11,99 €
'Ik herkende mijn vader niet, bij zijn thuiskomst. Kuste alleen zijn foto! Op het einde van de oorlog vluchtte mijn vader uit een werkkamp in Duitsland, tijdens de Hongerwinter in de Tweede Wereldoorlog. Plotseling stond mijn vader op de stoep voor ons huis, mijn moeder schrok enorm, en ik dacht als klein kind: wie is die vreemde man?' Zo begint dit vierde boek van Cees de Vries over de trauma's van de tweede generatie over de oorlog, voornamelijk gevoed door zijn vader die hem op vierjarige leeftijd vreselijke beelden liet zien van onder meer concentratiekampen In dit boek beschrijft hij de periodes in zijn leven die gekenmerkt worden door tweede generatie oorlogstrauma en hoe hij dit alles een plaats weet te geven na toelating van alle emoties. Hij gaat samen met zijn zoon de kampen bezichtigen om alles te kunnen verwerken.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 468
Veröffentlichungsjahr: 2018
Inhoud
Colofon
Toewijding
Voorwoord
In het boek gebruikte afkortingen
Inleiding
Hoofdstuk 1 – Terugblik in mijn kinderjaren
Hoofdstuk 2 – Mijn tijd na de lagere school
Mijn eerste grote zeereis
Hoofdstuk 4 – Voor het eerst naar Australië en Nieuw-Zeeland
Hoofdstuk 5 – Mijn tweede grote reis naar Australië en Nieuw-Zeeland
Hoofdstuk 6 – De overgang naar het leger
Hoofdstuk 7 – Einde oorlogstrauma tweede generatie
Colofon
Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.
© 2018 novum publishing
ISBN drukuitgave: 978-3-99064-273-3
ISBN e-book: 978-3-99064-274-0
Lectoraat: S. Braakmann
Vormgeving omslag: Grenar, Bignai | Dreamstime.com
Omslagfoto, lay-out & zetting:novum publishing
Foto’s binnendeel: Cees de Vries
www.novumpublishing.nl
Toewijding
Ik herkende mijn vader niet, bij zijn thuiskomst. ‘Kuste alleen zijn foto!’
Voorwoord
Maandag 29 januari 2017. Gertjan, mijn zoon, kwam zoals gewoonlijk op maandag zijn was brengen en eet dan warm eten mee. Tijdens het eten kregen wij het over de tv-documentaire van Menten, de schatrijke oorlogsmisdadiger (SS’er) wonend in Blaricum die in de jaren zestig door Hans Knoop voor de rechter werd gedaagd in verband met zijn gestolen schilderijen. Deze schilderijen waren gestolen van Poolse joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Menten wilde de schilderijen laten veilen door Veilinghuis Christie. De schilderijen waren afkomstig uit gestolen oorlogskunst, van zijn joodse buren in Polen. Hier heeft Hans Knoop, een joodse journalist van dagbladDe Telegraaf, een stokje voor gestoken. Verder kregen we het over de uitzending van de nieuwe tv film van Riphagen, zwarthandelaar, die samenwerkte met de Duitse SD, en joden beroofden van hun kostbaarheden en zogenaamd voor het verzet werkte en de boel verraadde. Naar aanleiding van dit gesprek ben ik verder gegaan met het schrijven over mijn oorlogsherinneringen vanaf mijn derde levensjaar! Vanaf deze plaats wil ik mijn lieve nicht Marina Moonen bedanken, voor haar inbreng van het verhaal van haar moeder, zus van mijn vader, over haar tocht in de barre Hongerwinter om voedsel te zoeken in de oostelijke provincies.
In het boek gebruikte afkortingen
A-esk: Alfa-eskadron
AP: Avondpermissie
B-esk: Bravo-eskadron
Bat: Bataljon
Bevo: Bevoorradingsgroep
BOG: Bataljon onderhoudsgroep
CP: Commandopost
EC: Eskadronscommandant
ESK: Eskadron
KADT: Kazerne adjudant
KMAR: Koninklijke Marechaussee
KPL: Korporaal
KVV: Kort Verband Vrijwilliger
MIO: Militaire Inspectie Onderhoud
O.O.: Onderofficier
OKP: Officier van Piket
OW: Opperwachtmeester
OWI: Opperwachtmeester Instructeur
PSU: Persoonlijke Standaard Uitrusting
SGT: Sergeant
SROC: School Reserve Officieren Cavalerie
STSTVESK: Staf-Staf-VerzorgingsEskadron
TANKBAT: Tankbataljon
WCDT: Wachtcommandant
WMR: Wachtmeester
Inleiding
Ik herinner me tijdens de gesprekken met mijn zoon mijn weggestopte oorlogstrauma. Alles kwam weer naar boven in mijn gedachten.
Ik werd hier emotionele door overrompeld, en barstte zelfs in een huilbui los, wat ik totaal niet wilde, ik schaamde me er zelfs voor!
Mijn zoon vroeg zich af hoe het toch kon: dat het bij mij zo hoog zat, om hier niet normaal met iemand over te kunnen praten, en daar enorm emotioneel op reageerde. Wat ik vroeger nooit gedaan zou hebben. Ik vertelde mijn zoon dat het mijn wens was om persoonlijk een bezoek te brengen aan het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Elke keer als ik terugdenk aan de oorlog, dat mijn vader me foto’s liet zien van massagraven met stapels lijken, werd ik angstig, ik was pas vier jaar. Die boekjes met gruwelijke foto’s hebben zoveel indruk op me gemaakt. Samen met zijn verhalen heb ik daar een trauma aan overgehouden.
Graag wil ik deze moeilijke periode in mijn kinderjaren, voor eens en altijd een plaats geven nu het nog kan, zonder er angstig over te worden.
Mijn zoon zei: pa, dat gaan we regelen, ik ga met je mee. Ook mijn schoonzoon wilde mee, dat had ik niet verwacht, ik was altijd bang om mijn wens kenbaar te maken aan mijn kinderen. Ik wilde mijn onverwerkte oorlogsangsten niet overbrengen op mijn eigen kinderen, zoals mijn vader en moeder dat wel hebben gedaan. Vaak werd tegen mij gezegd: jij met je oorlog. Als er een oorlogsfilm op de tv was, moest ik hem zien, wat er ook gebeurde, ik leek wel geobsedeerd te zijn door de oorlog. Mijn zoon verdiept zich de laatste tijd enorm in de geschiedenis van de Tweede ‘Wereldoorlog’. Misschien komt het dat hij nu bij bedrijf Rheinmetall-defence werkt, waar gepantserde oorlogsvoertuigen worden gemaakt voor de NAVO. De voormalige oostbloklanden hebben bij hun bedrijf grote orders geplaatst voor hun beveiliging. Voor het maken van oorlogsvoertuigen bestemd voor Polen en Litouwen, in reacties op acties van Poetin door inname van de Krim in Oekraïne. Poetin is bezig met het opnieuw organiseren van een Koude Oorlog in voormalig oostbloklanden, dat benauwt mij ontzettend. Mijn zoon was al een keer vanuit zijn bedrijf naar Berlijn gestuurd, waar een grote NAVO-oefening werd gehouden. Hij moest een gepantserd voertuig (Boxer Crv) repareren waar militairen-monteurs niet uit kwamen, het was een nieuw ontwerp voertuig, waar militairen-monteurs nog weinig ervaring mee hadden.
Mijn zoon stelt elke keer meer vragen over de oorlog dan ik eigenlijk aankan. Ik heb de oorlog geschiedenis ver van mij weggestopt. Ik vaarde om onder mijn dienstplicht uit te komen. Na de bevrijding heb ik minimaal tot het einde van mijn lagere school te maken gehad met mijn oorlogstrauma. De verschrikkelijke en eindeloze verhalen van mijn ouders over de oorlog daar kwam geen eind aan, dag in dag uit werden verhalen aan de etenstafel verteld. Op zestienjarige leeftijd ben ik gaan varen bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland. Om niet meer thuis te hoeven zijn, om al die oorlog verhalen aan te horen, ik wilde ze vergeten wat echter niet lukte. Ik wilde het voorgoed achter me laten en wegstoppen en afsluiten. Na jaren blijven varen moest ik op een moment toch de militaire dienst in om mijn dienstplicht te vervullen, doordat mijn militaire vrijstelling was verlopen. Ik was te lang met verlof thuis geweest. Tijdens het varen heb ik verkering gekregen, mijn verloofde wilde geen zeemansvrouw worden, dat kwam mooi uit. Ik kon door de oproep in militaire dienst niet meer naar zee. Na mijn eerste opleiding ben ik Kvv’er beroepsmilitair geworden voor de tijd van zes jaar.
Mijn zoon vroeg mij wat te vertellen over de oefeningen in de tijd van de Koude Oorlog begin jaren zestig in Duitsland, hoe dat daar aan toe ging. Eigenlijk wilde ik daar niets over vertellen, ik had het allemaal weggestopt. In de jaren zestig was ik in dienst als wmr-menagemeester bij de cavalerie 101 Tankbataljon en probeerde daar zo veel mogelijk wat van te maken. Meer dan zes maanden per jaar oefenden wij in Duitsland als parate troepen tegen het Warschaupact. Het wemelde in ons oefenterrein van Oost-Duitse voertuigen die aan het spioneren waren, wij moesten de kentekens direct door geven aan S3 (sectie stiekem). Jarenlang oefende wij met buitenlandse troepen, op de Lüneburger Heide in NATO-verband. Wij waren gelegerd in legerkamp Oërbke en Höhne vlak bij de grote stad Hannover! Of wij lagen in bivak in tenten of in oude legeringsgebouwen, waar de Duitse weermacht en de Waffen SS waren opgeleid. In verschillende gebouwen kon je nog zien waar grote hakenkruizen hadden gehangen en hebben gezeten. Deze gebouwen waren heel sober en Spartaans ingericht. Na de bevrijding heeft de geallieerde bezettingsmacht deze gebouwen en terreinen geconfisqueerd en overgenomen om te oefenen en te trainen in NATO-verband. Aan het interieur en inventaris van de Duitse gebouwen was niets veranderd. In de centrale keuken werd nog gekookt op fornuizen die met bruinkoolbriketten werden gestookt. Eigenlijk kwam mijn trauma weer boven, het begon al bij mijn opkomst in militaire dienst. Ik werd tijdens mijn aflossing uit Lissabon door de KMar uit het vliegtuig gehaald bij aankomst op Schiphol om in militaire dienst te gaan. Ik was voor mijn vertrek naar zee te lang met verlof geweest.
Na een maand moest ik mij als dienstplichtige militair melden in de Willem 3-kazerne in Amersfoort. Hier heb ik een Spartaanse cavalerieopleiding ondergaan, het leek wel op een gevangenis, alles moest in looppas van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Wij kwamen op met allemaal oud- zeevarenden van wie de vrijstellingsregeling was verlopen. Het was een tussenlichting die Defensie in had gelast. Deze tussenlichting van Defensie was veroorzaakt door grote reorganisatie en fusie van grote scheepvaartmaatschappijen in Nederland.
De passagiersvaart en vrachtvaart op Nederlands-Indië was helemaal stil komen te liggen. Massaal werden passagiersschepen opgelegd en verkocht, hier was geen emplooi meer voor. Soekarno had de politieke betrekkingen met Nederland verbroken door de Nieuw-Guinea-kwestie. Ook de Nederlandse KPM rederij; met thuishaven Tandjong-Priok werd door Soekarno genationaliseerd. Hierdoor was een personeelsoverschot ontstaan, dat geen nieuw schip had om op te gaan varen. Veel bemanningsleden, onder wie ikzelf, hebben een jaar doorbetaald thuis gezeten en moesten wachten op een telegram, voor ze weer naar zee konden.
De onderlinge verstandhouding met mijn vader was na zijn thuiskomst in de oorlog uit Duitsland, nooit meer goed gekomen. Tijdens het varen eiste hij zelfs kostgeld van mij terwijl ik op zee zat. Mijn vader wilde alle gemaakte kosten, voor het hebben van een kind, terugbetaald zien door zijn eigen kinderen.
Hoofdstuk 1 – Terugblik in mijn kinderjaren
In 1942, in gemeente Nieuwer-Amstel, ben ik in het begin van de oorlog geboren, van wat ik later gehoord heb tot grote vreugde van mijn ouders, die vlak voor de oorlog, in crisistijd, getrouwd waren. Het was volgens mijn ouders geen leuke tijd om te trouwen en kinderen te krijgen, het was volop crisis in die tijd, iedereen barstte van de armoede door de werkloosheid.
Met mijn geboorte begon een nieuw leven in oorlogstijd, in een tijd waarbij veel mensen om het leven kwamen, zoals bij een bombardement vlak bij ons huis. Mijn ouders waren ontzettend blij met de geboorte van hun eerste zoon, ondanks de moeilijke omstandigheden die de bezetter veroorzaakt had. In deze periode probeerden mijn ouders toch wat van het leven te maken, al viel dat niet mee in die tijd!
Direct na mijn geboorte kreeg mijn vader, via het gewestelijk arbeidsbureau bericht, dat hij in Duitsland moet gaan werken voor deArbeitseinsatz, net als zijn broers.
Ik heb als klein kind later nooit begrepen, en ook niet willen begrijpen, waarom mijn vader en zijn broers zomaar op de trein waren gestapt. Dat hadden ze gedaan in mijn verste herinnering in opdracht van mijn opa en de bezetter, om in Duitsland te gaan werken. Verschillende vaders van mijn vriendjes op de lagere school hadden geweigerd om in Duitsland te gaan werken. Zij zijn later in het verzet gegaan, moesten daarvoor onderduiken. Enkele vaders hebben hiervoor in kamp Amersfoort gezeten, en zijn daarna naar Bergen-Belsen afgevoerd om nooit meer terug te komen. Enkele vaders zijn in kamp Amersfoort vermoord door kampbeulen. Voor mij waren die vaders helden, vooral tijdens de jaarlijkse dodenherdenking. Ik vond mijn vader laf, dat hij zomaar naar Duitsland was gegaan zonder tegenstribbelen. Ik dacht op de lagere school: mijn opa en de Duitsers hadden van mij de pot op gekund, wat denken ze wel!
(Ik had als kind makkelijk denken, de werkelijk was natuurlijk anders.)
Mijn vader moest mijn moeder alleen achterlaten met haar pasgeboren zoon. Ik was nog een baby, te klein om te weten hoe mijn vader eruitzag toen hij weg ging. Wat later heel veel problemen heeft gegeven bij zijn terugkomst: hij was voor mij een totaal vreemde man, hier lag de kiem van de naoorlogse ellende die nooit meer goed is gekomen. Hier is nooit goed aandacht aan besteed om dit trauma goed op te lossen.
Onder dwang van de bezetter is mijn vader onder zeer erbarmelijke leef- en werkomstandigheden, als dwangarbeider tewerk gesteld in een Duitse munitiefabriek in Lübeck bij Kassel. Mijn vader heeft daar een heel moeilijke tijd gehad als dwangarbeider: hard werken en weinig eten, heb ik mij later laten vertellen!
De verhalen over zijn dwangarbeid in Duitsland, heb ik later persoonlijk uit de mond van mijn vader gehoord. Toen ik zonder dat hij dat wist, achter bij mijn oma in haar keuken zat te luisteren, naar zijn (mijn) onbekende verhalen. Toen ik hem in opdracht van mijn moeder moest gaan zoeken en hem bij mijn oma in haar kamer vond. Mijn vader vertelde mijn oma alles over zijn tewerkstelling in Duitsland, hij wist niet dat ik in de keuken zat mee te luisteren. Ik herinner me nog sterk dat in het voorjaar van 1953, vlak na de watersnoodramp in Zeeland, een enorme explosie plaatsvond op de kruitfabriek met een gigantische ravage. Ik dacht terug aan de grote bombardement in de oorlog boven Schiphol. Groot paniek onder de vrouwen van de kruitwerkers, de kruitfabriek werd hermetisch afgesloten, niemand werd toegelaten op de kruitfabriek. Uren later, het was al avond geworden, zagen wij de dokter en de dominee vanaf de fabriek naar de kruithuizen lopen, om bij enkele buren het slechte nieuws te brengen. Ze liepen het eerste huizenblok voorbij, mijn moeder slaakte een zucht van verlichting, dat betekend dat mijn vader nog leefde. Bij het tweede blok in het laatste huis ging de dokter naar binnen, die buurman was zwaargewond geraakt en afgevoerd naar het ziekenhuis. Bij het derde blok in het derde huis ging de dominee naar binnen, buurman Kruiswijk was dodelijk verongelukt. Ik hoor mijn buurvrouw nog angstig gillen na dit bericht. Mijn vader die door de explosie een shock had opgelopen, werd laat in de avond thuisgebracht door een neef van hem die ook op de kruitfabriek werkte. Hij vertelde aan mijn moeder: je mag je man wel goed in de gaten houden, hij is helemaal de weg kwijt.
De volgende dag was mijn vader plotseling verdwenen, ik moest hem gaan zoeken van mijn ongerust geraakte moeder. Tijdens het zoeken naar mijn vader, vond ik mijn vader huilend aan tafel zitten bij mijn oma. Waar hij huilend aan mijn oma zat te vertellen, wat hij in Lübeck in Duitsland, als dwangarbeider allemaal had meegemaakt. Hier had mijn vader nog nooit met iemand over gesproken of iets over verteld. Ook vertelde hij over de kruitfabriek in Ouderkerk, die net geëxplodeerd was, waarbij één van zijn naaste collega’s om het leven was gekomen. Waardoor hij nu in de Ziektewet liep met een zware shock, en af en toe de weg volkomen kwijt was. Hij wist door zijn opgelopen aversie af en toe niet meer wie en waar hij was. Door die zware shock maakte hij in zijn gedachten de zware explosie en bombardement door de geallieerden in Duitsland weer mee. Hij zocht tijdens de explosie van de kruitfabriek dekking voor de geallieerden vliegtuigen, en vertelde aan zijn collega’s dat die ook dekking moesten zoeken, die dat erg vreemd vonden. Zij zorgden ervoor dat mijn vader direct behandeld werd door een dokter. Mijn vader wilde alles wegstoppen alsof er niets aan de hand was. Ook vertelde mijn vader aan mijn oma, dat hij in Duitsland, ondanks dat hij getrouwd was en een zoon had, verkering had gekregen met een Duitse verpleegster, die hem heeft geholpen. Mijn vader wilde scheiden en vertelde dat aan mijn oma, dat hij terug wil naar zijn verpleegster in Duitsland. Hij vertelde tevens aan mijn oma dat zijn zoon hem nog steeds afwees en niets van hem wilde weten. Mijn vader had pas weer een brief van zijn ex-vriendin uit Duitsland gekregen. Gelukkig heeft mijn oma dat uit zijn hoofd kunnen praten en zei: ‘Jan jongen, je hebt toch een mooi gezin met een goede baan en een mooi huis. En dat met je zoon komt ook wel goed, je moet wat geduld met hem hebben, het is een fijne gezonde jongen!’ Gelukkig is hij op verzoek van mijn oma met mij meegegaan naar mijn moeder en heeft hij mijn oma beloofd om thuis te blijven bij mijn moeder en zijn gezin en niet naar Duitsland te gaan. Toen ik dit gehoord had bij mijn oma in de keuken, voelde ik mij verantwoordelijk voor de scheidingsplannen van mijn vader. Ik dacht steeds: het is mijn schuld als mijn vader weggaat bij ons. Ik kreeg hier als kleine jongen van acht jaar een enorm schuldgevoel over.
Terwijl mijn vader in Duitsland werkte, had hij kennisgemaakt met een Duits meisje dat als verpleegster werkte in het plaatselijke hospitaal. Zij was tevens doktersassistente, die één uur per week spreekuur hield samen met de bedrijfsarts van de munitiefabriek. Zij verzorgde verzwakte dwangarbeiders om ze er weer snel bovenop te helpen voor de productie. Mijn vader zag de verpleegster regelmatig, zij hielp hem met extra rantsoen, tevens nodigde ze hem een keer bij haar thuis uit. Ze werden na verschillende ontmoetingen verliefd op elkaar. Zij zorgde er voor dat mijn vader extra eten en medicijnen kreeg die hij nodig had. De springstoffenfabriek in Duitsland werd op het einde van de oorlog in 1944 zwaar gebombardeerd door de geallieerden. Mijn vader zat er middenin, tijdens de explosie van de munitiefabriek, waar honderden doden bij zijn gevallen van dwangarbeiders die op de fabriek werkte. Door de explosie was mijn vader gewond geraakt en kanariegeel geworden van onder andere het salpeterzuur dat vrij over het terrein stroomde. Hij werd zwaargewond afgevoerd naar het hospitaal. Met behulp van zijn verpleegster, die hem verzorgde in het hospitaal heeft mijn vader het bombardement overleefd. Zij regelde clandestien pijnstillers en medicijnen voor mijn vader die hij nodig had om te herstellen. Zijn verpleegster veranderde in het geheim zijn ziektestatus, zodat hij langer in het hospitaal kon blijven liggen, om goed aan te kunnen sterken tegen de zin in van SS-opzichters. Na de explosie lag de munitiefabriek helemaal in puin, mijn vader wilde naar huis naar zijn ouders, hij had het helemaal gehad in Duitsland. Op verlof gaan ging niet zomaar als dwangarbeider, je moest hier een speciaal verlofpasje voor hebben. De Duitsers wilden de gewonden dwangarbeiders weer zo snel mogelijk aan het werk hebben om puin te ruimen van de ontplofte fabriek. Hij vroeg aan zijn verpleegster of zij hem kon helpen om aan een verlofpasje te komen. Om naar zijn moeder te kunnen gaan die hij zo mistte, hij barstte van de heimwee, hij was een echt moederskindje, heeft een oom van me later verteld. Zijn verpleegster wilde hem wel helpen, maar mijn vader moest haar beloven dat hij na drie weken weer terug zou keren, anders ging het niet door. Zijn verpleegster had een broer, die stafofficier was bij de Duitse weermacht en over personeelszaken ging. Zij had al eens aan haar broer gevraagd of hij een verlofpas kon regelen voor haar vriend. Dat verzoek werd afgewezen door haar broer, hij wilde hier absoluut niet aan meewerken. Vooral niet voor een buitenlandse dwangarbeider. Er waren genoeg Duitse jongens om mee om te gaan, vond haar broer. Zij protesteerde hiertegen, en zei tegen haar broer dat alle leuke Duitse jongens aan het oostfront zaten, en zij zo lang niet kon wachten. Ze wilde een eigen gezin stichten!
De geallieerde waren na de invasie in Normandië België al gepasseerd en trokken nu op richting Eindhoven. Duitse soldaten waren aan de verliezende hand, en had alle dwangarbeiders hard nodig om tankwallen te graven om de geallieerden tegen te houden. Op een avond kwam de verpleegster van mijn vader de ziekenzaal binnen en fluisterde in mijn vaders oor dat ze een verlofpasje voor hem geregeld had, voorzien van de benodigde geldige stempels om over de grens te komen. Hij moest haar nogmaals beloven om bij haar terug te komen. Mijn vader vroeg aan haar hoe ze aan de verlofpas met stempels was gekomen. Ze vertelde: je moet niet te veel vragen, maar zei dat ze die stiekem uit de aktetas van haar broer had gestolen. Mijn vader schrok hier enorm van, en dacht: als dit maar niet uitkomt. Samen met haar is hij diezelfde avond uit het hospitaal gevlucht voordat de diefstal van zijn verlofpas ontdekt werd. Na innig afscheid van haar genomen te hebben, heeft zij mijn vader op de trein gezet naar Nederland. Tot zover ging alles goed.
Wat ik later begrepen heb van het verhaal van mijn vader bij mijn oma is dat zijn reis naar Nederland niet helemaal vlekkeloos was verlopen. Onderweg moest de trein regelmatig stoppen, de trein werd regelmatig beschoten door geallieerde vliegtuigen. Zij moesten om de haverklap de trein verlaten en dekking zoeken in een greppel langs de spoordijk. Als de beschieting van de trein was afgelopen, reed de trein weer verder richting grens. Wat ik van mijn vader begrepen heb bij mijn oma, was dat het voor hem angstige momenten waren geweest, waarbij hij dacht nooit meer thuis te komen bij zijn vrouw en kind.
Vlak voor de grens gonsde het van de wilde geruchten in de trein dat er moeilijkheden waren bij de grens. Duitse SS’ers zouden iedereen terugsturen, naar de plaats waarvan ze gekomen waren, ondanks dat zij in het bezit waren van een geldige verlofpas. Mijn vader zat helemaal in zak en as, hij was toch al niet zo’n held, hij had wel een geldige verlofpas, maar geen geldig paspoort bij zich. Dat lag nog op het kantoor van de munitiefabriek. Dus werd het voor hem extra moeilijk om zonder hulp de grens over te komen.
Vlak voor de grens werd mijn vader in de trein aangesproken door een oude man, die heel zachtjes vroeg of hij onderweg was naar Nederland. Mijn vader bevestigde dat. De oude man vertelde dat de grens potdicht zat en Duitse en Nederlandse SS’ers alle verlofgangers terugstuurde. De oude man zei dat hij mijn vader zou helpen om over de grens te komen. Hij moet verder geen vragen stellen, alleen maar op hem letten, vlak voor de grens zou hij naar hem toe komen, om hem verder te helpen. Een paar kilometer vlak voor de grens stopte de trein plotseling. Mijn vader dacht in eerste instantie weer aan een luchtaanval, achteraf bleek dat iemand met voorbedachten rade aan de noodrem had getrokken. De oude man kwam direct op mijn vader toelopen, drukte hem een briefje in de hand waarop hij de locatie had aangegeven, en hoe hij daar naartoe moest lopen als hij uit de trein was gestapt. Mijn vader bedankte de oude man en sprong direct uit de trein. Hij was niet de enige, er sprongen nog meer Nederlandse vluchtelingen uit de trein die een briefje bij zich hadden.
Vlak voor de grens werd mijn vader op de afgesproken locatie met zijn medevluchtelingen opgewacht door een Nederlandse spoorwegambtenaar die in de ondergrondse zat. Deze man was door het verzet aangesteld om Nederlandse vluchtelingen de grens over te helpen. Zij liepen in stilte, in sluipgang achter de man aan tot ze bij een groot hek kwamen aan de grens. Even verderop was een geheim loophekje gemaakt door het verzet, tussen de bosschages was het loophekje vanaf de weg niet te zien, ook niet door Duitse grenswachters. Ze liepen via het loophekje om de grenscontrole heen. Gelukkig werden ze niet ontdekt door de Duitse grenswachters. De man uit het verzet fluisterde dat enkele grenswachters aan de grens waren omgekocht. Mijn vader stond doodsangsten uit, zo’n held ben ik niet, vertelde hij aan mijn oma. Want als je ontdekt werd, kreeg je onmiddellijk de kogel.
Over de grens werden zij opgevangen door een ander onbekende persoon. Ze mochten geen vragen stellen aan hem, maar gewoon meegaan. Die heeft mijn vader en andere vluchtelingen verder de grens over geholpen. Vlak bij een Nederlands spoorwegstation kregen ze vervalste vervoerbewijzen om verder te reizen. Zo kwam mijn vader heelhuids in Holland aan. Daarna is hij direct ondergedoken in Amsterdam, wat het verzet voor hem geregeld had. Volgens de verdere verhalen uit die tijd was het tijdens spertijd erg donker en koud. Mijn vader was naar ons huis gegaan op de Margaretha van Borsselenlaan in Nieuwer-Amstel en heeft bij ons huis aangebeld. Mijn moeder schrok enorm, kan ik mij herinneren, ze dacht: wie kan dat in godsnaam zijn? Zij had een dag geleden politie aan de deur gehad die gevraagd had of mijn vader soms thuis was gekomen. Waarschijnlijk was de vlucht van mijn vader ontdekt in Duitsland. Mijn moeder maakte zich erg ongerust dat er iets met mijn vader aan de hand zou zijn, ze wist nog van niets. Anders komt de politie niet aan de deur. Het was een gevaarlijke tijd, de benedenbuurman was pas door de SD, zonder opgave van reden, van huis weggehaald.
Mijn moeder was heel voorzichtig geworden, ze hoorde zulke vreemde verhalen in het dorp over Sonde commando’s die moorden pleegden. De laatste tijd werden veel mensen in gijzeling genomen door de bezetter. De geruchten werden steeds heviger in het dorp nu de bevrijding ophanden was.
Mijn moeder vroeg zich af wie dat kon zijn? Heel voorzichtig liep mijn moeder naar de voordeur, en deed de voordeur op een kiertje open om te zien wie er voor de deur stond. Zij gaf een gil van blijdschap, riep tegen mij: kom gauw kijken wie hier op de stoep staat, het is je vader, wat een verrassing!
Ik was achter mijn moeder aangelopen, hield stevig haar rok vast, en rilde van angst. Ik zag dat mijn moeder een vreemde, enge, magere man stond te kussen.
Ik werd ontzettend boos op mijn moeder, dat ze een vreemde man stond te zoenen. De man die mijn moeder zoende, was een broodmagere onbekende slungelige man, die uit Duitsland was gevlucht, en vertelde dat hij mijn vader was. Ik dacht, zo klein als ik was, dat kan niet mijn vader zijn. Mijn vader staat op de foto op het dressoir en ziet er heel anders uit! Mijn vader wilde mij oppakken en een zoen geven. Nijdig draaide ik mijn hoofd om en rukte me los uit zijn armen, en riep: je bent mijn vader niet! Ik keek hem bang aan, vond hem een enge man, moest niets van hem hebben, hij stonk ontzettend.
Hij zei: ik ben je vader. Hij ging in de kamer aan tafel zitten terwijl mijn moeder snel een kopje surrogaatkoffie zette voor hem. Hij wilde mij weer vastpakken en op zijn schoot zetten, ik rukte me onmiddellijk los en sprong van zijn schoot af en ging in een hoekje van de kamer kwaad zitten wezen. Wat mijn vader ontzettend veel verdriet pijn deed. Toen hij naar Duitsland ging, was ik een nog baby’tje van acht weken.
De elektriciteit in onze straat viel weer eens uit, ook in ons huis. Waarschijnlijk was er weer een storing in het transformatiehuisje, waar een paar weken geleden een dronken Duitse soldaat met zijn auto tegenaan was gereden.
Mijn vader en moeder besloten vroeg naar bed te gaan, nu het licht weer uitgevallen was. Mijn moeder bracht me naar mijn eigen bed, dat stond in de slaapkamer van mijn ouders, meer ruimte hadden mijn ouders niet. Even later ging mijn vader naast mijn moeder in bed liggen, hij viel direct in diepe slaap van vermoeidheid, op mijn plaats waar ik altijd sliep naast mijn moeder. Ik dacht: die man hoort niet bij ons. Ik kon niet uitstaan dat hij mijn plaats in had genomen, naast mijn moeder in bed. Van mijn moeder moest ik mijn vader een kusje geven, voor ik in mijn eigen bedje werd gelegd. Ik stribbelde hevig tegen om mijn vader een kus te geven, tot groot verdriet van mijn ouders. Mijn moeder probeerde de zaak nog te zussen, door te zeggen tegen mijn vader dat ik eerst nog even moet wennen, dat hij terug was gekomen. Mijn vader kon hemel en aarde bewegen, maar ik bleef volhouden dat de man op de foto mijn echte vader was en niet hij!
Dit was het begin van mijn oorlogstrauma. Ik bleef mijn vader als een vreemde zien en ontwijken, tot grote ontsteltenis van hem. Aan het einde van de hongerwinter werd dat nog versterkt. Mijn vader kwam maar af en toe thuis als het donker was. Regelmatig kwam de politie aan de deur om aan mijn moeder te vragen of mijn vader was thuisgekomen. Als klein kind wist ik niet dat mijn vader gevlucht was, en ondergedoken zat in Amsterdam. Hoe minder ik wist, hoe veiliger het was voor mijn vader. Dat begreep ik later pas na de bevrijding. Het was een moeilijke tijd in de Hongerwinter. Mijn moeder had het zwaar, is in die korte tijd dat mijn vader er af en toe was, in verwachting geraakt. Er was geen eten, geen licht en verwarming in deze koude winter. Af en toe had mijn vader wat hout bemachtigd voor het noodkacheltje van mijn moeder. Mijn vader had een boompje omgezaagd op het einde van de Margaretha van Borsselenlaan, samen met een buurman stiekem in de nacht. Ze leefde verder op bloembollen en suikerbieten en af en toe wat groenten uit de tuinderij van opa en oma, maar in de Hongerwinter groeide niets, zelfs de boerenkool werd van het land gestolen. Mijn vader probeerde mijn moeder zo goed mogelijk te helpen vanuit zijn onderduikadres, hij probeerde eten te kopen op de zwarte markt. In de Hongerwinter was in heel Nieuwer-Amstel en Amsterdam niets meer te koop. Alle winkels waren leeg.
Mijn vader en moeder woonden bij een ouder echtpaar in, op één hoog. De ruimte om te wonen was erg klein, er waren irritaties onderling vanwege de kleine behuizing in deze moeilijke tijd. Tijdens de oorlog letten de mensen wel goed op elkaar, de buren waren behulpzaam voor mijn moeder, met haar kleine kleuter en in verwachting van haar tweede kind. Zij stond er over het algemeen alleen voor, omdat mijn vader zich niet vrij kon bewegen omdat hij ondergedoken zat. De sociale controle was groot in de buurt, iedereen hielp en hield elkaar in de gaten. De oorlogsjaren waren zwaar en moeilijk voor mijn ouders. In de eerste jaren als baby, gebeurde er van alles, wat niet goed voor mij was, volgens mijn moeder heb ik daar niets aan overgehouden. Mijn moeder vertelde later, dat ik geen honger had geleden, ondanks de Hongerwinter. Daar heeft zij wel voor gezorgd. Toen mijn zusje geboren was op het einde van de Hongerwinter, had mijn moeder zoveel borstvoeding dat zij mij daar ook mee kon voeden, zo ben ik verder als kleuter de Hongerwinter doorgekomen.
Mijn eerste jeugdherinneringen waren, als ik terugdenk aan de zware bombardementen en luchtgevechten op het einde van de oorlog boven Schiphol. Er ging geen dag voorbij of er werd gebombardeerd en geschoten boven het vliegveld. Eerst door de Duitsers en op het einde van de oorlog door de geallieerden. Doodsbang was ik voor die schietpartijen en bombardementen en luchtgevechten. Ik kroop direct onder tafel in de kamer als ik een vliegtuig aan hoorde komen. In maart 1945, vlak voor de bevrijding, kwam mijn vader uit zijn onderduikadres tevoorschijn toen Eindhoven al bevrijd was om mijn moeder te ondersteunen met haar bevalling van mijn zusje. Ik bleef het maar een enge man vinden die niet bij ons hoorde. Ik heb mijn vader ontzettend veel verdriet en pijn gedaan, met het blijven ontkennen dat hij mijn vader was. Daardoor is het nooit meer goed gekomen tussen mij en mijn vader. Mijn vader heeft nooit geprobeerd om later toenadering met me te zoeken, integendeel zelfs, hij stelde zich hard en afstandelijk op, vooral na de geboorte van mijn zusje. Ik kreeg het gevoel dat ik op de tweede plaats kwam.
De geallieerden troepen waren al heel dicht genaderd, Eindhoven was bevrijd. Bij de buurman werd stiekem naar radio Oranje geluisterd boven op zolder in een kast achter een dubbele wand. Er werd vooral geluisterd naar de toespraak van koningin Wilhelmina, dat was heel spannend voor mijn ouders en de buren. Ik werd altijd weggehouden van de plek waar de radio stond, dan kon ik het ook niet verraden in mijn onschuld, zei mijn moeder dan.
De oorlog en de bevrijding hebben diepe indruk op mij gemaakt en grote invloed gehad op mijn verdere leven.
Op 5 mei 1945 werd door het buurtcomité een bevrijdingsfeest georganiseerd, in de versierde Margaretha van Borsselenlaan. Het was in de lucht op Bevrijdingsdag een drukte boven ons huis met laagvliegende vliegtuigen, die voedsel dropten aan het eind van onze doodlopende straat op het open veld. Verschillende mensen waren op daken van huizen geklommen om beter naar de piloten in de vliegtuigen te kunnen zwaaien. De mensen snakten naar vrijheid en eten, iedereen had honger! Ze waren de bloembollen en de suikerbieten meer dan zat.
In de cockpit van de vliegtuigen kon je de piloten zien zitten. Met grote aandacht en verbazing stond ik als klein jongetje naar de vliegtuigen te kijken. Als kind was ik nog steeds doodsbang voor vliegtuigen, ik moest hier eigenlijk niets van hebben. Ik zag steeds weer in het donker de grote schijnwerpers van Schiphol aanflitsen. In schijn van die lichtbundels werd op vliegtuigen geschoten, die terugvlogen naar Engeland nadat ze in Duitsland hun bommen hadden afgeworpen. Ik was ontzettend bang voor dat schieten. Uit de overkomende vliegtuigen werden nu geen bommen gegooid maar blikken biscuit, cornedbeef, en andere voedingsstoffen, zoals zakken meel om brood te bakken. Samengebundeld in grote pakketten en zakken werd het voedsel uit de vliegtuigen gedropt, een spectaculair gezicht. Opeens werden de kinderen door buurtbewoners van straat gehaald, ook ik, droppings uit vliegtuigen waren niet ongevaarlijk. Een oude joodse buurman met keppeltje op had de hele oorlog ondergedoken gezeten bij onze overburen. Hij stond buiten naar de vliegtuigen te kijken. Hij voelde zich vrij en zwaaide met zijn wandelstok naar de piloten, hij was uitzinnig van vreugde dat hij bevrijd was, en dit mee mocht maken. De joodse buurman had volgens mijn moeder de hele oorlog ondergedoken gezeten, in een kleine ruimte achter een aanrechtkastje bij de overburen, naast het huis van een NSB’er.
Op Bevrijdingsdag werd de NSB-buurman direct opgepakt door de binnenlandse strijdkrachten, maar algauw weer vrijgelaten. De binnenlandse strijdkrachten waren er vrij snel achter gekomen dat de NSB-buurman nooit joden en onderduikers verraden had, terwijl hij wist dat meneer Cohen naast zijn huis ondergedoken zat. De mensen in de buurt hebben dat aan de commandant van de binnenlandse strijdkrachten verklaard. Hij heeft zelfs mensen geholpen in de Hongerwinter, toen het zo koud was en het vroor dat het kraakte met kolen, die hij als NSB’er gratis van de weermacht ontving. Mijnheer Cohen was blij dat hij goed de oorlog was doorgekomen, en de oorlog voorgoed voorbij was. Hij bleef maar juichen en zwaaien naar de laagvliegende vliegtuigen. Terwijl hij stond te zwaaien naar de piloten in de vliegtuigen, werd een groot pakket hulpgoederen gedropt. Het pakket hulpgoederen viel in zijn richting naar beneden, het kwam recht op de joodse buurman af. De joodse buurman kon niet zo gauw wegkomen en struikelde over zijn eigen stramme benen en viel op de grond. Meneer Cohen kreeg het gedropte pakket hulpgoederen recht op zijn hoofd. De buren snelden toe om eerste hulp te verlenen. De kinderen werden direct uit de buurt van de plaats van het ongeval gehouden. Door omstanders werd heel geheimzinnig gefluisterd. Ik hoorde tante Jo, een buurvrouw zeggen, terwijl ze een kruisje sloeg: ‘Godallemachtig, buurman Cohen is morsdood. Die arme man heeft het hele voedselpakket precies recht boven op zijn hoofd gekregen. Hoe is dat nu in godsnaam mogelijk,’ zei tante Jo, ‘dat uitgerekend hij… dat pakket op zijn hoofd moet krijgen. Al die tijd heeft hij ondergedoken gezeten en nu hij vrij is gebeurt dit, dat is toch onmenselijk,’ zuchtte tante Jo.
Er ontstond verwarring onder toeschouwers en feestcomité. De kinderen waren erg geschrokken van het ongeluk en huilden. Het bevrijdingsfeest werd direct afgelast door het feestcomité.
In de avond zijn het Oranjecomité en de buurtcommissie bij elkaar geweest om te overleggen wat er nu verder moet gebeuren. Men vroeg zich af of het bevrijdingsfeest wel door kon gaan, nu buurman Cohen verongelukt was. In overleg met buurtbewoners en naaste buren van buurman Cohen is besloten om het bevrijdingsfeest toch voort te zetten. Maar dan na de begrafenis van buurman Cohen, die de volgende morgen vroeg zal worden begraven, volgens de joodse traditie en rituelen. Navraag bij nabestaanden van buurman Cohen, om toestemming te krijgen om het feest voort te zetten was niet mogelijk. Familieledenleden van buurman Cohen waren allemaal omgekomen in concentratiekampen: Bergen-Belsen, enkele familieleden waren vergast in Auschwitz-Birkenau. Buurman Cohen had vlak voor de bevrijding post ontvangen van het Rode Kruis over de toestand van zijn familie. Het feest zal na de begrafenis van buurman Cohen in de middag worden voortgezet, de kinderen mogen niet bij de begrafenis aanwezig zijn. Een kleine groep afgevaardigde buurtbewoners hebben buurman Cohen begeleid naar zijn begrafenis op de joodse begraafplaats, zo is mij later verteld.
De buurtcommissie had de hele straat versierd met vlaggetjes met eigengemaakte slingers van oranje crêpepapier. Het bevrijdingsfeest heeft ontzettend veel indruk op me gemaakt, zo klein als ik was, hier kan ik mij alles nog van herinneren. Vooral de intocht van de Canadezen in Amsterdam zal ik nooit vergeten. Mijn moeder heeft zich haar hele leven er over verbaasd hoe dat mogelijk was, dat ik dit heb kunnen onthouden op driejarige leeftijd. Alle kinderen uit onze straat waren door het feest comité uitgenodigd om aan de bevrijdingsspelletjes mee te doen. Voor alle leeftijden was wat georganiseerd. Met leeftijdsgenootjes moest ik vlaggetjes steken in oude stoven van de kerk. Oudere kinderen gingen zaklopen, hoepelen, koekhappen werd overgeslagen, er was geen koek om in te happen vanwege de oorlog. Ik stond te juichen en te springen toen ik gewonnen had, ik had als eerste al mijn vlaggetjes aan de overkant in de stoof gestoken. Ik was blij dat ik de eerste prijs gewonnen had, alleen waren er geen prijzen, er was helemaal niets, je moest het met de eer doen, zei mijn moeder. Ik begon als klein kind te janken omdat ik niets kreeg. Er was niets, we aten toen nog gekookte bloembollen en gebakken suikerbietenkoekjes, er was geen limonade of iets dergelijks, het enige wat je kreeg, was een glas koud water. Vrij snel na de voedseldropping kregen wij mondjesmaat pap te eten, gemaakt van biscuit, aangemaakt met magere melk poeder uit de gaarkeuken om aan te sterken. We mochten niet te veel eten, heel kleine hapjes pap mocht je langzaam naar binnen werken, je lichaam was niet meer aan voedsel gewend. Ik wilde steeds meer eten, maar ik kreeg niet meer dan mijn voorgeschreven rantsoen.
Enkele dagen na de bevrijding kreeg mijn vader het in zijn hoofd om een vlag te kopen in Amsterdam. Samen met mijn vader, ik voor op de fiets met massieve banden, zijn we naar het Haarlemmermeer-station gefietst. We kwamen langs het Olympische stadion, waar een groot bevrijdingsfeest werd georganiseerd. Het was daar een drukte van belang, overal zag je broodmagere en uitgehongerde mensen lopen en dansen van vreugde dat ze bevrijd waren. Op de hoek van de Laressestraat, zag ik dat een broodmagere man op een handkar werd gelegd. De man werd van straat gehaald omdat hij was overleden, door de honger, zei mijn vader. Voor die man kwam de bevrijding te laat. Ik moest van mijn vader de andere kant opkijken toen ze de dode man op de handkar neerlegden. Ik keek stiekem achterom naar die dode man. Ik trilde helemaal van angst, ik zag die holle doffe gebroken ogen van die man. Ik had nog nooit een dood mens gezien, ik raakte hier helemaal van overstuur. De dode man op de handkar heeft heel veel indruk op mij gemaakt, ik heb hier veel slapeloze nachten van gehad en heel veel over gedroomd als klein kind!
Tot op de dag van vandaag weet ik nog precies de plaats aan te wijzen waar ik gestaan heb met mijn vader, toen de Canadezen Amsterdam binnen kwamen rijden. Prachtig vond ik de intocht, al die tanks en militaire voertuigen met daarop uitbundige juichende mensen die op de tanks waren geklommen om mee te rijden en met vlaggen zwaaiden. Mijn moeder heeft nooit begrepen dat ik op latere leeftijd nog precies kon aanwijzen waar ik gestaan had met mijn vader, tijdens de intocht.
Op de hoek van het Haarlemmermeer-station vlak naast de gevangenis waren koks aan het koken in de gaarkeuken, ze maakte biscuitpap, heerlijk rook het daar! Het water liep me uit de mond. Mijn vader liep naar de gaarkeuken en vroeg om twee bekers pap. De man achter de balie vroeg aan mijn vader om zijn persoonsbewijs. Daarin stond dat wij uit de gemeente Nieuwer-Amstel kwamen. De man zei heel vriendelijk dat de pap alleen bestemd was voor Amsterdammers uit de stadionbuurt. Teleurgesteld keken wij verder naar de intocht van de Canadezen. Mijn vader had weinig kracht meer om terug te fietsen, hij was behoorlijk uitgeput en ondervoed. Wij rammelden van de honger. We kregen geen pap uit de gaarkeuken waar het zo lekker rook. Gelukkig kreeg ik als klein jongetje chocoladerepen toegeworpen door de Canadese militairen die voorbijtrokken met hun tanks. Mijn opgevangen chocoladerepen begon mijn vader tot mijn verontwaardiging direct op te eten. Ik zei kwaad tegen mijn vader: ‘Die repen zijn voor mij!’ Mijn vader zei: ‘Er zijn repen genoeg, die krijg je niet allemaal alleen op.’ Samen met vader heb ik zittend op de rand van een stoep, de rest van de chocoladerepen op zitten eten. De chocoladerepen gaven mijn vader nieuwe energie om terug te fietsen naar huis. Ik weet niet meer of we een vlag hebben gekocht.
Heel veel bedrijven lagen stil na de bevrijding, de meeste bedrijven waren zwaar beschadigd door de bombardementen, dat kon je zien aan de enorme grote puinhopen die er in de stad lagen.
Veel mensen waren in opdracht van het arbeidsbureau aan het puin ruimen. De kruitfabriek was in de oorlog helemaal ontmanteld en leeggeroofd, machines waren overgebracht naar Duitsland om daar het productieproces voort te zetten voor het maken van zwartbuskruit.
Na de bevrijding zijn wij verhuisd naar Ouderkerk aan de Amstel vlak naast de kruitfabriek waar mijn vader werkte. Mijn ouders waren dolgelukkig met deze verhuizing, inwonen was ook niet alles. We kwamen aan de Amstel te wonen, met mooi uitzicht op het scheepvaartverkeer. Mijn vader heeft samen met zijn twee broers de boel zelf verhuisd naar ons nieuwe huis, ze maakten er een feestje van. Alles werd op een bakfiets en een handkar van de kruitfabriek geladen. Ze moesten acht kilometer lopen en fietsen naar ons nieuwe huis, dat was een hele tocht, maar gelukkig was het mooi weer. Zij waren redelijk vlug klaar met verhuizen, veel spullen hadden mijn ouders niet. De nieuwe woning lag voor de boerderij van Arie Oostveen. Uit ons achterraam keek je uit op het boerenerf, met tien stappen was mijn vader op de kruitfabriek.
In dit huis werd mijn broertje geboren. Precies één jaar, één maand en één dag later na de geboorte van mijn zusje. Vlak na de geboorte van mijn broertje zijn we binnen een jaar weer verhuisd naar een nog groter huis. We kwamen in het eerste blok van de kruithuizen te wonen, tweehonderd meter verder van ons oude huis. De kruithuizen waren mooie grote gezinshuizen, met een groot souterrain onder het huis met achter het huis een grote tuin, een zogenaamde dijkwoning. De huizen van de kruitfabriek werden goed onderhouden en regelmatig gerenoveerd door de fabriek. Dit huis was een groot verschil met ons oude huis, veel meer ruimte, geschikt voor grote gezinnen. Vanuit de keuken aan de achterkant van ons huis keek je over de polder, in de verte zag je het Olympisch stadion liggen. Wij woonden daar prachtig, wij woonden in het eerste blok die waterleiding kregen. Mijn oma, die in het tweede huisblok woonde, had nog een waterpomp in de keuken staan, de waterleiding moest daar nog aangelegd worden. Vanaf mijn kleutertijd ben ik heel streng christelijk opgevoed. Op zondag mochten we niet vissen, zwemmen of fietsen, twee keer op zondag naar de kerk en naar de zondagsschool, vaders wil was wet. Het werk wat mijn vader op de kruitfabriek deed, was behoorlijk gevaarlijk, vaak was er spanning binnen het gezin vanwege het explosiegevaar op de kruitfabriek. Wij woonden midden tussen andere kruitwerkers, iedere buurman werkte op de kruitfabriek. Er werd niet gespeeld met katholieke kinderen en kinderen van NSB’ers dat deed men niet. Het was in de tijd van verzuiling: katholieken gingen alleen met katholieken om, protestanten en gereformeerden gingen alleen met elkaar om. Vlak na de oorlog heerste ontzettend veel armoede onder het kruitfabriekpersoneel met hun grote gezinnen, er was helemaal niets, eerst de crises en daarna de oorlog. Alles moest opnieuw opgebouwd worden, de kruitfabriek was ontmanteld en leeggeplunderd door de bezetter. Die moest helemaal opnieuw weer opgebouwd worden. Nieuwe machines waren nog niet voorhanden. Verschrikkelijk waren de verhalen over de oorlog die mijn ouders elke dag aan tafel vertelden. Hier kwam geen eind aan. Elke dag werden wij als kind geconfronteerd met oorlogsleed van je ouders die zij niet konden verwerken. Het heeft heel lang geduurd voor dat overging. Ik raakte als oudste zoon getraumatiseerd door gruwelijke oorlogsverhalen en foto’s van concentratiekampen van mijn ouders. Die hielden maar niet op met vertellen, van de vreselijkste dingen over de oorlog!
In de eerste klas van de lagere school werd veel over de oorlog verteld en over het verzet. Sommige jongens in de klas waren populair, hun vader had in het verzet gezeten, allerlei verhalen deden de ronde in het dorp. Langzaamaan begon het tot me door te dringen dat mijn vader niet in het verzet had gezeten maar opgeroepen was door de bezetter om te werken voor de moffen in Duitsland, net als zijn broers. Je was goed in de oorlog of je was fout in de oorlog, een tussenweg bestond niet, er werd zwart-wit gedacht in die tijd, ook door de kinderen in mijn klas op school. Ik nam het mijn vader en mijn ooms kwalijk dat zij zonder zich te verzetten naar Duitsland waren gegaan om daar te gaan werken. Eigenlijk was dat niet eerlijk van mij, dat kwam door hun strenge christelijke opvoeding. Mijn vader en zijn broers moesten van mijn dominante opa, conform de Bijbel het gezag dienen, ook al was het gezag van de bezetter.
Ik ging al vroeg naar de kleuterschool, de School met de Bijbel. Later kwam ik in de eerste klas van de lagere school terecht bij juffrouw De Jong, die vertelde dat ze mijn vader vroeger in haar schoolklas heeft gehad, toen zij nog een jonge onderwijzeres was. Volgens juffrouw De Jong was mijn vader een heel oppassende leerling, waar ik een voorbeeld aan kon nemen. Ik vond mijn vader een bange schijterd. Als juffrouw De Jong iets goeds over mijn vader vertelde, ging ik er dwars tegenin. En zei dan tegen de juffrouw dat mijn vader een lafaard was en niet in het verzet had gezeten, zoals sommige vaders van mijn vriendjes. Juffrouw De Jong schrok hier ontzettend van, en probeerde mij op andere gedachten te brengen, wat zinloos was. De school met de Bijbel stond onder strenge leiding van hoofdmeester Van Lingen, die ook lesgaf aan de avondschool in Amsterdam. Op een dag rende meester Van Lingen naar de bus om les te geven in Amsterdam. Plots zakte de meester in elkaar door een hartaanval en bleef dood bij de bus liggen, een hele consternatie onder de leerlingen van de school. Volgens mijn vader kwam dat door de oorlog. Meester Van Lingen was leider in het verzet geweest. In het verzet heeft de meester hartklachten gekregen vanwege heftige spanningen, zijn hart was niet zo sterk. In de oorlog waren geen medicijnen waardoor de gezondheid van de meester hard achteruit was gegaan. De school zat nu zonder hoofdmeester, het schoolbestuur moest nu eerst een nieuwe hoofdmeester aanstellen. In de eerste klas, bij juffrouw De Jong moesten de leerlingen twee keer op een dag bidden voor twee zieke klasgenootjes die difterie hadden, hier waren nog geen medicijnen voor te krijgen. Ondanks het vele bidden zijn beide klasgenootjes toch overleden, ik vond dat een rotstreek van God. De hele klas was van slag, verschrikkelijk vonden wij het dat onze klasgenootjes er niet meer waren. De juffrouw zei dat het een straf van God was. Het gebeurde regelmatig in onze buurt dat kinderen kwamen te overlijden door difterie, het leek wel of er een epidemie was uitgebroken, er kwam geen eind aan. Vooral toen een zusje van een vriendje van mij overleed, trok ik me dat erg aan. En ik kon mijn verdriet niet bij mijn ouders kwijt. Je moet flink zijn, zei mijn vader, en ophouden met dat gejank. Jongetjes huilen niet, zei mijn vader. Veel ouders waren hard tegen hun kinderen, zo vlak na de oorlog, als kind moest je niet zeuren. Er waren altijd kinderen en grote mensen, die het veel erger hadden meegemaakt dan jij.
Ik zat nog in de eersteklas, onze school ging uit, ik liep van het schoolplein af naar het voetgangerstunneltje. In het tunneltje hoorde ik ineens boven de tunnel op de weg een auto hard remmen. Het werd ineens ijzig stil boven mijn hoofd. Ik liep snel de trap op naast de zijkant van het tunneltje naar boven om te kijken wat er aan de hand was. Net dat ik met mijn hoofd boven het wegdek uitstak, schrok ik verschrikkelijk. Opeens zie ik een klasgenootje voor me op de weg liggen, met zijn hoofd onder het wiel van een vrachtauto, het bloed spoot uit zijn mond en oren. Ik schrok verschrikkelijk en moest enorm huilen van wat ik daar op de weg zag liggen. Ik bleef gebiologeerd naar mijn klasgenootje staren, ik leek wel versteend van schrik. Er kwamen van alle kanten mensen toelopen die tegen de vrachtwagenchauffeur begonnen te schreeuwen dat hij zijn auto een stukje achteruit moest rijden. De chauffeur was helemaal de weg kwijt, een voorbijganger sprong in zijn auto, heeft de vrachtauto een stukje achteruitgezet, zodat het hoofdje van mijn klasgenootje vrijkwam. Hij is morsdood, zei een omstander, waarschuw de politie maar. Maar dat hoefde niet meer, de brugwachter had de politie al gebeld. Even later hoorde je de politieauto met luide sirene al aankomen, de politieauto was tevens een gewondenwagen. Een oude Canadese ziekenbak uit de oorlog, die ze politie blauw geschilderd hadden. Mijn klasgenootje werd op een brancard gelegd, direct afgevoerd naar een ziekenhuis in Amsterdam. Toen de politieauto wegreed, stond ik te rillen als een rietje op mijn benen en moest overgeven. Niemand vroeg aan mij hoe het met me ging, ik voelde me alleen en verlaten. Een politieman handelde de zaak verder af, controleerde de remsporen op de weg van de vrachtauto voor zijn proces-verbaal. Daarna vertrok de politieman op zijn fiets. Ik was helemaal van de kaart toen ik thuiskwam en was veel te laat voor het eten. Mijn vader zei: ‘Je hebt zeker geen honger, anders was je wel op tijd thuis geweest.’ Met horten en stoten vertelde ik wat er gebeurd was en wat ik gezien had, ik moest niet zeuren en gauw mijn eten opeten, anders kwam ik te laat op school, zei mijn vader. Enkele collega’s van mijn vader hebben mij zien staan bij dat verschrikkelijk verkeersongeluk, zij vroegen in de middag aan mijn vader, hoe het met zijn zoon ging. Toen mijn vader ’s avonds thuiskwam van de kruitfabriek, vroeg hij pas aan mij wat er ’s middags gebeurd was. Huilend vertelde ik wat ik die middag had gezien, dat Joris mijn klasgenootje was doodgereden door een vrachtauto. Zijn moeder kwam op school vragen of ik het ongeluk heb zien gebeuren, zij zocht naar getuigen. Ik heb Joris alleen dood op de weg zien liggen, met zijn hoofd onder het vrachtautowiel. Toen het ongeluk gebeurde, liep ik in het voetgangerstunneltje. Mijn vader zei opeens: ‘Hou nauw eens op met dat gejank, het is Joris zijn eigen schuld dat hij is doodgereden.’ Het voetgangerstunneltje was niet voor niets gemaakt voor de school. Mijn vader waarschuwde: ‘Laat dat een goede les voor jullie zijn. Je ziet wat er kan gebeuren, als je zomaar de gevaarlijke kruising oversteekt, in plaats van het voetgangerstunneltje te gebruiken. Een week later werd Joris begraven op de begraafplaats in het dorp. De juffrouw heeft voor Joris gebeden in de klas, hij is nu in de hemel bij onze Lieve-Heer. Verder werd niet meer over dit verkeersongeluk gesproken. Maandenlang kwam ik Joris tegen in mijn dromen! Ik kreeg midden in de nacht nachtmerries, dan zag ik Joris weer onder de vrachtauto liggen. Deze gedachte mengde zich met mijn gedachten tijdens de zware bombardementen in de oorlog en het lopen door het verschrikkelijke voetgangerstunneltje, waar geen einde aan kwam. Kletsnat van zweet werd ik ’s morgens wakker, mijn moeder vroeg zich af of ik koorts had, zo nat was mijn pyjama geworden. Verschillende nachten dorst ik niet meer te gaan slapen, ik kreeg het Spaans benauwd, alleen al bij die gedachten. Ik dorst het niet tegen mijn ouders te zeggen, dat ik ’s nachts angstige dromen had die grote vormen hadden aangenomen. Bang dat ik voor gek zou worden uitgemaakt, en naar een gekkenhuis zou worden gestuurd. Mijn ouders dreigden regelmatig, als ze kwaad waren op ons, dat ze ons naar een gekkenhuis zouden sturen. De juffrouw op school klaagde bij mijn vader dat ik zo afwezig was met mijn gedachten tijdens de les, en vroeg zich af wat er met mij aan de hand was. O… had mijn vader tegen de juffrouw gezegd, die aanstellerij gaat vanzelf weer over. Waarschijnlijk kwam het door de oorlog dat mensen zo hard tegen elkaar waren, en tegen hun kinderen. Het leek wel of ongelukken totaal geen indruk maakte op de mensen. Misschien hebben ze in de oorlog te veel verschrikkelijke dingen gezien en meegemaakt, om daar nog van onder de indruk te raken. Niet zeuren, doorgaan was hun credo. Veel van de ongelukken werden gezien als een straf van God. Tijdens mijn eerste schooljaren heb ik met die opvatting en die harde mentaliteit veel moeite gehad. Je moest alles zelf oplossen, je ouders waren veel te druk om de eindjes aan elkaar te knopen in het dagelijks leven. Het was een leefwijze om te overleven. Mijn moeder maakte zich er toch grote zorgen over dat ik elke ochtend kletsnat wakker werd, dat vond ze niet normaal. Ze zei tegen mijn vader: ‘Ik vertrouw het niet, ik weet niet wat hij mankeert en wat ik er mee aanmoet. Volgende week komt de schoolarts voor het eerst na de oorlog weer op school, ik wil dat de dokter hier toch even naar kijkt, want dit is niet normaal.’ Op maandagmorgen ging ik met mijn moeder naar de schoolarts, moest me uitkleden tot mijn onderbroekje, de zuster stelde wat vragen die ze opschreef, mijn moeder vertelde wat er aan de hand was. Even later moest ik bij de dokter komen, die deed wat proefjes om te kijken of ik geen liesbreuk had. Mijn ogen en oren werden gecontroleerd en getest. Mijn lengte werd gemeten ik werd gewogen. Mijn moeder vertelde over mijn slechte slapen, dat ze zo ongerust was over mijn nachtmerries, die maar niet overgingen. En over het kletsnat wakker worden ’s morgens. De dokter zei tegen mijn moeder: ‘Uw zoon is lichamelijk kerngezond, daar is niets mee aan de hand. Die nachtmerries zullen vanzelf wel weer overgaan, mocht dat niet lukken, dan moet u even langs uw huisarts gaan. U hoeft zich niet ongerust te maken, het is een stevige jongen, die wel een stootje kan hebben.’
De lagereschooltijd ging voorbij, ik was nog steeds bang voor het grote zoeklicht in het Amsterdamse bos dat diende als baken voor Schiphol. ’s Avonds scheen het licht over de polder en over ons huis heen, net als een vuurtoren aan de kust. Doodsbang was ik voor dat licht, ik associeerde dat met de bombardementen op Schiphol in de oorlog, dat ging maar niet over. Dit heeft lang geduurd, tot ruim na mijn lagereschooltijd.
