoetingen brengen risico’s en inzichten samen. Uitleg van betrokkenen corrigeert eerdere aannames, terwijl stille daden van zorg en zelfbeheersing onverwacht gewicht krijgen. Elinor’s evenwichtige houding ondersteunt het gezin in lastige gesprekken; Marianne voelt de gevolgen van ongeremde openheid en het oordeel van de publieke blik. Het onderscheid tussen uiterlijk vertoon en karakter wordt tastbaarder naarmate verhalen en motieven worden onthuld, zonder dat alle spanningen direct worden opgelost. Zo bereidt Austen de overgang voor van emotionele beroering naar meer duurzame vormen van begrip.

Uiteindelijk schetst Gevoel en verstand een morele kaart waarin gevoel en verstand elkaar niet uitsluiten, maar zonder maat elkaars valkuil worden. Austen fileert met ironie de huwelijksmarkt en de erfregels die levens bepalen, en toont tegelijk de creatieve veerkracht waarmee vrouwen binnen beperkte ruimte betekenis zoeken. Het boek benadrukt dat echte waardigheid voortkomt uit consequent handelen, empathie en het vermogen tot reflectie. De slotbeweging suggereert dat duurzaam geluk zelden berust op impulsen of louter berekening, maar op een evenwicht dat door ervaring is getoetst. Daarmee houdt de roman een blijvende spiegel voor over keuzes, integriteit en sociale verantwoordelijkheid.

Historische context

Inhoudsopgave

Gevoel en verstand speelt zich af in Engeland tussen het laatste decennium van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw, met scènes in het land en in Londen. De dominante maatschappelijke kaders zijn die van de landed gentry, het gewoonterecht dat eigendom en erfenis beschermt, de Anglicaanse Kerk als morele en institutionele autoriteit, en het patriarchale gezin. Binnen dit kader bepalen familieallianties, reputatie en financiële zekerheid de levensloop, vooral voor vrouwen. Austen situeert haar personages in dit netwerk van landgoederen, salons, visitekaartjes en familieraden, waar status zichtbaar wordt in huizen, rijtuigen en omgangsvormen en waar individuele verlangens botsen met sociale regels.

Het boek verscheen in 1811, aan het begin van de Regency-periode, anoniem onder de vermelding By a Lady. Austen had een eerdere, epistolaire versie van het verhaal reeds in de jaren 1790 voltooid en bewerkte de tekst later grondig. Publicatie verliep via een Londense uitgever die het als driedelige roman uitbracht, een duur format dat vaak via circulerende bibliotheken werd gelezen. Anonimiteit was gangbaar voor vrouwelijke auteurs en weerspiegelt zowel conventie als voorzichtigheid. De ontvangst was gematigd positief, en het succes stelde Austen in staat door te gaan met publiceren zonder de norm van vrouwelijke bescheidenheid openlijk te doorbreken.

Een centrale historische achtergrond is het erf- en eigendomsregime van de gentry. Strikte familiaire afspraken en het primaat van mannelijke opvolging moesten een landgoed intact houden. Dochters konden zelden een landhuis erven en waren afhankelijk van schenkingen, legaten of de goodwill van mannelijke familieleden. In de roman wordt de kwetsbaarheid na een overlijden tastbaar: vrouwen kunnen spoedig van welstand naar precair comfort verschuiven. Austen bekritiseert geen specifiek wetsartikel, maar dramatiseert de uitwerking van een systeem dat het patrimonium verkiest boven individuele zekerheid, waardoor huwelijken en erfenissen tot morele beproevingen worden.

Onder het Engelse common law gold het principe van coverture: de juridische identiteit van een gehuwde vrouw ging grotendeels op in die van haar man. Bescherming kon komen via marriage settlements en jointures, contractuele regelingen die een inkomen voor de vrouw waarborgden. Zulke afspraken waren afhankelijk van familieonderhandelingen en patronage. Austen laat zien hoe gesprekken over gevoel en karakter telkens worden doorkruist door vragen naar geld, zekerheid en wettelijke waarborgen. Ideaal en praktijk botsen: genegenheid zonder juridische en financiële grondslag blijkt riskant, terwijl prudentie zonder empathie moreel arm kan zijn.

Het huwelijk fungeerde als een economisch én moreel instituut. Bij gebrek aan carrièrepaden die een dame konden passen, lag sociale mobiliteit voor vrouwen vooral in een goede match. Dowries, toekomstige uitzichten en reputatie telden zwaar mee; mannen werden geclassificeerd naar inkomsten en perspectief. De roman laat zien hoe hofmakerij ingebed is in berekening en toezicht, met chaperonnes, visites en informele informatiekanalen. Austen beschrijft zulke conventies met ironie: ze erkent de reële noodzaak om financieel verstandig te trouwen, maar bekritiseert het kille opportunisme waarmee sommigen gevoelens of beloften ondergeschikt maken aan winst.

De economie van de landed gentry draaide op pachtinkomsten, rente en soms koloniale of commerciële beleggingen. Rond 1800 drukten oorlogslasten en prijsstijgingen op huishoudbudgetten. Landbouwvernieuwingen en de langdurige beweging naar enclosures hadden de plattelandsstructuur veranderd, met nieuwe kansen voor efficiëntie, maar ook sociale spanningen. Austen toont geen agrarische hervormingen, maar wel de financiële realiteit van krimpende middelen: het verschil tussen een groot huis en een bescheidener woning, het zorgvuldig beheren van personeel en uitgaven, en het belang van beleefde soberheid om status te behouden zonder in extravagantie te vervallen.

De Anglicaanse Kerk bood voor jongere zonen van de gentry een respectabel beroep. Predikantsplaatsen (livings) leverden inkomsten uit tienden en konden door patronen worden vergeven. Toegang hing dus deels af van persoonlijke relaties en familie-invloed. In Gevoel en verstand wordt een mannelijke huwelijkskandidaat richting de geestelijke stand geduwd, en er speelt patronage een sleutelrol in zijn perspectief op onafhankelijkheid. Austen schetst daarmee de verwevenheid van religie, sociale rang en materiële zekerheid. Haar toon is nuchter: de Kerk is moreel kader, maar het systeem van benoemingen blijft een arena van belangen en gunsten.

De Napoleontische oorlogen vormden de achtergrond van het publieke leven in de jaren waarin Austen schreef. Het leger en de marine breidden uit; officieren droegen aanzien én risico. In de roman is een gerespecteerde officier aanwezig als huwelijkspartner en moreel ijkpunt. De oorlog blijft buiten beeld, maar zijn existentiële en sociale echo’s zijn voelbaar: militaire dienst verleent status, discipline en een inkomen, en accentueert tegelijk de onzekerheid van het leven. Austen benut dat decor om karakter en plichtsbesef te tekenen, zonder heroïek te zoeken of veldslagen te beschrijven.

Londen verbeeldt in de roman de magnetische pool van mode, roddel en consumptie. De jaarlijkse sociale seizoen bood bals, ontvangsten en toneelbezoek, waar allianties werden gesmeed en reputaties gemaakt of gebroken. Het stadsdecor contrasteert met landelijke rust: snelheid, spektakel en netwerken bepalen de omgang. Austen observeert hoe stedelijke schittering verleidt tot uiterlijk vertoon en vluchtige oordelen. Het platteland daarentegen schetst een ritme van familieloyaliteit, burenrelaties en herhaling. Deze tegenstelling vormt geen simpele moraal; ze onthult hoe omgeving gedrag kleurt en hoe prudentie ook in de stad, en gevoeligheid ook op het land, kan bestaan.

Het debat over sensibility, de achttiende-eeuwse cultus van het verfijnde gevoel, klinkt door in de titel en structuur. Literatuur en filosofie hadden gevoel verheven tot maatstaf voor moraal, maar tegen 1800 klonk kritiek op sentimentaliteit en theatrale emotionaliteit. Austen koppelt de culturele erfenis van sensibility aan opkomende romantische smaken en zet daartegenover het ideaal van sense: oordeelskracht, zelfbeheersing en verantwoordelijkheid. Haar roman kiest geen karikaturale winnaar. Hij toont de waarde en gevaren van beide registers, en suggereert dat ware morele volwassenheid gevoelens toetst aan principes én aan de weerbarstige werkelijkheid.

Onderwijs voor jonge dames richtte zich op accomplishments: muziek, tekenen, moderne talen en een beschaafde omgang. Conduct-literatuur preekte bescheidenheid en zelfbeheersing, en waarschuwde voor lichtzinnigheid. Austen plaatst haar zusters in dit pedagogische spanningsveld. De ene waardeert intensiteit en esthetisch oordeel, de andere wikt en weegt. De roman laat zien hoe sociale teksten – van preken tot etiquettehandleidingen – doorwerken in zelfpresentatie, maar ook hoe praktische keuzes ontstaan uit concrete omstandigheden, niet alleen uit abstracte deugden. Daarmee fileert Austen de afstand tussen opgelegde modellen en geleefde moraal.

De roman maakt deel uit van een bloeiende drukcultuur. Circulerende bibliotheken maakten romans toegankelijk voor een breed publiek, terwijl het driedelige format de kosten voor kopers hoog hield en bibliotheken rendabel maakte. Vrouwelijke auteurs publiceerden vaak anoniem; auteurschap werd soms als onvrouwelijk of te publiek gezien. Austen manoeuvreerde hier behendig in: ze schreef scherp over de wereld waarin ze leefde, maar hield haar naam buiten de titelpagina. Zo wordt het boek zelf een artefact van zijn tijd: commercieel, geserialiseerd in drie banden, en omgeven door conventies die zowel kansen boden als grenzen stelden.

Verbeterde wegen en tolwegen, samen met mail coaches, versnelden rond 1800 het reizen en de post. Sociale omgang berustte op bezoeken, diners en kaartjes; brieven fungeerden als morele en juridische documenten in miniatuur. In de roman zijn reizen katalysatoren voor ontmoetingen en misverstanden, terwijl brieven beslissende informatie en reputatie sturen. Deze infrastructuur verbindt afgelegen landgoederen met de hoofdstad en maakt het netwerk van roddel en plicht mogelijk. Austen benut de logistiek van haar tijd om tempo, afstand en timing als dramatische middelen in te zetten, zonder technologische wonderen centraal te stellen.

Financiële cultuur aan het begin van de negentiende eeuw draaide om rente op staatsleningen en andere solide beleggingen. Families leefden van interest op kapitaal, huur en erfenissen; men speculeerde zelden openlijk, maar rekende nauwkeurig. Oorlog en belastingdruk beïnvloedden koopkracht, en verwachtingen over toekomstreeks liepen als morele lijnen door het dagelijks leven. In Gevoel en verstand sturen berekeningen over vast inkomen, toekomstige benoemingen en familiegiften keuzes in liefde en loyaliteit. Austen moraliseert geld niet eenvoudigweg; ze onderzoekt hoe financiële helderheid kan beschermen, en hoe zelfbedrog over geld emotionele schade vergroot.

Het Britse rijk leverde goederen die de saloncultuur definieerden: thee, suiker, katoen en porselein circuleerden via handel en koloniën. In huishoudelijke scènes – theevisites, geschenken, stoffen – resoneert die wereldmarkt zonder expliciete politiek. Rond de eeuwwisseling groeide maatschappelijk debat over slavernij en handel, met campagnes en publieke discussies. Austen bespreekt dat in deze roman niet, maar het comfortabele decor van gentry-huizen veronderstelt die stromen. Dit stilzwijgen is historisch typerend: veel fictie uit deze kringen houdt de geopolitiek buiten beeld, terwijl de alledaagse rituelen zichtbaar drijven op imperiale goederen.

Esthetische mode in het laat-achttiende-eeuwse Engeland omvatte het picturesque: een gecultiveerde gevoeligheid voor ruige landschappen, ruïnes en gevarieerde uitzichten. Reisjes, wandelingen en muziek vormden een verfijnd repertoire van smaak. Austen laat een personage intens reageren op natuur en kunst, terwijl een ander de vormende waarde van maat en redelijkheid belichaamt. Landhuizen, tuinaanleg en interieurkeuzes presenteren sociale rang en moreel profiel. Zo verankert de roman zijn gevoelens en waarden in ruimtes en vergezichten die de lezer herkent als deel van een bredere, modieuze esthetiek, met zowel verheffing als zelfbedrog als mogelijke uitkomsten.

Als geheel fungeert Gevoel en verstand als spiegel en kritiek van zijn tijd. Het hofmakerijverhaal onthult juridische structuren, economische afhankelijkheden en culturele normen, en test ze via botsingen tussen plicht en begeerte. Austen verdedigt geen koud rationalisme en geen grenzeloze emotie, maar suggereert dat duurzaam geluk berust op karakter, verantwoordelijkheid en helderheid over middelen. Tegelijk legt zij de kwetsbaarheid van vrouwen en de willekeur van patronage bloot. Door de uiterlijke beleefdheid heen biedt de roman een subtiele maatschappijanalyse: een pleidooi voor menselijke maat in een wereld die status, bezit en gevoel voortdurend met elkaar verrekent.

Auteursbiografie

Inhoudsopgave

Jane Austen (1775–1817) geldt als een van de meest invloedrijke romanschrijvers uit het Engelse taalgebied. Werkzaam in de laat‑georgische en vroeg‑regencyperiode, observeerde zij met compacte ironie de sociale omgangsvormen, economische belangen en morele keuzes van de gegoede middenklasse. Haar bekendste romans — Sense and Sensibility, Pride and Prejudice, Mansfield Park en Emma — verschenen tijdens haar leven; Northanger Abbey en Persuasion postuum. Met een scherp oog voor alledaagse interacties, een verfijnde verteltechniek en een consistent ethisch kompas, bracht zij de roman tot een vorm waarin karakterontwikkeling, sociale satire en emotionele geloofwaardigheid op exemplarische wijze samenkomen.

Austen kreeg een conventionele, overwegend literaire vorming voor een vrouw uit haar milieu, aangevuld met perioden op kostscholen. Ze las intensief achttiende‑eeuwse prozaïsten en essayisten en kende de populaire gotische en sentimentele mode. De romantraditie van onder meer Samuel Richardson en Frances Burney, maar ook de moreel‑kritische toon van Johnson en de komische strekking van Fielding, vormden een aantoonbare voedingsbodem. In jeugdwerk experimenteerde ze met parodie, briefvorm en toneelmatige scènes, vaardigheden die ze later verfijnde. Uit die leescultuur en oefenteksten groeide haar kenmerkende combinatie van ironie, realisme en vrije indirecte stijl, waarin gedachten van personages subtiel met de verteller versmelten.

In de jaren 1790 schreef en herschreef Austen vroege versies van verhalen die uiteindelijk haar bekendste romans zouden worden. Een epistolaire versie van Elinor and Marianne evolueerde tot Sense and Sensibility; First Impressions werd herzien tot Pride and Prejudice; een parodie op gotische conventies lag ten grondslag aan Northanger Abbey. Deze langdurige bewerkingstrajecten tonen haar aandacht voor structuur, perspectief en toon. Sommige manuscripten circuleerden in beperkte kring, andere werden aangeboden aan uitgevers maar bleven onuitgegeven tot later. De stap van vroege experimenten naar uitgegeven werk verliep daarmee geleidelijk, met voortdurende herziening en verscherping van karaktertekening en dialoog.

Tussen 1811 en 1815 bracht Austen vier romans uit, aanvankelijk anoniem als ‘By a Lady’. Sense and Sensibility opende de reeks, gevolgd door Pride and Prejudice, Mansfield Park en Emma. De boeken verkochten gestaag en leverden gematigde inkomsten op, terwijl recensies haar beheersing van intrige en sociale observatie prezen. Een groeiende kring van lezers waardeerde de humor, morele subtiliteit en nauwkeurige dialogen. Hoewel zij geen publieke auteurspersona cultiveerde, versterkten nieuwe edities en reacties van vooraanstaande tijdgenoten haar reputatie. Haar thematische focus op huwbare jongeren, erfregimes en respectabiliteit onderscheidde haar binnen de Britse roman, die steeds centraler kwam te staan in de literaire cultuur.

Austens proza kenmerkt zich door een gedisciplineerde ironie die menselijke zelfbedrog, sociale ambitie en morele ontwikkeling blootlegt zonder sensationele middelen. De vrije indirecte stijl laat lezer en verteller dicht op het bewustzijn van personages opereren, wat nuance geeft aan oordeel en empathie. Haar intriges draaien om geld, status, opleiding en het huwelijk als sociaal contract, waarbij etiquette en eigendomsrecht concrete grenzen stellen aan keuzevrijheid. Ze put uit en speelt met genres als de sentimenteleroman en de gotische traditie, maar kiest consequent voor realistische waarschijnlijkheid. Haar engagement ligt in de kritische verkenning van normen en conventies die het leven van vrouwen en mannen vormgeven.

In haar latere jaren werkte Austen intensief aan nieuwe manuscripten en revisies. Kort na 1815 verzwakte haar gezondheid, maar zij voltooide nog belangrijke herzieningen. In 1817 verschenen Northanger Abbey en Persuasion postuum, vergezeld van een biografische notitie die haar auteurschap voor het grote publiek bevestigde. Een eerdere kortere roman, Lady Susan, en fragmenten van onvoltooide projecten als The Watsons en Sanditon werden later uitgegeven, waardoor haar ontwikkeling als schrijver zichtbaar bleef. Haar overlijden in 1817 markeerde het einde van een beknopt maar consistent oeuvre dat, ondanks bescheiden schaal, een duurzame maatstaf voor vorm, toon en morele precisie in de roman vestigde.

Na haar dood bleef de belangstelling groeien. Een negentiende‑eeuws memoire door een familielid bracht haar naam breder onder de aandacht en stimuleerde nieuwe edities. In de twintigste eeuw plaatsten critici haar in de kern van de Engelse traditie, terwijl academisch onderzoek haar stilistische innovaties, economische thema’s en genderperspectieven verder uitwerkte. Haar romans bleven in druk, werden veel vertaald en inspireerden talloze toneel‑ en schermbewerkingen. Vandaag geldt zij als referentiepunt voor realistische fictie en sociale komedie: een schrijver die zonder spectaculaire plotmiddelen, maar met morele helderheid en structurele finesse, blijvend inzicht biedt in menselijke motieven en de regels die samenleven ordenen.

Gevoel en verstand

Hoofdinhoudsopgave
Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII
Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X
Hoofdstuk XI
Hoofdstuk XII
Hoofdstuk XIII
Hoofdstuk XIV
Hoofdstuk XV
Hoofdstuk XVI
Hoofdstuk XVII
Hoofdstuk XVIII
Hoofdstuk XIX
Hoofdstuk XX
Hoofdstuk XXI
Hoofdstuk XXII
Hoofdstuk XXIII
Hoofdstuk XXIV
Hoofdstuk XXV
Hoofdstuk XXVI
Hoofdstuk XXVII
Hoofdstuk XXVIII
Hoofdstuk XXIX
Hoofdstuk XXX
Hoofdstuk XXXI
Hoofdstuk XXXII
Hoofdstuk XXXIII
Hoofdstuk XXXIV
Hoofdstuk XXXV
Hoofdstuk XXXVI
Hoofdstuk XXXVII
Hoofdstuk XXXVIII
Hoofdstuk XXXIX
Hoofdstuk XL
Hoofdstuk XLI
Hoofdstuk XLII
Hoofdstuk XLIII
Hoofdstuk XLIV
Hoofdstuk XLV
Hoofdstuk XLVI
Hoofdstuk XLVII
Hoofdstuk XLVIII
Hoofdstuk XLIX

Hoofdstuk I

Inhoudsopgave

De familie Dashwood was lang gevestigd geweest in Sussex[1q]. Hun grondbezit was uitgestrekt, en zij plachten verblijf te houden te Norland Park[1], in het middenpunt van hun bezittingen gelegen, waar zij gedurende vele geslachten een leven hadden geleid, achtenswaardig genoeg om den algemeenen goeden dunk te winnen van hunne kennissen in den omtrek.

De overleden eigenaar van het goed was een ongetrouwd man, die een zeer hoogen leeftijd bereikte, en die gedurende vele jaren van zijn leven een getrouwe gezellin en huishoudster had gehad in zijne zuster. Doch haar dood, die tien jaren voor zijn eigen overlijden plaats had, veroorzaakte een groote verandering in zijn omgeving; want ter vervulling van haar gemis, vroeg en ontving hij in zijn huis het gezin van zijn neef, den Heer Henry Dashwood, den wettigen erfgenaam van de bezitting Norland, en den persoon, aan wien hij voornemens was, het goed na te laten. In het gezelschap van zijn neef en nicht en hunne kinderen sleet de oude heer genoeglijke dagen. Zijn gehechtheid aan hen allen nam toe. De voortdurende tegemoetkoming van den Heer en Mevrouw Dashwood aan zijne wenschen, die niet enkel uit eigenbelang voortsproot, maar evenzeer uit goedhartigheid, schonk hem in ieder opzicht het gemak en behagen, dat hij in zijn hoogen ouderdom nog kon genieten, en de vroolijkheid der kinderen bracht in zijn leven een element van opgewektheid.

Uit een vorig huwelijk had de Heer Henry Dashwood een zoon; van zijn tegenwoordige vrouw drie dochters. De zoon, een flinke, achtenswaardige jonge man, zag zijn toekomst ruim verzekerd door het fortuin van zijne moeder, dat aanzienlijk was geweest, en waarvan de helft bij zijn meerderjarig-wording aan hem verviel. Door zijn eigen huwelijk, dat spoedig daarna plaats had, werd zijn rijkdom nog vermeerderd. Voor hem was dus het toekomstig bezit van Norland van niet zoo ingrijpend belang als voor zijn zusters; want haar fortuin kon, buiten ’t geen haar ten deel kon vallen wanneer haar vader het goed erfde, slechts gering zijn. Haar moeder bezat niets, en haar vader kon slechts zevenduizend pond zijn eigendom noemen; want de andere helft van het fortuin zijner eerste vrouw was eveneens op haar kind vastgezet, en hij had er slechts het vruchtgebruik[2] van.

De oude heer stierf; zijn testament werd voorgelezen, en baarde, als bijna ieder testament, evenveel teleurstelling als voldoening. Hij was niet zoo onrechtvaardig noch zoo ondankbaar om zijn bezitting niet aan zijn neef na te laten, doch hij liet hem het goed na, op voorwaarden die de helft der waarde van het erfdeel te niet deden. De Heer Dashwood had het bezit ervan gewenscht, meer terwille van zijn vrouw en dochters, dan voor zichzelf of zijn zoon; maar aan zijn zoon en zijn kleinzoon, een kind van vier jaar, werd het toegewezen, op een wijze, die hem volkomen de macht ontnam om de toekomst te verzekeren van degenen die hem het liefst waren, en die het meest zulk een verzekering behoefden, ’t zij door een hypotheek op het goed, of door verkoop van zijn waardevolle bosschen. Op alles werd beslag gelegd ten behoeve van het kind, dat bij bezoeken, nu en dan met zijn vader en moeder te Norland gebracht, zóózeer de genegenheid van zijn oudoom had weten te winnen, door aanvalligheden, ver van ongewoon bij kinderen van twee of drie jaar, als: onbeholpen spraak, een ernstig verlangen om zijn eigen wil door te zetten, veel guitenstreken en verbazend veel drukte, dat hiertegen de waarde van al de bewijzen van aanhankelijkheid, die hij jarenlang van zijne nicht en hare dochters had ontvangen niet kon opwegen. Zijn bedoeling was echter niet, onvriendelijk te zijn, en als een bewijs van zijn genegenheid voor de drie meisjes liet hij aan ieder van haar duizend pond na.

De Heer Dashwood was eerst bitter teleurgesteld; maar zijn aard was vroolijk en geneigd tot opgewektheid; hij had alle reden nog te hopen op een lang leven, waarin hij door zuinig te zijn, een aanzienlijke som kon besparen uit de opbrengst van een goed, dat reeds groot was, en vatbaar voor bijna onmiddellijke verbetering. Doch het fortuin, dat zoo laat gekomen was, bleef slechts een jaar in zijn bezit. Langer overleefde hij zijn oom niet, en tien duizend pond, de pas ontvangen legaten medegerekend, was al wat voor zijne weduwe en dochters overbleef.

Zoodra men wist dat hij in gevaar was, werd om zijn zoon gezonden, en hem beval de heer Dashwood, met al de kracht en den aandrang waartoe zijn ziekte hem nog vermocht te bewegen, de belangen aan van zijn stiefmoeder en zijne zusters.

De Heer John Dashwood bezat niet het sterke gevoel van de overige leden der familie; doch hij was getroffen door eene aanbeveling van dien aard op zulk een tijdstip; en hij beloofde alles te doen wat in zijn macht stond om tot haar verzorging bij te dragen. Zijn vader was door die verzekering gerustgesteld; en de Heer John Dashwood had daarna nog ruim tijd om te overwegen hoe veel hij in alle voorzichtigheid bij machte zou kunnen zijn voor haar te doen.

Hij was geen slechtgeaarde jonge man; tenzij het slecht geaard ware, ietwat onhartelijk en nog al zelfzuchtig te zijn; hij stond over ’t algemeen zeer in aanzien; want hij gedroeg zich juist zooals het behoorde in de vervulling van zijn gewone verplichtingen. Had hij een beminnelijkere vrouw getrouwd, dan zou hij misschien nog meer gezien hebben kunnen zijn, dan hij reeds was; hij zou dan zelfs misschien zelf beminnelijk hebben kunnen worden; want hij was heel jong toen hij trouwde en hij hield veel van zijn vrouw. Maar Mevrouw John Dashwood was een sterk overdreven caricatuur van hem zelf; nog meer bekrompen en zelfzuchtig.

Toen hij zijn vader die belofte deed, stelde hij zich inwendig voor, het fortuin van zijn zusters te vermeerderen, door haar ieder een duizend pond te schenken. Hij dacht toen werkelijk dat hij daartoe in staat zou zijn. ’t Vooruitzicht op vierduizend pond jaarlijks, toegevoegd aan zijn tegenwoordig inkomen, behalve de andere helft van zijn moeder’s fortuin, verwarmde zijn hart, en deed hem zich in staat gevoelen, edelmoedig te zijn: “Ja, hij zou ze drie duizend pond geven; dat was ruim en royaal! Het zou voldoende zijn om ze geheel onbezorgd te doen leven. Drie duizend pond! Hij kon die aanzienlijke som wel missen, zonder veel bezwaar. Hij dacht er den geheelen dag aan, en vele dagen achtereen, en hij had er geen berouw van.”

Zoodra de begrafenis van zijn vader was afgeloopen, kwam Mevrouw John Dashwood met haar kind en hun bedienden; zonder aan haar schoonmoeder eenig bericht te hebben gezonden van haar voornemen. Niemand kon haar recht om te komen betwisten; het huis behoorde aan haar echtgenoot, van het oogenblik af dat zijn vader overleed; maar dat maakte het onkiesche van haar gedrag des te meer voelbaar, en zou voor een vrouw in Mevrouw Dashwood’s omstandigheden, met slechts alledaagsche gevoelens, hoogst onaangenaam zijn geweest; doch haar geest was doordrongen van een zóó sterk gevoel van eer, een zoo romantische edelmoedigheid, dat elke overtreding van dezen aard, door wien ook begaan, of van wien ook ondervonden, voor haar een bron was van onveranderlijken afkeer. Mevrouw John Dashwood was nooit met zeer gunstige oogen geschouwd door eenig lid van haar man’s familie, maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad, hun te toonen, hoe weinig zij bij haar optreden eens anders gevoelens ontzag, wanneer het zoo in haar kraam te pas kwam. Zoo pijnlijk griefde Mevrouw Dashwood dit onbeminnelijk gedrag, en zoo hartgrondig verachtte zij haar schoondochter wegens haar houding, dat zij bij de aankomst van de laatste het huis voorgoed zou hebben verlaten, wanneer niet de smeekingen van haar oudste dochter haar hadden bewogen eerst nog eens na te denken over de gepastheid van zulk een vertrek, en haar eigen teedere liefde voor alle drie hare kinderen haar later had doen besluiten te blijven, en om harentwil een breuk met haar broeder te vermijden.

Elinor, deze oudste dochter, wier raadgeving zoo doeltreffend was, bezat een mate van doordringend begrip en een helderheid van oordeel, die haar recht gaven, hoewel zij nog slechts negentien jaar was, als haar moeder’s raadgeefster op te treden, en haar in staat stelden, menigmaal tot hun aller voordeel, haar overwicht te doen gelden tegenover Mevrouw Dashwood’s levendigen en voortvarenden aard, die haar licht tot onvoorzichtigheid had kunnen verleiden. Zij had een warm hart, haar aard was liefderijk, en haar gevoelens waren sterk; doch zij wist ze te beheerschen; dit was een kennis, die haar moeder nog te verwerven had, en die een harer zusters besloten had, zich nimmer te laten bijbrengen.

Marianne’s vermogens waren in menig opzicht, aan die van Elinor gelijkwaardig. Zij was verstandig en vlug van begrip; maar in alles heftig; haar verdriet, haar vreugde kenden geen matiging. Zij was edelmoedig, beminnelijk, boeiend; ze was alles, behalve voorzichtig. De gelijkenis tusschen haar en hare moeder was opvallend groot.

Elinor zag, niet zonder zorg, die overmaat van gevoeligheid bij haar zuster; doch door Mevrouw Dashwood werd deze gewaardeerd en aangewakkerd. Zij versterkten thans elkander in de heftigheid van hare smart. De hartverscheurende droefheid, die haar in het begin overweldigde, werd opzettelijk hernieuwd, gezocht, telkens en telkens weder opgewekt. Zij gaven zichzelf geheel over aan haar verdriet, trachtten meerder leed te putten uit elke overweging, die daartoe kon bijdragen, en schenen vastbesloten ook in de toekomst voor troost ontoegankelijk te blijven. Ook Elinor was diep terneergeslagen; maar zij kon ertegen strijden. Zij kon zich inspannen. Zij kon overleg plegen met haar broeder; kon haar schoonzuster ontvangen bij haar komst en haar de noodige beleefdheid bewijzen; ook kon zij ernaar streven haar moeder op te wekken tot een dergelijke krachtsinspanning en haar aan te sporen tot een dergelijke verdraagzaamheid.

Margaret, de andere zuster, was een blijgezind, goedaardig meisje; maar daar zij reeds vrij wat van Marianne’s romantische neigingen had overgenomen, zonder juist veel van haar verstand te bezitten, beloofde zij thans, nu ze dertien was, niet, op lateren leeftijd de gelijke van hare zusters te zullen worden.

Hoofdstuk II

Inhoudsopgave

Mevrouw John Dashwood nam thans hare plaats in als vrouw des huizes te Norland, en haar schoonmoeder en zusters werden tot de positie van gasten teruggebracht. Als zoodanig echter behandelde zij hen kalm beleefd, en haar man bewees hun zooveel vriendelijkheid, als hij kon gevoelen voor iemand, behalve zichzelf, zijn vrouw en hun kind. Hij wilde hen, werkelijk met eenigen aandrang, overhalen om Norland als hun tehuis te beschouwen, en daar geen ander plan Mevrouw Dashwood zoo verkieselijk scheen, als daar te blijven tot zij een huis in de buurt had kunnen vinden, werd zijn uitnoodiging aangenomen.

Te blijven op een plek, waar alles haar aan vroegere vreugde herinnerde, was juist wat strookte met haar aard. In tijden van blijdschap kon geen geaardheid opgewekter zijn dan de hare, of in grootere mate die optimistische verwachting van geluk koesteren, die het geluk zelf is. Doch in hare smart liet zij zich eveneens door haar verbeelding medevoeren, even ver van alle vertroosting, als in haar vreugde van storende pijn.

Mevrouw John Dashwood keurde volstrekt niet goed, wat haar man voornemens was te doen ten behoeve van zijne zusters. Drieduizend pond af te nemen van het fortuin van hun kleinen jongen zou gelijk staan met hem tot de verschrikkelijkste armoede te doen vervallen. Zij raadde hem aan, nog eens na te denken over de zaak. Hoe kon hij ’t voor zichzelf verantwoorden, zijn kind, zijn eenig kind nog wel, van zulk een groote som te berooven? En met welk recht konden de dames Dashwood, die slechts bloedverwanten waren van ééne zijde, ’t geen zij als in ’t geheel geen verwantschap beschouwde, aanspraak maken op zulk een groote som als bewijs van zijn edelmoedigheid? Dat wist toch iedereen, hoe niemand ooit genegenheid verwachtte tusschen kinderen van eenig man, uit verschillende huwelijken, en waarom zou hij zichzelf, en hun armen kleinen Harry, ruïneeren, door al zijn geld weg te geven aan zijn half zusters?

“’t Was vader’s laatste verzoek aan mij,” antwoordde haar man “dat ik zijn weduwe en dochters zou bijstaan.”

“Hij zal wel niet hebben geweten wat hij zei, denk ik; tien tegen een dat hij in de war was op dat oogenblik. Als hij bij zijn verstand geweest was, zou hij er niet aan hebben gedacht zoo iets vreemds te doen, je te vragen je halve fortuin weg te geven ten nadeele van je eigen kind.”

“Hij eischte immers ook geen bepaalde som, beste Fanny, hij verzocht mij alleen, in algemeene termen, om hen bij te staan en hunne omstandigheden gemakkelijker te maken, dan in zijn vermogen was, te doen. ’t Was misschien beter geweest, als hij ’t maar geheel aan mij had overgelaten. Hij kon moeilijk veronderstellen, dat ik mij niet om hen zou bekommeren. Maar daar hij die belofte van mij vergde, kon ik al niet anders dan haar afleggen; ten minste, toen dacht ik er zoo over. De belofte werd dus gegeven en moet worden vervuld. Iets moet er voor hen worden gedaan, wanneer ze van Norland vertrekken en gaan wonen in hun nieuw tehuis”.

“Nu ja, goed; laat er iets voor hen gedaan worden; maar dan behoeft dat iets niet juist drieduizend pond te zijn. Je moet niet vergeten,” voegde zij erbij, “dat je het geld niet kunt terugkrijgen, wanneer je ’t eens hebt afgestaan. Je zusters zullen trouwen, en dan is het voor goed weg. Als het nu nog ooit aan onzen armen kleinen jongen kon worden teruggegeven...”

“O, zeker,” zei haar man heel ernstig, “dat zou een groot verschil maken. Er kan een tijd komen, waarin Harry er spijt van heeft, dat zulk een groote som werd weggeschonken. Als hij bijvoorbeeld een groot gezin had, dan zou het een welkome vermeerdering zijn.”

“Natuurlijk, dat spreekt vanzelf.”

“Misschien was het dan voor alle betrokken partijen beter als we de som tot op de helft verminderden. Vijfhonderd pond zou een ontzaglijke vermeerdering van hun fortuin beteekenen.”

“O, maar meer dan ze in de verste verte konden verwachten! Welke broer ter wereld zou ook maar half zooveel doen voor zijn zusters, zelfs als ze werkelijk zijn zusters waren! Maar zooals hier—halfzusters maar!—Je bent nu eenmaal zoo edelmoedig van aard!”

“Ik zou niet graag schriel willen zijn,” was zijn antwoord. “Men doet bij zulke gelegenheden liever te veel dan te weinig. Niemand kan ten minste denken, dat ik niet genoeg voor hen heb gedaan; zelve zouden ze moeilijk meer kunnen verwachten.”

“Ja, wat zij verwachten, wie zal dàt zeggen,” vond mevrouw; “maar hun verwachtingen gaan ons niet aan; de vraag is, wat jij je veroorloven kunt te doen.”

“Precies, en mij dunkt, dat ik mij kan veroorloven hun elk vijfhonderd pond te geven. Zooals ’t nu staat, zonder eenige toevoeging van mij, zullen zij bij hun moeder’s dood ieder meer dan drieduizend pond bezitten, een zeer voldoende som voor een jonge vrouw.”

“Dat is het zeker; en wèl beschouwd, dunkt mij, dat ze in ’t geheel geen toevoeging noodig hebben. Tienduizend pond zullen onder hen verdeeld worden. Als ze trouwen, dan doen ze stellig een goede partij, en trouwen ze niet, dan kunnen ze met elkaar ruim leven van de rente van tienduizend pond.”

“Dat is zéér waar; en daarom weet ik niet, of het over ’t geheel niet raadzamer zou zijn, iets te doen voor hun moeder, gedurende haar leven, dan voor hen; zooiets als een jaargeld[3], bedoel ik. Mijn zusters zouden daarvan evengoed voordeel trekken als zij zelve. Met honderd pond in ’t jaar zouden ze ’t samen heel goed kunnen hebben.”

Zijn vrouw aarzelde echter een weinig, tot dit plan haar toestemming te verleenen.

“Natuurlijk,” zei ze, “dat is wel beter, dan afstand te doen van vijftienhonderd pond ineens. Máár—als Mevrouw Dashwood nog vijftien jaar blijft leven, dan zijn wij ’t kind van de rekening.”

“Vijftien jaar! maar Fanny, zóó oud wordt ze niet half.”

“Dat denk ik ook niet; maar let eens op, als menschen een jaargeld krijgen, dan leven ze maar altijd door; en zij is zoo dik en gezond, en nog maar even in de veertig. Een jaargeld is werkelijk geen gekheid, ’t komt geregeld ieder jaar weer terug, en men kan er niet afkomen. Je weet niet wat je begint. Ik heb heel wat ondervinding van dien last met jaargelden; want mijn moeder had, als een blok aan haar been, volgens vader’s testament, er drie uit te betalen aan oude, afgedankte dienstboden, en je kunt je niet voorstellen hoe onaangenaam ze dat vond. Tweemaal in ’t jaar moest dat geld worden uitbetaald, en dan hadt je nog den last om ’t hun te doen toekomen; en toen ’t heette, dat een van hen was gestorven, bleek het later, dat daar niets van aan was. Mijn moeder kreeg er zoo recht genoeg van. ’t Was of haar inkomen haar niet behoorde, zei ze, met die voortdurende eischen, die aan haar werden gesteld; en ’t was des te onaardiger van vader, omdat overigens het geld geheel en al moeder’s eigendom was, zonder eenige voorwaarde. Dat heeft me zoo’n afkeer gegeven van jaargelden, dat ik in geen geval mij zelf zou willen dwingen tot de verplichting er ooit een uit te betalen, voor geen geld van de wereld.”

“Het is ook bijzonder onaangenaam,” antwoordde de Heer Dashwood, “die soort van jaarlijksche inkomstenvermindering te moeten ondergaan. Zooals je moeder terecht zegt, op die manier is iemands fortuin zijn eigendom niet. Verplicht te zijn tot geregelde betaling van zoo’n som op elken betaaldag, is alles behalve prettig; ’t beneemt iemand zijn gevoel van onafhankelijkheid.”

“Zeer zeker; en per slot krijgt men er geen dank voor. Zij denken dat ze zeker zijn van hun geld; je doet niet meer dan ze verwachten, en dankbaar zijn ze in ’t minst niet. Als ik in je plaats was, dan zou ik, wàt ik ook deed, geheel uit eigen vrijen wil doen; ik zou mij niet willen binden, door een jaarlijksche toelage. Er kunnen jaren komen, waarin ’t ons heel slecht past om honderd, of zelfs vijftig pond te missen van wat we noodig hebben voor eigen uitgaven.”

“Mij dunkt, dat je gelijk hebt, beste; ’t zal beter zijn, als er geen sprake is van een jaargeld in dit geval; wàt ik hun dan ook bij gelegenheid eens zal geven, zal hen veel meer helpen dan een jaarlijksche toelage; want ze zouden alleen maar op veel grooter voet gaan leven, als ze zeker waren van een grooter inkomen, en zoodoende zouden ze aan ’t eind van ’t jaar geen cent rijker zijn erdoor. Dat zal stellig de beste manier zijn. Met een cadeautje van vijftig pond zoo af en toe zullen ze nooit om geld verlegen zijn, en ik geloof dat ik op die wijze ten volle de belofte aan mijn vader nakom.”

“Ja, zeker doe je dat. Eigenlijk, om je de waarheid te zeggen, ben ik inwendig overtuigd, dat je vader in ’t geheel niet bedoeld heeft, dat je hun geld zoudt geven. Ik geloof stellig, die hulp, die hij op het oog had, was niet anders, dan wat men natuurlijk van je zou mogen verwachten; zooals bijvoorbeeld naar een geschikt huisje voor hen uit te zien, hen te helpen bij ’t verhuizen, en hun nu en dan eens wat visch of wild te zenden, al naar ’t seizoen. Ik durf wel wedden dat hij niets meer dan dat bedoelde; en ’t zou dan toch ook al héél vreemd en onredelijk zijn geweest als dat wèl zoo was. Want bedenk toch eens, man, hoe ruim en royaal je stiefmoeder en haar dochters kunnen leven van de rente van zevenduizend pond, behalve die duizend pond, die de meisjes ieder bezitten, en die hun elk vijftig pond in ’t jaar opbrengen, waarvan ze natuurlijk hun moeder voor kost en inwoning zullen betalen. Alles met elkaar gerekend zullen ze samen vijfhonderd pond hebben in ’t jaar, en wat ter wereld kunnen vier vrouwen meer begeeren? Ze zullen zoo goedkoop leven! Hun huishouden zal letterlijk niets kosten. Ze zullen geen rijtuig houden, geen paarden, en bijna geen dienstboden; ze zullen geen menschen zien, en dus in ’t geheel geen onkosten hebben! Denk eens, hoe ruim ze zich zullen kunnen bewegen! Vijfhonderd pond in ’t jaar! Bepaald, ik kan mij niet voorstellen hoe ze ook maar de helft ervan zullen uitgeven, en dat ze van jou nog meer zouden krijgen, is te gek om aan te denken. Ze zullen vrij wat eerder in staat zijn om iets te geven aan jou.”

“Ja, ’t is waar,” zei de Heer Dashwood; “je hebt groot gelijk. Vader kan niets meer hebben bedoeld met zijn verzoek aan mij, dan wat je zegt. Ik begrijp dat nu volkomen, en ik zal mijn belofte getrouw vervullen door bewijzen van vriendelijkheid en hulp in den geest zooals jij dat aangaf. Als moeder een ander huis gaat betrekken, dan zal ik met genoegen mijn diensten aanbieden, om haar te helpen zooveel in mijn vermogen is. Een of andere kleine attentie, een nieuw meubelstuk of zoo, zal dan ook wel te pas komen.”

“O jawel,” zei Mevrouw John Dashwood. “Mààr, één ding mag je daarbij wèl in aanmerking nemen. Toen je vader en moeder naar Norland verhuisden, werden wel de meubels van Stanhill verkocht; maar al het porselein, zilver en linnen werden meegenomen, en zijn nu nagelaten aan je moeder. Daardoor zal haar huis bijna geheel en al ingericht zijn, zoodra ze ’t gaat bewonen.”

“Dat legt gewicht in de schaal, zeer zeker. Een waardevol bezit!—Een gedeelte van dat zilver zou buitengewoon goed te pas zijn gekomen ter aanvulling van onzen eigen voorraad.”

“Ja, en ’t ontbijtservies is oneindig mooier dan ’t geen hier in huis behoort. Veel te mooi, naar mijn idee, voor welk huis ook, waarin zij ooit kunnen wonen. Maar dat is nu eenmaal niet anders. Je vader dacht alleen aan hen. En dàt moet ik zeggen: je behoeft hem niet zoo bijzonder dankbaar te zijn, of zijn wenschen zoo stipt na te komen; want we weten best, dat hij, als hij maar kòn, bijna alles aan hen zou hebben nagelaten.”

Dàt argument was onweerlegbaar. Het verleende zijn plannen de vastheid, die er te voren aan ontbrak, en ten slotte besloot hij, dat het volkomen onnoodig, zoo niet bepaald ongepast zou zijn, meer te doen voor de weduwe en kinderen van zijn vader, dan hun als goeden buren de soort van attenties te bewijzen, waarop zijn eigen vrouw hem gewezen had.

Hoofdstuk III

Inhoudsopgave

Mevrouw Dashwood bleef verscheiden maanden te Norland; niet omdat zij ongeneigd was te vertrekken, nadat het gezicht van elke welbekende plek niet langer de heftige gemoedsbeweging veroorzaakte, die het een tijdlang had opgewekt; want toen haar veerkracht terugkeerde, en haar geest weer in staat was tot eenige andere krachtinspanning dan die van hare droefheid te verlevendigen door weemoedige herinneringen, verlangde zij sterk naar het vertrek, en was onvermoeid in haar pogingen een geschikte woning te vinden in de buurt van Norland; want zich ver van die geliefde plek te verwijderen scheen haar onmogelijk. Maar zij kon geen verblijfplaats ontdekken die voldeed aan haar eischen op ’t punt van behagen en gemak, en die tevens de goedkeuring wegdroeg van haar voorzichtige oudste dochter, wier gezonder oordeel verschillende huizen, waarmee haar moeder zeer was ingenomen, als te groot voor hun inkomen, verwierp.

Mevrouw Dashwood had door haar man de plechtige belofte vernomen, hem door zijn zoon te haren behoeve gedaan, en welke zijn laatsten gedachten hier op aarde troost had geschonken. Zij twijfelde evenmin aan de oprechtheid van die verzekering, als haar man zelf had gedaan, en ter wille van hare dochters schonk de gedachte eraan haar voldoening; hoewel zij, wat haarzelve betrof, overtuigd was, dat een veel geringere som dan zevenduizend pond voldoende zou zijn om haar een ruim bestaan te verschaffen. Ook terwille van hun broeder, terwille van zijn eigen hart verheugde zij zich; en zij verweet zichzelve, dat zij vroeger zijn verdienste geen recht had laten weervaren, toen zij hem niet in staat achtte tot edelmoedigheid. Zijn voorkomend gedrag jegens haar en zijne zusters overtuigde haar, dat hun welzijn hem ter harte ging, en langen tijd vertrouwde zij vast op zijn vrijgevige bedoelingen.

De minachting, die zij reeds aan ’t begin hunner kennismaking gevoeld had voor haar schoondochter, werd zeer versterkt door de diepere kennis van haar karakter, die een verblijf van een half jaar in haar gezin haar deed verwerven, en misschien zouden, ondanks alle bedenkingen, ingegeven door beleefdheid en moederlijke genegenheid van de zijde der oudere dame, die twee het onmogelijk hebben bevonden het zoolang met elkander uit te houden, wanneer niet eene bijzondere omstandigheid in de oogen van Mevrouw Dashwood, het steeds meer verkieselijk had doen schijnen, dat haar dochter vooreerst te Norland zou blijven.

Die omstandigheid was een toenemende wederzijdsche genegenheid tusschen haar oudste meisje en den broeder van Mevrouw John Dashwood, een beschaafden en beminnelijken jongen man, dien zij hadden leeren kennen kort na zijn zuster’s komst te Norland, en die sedert dien tijd veel bij hen aan huis kwam.

Sommige moeders zouden dien vertrouwelijken omgang hebben aangemoedigd uit eigenbelang; want Edward Ferrars was de oudste zoon van een man, die schatrijk was gestorven; en andere zouden dien hebben tegengegaan uit voorzichtigheid; want op een geringe som na, hing zijn geheele fortuin af van het testament zijner moeder. Doch Mevrouw Dashwood liet zich door geen dier beide opvattingen beïnvloeden. Voor haar was het genoeg, dat hij een aangenamen indruk maakte, dat hij hare dochter liefhad, en dat Elinor die voorkeur beantwoordde. Het zou in strijd zijn geweest met al haar beginselen, dat verschil in fortuin eenig paar gescheiden zou kunnen houden, dat door gelijkgestemdheid zich tot elkaar voelde aangetrokken; en dat Elinor’s verdienste niet zou worden gewaardeerd door ieder die haar kende, dat ging boven haar begrip. Edward Ferrars bezat overigens, om zich hunne goede meening te verwerven, geen bijzondere gaven, wat zijn persoon of optreden betrof. Bijzonder knap van uiterlijk was hij niet, en zijn manieren werden eerst aangenaam als hij zich op zijn gemak gevoelde. Hij was te verlegen om goed tot zijn recht te komen; maar als hij zijn aangeboren bedeesdheid had overwonnen, leverde zijn gedrag in elk opzicht de bewijzen van een openhartige en warme natuur. Zijn verstand was goed, en zijne opvoeding had het degelijk geoefend. Doch noch door zijn aanleg, noch door zijne neigingen was hij geschikt, de wenschen te vervullen van zijne moeder en zuster, die verlangden hem te zien uitblinken—als—zij wisten zelven eigenlijk niet wat. Zij wilden dat hij een goed figuur zou slaan in de wereld op de eene of andere manier. Zijn moeder begeerde dat hij belang zou stellen in politiek, dat hij lid van het parlement zou worden, of in aanraking zou komen met sommigen der groote mannen van zijn tijd. Dat wenschte Mevrouw John Dashwood eveneens; doch voorloopig, tot een van die hoogere zegeningen hem zou kunnen ten deel vallen, zou háár eerzucht tevreden gesteld zijn, als zij hem in een eigen barouchette[4] had kunnen zien rijden. Maar Edward’s neigingen gingen niet uit naar groote mannen of barouchettes. Al zijn wenschen hadden tot hun middenpunt huiselijke gezelligheid en de rust van het gezinsleven. Gelukkig had hij een jongeren broeder, van wien meer te verwachten viel. Edward was reeds meerdere weken bij hen gelogeerd geweest, eer Mevrouw Dashwood eigenlijk goed op hem lette; want zij was in die dagen zóó bedroefd, dat zij voor hare omgeving in ’t geheel geen oog had. Zij zag alleen, dat hij rustig was en zich achteraf hield, en dat beviel haar in hem. Hij verstoorde haar diepe verslagenheid van geest niet door te onpas gesprekken te beginnen. Zij kreeg voor ’t eerst aanleiding om op hem te letten en nog gunstiger over hem te gaan denken door eene opmerking, die Elinor op zekeren dag toevallig maakte over het verschil tusschen hem en zijn zuster. Die tegenstelling was voor haar moeder de allerwelsprekendste aanbeveling. “O, dat is genoeg,” zei ze; “wanneer je Zegt, dat hij niet op Fanny lijkt, dan is dat al genoeg voor mij. Dat sluit alles in wat beminnelijk is. Nu houd ik al veel van hem.”

“Ik denk wel dat u hem graag zult mogen lijden,” zei Elinor, “als u hem beter leert kennen.”

“Mogen lijden!” antwoordde haar moeder, met een glimlach. “Ik voor mij kan geen gevoel van waardeering koesteren dat beneden warme genegenheid blijft.”

“U zoudt achting voor hem kunnen voelen.”

“Ik heb nooit geweten wat het was, achting en liefde van elkander te scheiden.”

Mevrouw Dashwood gaf zich nu moeite, hem nader te leeren kennen. Zij bezat innemende manieren, en zette hem spoedig op zijn gemak. Vlug genoeg zag zij zijn verdiensten in; haar overtuiging dat hij Elinor genegen was, verhoogde misschien haar doorzicht; maar zij was van zijn innerlijke waarde ten stelligste overtuigd, en zelfs dat bedaarde in zijn houding, dat indruischte tegen al haar overgeleverde begrippen omtrent de wijze waarop een jonge man zich behoorde voor te doen, bleef niet meer zoo oninteressant, nu zij wist dat hij een warm hart had en een liefhebbenden aard.

Niet zoodra had zij de eerste aanduiding van verliefdheid bespeurd in zijn houding jegens Elinor, of zij beschouwde hun ernstige genegenheid als een uitgemaakte zaak, en zag hun huwelijk, als binnenkort aanstaande, met blijdschap tegemoet.

“Over een paar maanden, Marianne,” zei ze, “zal Elinor waarschijnlijk al haar eigen thuis hebben gevonden. Wij zullen haar missen; maar zij zal gelukkig zijn.”

“O mama! hoe zullen we ’t zonder haar stellen?”

“Lieve kind, men kan het haast geen scheiding noemen. We zullen maar een paar mijlen van elkaar af wonen, en elkaar iederen dag ontmoeten. Je krijgt nu een broer,—een echten, hartelijken broer. Van Edward’s goede hart heb ik de hoogste verwachtingen. Maar je kijkt ernstig, Marianne; heb je iets aan te merken op je zuster’s keuze?”

“Misschien,” zei Marianne, “mag ik mij er wel een weinigje over verwonderen. Edward is heel aardig, en ik houd ook veel van hem. Maar toch, hij is niet de soort van jonge man... er ontbreekt hem iets, zijn persoonlijkheid is niet opvallend—hij heeft niets van de bekoring die ik dacht, dat moest uitgaan van een man, die mijn zuster’s ernstige genegenheid kon winnen. Er is in zijn oogen niets van dien geest, van dat vuur, dat zoowel deugd als intellectueele begaafdheid verraadt. En dan bovendien nog, mama, ik ben bang dat hij eigenlijk geen goeden smaak heeft. Om muziek schijnt hij weinig te geven, en al bewondert hij nog zoozeer Elinor’s teekeningen, ’t is niet de bewondering van iemand, die hun waarde beoordeelen kan. Men kan duidelijk zien, al neemt hij ook gedurig notitie van haar als ze aan het teekenen is, dat hij er eigenlijk in ’t geheel geen verstand van heeft. Hij bewondert als minnaar, niet als een kenner. Om mij te voldoen, zouden die beide eigenschappen vereenigd moeten zijn. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn met een man, wiens smaak niet in elk opzicht met den mijne overeenkwam. Hij zou in al mijn gevoelens moeten kunnen komen, dezelfde boeken, dezelfde muziek zouden ons beiden moeten bekoren. O mama, wat was Edward’s houding mat en flauw en lauw, toen hij ons gisterenavond voorlas! Ik vond het verschrikkelijk voor Elinor. Maar zij verdroeg het met de grootste kalmte; ’t scheen wel of ze ’t niet eens opmerkte. Ik kon haast niet op mijn stoel blijven zitten. Die prachtige verzen, die mij dikwijls zoo woest opgewonden hebben gemaakt, te hooren voordragen met zoo’n onverzettelijke kalmte, zoo’n akelige onverschilligheid!”

“Als het eenvoudig en vloeiend proza was geweest, dat zou hij stellig meer tot zijn recht hebben doen komen. Ik dacht het al; maar jij moest hem juist Cowper geven.”

“Ja, ziet u, mama—als Cowper hem nog niet in vuur brengt!—maar we moeten bedenken, dat smaken verschillen. Elinor’s gevoelens zijn niet de mijne; daarom kan zij zooiets over ’t hoofd zien, en gelukkig met hem worden. Maar ’t zou mijn hart hebben gebroken, als ik van hem hield, om hem te hooren lezen met zóó weinig gevoel. Mama, hoe meer ik de wereld leer kennen, des te vaster ben ik overtuigd, dat ik nooit een man zal ontmoeten, dien ik werkelijk liefhebben kan. Ik stel zulke hooge eischen! Hij moet al de deugden van Edward bezitten, en zijn persoon en manieren moeten zijn goedheid alle denkbare bekoring verleenen.”

“Vergeet niet, kindje, dat je nog geen zeventien bent. ’t Is nog te vroeg om aan dat geluk te wanhopen. Waarom zou het je minder goed gaan in dat opzicht dan je moeder? In één enkel opzicht alleen, Marianne, hoop ik, dat je lot van het hare verschillen zal.”

Hoofdstuk IV

Inhoudsopgave

Wat is het toch jammer, Elinor,” zei Marianne, “dat Edward geen plezier in teekenen heeft.”

“Geen pleizier in teekenen?” antwoordde Elinor; “waarom dacht je dat? Hij teekent zelf niet; dat is waar; maar hij ziet heel graag, dat anderen ermee bezig zijn, en ik verzeker je, dat het hem volstrekt niet ontbreekt aan aangeboren smaak, hoewel hij geen gelegenheid heeft gehad om dien te ontwikkelen. Als hij ooit was begonnen het te leeren, dan geloof ik, dat hij heel goed zou hebben geteekend. Hij wantrouwt zóózeer zijn eigen oordeel in zulke dingen; dat hij nooit graag zijn meening uitspreekt over een schilderij of teekening; maar hij heeft dien natuurlijken eenvoud en zuiverheid van smaak, die hem in den regel juist den rechten weg wijzen.”